| Plan: | Buitenpiste Paardensportcentrum Lichtenvoorde |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1586.BPBUI1507-VG01 |
| Buitenpiste Paardensportcentrum Lichtenvoorde |
| Vastgesteld 26 april 2016 |
| Inlichtingen: |
| Afdeling omgeving |
| Nardo Rondeel |
| 0544 - 393 482 |
Aan de Weijenborgerdijk 34 in Vragender is een paardensportcentrum gevestigd. Dit paardensportcentrum wil zijn activiteiten uitbreiden met een buitenpiste. De buitenpiste past niet binnen het vigerende bestemmingsplan, maar kan mogelijk gemaakt worden door een herziening van het bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van de buitenpiste op deze locatie mogelijk.
Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre, tussen de kernen Lichtenvoorde en Vragender in. In de directie omgeving zijn agrarische bedrijven en een enkele burgerwoning aanwezig.
Locatie paardensportcentrum Weijenborgerdijk Vragender
Het paardensportcentrum aan de Weijenborgerdijk 34 in Vragender wordt gebruikt voor trainingen en het organiseren van grote nationale en internationale wedstrijden. Het paardensportcentrum beschikt over 7 hectare grond, een binnenhal, een springhal, circa 60 stallen, een verhard parkeerterrein, diverse paddocks en een stapmolen.
Luchtfoto huidige situatie
Op dit moment is het paardensportcentrum gesloten in de zomermaanden, omdat er dan nagenoeg geen belangstelling bestaat voor wedstrijden in de hal. Om het paardensportcentrum het hele jaar door te kunnen gebruiken, wil het centrum zijn activiteiten uitbreiden met een buitenpiste van ongeveer 8.000 m2. De buitenpiste wordt voorzien van een omheining. De beoogde locatie voor de buitenpiste ligt aan de oostzijde van de rijhal en bestaat in de huidige situatie uit vlak, intensief beheerd grasland. De locatie wordt landschappelijk ingepast. De totale parkeerruimte blijft gelijk.
Beoogde buitenpiste
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau is eveneens een groot aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.
De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn.
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.
Wel moet worden bekeken of de gewenste ontwikkelingen negatieve gevolgen zullen of kunnen hebben op de aanwezige Natura 2000-gebieden. Met name ammoniakdepositie (de component stikstof uit deze depositie) afkomstig uit de inrichting van de aanwezige dieren en de effecten van stikstof afkomstig van o.a. het verkeer moeten hierbij worden bekeken.
Door het adviesbureau VanWestreenen is een berekening gemaakt om inzichtelijk te maken wat het effect van stikstof is op de in de omtrek gelegen Natura 2000-gebieden bij de gewenste bedrijfsopzet. De berekening is verwoord in een aanvullend rapport die, vanwege de milieutechnische gegevens, is beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek. Ziij geven aan dat de berekening de stikstofdepositie vanuit de inrichting met de gewenste bedrijfsvoering goed weergeeft. Geconcludeerd kan worden dat de gewenste bedrijfsvoering een zeer geringe toename van stikstof op de omliggende Natura 2000-gebieden met zich mee brengt maar dat deze geringe toename ruimschoots onder de drempelwaarde voor de Natura 2000-gebieden zijn gelegen. De berekening en een toelichting op de melding Nb-wet zijn als bijlage 2 bijgevoegd.
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen. De waarden kunnen niet geheel naar eigen inzicht tegen andere aspecten worden afgewogen.
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:
Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand). Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.
Op 1 juli 2008 is de fundamentele herziening van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking getreden, de zogenaamde Wet ruimtelijke ordening (Wro). Deze wetswijziging zorgt voor een duidelijke taakverdeling tussen de overheden waarbij ruimtelijke beleidsplannen van rijk, provincie en gemeenten in hoge mate verticaal op elkaar zijn afgestemd. In de Wro is de sturingsfilosofie dat elke overheid op basis van de eigen verantwoordelijkheid en daarbij behorende instrumenten vooral proactief optreedt ter realisering van haar eigen ruimtelijk beleid. Hiertoe stelt elke overheidslaag een structuurvisie vast. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de Omgevingsvisie Gelderland worden aangemerkt als structuurvisie in het kader van de Wro.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld en in werking getreden. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobilitietsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede Structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.
Daarmee is de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten geven identiteit aan een gebied. Bovendien zijn culturele voorzieningen en cultureel erfgoed van belang voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat en daarmee voor de concurrentiekracht van Nederland. Het Rijk is verantwoordelijk voor het cultureel en natuurlijk UNESCO-werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en cultuurhistorische waarden in of op de zeebodem.
Dit komt tot uiting in nationaal belang 10 'Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten'. Er zijn ruim 400 stads- en dorpsgezichten uit de periode tot 1940 en 50.000 rijksmonumenten aangewezen en beschermd door de Monumentenwet vanwege de nationale cultuurhistorische betekenis.
Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), beter bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de 'oude' ontwerp AMvB Ruimte, die in 2009 al aan inspraak is onderworpen, en deels uit nieuwe onderwerpen.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. Het betreft alleen die regels uit het eerdere ontwerp van de AMvB Ruimte (d.d. 2 juni 2009), die als nationaal belang in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd: 2) Project Mainportontwikkeling Rotterdam, 3) Kustfundament, 4) Grote Rivieren (exclusief reserveringsgebieden Maas), 5) Waddenzee en waddengebied, 6) Defensie en 13) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.
Enkele bepalingen zijn hier echter van uitgezonderd. Deze hebben betrekking op provinciaal medebewind en op ontheffingsmogelijkheden en kunnen pas in werking treden op het moment waarop is voorzien in een wettelijke grondslag voor provinciaal medebewind en voor de mogelijkheid tot afwijking van algemene regels. Dit betekent tevens dat de artikelen ten behoeve van nationaal belang 13) 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' van inwerkingtreding uitgezonderd zijn.
De overige in de SVIR opgenomen nationale belangen, behalve die voor belang 9) buisleidingen, worden neergelegd in een ontwerpwijziging van het Barro. De wijziging van het Barro treedt op een nader te bepalen tijdstip in werking. Het betreft de nationale belangen: 1) Rijksvaarwegen, 4) Grote Rivieren (alleen reserveringsgebieden Maas), 7) Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, 8) Elektricitietsvoorziening, 10) EHS, 11) Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en 12) IJsselmeergebied.
De opname van het onderwerp buisleidingen in het Barro is uitgesteld in afwachting van de behandeling van de Structuurvisie Buisleidingen. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding die juridische borging vereisen.
In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
Het bestemmingsplan 'Buitenpiste Paardensportcentrum Lichtenvoorde' maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk. De Ladder van duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op dit bestemmingsplan.
In de Nota Natuur voor mensen, mensen voor natuur (Nota natuur, bos en landschap in de 21e eeuw, NBL-21) wordt het beleid voor de komende tien jaar geschetst. Deze nota draagt bij aan een meer samenhangend natuurbeleid en vervangt vier groene nota's (Natuurbeleidsplan, Nota Landschap, Bosbeleidsplan en Strategisch plan van aanpak biodiversiteit). Verder biedt de nota het kader voor behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in onder meer landbouw, visserij, toerisme en water.
De term 'Ecologische Hoofd Structuur' (EHS) werd in 1990 geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP) van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De EHS is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur (plant en dier) in feite voorrang heeft en bestaat uit uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat de natuurgebieden hun waarde verliezen. In deze gebieden mogen in principe geen ruimtelijke ingrepen plaatsvinden. Op de PKB-kaart van het Natuurbeleidsplan over de ecologische hoofdstructuur stond de Groenlose Slinge als te ontwikkelen of te versterken verbindingszone aangegeven.
De EHS kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur en bestaat uit:
De EHS moet in 2018 klaar zijn. Kleinere natuurgebieden, kleine bosjes, sloten, rietkragen et cetera maken geen deel uit van de EHS, maar dragen uiteraard wel bij aan de natuurkwaliteit van stad en platteland. Het Rijk gaat ervan uit dat deze in voldoende mate door andere partijen (gemeente, waterschappen, grondeigenaren en dergelijke) worden beschermd.
Vervolgens hebben de provincies in hun streekplannen meer concrete grenzen voor de EHS vastgelegd. De provincies bepalen zelf de contouren. De gemeenten wordt verzocht om de gebieden in het bestemmingsplan de juiste juridische bescherming te geven.
De Vierde Nota Waterhuishouding zet de strategie door van integraal waterbeheer die is ingezet in de Derde Nota Waterhuishouding. De wateroverlast die in de negentiger jaren is ontstaan heeft echter tot het inzicht geleid dat maatregelen, die herhaling moeten voorkomen, meer inhouden dan het verhogen van dijken. De Vierde Nota Waterhuishouding pleit daarom voor meer samenhang tussen het beleid voor water, ruimtelijke ordening en milieu, gericht op de verschillende belangen zoals veiligheid, landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, transport, recreatie en visserij, daarbij ruimte scheppend voor gebiedsgericht maatwerk.
In een bestemmingsplan dient volgens artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening een waterparagraaf te worden opgenomen. Het doel van deze 'watertoets' is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. De waterhuishouding bestaat uit de overheidszorg die zich richt op het op en in de bodem vrij aanwezige water, met het oog op de daarbij behorende belangen. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) worden ook de gevolgen van het plan voor de waterkwaliteit en verdroging onderzocht.
Sinds 1 april 2002 is de Flora- en Faunawet in werking getreden. Deze wet biedt het juridisch kader voor de bescherming van dier- en plantensoorten in Nederland en bevat onder andere de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de gebieden waar deze richtlijnen betrekking op hebben. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde plant- en diersoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3).
In 1999 is de Nota Belvedère verschenen. Doel van de nota is de cultuurhistorische identiteit meer richtinggevend te laten zijn voor de inrichting van de ruimte. Deze doelstelling wordt in de nota geconcretiseerd in een breed scala van te ondernemen acties op rijks-, regionaal- en lokaal niveau. In het kader van de nota is een landsdekkend overzicht gemaakt van de cultuurhistorisch meest waardevol geachte steden en gebieden: de Cultuurhistorische Waardenkaart van Nederland (ook wel Belvédèrekaart genoemd).
Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld.
De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen. Denk hierbij aan nieuwe woningbouw, het oprichten van bedrijventerreinen, et cetera.
De verordening geeft aan dat de beoogde locatie voor de buitenpiste in het Nationaal Landschap ligt. Alleen activiteiten zijn toegestaan die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten of die deze versterken. Ingrepen die de kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap aantasten, zijn alleen mogelijk wanneer er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang, zoals de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid, werkgelegenheid, het ontstaan van voor het milieu wezenlijk gunstigere effecten of andere grote maatschappelijke opgaven. Daar staat tegenover dat voor de ontplooiing van die activiteiten een bijdrage moet worden geleverd aan de landschapskwaliteit. Hierbij kan sprake zijn van compensatie op gebiedsniveau.
Kernkwaliteiten
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Winterswijk zijn als volgt:
Omgevingsverordening - Regels landschap
Locatie paardensportcentrum
De buitenpiste is gepland aan de zuid/west kant van de grote Vragender es. Het landschap ter plekke valt deels onder het type kampenlandschap en deels onder het type jong heideontginningslandschap. De bebouwing, waaronder ook de oude boerderij op de locatie, hoort bij de krans van oude erven op de flank van de es. In het landschap zijn naast de Vragender es een aantal kampen nog goed zichtbaar in het landschap. Eén van deze kampen ligt aan de zuidzijde van de locatie. Het gebied dat te omschrijven is als kampenlandschap is maar smal en gaat snel over in heideontginningslandschap. Deze heideontginning heeft een relatief kleinschalige kavelstructuur. Om het landschap en de oorsprong hiervan 'leesbaar' te houden, is het van belang het reliëf en de zichtbaarheid van de kavelstructuren te beschermen en te versterken, bijvoorbeeld door de aanleg van singels.
De kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap zijn allemaal van toepassing op of rond de planlocatie. Daarbij kan het volgende worden gesteld:
Geen reële alternatieven
Er zijn geen reële alternatieven voor de aanleg van een buitenpiste voor het paardensportcentrum Lichtenvoorde. Om de buitenpiste een goede kwaliteit te geven, die past bij het type paarden dat gebruik zal maken van de piste, dient de bodem aangepast te worden. Er wordt bijvoorbeeld drainage aangelegd onder de piste om ervoor te zorgen dat deze altijd goed te gebruiken is. Dit betekent dat het niet mogelijk is om incidenteel een andere locatie te gebruiken, omdat deze dan ook aan de betreffende voorwaarden moet voldoen. Daarnaast worden in de zomer ook enkele dagen per week trainingen gegeven in de buitenpiste. De buitenpiste wordt dus te frequent gebruikt om daarvoor elke keer een andere locatie in te kunnen richten. Als laatste zijn aan de Weijenborgerdijk overige voorzieningen aanwezig, zoals een foyer voor bezoekers van evenementen, verharde parkeerplaatsen en ruimte om de paarden in te rijden. Ook deze overige voorzieningen zijn niet volledig aanwezig op andere locaties.
Groot openbaar belang
Rond de planlocatie ligt een waterbergingsopgave van het Waterschap Rijn en IJssel. In samenspraak met het Waterschap is invulling gegeven aan de waterbergingsopgave. Aan de noordzijde van de planlocatie wordt een verbinding met de Weijenborgerdijk gecreëerd. Deze verbinding maakt onderdeel uit van een nieuwe bypass die er voor moet zorgen dat in situaties met extreem veel water, het water wordt omgeleid en langer wordt vastgehouden.
Bijdrage aan landschapskwaliteit
Voor de ontwikkelingen aan de Wijenborgerdijk wordt ingezet op de landschapselementen van het kleinschalige landschap. Door de aanleg van hout- en struweelsingels wordt de landschappelijke kwaliteit van het kleinschalige landschap versterkt. Er wordt teruggegrepen op historische verkavelingen en wegenstructuren. Het historische reliëf wordt niet verstoord. Het belangrijkste kenmerkende hoogteverschil rond de planlocatie is een steilrand aan de zuidzijde. Deze steilrand begrenst een oude kamp op het aangrenzende zuidelijke perceel. Deze kamp en steilrand worden door de aanleg van de buitenpiste niet aangetast. Ingezet wordt specifiek op het historische nederzettingspatroon door middel van de aanleg van streekeigen beplanting, passend in het historische verkavelingspatroon van de omgeving. Verdwenen elementen worden op de historische locatie weer aangelegd. Naast versterking van de landschappelijke kwaliteit betekenen de toe te voegen landschapselementen een ecologische meerwaarde voor fauna in de vorm van voedsel, verblijfs- en vestigingsmogelijkheden.
Langs de kavelgrens (de locatie van de voormalige weg) zal een robuuste singel worden geplant (singel A op de afbeelding 'Beoogde buitenpiste' in hoofdstuk 3). Deze singel heeft een lengte van 250 meter en een breedte van 10 meter en zal bestaan uit struweel en boomvormers in 6 plantrijen. Deze singel vormt een landschappelijke verbinding met de bestaande laan aan de zuidzijde van het perceel. In deze singel mogen onderbrekingen zitten, indien zichtlijnen voor bijvoorbeeld buren aangetast worden. Deze singel zal bijdragen aan de kleinschaligheid van het landschap en grijpt terug naar de historische verkavelingsstructuur.
Langs de Weijenborgerdijk wordt een struweelsingel aangeplant (singel B op de afbeelding 'Beoogde buitenpiste'). Deze is circa 5 meter breed (samen met de bestaande bomenrij is de breedte circa 10 meter) en 150 meter lang. Door de ligging van deze zuid geëxponeerde singel in combinatie met de waterberging, ontstaat hier een ecologisch aantrekkelijk habitat voor bijvoorbeeld diverse vlindersoorten, maar ook voor diverse vogels en de boomkikker (indien voldoende nat). Deze singel verstevigt de structuur van de Weijenborgerdijk als groene drager.
Aan de westzijde van de buitenpiste worden boomgroepen aangeplant. Deze hebben geen onderbergroeiing. Deze boomgroepen vormen samen met een aantal solitairen een groenstructuur die teruggrijpt naar de historische verkavelingsstructuur. Op de grens tussen het verharde gedeelte en de weide wordt een bomenrij aangeplant. Deze twee laatste ingrepen 'breken' het terrein en geven gelaagdheid. De bomenrij en boomgroepen hebben geen onderbegroeiing zodat er zichtlijnen blijven.
Voor het gebouw wordt de bestaande haag aangevuld met bomen. Deze bomen zullen de contouren van de bebouwing verzachten.
De beleving van de Weijenborgerdijk is momenteel die van een kleinschalige landweg in een kleinschalig landschap. De ontwikkelingen rond het paardensportcentrum hebben een flinke omvang. Door de voorgenoemde inpassing zal de kleinschaligheid worden versterkt en hebben zowel de bestaande bebouwing als de buitenpiste minder impact op de beleving van het landschap. Tevens wordt er ecologische kwaliteit toegevoegd.
In de omgevingsverordening is aangegeven dat een strook grond ten noorden van de locatie van paardensportcentrum Lichtenvoorde, aan de zijde waar de buitenpiste gepland is, behoort tot de groene ontwikkelingszone. Dit is een zone die bestaat uit gebieden met andere bestemmingen dan natuur die ruimtelijk verweven zijn met het Gelders natuurnetwerk en daar functioneel mee samenhangen en waarin wordt ingezet op versterking van de samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. De ontwikkelingsdoelstelling is tweeledig: er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de kernkwaliteiten natuur en landschap. In de groene ontwikkelingszone worden natuur- en landschapselementen aangelegd ter verbetering van de migratiemogelijkheden voor planten en dieren. Zowel door compensatie als verevening worden er nieuwe natuurelementen gerealiseerd. Na realisatie worden deze onderdelen toegevoegd aan het Gelders natuurnetwerk.
De kernkwaliteiten van de groene ontwikkelingszones bestaan uit de aanwezige ecologische waarden, de ecologische samenhang met inliggende en aangrenzende natuur van het Gelders natuurnetwerk, de geomorfologische processen, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid en de landschappelijke waarden.
Aan de oostzijde van de locatie van paardensportcentrum Lichtenvoorde, aan de zijde waar geen ontwikkelingen gepland zijn, is een deel van het Gelders Natuurnetwerk aanwezig. Het Gelders natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het beleid met betrekking tot het Gelders natuurnetwerk is ten eerste gericht op de bescherming en het herstel van de aanwezige natuurwaarden, ten tweede op de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden. In Gelderland wordt de EHS gevormd door Het Gelders natuurnetwerk.
Omgevingsverordening - Regels natuur
Locatie paardensportcentrum
De realisatie van de buitenpiste, in combinatie met de landschappelijke inpassing, betreft een combinatie van een economische ontwikkeling en versterking van de kernkwaliteiten natuur en landschap, zoals als doelstelling is omschreven voor de groene ontwikkelingszone. Hoewel de buitenpiste zelf niet in de groene ontwikkelingszone ligt, draagt de landschappelijke inpassing wel bij aan de groene ontwikkelzone. Op deze locatie, langs de Weijenborgerdijk, wordt namelijk een struweelsingel aangeplant. Deze is circa 5 meter breed (samen met de bestaande bomenrij is de breedte circa 10 meter) en 150 meter lang. Door de ligging van deze singel in combinatie met de waterberging, ontstaat een ecologisch aantrekkelijk habitat voor bijvoorbeeld diverse vlindersoorten, maar ook voor diverse vogels en de boomkikker (indien voldoende nat).
Het Gelders natuurnetwerk ligt aan de zijde van het perceel waar geen ontwikkelingen plaatsvinden. De afstand tussen de buitenpiste en het Gelders natuurnetwerk is circa 250 meter.
Het Waterplan dat op 11 november 2009 door Provinciale Staten is vastgesteld, is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan Gelderland is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd.
In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.
Voor de realisatie van deze specifieke waterdoelen zijn ruimtelijke maatregelen nodig. Hiervoor krijgt het Waterplan Gelderland op basis van de nieuwe Waterwet de status van structuurvisie. In het Waterplan Gelderland is beschreven welke instrumenten uit de Wet ruimtelijke ordening de provincie wil inzetten.
In het Gelderse Milieuplan ligt de nadruk vooral op een gezonde, schone en veilige leefomgeving voor mens en natuur. De provincie wil een leefomgeving die de huidige en toekomstige generaties kansen biedt om veilig en gezond te wonen, te werken en te recreëren. Om dit te bereiken zijn maatregelen nodig die de milieuverontreiniging tegen gaan. De maatregelen betreffen het verkeer en vervoer, het bedrijfsleven, de landbouw en het wonen.
Het gebied valt binnen de structuurvisie Regio Achterhoek. In deze visie is aangegeven dat het de verwachting is dat de omvang van de bevolking van de Achterhoek in de toekomst zal dalen. De druk op de ruimte neemt daardoor wellicht af. Het aantal agrarische bedrijven daalt, maar de omvang van de bedrijven neemt toe. Naast landbouw is recreatie en toerisme een functie die in de Achterhoek steeds meer een stempel drukt op het buitengebied. Het draagt in steeds grotere mate bij aan een economisch vitaal platteland. De gemeente Oost Gelre zet zich daarnaast in voor versterking van evenementen en een betere inbedding van evenementen in de ruimtelijke structuur van de gemeente. De uitbreiding van het paardensportcentrum past goed binnen voornoemde ontwikkelingen en uitgangspunten.
De locatie van het paardensportcentrum heeft in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' de bestemming 'Sport-Manege' en de dubbelbestemming 'Waarde Archeologische verwachtingswaarde 2'. De gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een manege. Bestaande bebouwing is toegestaan, uitbreiding niet. Daarnaast is in 2013 een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van de inrijhal. Binnen de bestemming 'Sport-Manege' is niet voldoende ruimte voor een buitenpiste van 8.000 m2.
Het beoogde terrein voor de buitenpiste ligt zowel in het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre als in het Reparatieplan Oost Gelre. In deze plannen heeft het beoogde terrein de bestemming 'Agrarisch met waarden- Landschapswaarden'. De gronden zijn onder andere bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf en het behoud van landschappelijke en natuurwaarden. De realisatie van een buitenpiste past niet binnen deze bestemming en de afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden bij deze bestemming. Aan de realisatie van de buitenpiste kan daarom alleen planologisch medewerking worden verleend door een herziening van het bestemmingsplan.
Geldende bestemmingen
Voor Vragender is een ontwikkelingsvisie opgesteld die door de gemeenteraad is vastgesteld op 18 december 2012.
Deze integrale ontwikkelingsvisie bestaat grofweg uit drie delen. Her eerste deel start met een inventarisatie van het dorp en haar omgeving. Zowel de ondergrond als de verschillende netwerken van het landschap worden hierin beschreven. Daarnaast wordt het occupatiepatroon van het kerkdorp behandeld en worden het karakter en de ambities van het dorp toegelicht.
Vervolgens wordt aan dit deel een strategische aanpak voor woningbouwontwikkeling verbonden. Er worden locaties aangewezen die geschikt zouden zijn voor woningbouw. Hierbij wordt de voorkeur uitgesproken voor inbreidingslocaties. Deze locaties hebben als groot voordeel dat bij nieuwbouw het omliggende, gevoelige landschap niet wordt aangetast en de evenwichtige relatie tussen dorp, es en krans niet wordt verstoord. Daarnaast betekent inbreiding vaak het vervangen van bedrijvigheid, waardoor planologische beperkingen kunnen worden weggenomen. Dit betekent dat ook op andere locaties in de nabijheid ruimere ontwikkelingsmogelijkheden ontstaan.
Het tweede deel gaat uitvoeriger in op de verschillende landschapselementen die typerend zijn voor het landschap van Vragender en het kampen- en hoevelandschap van deze streek. Er wordt een beknopt overzicht geboden van de aanwezige (groen)elementen en de waardevolle plekken en routes van dit onregelmatige landschap. Deze bestaande zaken worden ook gezien als de ingrediënten voor het landschapsplan. Dit plan bestaat uit een aantal directe ingrepen in het landschap rond Vragender, maar bevat ook instrumenten voor een lange-termijn strategie. Deze instrumenten kunnen gebruikt worden bij vereveningsverzoeken in het kader van initiatieven voor functieverandering van vrijkomende gebouwen en bouwwerken.
In het derde deel van de visie wordt ingezoomd op de dorpse beeldkwaliteit van het dorp. Gesteld is dat deze kwaliteiten schuilen in de balans tussen afwisseling en samenhang. Iedere woning is anders, maar heeft ook een sterke verwantschap met beide buren. Aangegeven is dat bij een verdere ontwikkeling op deze balans voortgeborduurd zou moeten worden.
Om dit te bewerkstelligen zijn in eerste instantie de kernwaarden van deze dorpse beeldtaal bepaald. Ze vormen de basis voor specifieke richtlijnen die moeten worden toegesneden op een bepaalde ontwikkellocatie. De kernwaarden zijn belangrijker dan deze richtlijnen en kunnen op verschillende manieren worden uitgewerkt. Vervolgens zijn in de ontwikkelingsvisie beeldkwaliteitsrichtlijnen geformuleerd voor bouwinitiatieven passend binnen een geleidelijke en natuurlijke doorontwikkeling van het dorp.
In de Ontwikkelingsvisie Vragender is aangegeven dat de sterke eigenschappen van het dorp Vragender sterk samen hangen met de landschappelijke kwaliteiten van het dorp en haar omgeving. Uit de ruimtelijke analyse blijkt dat de Weijenborgsebeek als historische lijn wordt beschouwd om de Vragender es. Instandhouding en/of versterking van deze beek is dan ook belangrijk om de kenmerkende eigenschappen in het landschap om en rondom het dorp te behouden. De groenstructuur langs de Weijenborgerdijk wordt gezien als een belangrijke landschappelijke drager. Het plan voor de buitenpiste laat de beek in stand, voegt wateropvang toe en versterkt de groenstructuur langs de Wijenborgerdijk.
Landschapselementen zoals benoemd in de Ontwikkelingsvisie Vragender
In de nabijheid van de locatie aan de Weijenborgerdijk is het evenemententerrein De Besselinkschans gelegen. Voor dit terrein is de structuurvisie De Besselinkschans opgesteld. In deze visie wordt qua evenementen verwezen naar de APV waarin is aangegeven hoeveel evenementen maximaal toegestaan zijn:
De activiteiten die verzoeker voor ogen heeft, vallen in de categorie 'veel verkeer, beperkt geluid'. Hiervan mogen twee evenementen in de Besselinkschans plaatsvinden. Dit aantal is voor verzoeker te weinig. In het Paardensportcentrum worden in de winter regelmatig springfestijnen georganiseerd, die met een vergelijkbare frequentie in de zomer georganiseerd zullen worden. Het evenemententerrein De Besselinkschans biedt hiervoor geen kans vanwege het beperkte aantal toegestane evenementen. Daarnaast is de Besselinkschans geen geschikte locatie voor de trainingen die enkele dagen per week plaatsvinden, omdat deze niet als evenement te benoemen zijn.
In de gemeente Oost Gelre geldt evenementenbeleid. Dit evenementenbeleid heeft als belangrijkste doelstelling het waarborgen van veiligheid en het voorkomen van ernstige overlast. Dit evenementenbeleid geldt ook voor de te organiseren evenementen in de buitenpiste van het paardensportcentrum. Ook voor deze evenementen is een evenementenvergunning noodzakelijk. Het evenementenbeleid maakt onderscheid in een drietal categorieën van evenementen:
Afhankelijk van het te organiseren evenement, zal het evenement worden ingedeeld in één van bovengenoemde categorieën. Te verwachten overlast wordt zoveel mogelijk ondervangen door het stellen van voorwaarden.
Voor de gemeente Oost Gelre is een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) 'Groen licht voor het landschap' opgesteld. Bij het landschapsontwikkelingsplan zijn verschillende ensembleboeken opgesteld. In deze ensembleboeken wordt de visie en het beleid voor de verschillende landschappen beschreven.
Het plangebied valt binnen het ensembleboek 'Vragender Marke'. Voor dit gebied zijn verschillende doelen vastgesteld. Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing heeft verzoeker een landschappelijk inpassingsplan laten opstellen. In dit landschappelijke inpassingsplan is rekening gehouden met de doelstellingen uit het LOP (zie bijlage).
Het waterbeleid van rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
Watertoetstabel
| Thema | Toetsvraag | Relevant |
| Veiligheid |
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier? |
Nee Nee |
| Riolering en Afvalwaterketen | 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap? |
Nee Nee Nee |
| Wateroverlast (oppervlakte-water) |
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes? |
Nee Nee Nee Ja |
| Oppervlakte- waterkwaliteit |
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd? | Nee |
| Grondwater- overlast |
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? |
Nee Nee Nee |
| Grondwater- kwaliteit |
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking? | Nee |
| Inrichting en beheer | 1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel? |
Ja Nee |
| Volksgezondheid |
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? |
Nee Nee |
| Natte natuur | 1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied? |
Nee Ja, SED Nee Nee |
| Verdroging | 1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied? | Nee |
| Recreatie | 1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt? | Nee |
| Cultuurhistorie | 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig? | Nee |
De thema's die met 'ja' zijn beantwoord worden hieronder nader toegelicht.
Wateroverlast (oppervlaktewater)
Bij voorkeur worden natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, regionale bergingsgebieden en overstromingsvlaktes niet bebouwd. Het plangebied beoogt geen kapitaalintensieve bouwwerken in deze gebieden. Eventuele wateroverlast voor het plangebied wordt voorkomen door middel van een wateropvang aan de noordzijde van het plangebied en een verbinding met de Wijenborgerdijk. Deze verbinding maakt onderdeel uit van een nieuwe bypass die er voor moet zorgen dat in situaties met extreem veel water, het water wordt omgeleid en langer wordt vastgehouden. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de waterbergingsopgave van het Waterschap Rijn en IJssel.
Inrichting en beheer
De voorgenomen ontwikkelingen vormen geen belemmering voor het reguliere onderhoud van het watersysteem.
Natte natuur
Het plangebied ligt nabij een watergang met de functie SED. Bekeken is of er activiteiten plaatsvinden in of nabij de inrichting die van negatieve invloed kunnen zijn op dit SED-water. In bijlage 2 bij deze toelichting is een beschrijving gegeven van de activiteiten en de gevolgen voor het SED-water. Als conclusie wordt gegeven dat mogelijke negatieve effecten voor het SED-water vanuit de inrichting niet of nauwelijks aanwezig zijn.
Er zijn dus geen functies in of nabij het plangebied die realisatie of functioneren van deze wateren negatief kunnen beïnvloeden.
Er dient onderzoek naar de bodemgesteldheid plaats te vinden als er een verblijfsruimte voor personen wordt opgericht. Aangezien een buitenpiste geen verblijfsruimte voor personen is, is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Ten behoeve van de verwerking van eventuele vrijkomende grond wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit bodemkwaliteit.
Sinds 1 april 2002 is de Flora- en Faunawet in werking getreden. Deze wet biedt het juridisch kader voor de bescherming van dier- en plantensoorten in Nederland en bevat onder andere de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de gebieden waar deze richtlijnen betrekking op hebben. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde plant- en diersoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV.
De beoogde locatie voor de buitenpiste bestaat in de huidige situatie uit vlak, intensief beheerd grasland. Bij de buitenpiste wordt geen verlichting geplaatst. De buitenpiste wordt landschappelijk ingepast. Door de realisatie van wateropvang, singels en het aanplanten van boomgroepen, ontstaan meer kansen voor flora en fauna. Aangezien de beoogde ontwikkeling geen negatieve consequenties heeft voor flora en fauna, is een onderzoek naar flora en fauna niet noodzakelijk.
Ten aanzien van de ingrepen is wel een algemeen geldende voorwaarde vanuit de Flora- en faunawet van toepassing: Op basis van de zorgplicht volgens artikel 2 van de Flora- en faunawet dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.
Het plangebied is op de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre aangegeven als een gebied met een hoge archeologische verwachting. Dit wil zeggen dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm onder maaiveld en groter dan 100 m2 archeologisch onderzoek nodig is. Hiervoor wordt een archeologische dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan.
Archeologische beleidskaart gemeente Oost Gelre
Wettelijke meldingsplicht
Ten allen tijde dient bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1998) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in een plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Het onderhavige plan betreft het realiseren van een buitenpiste. Aangezien dit geen geluidsgevoelige functie is, is een akoestisch onderzoek niet nodig.
Om te bepalen of de activiteiten in de buitenpiste geen overlast qua geluid veroorzaken voor aanwezige woningen van derden, is het verzoek getoetst aan de normen zoals gesteld in de handreiking "Bedrijven en milieuzonering". In deze handreiking is een grootste afstand van 30 meter aangegeven om geen geluidsoverlast te ondervinden van de activiteiten in de buitenpiste. De dichtstbijzijnde woning is gelegen aan de Oude Winterswijkseweg 13 en deze ligt op ruim 100 meter van de nieuwe buitenpiste. Aan de richtafstand van 30 meter wordt dan ook ruim voldaan.
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet Luchtkwaliteit.
Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)
Het 'Besluit niet in betekenende mate' (NIBM) legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dit is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is, is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet in betekende mate (luchtkwaliteitseisen). Deze ministeriële regeling, verder aan te duiden als regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een - getalsmatige - invulling aan de NIBM-grens. Het gaat ondermeer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de - getalsmatige - begrenzing van de regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarden nodig en kan het project doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Met de voorgenomen ontwikkeling blijft het aantal woningen gelijk. Het gaat hier dus om minder woningen dan het hier genoemde criterium, waardoor het aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening of toepassing niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen. Er is geen sprake van ontoelaatbare luchtverontreiniging als gevolg van de ontwikkelingen aan de Weijenborgerdijk te Vragender.
Om te bepalen of de activiteiten in de nieuwe buitenpiste geen overlast veroorzaken qua geur en stof voor aanwezige woningen van derden, is ook hier getoetst aan de normen zoals gesteld in de handreiking "Bedrijven en milieuzonering". In de handreiking is voor geur een richtafstand van 50 meter opgenomen en voor stof een afstand van 30 meter. Zoals al eerder is aangegeven, is de dichtstbijzijnde woning op ruim 100 meter gelegen van de nieuwe buitenpiste. Overlast van geur en van stof is dan ook niet te verwachten.
Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het BEVI legt veiligheidsafstanden vast tussen bedrijven die risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen verrichten (zoals LPG-tankstations en chemische fabrieken) en zogenoemde kwetsbare objecten (zoals woningen en scholen). Tevens beperkt het BEVI het totale aantal aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven gevestigd. Het paardensportcentrum wordt niet als een BEVI-inrichting beschouwd. Externe veiligheid vormt daarom geen belemmering voor het plan.
Het paardensportcentrum heeft een verkeersaantrekkende werking. Als er evenementen worden georganiseerd in het paardensportcentrum, komen er deelnemers naar het centrum met paardentrailers en grote vervoermiddelen. Ook zullen toeschouwers het centrum bezoeken.
Op dit moment worden er buiten de zomer evenementen georganiseerd in de binnenpiste van het paardensportcentrum. De binnenpiste heeft een uniek karakter. In de toekomst zullen er ook evenementen georganiseerd worden in de buitenpiste. De buitenpiste heeft een veel minder uniek karakter dan de binnenpiste. Per evenement zullen er daarom naar verwachting minder mensen naar een evenement in de buitenpiste komen dan naar een evenement in de binnenpiste. De buiten- en binnenpiste zullen nooit tegelijkertijd gebruikt worden. Dit betekent dat er in de nieuwe situatie per evenement niet meer verkeersbewegingen zullen zijn dan in de huidige situatie. Per jaar zullen er wel meer verkeersbewegingen zijn, omdat er meer evenementen zijn. Dit aantal evenementen zou nu theoretisch echter ook al in de binnenpiste gerealiseerd kunnen worden. De mogelijke verkeersaantrekkende werking van het paardensportcentrum blijft dus ongewijzigd.
Parkeren geschiedt op eigen terrein. Het benodigde aantal parkeerplaatsen zal niet toenemen door realisatie van de buitenpiste, aangezien het aantal bezoekers per evenement niet toeneemt. In voorliggend bestemmingsplan is geregeld dat het totale mogelijk te verharden oppervlak planologisch gelijk blijft.
De beleidsdoelstellingen zijn juridisch vertaald in de regels en de bijbehorende verbeelding. De basis voor de verbeelding, de tekening, is een recente kadastrale ondergrond en topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de vrschillende bestemmingen met verschillende kleuren en letteraanduidingen weergegeven. Voorts zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Uitgangspunt voor de regels zijn de planregels die in de meest recente plannen binnen de gemeente zijn opgenomen, deels aangepast aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.
Het digitale bestemmingsplan Buitenpiste Paardensportcentrum Lichtenvoorde is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand met bijbehorende regels. De papieren plankaart (nu bekend als de analoge verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan) is getekend op een schaal 1:2.000 en omvat 1 kaartblad. Het kaartblad geeft de bestemming van de gronden aan. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard.
De regels bestaan uit vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2).
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
In dit hoofdstuk zijn de (dubbel) bestemmingen vastgelegd. Per bestemming wordt het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Het plan kent de hoofdbestemmingen 'Natuur', 'Sport-Manege-1', ' alsmede de dubbel-bestemmingen 'Waterstaat - Waterberging' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1'.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen - dat wil zeggen: het gehele bestemmingsplan betreffend - karakter. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, en algemene afwijkingsregels.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Natuur
De locatie waar wateropvang wordt gerealiseerd in combinatie met groenelementen, is bestemd als 'Natuur'. Dit gebied is onder andere bestemd voor het behoud en herstel van natuurwaarden en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Met uitzondering van schuilgelegenheden voor fietsers en wandelaars, is het bouwen van gebouwen op deze locatie niet toegestaan. Voor bepaalde werken en werkzaamheden, zoals het verlagen of ophogen van de bodem, is een omgevingsvergunning nodig.
Sport-Manege 1
Voor de buitenpiste bij het paardensportcentrum is de specifieke bestemming 'Sport - Manege 1' opgenomen. Deze locatie is namelijk wezenlijk anders dan de locatie van de binnenrijhal en stallen van de manege. Zo is ter plaatse van de bestemming 'Sport-Manege 1' het bouwen van gebouwen niet toegestaan. Daarnaast is de exacte locatie aangegeven waar verharding is toegestaan. Ook is opgenomen dat bepaald gebruik binnen deze bestemming niet is toegestaan als niet of onvolledig uitvoering is gegeven aan de landschappelijke inpassing of deze landschappelijke inpassing niet in stand wordt gehouden. Voor bepaalde werken en werkzaamheden, zoals het verlagen of ophogen van de bodem is een omgevingsvergunning nodig.
Het project en de bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Met verzoeker wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarin is opgenomen dat eventueel te vergoeden planschade (artikel 6.1 Wro) wordt doorberekend aan verzoeker.
Het bestemmingsplan voorziet niet in een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro hoeft te worden vastgesteld. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen van 29 januari 2016 tot en met 10 maart 2016. Gedurende deze inzage termijn zijn er geen zienswijzen ingekomen.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan is het voorontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland en het Waterschap Rijn en IJssel.
Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan wordt, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening, gelegenheid tot Inspraak geboden.
De resultaten van zowel het Overleg als de Inspraak zullen in het bestemmingsplan worden verwerkt.
Bij brief van 14 augustus 2015 heeft de provincie Gelderland gereageerd op het voorontwerp bestemmingsplan. Bij brief van 26 augustus 2015 heeft ook het Waterschap Rijn en IJssel gereageerd. Beide besturen hebben opmerkingen en adviezen uitgebracht die zijn verwoord in de als bijlage bijgevoegde 'Reactienota vooroverleg'.