Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Bornia 1A, Driebergen-Rijsenburg
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1581.bpDBGbornia1a-VA01

Toelichting

1 Inleiding
1.1 Aanleiding en doelstelling
Initiatiefnemer en eigenaar van het perceel Bornia 1 te Driebergen-Rijsenburg is voornemens zijn perceel te splitsen en op het nieuwe perceel een extra woning te realiseren.
   
De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat sturing biedt bij de toekomstige ontwikkeling van het gebied.
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied betreft een deel van het perceel Bornia 1, direct ten zuidoosten van de buurtschap Haagje, circa 1,5 kilometer ten noorden van de kern Driebergen-Rijsenburg in de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het plangebied ligt ten noordwesten van het (gesplitste) perceel van de reeds aanwezige woning. De volgende afbeelding toont de ligging en begrenzing van het plangebied (rode kader). Op deze afbeelding is, ter illustratie, ook het totale perceel van initiatiefnemer weergegeven met een gele stippellijn.
   
Begrenzing plangebied (rode kader)
1.3 Geldend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van de geldende bestemmingsplannen 'Driebergen - Woongebied Driebergen' en 'Driebergen - Buitengebied'. Navolgend wordt kort op deze plannen ingegaan. Daarnaast valt het gehele plangebied binnen de plangrenzen van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied'. Het voorontwerpbestemmingsplan hiervan heeft reeds ter inzage gelegen. In dit voorontwerp zijn voor het plangebied de bestemmingen uit de geldende bestemmingsplannen overgenomen.
 
Bestemmingsplan 'Driebergen - Woongebied Driebergen'
Het bestemmingsplan 'Driebergen - Woongebied Driebergen' is vastgesteld op 10 juli 2008 door de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van dit geldende bestemmingsplan.
   
 
Fragment verbeelding geldend bestemmingsplan 'Driebergen - Woongebied Driebergen' (plangebied aangegeven met rood)
 
Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de bestemming 'Wonen'. Binnen deze bestemming is echter geen bouwvlak opgenomen waardoor de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk is.
 
Bestemmingsplan 'Driebergen - Buitengebied'
Het bestemmingsplan 'Driebergen - Buitengebied is op 16 september 2004 vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Driebergen-Rijsenburg. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van dit geldende bestemmingsplan.
 
Fragment verbeelding geldend bestemmingsplan 'Driebergen - Buitengebied' (plangebied aangegeven met rood)       
Het plangebied heeft in dit bestemmingsplan de bestemming 'Natuur'. Binnen deze bestemming is de beoogde nieuwe ontsluiting  en het gebruik als tuin niet toegestaan waardoor de voorgenomen ontwikkeling niet mogelijk is.
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een algemene beschrijving van het plan gegeven. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven. Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan bedrijven, verkeer, water, geluid, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord. Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.
2 Het plan
Het plangebied maakt in de huidige situatie onderdeel uit van het perceel van initiatiefnemer. In de huidige situatie is de locatie van de nieuwe woning een oude, met gras bekleedde, tennisbaan. Ten noordoosten van de tennisbaan ligt een vijver. Het achterste deel van het perceel maakt onderdeel uit van het aangrenzende bos. De volgende afbeelding toont een aantal foto's van de huidige situatie van het plangebied. De foto's zijn genomen op de locatie van de nieuwe woning.
 
Foto's huidige situatie plangebied
 
Initiatiefnemer is voornemens om zijn huidige perceel te splitsen en op het nieuwe perceel een nieuwe vrijstaande woning met een maximale goothoogte van 4,5 meter en een maximale bouwhoogte van 10 meter te realiseren. Deze nieuwe woning heeft een maximale inhoud van 700 m³. Het toekomstige bouwvlak heeft een oppervlakte van 176 m². De nieuwe woning is noordoost georiënteerd. De volgende afbeelding toont een schets van de toekomstige situatie van het plangebied.
 
Schets toekomstige situatie
 
3 Algemeen ruimtelijk beleidskader
3.1 Rijksbeleid
 
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. De structuurvisie gaat uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol.
 
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
 
Planspecifiek
De aard en kleinschaligheid van de voorgenomen ontwikkeling maakt dat er, los van de ladder voor duurzame verstedelijking, geen raakvlak is met het Rijksbeleid. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
 
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die op 1 juli 2017 in werking is getreden.
 
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
  1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  3. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Voor de ladder voor duurzame verstedelijking is het van belang of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor het plan getoetst moet worden aan de ladder. Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Het plan moet daarom aangemerkt worden als een stedelijke ontwikkeling.
 
Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één woning. Daarmee wordt de locatie niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dergelijke plannen hoeven niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
3.1.4 Duurzame energie
Energieakkoord voor duurzame groei
In september 2013 is door ruim veertig organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging en natuur- en milieuorganisaties, het Energieakkoord voor duurzame groei ondertekend. In het akkoord staan afspraken over energiebesparing, schone technologie en klimaatbeleid. De afspraken moeten een betaalbare en schone energievoorziening opleveren. Ook werkgelegenheid en kansen voor Nederland in de schone technologiemarkten is de inzet van het akkoord.
 
Met het Energieakkoord zetten de ondertekenaars zich de komende jaren in om de volgende doelen te realiseren:
  • Een besparing van het finale energieverbruik met gemiddeld 1,5 procent per jaar.
  • 100 petajoule aan energiebesparing in het finale energieverbruik van Nederland per 2020.
  • Een toename van het aandeel van hernieuwbare energieopwekking (nu ruim 4 procent) naar 14 procent in 2020.
  • Een verdere stijging van dit aandeel naar 16 procent in 2023.
  • Ten minste 15.000 voltijdsbanen, voor een belangrijk deel in de eerstkomende jaren te creëren.
 
Energieagenda
In december 2016 informeert Minister Kamp (EZ) de Tweede kamer over de Energieagenda. In de Energieagenda vertaalt het kabinet de internationale ambities (o.a. Klimaatakkoord Parijs 2015) naar concrete maatregelen waarmee Nederland in de komende decennia de energietransitie kan realiseren. Met deze agenda beoogt het kabinet een helder en ambitieus perspectief te schetsen voor de transitie naar een betrouwbare, betaalbare, veilige en CO2-arme energievoorziening. Zo moeten nieuw te bouwen gebouwen vanaf 2021 (bijna) energieneutraal zijn. De resterende warmtevraag moet zo veel mogelijk zonder aardgas worden ingevuld. Het doel is om in 2050 80-95% minder CO2 uit te stoten.
 
De afspraken van het Energieakkoord lopen tot 2023. De Energieagenda beschrijft het einddoel in 2050 en de route daarnaartoe. Bedrijven en lokale overheden hebben zekerheid nodig zodat zij hun plannen erop kunnen afstemmen. De Rijksoverheid brengt nu in kaart wat nodig en mogelijk is om dit doel te halen. Dit doet het Rijk in overleg met maatschappelijke organisaties, bedrijven en overheden. Partijen werken nu aan 5 transitiepaden: (1) kracht en licht, (2) lage-temperatuurwarmte, (3) hoge-temperatuurwarmte, (4) mobiliteit en (5) voedsel en natuur. Eind 2017 biedt Nederland de Europese Commissie het concept voorstel aan van een nationaal energie- en klimaatplan. 
 
Maatregelen
Het kabinet zet in op het terugbrengen van de energievraag door middel van energiebesparing en het terugdringen van het gebruik van aardgas door het stimuleren van duurzaam opgewekte elektriciteit en duurzame warmte. Een breed pakket aan maatregelen wordt ingezet om dit te bereiken. Zo wordt gekeken hoe de verwarming van woningen, gebouwen en tuinbouwkassen te kunnen verduurzamen. Nu nog wordt 30 % van de gebruikte energie in Nederland hiervoor gebruikt. Een belangrijke besparing is bijvoorbeeld te behalen door het laten vervallen van de wettelijke verplichting voor aansluiting van huizen en gebouwen op het gasnetwerk. Ook worden er niet meer automatisch nieuwe gasnetten aangelegd voor nieuwbouwwijken. En ook de bron van energie gaat de overheid verder verduurzamen: stroomopwekking van windmolens op zee is succesvol en zal de komende jaren verder worden uitgebreid, ook met windparken die verder uit de kust liggen. 
Motie aardgasaansluiting
In november 2016 heeft de Tweede Kamer ingestemd met een motie van Liesbeth van Tongeren om de aansluitplicht voor woningen en bedrijfspanden op aardgas uit de wet te halen, zodat er meer ruimte komt voor alternatieve warmtebronnen, zoals restwarmte. De Kamer steunde bovendien Van Tongerens motie om gemeenten een regierol te geven in het gasvrij maken van bestaande wijken.
 
Green Deal
Met het ondertekenen van de Green Deal door minister Kamp (EZ), 30 gemeenten, 5 netbeheerders en de 12 provincies, is in maart 2017 een concrete stap gezet in de uitwerking van de Energieagenda uit december 2016.
Het kabinet heeft in de Energieagenda vastgelegd dat nieuw te bouwen gebouwen vanaf 2021 (bijna) energieneutraal moet zijn. De resterende warmtevraag moet zo veel mogelijk zonder aardgas worden ingevuld. Ook de warmtevoorziening in bestaande bouw moet in de loop der jaren worden aangepast, al zal dat een grotere opgave zijn. De technologie om andere duurzame warmtebronnen voor verwarming te gebruiken is in bestaande wijken nog niet op grote schaal toegepast. Initiatieven die nu mogelijk worden met deze Green Deal leveren een belangrijke bijdrage aan dergelijke (sociale) innovaties. De partijen in de Green Deal worden ondersteund door maatschappelijke organisaties en bedrijven die als partner zijn aangesloten bij de deal. Met de Green Deal worden gemeenten in staat gesteld om woningen op een andere manier te laten verwarmen dan met aardgas.
 
Planspecifiek
Nog niet alle maatregelen vanuit het rijk zijn concreet uitgewerkt en ook moet het landelijk beleid nog vertaald worden naar het provinciaal en gemeentelijk beleid. Onderhavig initiatief betreft de ontwikkeling van één woning. Indien financieel haalbaar is het een optie de woning gasloos uit te voeren en zo te voldoen aan de Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 conform het bouwbesluit. Om de woning gasloos uit te kunnen voeren zou gebruik gemaakt moeten worden van voorzieningen zoals warmtepompen en PV-panelen. E.e.a. zal bij de aanvraag Omgevingsvergunning in afstemming met de gemeente plaatsvinden.
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028
De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De herijking van de PRS is op 12 december 2016 vastgesteld. In de PRS beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geven aan dit beleid. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening welke tegelijk met de PRS is opgesteld.
 
In de geherijkte Provinciale ruimtelijke structuurvisie zijn de volgende provinciale belangen vastgelegd.
 
Duurzame leefomgeving
  • Behouden en bevorderen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem en een waterveilige provincie;
  • Voldoende ruimte bieden voor realisatie van duurzame energiebronnen;
  • Anticiperen op de ruimtelijke lange termijn gevolgen van klimaatverandering;
  • Beschermen en realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving waarin ook stilte beleefd kan worden.
 
Beschermen kwaliteiten
  • Behouden van de kwaliteit van de cultuurhistorische structuur en streven naar een betere beleefbaarheid ervan;
  • Behouden van de kernkwaliteiten van het landschap en behouden van aardkundige waarden en streven naar een betere beleefbaarheid ervan;
  • Beschermen en ontwikkelen van soorten en van een robuust netwerk van natuur.
 
Vitale steden en dorpen
  • Bevorderen van binnenstedelijke ontwikkeling;
  • Voldoende ruimte bieden voor het realiseren van een op de behoefte aansluitend aanbod van woningen en woonvoorzieningen;
  • Voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale en innovatieve regionale economie;
  • Voldoende ruimte bieden voor behoud en versterking van een goede retailstructuur;
  • Zorgdragen voor en voldoende ruimte bieden voor een goede bereikbaarheid voor woon-, werk- en vrijetijdslocaties.
 
Dynamisch landelijk gebied
  • Uitnodigende zones die stad en land verbinden en bijdragen aan kwaliteit van het binnenstedelijk leefmilieu;
  • Zodanige condities scheppen dat de vitale regionale economie in het landelijk gebied zich kan ontwikkelen;
  • Zodanige condities scheppen dat een goede recreatieve structuur wordt behouden en versterkt.
 
Tenslotte streeft de provincie Utrecht  bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienendheid voor energie. Bij uitleglocaties en transformatieopgaven wordt dient te worden beschreven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, Warmte Koude Opslag en aardwarmte, zonne-energie en biomassa. De ambitie is om in 2040 het grondgebied van de provincie Utrecht klimaatneutraal georganiseerd te hebben. Het gaat hierbij niet alleen om CO2-reductie, maar ook om het onafhankelijk zijn van beperkt beschikbare fossiele brandstoffen. De opgaven voor klimaatneutraliteit zijn:
  • het energiegebruik sterk verminderen door besparingen en innovaties;
  • de energie die we nog nodig hebben duurzaam opwekken. 
 
Planspecifiek
Het plangebied betreft een binnenstedelijke locatie. In haar verstedelijkingsbeleid richt de provincie zich primair op de ontwikkelingsmogelijkheden in het stedelijk gebied. Op deze manier blijven de steden, dorpen en kernen aantrekkelijk om te wonen, te werken en te ontmoeten en blijft het landelijk gebied gevrijwaard van onnodige ruimteclaims. Doordat het plangebied binnen het stedelijk gebied ligt sluit de ontwikkeling goed aan bij deze visie van de provincie. Daarbij moet tevens worden gestreefd naar klimaatneutrale ruimtelijke ontwikkelingen. Voor nadere toetsing aan deze voorwaarde wordt verwezen naar toelichting paragraaf 4.1.
 
3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening
Tegelijk met de PRS is op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De PRV wordt elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast (herijken). De huidige herijking van de PRV is op 12 december 2016 vastgesteld.
 
In de PRV wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de PRS. De PRV geeft regels met betrekking tot de onderwerpen bodem, water, energie, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie.
 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont fragmenten van de kaarten 'bodem en water', 'natuur' en 'wonen en werken' van de PRV.
 
Fragment kaarten 'bodem en water', 'natuur' en 'wonen' PRV    
   
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het deel van het plangebied waar de woning is voorzien in bestaand stedelijk gebied ligt. Met betrekking tot dit stedelijk gebied stelt artikel 4.1 lid 2 van de PRV dat verstedelijking, en dus woningbouw, mogelijk is. Daarnaast blijkt dat een deel van het plangebied binnen de grenzen van het Natuur Netwerk Nederland ligt. Tevens is dit deel van het plangebied aangewezen als 'beschermingszone drinkwaterwining'. Binnen dit deel van het plangebied zal de nieuwe entree naar de woning worden aangelegd. Hierdoor moeten de artikelen 2.2 (beschermingszone drinkwaterwinning) en 4.11 (Natuur Netwerk Nederland) nader worden beschouwd.
 
In paragraaf 4.5 van voorliggend bestemmingsplan is uiteengezet dat de realisatie van een entree leidt niet tot aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland. Hier is daarnaast aangegeven dat er tijdens de uitvoering rekening dient te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad, vleermuizen en broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Geconcludeerd is dat de aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied geen bezwaar vormen voor de beoogde bestemmingsplanwijziging.
 
Wat betreft de ligging van de nieuwe woning nabij de beschermingszone drinkwaterwinning kan gesteld worden dat wonen niet wordt gezien als een grondwatervervuilende functie. Om eventuele verslechtering van de kwaliteit van het grondwater tegen te gaan worden voor de daken en de afkoppeling van het regenwater enkel niet-uitlogende bouwmaterialen gebruikt. Daarnaast worden in het plangebied geen schadelijke bestrijdingsmiddelen gebruikt en is er geen sprake van gladheidsbestrijding door middel van strooizout.
 
Gezien voorgaande is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het gestelde in de PRV.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal'
De gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 de Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal' vastgesteld. Daarin zijn onder meer afspraken op hoofdlijnen opgenomen over de ontwikkeling van gebieden en kwaliteiten tot 2030. Voor de periode 2010-2016 zijn concretere afspraken opgenomen.
 
Het motto van de Structuurvisie 2030 is 'Groen dus Vitaal'. Aan de ene kant zijn natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, samen met de sociale kwaliteit van de dorpen, het uitgangspunt. Voor wonen, economische ontwikkeling, sport en recreatie is ruimte als dat in het verlengde van dit uitgangspunt gevonden kan worden. Omgekeerd is het gewenst dat de samenleving, vanuit de behoefte aan wonen, werken, sporten en recreëren, op zoek gaat naar gebruiksmogelijkheden van het gemeentelijke grondgebied. De vitaliteit die daarmee wordt ingebracht, verhoogd voor iedereen de waarde van de leefomgeving voor iedereen.
 
Gezien de complexe omgeving met zoveel waarden vraagt het motto om creativiteit en maatwerk voor de functies wonen, werken, sport en recreatie. En een standvastige, maar niet dogmatische houding vanuit het oogpunt van natuur, landschap, cultuurhistorie en de samenleving. Voor de gemeentebrede invalshoek wordt gewerkt met thema's, die een breed terrein bestrijken:
  • Natuur over de heuvels;
  • Op de schouders van ons erfgoed;
  • Duurzaam bereikbaar;
  • Leefbare dorpen;
  • Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug;
  • Maatwerk voor wonen en werken.
 
De volgorde van de thema's weerspiegelt de algemene houding 'Groen dus Vitaal'. Om sturing te geven aan de ontwikkelingsrichting voor de diverse geografische samenhangende gebiedsdelen (zones), is een structuurvisiekaart met gebiedsdekkende zonering ontwikkeld. De kaart heeft een landschappelijke onderlegger en is gebaseerd op versterking van de bestaande situatie en de hieraan gekoppelde gemeentebrede thema's.
 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een fragment van de structuurvisiekaart behorende bij de Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal'.
 
Fragment structuurvisiekaart Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal'
 
Het plangebied maakt onderdeel uit van een levendig woon- en werkdorp (binnen de rode contouren) dat op het terrein van duurzaamheid een zichtbare plek in het land inneemt. In deze gebieden zet de gemeente in op het voortdurend blijven zoeken naar mogelijkheden om zowel de woonfunctie als de werkfunctie te versterken. De gemeente heeft daarnaast in de structuurvisie een ontwikkelrichting bepaald voor haar grondgebied onderverdeeld naar thema's. Het plangebied valt onder het thema Leefbare dorpen. Speerpunt bij dit thema is instandhouding en verstrekking van de leefbaarheid, sociale samenhang en identiteit van alle zeven dorpen binnen de gemeente. De levendige dorpsharten dienen behouden en versterkt te worden door samenhang in wonen en voorzieningen voor jong en oud. Dit wordt bereikt door een concentratie van voorzieningen in het hart van de dorpen. In de wijken ligt de focus op de woonfunctie. Daarnaast dient wijkgericht werken als onderdeel van het dienstverleningsconcept van de gemeente verder te worden ontwikkeld.
 
De realisatie van de woning valt binnen de rode contour en daarmee binnen de beoogde woon- en werkdorpen. Door gebruik te maken van het bestaande stedelijke gebied en een zorgvuldige inpassing in de omgeving is gehoor gegeven aan het behouden en versterken van leefbare dorpen. Daarmee is de ontwikkeling goed passend binnen deze visie.
 
3.3.2 Woonvisie Utrechtse Heuvelrug, Actualisatie Woonvise 2013-2020
In april 2008 heeft de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug de woonvisie "Wonen in een vitale gemeente" vastgesteld. In 2012 is de gemeentelijke woonvisie uit 2008 geëvalueerd. Op basis daarvan zijn een aantal speerpunten van beleid vastgesteld waarop de gemeente in de komende jaren haar focus wil leggen. Als gevolg hiervan is de woonvisie geactualiseerd. Deze Actualisatie Woonvisie 2013-2020 is op 3 februari 2014 vastgesteld door de gemeenteraad Utrechtse Heuvelrug.
 
De woonvisie behandelt de verzelfstandiging van de woningcorporaties, de decentralisering naar gemeenten en woningcorporaties evenals de regionalisering. Bij de evaluatie van de woonvisie is bepaald dat de komende jaren de focus ligt op de volgende 4 speerpunten:
  1. het inzetten op doorstroming in de voorraad sociale woningen (huur en koop);
  2. meer betaalbare huur- en koopwoningen (ver)bouwen of beschikbaar stellen voor de inkomensgroepen van € 34.085,- tot € 50.000,- (de scheefwoners);
  3. levensloopbestendig wonen en wonen in combinatie met welzijn en/of zorg bevorderen en realiseren in alle dorpen;
  4. klimaatbewust en duurzaam (ver)bouwen stimuleren.
 
Deze vier speerpunten zijn doorvertaald naar zo concreet mogelijke doelen en acties. De horizon ligt op 2020, met een doorkijk op onderdelen naar de jaren daarna. De visie uit 2008 blijft voor een groot deel overeind: de gemeente wil werken aan fysiek en sociaal duurzame dorpen, waarin alle inwoners prettig en veilig kunnen (blijven) wonen in hun eigen leefomgeving en waar de sociale cohesie in stand blijft c.q. wordt versterkt. Daarbinnen is ruimte voor maatwerk op het laagste schaalniveau. ‘Groei’ is nog wel aan de orde, maar is gericht zijn op het voorzien in de eigen behoefte van de huishoudens van de gemeente in de komende jaren.
     
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van één woning op een reeds als wonen bestemd perceel, door splitsing van het perceel. Bij splitsen van kavels is maatwerk geboden:
  • De splitsing van een kavel moet passen in de bestaande structuur en opbouw van de straat of wijk, zoals beschreven in de stedenbouwkundige kaders die in de bestemmingsplannen zijn of worden vastgelegd.
  • De beoogde nieuwbouw sluit aan bij en is een kwalitatieve aanvulling op het bestaande woningaanbod in de betreffende straat of gebied.
  • De wijziging past in de privaatrechtelijke eigendomsverhoudingen ten aanzien van de opstal en het perceel en de toevoeging vormt geen aantasting van de woonkwaliteit van de omwonenden.
  • De nieuwbouw blijft binnen de bestaande rode contouren.
  • De overige relevante voorwaarden en bepalingen daarover (bijvoorbeeld verkeer, milieu) zullen bij ieder concreet verzoek zorgvuldig worden beoordeeld.
 
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de alle voorgenoemde punten. De uitvoering van deze regeling vindt plaats onder bevoegdheid van het college. De woningcategorie is duur koop. In de visie ligt de focus op doorstroming vanuit de sociale huurwoningen en het beschikbaar stellen van betaalbare huur- en koopwoningen. Door lokaal maatwerk kan er worden bijgedragen aan doorstroming in deze categorieën. Bijvoorbeeld door senioren de mogelijkheid te geven om door te stromen naar een geschikte woning en zo kansen te creëren voor jonge gezinnen en starters. Per project wordt bovendien de afweging gemaakt welke ontwikkeling haalbaar en wenselijk is. Een zekere mate van flexibiliteit beantwoordt aan de wens vraaggericht, inspelend op de behoefte van de markt, te kunnen bouwen.
 
Voorgenomen ontwikkeling is vraaggericht en beantwoordt direct aan de behoefte van de initiatiefnemer. Daarnaast voldoet het aan de voorwaarden die gelden bij het splitsen van een perceel ten behoeve van wonen. De zorgvuldige inpassing van de woning en de directe aansluiting bij de bestaande aangrenzende woonwijk maken dat het initiatief passend is op deze locatie.
 
3.3.3 Milieubeleidsplan Natuurlijk Duurzaam
Het milieubeleidsplan 'Natuurlijk Duurzaam 2009-2014' is op 24 september 2009 vastgesteld door de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het beschrijft de duurzaamheidsambities van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In het milieubeleidsplan staan vier pijlers centraal:
  1. duurzaamheid;
  2. gemeentelijke interne duurzaamheidszorg;
  3. klimaat, energie en duurzaam bouwen;
  4. kwaliteit van de leefomgeving.
Het milieubeleidsplan stelt duurzaamheid voorop. Intern zet de gemeente in op duurzaamheid, maar ook buiten de gemeentelijke organisatie wordt dit gestimuleerd. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn en in 2015 wil de gemeentelijke organisatie energieneutraal zijn. Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente de bestaande milieukwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau.
 
Op gebouwniveau streeft de gemeente naar een 25% verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw®. GPR Gebouw geeft per thema een ‘rapportcijfer’ uiteenlopend van 7 (minimaal niveau) tot 10 (zeer goed) waarvoor geldt dat voor het thema energie voor woningbouw een GPR-score van 7 overeenkomt met het bouwbesluit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt een GPR score van gemiddeld minimaal 7, met minimaal een 7 voor het thema energie.
 
Planspecifiek
In toelichting paragraaf 4.1 wordt nader ingegaan op het aspect duurzaamheid.
4 Specifieke regelgeving en beleid
4.1 Duurzaamheid
De gemeente Utrechtse Heuvelrug streeft naar duurzame ontwikkelingen. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn. Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente de bestaande milieukwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau.
 
Op gebouwniveau streeft de gemeente naar een 25% verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw. GPR Gebouw geeft per thema een 'rapportcijfer' uiteenlopend van 7 (minimaal niveau) tot 10 (zeer goed) waarvoor geldt dat voor het thema energie voor woningbouw een GPR score van 7 overeenkomt met het bouwbesluit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt een GPR score van gemiddeld minimaal 7, met minimaal een 7 voor het thema energie.
 
Het Bouwbesluit stelt eveneens eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Per 1 januari 2015 is de EPC-eis aan de energieprestatie van gebouwen aangescherpt en aangepast in het Bouwbesluit. De aanpassing betekent een aanscherping van de eis van 20% tot 50%. Voor woningen geldt een EPC-eis van 0,4.
 
Planspecifiek
Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn nog geen specifieke bouwtekeningen voorhanden. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal, middels een EPC- en GPR-berekening, aangetoond worden dat voldaan wordt aan de gestelde norm/score van de gemeente. Indien financieel haalbaar zal eveneens rekening worden gehouden met de navolgende vormen van energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen:
  • Zongericht bouwen: Door de woning optimaal te richten op de zon, kan optimaal gebruik worden gemaakt van zowel ecologisch als economisch profijt. Zongericht bouwen combineert het beste uit twee werelden; optimaal wooncomfort en echt duurzaam bouwen;
  • Een (bodem)warmtepomp: Een warmtepomp kan als bron gebruik maken van lucht of bodem. Bodem als energiebron heeft een beter rendement. In combinatie met PV-panelen kan de benodigde energie van externe bronnen tot een minimum beperkt worden;
  • PV-panelen: Door elektriciteit duurzaam op de eigen woning op te wekken kan worden bespaard op inkoop en elektriciteit en de energiebelasting;
  • Zonnewarmtecollector: Een zonnewarmtesysteem kan jaarlijks tot circa 50% van de warmtapwaterbehoefte verzorgen. Een combinatie van de zonnecollector met een warmtepomp is ideaal door de structurele verhoging van het rendement van de warmtepomp en hiermee de energiebehoefte van de warmtepomp. Ook zal de warmtepomp een langere levensduur hebben, doordat deze alleen nodig is als er onvoldoende zonnewarmte beschikbaar is.
4.2 Welstandsnota
Het welstandsbeleid van de gemeente is vastgelegd in de welstandsnota uit 2008. De nota beschrijft het welstandsbeleid en fungeert als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen (voorheen bouwvergunning). Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken geacht worden daaraan te leveren. Om dat belang op de juiste wijze te kunnen doorvertalen naar welstandscriteria, is de gemeente onderverdeeld in deelgebieden.
 
Planspecifiek
Het plangebied valt in het deelgebied 'Driebergen-Rijsenburg - dorpsbebouwing Loolaan/Sportlaan'. Dit deelgebied wordt sterk beheerst door infrastructuur, zowel in de buurten zelf als eromheen. De oorspronkelijke wegen hebben veel van hun ruimtelijk karakter moeten prijsgeven, ze zijn toch vooral voor het verkeer ingericht. De bebouwing is zeer divers en vertoont de sporen van meer dan een eeuw verbouwen en uitbreiden. Voor een deel ontleent het gebied daaraan ook zijn, door sommige misschien rommelig genoemde, charme. Voor het deelgebied gelden de volgende welstandscriteria:
 
Algemeen
  • de bouwwerken passen bij de karakteristiek van het gebied, wat betreft situering op de kavel, schaal en vormgeving van de bouwmassa, indeling van de gevels en detaillering, kleur- en materiaalgebruik. 
  • bij verbouw dienen de oorspronkelijke kenmerken als uitgangspunt.
Situering, massa en vorm 
  • de bestaande tussenruimtes tussen bouwvolumes mogen niet zodanig worden aangetast dat de regelmaat aan de straat verloren gaat. Het straatprofiel mag niet door de bebouwing worden aangetast. 
  • de woningen worden in de rooilijn gebouwd.
  • de hoofdbebouwing is op de openbare ruimte gericht.
Massa en vorm
  • bij nieuwbouw: enkelvoudige hoofdvorm. Bijgebouwen en aanbouwen zijn ondergeschikt in plaatsing en vormgeving aan het hoofdgebouw op het perceel. 
  • de woningen hebben een korrelgrootte die aansluit bij die van de omgeving.
  • aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. 
  • de massaopbouw is per rij gelijk. 
  • bij veranderingen (symmetrie in de gevel, hoogte-breedteverhouding van geveluitsnijdingen en dergelijke) worden de stijlkenmerken van het oorspronkelijke gebouw toegepast.
Detaillering, kleur- en materiaalgebruik 
  • het kleur- en materiaalgebruik is per rij op elkaar afgestemd, signaalkleuren zijn niet toegestaan. 
  • bij veranderingen (maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen) worden de stijlkenmerken en kleuren van het oorspronkelijke complex toegepast.
  • aanbouwen hebben de stijlkenmerken en kleuren van het hoofdgebouw. 
  • hoogwaardige materialen die niet snel verouderen, bij voorkeur baksteen, hout en pleisterwerk. Kleurgebruik terughoudend, passend bij de omgeving en geen signaalkleuren.
4.3 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. In het kader van het aspect verkeer en parkeren is met name het Gemeentelijk verkeers- en vervoerplan van belang (GVVP). Dit plan is op 2 februari 2010 vastgesteld door de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het doel van het GVVP is driedelig:
  • Beleidskader: Het GVVP biedt een realistisch en concreet beleidskader voor het optreden van de gemeente op het gebied van verkeer en vervoer. Concrete verzoeken van inwoners en herinrichtingsplannen van de gemeente worden getoetst aan dit beleid, maar het bepaalt ook het gemeentelijk standpunt bij regionale ontwikkelingen en projecten;
  • Prioritering: Het GVVP geeft prioriteiten aan voor investeringen van de gemeente in verkeer en vervoer. Er is duidelijkheid en transparantie over de projecten, zowel voor de financiering als de planning;
  • Integraal beleid: Het GVVP brengt samenhang tussen de verschillende onderdelen van het verkeers- en vervoerbeleid en tussen dit beleid en andere beleidsterreinen (o.a. natuur en landschap, milieu, ruimtelijke ontwikkeling, werk en economie).
 
De doelstelling van het GVVP is daarnaast als volgt: 'Het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid moet leiden tot een duurzame verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en veilige leefomgeving in een groene bereikbare, economisch gezonde gemeente'.
 
Planspecifiek
Het GVVP bevat geen maatregelen die direct van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Wel wordt aangegeven dat, wat betreft het parkeren, de normen van het CROW worden gehanteerd.
 
Verkeer
Voor de bepaling van de verkeersgeneratie door het initiatief is de Publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW uit 2012 geraadpleegd. Voor een 'vrijstaande koopwoning' in de 'rest bebouwde kom' in 'niet stedelijk' gebied geldt een minimale toename in het weekdaggemiddelde van 7,8 en een maximale toename van 8,6 motorvoertuigen per etmaal per woning.
 
De nieuwe woning wordt gerealiseerd op een afgesplitst deel van het oorspronkelijke perceel. Voor de toegankelijkheid van de kavel dient een nieuwe toegangsweg te worden aangelegd. De nieuwe entree wordt aangesloten op het bestaande pad Bornia, welke uitkomt op de Arnhemse Bovenweg. Deze ontsluiting is ruimschoots afdoende voor de afwikkeling van het geringe aantal verkeersbewegingen die veroorzaakt worden door het particuliere gebruik van het perceel.
  
Parkeren
Voor de bepaling van de parkeerbehoefte door het initiatief is eveneens de Publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW uit 2012 geraadpleegd. Voor een 'vrijstaande koopwoning' in de 'rest bebouwde kom' in 'niet stedelijk' gebied geldt een minimale parkeerbehoefte van 2,0 en een maximale parkeerbehoefte van 2,8 parkeerplaatsen per woning.
 
De voorgenomen ontwikkeling moet voorzien in voldoende gelegenheid voor het parkeren ten behoeve van de beoogde woning. Op het eigen terrein rondom de woning is voldoende gelegenheid om het parkeren op te lossen.
   
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Milieu
4.4.1 Bodem
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. 
 
Planspecifiek
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling en het verzoek van de gemeente is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:
  • de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) op de locatie is licht verontreinigd met PAK (MM01) respectievelijk zware metalen en PAK (MM02);
  • de ondergrond (MM03, 1,0 – 2,0 m-mv) is niet verontreinigd.
  • het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 01) is niet verontreinigd.
 
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ (strikt genomen) verworpen te worden, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de bovengrond. De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.
 
Als op de locatie graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden kunnen, afhankelijk van de aangetoonde gehalten in de grond en/of de samenstelling, beperkingen worden gesteld aan het hergebruik van de vrijkomende grond. Bij toepassingsmogelijkheden elders of bij afvoer naar een erkend verwerker dient de vrijkomende grond mogelijk nog conform het Besluit Bodemkwaliteit te worden gekeurd. Bij werkzaamheden in de grond dient rekening gehouden te worden met eventueel te treffen veiligheidsmaatregelen conform de CROW-publicatie 132.
 
4.4.2 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten (onder meer woningen) worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving.
 
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen een zogenaamde geluidzone dienen te worden getoetst aan de voorwaarden die de Wgh stelt aan deze ontwikkelingen. De omvang van een geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg. Langs een weg waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur ligt geen zone. Dit geldt ook voor wegen op een woonerf.    
 
De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van een geluidsgevoelige objecten (woning). Gezien de ligging van het plangebied binnen de wettelijke onderzoekszones van verschillende (spoor)wegen, waaronder de Arnhemse Bovenweg, de A12 en de spoorlijn Utrecht-Arnhem, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2. Navolgend worden de conclusies van het onderzoek weergegeven.
 
Wegverkeerslawaai
In het kader van de Wet geluidhinder is de geluidbelasting ten gevolge van de Arnhemse Bovenweg en de Rijksweg A12 inzichtelijk gemaakt. De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Arnhemse Bovenweg respecteert de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Ten gevolge van de Rijksweg A12 bedraagt de berekende geluidbelasting ten hoogste 50 dB inclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde niet gerespecteerd. Echter de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt wel gerespecteerd. Maatregelen ten einde het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren.
 
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/uur-weg de Sportlaan inzichtelijk gemaakt. Ter vergelijking worden de geluidbelastingen beoordeeld aan de hand van de voorkeursgrenswaarde (48 dB) en maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder voor een vergelijkbare 50 km/uurweg. De geluidbelasting ten gevolge van de Sportlaan (30 km/uur-weg) bedraagt ten hoogste 21 dB inclusief aftrek artikel 110g uit de Wet geluidhinder. Hiermee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder. Geconcludeerd wordt dat vanwege de Sportlaan (30 km/uur-weg) sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
 
Railverkeerslawaai
In het kader van de Wet geluidhinder is de geluidbelasting ten gevolge van het doorgaande spoor (Lunetten – De Haar) inzichtelijk gemaakt. De berekende geluidbelasting bedraagt ten hoogste 60 dB. Ter plaatse van de zuidwestgevel (eerste en tweede verdieping) en de zuidoostgevel (begane grond, eerste en tweede verdieping) wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB niet gerespecteerd. Echter, de maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt wel gerespecteerd. Ter plaatse van de noordwest-, noordoostgevel (begane grond, eerste en tweede verdieping) en de zuidwestgevel (begane grond) wordt de voorkeurswaarde van 55 dB wel gerespecteerd. Maatregelen ten einde het verlagen van de geluidbelasting zijn onderzocht en stuiten op overwegende bezwaren.
 
Cumulatieve geluidbelasting
De cumulatieve geluidbelasting exclusief aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder bedraagt ten hoogste 54 dB. De hoogste gecumuleerde geluidbelasting omgerekend voor de (maatgevende) bronsoort railverkeerslawaai (LRL,cum) bedraagt 58 dB. Geadviseerd wordt om, ten tijde van de vergunningaanvraag voor het bouwen, middels een aanvullend akoestisch onderzoek aan te tonen dat de gevels met een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 53 dB wel een voldoende geluidwering (GA;k) hebben zodat een binnenniveau van 33 dB gerespecteerd blijft.
 
Bouwbesluit
Uit een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevel zal, ten tijde van de vergunningaanvraag voor het bouwen, moeten blijken of de vereiste karakteristieke geluidwering van de gevel (GA;k) voldoet aan de eisen uit het
Bouwbesluit.
 
Gemeentelijk geluidbeleid
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft de regeling “Beleidsregel hogere waarden Wet geluidhinder” vastgesteld zoals in werking getreden de dato 27-01- 2009. In dit beleid zijn aanvullende voorwaarden voor het verlenen van een hogere waarde opgenomen. Om een hogere waarde aan te vragen moet de situatie passen in het gemeentelijk geluidbeleid ten aanzien van het aanvragen van hogere waarden. Vanuit het gemeentelijke geluidbeleid worden de volgende voorwaarden gesteld:
  • Geluidsluwe gevel (eis)
De woning heeft ten minste één gevel met een lager (luw) geluidsniveau. Het geluidsniveau op deze gevel is niet hoger dan de voorkeurswaarde voor elk van te onderscheiden geluidsbronnen. De noordoost- en noordwestgevel zijn beide geluidsluw. De geluidbelasting ten gevolge van zowel weg- als railverkeer overschrijden de voorkeurswaarde niet.
  • Cumulatie (eis)
De initiatiefnemer dient onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen. Bij de geluidsisolatie van gevels dient rekening gehouden te worden met de cumulatie van alle akoestisch relevante bronnen (ook 30 km/u wegen). Dit dient te gebeuren volgens hoofdstuk 2 van bijlage I van het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder, waarbij de gecumuleerde waarden worden omgerekend naar het spectrum van de maatgevende bronsoort.
De cumulatieve geluidbelasting is inzichtelijk gemaakt in het bijgevoegde akoestisch onderzoek. In een nader onderzoek dienen de benodigde gevelmaatregelen te worden gedimensioneerd, waarbij rekening wordt gehouden met de gecumuleerde geluidbelastingen.
  • Geluidsabsorberende plafonds bij balkons/loggia’s (eis)
Bij de aanwezigheid van balkons/loggia’s etc. dient onder de balkons weerbestendige geluidsabsorptie worden geplaatst ter voorkoming van ongewenste reflecties op de gevels.
  • Buitenruimte (inspanningsverplichting)
Indien de woning beschikt over één of meer buitenruimten, dan is er minimaal één gelegen aan de geluidsluwe zijde. Indien dit niet mogelijk is dan dient het geluidsniveau op de gevel niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidsluwe gevel.
In het bouwkundig ontwerp dient rekening te worden gehouden dat een eventuele buitenruimte zoveel als mogelijk aan de geluidluwe noordoost-, noordwest- en zuidwestgevel. 
  • Maximale ontheffingswaarde voor weg- en railverkeerslawaai (inspanningsverplicting)
De gemeente verleent voor binnenstedelijke situaties geen hogere waarden hoger dan de voorkeurswaarde plus 10 dB. In voorliggende situatie kan vanuit de Wet geluidhinder voor het wegverkeerslawaai een hogere waarde worden vastgesteld tot maximaal 53 dB. Deze voorwaarde is derhalve voor wegverkeerslawaai in voorliggende situatie niet van toepassing. Voor railverkeerlawaai kan vanuit de Wet geluidhinder een hogere waarde worden vastgesteld tot maximaal 68 dB. Overeenkomst het geluidbeleid is de maximaal toegestane hogere waarde 65 dB.
Uit de rapportage van het akoestisch onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan deze inspanningseis vanuit het gemeentelijk geluidbeleid. Uit de rekenresultaten blijkt dat het hoogst berekende geluidbelasting ten gevolge van railverkeer de overeenkomstig het gemeentelijk geluidbeleid maximaal toegestane waarde niet overschrijdt. 
  • Indeling woning (inspanningsverplichting)
De woning heeft per etage minimaal één verblijfsruimte aan de zijde van de geluidsluwe gevel. In het bouwkundig ontwerp dient rekening te worden gehouden dat per etage minimaal één verblijfruimte aan de zijde van de geluidsluwe gevel is gesitueerd.
 
Conclusie toets gemeentelijk geluidbeleid
Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Bij de gemeente kan derhalve een hogere waarde voor de betreffende woningen worden aangevraagd.
 
Na het verlenen van een hogere waarde voor de van toepassing zijnde woning vormt het aspect geluid vanwege de omliggende wegen en spoorweg geen belemmering voor de realisatie van het plan.
 
4.4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
 
De WHO en GGD hanteren lagere advieswaarden voor Stikstofdioxide (NO2), Fijn stof (PM10) en Zeer Fijn stof (PM2,5):
  • Stikstofdioxide (NO2)
Een concentratie van boven de 20 microgram per kuub voor stikstofdioxide wordt door de landelijke GGD (handboek voor een gezonde inrichting van de leefomgeving) bestempeld als zijnde milieugezondheidkwaliteit matig en boven de 30 microgram als zijnde zeer matig.
  • Fijn stof (PM10)
Van fijn stof is bekend dat er ook significant schadelijke effecten zijn op de gezondheid beneden de
wettelijke grenswaarde. De Wereld Gezondheid Organisatie hanteert daarom een advieswaarde van 20 microgram per m3. Een concentratie van boven de 20 microgram per kuub voor fijn stof wordt door de landelijke GGD bestempeld als zijnde milieugezondheidkwaliteit matig en boven de 30 microgram als zijnde zeer matig.
  • Zeer Fijn stof (PM2,5)
Zeer fijn stof (PM2,5) is een belangrijke schadelijke component van fijn stof. De Wereld Gezondheid
Organisatie hanteert daarom een advieswaarde van 10 microgram per m3. Een concentratie van boven de 10 microgram per kuub voor zeer fijn stof wordt door de landelijke GGD bestempeld als zijnde milieugezondheidkwaliteit matig en boven de 15 microgram als zijnde zeer matig.
 
Daarnaast geeft de WHO en GGD aan dat Elementair koolstof (roet) eveneens een rol speel. Elementair koolstof is een maat voor de massa van roetdeeltjes in fijn stof en is daardoor een goede indicator voor te verwachten geuroverlast. Er gelden geen formele grenswaarden voor elementair koolstof. Roet is een verzamelnaam voor zwarte deeltjes in de lucht, die ontstaan bij onvolledige verbranding. De belangrijkste bronnen voor roet zijn het wegverkeer (met name uitstoot van roetdeeltjes uit dieselmotoren), industriële bronnen en huishoudens (open haarden en kachels). In steden draagt het verkeer voor circa 50% bij aan de heersende roetconcentraties. Als vuistregel wordt op dit moment voor het gezondheidseffect 6 maanden “levensjaar” winst per microgram/kuub verlaagde EC concentraties gehanteerd (Commissie voor de milieueffectrapportage).
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. 
 
Planspecifiek
Met behulp van de NIBM-tool is gekeken of de voorgenomen ontwikkeling in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. De volgende afbeelding toont de ingevulde NIBM-tool. Hierbij is gebruik gemaakt van de verkeersgegevens uit toelichting paragraaf 4.3.
 
    
Uit de ingevulde NIBM-tool blijkt dat het extra verkeer als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling niet in betekenende mate is. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Aan de andere kant is in dit geval geen sprake van de realisatie van een gevoelige bestemming. Desalniettemin is, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, met behulp van de Nsl-monitoringtool, wel gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Daarbij zijn de normen voor gevoelige bestemmingen aangehouden. Er zijn meerdere rekenpunten gelegen nabij het plangebied. Om de luchtkwaliteit aan te tonen zijn twee van deze rekenpunten nader bekeken, deze punten zijn representatief voor de overige rekenpunten. Voor het bepalen van de luchtkwaliteit is er gebruik gemaakt van de NSL Monitoringstool 2016, deze getallen zijn afgerond op één decimaal.
 
Uitsnede NSL-Monitoringstool. Rekenpunten aangegeven met rood en het plangebied aangegeven met blauw
 
De achtergrondconcentraties te plaatse van de rekenpunten betreffende de volgende waarden voor van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2):
 
Norm
Rekenpunt 1: 22918
Rekenpunt 2:  22916
Jaartal
 
2016
2020
2030
2016
2020
2030
PM10
40 µg/m3
18,3 µg/m3
18,8 µg/m3
6,0
µg/m3
18,2 µg/m3
18,7µg/m3
6,0
µg/m3
NO2
40 µg/m3
19,7 µg/m3
15,4µg/m3
10,0
µg/m3
19,3 µg/m3
15,1µg/m3
9,8
µg/m3
PM2,5
25 µg/m3
11,2 µg/m3
11,4 µg/m3
9,2
µg/m3
11,2 µg/m3
11,4 µg/m3
9,1
µg/m3
  
De toegestane wettelijke normen worden niet overschreden. De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 µg/m3, en 10 µg/m3voor PM2,5, wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. De waarden voor fijnstof PM10 voldoet op dit moment al aan deze advieswaarden, de advieswaarde voor fijnstof PM2,5 wordt in 2030 gehaald. Geconcludeerd wordt dat zowel de wettelijke normen als de advieswaarden van de WHO en GGD (op termijn) worden behaald. Daarmee is er sprake van een goed woon- een leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
 
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
   
4.4.4 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
 
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
 
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
 
Planspecifiek
Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Derhalve is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van het plangebied. Uit raadpleging van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijvigheid aanwezig is.
 
De dichtsbijzijnde bedrijfsbestemming ligt op ruim 125 meter van het plangebied en betreft een afvalstation (SBI-2008: Gemeentewerf (afvalinzameldepots)). In het geldende bestemmingsplan valt deze functie onder categorie 3.1 bedrijven. De grootste richtafstand wat betreft geur, stof, geluid en gevaar bedraagt 50 meter waarmee het bedrijf op ruim voldoende afstand van het plangebied ligt. Daarnaast is het betreffende afvalstation inmiddels gesloten en zijn er plannen om op de locatie woningen te ontwikkelen.    
 
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
 
4.4.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
 
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar
Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10⁻⁶ als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze  10⁻⁶contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10⁻⁵ contour.
 
Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht indien de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording.
 
Risicovolle (Bevi-)inrichtingen
Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
 
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden.
 
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.
 
Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart externe veiligheid.
 
Fragment risicokaart externe veiligheid
 
Uit bovenstaand kaartbeeld blijkt dat de locatie binnen de invloedsfeer ligt van één of meerdere gevaarlijke transportroutes.
 
Langs de noordzijde van de A12 ligt een door Defensie beheerde kerosineleiding met een werkdruk van 80 bar. Langs deze leiding geldt geen contour voor het plaatsgebonden risico. Voor deze leiding is het groepsrisico, gezien de geringe bevolkingsdichtheid langs de leiding, naar verwachting van verwaarloosbare omvang. In het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’ van de gemeente Utrechtse Heuvelrug wordt verwezen naar een rapport van Royal Haskoning/DHV (juni 2013, nr. RS-UT20130192) waaruit blijkt dat het berekende groepsrisico lager is dan 1% van de oriëntatiewaarde. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 
 
Ook de A12 is een transportroute voor gevaarlijk stoffen en is onderdeel van het Basisnet Weg. Voor de A12 geldt echter geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Het groepsrisico is daarnaast kleiner dan 1% van de  oriëntatiewaarde. Zowel het plaatsgebonden risico als het groepsrisico zal naar verwachting niet leiden tot een belemmering.
 
Als gevolg van de beoogde ontwikkeling neemt het aantal personen in het effectgebied beperkt toe. Echter, de planontwikkeling is met het toevoegen van één woning dermate klein, dat de bijdrage van het plangebied aan de hoogte van het groepsrisico verwaarloosbaar is. Het voorgenomen plan heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico of op andere externe veiligheidsaspecten zoals rampenbestrijding bereikbaarheid of mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Bij een incident met toxische stoffen op de A12 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende.
 
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.
4.5 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
4.5.1 Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet, het Nationaal Waterplan en de Wet gemeentelijke watertaken.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
 
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.
 
4.5.2 Beleid Waterschap De Stichtse Rijnlanden
Waterbeheerplan ‘Waterkoers 2016-2021’
Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft haar ambities en langetermijn visie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016-2021. De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel: samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water.
 
Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe van ruimtelijke adaptatie (zie navolgend).
 
Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het gronden oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is.
 
4.5.3 Beleid gemeente Utrechtse Heuvelrug
Gemeentelijk Waterplan Heuvelrug
Doel van het waterplan is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.
 
Het waterplan Heuvelrug richt zich vooral op de stedelijke kernen en de directe omgeving ervan. Belangrijke punten uit het waterplan zijn:
  • afkoppelen en infiltreren van regenwater: de zandige Utrechtse Heuvelrug biedt veel mogelijkheden voor infiltratie van water van nieuwe bebouwing en bestaande bebouwing in de grond;
  • beleving en cultuur: de landgoederen en Stichtse Lustwarande zijn beeldbepalend, en water vervult daar een eigen functie in;
  • natuur en ecologie: op allerlei plaatse kan de natuur en ecologie in en om het water verbeterd worden. Eerst moet gekeken worden welk water een belangrijke functie vervult hierin;
  • beheer en onderhoud: het is nodig om het beheer van watergangen en dat van erlangs gelegen wegen goed op elkaar af te stemmen.
 
Convenant Afkoppelen van regenwater op de Utrechtse Heuvelrug (2010)
Begin 2010 hebben 12 overheden en één bedrijf een convenant ondertekend over het afkoppelen van regenwater op de Utrechtse Heuvelrug.
 
Op verschillende plekken op de Utrechtse Heuvelrug komen hemelwater en afvalwater samen in het rioolstelsel terecht. Bij veel regenval moet het riool overtollig water kwijt. Dit gebeurt via een overstort in het oppervlaktewater. Het vuile water komt dan terecht in watergangen en vijvers. Dit heeft een nadelige invloed op het oppervlakte- en grondwater. Door het hemelwater van het riool af te koppelen en rechtstreeks de bodem in te laten stromen, wordt zowel kwetsbare natuur als de kwaliteit van het oppervlaktewater beschermd. Bovendien presteren rioolwaterzuiveringsinstallaties beter als het aangevoerde water minder verdund is door regenwater.
 
Een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater is een gedeelde verantwoordelijkheid van provincie, gemeente, waterschap en drinkwaterbedrijf. Dit vereist heldere afspraken tussen deze partijen. Daarom ligt in het convenant vast onder welke voorwaarden hemelwater direct aan de natuur wordt teruggeven. Duidelijke regels met meer aandacht voor de omgeving: dat is duidelijk en duurzaam.
 
De partijen die het convenant ondertekenen zijn: De gemeenten Amersfoort, De Bilt, Eemnes, Rhenen, Soest, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Woudenberg en Zeist, Drinkwaterbedrijf Vitens, Provincie Utrecht en de waterschappen Vallei & Eem en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.
 
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2012 - 2015 (2011)
Het aanleggen, beheren en onderhouden van het riool zijn gemeentelijke taken met de Wet Milieubeheer als basis. Volgens deze wet moet de gemeente in een gemeentelijk rioleringsplan (GRP)vastleggen hoe zij invulling geeft aan deze taak. In het GRP is aangegeven wat de gemeente wil bereiken, welke voorzieningen er zijn, wat er gedaan moet worden om de gestelde doelen te kunnen halen en wat de kosten zijn en hoe deze worden gedekt.
 
De gemeente heeft drie zorgttaken ten aanzien van het aspect water: zorgplicht voor het stedelijk afvalwater, zorgplicht voor het afvloeiend hemelwater en de zorgplicht voor het voorkomen van structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand. Een voorgenomen ontwikkeling zal hieraan moeten voldoen. De gemeente stelt daarbij de volgende eisen:
 
Stedelijk afvalwater
  • Inzameling van stedelijk afvalwater, dat binnen het gebied is geproduceerd;
  • Transport van ingezameld stedelijk afvalwater naar de zuiveringsinstallatie;
  • Voorkomen van ongewenste vuilemissie naar oppervlaktewater, grondwater en bodem.
Hemelwater
  • Inzameling van het afvloeiend hemelwater afkomstig van:
    • verhard oppervlak in de openbare ruimte;
    • dakoppervlak van nieuwbouw en herbouw, voor zover hemelwater redelijkerwijs niet op eigen terrein verwerkt kan worden;
    • dak- en terreinverharding van bestaande bebouwde percelen;
  • Verwerking van het ingezameld hemelwater;
  • Voorkomen van ongewenste vuilemissie naar oppervlaktewater, grondwater en bodem.
 
Grondwater
Te streven naar een gemiddeld hoogste grondwaterstand van ten minste 0,7 m onder de as van de weg. Er is sprake van structureel te hoge grondwaterstanden als de gemiddeld hoogste grondwaterstand gedurende drie tot vijf aaneengesloten jaren hoger is dan de gewenste grondwatersituatie en wanneer dit tot aantoonbare overlast leidt. Structurele grondwateroverlast kan voorkomen worden door de volgende typen maatregelen:
  • Ophogen van het maaiveld;
  • Aanleggen van extra oppervlaktewater;
  • Treffen van grondwatertechnische maatregelen;
  • Bouwtechnische maatregelen.
 
4.5.4 Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
 
Planspecifiek
In de huidige situatie is het perceel volledig onverhard. Een toename van verharding (gebouwen en erfverharding) heeft gevolgen voor de snelheid waarmee het regenwater afstroomt. Hierdoor kunnen de omliggende sloten te vol raken en kan er wateroverlast ontstaan. Gezien de ligging van het plangebied op de Utrechtse Heuvelrug zijn er op dit moment naar verwachting geen problemen met de waterhuishouding.
 
Toevoeging verharding
Het hoogheemraadschap hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 500 m² verharding in stedelijk gebied of meer dan 1.000 m² in landelijk gebied gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Voor infiltratie van hemelwater vanaf verharde oppervlakken hanteert het hoogheemraadschap een ja, mits-principe. Door het aanleggen van bovengrondse voorzieningen, zoals wadi’s en greppels, wordt een versnelde afvoer naar oppervlaktewater voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden bij de bouw van de woning geen uitlogende materialen toegepast. 
 
In de toekomstige situatie komt een woning toegevoegd met een oppervlakte van 176 m². De norm van 500 m² wordt hiermee niet overschreden en watercompensatie is niet noodzakelijk als gevolg van het initiatief.  
 
Waterafvoer
Het afvoeren van hemelwater via het riool is niet mogelijk gezien er ter plaatse sprake is van een drukrioleringssysteem. Het hemelwater zal worden afgekoppeld op het eigen perceel en kan bij de gemiddeld hoogste grondwaterstand in de bodem infiltreren. Dit is mogelijk omdat de bodem bestaat uit zandgrond en het grondwater op grote diepte is gelegen. De vuilwaterafvoer van het plan zal wel aangesloten worden op het openbaar riool grenzend aan het plangebied. Tevens wordt er bij de realisatie van de woningen geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen.  
 
Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6 Groen, natuur en landschap
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieleding:
  • bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • decentralisatie van verantwoordelijkheden;
  • vereenvoudiging van regels.
 
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. 
 
Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
 
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.          
 
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplanten) toegevoegd.
 
Planspecifiek
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3. Navolgend wordt de conclusie van het onderzoek weergegeven.
 
In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft, behoudens alpenwatersalamander en poelkikker, aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of overige soorten. De poel op de planlocatie is mogelijk in gebruik door poelkikker en alpenwatersalamander gedurende de voortplantingsperiode, gelet op de voorgenomen ingreep zijn hier geen effecten op te verwachten. Gedurende de bouwwerkzaamheden kan rugstreeppad de planlocatie bevolken. Om negatieve effecten op de soort te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen die voorkomen dat de soort het plangebied in gebruik kan nemen als voortplantingslocatie. Vleermuizen maken mogelijk gebruik van de locatie tijdens het foerageren en migreren. Onjuist toegepaste (bouw)verlichting kan foeragerende vleermuizen verstoren en verjagen. Om verstoring te voorkomen dient gedurende de ontwikkeling een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze te worden toegepast. De locatie maakt onderdeel uit van het leefgebied van algemene amfibieënen zoogdieren. Mits maatregelen worden toegepast ten aanzien van rugstreeppad kunnen effecten op beschermde amfibieën en reptielen worden uitgesloten. De bomen en struiken op de planlocatie zijn geschikt als nestlocatie voor algemene broedvogels. Om te voorkomen dat eventuele broedgevallen van algemene broedvogels worden verstoord dienen de ontwikkelingen buiten het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli) te worden uitgevoerd of alvorens de aanvang van de werkzaamheden de aanwezigheid van nesten te laten controleren door een deskundige.
 
De planlocatie maakt, behoudens Natuurnetwerk Nederland (deels), geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Wetland of Nationaal Park. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de afstand tot gebieden is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Gezien de realisatie van de entree deels gelegen is in het Natuurnetwerk Nederland is de "Nee, tenzij"-toets uitgevoerd. Een nieuw project mag de natuur niet significant aantasten, tenzij er een groter belang dient en er geen alternatieven zijn buiten de natuur.
 
"Nee, tenzij"-toets
De beoogde ontwikkellocatie van de woning bevindt zich geheel buiten de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland. Echter wordt de entree naar de woning ontwikkeld binnen de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland. Binnen de grenzen zijn slechts zeer beperkte ingrepen voorgenomen. De ingrepen bestaan uit de kap van enkele smalle, jonge bomen en struiken en de realisatie van een entree. Onderstaand wordt per toetsingsaspect toegelicht of er sprake is van aantasting bij de realisatie van de entree: 
  1. Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem, inclusief de vereiste omgevingsfactoren (zoals donkerte, bodem, water en milieu)
De kap van enkele smalle bomen, het verwijderen van struiken en de aanleg van een inrit leiden niet tot een wezenlijk ander gebruik van de planlocatie. In de nieuwe situatie treden geen veranderingen op ten opzichte van huidige situatie. De kap van enkele jonge bomen aan een bosrand is een verwaarloosbare ingreep in het kader van barrièrevorming en ecologische waarden. De bodem, het water en overige milieufactoren worden in de boogde situatie niet anders beïnvloedt dan in de bestaand situatie. Mits in de beoogde situatie geen sprake is van een toename van (buiten)verlichting of uitstraling van licht naar de directe omgeving treden er geen effecten op voor de bestaande en potentiele waarden van het ecosysteem; 
  1. De robuustheid en aaneengeslotenheid van het Natuurnetwerk Nederland
De ontwikkeling binnen de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland betreft de realisatie van en entree naar de nieuw te realiseren woning. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van bestaande migratieroutes, foerageergebieden en/of andere relevante functies voor deze soorten. Er vinden geen veranderingen plaats die de aaneengeslotenheid van het gebied aantasten; 
  1. De aanwezigheid van bijzondere soorten
In de rapportage in de bijlage is het voorkomen en/of afwezigheid van bijzondere soorten alsmede de effecten van de beoogde ingreep hierop beschreven. De gebruiksfase leidt niet tot aantasting van beschermde soorten (waarvoor geen vrijstelling geldt) en hun leefgebied. Voor vleermuizen en broedvogels dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen; 
  1. De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen
Een potentiële verbindingsfunctie van een locatie heeft te maken met regelmatige verplaatsingen via vaste routes en met verbindingen tussen leefgebieden. Bijvoorbeeld tussen voedsel- en rustgebieden of migratieroutes om hun leefgebied te vergroten. De planlocatie wordt omgeven door dicht bosgebied. Belangrijke verbindingsfuncties tussen verschillende ecotopen worden niet onderbroken door de realisatie van een entree. De planlocatie heeft geen functie als verbindingsgebied en overige algemene functies worden niet aangetast door de beoogde ontwikkelingen; 
  1. Behoud van oppervlakte
De voorgenomen ingreep betreft de realisatie van een entree. Er wordt geen bebouwing gerealiseerd en leidt niet tot een afname van oppervlakte en afname van de huidige kwalitatieve waarde van het gebied als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland; 
  1. Behoud van samenhang
Het behoud van samenhang komt sterk overeen met de aspecten van de verbindingsfunctie, robuustheid en aaneengeslotenheid. Zoals besproken bij de toetsingsaspecten 1, 2 en 4 kan een effect op de samenhang worden uitgesloten.
 
Conclusie 
Geconcludeerd wordt dat de nieuwbouw van een woning en de aanleg van een entree ernaartoe niet leiden tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad, vleermuizen en broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging.
4.7 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. 
 
De raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft in april 2013 een archeologische beleidskaart vastgesteld. Op deze beleidskaart staan verschillende archeologisch waardevolle gebieden aangegeven. Er is gekozen voor zeven verschillende typen archeologie-gebieden, waarin verschillende regels met betrekking tot bescherming van archeologisch erfgoed gelden. In deze regels is vastgelegd wanneer archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
    
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
 
Fragment archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Utrechtse Heuvelrug
 
Het plangebied ligt in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’. Voor een gebied met een dergelijke verwachtingswaarde geldt een archeologische onderzoeksverplichting bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10 ha. In onderhavig geval is van bodemingrepen met een dergelijke omvang geen sprake.
 
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Cultuurhistorie
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in de diverse ruimtelijke plannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
 
De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.
 
Planspecifiek
Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Daarnaast zijn er in de directe omgeving van het plangebied eveneens geen monumenten aanwezig. Ook ligt het plangebied niet in een cultuurhistorisch waardevol gebied. Daarmee is uitgesloten dat de ontwikkeling eventuele monumentale/cultuurhistorische waarden aantast.
5 Wijze van bestemmen
5.1 Algemeen
Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.bpDBGbornia1a-VA01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de verbeelding) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.
 
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
5.2 Methodiek
5.2.1 Verbeelding
In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).  
 
5.2.2 Regels
De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:
  • Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevatten de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk II (artikelen 3 tot en met 7) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook zijn dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen.
  • Hoofdstuk III (artikelen 8 tot en met 13) bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.
  • Hoofdstuk IV (artikelen 14 en 15) bevat de overgangs- en slotregel.
Regels in verband met de bestemmingen
De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:
  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen (indien aanwezig);
  • afwijken van de bouwregels (indien aanwezig);
  • specifieke gebruiksregels (indien aanwezig);
  • afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (indien aanwezig);
  • wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig).
5.3 Inleidende regels
In het hoofdstuk 'inleidende regels' wordt een aantal in de regels gehanteerde begrippen gedefinieerd. Daarnaast is de wijze van meten vastgelegd met betrekking tot de verschillende hoogte- en oppervlaktematen van gebouwen.
5.4 Bestemmingen
5.4.1 Wonen - B1
Functies
Binnen de bestemming 'Wonen - B1' is wonen toegestaan. Tevens mag een beroep of bedrijf aan huis worden uitgeoefend. Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven en paden aan te leggen. Ook zijn waterhuishoudingsvoorzieningen toegestaan en mag er geparkeerd worden op eigen terrein.
 
Bouwmogelijkheden
De Bouwregels maken onderscheid in regels voor:
  1. algemeen;
  2. hoofdgebouwen;
  3. bijbehorende bouwwerken;
  4. overige bouwwerken.
Algemeen
In algemene zin wordt bepaald dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd.  

Hoofdgebouwen
Binnen de bestemming 'Wonen' mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. De woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd en er mag niet meer dan één woning binnen een bouwvlak worden gebouwd, waarbij het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd.
 
Voor de woningen is een generieke maximale inhoud aangegeven met een aanduiding op de verbeelding. Voor de goot- en bouwhoogte is in de regels een standaard hoogte gegeven.  
 
Als hoofdgebouwen afgedekt worden met een kap, dan moet worden voldaan aan de in de regels voorgeschreven dakhelling. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken moeten op minimaal 1 meter afstand van het bijbehorende hoofdgebouw worden gebouwd. Dit is om te voorkomen dat vrijstaande gebouwen zo dicht naast elkaar worden gebouwd, dat ze ruimtelijk als aangebouwde gebouwen kunnen worden gezien.
   
Dakkapellen zijn toegestaan op hoofdgebouwen. Als een dakkapel in het dakvlak van de voorgevel of in een dakvlak van een naar de openbare weg gekeerde zijgevel wordt gebouwd is de breedte gemaximeerd. In die gevallen mag de breedte van een dakkapel niet meer dan de helft van de breedte van het betreffende dakvlak bedragen. De breedte van het dakvlak moet gerekend worden ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel.
 
Bijbehorende bouwwerken
Uitbreidingen van het hoofdgebouw met aan- of uitbouwen en al dan niet aangebouwde bijgebouwen en overkappingen worden onder de noemer 'bijbehorend bouwwerk' geschaard. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is zoveel mogelijk aangesloten op de regeling 'vergunningvrij bouwen' uit de bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht.

Overige bouwwerken
Met het begrip 'overige bouwwerken' wordt bedoeld: een bouwwerk dat geen gebouw is en ook geen overkapping. Concreet zijn maximale hoogtematen voorgeschreven voor erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, antennemasten en andere overige bouwwerken.
  
Afwijken van de bouwregels
Binnen de bestemming 'Wonen-B1' is een specifieke afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het vergroten van de inhoud van een hoofdgebouw, onder gestelde voorwaarden. Het hoofdgebouw mag met maximaal 15% worden vergroot tot een maximum van 800 m³. Daarnaast moet de inpassing op zorgvuldige wijze plaatsvinden.

Specifieke gebruiksregels
Zoals in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, is beroep of bedrijf aan huis toegestaan binnen de woonbestemming. Wel worden er enige voorwaarden aan dit gebruik gesteld. Zo mag 40 % van de brutovloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief de bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis. Bij deze oppervlakte wordt ook de oppervlakte van het hoofdgebouw op de verdieping meegerekend.
 
Het is alleen toegestaan om beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten te verrichten aan huis die opgenomen zijn in de staat van bedrijfsactiviteiten. De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen horeca of detailhandel inhouden, behalve als het gaat om verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het beroep of bedrijf.
 
De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis mag alleen worden uitgeoefend door de bewoners van de woning waar de activiteit plaatsvindt. Er mag geen personeel in dienst zijn. Behalve bij een praktijk voor medische beroepen, dan mag maximaal één fte voor assistentie of ondersteuning in dienst zijn.
 
Door de uitoefening van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mogen de verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen in de directe omgeving. Daarbij moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit dient in de eerste plaats op eigen terrein te worden gerealiseerd. In gevallen waar dit niet mogelijk is dient voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig te zijn. Voor de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen buitenopslag plaatsvinden. 
 
Afwijken van de gebruiksregels
Het gebruik van een woning voor bijzondere woonvormen is een verboden gebruik. Het bevoegd gezag heeft de bevoegdheid om dit gebruik toch toe te staan. Dit mag alleen als het hoofdgebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt. Het gebruik moet qua uitstraling en ruimtelijke werking overeenstemmen met die van de woonfunctie. Het gebruik voor kamerbewoning of bijzondere woonvormen mag de belangen niet onevenredig schaden van eigenaren en gebruikers van de gronden waarop dit veranderde gebruik plaatsvindt of die in de nabijheid daarvan liggen.
 
5.4.2 Natuur
De bestemming Natuur wordt gebruikt voor gebieden waar landschappelijke en natuurwaarden van belang zijn. Deze bestemming is bedoeld om deze waarden in stand te houden, te herstellen of te ontwikkelen. Agrarisch medegebruik in de vorm van beweiding is toegestaan. De betreffende gebieden hebben een groene uitstraling met landschaps- en/of natuurwaarden. Wandel- en fietspaden, in- en uitritten, onverharde wegen, voorzieningen van flora en fauna, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen zijn hier mogelijk, omdat deze functies goed aansluiten bij het karakter van de bestemming.
 
Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de strikte regels. Het oprichten van gebouwen is niet toegestaan.
 
Omgevingsvergunning ter bescherming landschappelijke waarden
Om te voorkomen dat de landschappelijke en natuurwaarden onevenredig worden aangetast is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren. Deze werkzaamheden hebben dan betrekking op het mogelijk aantasten of veranderen van natuur- en landschapselementen.
 
5.5 Dubbelbestemmingen
De bestemmingsplanregeling bevat naast de bovengenoemde bestemmingen ook drie dubbelbestemmingen. Dubbelbestemmingen vallen als het ware over 'onderliggende' (enkel)bestemmingen heen en houden beperkingen en aanvullingen in voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van die bestemmingen. Dubbelbestemmingen dienen een specifiek ruimtelijk belang dat middels de dubbelbestemming beschermd wordt.
5.5.1 Waarde - Archeologie 5
Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek. 

Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met de volgende dubbelbestemmingen:
 
In het artikel zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in het artikel en hieronder vallen onder andere 'zaken die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen'. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
  • normaal agrarische jaarlijkse werkzaamheden te weten: ploegen, woelen, zaaiklaar maken, oogsten/rooien, stoppelbewerking, graslandwoelen, planten/poten, rooien van bomen in het kader van boomkwekerijen en spitten, op percelen met een agrarische bestemming. Diepploegen en het aanleggen van drainage vallen niet onder de vrijstelling;
  • graafwerkzaamheden in het kader van onderhoud aan reeds eerder aangelegde sportvelden waarbij de bodem deels is afgegraven en nieuwe grond is opgebracht;
  • het zorgvuldig ruimen van (individuele) graven op de gemeentelijke begraafplaatsen.
5.6 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.
 
Algemene bouwregels
Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.
 
Algemene gebruiksregels
Verboden gebruik
In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan: het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning of het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.
  
Uitoefening Bed & Breakfast
Dit artikel sluit aan bij de Nota Verblijfsrecreatie waar is geregeld dat het uitoefenen van een bed & breakfast in een (bedrijfs)woning is toegestaan, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.
 
Algemene afwijkingsregels
Algemeen
Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.
  
Afwijking 10% overschrijding
Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd op initiatief van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling is gewaarborgd door middel van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en initiatiefnemer. De bijkomende procedurekosten zullen voor rekening van de initiatiefnemer zijn.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een voorontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
6.2.1 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
Er heeft vooroverleg plaatsgevonden met provincie Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. De reacties van de genoemde partijen zijn in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. In de Nota van beantwoording van de vooroverlegreacties is de zienswijze voorzien van een gemeentelijke reactie, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4.
 
6.2.2 Participatie
De initiatiefnemer van voorliggend ruimtelijk plan heeft in een voorfase gesproken met de directe buren en de bewoners van overige aanliggende percelen van het plangebied. Tijdens deze gesprekken is de gelegenheid geboden tot inspraak en bespreking van het plan. Alle betrokken hebben aangegeven te kunnen instemmen met de planvorming ter plaatse.
 
6.2.3 Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 2 maart tot en met 12 april 2018 voor zienswijzen ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
6.3 Handhaving
Een bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor daadwerkelijke controle en handhaving ligt bij de gemeente.