Natuurbescherming is qua wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming
Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen. Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar moet het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
Soortenbescherming
Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten.
Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.
Toetsing
In het kader van de gebieds- en soortenbescherming is voor dit bestemmingsplan een ‘Quickscan natuurtoets en Nee, tenzij-toets NNN’ uitgevoerd. In deze rapportage is dit bestemmingsplan ook nadrukkelijk getoetst aan de provinciale regels met betrekking het NNN, zoals beschreven in paragraaf 3.2. De belangrijkste uitkomsten van de ‘Quickscan natuurtoets en Nee, tenzij-toets NNN’ zijn hierna opgenomen, de volledige rapportage maakt als bijlage I onderdeel uit van deze toelichting.
Gebiedsbescherming: Nee, tenzij-toets NNN
Binnen het NNN geldt de ‘nee, tenzij’-benadering. Dit houdt in dat een planologische wijziging (zoals dit bestemmingsplan) niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke kenmerken of waarden van het NNN significant worden aangetast, tenzij er geen reële alternatieven zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, is een nadere beoordeling in de vorm van een ‘Nee, tenzij-toets’ noodzakelijk. De genoemde ‘Quickscan natuurtoets en Nee, tenzij-toets NNN’ voorziet hierin, waarbij de conclusie van deze toets als volg luidt:
De functieverandering van bedrijfswoning naar reguliere woning vormt geen belemmering voor het behoud van de actuele waarden en de realisatie van de doelen van het NNN, zo lang er geen sprake is van fysieke ingrepen. Bij fysieke ingrepen aan de woningen of omliggende groenstructuren is gericht onderzoek naar beschermde diersoorten, zoals broedvogels, vleermuizen, boommarter, eekhoorn, steenmarter, Alpenwatersalamander, poelkikker of teunisbloempijlstaart mogelijk aan de orde. Dit geldt specifiek voor:
- Sloop, renovatie, na-isolatie of uitbreiding van bebouwd oppervlak;
- Een toename van kunstlicht;
- Bomenkap of verwijderen van overige groenstructuren;
- Uitbreiding van de oppervlakte/bestemming tuin en/of verhard oppervlak.
Dit geldt voor alle 6 deellocaties, indien hier sprake is van bovenstaande fysieke ingrepen.
De kernkwaliteiten van het NNN worden niet aangetast, indien uit nader soortgericht onderzoek blijkt dat er geen sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten of wanneer deze effecten gemitigeerd en/of gecompenseerd kunnen worden. Van aantasting van overige natuurdoelen en -kwaliteiten is geen sprake.
Gebiedsbescherming: overig
Ten aanzien van de beschermde Natura 2000-gebieden is in de genoemde ‘Quickscan natuurtoets en Nee, tenzij-toets NNN’ het volgende geconcludeerd:
In het plangebied is sprake van functieverandering/bestemmingswijziging van een zestal woningen. Er zijn op dit moment geen plannen voor ruimtelijke ingrepen, zoals sloop, renovatie of bouw. Door de aard van de plannen en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied “Kolland & Overlangbroek” en overige Natura 2000-gebieden, worden geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring, lichtverstoring en stikstofdepositie zijn op dit moment uit te sluiten. Indien er in de toekomst bouwactiviteiten zijn in het plangebied, kan er sprake zijn van een toename van stikstofdepositie.
Specifiek ten aanzien van stikstofdepositie geldt daarbij nog dat het bestaande gebruik van de zes woningen gecontinueerd wordt, waarmee een toename van stikstofdepositie als gevolg van dit bestemmingsplan niet aan de orde is. Om die reden is een stikstofberekening niet nodig geacht.
Soortenbescherming
Ten aanzien van de beschermde flora en fauna is in de genoemde ‘Quickscan natuurtoets en Nee, tenzij-toets NNN’ het volgende geconcludeerd:
Indien sprake is van fysieke ingrepen in het plangebied is mogelijk gericht onderzoek naar huismus, kerkuil, ransuil, sperwer, steenuil, vleermuizen, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, Alpenwatersalamander, poelkikker en/of teunisbloempijlstaart noodzakelijk, afhankelijk van de aard van de activiteiten. Aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van ontheffing is niet noodzakelijk voor overige beschermde soorten flora en fauna.
In de rapportage is voor de soortgroepen flora/beschermde plantensoorten, broedvogels, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën, reptielen en vissen en ongewervelde dieren bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden als gevolg van dit bestemmingsplan. Voor al deze soortgroepen is daarbij geconcludeerd dat het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk is, maar dat dit wel nodig kan zijn in geval van fysieke ingrepen.
Dit laatste is in beginsel gewaarborgd middels de bestaande wet- en regelgeving zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming, maar met het oog op de uitvoerbaarheid is hiertoe ook een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan opgenomen.
Conclusie
Het aspect ecologie vormt op basis van het voorgaande geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Binnen dit bestemmingsplan is enkel sprake van een functiewijziging van bestaande dienstwoningen naar reguliere woningen en blijft de feitelijke situatie gehandhaafd, waarbij geen fysieke werkzaamheden zijn voorzien.