direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Tussen Tuindorpweg 13 en 13a, Maarn
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Voor de locatie tussen Tuindorpweg 13 en 13A in Maarn is een plan ontwikkeld. Voor het plangebied bestaat het voornemen een vrijstaande woning te realiseren. Deze ontwikkeling past niet binnen de geldende beheersverordening, waardoor een bestemmingsplan noodzakelijk is. Burgemeester en wethouders van gemeente Utrechtse Heuvelrug hebben op 9 oktober 2018 het principebesluit genomen om hun medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Ligging

Het plangebied bestaat uit het perceel aan de Tuindorpweg in Maarn. Het plangebied ligt aan de oostzijde van het dorp Maarn. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Maarn, sectie A, perceelsnummer 5748. Daarnaast behoort een deel van het perceel met perceelnummer 4750 tot het plangebied. Figuur 1.1 toont de globale ligging van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0001.png"

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied (bron: Google Maps).

Begrenzing

In figuur 1.2 is de begrenzing van het plangebied weergegeven, hierbij is het plangebied rood omlijnd. Het plangebied wordt begrenst door de bestaande kadastrale grenzen van het perceel met perceelnummer 5748, waarbij een klein deel van het naastgelegen perceel (perceelnummer 4750) ook bij het plangebied behoort (zie figuur 1.2). Het perceel wordt omringt door verschillende woonpercelen, daarnaast grenst het perceel aan de oostzijde aan een fietspad. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0002.png"

Figuur 1.2: Begrenzing plangebied (bron: Kadastralekaart.com).

1.3 Geldende plannen

Voor het perceel geldt in de huidige situatie de beheersverordening 'Woongebied Maarn en Maarsbergen 1e herziening'. Deze beheersverordening is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug op 9 juli 2018. In deze beheersverordening heeft het plangebied de bestemming 'Wonen – S 4'. De voor 'Wonen - S 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep- en of bedrijf aan huis met daarbij behorend tuinen en erven, paden, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeren op eigen terrein. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Onderstaand figuur laat een uitsnede van het plangebied zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0003.png"

Figuur 1.3: Uitsnede beheersverordening 'Woongebied Maarn en Maarsbergen 1e herziening' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) 

Naast de beheersverordening 'Woongebied Maarn en Maarsbergen 1e herziening' is het 'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening' (vastgesteld op 7 juni 2018) ook voor het plangebied van toepassing. De in dit bestemmingsplan opgenomen regels gelden in aanvulling op c.q. in afwijking van de regels van de ruimtelijke plannen van de gemeente Utrechtse Heuvelrug voor de onderwerpen 'parkeren' en 'laden en lossen', en laten de overige regels uit die onderliggende ruimtelijke plannen ongewijzigd.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.

Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.

Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.

In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.

Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Vigerend planologisch regime

Zoals hiervoor reeds vermeld is het plangebied gelegen binnen de grenzen van de beheersverordening 'Woongebied Maarn en Maarsbergen 1e herziening'. In deze beheersverordening heeft het plangebied de bestemming 'Wonen – S 4'. De voor 'Wonen - S 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep- en of bedrijf aan huis met daarbij behorend tuinen en erven, paden, waterhuishoudkundige voorzieningen en parkeren op eigen terrein.

Ruimtelijke structuur

Het plangebied wordt ontsloten door de Tuindorpweg welke ter plaatse van het plangebied ingericht is als fietsstraat. De fietsstraat gaat in zuidelijke richting over in een fietspad en kruist daarbij de spoorlijn Utrecht-Veenendaal en de rijksweg A12 door middel van een tunnel.

Functionele structuur

De directe omgeving van het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit vrijstaande en halfvrijstaande woning. Daarnaast zijn er ten westen van het plangebied enkele bedrijven gesitueerd.

Huidige inrichting plangebied

In de huidige situatie is het plangebied in gebruik als tuin/erf van de woning aan de Tuindorpweg 13A. Binnen het plangebied zijn onder meer twee schuren/bergingen, bestrating, gazon en beplanting aanwezig. Figuur 2.1 geeft een aanzicht van het plangebied vanaf de Tuindorpweg weer.

Oppervlakte plangebied

De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 1.180 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0004.png"

Figuur 2.1: Aanzicht plangebied van de Tuindorpweg (bron: Google Streetview, opname augustus 2015)

2.2 Projectbeschrijving

In opdracht van de initiatiefnemers is door Reitsema & partners architecten een ontwerp gemaakt voor een vrijstaande woning aan de Tuindorpweg tussen nummer 13 en 13A. Het voornemen voor de realisatie van een nieuwe woning met bijbehorende voorzieningen binnen het plangebied is op grond van de in de beheersverordening 'Woongebied Maarn en Maarsbergen 1e herziening' toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden niet mogelijk omdat er geen bouwvlak is opgenomen in het plangebied.

Stedenbouwkundige uitgangspunten

Het realiseren van een woning binnen het plangebied is aanvaardbaar mits in ieder geval de bestaande schuur/berging aan de 'fietsstraat' wordt gesloopt en de woning (het hoofdgebouw) op basis van de volgende uitgangspunten wordt gesitueerd en vormgegeven:

  • De voorgevel van het hoofdgebouw mag op 9 m1 afstand van de 'fietsstraat' worden gerealiseerd;
  • De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrenzen minimaal 5 m1 bedraagt;
  • De maximale diepte van het hoofdgebouw 12 m1 bedraagt;
  • Het hoofdgebouw een maximale goot- en bouwhoogte heeft van respectievelijk 4,5 m1 en 9 m1;
  • Bijgebouwen bij voorkeur achter het hoofdgebouw worden gesitueerd, maar aan de noordzijde op in ieder geval 1 m1 achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw en aan de zuidzijde op tenminste 7 m1 achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gerealiseerd.

Uitgangspunten parkeren

Voor het parkeren dient op eigen terrein dient ten minste te worden voorzien in twee parkeerplaatsen.

Figuren 2.2 en 2.3 geven inzicht in de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0005.png"

Figuur 2.2: Situering nieuw te realiseren woning en bijgebouw (bron: Reitsema & partners architecten).

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0006.png"

Figuur 2.3: Aanzichten nieuwe te realiseren woning (bron: Reitsema & partners architecten).

2.3 Ruimtelijke gevolgen

Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van een vrijstaande woning binnen het plangebied mogelijk. Het toevoegen van een extra woning heeft, gelet op de bestaande stedenbouwkundige structuur aan de Tuindorpweg, weinig ruimtelijk gevolgen, aangezien de woning gerealiseerd zal worden tussen de bestaande woningen aan de Tuindorpweg 13 en 13A. De woning zal worden ontsloten door de fietsstraat, net als de woning aan de Tuindorpweg 13. De toename in het aantal verkeersbewegingen van auto's zal echter maar in zeer beperkte mate toenemen en wordt, mede gelet op het feit dat er in de toekomst slechts twee woningen aan dit gedeelte van de fietsstraat zijn gelegen, aanvaardbaar geacht.

Hoofdstuk 3 Algemeen ruimtelijk beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld en van kracht geworden. In deze visie geeft het kabinet een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. In de structuurvisie worden belangrijke andere accenten geplaatst op het brede gebied van ruimtelijke ordening en bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het betekent voor de ruimtelijke ordening in brede zin een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden en actualisatie van het Nationaal Ruimtelijk Beleid. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak, de structuurvisie voor de Snelwegomgeving en de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.

In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, en Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).

Ten aanzien van de MIRT-regio Utrecht (deze bestaat uit de provincie Utrecht en is onderdeel van de Noordvleugel van de Randstad) zijn de volgende opgaven van nationaal belang:

  • Het goed laten functioneren van de 'draaischijf' Nederland (weg, spoorweg en vaarweg) inclusief een goed regionaal openbaar vervoer en het uitvoeren van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer;
  • Versterking van de primaire waterkeringen (hoogwaterbeschermingsprogramma) en het samen met decentrale overheden uitvoeren van het gebiedsgerichte deelprogramma Rivieren (Lek en Neder-Rijn) van het Deltaprogramma;
  • Het samenwerken met decentrale overheden in de generieke deelprogramma's Veiligheid, Zoet water en Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden;
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV) en het indien nodig ruimtelijk accommoderen van de inzet van de regio op geothermie (waaronder warmtekoudeopslag) in de ondergrond;
  • Het op lange termijn stimuleren van regionale ontwikkeling van de A12-zone.

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig):

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' die in een bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt moet worden aangetoond dat er sprake is van een behoefte. De toelichting bij het bestemmingsplan bevat daartoe een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, bevat een toelichting tevens een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Dit wordt de 'Ladder Duurzame Verstedelijking' genoemd. De beschrijving van de behoefte aan de betreffende, 'stedelijke ontwikkeling', moet inzichtelijk maken of, in relatie tot het bestaande aanbod, concreet behoefte bestaat aan de desbetreffende ontwikkeling. Die behoefte moet dan worden afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij moet worden gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van leegstand. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

In een uitspraak (ECLI:NL:RVS:2015:2921) is bepaald dat 11 woningen niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. wel bepaalt die uitspraak dat ook wanneer de Ladder niet van toepassing is gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is. Daar voorziet onderhavig bestemmingsplan in.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028

Op 12 december 2016 hebben Provinciale Staten de herijking van de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) vastgesteld. Uitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkelingen is het feit dat de Provincie Utrecht aantrekkelijk is als vestigingsgebied vanwege drie kwaliteiten: de provincie Utrecht ligt centraal en is daarom een aantrekkelijke vestigingsplaats voor wonen en werken, evenals een aantrekkelijke ontmoetingspunt, de provincie heeft aantrekkelijke steden en landschappen en is sterk in kennis en cultuur.

Vanuit de uitgangssituatie met kansen en bedreigingen is de langetermijnvisie vertaald tot de hierna beschreven voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling voor de periode 2028. De rode draad is het behoud van het evenwicht tussen mens, milieu en markt. Daarbij gaat het om deze drie samen en in samenhang. Er wordt ingezet op:

  • Voldoende en divers woningaanbod en een goed voorzieningenniveau, met inbegrip van het culture aanbod;
  • Het op peil houden van bereikbaarheid;
  • Een concurrerend vestigingsmilieu voor met name de kennis- en creatieve bedrijven;
  • Behoud en ontwikkeling van aantrekkelijke en beleefbare natuur en landschappen;
  • Een leefomgeving die duurzaam is en anticipeert op klimaatverandering en energietransitie.

Bij het concretiseren van het ruimtelijk beleid binnen deze hoofdlijnen zijn twee prioritaire keuzes gemaakt, namelijk inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling en het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied.

Vanuit de hoofdlijnen en prioritaire keuzes komt de provincie tot vier pijlers voor de ruimtelijke ontwikkeling tot 2028:

  • duurzame leefomgeving;
  • beschermen kwaliteiten;
  • vitale dorpen en steden;
  • dynamisch landelijk gebied.

De samenhang in de fysieke leefomgeving is groot. Zo heeft de ontwikkeling van de landbouw vaak directe gevolgen voor natuur en landschap, en hebben de stedelijke ontwikkelingen directe gevolgen voor bereikbaarheid. Maar ook tussen de diverse opgaven voor stad, ommelanden en landelijk gebied is directe samenhang. Daar doorheen geweven zit het generieke belang van duurzaamheid en kwaliteit. Een duurzame en kwalitatief hoogwaardige leefomgeving is ook een vestigingsfactor, naar verwachting één van de toenemende betekenis. Om binnen deze samenhang een zorgvuldige ruimtelijke afweging te kunnen maken, past de provincie in haar ruimtelijk beleid de lagenbenadering toe én speelt bij elke ontwikkeling ruimtelijke kwaliteit een nadrukkelijke rol.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0007.png"

Figuur 3.1: PRS programma (bron: Provincie Utrecht, CBS 2018, planmonitor 2017).

De regionale uitwerking voor het stedelijke programma voor de regio Zuid Oost Utrechtse Heuvelrug betreft 1.050 woningen. Dit programma kan vrijwel geheel in het stedelijk gebied worden gerealiseerd. Het totale woningbouw programma voor de provincie Utrecht bedraagt 68.530 woningen in het binnenstedelijk gebied en uitleg locaties waarvan er in de periode 2013-2016 ruim 11.000 woningen zijn gerealiseerd. Er is ruimte in het woningbouwprogramma voor de realisatie van één woning.

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstelling van de Provinciale Ruimtelijke Verordening. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van de beleidsambities en de drie onderscheidde gebieden in de verordening, namelijk het landelijk gebied, verstedelijkingsverbod en uitzonderingen en het stedelijk gebied. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie te laten doorwerken is de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht (herijking 2016). De verordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de visie juridisch geborgd is.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het 'Stedelijk gebied'. Hiervoor geldt dat de toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'Stedelijk gebied' een beschrijving bevat van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. In paragraaf 4.3.7 wordt uiteengezet hoe er in onderhavig plan rekening gehouden wordt met duurzaamheid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal'

Op 28 januari 2010 is voor de gehele gemeente Utrechtse Heuvelrug de structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal' vastgesteld. In deze structuurvisie zijn een zestal thema's opgenomen die gelden voor de gemeente. De thema's zijn natuur over de heuvels, op de schouders van ons erfgoed, duurzaam bereikbaar, leefbare dorpen, vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug en maatwerk voor wonen en werken. Het plangebied van de beheersverordening is gelegen binnen de door de provincie aangegeven rode contour bedoeld voor bebouwing. Het betreft bestaande woongebieden, waarin voor zover aanwezig geen nieuwe ontwikkelingen zijn opgenomen.

Leefbare dorpen

Het beleid van de gemeente Utrechtste Heuvelrug is gericht op nstandhouding en versterking van de leefbaarheid, sociale samenhang en identiteit van alle zeven dorpen. De gemeente ziet, gelet op bedreigingen en kansen, twee opgaven:

  • 1. Behoud van de eigenheid van ieder dorp en dat ook dorpsgericht invullen.
  • 2. Behoeften en wensen bij elkaar te brengen door herkenbare en bruisende dorpsharten te ontwikkelen, waarbij voorzieningen zoveel mogelijk geconcentreerd zijn in ‘centrumgebieden’. Het beleid voor de wijken wordt gericht op een goede woonfunctie (met werken aan huis) terwijl de gemeente in de centrumgebieden functies gaat concentreren en combineren: wonen, winkels, zorg, bestuur, scholen, cultuurhuizen, horeca, enzovoort.

Visie Maarn

Maarn is een gewild dorp om te wonen. Dit komt onder andere tot uiting in de hoge woningprijs. Hoewel de winkelvoorzieningen beperkt zijn, levert de concentratie ervan enige synergievoordelen op en zijn ze duurzaam levensvatbaar. De maatschappelijke voorzieningen zijn goed in orde en de Twee Marken wordt goed en intensief gebruikt.

Er worden geen structuuringrepen voorgesteld voor Maarn. Door de ligging aan de A12 en aan het spoor is Maarn uitstekend bereikbaar. De ontwikkelingen rond het spoor en de A12 worden nauwlettend in de gaten gehouden en zullen, waar dat mogelijk en zinvol is, wordt aandrongen op een verdiepte of zuidelijke omleiding van snelweg en spoor.

Stationsgebied Maarn dient een impuls te krijgen. Bekeken moet worden of er nieuwe functies in het centrum toegevoegd kunnen worden en hoe parkeren en aan- en afvoer beter geregeld kunnen worden.

Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen van of rond de Twee Marken moet het gebouw zich als belangrijke voorziening meer profileren aan de Tromplaan. Het moet ook ruimtelijk meer een dorpshuis worden. Zo ontstaat er meer samenhang met andere voorzieningen aan de Tromplaan en het gebied rond de Raadhuislaan.

Aan de noordoostelijke rand van Maarn zullen de huidige sportvoorzieningen aan de Planetenbaan ingericht worden als een sportboulevard, waardoor er meer samenhang ontstaat.

Maatwerk voor wonen en werken.

In de structuurvisie betreft thema 6 maatwerk voor wonen en werken. De gemeente streeft naar een stabiel bevolkingsaantal en naar een redelijk evenwichtige verdeling van bevolkingsgroepen in leeftijd, inkomen en opleiding. Daarmee kunnen ze de samenleving sociaal en functioneel duurzaam in stand houden. En wordt er gebouwd binnen de gemeente alleen voor de behoefte van eigen inwoners. Er wordt voor de komende jaren geen uitbreiding buiten de 'rode' contouren gezocht. Om bevolkingsstabilisatie te bereiken, moet er ieder jaar een toename van woningvoorraad van 0,3-0,5% plaatsvinden; dit zijn 60 tot 100 woningen/jaar. Het huidige woningbouwprogramma voorziet middels inbreidingslocaties (binnen de huidige 'rode' contouren) in ongeveer 1.400 woningen. De ervaring van de afgelopen jaren leert dat ten hoogste 60% van de geplande woningen ook daadwerkelijk gebouwd wordt. Alle nieuwe woningen zullen duurzaam worden gebouwd met als doel om tijdens de bouw evenals tijdens de verdere levensduur energie te besparen.

Toets

De in onderhavig plan besloten ontwikkeling bestaat uit het realiseren van een vrijstaande woning binnen één van de wijken van Maarn. De woning wordt daarmee gerealiseerd binnen de rode contouren en voorziet in de behoefte van de eigen inwoners. De nieuwbouw past binnen het woningbouwprogramma. Er zal zo veel mogelijk aandacht besteedt worden aan energiebesparende maatregelen. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig plan in overeenstemming is met de uitgangspunten van de structuurvisie.

Hoofdstuk 4 Specifieke regelgeving en beleid

4.1 Beeldkwaliteit

4.1.1 Nota Ruimtelijke kwaliteit, herziening 2017

De Nota Ruimtelijke kwaliteit beschrijft het welstandsbeleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug en dient als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen.

Beeldbepalende elementen

Als beeldbepalend in Maarn gelden de historische routes Poortse Bos-Tuindorpweg ten noorden van de spoorlijn en de Kapelweg en het deel van de Raadhuislaan zuidelijk daarvan. Het gehele deelgebied van het oude dorpscentrum geldt eveneens als beeldbepalend. Daarom zijn hiervoor gedetailleerde welstandscriteria opgesteld. Het tuindorp heeft de status van beschermd monument op basis van de Monumentenverordening. Daarnaast is de buitenplaatsenzone langs de Amersfoortseweg beeldbepalend en de zicht-zone langs de A12 geldt tenslotte ook als beeldbepalend, met een eigen welstandsbeleid.

De welstandskaart

Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door de gemeenschap i.c. de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken geacht worden daaraan te leveren. Om dat belang op de juiste wijze te kunnen doorvertalen naar welstandscriteria, is de gemeente onderverdeeld in deelgebieden.

Voor de gebiedsindeling in de bebouwde kom is gekozen voor een thematische benadering. Uitgangspunt hierbij is gelijksoortige bebouwing in vergelijkbare gebieden van dezelfde criteria te voorzien. Dit vergroot de duidelijkheid naar de burger en voorkomt rechtsongelijkheid. Deze thematische benadering neemt niet weg dat sommige gebieden binnen de bebouwde kom welstandscriteria op maat verdienen.

De mate waarin een bouwwerk zichtbaar is vanaf de weg, de openbaarheid én de kwetsbaarheid of cultuurhistorische waarde zijn daarvoor mede bepalend. Daarvoor zijn de genoemde deelgebieden en de criteria voor specifieke objecten niet altijd toereikend. De gemeente heeft er daarom voor gekozen voor sommige routes aanvullende criteria op te stellen.

Bebouwing aan de Tuindorpweg/Poortsebos (binnen de bebouwde kom van Maarn) wordt getoetst aan aanvullende criteria.

Gebiedscriteria

Gebiedsomschrijving

Het deelgebied dorpsbebouwing Maarn beslaat het grootste deel van de bebouwde kom van Maarn. Het betreft hier woningen die met name project- matig gerealiseerd zijn, zowel voor als na de tweede wereldoorlog. De woon- buurten zijn opgezet als tuindorpbuurten of hebben deze karakteristiek over- genomen. In de kern zijn in de loop der jaren veel buurten projectmatig gere- aliseerd die elk hun eigen typische kenmerken hebben maar ook veel over- eenkomsten vertonen.

Welstandsbeleid

De bebouwing in het deelgebied is in het algemeen aan weinig veranderingen onderhevig. Wat vooral kenmerkend is in het deel- gebied is het groene karakter en de relatief ruime opzet. Vanwege het structurerende karakter gelden voor de bebouwing langs de Poortsebos/ Tuindorpweg en de Kapelweg aanvullende criteria. Voor de overige bebouwing wordt getoetst aan basiscriteria.

Welstandscriteria

Algemeen

  • Bouwwerken passen bij de hierboven beschreven karakteristiek, wat betreft situering op de kavel, schaal en vormgeving van de bouwmassa, indeling van de gevels en detaillering, kleur- en materiaalgebruik.

Situering

  • De woningen worden in de rooilijn gebouwd.
  • De hoofdbebouwing is op de openbare ruimte gericht.

Massa en vorm

  • De woningen hebben een korrelgrootte die aansluit bij die van de omgeving;
  • Aan- en bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw.
  • De massaopbouw is per rij gelijk.
  • Bij veranderingen (symmetrie in de gevel, hoogte-breedteverhouding van geveluitsnijdingen en dergelijke) worden de stijlkenmerken van het oorspronkelijke gebouw toegepast.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • Het kleur- en materiaalgebruik is per rij op elkaar afgestemd.
  • Bij veranderingen (maatvoering van lijsten en overstekken, erkers en dakkapellen, profielen van ramen, kozijnen en neggen) worden de stijlkenmerken en kleuren van het oorspronkelijke complex toegepast.
  • Aanbouwen hebben de stijlkenmerken en kleuren van het hoofdge- bouw.

Aanvullende criteria Kapelweg en Poortsebos/Tuindorpweg

Omgeving

  • Plaatsing en oriëntatie van het bouwwerk overeenkomstig de historische parcellering en richtingen. Bijgebouwen in een ondergeschikte of nevenschikkende positie al naar gelang de bouwstijl.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik

  • Hoogwaardige materialen die niet snel verouderen, bij voorkeur pleisterwerk, baksteen, dakpannen en hout. Kleurgebruik terughoudend, passend bij de omgeving en geen signaalkleuren.

4.2 Wonen

4.2.1 Woonvisie gemeente Utrechtse Heuvelrug

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft in augusutus 2018 de Woonvisie 2018-2022 vastgesteld. Met de woonvisie geeft de gemeente richting aan demografische ontwikkelingen, veranderingen in de samenleving en wetgeving op het gebied van wonen.

Er wordt gefocusd op de volgende drie onderwerpen:

  • Woningmarkt in beweging;
  • Thuis in de wijk;
  • Duurzaam wonen.

In de woonvisie geeft de gemeente aan dat de vraag groter is dan het aanbod en de voorraad niet goed aansluit bij de vraag van inwoners. Het is daarom moeilijk om door te verhuizen naar een woning. Om de druk niet verder op te laten lopen is het daarom belangrijk dat er voldoende woningen worden bijgebouwd. Deze nieuwbouw zal voornamelijk binnen de rode contouren worden gerealiseerd.

Onderhavig plan geeft invulling aan maatwerk ten behoeve van de bouw van een woning binnen de bestaande rode contouren van Maarn. De ontwikkeling vormt daarmee geen belemmering voor de uitgangspunten van de woonvisie. Tevens is er voldoende ruimte binnen de huidige plancapaciteit voor de toevoeging van een woning binnen de woonvisie van Utrechtse Heuvelrug.

4.3 Milieu

4.3.1 Milieu algemeen
4.3.1.1 Rijk

Nationaal Milieubeleidsplan 4

Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (NMP4) is het vierde strategische milieubeleidsplan van het Rijk. Het heeft een reikwijdte tot 2030 en richt zich in hoofdzaak op enkele hardnekkige milieuknelpunten.

Relevantie

De aandacht van het milieubeleidsplan gaat hoofdzakelijk uit naar de duurzaamheid van de samenleving.

Uitwerking

Op 13 juni 2001 is de kabinetsnota ‘Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid' verschenen. In dit NMP4 wordt de wil uitgesproken om een eind maken aan het afwentelen van milieulasten op de generaties na ons en op mensen in arme landen; de huidige westerse wijze van produceren en consumeren werkt dit afwentelen in de hand.

De hoofdlijnen van het NMP4 zijn als volgt samen te vatten:

  • Er is in de afgelopen dertig jaar veel bereikt; veel milieuproblemen zijn opgelost of beheersbaar geworden. Toch is er, vooral op mondiaal niveau, nog steeds te weinig controle op een paar grote milieuproblemen.
  • Het gaat om zeven grote milieuproblemen - klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit en de aantasting van de natuurlijke hulpbronnen zijn daar voorbeelden van.
  • Het NMP4 laat zien wat Nederland kan en moet doen om binnen dertig jaar deze problemen op te lossen en daarmee een duurzame samenleving te bereiken. De doelstellingen van NMP4 zijn geformuleerd in termen van de kwaliteit van leven.
  • De aanpak van die grote problemen vraagt grote veranderingen. Zo zal de energievoorziening op de hele wereld anders moeten. Het NMP4 wil de veranderingen actief organiseren via systeeminnovatie. Dit zijn ingrijpende activiteiten die de huidige barrières om te komen tot een duurzame samenleving wegnemen.

Voor zeven grote milieuproblemen wordt beschreven dat over dertig jaar forse moeilijkheden kunnen worden verwacht wanneer nationaal en internationaal ingrijpen uitblijft:

  • Verlies aan biodiversiteit
  • Klimaatverandering
  • Overexploitatie van natuurlijke hulpbronnen
  • Bedreigingen van de gezondheid
  • Bedreigingen van de externe veiligheid
  • Aantasting van de leefomgeving
  • Mogelijk onbeheersbare risico's

Op basis van enkele hardnekkige milieuproblemen en het uitgangspunt van duurzaamheid is in het NMP4 een vierledige ambitie neergelegd:

  • Mondiaal: beschikbaarheid natuurlijke hulpbronnen en bescherming biodiversiteit
  • Nederland: natuur en biodiversiteit
  • Nederland: gezond en veilig
  • Nederland: hoogwaardige leefomgeving

Besluit M.e.r.

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag. Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets

Het onderhavige project wordt niet gezien als een m.e.r.- plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij een stedelijke ontwikkeling van 100 hectare of meer, 2000 woningen of meer en bij een ontwikkeling met een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het milieubelang is in dit bestemmingsplan zorgvuldig afgewogen in de plantoelichting (zie dit hoofdstuk).

De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden, waar het onderhavige project onder blijft. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit m.e.r. wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd:

"Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen."

Uit voorgaande volgt dat de bouw van één woning in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld. Als desondanks ingegaan wordt op de milieugevolgen ontstaat het volgende beeld:

Binnen een beoordeling moet aandacht worden besteed aan twee onderdelen:

  • 1. Een beschrijving van de activiteit, met in het bijzonder een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn;
  • 2. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben, voor zover er informatie over deze gevolgen beschikbaar is.

Hieronder wordt kort ingegaan op de bovengenoemde onderdelen:

  • 1. Het project dat voorziet in de realisatie van één extra woning binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug staat reeds afdoende beschreven in Hoofdstuk 2 van deze toelichting.
  • 2. Het voornemen heeft geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Het toevoegen van één woning heeft geen onevenredig grote verkeersaantrekkende werking t.o.v. de reeds aanwezige woningen. Binnen het plangebied mag in aansluiting op de omliggende woonbebouwing (bestaand stedelijk gebied) één woning toegevoegd worden. Deze woning wordt opgenomen in de stedenbouwkundige structuur ter plaatse.

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat er geen sprake is van significante nadelige effecten. Dit volgt uit de uitkomsten van de onderzoeken welke verderop in dit hoofdstuk aan bod komen.

Conclusie

Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het begrip stedelijk ontwikkelingsproject in relatie tot het onderhavige project volgt dat de bouw van één woning in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r.

4.3.1.2 Provincie

Provinciaal Milieubeleidsplan 2009-2011

Het provinciale Milieubeleidsplan is bedoeld om richting te geven aan de provinciale inspanningen op milieugebied. De omvang en hardnekkigheid van milieuproblemen vraagt om inzet en samenwerking van alle betrokkenen.

De milieudruk in Utrecht is hoog. De provincie spant zich dan ook in op het gebied van de leefomgevingkwaliteit: het behouden en herstellen van de milieukwaliteit in de provincie, met luchtkwaliteit en geluidhinder als speerpunten. Hierbij staat de gezondheid van de Utrechtse burgers centraal. Daarnaast wil de provincie door een goede milieukwaliteit te scheppen de voorwaarden scheppen voor de natuur en instandhouding van de biodiversiteit.

Provinciale Milieu Verordening (PMV)

Provinciale Staten hebben op 4 februari 2013 de Provinciale milieuverordening 2013 (PMV 2013) vastgesteld. Grondwaterbeschermingszones en stiltegebieden zijn aangewezen in de PMV. In de verordening zijn regels opgenomen ter bescherming van de grondwaterkwaliteit met het oog op de drinkwaterwinning. Daarnaast zijn regels opgenomen voor het behoud en de bescherming van stiltegebieden.

4.3.1.3 Gemeente

Utrechtse Heuvelrug Duurzaam en Klimaatneutraal, Programma 2017-2022

Het milieubeleidsplan “Natuurlijk Duurzaam” 2009-2012 is op 24 september 2009 vastgesteld door de Raad. Het beschrijft de duurzaamheidsambities van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In het milieubeleidsplan staan vier pijlers centraal:

  • 1. duurzaamheid
  • 2. gemeentelijke interne duurzaamheidszorg
  • 3. klimaat, energie en duurzaam bouwen
  • 4. kwaliteit van de leefomgeving

Het milieubeleidsplan stelt duurzaamheid voorop. Intern zet de gemeente in op duurzaamheid, maar ook buiten de gemeentelijke organisatie wordt dit gestimuleerd. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn en in 2015 wil de gemeentelijke organisatie energieneutraal zijn. Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente de bestaande milieukwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau.

Op gebouwniveau streeft de gemeente naar een 25% verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw®. GPR Gebouw geeft per thema een 'rapportcijfer' uiteenlopend van 7 (minimaal niveau) tot 10 (zeer goed) waarvoor geldt dat voor het thema energie voor woningbouw een GPR-score van 7 overeenkomt met het bouwbesluit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt een GPR score van gemiddeld minimaal 7, met minimaal een 7 voor het thema energie. Bij zogenaamde “kansrijke” projecten, waarbij bijvoorbeeld meer dan 50 woningen gebouwd worden of waar de gemeente een grondpositie heeft, geldt een GPR score van minimaal 8 en een 50% verscherpte EPC. Voor de ontwikkeling van het Raadhuisplein in Maarn wordt uitgegaan van een GPR score van gemiddeld minimaal 8, met minimaal een 8 voor het thema energie en een 50% verscherpte EPC.

Op omgevingsniveau past de gemeente gebiedsgericht milieubeleid toe. Hiertoe zijn er voor de gemeente acht gebiedstypen met bijbehorende ambities (milieukwaliteitsprofielen) opgesteld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden deze milieukwaliteitsprofielen toegepast.

Conclusie

Voor het plangebied is het milieukwaliteitsprofiel 'Wonen – Buiten centrum' van toepassing. De milieuthema's worden voor de ontwikkeling van de woning getoetst aan het milieukwaliteitsprofiel, deze toetsing vindt plaats in de navolgende paragrafen.

4.3.2 Bodem

Beleidskader

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht. Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum

In het milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum zijn de volgende waarden ten aanzien van bodem opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0008.png"

Toets

De gronden van het plangebied zijn in de huidige situatie reeds bestemd voor wonen (Wonen-S4). Uit de bodemkwaliteitskaart valt op te maken dat het plangebied de bodemfunctieklasse 'Wonen' kent. Het is daarmee aannemelijk dat er ter plaatse een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Of de bodem geschikt is voor wonen zal bij de omgevingsvergunning voor de realisatie van de woning moeten worden aangetoond door middel van een bodemonderzoek.

4.3.3 Geluid

Wet geluidhinder

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum

In het milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum zijn de volgende waarden ten aanzien van geluid opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0009.png"

Toets

Wegverkeerslawaai

Op grond van het artikel 74 van de Wet geluidhinder bevindt zich langs een weg een geluidszone, die aan weerszijde een breedte heeft van:

  • 1. in stedelijk gebied:
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
  • 2. in buitenstedelijk gebied:
  • voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter;
  • voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter.

Deze zonering geldt niet:

  • 3. voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • 4. voor wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt;
  • 5. wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveau vaststaat dat de geluidsbelasting op 10 meter uit de as van de meest nabij gelegen rijstrook 48 dB (A) of minder bedraagt (art. 74, lid 3 Wgh).

Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de Rijksweg A12.

Spoorlawaai

Het plangebied is gelegen binnen de geluidzone van de spoorlijn Utrecht-Veenendaal.

Akoestisch onderzoek

Door RS Akoestiek is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai nieuwbouw Tuindorpweg 13a te Maarn, rapportnummer: R00.2082a, 29 april 2019). Het rapport is als Bijlage 1 bijgevoegd. De conclusies van het onderzoek luiden als volgt:

Rijksweg A12

Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op Rijksweg A12, de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met 3 dB wordt overschreden. Hiermee wordt de maximaleontheffingswaarde van 53 dB niet overschreden.

In de onderhavige situatie wordt voldaan aan de eisen conform het beleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug ten aanzien van het verlenen van een hogere grenswaarde.

Voor de woning dient vanwege het wegverkeer op Rijksweg A12 een hogere grenswaarde van 51 dB op de Zuidwestgevel te worden aangevraagd.

Spoorlijn Utrecht - Veenendaal

Uit de berekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege het railverkeer op de spoorlijn Utrecht - Veenendaal, de voorkeursgrenswaarde van 55 dB met 6 dB wordt overschreden. Hiermee wordt de maximale ontheffingswaarde van 68 dB niet overschreden.

In de onderhavige situatie wordt voldaan aan de eisen conform het beleid van de gemeente Utrechtse Heuvelrug ten aanzien van het verlenen van een hogere grenswaarde.

Voor de woning dient vanwege het railverkeer op de spoorlijn Utrecht - Veenendaal een hogere grenswaarde van 61 dB op de Zuidwestgevel te worden aangevraagd.

Bouwbesluit

Bij het indienen van de Omgevingsvergunning dient aangetoond te worden dat de geluidwering van de gevels/daken voldoet aan de in het Bouwbesluit 2012 gestelde eisen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de geluidbelasting conform tabel 8 van het onderzoek.

4.3.4 Luchtkwaliteit

Rijk

Op 15 november 2008 is de 'Wet luchtkwaliteit' in werking getreden. Met de 'Wet luchtkwaliteit' wordt de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) bedoeld. De 'Wet luchtkwaliteit' vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Op basis van artikel 5.16 van de Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld of een ontheffing worden verleend, indien:

  • 1. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer opgenomen grenswaarde 1, of
  • 2. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de betreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of
  • 3. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen of
  • 4. Het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Van een verslechtering van de luchtkwaliteit 'in betekende mate' als bedoeld onder c is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:

  • Woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen.
  • Infrastructuur: 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
  • Kantoorlocaties: 10.000 m² bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 20.000 m² bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum

In het milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum zijn de volgende waarden ten aanzien van luchtkwaliteit opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0010.png"

Toets

In de huidige situatie is er sprake van een woning aan het deel van de Tuindorpweg dat fietsstraat is (nummer 13). Het realiseren van één nieuwe woning in het plangebied zal leiden tot een geringe stijging van het aantal verkeersbewegingen. Hierdoor zal er geen significante verslechtering van de luchtkwaliteit optreden. Naast de effecten, van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woning voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.

Stikstofdioxide (NO2)

Een concentratie tot 10 µg/m3 voor stikstofdioxide wordt door de landelijke GGD (Handboek voor een gezonde inrichting van de leefomgeving – 2018) bestempelt als zijnde milieugezondheidkwaliteit goed. Boven de 20 µg wordt de kwaliteit als matig bestempeld en boven de 30 µg onvoldoende. De toegestane wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt daar met 40 µg aanzienlijk boven.

Uit het ODRU Geoloket blijkt dat de stikstofdioxide (NO2) concentraties op het plangebied tussen de 22 – 24 µg/m3 bedragen (2015). Er wordt hiermee voldaan aan het toegestane wettelijke jaargemiddelde van 40 µg/m3. De milieukwaliteit ten aanzien van dit aspect is daarmee aanvaardbaar op basis van de norm van de GGD. Het aandeel stikstofdioxide zal verbeteren. In 2020 zullen de stikstofdioxide (NO2) concentraties voor het plangebied gedaalt zijn tot 16-18 µg/m3. In 2025 zullen de concentraties 14-16 µg/m3 bedragen.

Fijn stof (PM10)

Blootstelling aan fijnstof leidt, volgens de huidige inzichten, naar schatting tot een gemiddelde levensduurverkorting van 9 maanden. Daarnaast is van fijnstof bekend dat er ook significante schadelijke effecten zijn op de gezondheid beneden de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per kuub. De Wereld Gezondheid Organisatie hanteert daarom een advieswaarde van 20 µg/m3. Een concentratie van boven de 20 microgram per kuub voor fijnstof wordt door de landelijke GGD bestempeld als zijnde milieugezondheidkwaliteit onvoldoende en boven de 30 microgram als zijnde zeer onvoldoende. De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt daar dus aanzienlijk boven.

Uit het ODRU Geoloket blijkt dat de fijnstof (PM10) concentraties op het plangebied tussen de 22 – 24 µg/m3 bedragen (2015). In deze situatie wordt dan niet voldaan aan de advieswaarde van 20 µg/m3. De GGD bestempelt de huidige concentratie als onvoldoende. Echter, voldoet deze waarde wel aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3. De prognoses voor 2020 en 2025 laten zien dat de concentraties fijnstof af zullen nemen, daarmee voldoet het aandeel fijnstof aan de grenswaarde van de WHO en de GGD.

Zeer fijn stof (PM2,5)

Zeer fijn stof (PM 2,5) is een belangrijke, schadelijke, component van fijnstof. De Wereld Gezondheid Organisatie hanteert daarom een advieswaarde van 10 µg/m3. Een concentratie van boven de 10 µg/m3 wordt door de landelijke GGD bestempeld als zijnde milieugezondheidkwaliteit onvoldoende en boven de 14 µg als zijnde zeer onvoldoende. De toegestane wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt met 25 µg/m3 daar aanzienlijk boven.

Uit het ODRU Geoloket blijkt dat de zeef fijn stof (PM2,5) concentraties op het plangebied tussen 14-15 µg/m3. Daarmee valt de milieugezondheidkwaliteit als zeer onvoldoende aan te merken, wel wordt voldaan aan het toegestane wettelijke jaargemiddelde. De prognoses voor 2020 en 2025 laten zien dat de concentraties zeer fijn stof af zullen nemen, tot respectievelijk 13-14 en 12-13 µg/m3.

Elementair koolstof (roet)

Elementair koolstof is een maat voor de massa van roetdeeltjes in fijnstof en is daardoor een goede indicator voor te verwachten geuroverlast. Er gelden geen formele grenswaarden voor elementair koolstof. Roet is een verzamelnaam voor zwarte deeltjes in de lucht, die ontstaan bij onvolledige verbranding. De belangrijkste bronnen voor roet zijn het wegverkeer (met name uitstoot van roetdeeltjes uit dieselmotoren), industriële bronnen en huishoudens (open haarden en kachels). In steden draagt het verkeer voor circa 50% bij aan de heersende roetconcentraties. Als vuistregel wordt op dit moment voor het gezondheidseffect 6 maanden "levensjaar" winst per µg/m3 verlaagde EC concentraties gehanteerd (Commissie voor de milieueffectrapportage). Voor het plangebied geldt een waarde van 0,7–0,9 µg/m3. De prognose toont dat deze waarde in 2025 zal afnemen tot 0-0,7 µg/m3.

4.3.5 Bedrijven en milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0011.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering.

De omgeving van het plangebied is aan te merken als gemengd gebied vanwege de ligging van het plangebied direct aan de hoofdinfrastructuur (Rijksweg A12 en spoorlijn Utrecht-Veenendaal) en bijbehorende heersende geluidbelasting.

Toets 

In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk woonpercelen gelegen. Op circa 50 meter ten westen van het plangebied zijn gronden gelegen met de bestemming 'Bedrijf' (Tuindorpweg 21a en 25 ). Ter plaatse zijn, op basis van de regels van de beheersverordening 'Woongebied Maarn en Maarsbergen 1e herziening' bedrijven tot en met categorie 3.1 toegestaan. Ter plaatse is echter een drukkerij gevestigd waarvoor op grond van de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering een maximale richtafstand van 100 meter geldt voor het aspect geluid in het omgevingstype 'rustige woonwijk'. De afstand tussen de dichtsbijzijnde gevel van de nieuw te realiseren woning en gronden met de bedrijfsbestemming bedraagt circa 70 meter. Echter is voor het plangebied het omgevingstype gemengd gebied van toepassing en mag de richtafstand met een stap teruggebracht worden tot 50 meter.

Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan niet leidt tot mogelijke hinder van omliggende functies en is niet beperkend voor ontwikkelmogelijkheden van bedrijvigheid in de omgeving.

4.3.6 Externe veiligheid

Rijk

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het daarbij om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum

In het milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum zijn de volgende waarden ten aanzien van externe veiligheid opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0012.png"

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0013.png"

Figuur 4.2: Uitsnede risicokaart, pijl ter plaatse van het plangebied (bron: risicokaart.nl).

Risicobedrijven

Er zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren binnen het plangebied gelegen zijn.

Transportroutes

Het plangebied ligt ten noorden van de rijksweg A12, die onderdeel is van het Basisnet Weg voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Door Kragten is een RBMII-berekening uitgevoerd naar de deze weg (projectnr. WND670-0001, rapportnr. 20190916-WND670-0001-RAP-RBM 1.0, d.d. 16 september 2019). Onderstaand is de conclusie van dit rapport opgenomen. Het volledige rapport is als Bijlage 2 bij de toelichting van dit plan opgenomen.

Conclusies RMII-berekening

Plaatsgebonden risico

Conform Bijlage 1 Tabel Basisnet weg van de Regeling basisnet blijkt dat voor de A12 ter hoogte van het plangebied geen plaatsgebonden 10-6-risicocontour maar wel een plasbrandaandachtsgebied (PAG) aanwezig is. Deze aspecten vormen op basis van de afstand geen belemmering voor de planontwikkeling.

Groepsrisico

Aangetoond is dat er plaatse van het plangebied zowel in de huidige als in de toekomstige situatie de hoogte van het groepsrisico lager is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Als gevolg van de planontwikkeling neemt de personendichtheid binnen het plangebied toe. De gewijzigde populatieaantallen resulteren niet in een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico. In onderhavige situatie kan ingevolge artikel 7 en 8 van Bevt volstaan worden met een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico.

Door Kragten is eveneens een verantwoording van het groepsrisico opgesteld (projectnr. WND670-0001, rapportnr. 20190916-WND670-0001-NOT-VGR 1.0, d.d. 16 september 2019). Onderstaand is de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Het volledige rapport is als Bijlage 3 bij de toelichting van dit plan opgenomen.

Verantwoording groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Hel invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag, waardoor zij verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laat wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen.

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geeft de regionale brandweer/Veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/ Veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten.

Bevt - Water-. weg- en spoorweg transport

Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de A 12. Er kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van de risico's als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over deze weg.

In een beperkte verantwoording worden de volgende aspecten beschouwd:

• mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval;

• zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten.

Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A 12 dienen de risico's als gevolg van toxische vloeistoffen en brandbare gassen beschouwd te worden.

Toxisch scenario

Toxische stoffen kunnen vrijkomen als de tankwagen of container met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas (bij vloeistoffen). Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven.

BLEVE scenario

Een BLEVE is een afkorting voor "Boiling liquid Expanding Vapour Explosion" (kokende vloeistof-gasexpansieexplosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard.

Bestrijdbaarheid

Beheersbaarheid

De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie "Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid" van brandweer Nederland.

Bereikbaarheid en bluswatervoorziening 

Uit bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied en de risicobron goed bereikbaar is.

Zorgnorm

De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico's voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar de plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden.

Toxisch scenario

Bij een ongeval met toxische stoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De bereikbaarheid van de risicobron is bij een toxisch scenario maatgevend.

BLEVE

Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen of -container meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden.
Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagon of -container tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Hiervoor dient voldoende bluswater nabij de risicobron aanwezig te zijn.

Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten.

Mobiliteit van de aanwezigen

Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Dit betekent dat het uitgangspunt is dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie zelfstandig in veiligheid kunnen brengen.

Mogelijkheden voor ontvluchten

Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten.

Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstellig aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3).

Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Het planvoornemen is de nieuwbouw van een woning, waarbij hoge eisen worden gestels aan de luchtdichtheid. Aanwezige luchtbehandelingsinstallaties moeten met één handeling zijn uit te schakelen. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. In voorliggende situatie kan via het bestaande wegennet haaks van de bronnen gevlucht worden.

Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de A12 af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf.

Risicocommunicatie

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de relevante scenario's). In dat geval van een calamiteit is een snelle alarmering van aanwezige personen binnen het effectgebied essentieel voor een goede zelfredzaamheid.

De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio's door het bestuur van de Veiligheidsregio's uitgevoerd te worden. De veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in de voorbereiding op een alarmering bij rampen.

Advies Veiligheidsregio Utrecht

Aan Veiligheidsregio Utrecht is advies gevraagd over de uitgevoerde RBMII-berekening en de verantwoording van het groepsrisico voor de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid indien zich een calamiteit voordoet op de rijksweg A12. Op 22 november 2019 heeft de Veiligheidsregio Utrecht per mail het volgende advies uitgebracht:

  • Bestrijdbaarheid

Ten aanzien van de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit op de rijksweg A12 zijn er geen aanvullende voorzieningen nodig zijn om een inzet van de hulpdiensten tijdens een calamiteit op het desbetreffende gedeelte van de A12 te faciliteren. Dit weggedeelte is (vanuit meerdere richtingen) goed te bereiken, en in de aangrenzende bebouwde omgeving ligt een openbare bluswatervoorziening die ingezet kan worden t.b.v. een calamiteitbestrijding op de A12.

  • Zelfredzaamheid

Voor wat betreft de mogelijkheden m.b.t. de zelfredzaamheid van de aanwezigen in het plangebied is het belangrijk dat de aanwezigen kunnen vluchten in een noordelijke richting, wegleidend van de Rijksweg A12. De bestaande wegenstructuur biedt deze mogelijkheid. Daarnaast wordt geadviseerd om bij toepassing van een mechanisch ventilatiesysteem in de woning, er voor te zorgen dat het systeem met één handeling eenvoudig uit te schakelen is. Met deze voorzieningen zijn er voldoende mogelijkheden voor de personen in het plangebied om zichzelf tijdens een calamiteit op de A12 in veiligheid te brengen (schuilen dan wel vluchten).

Ondergrondse transportleiding

Op een afstand van circa 35 meter van het plangebied is een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO) gelegen (stippelijn figuur 4.2). Door deze leiding wordt kerosine getransporteerd. Deze leiding is meegenomen bij in de rapportage voor de verantwoording van het groepsrisico. Op grond van de diameter (8 inch) en druk (80 bar) bedraagt de PR 10-6-risicocontour 11 meter. Bij personendichtheden van minder dan 255 personen/ha is geen sprake van een groepsrisico. In de omgeving van het plangebied is de personendichtheid 34 personen/ha, waardoor geen sprake is van een groepsrisico.

Het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormt geen belemmering voor de planontwikkeling en hoeft niet te worden opgenomen in een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico.

Hoogspanningslijnen en zendmasten

Het plangebied ligt niet binnen een indicatieve zone langs een hoogspanningslijn, waarbinnen geen objecten voor permanent verblijf mogen worden opgericht.

Er bevinden zich binnenn een straal van 275 meter rond het plangebied geen zendmasten (GSM, UMTS, e.d.) waarvan de elektromagnetische straling het plangebied kan beïnvloeden.

Conclusie

In de rapportage over de verantwoording van het groepsrisico zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruik bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico. Het bevoegd gezag dient in het kader van de ruimtelijke procedure een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. Op basis van vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.3.7 Duurzaamheid

EPC en GPR

Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC)

Door de wetgeving wordt nieuwbouw steeds energiezuiniger. In het bouwbesluit gaat het om de minimaal te halen EPC-eis, de minimale isolatiewaarden voor de gevel en de aangescherpte eisen voor isolatiewaardenvoor glas en deuren. De gemeente Utrechtse Heuvelrug streeft naar een EPC van 0,3.

GPR

Om te meten hoe energiezuinig en duurzaam gebouwen zijn, gebruikt de gemeente het instrument GPR Gebouw. GPR Gebouw bestaat uit de thema's energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Per thema krijgt een gebouw een rapportcijfer. De gemeente Utrechtse Heuvelrug streeft naar een GPR Gebouw van 7,5 en een GPR Energie van 8,5.

Provincie

Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie 2013-2028. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013. Hierin staat voor nieuwe ontwikkeling binnen het stedelijk gebied dat het ruimtelijk plan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.

Bij bouw is het van belang dat nagedacht wordt over het gebruik van alternatieve vormen van energie en energiebesparende technieken. Hiermee dragen ruimtelijke plannen bij aan het doel van 10% duurzame energiegebruik in 2020 zoals verwoord in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013.

Milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum

In het milieukwaliteitsprofiel Wonen – Buiten centrum zijn de volgende waarden ten aanzien van energie/duurzaamheid opgenomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0014.png"

Onderhavig plan en conclusie

De nieuwe woning zal minimaal volgens de wettelijke eisen ten aanzien van EPC en GPR gerealiseerd worden. De woning zal daartoe voorzien worden van een warmptepomp en van zonnepanelen.

4.4 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen geen kabels en leidingen die een juridisch- planologische bescherming genieten. Het plangebied valt niet samen met een zakelijk rechtstrook of een toetsingszone van een leiding, lijn of straalverbinding - gemeten uit het hart van een kabel, leiding of verbinding.

Het aspect kabels leidingen vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.5 Water

Standaard waterparagraaf

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

De Europese Kaderrichtlijn Water (2003)

De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998)

De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst. De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden / versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-) problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt.

Waterbeleid in de 21e eeuw (2000)

De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen.

Waterbeheer 21e eeuw (WB21)

Het thema "water als ordenend principe" loopt als een rode draad door het gehele plan. Dit houdt in dat, voordat er beslissingen worden genomen op ruimtelijk gebied, er wordt bekeken welke gevolgen die hebben voor watersystemen. Dit waterplan valt onder het regime van de nieuwe waterwet (22 dec. 2009).

Waterbeheersplan Waterschap Vallei en Veluwe

Waterbeheerprogramma 2016-2021

Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Vallei & Veluwe. In het Waterbeheerprogramma 2016-2021 heeft het Waterschap Vallei & Veluwe zijn ambities en uitvoeringsprogramma vastgelegd. Het plan bepaalt in grote lijnen de agenda van het waterschap voor de komende zes jaar.

Het waterschap geeft zijn taken vorm in drie programma's:

  • Veilige dijken: in dit programma wordt veiliggesteld dat het waterschap zijn beheersgebied beschermt tegen overstroming van buitenwater. In dit geval de Eem en de Randmeren.
  • Voldoende en schoon water: dit programma gaat over de wijze waarop het waterschap omgaat met zichtbaar oppervlaktewater en de nog veel grotere hoeveelheid onzichtbaar grondwater in het beheersgebied. Het doel van het programma is dat het water beschikbaar is, dat het van goede kwaliteit is en dat het water geen overlast veroorzaakt.
  • Zuivering afvalwater: dit programma houdt in dat het waterschap gebruikt en verontreinigd water en hemelwater dat in rioleringen wordt verzameld, adequaat zuivert voordat het op het oppervlaktewater wordt geloosd. Dit heeft als doel dat de kwaliteit van het oppervlaktewater zo min mogelijk wordt beïnvloed. Hiermee zal dit programma essentieel bijdragen aan het totale waterbeheersplan.

Gemeentelijk Waterplan 

Het Waterplan Heuvelrug is het resultaat van een intensieve samenwerking tussen Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden, voormalig Waterschap Vallei & Eem, Vitens (de waterpartners) en de gemeente Utrechtse Heuvelrug.

Doel van het waterplan is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.

Het waterplan Heuvelrug richt zich vooral op de stedelijke kernen en de directe omgeving ervan. Belangrijke punten uit het waterplan zijn:

  • Afkoppelen en infiltreren van regenwater: de zandige Utrechtse Heuvelrug biedt veel mogelijkheden voor infiltratie van water van nieuwe bebouwing en bestaande bebouwing in de grond;
  • Beleving en cultuur: de landgoederen en Stichtse Lustwarande zijn beeldbepalend, en water vervult daar een eigen functie in;
  • Natuur en ecologie: op allerlei plaatsen kunnen de natuur en ecologie in en om het water verbeterd worden. Eerst moet gekeken worden welk water hierin een belangrijke functie vervult;
  • Beheer en onderhoud: het is nodig om het beheer van watergangen en dat van erlangs gelegen wegen goed op elkaar af te stemmen.

Gemeentelijk rioleringsplan 2017-2020 

In het rioleringsplan geeft de gemeente aan hoe zij invulling geeft aan de gemeentelijke taak van het aanleggen, beheren en onderhouden van het riool. De gemeente Utrechtse Heuvelrug stelt zich de volgende doelen met betrekking tot het stedelijke afvalwater:

  • 1. Inzameling van stedelijk afvalwater, dat binnen het gebied is geproduceerd;
  • 2. Transport van ingezameld stedelijk afvalwater naar de zuiveringsinstallatie;
  • 3. Voorkomen van ongewenste vuilemissie naar oppervlaktewater, grondwater en bodem.

De gemeente Utrechtse Heuvelrug stelt zich daarnaast de volgende doelen met betrekking tot hemelwater:

  • 1. Inzameling van het afvloeiend hemelwater afkomstig van:

a. verhard oppervlak in de openbare ruimte;

b. dak- en terreinverharding van bestaande bebouwde percelen;

c. dakoppervlak van nieuwbouw en herbouw, voor zover hemelwater redelijkerwijs niet op eigen terrein kan worden verwerkt;

  • 2. Verwerking van het ingezameld hemelwater;
  • 3. Voorkomen van het ongewenste vuilemissie naar oppervlaktewater, grondwater en bodem.

De gemeente heeft de ambitie om het hemelwater zoveel mogelijk vast te houden en te bergen op de plek waar het valt. Dit betekent dat hemelwater zoveel mogelijk moet worden afgekoppeld van de riolering en lokaal in het milieu (bodem of oppervlaktewater) moet worden gebracht. Dit draagt bij aan de vermindering van riooloverstorten en het verminderen van wateroverlast op straat. De infiltratie van het hemelwater draagt bovendien bij aan de verbetering van de natuurlijke waterhuishouding doordat de grondwaterstand wordt aangevuld. Voor het verharde oppervlak in de openbare ruimte betekent dit, dat het hemelwater bij nieuwbouw en renovatie waar mogelijk wordt geïnfiltreerd.

Bij een particulier terrein is de perceeleigenaar bij nieuwbouw en herbouw verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater op eigen terrein. Wat betreft grondwater is het streven naar een gemiddeld hoogste grondwaterstand (ghg) van ten minste 0,7 m onder de as van de weg. Er is sprake van structureel te hoge grondwaterstanden als de gemiddeld hoogste grondwaterstand minimaal drie aaneengesloten jaren hoger is dan de gewenste grondwatersituatie en wanneer dit tot aantoonbare overlast in de woning leidt. Het vloerpeil van woningen dient 30 cm boven de as van de weg te worden aangelegd.

Toets

Het plangebied zal worden voorzien van een rioolaansluiting. De nieuwe woning zal worden aangesloten op de afvoer van huishoudelijk afvalwater. Hemelwater zal op het perceel worden geïnfiltreerd. Beide onderdelen, eisen omtrent de afvoer van hemelwater en huishoudelijk afvalwater, zijn ook opgenomen in de anterieure overeenkomst die met initiatiefnemer gesloten is. De woning zal hoger gebouwd worden dan de hoogte van de as van de weg. Uitlogende materialen zullen niet worden toegepast.

Water toetsproces

Het plangebied is gelegen het beheersgebied van Vallei en Veluwe. Het waterschap is verantwoordelijk voor de waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. In het kader van de watertoets is overleg gevoerd met het waterschap. Op 6 mei 2019 is daartoe de watertoets ingevuld via www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets volgt de korte procedure. Dit houdt in dat er direct kan worden doorgegaan met de planvorming van het plan onder de voorwaarde dat de standaard waterparagraaf wordt toegepast. De watertoets is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

4.6 Groen, natuur en landschap

Groen

Het plangebied is gelegen in een groene wijk met veel (volwassen) bomen. Aan de noordzijde van het plangebied staat een waardevolle, volwassen te behouden zomereik. Deze fraaie boom vertegenwoordigt hoge waarden van stads– en dorpsschoon en natuurwaarden.

De zomereik dient, op grond van artikel 6 van de Bomenverorderning Utrechtse Heuvelrug 2013 behouden te worden. Met het oog op het duurzaam in stand kunnen houden van de boom is het in elk geval niet toegestaan binnen een afstand van minimaal zes meter gemeten vanaf de stam van deze boom graafwerkzaamheden of andere werkzaamheden uit te voeren die een bedreiging voor het voortbestaan van deze boom zouden kunnen veroorzaken. Figuur 4.3 toont dat de afstand tussen de nieuw te bouwen woning en bijgebouw meer dan zes meter zal bedragen. Daarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt met betrekking tot het duurzaam in stand houden van de boom met betrekking tot graaf- en andere werkzaamheden en vormt de boom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a-VA01_0015.png"

Figuur 4.3. De afstand tussen de stam van de waardevolle zomereik en de nieuw te realiseren woning met bijgebouw bedragen meer dan zes meter (bron: Reitsema & partners architecten).

Verder zal als gevolg van onderhavig plan enige begroeiing worden verwijderd, er zullen geen bomen worden gekapt. Voorgenomen ontwikkeling zal een positieve uitwerking hebben voor de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Landschap

Het plangebied is gelegen in een stedelijk landschap. De te realiseren woning past binnen de stedenbouwkundige structuur van het gebied. Gelet op de huidige situatie van het plangebied geeft de realisatie van een nieuwe woning een impuls aan de landschappelijke en ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

Natuur

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voorplantingsplaatsen of rustplaatsen.

Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Utrecht van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Voorgenomen activiteit wordt gezien als 'ruimte ontwikkeling'. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

Toets

Quickscan natuurwaarden

Door Natuurbank Overijssel (projectnummer 1923, versie 1.0, dd. 28 mei 2019) is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De resultaten en conclusie van dit onderzoek staan hieronder beschreven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen.

Conclusies

De voorgenomen activiteiten worden gezien als 'ruimtelijke ontwikkeling'. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Utrecht een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden,verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties', als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats. Er zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen.

In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden moeten daarom afgestemd worden op de voortplantingsperiode van vogels.

Voor de grondgebonden zoogdiersoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen 'doden en verwonden' en het 'beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties' (of de soort is niet beschermd). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, niet aangetast.

Het plangebied ligt buiten de begrenzing van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Slotconclusie

Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

AERIUS-berekening

De realisatie van de woning gaat gepaard met de uitstoot van stikstof (NOx) uitstoot tot gevolg, dit kan effect hebben op Natura2000-gebieden. In het kader hiervan iseen AERIUS berekening uitgevoerd, om inzicht in de te verwachten effecten van de ontwikkeling op nabij gelegen Natura2000-gebieden te verkrijgen. De berekening is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen.

Conclusie

Met de realisatie van de voorgenomen woningbouwontwikkeling komt er NOx vrij. Door uitvoering van de AERIUS berekening is aangetoond dat dit niet leidt tot een meetbare depositie van NOx in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof. Bij de voorgenomen ontwikkeling dient alleen de emissie van stikstof van werktuigen binnen het plangebied tijdens de aanlegfase in beeld gebracht te worden. De emissie tijdens de aanlegfase ligt niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie tijdens de aanlegfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie van NOx plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouw en bewoning van één woning binnen in het plangebied. De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.

De AERIUS Calculator 2019 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura2000. De uitkomst van de berekening met betrekking van AERIUS Calculator is geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen.

De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient beschreven te worden op welke wijze met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.

Toets

Binnen het plangebied zijn geen momunenten of anderzijds cultuurhistorisch waardevolle objecten gelegen. In de directe omgeving van het plangebied, aan de Tuindorpweg 16, is een gemeentelijk monument, zijnde een vrijstaande villa, gelegen. Het realiseren van een woning in het plangebied is niet van negatieve invloed op dit monument.

4.8 Archeologie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2021 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden alsovergangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Toets

Aan het plangebied is in de 'Archeologische beleidskaart Utrechtse Heuvelrug (2013)' de waarde Archeologie – Waarde 5 'laag' toegekend. Er geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een plangebied dat groter is dan 100.000 m2. Onderhavig plangebied kent een oppervlakte van circa 1.180 m2. Er is geen archeologisch onderzoek nodig omdat bovengenoemde vrijstellingsgrenzen niet overschreden worden'.

4.9 Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de aan het plangebied grenzende fietsstraat. De beperkte toename van verkeersbewegingen van en naar het plangebied, kan eenvoudig via deze weg worden afgewikkeld. Enkel de naastgelegen woning (Tuindorpweg 13) maakt ook gebruik van deze weg. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

4.10 Parkeren

Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.MAAnatuindorpwg13a- met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.2 Methodiek

5.2.1 Verbeelding

In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).

5.2.2 Regels

De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk II (artikel 3) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden.
  • Hoofdstuk III (artikelen 4 tot en met 7) bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.
  • Hoofdstuk IV (artikelen 8 en 9)bevat de overgangs- en slotregel.

Regels in verband met de bestemmingen

De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen (indien aanwezig);
  • afwijken van de bouwregels (indien aanwezig);
  • specifieke gebruiksregels (indien aanwezig);
  • afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (indien aanwezig);
  • wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig).

Bestemmingsomschrijving

De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld.

Bouwregels

De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Zoals bijvoorbeeld de goot- en bouwhoogten.

Specifieke gebruiksregels

Deze regels zijn in feite een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Hier worden vormen van gebruik beschreven die men in strijd acht met de bestemming, maar waarvan niet direct uit de bestemmingsomschrijving blijkt dat dit zo is.

Afwijken van de gebruiksregels

Onder afwijken van de gebruiksregels wordt het mogelijk gemaakt een bepaalde vorm van gebruik toch onder de bestemming te laten vallen. Een afwijking van een gebruiksregel mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het betreft dus altijd gebruik dat inherent is aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen (dat is immers al onder de bouwregels beschreven), dienen soms aan een omgevingsvergunning te worden gebonden. Hiervan zal sprake zijn als bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van invloed kunnen zijn op in de specifieke bestemming voorkomende bijzondere omstandigheden. Voorbeelden van deze omstandigheden zijn cultuurhistorische- of landschappelijke waarden. Deze waarden kunnen met een omgevingsvergunningstelsel worden beschermd. De regeling is nadrukkelijk niet bedoeld om alle werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geheel uit te sluiten.

Wijzigingsbevoegdheid

Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). Het kan dan gaan om het wijzigen van een op een perceel gelegde bestemming, maar ook bijvoorbeeld het wijzigen of vergroten van een bouwvlak (met bijbehorende bouwmogelijkheden).

De inleidende regels (hoofdstuk I)) en de overgangs- en slotregel (hoofdstuk IV) worden hier verder niet toegelicht. Voor de overige bestemmingen volgt in de volgende paragraaf een inhoudelijke beschrijving.

5.3 Bestemmingen

In het plangebied zijn twee bestemmingen weergegeven. Daarnaast kent het plangebied één dubbelbestemming. Hieronder volgt een beschouwing van deze bestemming.

5.3.1 Tuin

De bestemming Tuin is bedoeld voor de gronden die een groene tuinuitstraling hebben. Deze bestemming is gerelateerd aan de bestemming Wonen. Binnen deze bestemming mogen tuinen en daarbij behorende paden, waterhuishoudingsvoorzieningen en parkeren op eigen terrein worden gerealiseerd.

Gebouwen en overkappingen mogen niet worden gebouwd binnen deze bestemming. In afwijking hiervan mogen wel erkers, toegangsportalen, luifels, balkons, trappen en bordessen vòòr de voorgevel van het aangrenzend hoofdgebouw en op zijgevels, welke zicht hebben op of gelegen zijn aan de zijde van een openbare weg of openbaar groen worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de in het artikel genoemde vereisten. Deze vereisten zijn bedoeld om de privacy van omwonenden zoveel mogelijk te waarborgen.

5.3.2 Wonen - S1

Functies

Binnen de bestemming Wonen - S 1 is wonen toegestaan. Tevens mag een beroep of bedrijf aan huis worden uitgeoefend. Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven en paden aan te leggen. Ook zijn waterhuishoudingsvoorzieningen toegestaan en mag er geparkeerd worden op eigen terrein.


Bouwmogelijkheden

De Bouwregels maken onderscheid in regels voor:

  • 1. algemeen (4.2.1);
  • 2. hoofdgebouwen (4.2.2);
  • 3. bijbehorende bouwwerken (4.2.3);
  • 4. overige bouwwerken (4.2.4).


Algemeen

In algemene zin wordt bepaald dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd.


Hoofdgebouwen

Binnen de bestemming Wonen - S 1 mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. De woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.

Er mag niet meer dan één woning per bouwvlak worden gebouwd, waarbij het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij er op het bouwvlak een maximaal bebouwingspercentage staat aangegeven. Met dit percentage wordt de maximale oppervlakte van het hoofdgebouw begrensd. Voor de goot- en bouwhoogte is in de regels een standaard hoogte gegeven. Daarbij geldt een goothoogte van maximaal 4,5 meter en een bouwhoogte van maximaal 9 meter.

Als hoofdgebouwen afgedekt worden met een kap, dan moet worden voldaan aan de in de regels voorgeschreven dakhelling.

Dakkapellen zijn toegestaan op hoofdgebouwen. Op basis artikel 2 lid 4 van bijlage II van het Bor is het bouwen van een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak vergunningvrij. Voor het bouwen van een dakkapel in het dakvlak van de voorgevel of in een dakvlak van een naar de openbare weg gekeerde zijgevel, zijn regels in het bestemmingsplan opgenomen. Hierbij is grotendeels aangesloten bij de criteria uit de Nota Ruimtelijke kwaliteit.

In voorkomende gevallen zijn dakkapellen niet toegestaan, deze zijn dan als zodanig aangeduid.

Bijbehorende bouwwerken

Uitbreidingen van het hoofdgebouw met aan- of uitbouwen en al dan niet aangebouwde bijgebouwen en overkappingen worden onder de noemer 'bijbehorend bouwwerk' geschaard. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is zoveel mogelijk aangesloten op de regeling 'vergunningsvrij bouwen' uit de bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht.

De regeling die het bestemmingsplan omvat is echter op een aantal punten ruimer:

  • Bouwen voor de voorgevel.
    Er mag in sommige gevallen op minder dan 1 meter van de voorgevel of voor de voorgevel worden gebouwd:
    • 1. indien de locatie is opgenomen in het bouwvlak;
    • 2. indien de bestaande bebouwing op minder grote afstand dan 1 m van de voorgevel staat;
    • 3. indien de bijgebouwen die voor de voorgevel staan zijn aangeduid op de verbeelding;
    • 4. erkers die voldoen aan de gestelde voorwaarden.
  • Bouwen tot in de grens met het openbaar gebied.
    Er mag binnen de bestemming wonen bij hoekpercelen tot in de grens van het openbaar gebied worden gebouwd, terwijl volgens de regeling uit het Besluit Omgevingsrecht naast de voorgevelgrens ook de zijgevelgrens in acht moet worden genomen. Dit is in sommige gevallen echter onnodig beperkend, bijvoorbeeld wanneer een woning grenst aan een openbare brandgang of een parkeerterrein. Overigens wordt op de meeste hoekpercelen de bestemming Tuin toegepast zodat daar geen bijbehorende bouwwerken kunnen worden gebouwd.
  • Ondergronds bouwen.
    Ondergronds bouwen is niet alleen binnen het gehele bouwvlak toegestaan, maar ook buiten het bouwvlak. Er dient dan wel onder een bijbehorend bouwwerk gebouwd te worden, waarbij een maximum van 30 m2 geldt.

Overige bouwwerken

Met het begrip 'overige bouwwerken' wordt bedoeld: een bouwwerk dat geen gebouw is en ook geen overkapping. Concreet zijn maximale hoogtematen voorgeschreven voor erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, antennemasten en andere overige bouwwerken.

Specifieke gebruiksregels

Zoals in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, is beroep of bedrijf aan huis toegestaan binnen de woonbestemming. Wel worden er enige voorwaarden aan dit gebruik gesteld. Zo mag 40 % van de brutovloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis. Bij deze oppervlakte wordt ook de oppervlakte van het hoofdgebouw op de verdieping meegerekend.

Het is alleen toegestaan om beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten te verrichten aan huis die opgenomen zijn in de staat van bedrijfsactiviteiten Bedrijf aan huis. De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen horeca of detailhandel inhouden, behalve als het gaat om verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het beroep of bedrijf.

Voor het uitoefenen van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis mag ook personeel in dienst zijn zolang deze activiteit wel mede wordt uitgeoefend door de bewoners van de woning waar de activiteit plaatsvindt.

Door de uitoefening van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mogen de verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen in de directe omgeving. Daarbij moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit dient in de eerste plaats op eigen terrein te worden gerealiseerd. In gevallen waar dit niet mogelijk is dient voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig te zijn. Voor de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen buitenopslag plaatsvinden.

5.4 Dubbelbestemmingen

De bestemmingsplanregeling bevat naast de bovengenoemde bestemmingen ook één dubbelbestemming. Dubbelbestemmingen vallen als het ware over 'onderliggende' (enkel)bestemmingen heen en houden beperkingen en aanvullingen in voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van die bestemmingen. Dubbelbestemmingen dienen een specifiek ruimtelijk belang dat middels de dubbelbestemming beschermd wordt.

5.4.1 Waarde - Archeologie

Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek.


Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met de volgende dubbelbestemmingen:


Dubbelbestemming  
Archeologisch waardevol gebied   Regime  
Waarde - Archeologie 1   Zones met een zeer hoge archeologische verwachting (b.v. beschermde landgoederen, grafheuvels en oude wegen en paden)   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 50 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 2   Zones met een zeer hoge archeologische verwachting (Bufferzone)   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Arcehologie 3   Zones met een hoge archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 150 m2 en dieper dan 30 cm - onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 4   Zones met een middelhoge archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 5   Zones met een lage archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 10 hectare en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  

In het artikel zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in het artikel en hieronder vallen onder andere 'zaken die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen'. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
- normaal agrarische jaarlijkse werkzaamheden te weten: ploegen, woelen, zaaiklaar maken, oogsten/rooien, stoppelbewerking, graslandwoelen, planten/poten, rooien van bomen in het kader van boomkwekerijen en spitten, op percelen met een agrarische bestemming. Diepploegen en het aanleggen van drainage vallen niet onder de vrijstelling;

- graafwerkzaamheden in het kader van onderhoud aan reeds eerder aangelegde sportvelden waarbij de bodem deels is afgegraven en nieuwe grond is opgebracht;

- het zorgvuldig ruimen van (individuele) graven op de gemeentelijke begraafplaatsen.

5.5 Algemene regels

5.5.1 Anti-dubbeltelregel

Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.

5.5.2 Algemene bouwregels
5.5.2.1 Bestaande situatie

In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij in werkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.

5.5.2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.

5.5.3 Algemene gebruiksregels
5.5.3.1 Verboden gebruik

In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.

5.5.3.2 Uitoefening Bed & Breakfast

Dit artikel sluit aan bij de Nota Verblijfsrecreatie waar is geregeld dat het uitoefenen van een bed & breakfast in een (bedrijfs)woning is toegestaan, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.

5.5.4 Algemene afwijkingsregels
5.5.4.1 Algemeen

Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.

5.5.4.2 Afwijking 10% overschrijding

Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.

5.5.4.3 Afwijking bergingen voor de voorgevel

Voor verschillende bestemmingen kan het bevoegd gezag van de bouwregels afwijken om het bouwen van vrijstaande bergingen en fietsenstallingen buiten het bouwvlak op minder dan 1 meter achter de voorgevel of voor de voorgevel mogelijk te maken.

5.5.5 Overgangs- en slotregels

In artikel 9 van de regels is het overgangsrecht opgenomen. Daarbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij overgangsrecht dat is voorgeschreven voor bestemmingsplannen in de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening.

In artikel 10 van de regels is de slotregel opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

Provincie Utrecht

De provincie Utrecht heeft een uitzonderingslijst opgesteld van categorieën bestemmingsplannen en projectbesluiten van lokale aard waarvoor vooroverleg niet noodzakelijk is. De realisatie van één woning binnen bestaand stedelijk gebied is van zeer lokale aard waardoor vooroverleg niet nodig is.

Waterschap Vallei en Veluwe

Op 6 mei 2019 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vallei en Veluwe. De conclusie van die digitale toets is dat de 'korte procedure' geldt. Daarmee geeft het waterschap Vallei en Veluwe een positief advies over dit plan. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

6.2.2 Participatie

In het kader van een goed participatie- en communicatieproces hebben de initiatiefnemers omwonenden geïnformeerd met betrekking tot de voorgenomen ontwikkelingn. Door de omwonenden is positief gereageerd op de ontwikkeling. In Bijlage 7 is een verslag van het contact met de omwonenden opgenomen.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 21 februari voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging is één zienswijze binnengekomen. Prorail heeft in de zienswijze aangegeven dat er mogelijk trillingshinder veroorzaakt wordt door het spoor. Onderzoek naar de trillingsmetingen heeft aangetoond dat er gedurende de meetperiode geen overschrijdingen zijn gemeten. In Bijlage 8 is het rapport van de trillingsmetingen opgenomen.

6.3 Handhaving

Het betrekken van toezicht en handhavingsaspecten bij het opstellen en vaststellen van bestemmingsplannen is belangrijk, omdat het de manier is om de ruimtelijke ordening ontwikkelingsbestendiger te maken.


Daarom wordt bij de actualisering van dit bestemmingsplan voorafgaand waar mogelijk een zo goed mogelijk beeld verkregen van de huidige planologische situatie en ontwikkelings- / afwijkingsmogelijkheden, de in de afgelopen 10 jaar aangevraagde en verleende afwijkingen / omgevingsvergunningen en de in de afgelopen tien jaar verrichte handhavingsacties en verleende gedoogbeschikkingen. Dit onderzoek past volledig binnen de verplichtingen uit onder andere de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De investering betreft de invulling van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting.


De kwaliteit van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting beïnvloedt rechtstreeks de impact en de gevolgen van de repressieve toezicht- en handhavingsverplichting1 en daarmee de houdbaarheid van het op te stellen en vast te stellen bestemmingsplan. Het is om die reden dat in het bestemmingsplan de nadruk op de preventieve aspecten is gelegd. Daarvoor is het bestemmingsplan het middel bij uitstek.

Ad voetnoot 1:

Repressieve toezicht en handhaving ligt wettelijk vast en leidt allereerst tot de te beantwoorden vraag of de afwijking/overtreding kan worden gelegaliseerd. Dat kan meer verruiming van het bestemmingsplan tot gevolg hebben dan dat met het bestemmingsplan oorspronkelijk is bedoeld. Dat zelfde geldt voor de discretionaire bevoegdheid om afwijkingen te gedogen. Als er niet voor legalisering dan wel gedogen wordt gekozen, kan er weliswaar met gebruikmaking van de repressieve handhavingsmiddelen (last onder dwangsom, last onder bestuursdwang, strafrechtelijke boete dan wel een bestuurlijke boete; de boetes waar van toepassing uiteraard) een aanmerkelijke kans worden gecreëerd op beëindiging van de afwijking/overtreding.