| Plan: | Driebergen, Hoofdstraat 260 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1581.bpDBGhoofdstr260-VA01 |
Op de locatie aan de Hoofdstraat 260 te Driebergen bevindt zich landgoed Lindenhorst. In de huidige situatie is het pand ingericht ten behoeve van kantoor-, zaal- en woon(zorg)ruimte. Het voornemen bestaat om de bestaande villa te transformeren en uit te breiden ten behoeve van 24 zorgeenheden. Daarnaast wordt op het achterliggende terrein nieuwbouw ontwikkeld voor in totaal 48 zorgeenheden.
In het geldende bestemmingsplan is voor de gronden voor de nieuwbouw een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Het college van burgemeester en wethouders kan, onder voorwaarden, het plan wijzigen door het aanpassen van het bebouwingspercentage en het verplaatsen en van vorm veranderen van het aanwezige bouwvlak met maatschappelijke bestemming binnen de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied'. Voorliggend plan voorziet enkel in de verplaatsing en vormverandering van het bouwvlak, waarbij deze niet in grootte zal toenemen. Om gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheid moet de uitvoerbaarheid van het plan worden onderzocht en aangetoond. Hiervoor moet een wijzigingsplan worden opgesteld. Om de haalbaarheid van het wijzigingsplan te kunnen aantonen, moet tevens een aantal onderzoeken worden verricht. Voorliggend plan voorziet hierin.
Het plangebied is gelegen ten zuiden van de bebouwde kom van de kern Driebergen in de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Op het adres Hoofdstraat 260 bevindt zich een landhuis met daarachter een koetshuis en een ruimtereservering voor nieuwbouw. De ruimtereservering achter op het perceel vormt het plangebied van dit wijzigingsplan. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging ten opzichte van de kern Driebergen en de globale begrenzing van het plangebied zelf weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding, behorende bij dit wijzigingsplan.
Plangebied (rood omcirkelt) ten opzichte van de kern Driebergen (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Plangebied bij benadering (geel omlijnd) (bron: ruimtelijke plannen).
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied', dat is vastgesteld op 22 december 2021. Het plangebied heeft momenteel grotendeels de bestemming 'Maatschappelijk'. Als gevolg van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - zorg en dienstverlening' zijn ter plaatse uitsluitend gezondheidszorg, openbare dienstverlening, onderwijs en zorginstellingen (daaronder word mede een woonzorgcomplex verstaan) toegestaan. Gebouwen en overkappingen moeten binnen het aangewezen bouwvlak worden gerealiseerd en voldoen aan het maximum bebouwingspercentage (45%), de maximum goothoogte (6 meter) en de maximum bouwhoogte (9 meter). Daarnaast is een deel van de gronden in het zuidwesten voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De resterende gronden hebben de bestemming 'Natuur'. Het hele plangebied is verder voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Landgoed en buitenplaats'. Deze dubbelbestemming zijn bedoeld voor het beschermen van de archeologische respectievelijk cultuurhistorische waarden ter plaatse.
Uitsnede bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied' met daarop het plangebied rood omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Naast de genoemde enkel- en dubbelstemmingen die het plangebied kent, geldt ter plaatse ook de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied'. In artikel 35.4 van het bestemmingplan 'Driebergen Buitengebied' is geregeld dat burgemeester en wethouders ter plaatse van deze gebiedsaanduiding het plan, onder voorwaarden, kunnen wijzigen door het aanpassen van het bebouwingspercentage en het verplaatsen en van vorm veranderen van het aanwezige bouwvlak met maatschappelijke bestemming. In voorliggende situatie wordt van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.
In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.
Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.
Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.
In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.
Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.
Op de locatie aan de Hoofdstraat 260 te Driebergen bevindt zich landgoed Lindenhorst. De buitenplaats Lindenhorst is gelegen aan de zuidkant van de Hoofdstraat, aan de rand van de bebouwde kom van Driebergen. Aan de zuidkant gaat de buitenplaats over in het open, landelijk gebied. Het in totaal vijf hectare grote terrein bestaat voor het grootste deel uit weiland. Rond het huis ligt een in landschappelijke stijl aangelegde tuin, met diverse zichtlijnen naar de directe omgeving. Enigszins verscholen, ten zuidoosten van het huis, staat het voormalige koetshuis uit 1863, met latere uitbreidingen. De bestaande gebouwen en bijgebouwen liggen verstrooid in de landschapstuin, waarbij het landhuis goed zichtbaar is vanaf de Hoofdstraat. De tuin met gebouwen vormen tezamen een gemeentelijk monument. Het is namelijk een unieke combinatie van een buitenplaats met boerderij. Waar veel landhuizen werden gebouwd op de plaats van een voormalige boerderij is de Lindenhorst het enige voorbeeld op de Heuvelrug waar de fysieke verbondenheid van buitenplaats en boerderij nog duidelijk zichtbaar is. Dit alles maakt de locatie uniek.
De overige gebouwen op het landgoed worden tijdelijk gebruikt door meerdere kleine ondernemingen. Achter het landhuis bevindt zich een parkeervoorziening, die volledig omzoomd is met bomen. Auto's blijven daarmee uit het zicht. Ter plaatse van de parkeervoorziening en de achterliggende gronden is in het geldende bestemmingsplan een ruimtereservering opgenomen om het landgoed verder tot ontwikkeling te brengen.
Huidige situatie Hoofdstraat 260 (bron: ARCOM).
Voorzijde van het monumentale landhuis (bron: ARCOM)
Parkeerterrein omzoomd door bomen (bron: ARCOM)
Het voornemen bestaat om het landgoed te herontwikkelen ten behoeve van een zorgfunctie. Het landhuis en koetshuis worden daarbij binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan getransformeerd. Vanzelfsprekend worden daarbij de monumentale kenmerken gerespecteerd. Voor het landhuis wordt gekeken naar een invulling met woonzorgeenheden. Voor het koetshuis is een invulling op dit moment nog onbekend. Verder bestaat de wens om de huidige groen omzoomde parkeervoorziening met bijbehorend groen te handhaven en daarachter nieuwbouw in de vorm van een woonzorgpaviljoen te realiseren. Het gebouw is beoogd op de locatie van de voormalige ommuurde moestuin, omdat deze locatie in het verleden ook al bebouwing heeft gekend. Het zal gaan om een L-vormig gebouw met drie bouwlagen, die een plek kan gaan bieden aan in totaal circa 48 woonzorgeenheden met bijbehorende algemene ruimtes en voorzieningen. Het gebouw zal in de praktijk bestaan uit twee aaneengesloten woonhuizen. Aan de noordoostzijde van het gebouw wordt een natuurlijk plein gerealiseerd, waarmee aansluiting wordt gezocht richting het landhuis. Het plein zal dienst doen als entree en ontmoetingsplek te midden van veel groen. Aan de zuidzijde is een elzenwal beoogd. Naast de nieuwbouw wordt het perceel aan de achterzijde ook verder landschappelijk ingericht. De weide wordt ontwikkeld tot een kruidenrijke natuurlijke grasvegetatie, beheerd door beweiding. In het weiland komen poelen (gevoed met regenwater) en een wadi. De plaats en vormgeving zijn passend bij het oorspronkelijke kavelpatroon. Daarnaast wordt ingezet op het herstel van het landschapspark en de boomgaard rondom het koetshuis. Verder komen er nieuwe wandelpaden in agrarische sfeer die de verbinding vormen tussen het park, de boomgaard en de weide. De navolgende afbeelding geeft het landschapsplan van de voorgenomen ontwikkeling weer.
Landschapsplan inclusief de nieuwe (woon)zorgontwikkeling (bron: Lindeloof Tuin- en
Landschapsarchitecten).
Zoals in de vorige paragraaf beschreven worden het landhuis en koetshuis binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan getransformeerd. Voor de nieuwbouw van het woonzorgpaviljoen ten zuiden van de huidige parkeervoorziening geldt dat deze deels buiten de in het bestemmingsplan opgenomen ruimtereservering ligt. De nieuwbouw bevindt zich daarentegen wel binnen de zone van de wijzigingsbevoegdheid.
Het college van burgemeester en wethouders is ingevolge artikel 35.4 van het bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied' bevoegd om met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid conform artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening het plan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied' te wijzigen door het aanpassen van het bebouwingspercentage en het verplaatsen en van vorm veranderen van het aanwezige bouwvlak met maatschappelijke bestemming, mits:
Geconcludeerd wordt dat het voorliggende wijzigingsplan aan de voorwaarden voldoet zoals deze in het bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied' zijn opgenomen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug kan daarmee toepassing geven aan de wijzigingsbevoegdheid.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd:
Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven;
Toetsing
Gelet op het feit dat er met voorliggend plan wordt voorzien in een duurzame en toekomstbestendige inrichting van een monumentale en cultuurhistorisch waardevolle locatie, waarbij de bestaande kwaliteiten en identiteit van het plangebied en haar omgeving centraal staan, is dit project in lijn met het gedachtegoed van de NOVI. De monumentale en cultuurhistorisch waardevolle locatie wordt herontwikkeld naar een meer duurzame en toekomstbestendige invulling door middel van een woonzorgontwikkeling in een landschappelijk ingerichte setting. Binnen het plan is aansluiting gezocht met de kenmerken en karakteristieken van de omgeving, in lijn met het gedachtegoed van de NOVI.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen.
Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen.
Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte
Toetsing
Vanwege de ligging binnen het Landgoed Lindenhorst is dit project met grote zorgvuldigheid tot stand gekomen. De aanwezige historische en groene waarden in het gebied de basis zijn geweest waarbinnen de beoogde zorgeenheden een plek hebben gekregen. Op die manier houdt deze ontwikkeling rekening met de aanwezige waarden en kwaliteiten in het gebied. Daarmee is dit project in lijn met het gestelde in het Barro.
Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien.
Toetsing
Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Omdat in voorliggende situatie slechts sprake is van het verschuiven van een bouwvlak zonder dat daarbij sprake is van een vergroting van het bouwvlak en de bebouwingsmogelijkheden, wordt gesteld dat het planologisch beslag op de ruimte qua aard en omvang niet dusdanig wijzigt dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Om die reden hoeft voor de ontwikkeling geen toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen.
Conclusie
Het voorgenomen plan is niet in strijd met het rijksbeleid.
Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Het nieuwe ruimtelijke beleid heeft als hoofdvraag: 'Hoe willen wij dat onze provincie er in 2050 er uitziet?'. In de omgevingsvisie komen de volgende aspecten aan de orde:
In de Omgevingsvisie ligt de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma's en Omgevingsverordening. In de omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang bezien. Hiermee wordt ruimte geboden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, voor sociale samenhang en wordt zorg gedragen voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving.
In het omgevingsbeleid worden staan twee centrale uitgangspunten centraal:
Toetsing
Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie wijst uit dat in het plangebied een aantal provinciale belangen spelen. Navolgend wordt hier op ingegaan.
Levend landschap, erfgoed en cultuur
De provincie Utrecht kenmerkt zich door een rijkdom aan landschap, erfgoed en cultuur. Er zijn vijf karakteristieke landschappen. Ook is een hoge dichtheid aan historische buitenplaatsen in de provincie aanwezig en lopen er door Utrecht vier grote voormalige waterlinies: Nieuwe Hollandse Waterlinie, Grebbelinie, Oude Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam. De provincie Utrecht zet in op het beschermen en benutten van landschappelijke, aardkundige, cultuurhistorische en archeologische waarden als dragers en aanjagers van omgevingskwaliteit. Meer specifiek geldt in voorliggende situatie dat het plangebied onderdeel uitmaakt van de Cultuurhistorische hoofdstructuur (meer specifiek ten aanzien van historische buitenplaatsen). In voorliggende situatie zijn de cultuurhistorische en landschappelijke waarden in het plangebied leidend geweest om de nieuwbouw op passende wijze te kunnen realiseren. Zodoende zijn hier de aspecten van landschap, erfgoed en cultuur gebruikt als dragers om de omgevingskwaliteit in het plangebied te verbeteren en versterken.
Beschermingszone drinkwaterwinning
Drinkwaterbedrijven en overheden zijn samen verantwoordelijk voor het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening. Dit wordt ook wel de 'zorgplicht drinkwater' genoemd. Voor de bescherming van de bestaande drinkwaterwinningen in de provincie bestaat een beschermingszone drinkwaterwinning. Het plangebied valt binnen deze zone. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen functies mogelijk gemaakt die de drinkwaterwinning belemmeren. Dit vormt dan ook geen belemmering voor het plan.
Kernrandzone
Vanwege de kwaliteiten en mogelijkheden van de kernrandzones vraagt de provincie gemeenten om specifiek beleid, gericht op het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Als dit nodig is voor de realisatie van ruimtelijke kwaliteitsversterking kan met dit beleid ook nieuwe verstedelijking mogelijk worden gemaakt.
In voorliggende situatie wordt in dit plan uitsluitend een bestaand bouwvlak verplaatst. Dit plan voorziet dan ook niet in nieuwe verstedelijking ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. Daarbij komt dat in dit plan nadrukkelijk aandacht is voor een goede overgang tussen 'stad' en 'platteland' en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt in lijn met de aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten.
De ontwikkeling is in lijn met de visie en ambities uit de provinciale omgevingsvisie.
De interim omgevingsverordening (IOVPU) is op 10 maart 2021 vastgesteld. In de verordening zijn instructieregels opgenomen die in acht genomen moeten worden bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen. Op deze manier kan het provinciale ruimtelijke beleid ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Hieronder worden de meest belangrijke instructieregels behandeld.
Toetsing
Navolgend wordt ingegaan op de voor deze ontwikkeling relevante regels uit de IOPVU.
Artikel 3.5 Grondwaterbeschermingszones en -gebieden
Het plangebied maakt in de IOPVU onderdeel uit van een 'kwetsbare strategische grondwatervoorraad'. Doel hiervan is te zorgen dat er in de toekomst voldoende mogelijkheden zijn voor de winning van grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Omdat voorliggend plan geen functies mogelijk maakt die een negatief effect op de grondwaterkwaliteit kan hebben, vormt dit aspect geen belemmering voor dit wijzigingsplan.
Artikelen 7.5 t/m 7.8 Cultuurhistorische hoofdstructuur
De gronden in het plangebied zijn aangewezen als 'historische buitenplaatszone (CHS)'. Het uitgangspunt is behoud door ontwikkeling. Er is ruimte voor ontwikkelingen, inclusief verstedelijking, gericht op het creëren van economische kostendragers als deze bijdragen aan het herstel van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone. In voorliggende situatie voorziet het plan niet in extra verstedelijking ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Een bestaand bouwvlak wordt immers verplaatst en qua vorm aangepast, zonder dat bebouwingsmogelijkheden worden vergroot. Daarbij komt dat als onderdeel van de ontwikkeling ook sprake is van een herinrichting van de omliggende percelen zodat de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden worden versterkt.
Daarnaast is een klein deel van de gronden aangewezen als archeologisch waardevolle zone. De provincie geeft aan dat het behouden van archeologische waarden in situ (in de bodem) in principe het uitgangspunt is. Uit uitgevoerd archeologisch onderzoek (zie paragraaf 4.9) volgt dat er naar verwachting geen archeologische waarden in het plangebied aanwezig zullen zijn.
Artikel 9.8 Kernrandzone
Een plan dat betrekking heeft op locaties binnen de kernrandzone kan, ten behoeve van het versterken van de ruimtelijke kwaliteit, bestemmingen en regels bevatten die verstedelijking toestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
Met de voorliggende ontwikkeling wordt een bestaande ruimtereservering op een gewijzigde plek benut. Er is daarbij geen sprake van extra verstedelijking ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Daarbij wordt binnen de ontwikkeling gekeken naar het aansluiten en verbeteren van de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden en kwaliteiten en worden omliggende functies niet onevenredig geschaad. In het opgestelde landschapsplan wordt ingezet op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit, met name door het herstel van het park en het herstellen van de eenheid landhuis/park/boerderij/agrarisch landschap. Zo zorgt de ontwikkeling voor een toename van de ruimtelijke kwaliteit en is geen reden om aan te nemen dat negatieve effecten te verwachten zijn voor de kernrandzone.
Het programma Agenda Vitaal Platteland (AVP) geeft uitvoering aan het behouden en versterken van natuur en landschap, verduurzaming van de landbouw en dragen we zorg voor een vitaal en (be)leefbaar landelijk gebied. De doelen en opgaven uit het programma 2020 zijn overgenomen in dit programma 2021. De thema's zijn:
Toetsing
Voorliggend plan heeft betrekking op meerdere thema's uit het programma AVP. Het thema cultureel erfgoed heeft als doel om cultureel erfgoed te behouden en zichtbaar en beleefbaar te maken. Voorliggend plan sluit aan bij deze doelen door het behoud en beleefbaar maken van de plaatselijke culturele erfgoederen. Daarnaast wordt ook het thema leefbaaarheid in kleine kernen behartigd. Zo worden er passende en duurzame (woon)zorgeenheden gerealiseerd die de leefbaarheid in en rondom de kleine kernen versterkt.
Conclusie
Het voorgenomen plan is niet in strijd met het provinciale beleid.
De gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 de Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal' vastgesteld. Daarin zijn onder meer afspraken op hoofdlijnen opgenomen over de ontwikkeling van gebieden en kwaliteiten tot 2030. Voor de periode 2010-2016 zijn concretere afspraken opgenomen.
Het motto van de Structuurvisie 2030 is 'Groen dus Vitaal'. Aan de ene kant zijn natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, samen met de sociale kwaliteit van de dorpen, het uitgangspunt. Voor wonen, economische ontwikkeling, sport en recreatie is ruimte als dat in het verlengde van dit uitgangspunt gevonden kan worden. Omgekeerd is het gewenst dat de samenleving, vanuit de behoefte aan wonen, werken, sporten en recreëren, op zoek gaat naar gebruiksmogelijkheden van het gemeentelijke grondgebied. De vitaliteit die daarmee wordt ingebracht, verhoogd voor iedereen de waarde van de leefomgeving voor iedereen.
Gezien de complexe omgeving met zoveel waarden vraagt het motto om creativiteit en maatwerk voor de functies wonen, werken, sport en recreatie. En een standvastige, maar niet dogmatische houding vanuit het oogpunt van natuur, landschap, cultuurhistorie en de samenleving. Voor de gemeentebrede invalshoek wordt gewerkt met zes thema's, die een breed terrein bestrijken:
De volgorde van de thema's weerspiegelt de algemene houding 'Groen dus Vitaal'.
Inmiddels is een nieuwe Omgevingsvisie in de maak, welke de komende tijd vastgesteld gaat worden. Deze is echter nog niet vigerend en voorliggend wijzigingsplan hoeft niet getoetst te worden aan de meest recente versie dit conceptplan.
Toetsing
Het plangebied ligt volgens de structuurvisie in de gemengde gebieden aan de zuidflank. Het gaat om de groene zones ten oosten van Driebergen en ten westen van Doorn. Het gebied kenmerkt zich door een historische landgoederenzone ten noorden van de N225 en een meer agrarisch gebied ten zuiden van de weg. Herontwikkeling van landgoederen is volgens de structuurvisie mogelijk, maar daarbij wordt terughoudend omgegaan met de toevoeging van nieuwe bebouwingsmogelijkheden. Ook is het belangrijk dat ontwikkeling rekening houden met bestaande cultuurhistorische, ecologische en landschappelijke kwaliteiten. Omdat in voorliggende situatie invulling wordt gegeven aan een bestaande ruimtereservering wordt met dit plan planologisch gezien geen ruimte geboden aan extra bebouwingsmogelijkheden. Daarbij komt dat in het plan nadrukkelijk rekening wordt gehouden met de kwaliteiten van de locatie als landgoed. Zo blijft de landschappelijke tuin gehandhaafd en wordt deze verder in stijl uitgebreid, waarbij de connectie richting het achterliggende meer agrarische gebied wordt versterkt. Tevens blijven de bestaande groene kwaliteiten gehandhaafd, net zoals de aanwezige zichtlijn tussen het landhuis en het achterliggende gebied. Op die manier wordt rekening gehouden met de wensen en ambities uit de gemeentelijke structuurvisie.
De gemeente Utrechtse Heuvelrug werkt aan een Omgevingsvisie voor de gemeente. De Omgevingsvisie geeft de gemeentelijke visie wat betreft de fysieke leefomgeving voor 2040 weer. De gemeente zet daarbij in op :
De ambities en keuzes worden verder uitgewerkt per gebied.
Toetsing
De Omgevingsvisie zet binnen de ambitie van vitale dorpen in op het prettig wonen voor jong en oud. Daarnaast wordt binnen de ambitie voor de kwalitatief hoogwaardige leefomgeving ingezet op de instandhouding van waardevolle cultuurhistorische en archeologische waarden. Voor voorliggend plan geldt dat een bijdrage wordt geleverd aan deze speerpunten. Er wordt immers voorzien in een zorgontwikkeling binnen het cultuurhistorisch waardevolle landgoed Lindenhorst, waarbij de ontwikkeling zo wordt ingepast dat de aanwezige kwaliteiten niet worden aangepast. Tegelijkertijd ontstaat er een prettige woon- en leefomgeving voor ouderen met een zorgvraag. Wanneer gekeken wordt naar de ambities binnen het gebied 'De heuvelrug', waartoe het plangebied behoort, geldt dat aangegeven wordt dat de gemeente voor de landgoederen met maatwerk wil zorgen voor de instandhouding van cultuurhistorische waarden. Dit is volgens de gemeente te combineren met ontwikkelingen. Voorliggend plan is daar een goed voorbeeld van. Zo sluit dit plan aan bij de gemeentelijke omgevingsvisie.
In opdracht van de gemeente Utrechtse Heuvelrug is een woonvisie opgesteld voor de periode van 2018 tot 2022. De primaire visie is: Onze inwoners wonen in een veilige en prettige omgeving. In een duurzame woning die past bij hun huishouden, inkomen en zorgvraag. Om dit te realiseren worden de nog steeds relevante thema's uit de voormalige woonvisie Woonbeleid in een nieuwe realiteit: Actualisatie Woonvisie Utrechtse Heuvelrug 2013-2020 als uitgangspunt gebruikt. Deze luiden als volgt:
Op de woningmarkt is nog steeds krapte, zowel voor huur- als koopwoningen. Mensen kunnen hierdoor geen wooncarrière maken en blijven wonen in een woning die niet langer passend is bij hun huishouden en wensen. Om de woningmarkt in beweging te krijgen is nieuwbouw en doorstroming in de bestaande voorraad nodig. Ook moet het aanbod beter worden afgestemd op de vraag, zo zal de toename van het aantal eenpersoonshuishoudens leiden tot meer vraag naar kleinere woningen.
In deze nieuwe Woonvisie spreken we niet meer over levensloopbestendig wonen maar over Thuis in de wijk. Dit thema is breder dan vergrijzing. Het gaat ook over mensen die uitstromen uit zorginstellingen, over nieuwkomers, mensen met een beperking en andere doelgroepen. We willen dat al onze inwoners goed kunnen wonen, waarbij we zoeken naar nieuwe mogelijkheden en woonvormen.
Duurzaam wonen is een ander speerpunt van het beleid. We moeten grote stappen maken in de verduurzaming van de gehele woningvoorraad willen we onze duurzaamheidsambities halen. Daarnaast zetten we in op duurzame nieuwbouw en bewustwording.
Toetsing
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van nieuwe zorgeenheden. Op het gebied van wonen en zorg geeft de gemeentelijke woonvisie aan dit een grote gemeentelijke opgave betreft en hier een programmaplan voor moet worden opgesteld. De gemeente zet in op het zorgen van geschikte woningen voor kwetsbare inwoners, waarbij ondersteuning dichtbij huis is en inwoners volwaardig kunnen deelnemen aan de lokale samenleving. In voorliggende situatie is geen sprake van zelfstandige wooneenheden, waarbij zorg van ondergeschikte aard is. Desondanks zorgt deze ontwikkeling er wel voor dat er geschikte woningen komen voor inwoners met een intensieve zorgvraag. Zo wordt een bijdrage geleverd aan de ambities rondom wonen en zorg uit de woonvisie.
Conclusie
Het voorgenomen plan is niet in strijd met het gemeentelijke beleid.
Algemeen
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.
In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan.
Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een 'aanmeldingsnotitie'. Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd.
Toetsing
Onderhavig plan betreft het verplaatsen en aanpassen van een bestaand bouwvlak dat een nog niet-ingevulde ruimtereservering vertegenwoordigd voor een maatschappelijke ontwikkeling. Het areaal aan stedelijke functies verandert qua aard en omvang niet dusdanig dat sprake is van een activiteit zoals genoemd in het Besluit m.e.r..
Conclusie
Een nadere beoordeling in een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
Algemeen
In het kader van het wijzigingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk.
Toetsing
Voor het volledige perceel Hoofdstraat 258/260 is een verkennend bodemonderzoek1 uitgevoerd. Uit het bodemonderzoek volgt dat de bovengrond maximaal licht verontreinigd is met zware metalen, PAK en/of bestrijdingsmiddelen. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater heeft een licht verhoogde waarde van barium en tetrachlooretheen. Daarnaast is op één punt een zware verontreiniging met zink aangetroffen in het grondwater. Het gaat om een locatie ter hoogte van het bestaande parkeerterrein. Geadviseerd wordt om in de buurt van deze meting geen graafwerkzaamheden te doen van dieper dan 1,5 meter. Verwacht wordt dat dit niet het geval zal zijn bij voorliggend plan. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient dit nader bestudeerd te worden, in eerste instantie met een herbemonstering en heranalyse. Dit neemt niet weg dat met het uitgevoerde onderzoek voor de planologische procedure voldoende zicht is op de milieuhygiënische bodemkwaliteit.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen.
Toetsing
Voorliggend plan voorziet in het verplaatsen en aanpassen van een bouwvlak met een maatschappelijke bestemming. Conform de Wet geluidhinder wordt dit als een geluidgevoelige functie gezien. Daarom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai2 uitgevoerd naar de Hoofdstraat en Driebergsestraatweg. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting vanuit de wegen niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB bij de beoogde nieuwbouw. Om die reden is sprake van een goed woon- en leefklimaat en zijn verdere vervolgacties op grond van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan.
Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.
Toetsing
Het realiseren van gevoelige bestemmingen zoals een woonzorgvoorziening, geniet extra bescherming wat betreft luchtkwaliteit. Voorliggend plan valt niet binnen één van de beschermingszones langs provinciale of rijkswegen. De ministeriële regeling NIBM kwantificeert de (N)IBM-grens niet voor maatschappelijke functies. Dit betekent dat op een andere manier aannemelijk gemaakt moet worden dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Met behulp van de NIBM-rekentool (versie november 2021) is de verslechtering van de luchtkwaliteit ten gevolge van het plan berekend. Als uitgangspunt is genomen dat 1% van de verkeersbewegingen bestaat uit vrachtverkeer en voor de maximale verkeersgeneratie van het plan is aangesloten bij de onderzoeksresultaten van het onderzoek verkeer en parkeren, zoals gepresenteerd in paragraaf 4.11. In de navolgende tabel is het resultaat van de NIBM-tool weergegeven.
Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat de planbijdrage van het plan kleiner is dan de NIBM-grens van 1,2 µg/m3. Daardoor zal het plan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en is er verder geen nader onderzoek nodig. Raadpleging van de NSL-monitoringstool (ter hoogte van plangebied) heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen (zie onderstaande tabel). Hieruit blijkt eveneens dat richting 2030 voldaan wordt aan de WHO advieswaarde voor NO2 van 15 µg/m3 PM10 van 15 µg/m3. De advieswaarde van 5 µ g/m3 voor PM2,5 wordt daarentegen richting 2030 nog niet behaald. De blootstelling aan luchtverontreiniging is echter beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering.
| Zichtjaar | Concentraties rondom Hoofdstraat 260 | ||
| Stikstofdioxide (NO2) | Fijn stof (PM10) | Fijn stof (PM2,5) | |
| 2019 | 16,1 µ/m3 | 18,1 µ/m3 | 10,8 µ/m3 |
| 2020 | 16,2 µ/m3 | 17,8 µ/m3 | 10,9 µ/m3 |
| 2030 | 10,3 µ/m3 | 15,3 µ/m3 | 8,7 µ/m3 |
| Grenswaarden | 40 µ/m3 | 40 µ/m3 | 25 µ/m3 |
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Algemeen
Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie.
Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'.
In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel.
Toetsing
In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van een nieuwe functie, die in de zin van het aspect bedrijven en milieuzonering hindergevoelig wordt genoemd. De directe omgeving van het plangebied wordt voornamelijk gekenmerkt door een mix aan functies, waarbij het plangebied aan hoofdinfrastructuur ligt, waardoor het gebied op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering (2009)' wordt getypeerd als een 'gemengd' gebied. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid en maatschappelijke functies zijn in de navolgende tabel opgenomen inclusief de bijbehorende omschrijving uit de VNG-publicatie en de daaruit volgende grootste richtafstanden. Daaruit volgt dat in alle gevallen de richtafstanden kunnen worden gerespecteerd. Dit maakt dat een goed woon- en leefklimaat in het plangebied kan worden gewaarborgd en omliggende functies niet in hun mogelijkheden worden geschaad.
Daarnaast geldt dat de beoogde zorgwoningen vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering gezien moeten worden als een hinderveroorzakende functie, waarbij in een gemengd gebied een richtafstand van 10 meter geldt. In een straal van 10 meter bevinden zich echter geen andere gevoelige functies, waardoor nader onderzoek op dit punt niet noodzakelijk is.
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig plan.
Algemeen
Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.
Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp.
Toetsing
Met voorliggend plan wordt een bestaand bouwvlak voor een maatschappelijke bestemming verplaatst en aangepast. In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich een gasleiding, waardoor het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobron ligt. Om die reden is een onderzoek externe veiligheid3 uitgevoerd.
Als gevolg van voorliggend initiatief zal de personendichtheid in het invloedsgebied van een gasleiding toenemen. Gasleidingen kennen geen plasbrandaandachtsgebied. Uit de kwantitatieve risicoberekeningen is gebleken dat de gasleiding geen PR 10-6/j contour kent. Uit de berekening is gebleken dat het groepsrisico toeneemt en in de toekomstige situatie hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Daarmee is het opstellen van een volledige verantwoording van het groepsrisico vereist. Deze verantwoording is uitgewerkt in het onderzoek externe veiligheid. In de verantwoording van het groepsrisico wordt geconcludeerd dat de berekening zoals die is uitgevoerd uitwijst dat de gasleiding geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Dit heeft mede te maken met het feit dat de realisatie van een zorginstelling reeds binnen het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. In het kader van het onderzoek is advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Utrecht, waarin onder meer het volgende naar voren is gekomen:
Het advies van de VRU wordt meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan. Het volledige advies is terug te vinden als bijlage bij het onderzoek.
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument 'de Watertoets'.
Europees beleid - Kaderrichtlijn Water
Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. Deze moet ervoor zorgen, dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 (uitstel mogelijk tot 2027) op orde is. De KRW heeft als doelstelling landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater te beschermen om:
Door de KRW heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit én ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het 'standstill' principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen.
Rijksbeleid - Het Nationaal Waterplan 2016-2021
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal:
Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden.
Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar.
Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven. Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.
Provinciaal beleid - Bodem-, Water-, en Milieuplan 2016 - 2021
Op 7 december 2015 heeft de provincie het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) vastgesteld. Dit plan legt het beleid op basis van de provinciale wettelijke taken voor bodem, water en milieu vast voor de periode 2016-2021. Het BWM-plan richt zich op vier belangrijke maatschappelijke opgaven: waterveiligheid en wateroverlast, schoon en voldoende oppervlaktewater, ondergrond en leefkwaliteit stedelijk gebied. Vanaf 2016 is al het bodem-, water en milieubeleid in één integraal plan opgenomen. De opgaven vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van dit plan.
De provincie heeft in het plan de volgende doelen geformuleerd:
Om hierin een focus aan te brengen zijn vier prioriteiten benoemd:
Waterbeheerprogramma 2022-2027 Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Op 22 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma's:
Deze programma's zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen.
Gemeentelijk beleid - Waterplan Heuvelrug
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft een waterplan opgesteld in samenwerking met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, de Provincie Utrecht en Hydron Midden-Nederland (het huidige Vitens). Dit plan is in februari 2007 door de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. Het plan omvat een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem.
De gemeente Utrechtse Heuvelrug stelt zich de volgende doelen met betrekking tot hemelwater:
De gemeente stelt zich met betrekking tot het grondwater ten doel om te streven naar een gemiddeld hoogste grondwaterstand van ten minste 0,7 m onder de as van de weg. Er is sprake van structureel te hoge grondwaterstanden als de gemiddeld hoogste grondwaterstand minimaal drie aaneengesloten jaren hoger is dan de gewenste grondwatersituatie en wanneer dit tot aantoonbare overlast in de woning leidt.
Toetsing
Voor voorliggend plan is de digitale watertoets4 doorlopen waaruit volgt dat de ontwikkeling onder de normale procedure valt en overleg met het waterschap noodzakelijk is. Er zijn geen specifieke waterbelangen in het plangebied, zoals de aanwezigheid van oppervlaktewater, een waterkering of watergang. Wel zal als gevolg van de ontwikkeling sprake zijn van een feitelijke toename aan verharding van meer dan 500 m2. Omdat als onderdeel van de verdere ontwikkeling sprake is van een meer landschappelijke inpassing van de omliggende gronden van het plangebied, waarbinnen ook ruimte is voor water, wordt gesteld dat er voldoende waterbergingsmogelijkheden zijn om de toename aan verharding te kunnen compenseren. In de vorm van een wadi is de benodigde watercompensatie vormgegeven. Er zal geen toepassing worden gegeven aan niet-uitloogbare bouwmaterialen zodat vervuiling van het hemelwater wordt voorkomen. Verder worden de volgende principes bij de verdere uitwerking van de ontwikkeling richting omgevingsvergunningsaanvraag gehanteerd:
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
Toetsing
Door middel van een quick scan flora en fauna5 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn ter plaatse van het volledige perceel aan de Hoofdstraat 260. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet.
Gebiedsbescherming
Uit de quick scan volgt dat de Natura 2000-gebieden 'Kolland en Overlangbroek' en 'Rijntakken' in de buurt van het plangebied liggen. De afstanden bedragen, respectievelijk, circa 7.900 meter en 8.700 meter. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie6 uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er in de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn dus geen significant nadelige effecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Verder grenst het plangebied aan Natuurnetwerk Nederland (NNN). Echter worden gezien de aard van de werkzaamheden geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de toekomstige inrichting van het plangebied op het NNN.
Soortenbescherming
In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.
In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.
Uit de uitgevoerde quick scan volgt dat ter plaatse van het plangebied (in het onderzoek weide genoemd) de aanwezigheid van dassen en marterachtigen niet is uit te sluiten. Het aanbevolen nader onderzoek voor huismus en vleermuis is niet gekoppeld aan voorliggend plangebied, maar aan de transformatie van het landhuis.
Uit het nader onderzoek ecologie7 volgt dat de das is waargenomen in het plangebied. Aanwezigheid van een verblijfplaats (burcht) is uitgesloten. De dichtsbijzijnde burcht ligt op circa 1 kilometer van het plangebied. De burcht ligt buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden en de werkzaamheden zullen ook geen negatief effect hebben op de functionaliteit van de burcht. Door de nieuwbouw zal een klein stukje weiland verdwijnen dat onderdeel uitmaakt van foerageergebied. In de nabij omgeving van de burcht en ook rondom het plangebied ligt veel weiland. Het stukje foerageergebied dat verloren gaat door dit plan is dan ook niet essentieel. Het voedselaanbod of de kwaliteit daarvan zal derhalve ook niet verslechteren. De toegankelijkheid van het foerageergebied wordt door de werkzaamheden niet verstoord omdat de groene zoomen rondom de locatie behouden blijven. In het plangebied wordt de bestaande weg een stukje doorgetrokken richting de nieuwbouw, echter is deze weg alleen bedoeld voor bestemmingsverkeer waarbij stapvoets wordt gereden. De aanleg van dit stukje weg zal dan ook geen invloed hebben op het voorkomen van de das of leiden tot verkeersslechtoffers of versnippering van de populatie of het leefgebied. De das zal daarbij ook eerder gebruik maken van de beschutte groene zoomen langs de locatie om zich te verplaatsen. Op basis hiervan is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde. Door tijdens de werkzaamheden, maar ook in de eindsituatie, rekening te houden met de aanwezigheid van de das op het terrein kan ervoor worden gezorgd dat de das ook gebruik kan blijven maken van het plangebied als foerageergebied.
Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat de steenmarter op het landgoed voorkomt en hier foerageert en ook een verblijfplaats heeft. De steenmarter gebruikt het gehele terrein om te foerageren en gebruikt de oude stal als verblijfplaats. Mogelijk gebruikt de steenmarter af en toe ook de monumentale hooischuur als rustplaats. Bij de sloop van beide gebouwen geldt dat de verblijfplaats van de steenmarter verloren zal gaan en een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Ook de boommarter maakt gebruikt van het plangebied om te foerageren. Een verblijfplaats is gezien de eigenschappen van het landgoed niet uit te sluiten. Echter, gezien de bomen op het terrein behouden blijven gaat een eventueel aanwezige verblijfplaats niet verloren. Door tijdens de werkzaamheden, maar ook in de eindsituatie, rekening te houden met de aanwezigheid van de steen-/boommarter op het terrein kan ervoor worden gezorgd dat de soort ook gebruik kan blijven maken van het plangebied als foerageergebied en dat verstoring wordt beperkt of niet aan de orde is. Voor voorliggend plan is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming dan ook niet aan de orde.
Houtopstanden
Binnen het plangebied zijn houtopstanden aanwezig. Ook zijn deze beschermd volgens de Wet natuurbescherming, omdat het plangebied buiten de bebouwde kom ligt. Echter worden gezien de aard van de werkzaamheden geen negatieve effecten verwacht.
Conclusie
Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast.
Toetsing
Voor de beoogde herontwikkeling van het volledige perceel Hoofdstraat 260 is een archeologisch onderzoek8 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het gebied op de overgang ligt van de flank van en hoge stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug in het noordoosten naar een riviervlakte in het zuidwesten. In het gebied is een vlakte met ten dele verspoeld dekzand gekarteerd. In de top van het dekzand kunnen archeologische resten voorkomen vanaf het Laat-Paleolithicum. In de omgeving zijn vondsten aangetroffen uit de periode Neolithicum – Romeinse tijd en de Late Middeleeuwen. Tussen circa 100 en 1500 was het gebied gedeeltelijk bedekt met veen. Het gebied was toen te nat voor bewoning. Mogelijk was de rest van het gebied wel bewoonbaar. Daarom is er voor het gebied een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode LaatPaleolithicum – Late Middeleeuwen. Voor de Nieuwe Tijd is er een lage verwachting, gezien het ontbreken van historische bebouwing in het gebied.
Uit de boringen volgt dat het gebied is omgezet, vermoedelijk ten behoeve van de landbouw. Hierbij is de bodem gediepploegd en omgezet tot minimaal 70 cm -Mv. Sporen van bodemvorming zijn niet aanwezig. Gezien deze resultaten, in combinatie met het gegeven dat in het gebied in het verleden een hogedrukgasleiding is ingegraven, is de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek naar laag bijgesteld. De kans dat zich intacte nederzettingsresten in het gebied zullen bevinden, is gezien de geringe mate van intactheid van de bodem en de relatieve natheid van het landschap klein. Voor nederzettingsresten uit de Nieuwe tijd geldt op grond van het bureauonderzoek reeds een lage archeologische verwachting.
De aanwezigheid van archeologische vondsten kan echter nooit geheel worden uitgesloten. Wanneer tijdens de uitvoering van werkzaamheden een monument wordt gevonden moet dit op grond van de Erfgoedwet (artikel 5.10 en 5.11) verplicht worden gemeld aan de minister van OCW en de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van wijzigingsplannen.
Toetsing
Het plangebied maakt onderdeel uit van landgoed Lindenhorst. De landschapstuin met onder meer het landhuis en het koetshuis vormen een gemeentelijk monument en vertegenwoordigen cultuurhistorische waarden. Om deze cultuurhistorische objecten op waarde te kunnen beoordelen, is een tuinhistorische waardestelling9 uitgevoerd. Hierin wordt de historie van het perceel uitgezet en worden de verschillende objecten behandeld. Hieruit volgt dat de enige landschappelijk passende locatie voor nieuwe bebouwing het weideperceel van de vroegere boerenmoestuin en - boomgaard is. Dit wel omringd door een beplantingsrand, waardoor de historische massa-ruimteverhouding wordt hersteld en de ontwikkeling een kwaliteitsimpuls kan geven aan het behoud en beleving van Lindenhorst. In het landschappelijk inpassingsplan, zoals beschreven in paragraaf 2.2, wordt gekozen voor de locatie van de vroegere moestuin met daaromheen een elzenwal. Hiermee wordt aangesloten bij het advies uit de tuinhistorische waardestelling en worden de cultuurhistorische waarden van Lindenhorst zoveel mogelijk behouden en plaatselijk versterkt. Daarnaast is de herontwikkeling van het landgoed onderdeel van voorliggend project. Het landschapsplan gaat uit van een nieuwe route langs de bestaande zichtlijn om de twee delen van het landgoed met elkaar te verbinden. Daarnaast wordt het park hersteld. Er is geen sprake van aantasting van de cultuurhistorische waarden.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Verkeer
Omgevingsverordening Utrecht (Mobiliteitstoets)
De provincie vindt het van belang dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen (wonen, werken en voorzieningen) voor alle verkeersvormen sprake is van een goede en tijdige ontsluiting. De provincie wijst er daarbij op dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een verstorend effect kunnen hebben op het functioneren van het verkeersnetwerk in de directe nabijheid. In dat geval zullen er extra maatregelen nodig om deze verstoring niet op te laten treden. Om het bovenstaande te bewerkstelligen stelt de provincie bij elke ruimtelijke ontwikkeling een mobiliteitsscan verplicht. Dit betekent dat in een vroegtijdig stadium (bij voorkeur al in de planvormingsfase) wordt nagegaan of de ontwikkeling leidt tot een verstoring van het functioneren van het verkeersnetwerk.
Gemeentelijk Verkeers- en vervoersplan (GVVP)
Op 28 januari 2010 heeft de gemeente het gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan vastgesteld (GVVP). In het GVVP is het gemeentelijke verkeers- en vervoerbeleid opgenomen. Doelstelling van het GVVP is te zorgen voor een duurzaam verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en verkeersveilige leefomgeving in een groene, bereikbare, economisch gezonde gemeente. Blijkens het GVVP kunnen in principe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van enige omvang nog maar plaatsvinden op goed bereikbare plaatsen. Iedere ruimtelijke ontwikkeling dient dan ook getoetst te worden aan het GVVP. De gemeente gebruikt het GVVP bij het bepalen van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Verkeersgeneratie
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW10 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van het plangebied worden de kencijfers voor het gebied 'buitengebied' gehanteerd. De gemeente Utrechtse Heuvelrug wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een 'weinig stedelijk' gebied. Het CROW heeft geen kencijfers voor woonzorgcomplexen. Hierom zijn de kencijfers voor een serviceflat aangehouden. Aangezien de ontwikkeling uit gaat van een zorgconcept in de vorm van een woonhuis/-groep zijn vrachtwagens van/naar de locatie uit te sluiten. Bevoorrading zal gebeuren zoals dat bij particulier wonen ook het geval is. Voor de toevoeging van 48 wooneenheden volgt uit de kencijfers de volgende verkeersgeneratie:
| Minimaal | 2,2 x 48 = 105,6 | |
| Maximaal | 3,0 x 48 = 144,0 | |
Gemiddeld gezien zullen 124,8 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De komt overeen met de verwachte verkeersbewegingen, uitgaande van drie woonhuizen. Deze is namelijk als volgt:
Hierbij dient opgemerkt te worden dat niet iedereen met de auto komt. De verkeersgeneratie is zodanig laag en breed verspreidt over de dag, dat er geen negatieve effecten worden verwacht. Daarnaast is de locatie goed bereikbaar via de Hoofdstraat door zowel gemotoriseerd verkeer, fietsers en het openbaar vervoer. Naast de hoofdweg is namelijk een apart fietspad gelegen en is de bushalte Akkerweg gelegen op circa 300 meter afstand.
Parkeren
Uit een parkeeronderzoek naar zorglocaties11 volgt dat een parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen per wooneenheid te hoog is voor kleinschalige zorg gericht op dementerende ouderen. Dat wordt onderschreven doordat de zorglocaties met een relatief groot aantal parkeerplaatsen (0,7 à 0,8), veel leegstand hebben. Bij zorglocaties met 0,3 à 0,4 parkeerplaatsen per wooneenheid sluit het aanbod van parkeerplaatsen veel beter aan op de vraag. Dit onderschrijft dat volstaan kan worden met een lagere parkeernorm. Een parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen wordt daarbij als passend beschouwd. Dit resulteert in een parkeerbehoefte van 72 x 0,5 = 36 parkeerplaatsen. De overige 14 van de in totaal 50 parkeerplaatsen kunnen op deze manier gereserveerd worden voor een toekomstige ontwikkeling van het koetshuis. Op die manier voorziet voorliggende ontwikkeling in voldoende parkeergelegenheid.
Conclusie
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhevig plan.
Raadpleging van de provinciale risicokaart, de legger van Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden en geldende bestemmingsplannen wijst uit dat er één planologisch relevante leiding in de nabijheid het plangebied bevindt. Het gaat hier om een hoge druk gasleiding. In het kader van het aspect externe veiligheid (zie paragraaf 4.6) is reeds aandacht besteed aan de aanwezigheid van deze leiding. Andere planologisch relevante kabels of leidingen zijn niet aanwezig.
Programma "Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal" (2017)
In de milieubeleidsplanning neemt duurzaamheid en kwaliteit van de leefomgeving een belangrijke plaats in. Ruimtelijke ontwikkelingen worden tevens gerelateerd aan milieukwaliteitsprofielen die voor verschillende typen omgevingen zijn geformuleerd. De gemeente Utrechtse Heuvelrug werkt met gebiedsgericht milieubeleid. De gemeente is opgedeeld in gebiedstypen. Bij iedere gebiedstype hoort een milieukwaliteitsprofiel met bijbehorende kenmerkende kwaliteiten die bij ruimtelijk ontwikkelingen worden getoetst. Voor dit plan is profiel "Landelijk gebied, verweving van functies" van toepassing:
Toetsing
In de hiervoor opgenomen paragrafen is op diverse punten reeds aandacht besteed aan het aspect duurzaamheid. Zo is aangegeven dat de nieuwbouw niet gekoppeld wordt aan het gemeentelijk rioolstelsel, maar voorziet in haar eigen waterbergingsmogelijkheid. Verder is aandacht besteed aan de bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluid en externe veiligheid. Wat betreft energie kan worden aangegeven dat de nieuwbouw voldoet aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Zo is in dit plan het aspect duurzaamheid tot uiting gekomen.
Met dit wijzigingsplan wordt een bestaand bouwvlak met maatschappelijke bestemming aangepast en verplaatst. Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding en regels die vergezeld gaan van een toelichting. De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend. De toelichting maakt geen onderdeel uit van het juridisch plangedeelte. Wel fungeert de toelichting als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Daarnaast is ten behoeve van de leesbaarheid enige informatie, bijvoorbeeld topografische gegevens, op de verbeelding opgenomen. Deze ondergrond heeft geen juridische status. Deze informatie is weergegeven bij de verklaring.
De regels zijn onderverdeeld in drie hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het plangebied, zijnde een verklaring van de gebruikte begrippen. Hoofdstuk 2 geeft aan welke verbeelding dit wijzigingsplan wijzigt en welke bestemmingsplannen overeenkomstig van toepassing zijn. Ten slotte is in hoofdstuk 3 de slotregel opgenomen. De overgangsrechtelijke bepalingen uit het moederplan blijven van kracht.
De grondslag voor dit wijzigingsplan wordt gevormd door artikel 35.4 van het bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied'. In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om het plan, onder voorwaarden (zie paragraaf 2.3) te wijzigen ten behoeve van het aanpassen van het bebouwingspercentage en het verplaatsen en van vorm veranderen van het aanwezige bouwvlak binnen de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied'. In paragraaf 2.3 is reeds aangetoond dat dit plan aan de gestelde voorwaarden voldoet en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug toepassing kan geven aan de wijzigingsbevoegdheid.
De regels van dit wijzigingsplan maken in juridische zin deel uit van het bestemmingsplan. Artikel 3.6 lid 1 onder a Wro bepaalt immers, dat een wijziging deel uitmaakt van het (bestemmings)plan en, zolang de bestemming nog niet is verwezenlijkt, kan worden vervangen door een nieuwe wijziging. Het wijzigingsplan is dus onderdeel van en vormt een aanvulling op het bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied'. De regels behorende bij de bestemming 'Maatschappelijk' zijn gelijk aan de regels van het bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied'. Daarnaast blijven de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Landgoed en buitenplaats' zoals op grond van het bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied' gelden voor het plangebied, van toepassing in dit wijzigingsplan.
In voorliggend plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het uitvoeren van het landschapsplan. De voorwaardelijke verplichting voor de landschapsontwikkeling dient vervuld te zijn voor de ingebruikname van de nieuwbouw en in stand te worden gehouden.
In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven. De volgende zaken komen aan bod:
De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn:
Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen.
De economische uitvoerbaarheid van dit plan is hiermee aangetoond.
Ten behoeve van voorliggend plan is op 23 februari 2022 een informatiebijeenkomst met de omgeving georganiseerd. Tijdens deze avond is door Wonen bij September een toelichting gegeven op het beoogde zorgconcept op de locatie en heeft de architect de plannen nader toegelicht. Tijdens en na afloop van de presentaties heeft de aanwezige vragen kunnen stellen. Voor een verdere weergave van de bijeenkomst wordt verwezen naar het verslag12 dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een wijzigingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie.
Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het wijzigingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
Het plan is naar HSDR, de provincie en de VRU gestuurd in het kader van het wettelijk vooroverleg. Het voorontwerpplan heeft de provincie geen aanleiding gegeven om opmerkingen te plaatsen. De reacties van het HDSR en de VRU hebben aanleiding gegeven het plan op punten aan te passen.
Het ontwerpwijzigingsplan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Een ieder heeft in deze periode zienswijzen in kunnen dienen. Er zijn twee zienswijzen binnengekomen, die in een bijgevoegde nota zienswijzen zijn samengevat en van een antwoord zijn voorzien. In de nota is eveneens terug te vinden welke wijzigingen zijn doorgevoerd in het vastgestelde wijzigingsplan.