direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied herziening Steenbraakweg 5 Groenlo
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI1503-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene gegevens

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk kader

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Hoofdstuk 4 Onderzoeksresultaten

Hoofdstuk 5 Juridisch planbeschrijving

Hoofdstuk 1 Algemene gegevens bestemmingsplan

Buitengebied herziening Steenbraakweg 5 Groenlo  
Vastgesteld  
 
Inlichtingen:  
Afdeling Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling  
Nardo Rondeel  
tel. 0544 - 39 34 82  

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk kader

2.1 Aanleiding

Op het perceel Steenbraakweg 5 te Groenlo is een agrarisch bedrijf gelegen. In het bedrijf worden varkens gehouden. Het bedijf is dan ook aan te duiden als een intensieve veehouderij. Het bedrijf heeft een agrarisch bouwvlak van ongeveer 0,7 ha.

De bedrijfsvoering wordt omgezet van een intensieve veehouderij naar een paardenhouderij met de daarbij behorende voorzieningen.

2.2 Ligging en begrenzing

Het agrarisch bedrijf Steenbraakweg 5 te Groenlo is gelegen in het buurtschap 'Eefsele' net buiten de bebouwde kom van Groenlo. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie B, nummers 5633, 6707, 6708, 6709, 6710 en 6711. In de directe omgeving zijn andere agrarische bedrijven gelegen alsmede burgerwoningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1503-VG01_0001.png"

Omgeving plangebied

2.3 Bestaande en gewenste situatie

Het agrarisch perceel is gelegen in het vigerend bestemmingsplan "Buitengebied Oost Gelre 2011", bestemd als 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', voorzien van een bouwblok en de aanduiding 'intensieve veehouderij'. Op dit agrarisch bedrijf is een bedrijfswoning aanwezig.

In de gewenste situatie wordt de intensieve veehouderij, varkenshouderij, omgezet naar een paardenhouderij. Hierbij wordt een bestaande vleesvarkensstal omgebouwd voor pensionstalling. Een andere vleesvarkensstal met berging wordt gesloopt. Op deze plek wordt een rijhal gebouwd. Alle bebouwing vindt binnen het bestaande bouwblok plaats.

In deze rijhal komt een behandelruimte voor "Dry Needling" (accupunctuur voor paarden). Het buitenterrein wordt ingericht met parkeerplaatsen, toegangsweg, buitenbak en stapmolen.

Bij Dry Needling worden paarden behandeld en nadien geobserveerd. Hiervoor is de rijhal nodig. In de rijhal worden speciale voorzieningen voor gehandicapten aangebracht om zodoende rijles te kunnen geven aan gehandicapten. Deze groep is, door het verdwijnen van de manege Marhulzen, gedwongen om in de verre omgeving een geschikte locatie te vinden. In de toekomst wordt bekeken of de rijhal ook breder kan worden ingezet voor bijv. paardrijles aan particulieren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1503-VG01_0002.png"

Huidige situatie met bouwvlak

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI1503-VG01_0003.png"

Gewenste situatie paardenhouderij

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Algemeen

Voor het gebied geldt een groot aantal juridische en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische en beleidskaders van toepassing op het plangebied.

3.2 Internationaal niveau

Voor het plangebied is geen beleid van internationaal niveau van kracht.

3.3 Rijksbeleid

3.3.1 Structuurvisie Infrastructuur en milieu

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tussen nu en 2040. Met deze visie trekt de Rijksoverheid een beleidslijn door die al met de Nota Ruimte werd ingezet, namelijk een verdere concentratie (voor wat betreft beleidsbemoeienis en investeringen) op de ruimtelijke ordening van de hoofdinfrastructuur van Nederland, te weten de havens, Schiphol, belangrijke wegen, spoorwegen, waterwegen en andere netwerken die van wezenlijk belang zijn voor het economisch functioneren van het land. Daaronder vallen verder industriële en agrarische complexen van nationaal belang. Verder wil het Rijk zich concentreren op de maatregelen die noodzakelijk zijn om het land te beschermen tegen de zee.

Voor verstedelijking en economische activiteiten gaat het rijk nog steeds uit van de bundelingsstrategie. Daarbij wordt voldoende aanbod van ruimte gereserveerd voor stedelijke functies en bij de vraag aangesloten. Er wordt optimaal gebruik gemaakt van de ruimte die in het bestaande bebouwde gebied aanwezig is en er wordt ruimte geboden aan gemeenten om te kunnen bouwen voor de eigen bevolkingsgroei.

De provincies en gemeenten zijn meer dan voorheen verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening met betrekking tot verstedelijking, de afbakening van de bebouwde kommen en het landelijk gebied en het veilig stellen van de verschillende waarden van het landelijk gebied.

3.3.2 Watertoets

In een bestemmingsplan dient volgens artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening een waterparagraaf te worden opgenomen. Het doel van deze 'watertoets' is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen. De waterhuishouding bestaat uit de overheidszorg die zich richt op het op en in de bodem vrij aanwezige water, met het oog op de daarbij behorende belangen. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) worden ook de gevolgen van het plan voor de waterkwaliteit en verdroging onderzocht.

3.3.3 Flora en Fauna

Sinds 1 april 2002 is de Flora- en Faunawet in werking getreden. Deze wet biedt het juridisch kader voor de bescherming van dier- en plantensoorten in Nederland en bevat onder andere de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de gebieden waar deze richtlijnen betrekking op hebben. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde plant- en diersoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3).

3.4 Provinciaal beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Gelderland

In deze visie beschrijft de provincie hoe zij de komende jaren willen omgaan met ontwikkelingen en initiatieven. Het is een 'plan' dat richting geeft en ruimte biedt; geen plan met exacte antwoorden. De provincie kiest er in deze visie voor om vooral opgaven en rollen te benoemen. Omstandigheden veranderen; nieuwe ontwikkelingen en kansen kunnen zich voordoen. De provincie wil daarop inspelen en nodigt partijen daarom uit om mee te denken en te werken. Waar u 'energie' heeft, wil de provincie met u aan de slag. Dit als antwoord op de vraag: is het allemaal haalbaar? De provincie wordt pragmatischer, nodigt uit en kiest voor dynamiek.

Het ontwerp van de Omgevingsvisie Gelderland is op 14 mei 2013 door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland vastgesteld. Vaststelling van de omgevingsvisie zal omstreeks de zomervakantie 2014 geschieden.

Uitwerking van nieuwe ontwikkelingen en kansen vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland.

3.4.2 Omgevingsverordening Gelderland

De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Het ontwerp van de omgevingsverordening Gelderland is op 14 mei 2013 door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Vaststelling van de verordening zal naar verwachting eind 2014 plaatsvinden. Vooruitlopend hierop vindt al een toetsing van de regels uit de verordening plaats.

Het plangebied Steenbraakweg 5 te Groenlo is volgens de omgevingsverordening gelegen in Verwevingsgebied. In de toelichting van de omgevingsverordneing is aangegeven dat het oprichten van een geheel nieuw agrarisch bouwperceel ten behoeve van de grondgebonden landbouw niet is toegestaan. Voor ondernemers welke een nieuwe locatie zoeken zijn voldoende bestaande locaties te verwerven.

In verwevingsgebieden komen meerdere functies verweven voor. Voor bestaande agrarische bedrijven geldt dat zij ten behoeve van de niet-grondgebonden productie (intensieve veehouderij) maximaal een bouwperceel van 1 hectare toegekend kunnen krijgen. Indien in het bestemmingsplan reeds een grotere oppervlakte is toegestaan, dan blijft deze bestaan. De mate waarin bedrijven daadwerkelijk de grondgebonden veehouderijtak kunnen uitbreiden hangt in belangrijke mate af van de aanwezigheid van gevoelige niet agrarische bestemmingen in de directe omgeving. De uitbreiding van de niet-grondgebonden veestapel op een bedrijf vergt – mede met het oog op de andere functies in de omgeving van het bedrijf - op zorgvuldige en transparante wijze te gebeuren. De ondernemer geeft in een ondernemingsplan aan op welke wijze hij voornemens is het bedrijf te ontwikkelen. Ruimtelijke kwaliteit verdient aandacht zowel op schaal van het (nieuwe) gebouw, het erf als de landschappelijke inpassing.

Voor grootschalige ontwikkelingen –bedrijven die hun niet grondgebonden productie willen uitbreiden tot boven de 1 hectare – gelden aanvullende eisen. Schaalvergroting moet worden verdiend. Van grootschalige bedrijven worden extra duurzaamheidsstappen verwacht. Door de efficiënte schaal van het bedrijf is het ook financieel mogelijk om aanvullend maatregelen te treffen om maatschappelijk verantwoord te produceren. De ondernemer maakt bij de vergunningaanvraag duidelijk in hoeverre hij op het vlak van milieu (denk aan aspecten als geur, ammoniak, fijnstof, lawaai, licht), dierwelzijn en volksgezondheid extra stappen heeft gezet. Extra wil in dit kader zeggen meer dan waar hij wettelijk toe verplicht is.

De gemeente zal de vergunningsaanvraag moeten beoordelen en daarbij de vragen moeten beantwoorden: Voldoet de aanvraag aan de wettelijke normen vastgelegd in wet- en regelgeving? Heeft de ondernemer een zorgvuldig planproces doorlopen? Is sprake van ruimtelijke kwaliteit en goede landschappelijke inpassing? Biedt de ondernemer maatschappelijke “plussen” op terreinen milieu, dierwelzijn en volksgezondheid? In geval de ondernemer hieraan voldoet kan vergunning worden verleend voor de uitbreiding en kan een groter bouwblok worden toegekend.

Ondanks dat de omgevingsverordening nog niet is vastgesteld, is getoetst of aan de regels uit de verordening kan worden voldoen.

3.4.2.1 Regels landbouw in verwevingsgebied

In de omgevingsverordening zijn regels gesteld voor landbouwbedrijven die zijn gevestigd in het landelijk gebied, met name de grondgebonden agrarische bedrijven. Zo is geregeld dat uitbreiding van de grondgebonden productietak, zoals het nieuwe bedrijf gaat worden, kan worden toegestaan indien:

  • 1. geen sprake is van omschakeling;
  • 2. aan de uitbreiding een ondernemingsplan ten grondslag ligt, en
  • 3. de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar is en voorziet in een goede landschappelijke inpassing.

Het agrarisch bedrijf Steenbraakweg 5 te Groenlo is een paardenhouderij. Deze is niet als grondgebonden of als niet-grondgebonden agrarisch bedrijf te beschouwen. Wordt een paardenhouderij toch als grondgebonden agrarisch bedrijf beschouwd dan is in onderhavig geval geen sprake van omschakeling (naar een niet-grondgebonden bedrijf maar juist andersom).

In paragraaf 2.3 is de motivatie (onderbouwing) gegeven om het gebruik van het agrarisch perceel te wijzigen. Deze motivatie beschouwen wij als een ondernemingsplan en gaan hier ook mee akkoord. De ruimtelijke aanvaardbaarheid en de landschappelijke inpassing volgen uit onderstaande paragrafen.

3.4.3 Provinciale Ruimtelijke Verordening

Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) met de daarbij behorende Invoeringswet in werking getreden. Hierbij is een nieuw stelsel van verantwoordelijkheidsverdeling tussen Rijk, provincies en gemeenten ontstaan. Belangrijke uitgangspunten van de Wro zijn het duidelijke onderscheid tussen beleid, normstelling en uitvoering en het beginsel dat normstelling plaatsvindt door het meest geschikte overheidsorgaan. Normstelling op een hoger niveau vindt plaats indien een beleidsonderdeel niet op doelmatige of doeltreffende wijze door een lager overheidsorgaan kan worden behartigd, gezien de aard van de betrokken taak of de schaal waarop een aangelegenheid moet worden geregeld. Voor de formulering van het provinciale ruimtelijke beleid is de provinciale structuurvisie ingevolge artikel 2.2 Wro voor het streekplan in de plaats gekomen. Het streekplan Gelderland 2005 heeft op grond van het overgangsrecht de status gekregen van structuurvisie ingevolge artikel 2.2 lid 1 van de Wro. Daarnaast kunnen, indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud en toelichting van bestemmingsplannen. Op 25 november 2008 is door de provincie besloten voor een aantal onderwerpen, conform de Wro-agenda, de voorbereiding van de ruimtelijke verordening ter hand te nemen. Daarnaast is ook het Rijk bezig algemene regels neer te leggen in het "Ontwerp Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (hierna te noemen Amvb). In deze Amvb worden zowel rechtstreeks, richting de gemeentebesturen, werkende algemene regels neergelegd (algemene regels ter zake van bestemmingsplannen) als ook algemene regels die door de provincie in de verordening neergelegd dienen te worden (algemene regels te stellen door provincies). Op grond hiervan zijn naast de reeds uit de Wro-agenda voortvloeiende onderwerpen nog enkele andere onderwerpen in de verordening opgenomen, te weten: verstedelijking (wonen en werken) buiten bestaand bebouwd gebied, hergebruik van bebouwing in het buitengebied en nationale landschappen. Onder de Wro heeft de provincie geen bemoeienis meer met lokale belangen. Gemeenten worden nu vrij gelaten de lokale aspecten naar eigen inzicht te regelen. In het verleden diende ieder bestemmingsplan door GS te worden goedgekeurd. Onder de Wro is het instrument van de goedkeuring komen te vervallen en heeft dit plaats gemaakt voor algemene regels. Gemeenten dienen deze algemene regels weliswaar in hun bestemmingsplannen te verwerken, maar behouden enige vrijheid in de wijze waarop zij dit doen. Deze algemene regels betreffen alleen onderwerpen met een duidelijk provinciaal c.q. nationaal belang.

Op 15 december 2010 heeft de Provinciale Staten van Gelderland de Ruimtelijke verordening Gelderland (RvG) vastgesteld. Deze verordening vormt samen met het streekplan Gelderland 2005 het ruimtelijk beleid.

Nadien zijn er al drie herzieningen op het RvG vastgesteld: op 27 juni 2012 heeft Provinciale Staten van Gelderland de eerste herziening vastgesteld, op 19 december 2012 de tweede en op 29 mei 2013 de derde. De eerste twee herzieningen zijn opgenomen in een geconsolideerde versie.

Relatie plangebied

Verstedelijking

Ingevolge de provinciale verordening valt het plan onder hoofdstuk 2 Verstedelijking, artikel 2, paragraaf 2.2, onder a. In dit hoofdstuk is in paragraaf 2.3 aangegeven dat nieuwe bebouwing ten behoeve van wonen en werken onder voorwaarden is toegestaan. Eén van de voorwaarden is dat 'de nieuwe bebouwing functioneel gebonden is aan het buitengebied'. In onderhavig geval vindt nieuwbouw plaats van agrarische schuren binnen een agrarisch bouwvlak, zodat sprake is van bebouwing gebonden aan het buitengebied.

Recreatie

De provinciale verordening geeft tevens aan dat het perceel is gelegen in Hoofdstuk 5 en 6 waarin recreatiewoningen en recreatieparken worden beschreven.

In onderhavig geval is geen sprake van recreatieve ontwikkelingen zodat de regels voor recreatie niet op onderhavig plan van toepassing is.

Glastuinbouw

Glastuinbouw is weergegeven in de hoofdstukken 7 tot en met 11 van de provinciale verordening. Ook hieraan zijn regels verbonden welke echter niet op onderhavig plan van toepassing zijn. Er wordt geen glastuinbouw uitgeoefend of gerealiseerd.

Conclusie

Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot aantasting van de genoemde aspecten in de Ruimtelijke verordening Gelderland. Het plan voldoet hierbij aan de Ruimtelijke verordening Gelderland.

3.4.4 Derde Waterhuishoudingsplan (WHP3)

Het 'Derde Waterhuishoudingsplan 2005-2009 (WHP3)', dat op 14 februari 2005 in werking is getreden, wordt richting gegeven aan de inrichting en het beheer van de waterhuishouding in Gelderland. Het Waterhuishoudingsplan schetst de mogelijkheden om de kansen van water voor mens en natuur goed te benutten in Gelderland. Naast kansen voor verbetering van de kwaliteit van onze leefomgeving zijn er ook maatregelen noodzakelijk om veiligheid te blijven bieden tegen overstroming met rivierwater en om wateroverlast na hevige regenval te voorkomen. De noodzaak voor deze maatregelen is groot nu de gevolgen van de klimaatverandering zichtbaar worden, met naar verwachting vaker droge zomers en natte winters. Het streefbeeld voor de lange termijn is dat in 2030 het waterbeheer volledig op orde is ten behoeve van de maatschappelijke functies. Voor deze functies zal door de waterschappen het gewenste grond- en oppervlaktewaterregime (GGOR) worden bepaald. De wensen ten aanzien van de waterhuishouding zijn per stroomgebied aangegeven, waarbij uitgangspunt is dat de knelpunten van een stroomgebied in principe binnen dat stroomgebied worden opgelost. De waterhuishouding van Oost Gelre maakt deel uit van de 'Stroomgebiedvisie Achterhoek-Liemers'. In het Waterhuishoudingsplan wordt ingegaan op de visie voor de lange en middellange termijn. Daarnaast wordt aangegeven wat er heel concreet in de planperiode) zal worden opgepakt. Gedurende de planperiode 2005-2009 wordt met name ingezet op de uitvoering van een zestal speerpunten. Drie speerpunten gaan over maatregelen die in Gelderland in het algemeen nodig zijn en drie over extra maatregelen in actiegebieden. Oost Gelre bevindt zich niet in een actiegebied. Wel geldt het basisbeleid dat provinciebreed nodig is.

3.4.5 Waterplan Gelderland 2010-2015

Het Waterplan dat op 9 december 2008 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, wordt de opvolger van het huidige derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het ontwerp Waterplan is tegelijk opgesteld met de ontwerp water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd.

3.4.6 Gelders Milieuplan 3

In het Gelderse Milieuplan ligt de nadruk vooral op een gezonde, schone en veilige leefomgeving voor mens en natuur. De provincie wil een leefomgeving die de huidige en toekomstige generaties kansen biedt om veilig en gezond te wonen, te werken en te recreëren. Om dit te bereiken zijn maatregelen nodig die de milieuverontreiniging tegen gaan. De maatregelen betreffen het verkeer en vervoer, het bedrijfsleven, de landbouw en het wonen.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Cultuurhistorie

Op 16 december 2008 heeft de gemeenteraad de Cultuurhistorische gebiedsbeschrijving vastgesteld. Naast een beschrijvende nota maakt hier ook een waarderende nota onderdeel van uit. Deze nota heeft de titel "Tussen kunst en kitsch". Naast de beschrijving dient deze waarderende nota als inspiratiebron om gebieden te beschermen dan wel te ontwikkelen.
Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied.
Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.

3.5.2 Woonvisie

De gemeente Oost Gelre is een aantrekkelijke gemeente om in te wonen en te werken. Deze kwaliteiten worden in grote mate bepaald door de gunstige regionale ligging, het diverse aanbod van woonmilieu's, de situering in een aantrekkelijke en veilige leefomgeving en het hoge niveau van voorzieningen en bedrijven. De strategie voor de ruimtelijke invulling van de woningbouw in Oost Gelre op de lange termijn is in eerste instantie gericht op het beheer en versterken van de bestaande woongebieden. Hierbij wordt eerst gekozen voor inbreiding (bouwen binnen de bebouwde kom) en herstructurering, zonder dat de kern volledig dichtslibt. Niet elke open ruimte moet volgebouwd worden.

De ontwikkeling of herstructurering van dorpen en steden is een langdurig en complex proces. Zo ook voor de kernen in Oost Gelre. In het proces spelen vele partijen een rol die allemaal zorg dragen voor de kwaliteit van het plan.

Het volkshuisvestingsbeleid van de gemeente Oost Gelre zal, gezien het bovenstaande, de komende jaren met name gericht zijn op de aandachtsgroepen starters en senioren. Het streven is dat 60% tot 70% van de nieuwbouw bestemd zal zijn voor deze doelgroepen.

In regionaal verband zijn er afspraken over aantallen te bouwen woningen. Voor onderhavig plangebied geldt dat er geen woningen worden toegevoegd. Dit plan past dan ook binnen de beleidsbepalingen in de Woonvisie.

3.5.3 Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011
3.5.3.1 Vigerend bestemmingsplan

Op de locatie geldt nu het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011, dat op 18 december 2012 is vastgesteld. Het perceel Steenbraakweg 5 te Groenlo is gelegen in de bestemming 'Agrarisch met waarden - landschapswaarden', voorzien van een agrarisch bouwvlak en nadere aanduiding 'intensieve veehouderij'. In de bestemming is één bedrijfswoning toegestaan.

Het college van burgemeester en wethouders kunnen met hun bevoegdheid tot wijziging van het bestemmingsplan de aanduiding 'intensieve veehouderij' van het agrarisch perceel verwijderen. Het bestemmingsplan geeft echter geen mogelijkheid voor het wijzigen van het gebruik van het agrarsich perceel naar paardenhouderij. Bebouwing dient binnen het agrarisch bouwvlak plaats te vinden.

3.5.3.2 Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre

Een ontwerp reparatieplan van het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 heeft voor een ieder ter inzage gelegen. Dit reparatieplan repareert kleine onvolkomenheden uit het moederplan Buitengebied Oost Gelre 2011.

Qua bestemming wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de regels die in het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 zijn opgenomen en wordt rekening gehouden met de wijzigingen uit het reparatieplan Buitengebied Oost Gelre.

Hoofdstuk 4 Onderzoeksresultaten

4.1 Watertoets

Het waterbeleid van rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In het Waterbeheerplan 2010-2015 van Waterschap Rijn en IJssel staat het beleid beschreven op een drietal hoofdthema's. Voor het thema Veiligheid is bescherming tegen hoog water op de rivieren het speerpunt. Het functioneren van de primaire en regionale waterkeringen staat hierbij centraal. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft Waterschap Rijn en IJssel naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

Thema   Toetsvraag   Relevant  
HOOFDTHEMA'S  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering
(primaire waterkering, regionale waterkering of kade)?
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een
rivier?  
Nee

Nee  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1 m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
2500 m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan
500 m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen
gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes?  
Nee

Ja

Nee
Nee
 
Oppervlaktewater-kwaliteit   1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater
geloosd?  
Nee  
Grondwater-
overlast
 
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de
ondergrond?
2. Is in het plangebied sprake van kwel?
3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?  
Nee

Nee
Nee  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een
drinkwateronttrekking?  
Nee  
Inrichting en beheer
 
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of
beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
Volksgezondheid   1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functie, in of nabij het plangebied die
milieuhygienische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen
(zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte
natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee  

In bovenstaande tabel is één relevant thema met ja beantwoord. Een nadere toelichting op dit thema is dan ook noodzakelijk.

Wateroverlast (oppervlaktewater)

Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie.

In de bestaande situatie wordt het hemelwater rechtstreeks op het oppervlaktewater afgevoerd. Op het perceel, en in de directe omgeving is geen sprake van wateroverlast of ondiepe grondwaterstanden, het terrein is gelegen op een hoge rug. Daarnaast is de bodem (fijn) zandig en daardoor goed doorlatend wat betreft infiltratie. Door de functiewijziging van intensieve veehouderij naar paardenhouderij veranderd de situatie tevens niet ten opzichte van de mogelijkheden die worden geboden in het nu geldende bestemmingsplan qua omvang van bebouwing en verharding. De functiewijziging van paardenhouderij heeft dus in planologisch opzicht geen gevolgen voor de waterhuishouding. De omvang van bebouwing en verharding ten opzichte van de vigerende mogelijkheden zullen niet verder worden vergroot.

Conclusie

Uit de watertoets blijkt dat er geen beperkingen zijn voor vergroting van het agrarisch bouwperceel.

4.2 Bodem

Door Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanherziening en voorgenomen bouwactiviteiten. De resultaten zijn verwoord in een onderzoeksrapport met nummer MT.13258 welke als bijlage is bijgevoegd.

Het onderzoeksrapport is beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek. Deze beoordeling met conclusie en aanbevelingen is als bijlage bijgevoegd. Geconcludeerd wordt dat de bodem op de onderzochte locatie - vanuit milieuhygiënisch opzicht - geschikt is voor het beoogde gebruik.

4.3 Flora en Fauna

Sinds 1 april 2002 is de Flora- en Faunawet in werking getreden. Deze wet biedt het juridisch kader voor de bescherming van dier- en plantensoorten in Nederland en bevat onder andere de implementatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de gebieden waar deze richtlijnen betrekking op hebben. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde plant- en diersoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV.

Op de locatie vinden sloop- en bouwwerkzaamheden plaats. Hierdoor kunnen rust- en verblijfplaatsen of leefgebieden van soorten worden aangetast of verstoord. Door het Stedenbouwkundig Advies Bureau SAB is dan ook een quickscan flora en fuana-onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn verwoord in een briefrapport met kenmerk ZON/130352 van 20 september 2013 welke als bijlage is bijgevoegd.

In het rapport wordt geconcludeerd dat gebiedsbescherming niet van toepassing is. Het is onwaarschijnlijk dat met de plannen sprake is van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied van strikt beschermde soorten. Nader onderzoek of een ontheffing in het kader van de Flora- en faunawet is voor de plannen niet noodzakelijk.

Overig

Ten aanzien van de ingrepen is nog een algemeen geldende voorwaarde vanuit de Flora- en faunawet van toepassing:

Op basis van de zorgplicht volgens artikel 2 van de Flora- en faunawet dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor in het wild levende dieren en hun leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood.

Maatregelen om de verstoring tot een minimum te beperken, kunnen zijn:

- het beperken van verlichting tijdens de avonduren in zomer, voorjaar en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren;

- het starten van rooi- en grondwerkzaamheden buiten het voortplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen. Met name amfibieën en kleinere zoogdieren zijn hierbij gebaat.

4.4 Cultuurhistorie en archeologie

Ingevolge het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 is het plangebied gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische Verwachtingswaarde 2' (WR-AV2).

Voor de gronden met 'WR-AV2' geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 2.500 m2 de archeologische waarde van de gronden moet worden vastgesteld. De bodemwerkzaamheden ten behoeve van de paardenhouderij zal de 2.500 m2 niet te boven gaan zodat een aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.

Wettelijke meldingsplicht

Te allen tijde dient bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1998) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze Minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort.

4.5 Landschappelijke inpassing

Om de kwaliteitsverbetering van het totale perceel en haar directe omgeving te waarborgen dient er landschappelijke inpassing plaats te vinden. Hiervoor wordt in eerste instantie een landschapsplan ingedient. In het landschapsplan wordt aangesloten op de reeds aanwezige landschappelijke en ecologische waarden in het gebied. In het bijzonder wordt rekening gehouden met de uitgangspunten geformuleerd in het Gebiedsplan Natuur en Landschap Gelderland.

Voor het plangebied is door Hoveniersbedrijf Kramer & Molenveld Groenlo een landschapsplan opgesteld uit februari 2014 welke als bijlage is bijgevoegd. De gemeentelijke medewerker Groen heeft het landschapsplan beoordeeld en akkoord bevonden.

4.6 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij een plan waarin een geluidgevoelig object wordt mogelijk gemaakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt.

Op het agrarisch bouwperceel worden andere activiteiten uitgevoerd dan in de bestaande situatie. Bij een paardenhouderij vinden meer activiteiten plaats dan bij een intensieve veehouderij. Zo zal de aan- en afvoerbewegingen van auto's en vrachtverkeer toenemen en kan er in de omgeving overlast worden ondervonden van hinnikende paarden, dichtslaande portieren van auto's en stemgeluid van bezoekers, ruiters en amazones.

Om te bepalen of de nieuwe activiteiten geen overlast qua geluid, ten opzichte van aanwezige woningen van derden, veroorzaakt is het verzoek getoetst aan de normen zoals gesteld in de handreiking "Bedrijven en milieuzonering". In deze handreiking is een grootste afstand van 30 meter aangegeven om geen geluidsoverlast te ondervinden van de activiteiten in de inrichting.

De inrichting Steenbraakweg 5 is één inrichting met één bedrijfswoning. Een deel van de inrichting wordt gebruikt voor privé doeleinden. De voormalige varkensschuren achter op het terrein worden gebruikt voor de paardenhouderij. Dit wil zeggen dat één varkensstal als pensionstal wordt ingericht en de andere wordt gesloopt. Op deze plek wordt een binnenbak gerealiseerd. Achter deze bebouwing wordt nog een stapmolen geplaatst en wordt een buitenbak gerealiseerd.

Om de inrichting zijn een aantal burgerwoningen gelegen. De woningen Steenbraakweg 14 en 16 zijn op ongeveer 80 meter gelegen vanaf de inrichting paardenhouderij. De woning Oude Papendijk 6 is gelegen op ruim 100 meter van de te realiseren stapmolen en buitenbak. De woning Steenbraakweg 3, 3a is gelegen op ruim 50 meter vanaf de te realiseren parkeerplaats voor de paardenhouderij. Aan de richtafstand van 30 meter wordt dan ook ruim voldaan.

Wel dient te worden opgemerkt dat de woning Steenbraakweg 3, 3a is gelegen op ongeveer 17 meter van de toegangsweg naar de inrichting. Dit is een bestaande toegangsweg voor de intensieve veeehouderij die nu ook wordt gebruikt voor de paardenhouderij. De intensiteit van deze toegangsweg zal echter in de nieuwe functie toenemen. Hier is dus geluidsoverlast van te verwachten.

Er is gekeken naar een alternatieve toegangsweg voor de inrichting. Deze is vanwege eigendomsrechten van aanliggende gronden niet realiseerbaar. Daarnaast is de Steenbraakweg op dit stuk smal en voorzien van bomen. Bij een nieuwe toegangsweg moeten enkele bomen worden gekapt en de weg breder worden gemaakt om trailers en vrachtverkeer goed te kunnen handelen. Dit is geen gewenste situatie.

Om het geluid zo veel mogelijk te weren zou een groensingel geplaatst kunnen worden aan de zijde van de woning Steenbraakweg 3a. De eigenaresse van de woning heeft anagegeven geen beplanting voor haar woning te willen hebben waardoor haar uitzicht wordt belemmerd. Een deel van de toegangsweg wordt dan ook niet beplant. Om geleudisobverlast te voorkomen dient er een bord te worden geplaatst met 'stapvoets rijden'. Hiermee wordt het geluid van vervoersbewegingen zoveel mogelijk voorkomen.

Ook dient verzoeker gedragsregels op te stellen voor het in- en uitlaten van de paarden uit trailers, het voorkomen van geluidsoverlast door het klappen van trailerdeuren en stemgeluid van de rijders en amazones, niet alleen buiten de inrichting maar ook in de inrichting, voornamelijk in de buitenbak. Hiermee wordt voorkomen dat omwonenden geluidsoverlast gaan ondervinden van de inrichting. Daarnaast worden geluidsvoorschriften gesteld in een milieuvergunning of in een melding Wet milieubeheer die voor de inrichting moet gelden.

4.7 Verkeer en parkeren

Verkeersaantrekkende werking

Een manege heeft een verkeersaantrekkende werking. Dit is echter wel afhankelijk van het gebruik van de manege. Door deze verkeersaantrekkende werking dient er voldoende parkeergelegenheid te zijn in de inrichting en dient rekening te worden gehouden met geluid. Laatstgenoemde is in paragraaf 4.6 nader toegelicht.

Ontsluiting

De ontsluiting van de inrichting vindt plaats via de bestaande toegangsweg voor de intensieve veehouderij. Ook dit is behandeld in paragraaf 4.6.

Parkeren

Voor de manege zijn voldoende parkeerplaatsen aanwezig voor het normale gebruik van de manege. Mocht in de toekomst blijken dat deze niet afdoende zijn, dan zal moeten worden bekeken of uitbreiding mogelijk is of zoeken naar alternatieven.

4.8 Luchtkwaliteit

Algemeen
De luchtkwaliteit is afhankelijk van de mate van verontreiniging door diverse luchtverontreinigende stoffen waarbij de voornaamste bronnen van luchtverontreiniging het wegverkeer, industriële bedrijven en de landbouw zijn. Vanuit Europese richtlijnen wordt aangegeven welke luchtkwaliteitsnormen voor deze stoffen gelden. In Nederland zijn deze richtlijnen sinds 15 november 2007 geïmplementeerd in de Wet milieubeheer middels een wetswijziging van hoofdstuk 5 (milieukwaliteitseisen) titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.

Niet in betekenende mate bijdrage (luchtkwaliteitseisen)

Het 'Besluit niet in betekenende mate' (NIBM), legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Dat is het geval wanneer aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO²) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3% van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zovel PM10 als NO².

De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is, is voor het grootste gedeelte geregeld in de regeling niet betekende mate (luchtkwaliteitseisen). Deze ministeriële regeling, verder aan de te duiden als regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een -getalsmatige- invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijv. emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Als een project binnen de -getalsmatige- begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de 3% grens en de grenswaarde nodig en kan het project doorgaan zonder dat extra maatregelen behoeven te worden genomen.

Resultaten onderzoek

Voor woningbouw is het huidige 3% criterium 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het aantal van 1 (recreatie)woning in het plangebied is beduidend minder dan het hierboven vermelde criterium. Dit maakt het aannemelijk dat de woning niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen in de Wet luchtkwaliteit.

Conclusie

De slotconclusie in dit geval kan niet anders zijn dan dat de wijziging van het gebruik van het agrarisch bedrijf niet leidt tot een ontoelaatbare luchtverontreiniging.

4.9 Lichthinder

Kunstmatige verlichting komt voor bij een verscheidenheid aan functies zoals (autosnel)wegen, woonkernen, industrie- en bedrijventerreinen, glastuinbouwbedrijven en sportterreinen. De negatieve effecten van kunstmatige verlichting worden enerzijds bepaald door de aard, intensiteit en duur en plaats van de verlichting en anderzijds door de kans op blootstelling, die gerelateerd is aan de omgeving en aan de leefwijze van mens en dier.

Er zijn drie soorten effecten van kunstmatige verlichting te onderscheiden:

  • hinder voor de mens
  • hinder/verstoring voor de natuur
  • horizonvervuiling

Hinder bij mensen ontstaat wanneer men zich niet kan onttrekken aan het aanwezige kunstlicht, terwijl er wel behoefte aan is, bijvoorbeeld om te kunnen rusten of slapen. Bij de beoordeling van lichthinder voor mensen moet er een afweging gemaakt worden tussen maatschappelijke belangen (veiligheid op straat of bijvoorbeeld bruikbaarheid sportvelden) en de hinderbeleving.

Nachtelijk kunstmatige verlichting kan het gedrag van dieren (negatief) beïnvloeden. Naast mogelijke aanpassingen van de levenscyclus aan de kunstmatige verlichting, kan er sprake zijn van desoriëntatie, afstoting of aantrekking. Deze effecten kunnen leiden tot uitputting en sterfte. Ook kan kunstmatige verlichting als een barrière werken bij migrerende dieren.
De verschillende negatieve effecten van kunstmatige verlichting hebben niet alleen een individueel effect, maar kunnen ook een negatieve invloed hebben op de instandhoudingdoelstellingen van specifieke soorten.

Bij horizonvervuiling/donkertebescherming gaat het om de zichtbaarheid van licht op langere afstand, bijvoorbeeld het zichtbaar zijn van een open stal of een verlicht sportveld in een open landschap. Het gaat hierbij om grotere afstanden, waarbij geen direct licht meer te meten is van een lamp. Het licht is echter nog wel zichtbaar. Het gaat dan om een afstand tot vijf a tien kilometer, boven zee maximaal vijftien kilometer.

Lichthinder kan ontstaan door de verlichting van de buitenbak. Deze verlichting kan negatieve effecten hebben voor de mens en de natuur en kan vervuiling van de horizon teweeg brengen. De negatieve effecten worden zoveel mogelijk ondervangen door een goede afstelling van de verlichting. Hierbij wordt alleen de paardenbak verlicht en niet de ruimte eromheen. Zo zal de naaste omgeving hiervan geen hinder ondervangen, worden dieren niet verstoord en is er geen sprake van horizonvervuiling.

Daarnaast zal in een aan te vragen vergunning Wet milieubeheer of in een melding Wet milieubeheer hieromtrent regels worden gesteld.

4.10 Geur- en stofoverlast

4.10.1 Geuroverlast

Veehouderijen veroorzaken geur door bijvoorbeeld de dierenverblijven, mestbassins, mestverwerking, productie en opslag van voer. Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt daarom ook gezondheidsrisico's met zich mee. Geurhinder kan leiden tot lichamelijke klachten, zoals hoofdpijn, misselijkheid, verstoorde ademhaling en verstoorde hartslag. Daarnaast kan geurhinder leiden tot psychische klachten, bijvoorbeeld spanningen, structurele onvrede over het woon- en leefklimaat en vermindering van activiteiten buitenshuis.

Bij paardenhouderijen komt geur vrij (de geuremissie) die zich via de lucht verspreidt en een geurbelasting veroorzaakt op de woon- en leefomgeving. De afstand tussen geuremitterende bedrijven en geurgevoelige bestemmingen is daarbij van grote invloed. Vanwege de geurbelasting op een gebied kan het woon- en verblijfklimaat als onvoldoende gelden. Geur van veehouderijen heeft dus gevolgen voor het leefklimaat van mensen en voor het gebruik van de ruimte.

Goed woon- en leefklimaat

In het algemeen is het zo, dat wanneer geurgevoelige objecten op voldoende afstand van veehouderijen zijn gelegen, het woon- en leefklimaat als goed wordt aangemerkt en niemand onevenredig in zijn belangen wordt geschaad. Welke afstand voldoende is, is afhankelijk van diverse wet- en regelgeving.

Voor geur van dierenverblijven geldt de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). In deze Wet is aangegeven dat voor agrarische bedrijven met vaste afstanden, waaronder paardenhouderijen, een minimale afstand moet worden aangehouden van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten, zoals woningen, om geuroverlast te voorkomen. De dichtstbijzijnde woningen van derden zijn op meer dan 50 meter gelegen van de paardenhouderij. Het woon- en leefklimaat kan hierbij worden gegarandeerd.

4.10.2 Stofoverlast

Een paardenbak of een ongeplaveide toegangsweg en parkeerplaats kan bij droog weer stofoverlast geven. Deze overlast kan beperkt worden door de bodem bij droogte te besproeien, zodat stofontwikkeling wordt voorkomen. Ook kan gekozen worden voor een bodem die minder stof geeft, bijvoorbeeld door het toevoegen van houtsnippers of tapijtsnippers. Daarnaast kan de locatie van de paardenbak zodanig gekozen worden, dat alleen al daardoor geen onaanvaardbare overlast optreedt.

De vergunning Wet milieubeheer of melding in het kader van het Activiteitenbesluit geeft hier voorschriften voor. Hiermee wordt stofoverlast zoveel mogelijk voorkomen.

4.11 Externe veiligheid

Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het BEVI legt veiligheidsafstanden vast tussen bedrijven die risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen verrichten (zoals LPG-tankstations en chemische fabrieken) en zogenoemde kwetsbare objecten (zoals woningen en scholen). Tevens beperkt het BEVI het totale aanwezige personen in de directe omgeving van een risicovol bedrijf. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle bedrijven gevestigd en vormt het bedrijf zelf ook geen risicovolle inrichting.

In de directe omgeving van het plangebied zijn ook geen wegen aanwezig waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt zodat er niet getoetst hoeft te worden aan de normen uit de circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen'.

4.12 Overige beperkingen

Er zijn in de nabije omgeving geen functies aanwezig die hinder zouden kunnen veroorzaken op de wijziging van het gebruik. Tevens is er andersom geen hinder te verwachten van de paardenhouderij op de aangrenzende functies.

Hoofdstuk 5 Juridisch planbeschrijving

5.1 Algemeen

Op 1 juli 2008 zijn de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (en het Besluit ruimtelijke ordening) in werking getreden. Daarnaast heeft het ministerie VROM het rapport Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP-2012) gepresenteerd. Deze standaard geeft aanbevelingen en richtlijnen voor de opzet van bestemmingsplannen. Op aan groot aantal punten wijkt deze standaard af van de tot nu toe gebruikelijke vormgeving van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van deze standaard is overigens ook rekening gehouden met het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012 (IMRO-2012) en de Praktijkrichtlijn Bestemmingsplannen 2012 (PRBP-2012). De bestemmingen in het voorliggende bestemmingsplan passen binnen die standaard. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit -met inachtneming van het vorenstaande- zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.

5.2 Bestemmingsplan

Het digitale bestemmingsplan BPBUI1503 is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand met bijbehorende regels. De papieren plankaart (nu bekend als de analoge verbeelding van het voorliggende bestemmingsplan) is getekend op een schaal 1:1.000 en omvat 1 kaartblad. Het kaartblad geeft de bestemming van de gronden aan. Waar nodig zijn aanduidingen op de kaart opgenomen waarvan de betekenis in de regels wordt verklaard.

5.3 Regels

De regels van het voorliggende bestemmingsplan zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Deze hoofdstukken zijn:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs-, en slotregels.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid

6.1 Haalbaarheid

Het bouwplan en de bijbehorende procedures worden door de verzoekers bekostigd.

6.2 Exploitatieplan

Het project zou aanleiding kunnen geven tot uitkering van planschade (artikel 6.1 Wro). De kosten worden doorberekend aan de verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst inzake grondexploitatie en planschade afgesloten met verzoeker. Het project voorziet in een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Er hoeft voor de betrokken gronden geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro te worden vastgesteld indien de kosten hiervoor anders zijn geregeld. Ook deze kosten zijn in de anterieure overeenkomst geregeld.

Burgemeester en wethouders achten het plan economisch uitvoerbaar.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3.1 Inspraak

Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er geen zienswijzen ingekomen.

6.3.2 Artikel 3.1.1.-overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Ter voldoening hieraan zou het voorontwerp bestemmingsplan worden toegezonden aan de provincie Gelderland en het waterschap Rijn en IJssel. Echter door het ontbreken van provinciaal belang, zoals genoemd in de provinciale verordening, is er geen voorontwerp bestemmingsplan aan de provincie toegezonden. Dit geldt hetzelfde voor het waterschap omdat er geen wijzigingen in het plangebied worden aangebracht waardoor de waterhuishouding verstoord zou kunnen worden is ook geen voorontwerp bestemmingsplan toegezonden aan het waterschap.

Beide diensten kunnen reageren op het ontwerp bestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Inspraak en vooroverleg

Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan wordt, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening, gelegenheid tot Inspraak geboden.

De resultaten van zowel het Overleg als de Inspraak zullen in het bestemmingsplan worden verwerkt.