1.1 Aanleiding en doelstelling
Bij het agrarische bedrijf aan de Rijksstraatweg 1 te Leersum zijn twee agrarische bedrijfswoningen aanwezig. Gelet op de huidige agrarische bedrijfsvoering zijn twee bedrijfswoningen echter niet meer noodzakelijk. De initiatiefnemers willen één van de twee woningen afsplitsen van het agrarische bedrijf en verkopen als burgerwoning. Middels een aanwijzing als plattelandswoning kan deze woning aan een derde verkocht worden zonder dat de woning een (milieutechnische) belemmering gaat vormen voor de bestaande agrarische bedrijfsvoering.
In het kader van plattelandswoningen zijn bij besluit van 12 november 2012 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten gewijzigd om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen. Op basis van voorgaande wetswijziging is het mogelijk een woonbestemming op te nemen met een aanduiding plattelandswoning. Hiermee krijgt de woning een zodanige juridisch-planologische status dat het afgesplitste agrarische bedrijf niet wordt beperkt in haar bedrijfsvoering.
Doelstelling
Voorliggend bestemmingsplan wijst de tweede agrarische bedrijfswoning aan als plattelandswoning. Daarmee is het gebruik van de woning als burgerwoning mogelijk zonder dat de agrarische bedrijfsvoering wordt beperkt.
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Rijkstraatweg tussen Amerongen en Leersum. Het betreft een boerderij-erf met diverse erfbebouwing. De locatie grenst aan het Landgoed Zuylestein. De plangebied betreft het gehele erf waarop de woningen 1 en 1a zich bevinden.
Plangebied (rood omlijnd)
1.3 Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Leersum Buitengebied 2005, herziening 2009'. De herziening is door de gemeente Utrechtse Heuvelrug op 16 september 2010 vastgesteld. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch gebied met landschapswaarden'. Deze bestemming staat een agrarische bedrijfsvoering met bijhorende bedrijfswoning toe. Artikel 20, lid 6 maakt daarnaast mogelijk dat binnen de dubbelbestemming 'Landgoed' een natuurkampeerterrein wordt opgericht.
Op het perceel aan de Rijksstraatweg 1/1a staan thans twee bedrijfswoningen, terwijl op basis van het bestemmingsplan slechts één bedrijfswoning is toegestaan. Met de vaststelling van het geldende bestemmingsplan is de tweede woning echter onder het overgangsrecht komen te vallen. De tweede bedrijfswoning is namelijk vergund en gebouwd voor vaststelling van het geldende bestemmingsplan (zie bijlage voor de bouwvergunning).
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt de tweede woning opgenomen en aangewezen als plattelandswoning.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Leersum Buitengebied, herziening 2009'
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.
Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.
Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.
In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.
Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.
2.1 Huidige situatie
Het agrarische perceel is gesitueerd aan de Rijksstraatweg 1 & 1a te Leersum. Op het perceel zijn twee bedrijfswoningen aanwezig, waarvan de woning Rijksstraatweg 1a aangewezen moet worden als plattelandswoning. Naast de woningen is er diverse agrarische bedrijfsbebouwing op het perceel aanwezig. Voorts zijn twee recreatiewoningen toegestaan.
De woning Rijksstraatweg 1a kent een opbouw van een laag met een kap. De goot- en bouwhoogte bedraagt daarmee respectievelijk 3 en 6 meter. De kaprichting is evenwijdig aan de Rijksstraatweg georiënteerd. Bij de woning is een grote achtertuin gesitueerd. Deze tuin is thans voornamelijk als grasland ingericht. Hiernavolgende afbeelding geeft een impressie van de inrichting en toont de begrenzing van het totale plangebied. de woning Rijksstraatweg 1a met het bijhorende perceel ten opzichte van het agrarische bedrijf gesitueerd aan de Rijksstraatweg 1.
Luchtfoto huidige situatie (in rood het plangebied, waaronder de woning Rijksstraatweg 1a met bijhorend perceel)
Luchtfoto Rijksstraatweg 1a (rood omlijnd)
2.2 Projectbeschrijving
Met het voorliggende bestemmingsplan wordt enkel de woning aan de Rijksstraatweg 1a opgenomen als ‘plattelandswoning’. Daarmee is het mogelijk de woning van het bedrijf af te splitsen en aan een derde te verkopen, zonder dat de woning een belemmering gaat vormen voor het naastgelegen agrarische bedrijf.
2.3 Ruimtelijke gevolgen
De functiewijziging naar 'plattelandswoning' heeft geen ruimtelijke gevolgen. Door de aanwijzing als plattelandswoning is de woning niet gevoelig voor de overlast vanuit het bijhorende agrarische bedrijf. Daarnaast wordt niet voorzien in een bouwvoornemen of in andere gebruiksverruimingen. Gelet op het toekomstige gebruik als burgerwoning is wel gekozen om voor de woning een beroep en bedrijven-aan-huis-regeling op te nemen.
hoofdstuk 3 Algemeen ruimtelijk beleidskader
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie vervangt een groot aantal verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zoals de Nota Ruimte (2006), Structuurvisie Randstad 2040 en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving (2008). Door onder andere nieuwe politieke accenten, veranderende economische omstandigheden, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen zijn de vigerende beleidsdocumenten gedateerd.
De visie heeft als doel dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Daarbij gaat de visie uit van het ‘decentraal, tenzij...’ principe. Hiermee wordt de ruimtelijke ordening in toenemende mate neergelegd bij gemeenten en provincies. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:
- een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingskracht van provincies en gemeenten overstijgt;
- over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;
- een onderwerp provincie- of landsoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.
Nederland heeft een goede ruimtelijke economische structuur voor een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers. Dit betekent onder andere een uitstekende internationale bereikbaarheid van stedelijke regio’s en optimale (logistieke) verbindingen van de mainports Rotterdam en Schiphol, de brainport Zuidoost Nederland en de greenports met Europa en de rest van de wereld.
De groei van mobiliteit over de weg, spoor en vaarwegen zal worden gefaciliteerd. De ambitie is dat gebruikers beschikken over optimale ketenmobiliteit via multimodale knooppunten en door goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling.
Nederland leefbaar en veilig
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Waterveiligheid en beschikbaarheid van voldoende zoetwater heeft ruimte nodig en stelt eisen aan de stedelijke ontwikkeling. Nederland behoudt haar unieke cultuurhistorische waarden en heeft een natuurnetwerk dat de flora- en faunasoorten in stand houdt. Het aandeel duurzame energiebronnen zal moeten toenemen.
Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Dat betekent voor alle ruimtelijke plannen:
- eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling;
- vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt;
- mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan altijd zorgen voor een optimale inpassing en bereikbaarheid.
Planspecifiek
Het project kent, gelet op schaal, locatie en ruimtelijke impact, geen raakvlak met de nationale structuurvisie. Vanuit de verplichting in het Besluit ruimtelijke ordening dient wel gekeken te worden naar de ladder voor duurzame verstedelijking. De nieuwe ontwikkeling betreft hier geen nieuwbouw of andere fysieke ruimtelijke ingreep. Het is enkel een planologische maatregel. Door de maatregel (aanwijzing als plattelandswoning) betrekt de bestaande woning een grotere vraag dan in de huidige situatie. De woning is immers ook als 'burgerwoning' te gebruiken. Een tweede bedrijfswoning voor het agrarische bedrijf aan de Rijksstraatweg is niet langer noodzakelijk. Daarmee is de vraag na de ontwikkeling groter dan de vraag in de huidige situatie. Daarmee wordt duurzaam ruimtegebruik nagestreefd. Trede 2 en trede 3 kunnen afgedaan worden met het gegeven dat de woning bestaande bebouwing betreft. Het initiatief is derhalve geheel in lijn met de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken.
In het Barro worden een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
Na de eerste aanvulling van 1 oktober 2012 worden in het Barro vijftien onderwerpen beschreven zoals project Mainportontwikkeling Rotterdam, defensie, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.
Planspecifiek
Het plangebied ligt in de ecologische hoofdstructuur. Voorliggend bestemmingsplan volgt voor deze gronden de regeling vanuit de provinciale verordening. Er wordt niet voorzien in een zodanige bebouwings- of gebruiksregeling dat strijdigheden met het EHS beleid ontstaat. De overige onderwerpen zijn niet van toepassing op het plangebied. Daarmee is voorliggend bestemmingsplan passend binnen het Barro.
3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028
De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten. In de PRS beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2018. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geven aan dit beleid. De doelstellingen zijn in een drietal hoofdbelangen samengevat:
- duurzame leefomgeving;
- vitale dorpen en steden;
- landelijk gebied met kwaliteit.
Elk hoofdbelang is een verzameling van enkele provinciale belangen. In het totaal zijn er circa 15 provinciale belangen. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening welke tegelijk met de PRS is vastgesteld.
Het plangebied is gesitueerd in landelijk gebied, buiten de rode contouren. Verstedelijking is hier in principe niet mogelijk. Voorliggend plan voorziet niet in verdere verstedelijking en is daarmee niet strijdig aan het provinciaal verstedelijkingsbeleid. Voorts is de woning qua afmetingen (inhoud, bouw- en goothoogte) gemaximaliseerd. Daarmee is een ongelimiteerde vergroting van de woning niet mogelijk. Qua inhoudsmaat sluit voorliggend bestemmingsplan en de daarbij horende regeling aan bij de Provinciale Ruimtelijke Verordening. De PRV stelt voor woningen in het buitengebied een maximale inhoudsmaat van 600 tot 750 m³ maar laat de uiteindelijke afweging bij de gemeente. De voorliggende regeling volgt de bestaande maximale inhoudsmaat, zoals gesteld in het vigerende bestemmingsplan, van maximaal 600 m³.
Binnen de provincie zijn enkele cultuurhistorische hoofdstructuren (CHS) aangewezen. Het plangebied valt binnen de CHS - archeologie en CHS - Historische buitenplaatszone. In hoofdstuk vier is aandacht besteed aan de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied. De cultuurhistorische waarde wordt in het bestemmingsplan beschermd door de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemming 'Waarde - Landgoed en buitenplaats'. Hoewel in de huidige situatie weinig tot geen cultuurhistorische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn kan middels deze regelgeving gestuurd worden op behoud en/of versterking van mogelijk landschappelijk erfgoed. Voor de cultuurhistorie is tevens de ligging in de Stichtse Lustwarande van belang. In paragraaf 3.3 wordt hier nader op ingegaan.
Uitsnede provinciale structuurvisie - kaartblad cultuurhistorie
Zoals reeds benoemd is het plangebied gesitueerd in de ecologische hoofdstructuur. In de nieuwe situatie met de plattelandswoning ontstaat er geen verzwaring in gebruik en uitstraling van bijvoorbeeld licht en geluid. De voorgenomen ontwikkeling vormt derhalve geen belemmering ten opzichte van de EHS. Omtrent de EHS wordt een uitgebreide toelichting gegeven in paragraaf 4.5.2.
Uitsnede provinciale structuurvisie - kaartblad natuur
Daarnaast ligt de geplande ontwikkeling binnen een subTOP gebied. Het gaat hierbij om grondwaterafhankelijke natuur langs de flanken van de Heuvelrug. De waterhuishoudkundige situatie dient niet te verslechteren bij nieuwe ontwikkelingen. Gezien de beperkte omvang van het plan met als doestelling om de agrarische bedrijfsvoering te beperken is een verslechtering van de waterhuishouding niet aannemelijk.
Tot slot is het plangebied gesitueerd in het Nationaal landschap Rivierenland. In paragraaf 3.2.3 van de voorliggende toelichting wordt verder op deze ligging ingegaan.
3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening
Op 4 februari 2013 hebben Provinciale Staten van de provincie Utrecht de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld. Deze verordening is gebaseerd de hiervoor genoemde Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie. Doel van de verordening is om provinciale belangen op het gebied van ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. In de verordening worden regels gegeven over de ontwerpen bodem, cultureel erfgoed, landelijk gebied, natuur, recreatie, stedelijk gebied en watersysteem.
Planspecifiek
Zoals gemotiveerd in voorgaande paragraaf is het voorliggende bestemmingsplan passend binnen de provinciale regelgeving. Aanvullend aan de PRS stelt de PRV nog enkele voorwaarden aan bestemmingsplannen. Zo dient een voorliggend plan een omschrijving te omvatten hoe omgegaan is met archeologie, duurzame energiebronnen en bijvoorbeeld energiebesparing. Gezien de geringe grote van het project en het ontbreken van een bouwvoornemen kan de vraag naar duurzame energiebronnen achterwegen gelaten worden.
Hoofdstuk vier van deze toelichting is zodanig opgesteld dat deze voldoet aan de voorwaarden vanuit de PRV. Omdat daarbij in voorgaande paragraaf reeds is aangetoond dat de voorliggende ontwikkeling passend is binnen het provinciale beleid vormt de PRV geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
3.2.3 Kwaliteitsgids Rivierengebied
De Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen heeft als doel de kernkwaliteiten van de landschappen zodanig concreet te maken dat een ieder begrijpt over welke elementen het gaat. Hierin bouwt de Kwaliteitsgids voort op diverse plannen en ideeën van gemeenten, samenwerkingsverbanden en provincie zelf. Voorbeelden hiervan zijn het beeldkwaliteitplan Kromme Rijngebied (2010), het Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijn+ (2009) en de Integrale Gebiedsvisie Kromme Rijn (2007).
In de Nota Ruimte (vervallen) heeft het Rijk de verantwoordelijkheid voor de begrenzing en de ruimtelijke kwaliteit bij de Provincie neergelegd. Provincie Utrecht geeft hier invulling aan door de begrenzing en de kernkwaliteiten van elk nationaal landschap vast te leggen in de provinciale Structuurvisie en Verordening. In deze beleidsdocumenten is opgenomen dat de Kwaliteitsgids de nadere uitwerking van deze kernkwaliteiten bevat.
De kwaliteitsgids bestaat uit een koepelkartern voor alle landschappen en een gebiedskartern per landschap. Zoals in § 3.2.1 aangegeven valt het plangebied binnen het Nationaal landschap Rivierenland. Provincie Utrecht heeft de volgende kernkwaliteiten voor het landschap geformuleerd:
- schaalcontrast van zeer open naar besloten;
- samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal - kom;
- samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal – rivier;
- de Kromme Rijn als vesting en vestiging.
De provincie Utrecht heeft de ambitie om de kernkwaliteiten van het Rivierengebied te waarborgen en verder te ontwikkelen. Daarom is de kwaliteitsgids Rivierengebied opgesteld. De kwaliteitsgids streeft in grote lijnen de bovenstaande punten na. Daarnaast zijn er nog deelgebieden aangewezen waaronder de Flank, het gebied wat hier van belang is. De volgende ambities zijn opgesteld:
- het beschermen en actief ontwikkelen van zichtlijnen en vergezichten vanuit de ruggengraat richting de rivier. het aantal vista’s is de afgelopen decennia enorm afgenomen. door de hoge gebruiksdruk op het gebied rond de ruggengraat, zal actief ontwikkelen nodig zijn om de zichtrelaties vanaf de stuwwal te versterken. dit geldt voor het totale rivierengebied (dus ook voor gebieden die buiten het nationaal landschap vallen);
- het versterken van het beplante profiel en doorgaande zicht over de provinciale weg. de kenmerkende bomen in het profiel dreigen (met name in de dorpen) steeds meer te verdwijnen en de doorgaande lijn wordt onderbroken door een toenemend aantal rotondes. bomen langs de weg en zorgvuldig ingerichte rotondes versterken de ruggengraat. vooral ook daar waar de ruggengraat de stuwwal verlaat en de stad utrecht in gaat, is versterking van het profiel(laan met bomen) noodzakelijk;
- een duidelijke afwisseling van losse kernen en ruime groengebieden rond de ruggengraat.
Planspecifiek
Voorliggende ontwikkeling voorziet enkel in een gebruikswijziging. Er worden geen ingrepen in het landschap of met bebouwing voorzien. De ontwikkeling heeft geen invloed op de fysieke ruimtelijke situatie. Daarmee zijn de kernkwaliteiten en de ambities zoals beschreven in de Kwaliteitsgids geenszins in het geding.
3.3.1 Visie voor de Stichtse Lustwarande
Het plangebied is onderdeel van de Stichtse Lustwarande. De visie voor de Lustwarande is beschreven in de beleidsstukken 'Visie voor de Stichtse Lustwarande' en 'Identiteitsonderzoek Stichtse Lustwarande'. De vele landgoederen en buitenplaatsen zijn het fundament van deze Stichtse Lustwarande.
Het doel van de visie is tweeledig. Aan de ene kant geeft de visie richting aan de activiteiten, aan de andere kant vormt het een handvat voor partijen die in het gebied willen investeren op een manier, die past bij de kwaliteiten van de Stichtse Lustwarande. De visie analyseert de opbouw van de Lustwarande en komt op het volgende streefbeeld voor de toekomst:
- de bestaande, nog herkenbare korrels (van buitenplaatsen) worden niet aangetast en worden waar mogelijk versterkt;
- de nog bestaande open ruimtes (engen) blijven open, er komen mogelijk eerder beboste of bebouwde ruimtes als open ruimtes bij;
- landschappelijke lijnen, zoals zichtassen, waterlopen, schaapsdriften en lanen, dwars op de Heuvelrug blijven bestaan en worden hersteld;
- nieuwbouw (of herontwikkeling) is gebaseerd op de principes van de Stichtse korrelvorm;
- binnen de kernen is nieuwbouw (of herontwikkeling) gebiedsspecifiek ontworpen;
- de provinciale weg is weer een bescheiden en informele straatweg.
De visie komt erop neer dat de Stichtse korrelstructuur weer goed herkenbaar wordt gemaakt en dat noord-zuid-relaties verder versterkt worden, door herstel van zichtlijnen en lanenstelsels en restauratie van sprengsystemen. Wel blijven de bos- en natuurfuncties bepalend voor de inrichting van het gebied. Een uitgekiend stelsel van poorten, informatiecentra en groene entrees moet de toegenomen bezoekersstromen in goede banen leiden. Hiermee neemt de toeristisch/recreatieve betekenis van het gebied in nog verder toe, zonder een aanslag te plegen op de ecologische en landschappelijke waarden.
Planspecifiek
Het plangebied ligt naast het landgoed Zuylestein. Landgoederen zijn belangrijke elementen binnen de Stichtse Lustwarande. Zoals tevens in hoofdstuk 4 beschreven heeft voorgenomen ontwikkeling geen invloed op de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve niet in strijd met de visie voor de Stichtse Lustwarande.
3.3.2 Beeldkwaliteitplan Kromme Rijngebied
In opdracht van de zes gemeenten (waaronder gemeente Utrechtse Heuvelrug) en onder coördinatie van Landschap Erfgoed Utrecht is in 2010 het beeldkwaliteitplan Kromme Rijngebied opgesteld. Het beeldkwaliteitplan is een vervolgstap op en nadere uitwerking van het Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied+ (2009).
Planspecifiek
Het plangebied valt binnen het Kromme Rijngebied. Voor dit gebied geldt de volgende beschrijving: "de grote agrarische erven langs de historisch waardevolle hoofdontginning vormen een contrast met de dorpsrand van Leersum. Tussenliggende zichtlijnen geven uitzicht op het achterliggende buitengebied en dienen gekoesterd te worden. Oorspronkelijk kende de hoofdontginning slechts een enkelzijdige beplanting aan de overzijde van de wetering". Kenmerkend is het verschil in dichtheid binnen het gebied. De dorpen worden afgewisseld met open ruimtes waar grote agrarische erven op staan. Het plangebied maakt onderdeel uit van zo'n agrarisch erf. Gezien het feit dat er geen verandering in de fysieke ruimtelijke situatie optreed en het erf derhalve in de bestaande groene omgeving behouden blijft, is de ontwikkeling passend binnen het beeldkwaliteitplan.
3.4.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal'
De gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 de Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal' vastgesteld. Daarin zijn onder meer afspraken op hoofdlijnen opgenomen over de ontwikkeling van gebieden en kwaliteiten tot 2030. Voor de periode 2010-2016 zijn concretere afspraken opgenomen.
Het motto van de Structuurvisie 2030 is 'Groen dus Vitaal'. Aan de ene kant zijn natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, samen met de sociale kwaliteit van de dorpen, het uitgangspunt. Voor wonen, economische ontwikkeling, sport en recreatie is ruimte als dat in het verlengde van dit uitgangspunt gevonden kan worden. Omgekeerd is het gewenst dat de samenleving, vanuit de behoefte aan wonen, werken, sporten en recreëren, op zoek gaat naar gebruiksmogelijkheden van het gemeentelijke grondgebied. De vitaliteit die daarmee wordt ingebracht, verhoogd voor iedereen de waarde van de leefomgeving voor iedereen.
Gezien de complexe omgeving met zoveel waarden vraagt het motto om creativiteit en maatwerk voor de functies wonen, werken, sport en recreatie. En een standvastige, maar niet dogmatische houding vanuit het oogpunt van natuur, landschap, cultuurhistorie en de samenleving. Voor de gemeentebrede invalshoek wordt gewerkt met thema's, die een breed terrein bestrijken:
- Natuur over de heuvels;
- Op de schouders van ons erfgoed;
- Duurzaam bereikbaar;
- Leefbare dorpen;
- Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug;
- Maatwerk voor wonen en werken.
De volgorde van de thema's weerspiegelt de algemene houding 'Groen dus Vitaal'. Om sturing te geven aan de ontwikkelingsrichting voor de diverse geografische samenhangende gebiedsdelen (zones), is een structuurvisiekaart met gebiedsdekkende zonering ontwikkeld. De kaart heeft een landschappelijke onderlegger en is gebaseerd op versterking van de bestaande situatie en de hieraan gekoppelde gemeentebrede thema's.
Planspecifiek
Het plangebied ligt in het gebied 2.12 de zone tussen Leersum en Amerongen. Het gebied is een groen verbinding tussen de twee dorpen waar veel waarde aan wordt gehecht. Met name het Landgoed Zuylestein is een belangrijk kenmerk. De belangrijkste doelstelling is dus deze groene verbindingszone te behouden.
Zoals reeds eerder gemotiveerd treden met de voorgenomen aanwijzing van de agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning geen veranderingen op in de fysieke ruimtelijke situatie. Daarmee behoudt het gebied zijn kwaliteiten en is de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd met de gemeentelijke structuurvisie.
Uitsnede structuurvisie (plangebied rood omcirkeld)
3.4.2 Woonvisie
Middels de Woonvisie 19 februari 2014 geeft de gemeente sturing aan gewenste woningbouwontwikkelingen. Aan de hand van een toekomstverwachting, een behoefte-onderzoek en een aanbodanalyse geeft de Woonvisie voor de periode 2013 tot en met 2020 een toetsingskader voor het beleid en maatregelen op het terrein voor het huisvesten van doelgroepen.
Planspecifiek
De woonvisie stelt geen regels omtrent plattelandswoningen. Vanuit de Woonvisie worden geen belemmeringen geconstateerd voor de aanwijzing als plattelandswoning. Deze aanwijzing zorgt feitelijk ook niet voor een toename van het aantal woningen binnen de gemeente. Wel zorgt de aanwijzing ervoor dat de woning bewoonbaar wordt voor derden. Daarnaast zet de gemeente in op levensloopbestendig wonen. Hieraan wordt uitvoering gegeven via de landelijke regeling zoals opgenomen in de Wet algemene bepalingen omgevingrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Deze regeling maakt het mogelijk om een omgevingvergunning te verlenen voor een mantelzorgwoning.
hoofdstuk 4 Specifieke regelgeving en beleid
4.1 Beeldkwaliteit
Beeldkwaliteit heeft alles te maken met het goed op elkaar afstemmen van bebouwing en omgeving. Dit afstemmen gebeurt door de situering van bebouwing, de afmetingen van gebouwen maar ook bouwstijl, uitstraling, gebruikte materialen, kleuren en tot slot de inrichting van de openbare ruimte. Bij bestemmingsplannen gericht op ontwikkeling worden daartoe vaak beeldkwaliteitsplannen opgesteld. In conserverende bestemmingsplannen wordt veelal teruggevallen op reeds bestaande beeldkwaliteitskaders zoals kwaliteitsgidsen, landschappelijke ontwikkelingsplannen of regionale visies.
Planspecifiek
In de voorliggende situatie zullen geen fysieke ingrepen in bebouwing, landschap of erfinrichting plaatsvinden. Het opstellen van een nadere toetsingsinstrumentaria zoals een beeldkwaliteitsplan biedt geen meerwaarde. In het provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid worden kader en ambities gesteld met betrekking tot de beeldkwaliteit van het gebied op verschillende schaalniveaus. Deze zijn doorvertaald in het gemeentelijk welstandsbeleid. Dit beleid is altijd van toepassing. Daarmee wordt in voldoende mate gestuurd op de beeldkwaliteit.
Hierdoor zal de situatie geconserveerd blijven en blijft het beeldkwaliteit van de locatie gelijk.
4.2 Wonen
De sturing bij het aspect 'Wonen' wordt veelal vanuit structuurvisies of woonvisies vormgegeven. Onderscheid wordt gemaakt tussen kwaliteit (ambitie, doelgroep en woningvereisten) en kwantiteit (hoeveelheid).
Planspecifiek
In de woonvisie (3.4.2) worden geen beleidsregels gesteld met betrekking plattelandswoningen. De aanwijzing van de agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning draagt bij aan de woningvoorraad binnen de gemeente, de woning komt immers vrij voor derden. Aangezien de woning een bestaande woning betreft kan niet direct op doelgroep gestuurd worden. Het aantal vierkante meters, alsmede de locatie, overige woningspecificaties en de uitstraling liggen immers als vast.
4.3.1 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden:
- het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
- het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
- het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
- de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Planspecifiek
Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid d. Het aanwijzen van een bedrijfswoning als plattelandswoning is niet specifiek genoemd in de onderdeel D. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt wel een vormvrije m.e.r. beoordeling uitgevoerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
- belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
- belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.
De vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt gevormd door de hiernavolgende paragraven. Daarin worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen gesignaleerd. Deze gevolgen kunnen derhalve worden uitgesloten; een nadere m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.
4.3.2 Milieubeleidsplan “Utrechtse Heuvelrug” 2009-2014
Het milieubeleidsplan “Natuurlijk Duurzaam” 2009-2014 is op 24 september 2009 vastgesteld door de Raad. Het beschrijft de duurzaamheidsambities van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In het milieubeleidsplan staan vier pijlers centraal:
- duurzaamheid
- gemeentelijke interne duurzaamheidszorg
- klimaat, energie en duurzaam bouwen
- kwaliteit van de leefomgeving
Het milieubeleidsplan stelt duurzaamheid voorop. Intern zet de gemeente in op duurzaamheid, maar ook buiten de gemeentelijke organisatie wordt dit gestimuleerd. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn en in 2015 wil de gemeentelijke organisatie energieneutraal zijn. Daarnaast streeft de gemeente naar een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. Hiertoe wil de gemeente de bestaande milieukwaliteit behouden en waar mogelijk verbeteren. Dit betekent dat er ook eisen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen, enerzijds op gebouwniveau en anderzijds op omgevingsniveau.
Op gebouwniveau streeft de gemeente naar een 25% verscherpte EPC en het werken met het instrument GPR Gebouw. GPR Gebouw geeft per thema een ‘rapportcijfer’ uiteenlopend van 7 (minimaal niveau) tot 10 (zeer goed) waarvoor geldt dat voor het thema energie voor woningbouw een GPR-score van 7 overeenkomt met het bouwbesluit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt een GPR score van gemiddeld minimaal 7, met minimaal een 7 voor het thema energie. Bij zogenaamde “kansrijke” projecten, waarbij bijvoorbeeld meer dan 50 woningen gebouwd worden of waar de gemeente een grondpositie heeft, geldt een GPR score van minimaal 8 en een 50% verscherpte EPC.
Op omgevingsniveau past de gemeente gebiedsgericht milieubeleid toe. Hiertoe zijn er voor de gemeente acht gebiedstypen met bijbehorende ambities (milieukwaliteitsprofielen) opgesteld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden deze milieukwaliteitsprofielen toegepast.
Planspecifiek
Voor het plangebied kan aangesloten worden bij het milieukwaliteitsprofiel ‘Landelijk gebied - Verweving van functies'. Een uitgebreide beschrijving van de bijbehorende ambities is te vinden in het milieubeleidsplan. Verschillende functies komen in dit gebied naast elkaar voor zonder dat de kwaliteit van het gebied wordt bedreigd: landbouw, wonen, werken en recreëren. Het Milieubeleidsplan streeft onder meer een verscherpte EPC score na. Deze ambitie is bij voorliggende ontwikkeling niet relevant. Er worden immers geen ingrepen in de bestaande bebouwing voorzien. Ook het strikt hanteren van de milieukwaliteitsprofielen gaan voorbij aan de bestaande situatie. Daarmee biedt voor de beoogde ontwikkeling het Milieubeleidsplan geen directe meerwaarde.
4.3.3 Bodem
Voor bodem is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Deze bevat artikelen ter voorkoming van en de omgang met bodemverontreiniging. In de Circulaire Bodemsanering 2009 zijn interventiewaarden, streefwaarden / achtergrondwaarden vastgelegd voor de diverse verontreinigende stoffen. De achtergrondwaarde / streefwaarde geeft het kwaliteitsniveau aan waarbij een verwaarloosbaar risico bestaat. De interventiewaarde geeft aan dat er sprake is van een ernstige of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier.
Het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) bevat voorschriften die dienen voor uitvoering van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van de Bro, artikel 3.1.6, verricht de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek naar de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
Voor bodemgebruik wordt uitgegaan van acht verschillende bodemfuncties. Achtereenvolgend zijn dat landbouw (1), moestuin/volkstuin (2), wonen met tuin (3), kinderspeelplaatsen (4), natuurgebieden (5), groen met natuurwaarden (6), industrie en ander groen (7), bebouwing en infrastructuur (8). In het kader van de Wet bodembescherming worden de acht bodemfuncties in het Besluit Bodemkwaliteit onderscheiden in drie bodemklassen:
- klasse landbouw en natuur (1, 2 en 5);
- klasse wonen (3, 4 en 6);
- klasse industrie/bedrijven (7 en 8).
Om te voorkomen dat woningen op verontreinigde grond worden gebouwd, stelt de Woningwet de verplichting dat de aanvrager van een omgevingsvergunning (bouwen) een verkennend bodemonderzoek laat uitvoeren. Hierbij zal de aanvrager, in het kader van de Bouwverordening, moeten aantonen dat de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Als er sprake is van een potentieel geval van ernstige bodemverontreiniging dan treedt een omgevingsvergunning pas in werking nadat de provincie heeft ingestemd met de wijze van uitvoeren van de bodemsanering of totdat nader onderzoek heeft uitgewezen dat er géén sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Planspecifiek
In de huidige planologische situatie worden de gronden gebruikt voor een bedrijfswoning. De omzetting van een bedrijfswoning naar plattelandswoning heeft geen gevolgen voor de eisen die gesteld worden aan de grondkwaliteit. Daarmee voorziet het voorliggende initiatief niet in een toename aan een opwaardering in bodemklassen of wezenlijk andere gebruiksmogelijkheden voor de gronden. Voorts zijn ook geen nieuwe bodemingrepen voorzien. Tot slot zijn bij initiatiefnemer geen vervuilingen en dergelijke van de gronden bekend. Raadpleging van het gemeentelijke historische bodembestand leert dat ook bij de gemeente (Omgevingsdienst) de locatie als onverdacht is geclassificeerd. Daarmee is nader onderzoek niet noodzakelijk.
4.3.4 Geluid
De Wgh schrijft voor dat de gemeente de gevolgen van plannen akoestisch moet onderzoeken, als de geluidsgevoelige bestemmingen binnen een geluidszone liggen. De Wgh omschrijft zones langs wegen, spoorwegen en (gezoneerde) industrielawaai. Daarnaast geeft de Wgh aan wanneer sprake is van een geluidsgevoelige bestemmingen. Dit zijn (samengevat) woningen, scholen en diverse gezondheidszorggebouwen.
Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting bij deze geluidsgevoelige bestemmingen. Hierbij geldt een toetsing per weg. Als de voorkeurswaarde wordt overschreden moet de gemeente onderzoeken of geluidsreducerende maatregelen getroffen kunnen worden (bron- en overdrachtsmaatregelen) om aan de voorkeurswaarde te kunnen voldoen. Pas als hieruit blijkt dat niet aan de voorkeurswaarde kan worden voldaan kan het college ontheffing verlenen van de voorkeurswaarde. Hierbij geldt wel een maximale ontheffingswaarde. Voor wegverkeer is de maximale ontheffingswaarde afhankelijk van een aantal eigenschappen van de locatie. Als een geluidsgevoelige bestemming wordt gerealiseerd buiten de bebouwde kom of in de zone van een auto(snel)weg, geldt een lagere maximale ontheffingswaarde. Ook gelden voor de verschillende geluidsgevoelige bestemmingen andere maximale ontheffingswaarden.
Planspecifiek
Voorliggend initiatief voorziet niet in de toevoeging van een gevoelige bestemming, de bestaande bedrijfswoning is immers reeds een gevoelige bestemming. Daarmee heeft de beoordeling van industrielawaai en verkeerslawaai reeds in het verleden plaatsgevonden. Het plangebied is niet in de omgeving van een spoorweg gesitueerd, daarmee is deze vorm van lawaai niet aan de orde. De woning blijft ongevoelig voor het industrielawaai van het agrarische bedrijf aan de Rijksstraatweg 1. Paragraaf 4.3.6 van de voorliggende toelichting gaat nader in op de geringe gevolgen voor de plattelandwoning in relatie tot het agrarisch bedrijf bij functie verandering. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel opnieuw gekeken naar verkeerslawaai.
Geluidscontourenkaart Rijksstraatweg te Leersum
Uit voorgaande geluidscontourenkaart blijkt dat geluidsbelasting ter plaatse van de Rijksstraatweg 1a circa 43 tot 48 dB bedraagt. Daarmee ligt de geluidsbelasting op de gevel van de woning onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Geconcludeerd kan worden dat ten aanzien de te toetsen geluidsaspecten een goed woon- en leefklimaat aanwezig is.
4.3.5 Luchtkwaliteit
In 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Met deze wet zijn luchtkwaliteitseisen verankerd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Er is vastgelegd dat ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden.
De belangrijkste grenswaarden zijn de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide en de 24-uursgemiddelde grenswaarde voor fijn stof, omdat deze in Nederland worden overschreden. De grenswaarden van de overige stoffen worden, op enkele uitzonderingen na, niet overschreden.
Toetsing aan de grenswaarden is niet voor alle ruimtelijke plannen verplicht. Alleen plannen die in betekenende mate bijdragen worden getoetst aan de grenswaarden (40 µg/m³). In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) is vastgelegd dat een bijdrage van meer dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m³, wordt getoetst aan de grenswaarden. Deze bijdrage van 3% is in de ministeriële regeling niet in betekenende mate doorvertaald naar 1.500 woningen of 100.000 m² kantooroppervlak.
Naast hoofdstuk 5 van de wet milieubeheer is ook het beginsel van een goede ruimtelijke ordening van toepassing. De formele definitie van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is: “het coördineren van de verschillende belangen tot een harmonisch geheel dat een grotere waarde vertegenwoordigd dan het dienen van de belangen afzonderlijk”. Een goede luchtkwaliteit is één van de belangen, ofwel de luchtkwaliteit dient geschikt te zijn voor de beoogde functie. Daarom is het wenselijk om inzicht te hebben in de luchtkwaliteitsituatie. In het verlengde van een goede ruimtelijke ordening, gebaseerd op de Wet milieubeheer, is het Besluit gevoelige bestemmingen van kracht. Dit besluit is gericht op functies met gevoelige groepen voor langdurig verblijf zoals bij zorginstellingen, kinderopvang, scholen en bejaardentehuizen. Deze functies mogen niet worden gerealiseerd in gebieden met overschrijdingen van de wettelijke grenswaarden ten gevolge van provinciale wegen en rijkswegen. Daarnaast wordt geadviseerd zeer terughoudend te zijn met het realiseren van gevoelige bestemmingen bij drukke gemeentelijke wegen.
Het voorliggende initiatief betreft een planologische aanwijzing van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning. Daarmee wordt geen gevoelige bestemming zoals een kinderdagverblijf of verzorgingstehuis mogelijk gemaakt. Op basis van kerncijfers van kennisinstituut CROW is in paragraaf 4.4 de verkeersaantrekkende werking van de voorliggende ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Daaruit volgt dat geen extra verkeersgeneratie te verwachten is, aangezien een plattelandwoning geen extra verkeersaantrekkende werking heeft ten opzichte van een agrarische bedrijfswoning. De kerncijfers geven een verkeersgeneratie van maximaal 6 per dag aan in het buitengebied. Hierdoor heeft de voorliggende ontwikkeling geen invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse wel inzichtelijk gemaakt. Dit is weergegeven in hiernavolgende afbeelding.
Luchtkwaliteit (jaar 2025)
Zowel de concentratie N02 als de concentratie PM10 liggen verder beneden de normen voor gevoelige bestemmingen. Hoewel hier niet aan getoetst hoeft te worden kan wel worden gesteld dat de luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat niet in de weg staat.
4.3.6 Bedrijven en milieuzonering
Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst (Staat van bedrijfsactiviteiten) opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
- het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
- het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Plattelandswoning
In gevallen dat de agrarische bedrijfswoning wordt losgeweekt van het agrarische bedrijf ontstaat er veelal een probleem voor de voortzetting van het agrarische bedrijf. Vaak doet deze situatie zich voor als een tweede bedrijfswoning niet meer als bedrijfswoning nodig is en wordt verkocht aan een derde. Hiermee ontstaat een gevoelige bestemming op korte afstand van het agrarische bedrijf.
Op het moment dat de bedrijfswoning nog bij het agrarische bedrijf hoort, wordt deze bedrijfswoning als onderdeel van de agrarische inrichting gezien. Daarmee telt deze niet mee in de aan te houden milieuzoneringen. Als deze bedrijfswoning vervolgens als burgerwoning wordt gebruikt, dan moet het bedrijf ten opzichte van deze woning gaan voldoen aan de milieuafstanden of milieunormen voor woningen van derden. Vaak lukt dat niet vanwege de zeer korte afstand tussen deze voormalige bedrijfswoning en het agrarische bedrijf. Dit heeft tot gevolg dat het agrarische bedrijf beperkingen ondervindt en extra milieumaatregelen moet treffen door de nabijheid van deze woning. Hiertoe is de "Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en enkele andere wetten om de planologische status van gronden en opstallen bepalend te laten zijn voor de mate van milieubescherming alsmede om de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te passen" aangenomen. Deze wet voegt een bepaling toe aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a). Hierin is een tweeledige oplossing opgenomen: 22
- de (voormalige) bedrijfswoning kan worden aangewezen als ‘plattelandswoning’ zodat hierin bewoning door een derde (burgerwoning) kan plaatsvinden. Het gebruik als bedrijfswoning blijft mogelijk. Aanwijzing als plattelandswoning vindt plaats in het bestemmingsplan, de beheersverordening of in een buitenplanse omgevingsvergunning;
- deze woning blijft bij de inrichting, dus het agrarische bedrijf, horen, zodat voor deze woning de milieubescherming gelijk is aan de bescherming alsof het nog de eigen bedrijfswoning is.
Daarmee wordt enkel bescherming geboden tegen milieuhinder van het oorspronkelijk bijhorende agrarisch bedrijf. Dit bedrijf kan wel groeien waardoor ook de milieuhinder op deze plattelandswoning kan toenemen.
Qua beoordeling is het agrarische bedrijf aan de Rijksstraatweg 1 niet van belang. Voor de overige bedrijfsactiviteiten heeft reeds in het verleden een beoordeling plaatsgevonden. In de huidige situatie is de agrarische bedrijfswoning reeds een gevoelige bestemming voor overige bedrijfsvoeringen. De aanwijzing als plattelandswoning brengt hier geen verandering in. Daarmee brengt het initiatief geen belemmering voor andere bestaande bedrijfsvoeringen mee.
4.3.7 Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over de beheersing van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Die activiteiten kunnen bestaan uit het opslaan, verwerken of transporteren van gevaarlijke stoffen. Deze activiteiten kunnen een risico veroorzaken voor de leefomgeving. Daarnaast worden de risico's van het opstijgen en landen op vliegvelden ook onder het thema externe veiligheid gevangen. De risico's worden uitgedrukt in twee risicomaten; het plaatsgebonden (hierna: PR) en het groepsrisico (hierna: GR).
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of dit plan is gelegen binnen het invloedsgebied van een inrichting die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarnaast wordt gekeken of het plan ligt binnen het invloedsgebied van de transportroute (weg, spoor, water of buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen (o.a. LPG en benzine) worden vervoerd.
Zowel in de huidige situatie als in de toekomstige wordt de woning als kwetsbaar object gezien. Voorts treedt als gevolg van de ontwikkeling geen verandering op voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In het kader van de goede ruimtelijke ordening is zekerheidshalve de provinciale risicokaart geraadpleegd, zie de volgende afbeelding. Hieruit volgt dat de locatie niet binnen enige risicozones valt. Het onderdeel externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Uitsnede risicokaart
Buisleidingen
Langs de Rijksstraatweg ligt een ondergrondse aardgasleiding. Het betreft een regionale leiding met een werkdruk van maximaal 40 bar. Langs deze leiding geldt geen contour voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar. het aandachtsgebied voor het groepsrisico beslaat een zone van circa 100 meter aan weerszijden van de leiding. Het plangebied lijkt buiten deze zone te vallen.
De aangevraagde ontwikkeling zal niet leiden tot een toename van het aantal personen in het gebouw. Ook leidt de voorgenomen verbouwing er niet toe dat de in het gebouw aanwezige personen zich op een kleinere afstand tot de aardgasleiding zullen bevinden. Daaruit kan worden geconcludeerd dat er ook geen gevolgen zullen zijn voor het groepsrisico.
Hoogspanningslijnen
Het plangebied ligt niet binnen de indicatieve veiligheidszone van een hoogspanningslijn, waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe stralingsgevoelige objecten.
Zendmasten
Volgens de gegevens op de website www.antenneregister.nl zijn er in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig die overschrijdingen kunnen veroorzaken van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten.
Hieruit volgt dat de locatie niet binnen enige risicozones valt. Het onderdeel externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3.8 Duurzaamheid
Zoals vermeld in paragraaf 4.3.1 is 24 september 2009 het milieubeleidsplan “Natuurlijk Duurzaam” 2009-2014 door de gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug. Middels dit beleidsplan worden, aanvullend op de landelijke regelgeving (bouwbesluit), normen gesteld bij ontwikkeling van gebouwen. In paragraaf 4.3.1 is hier reeds op ingegaan.
4.3.9 Geur
Veehouderijen kunnen geurhinder veroorzaken vanwege bijvoorbeeld dierenverblijven, mestbassins, mestverwerking en opslag van voer. Bij het aspect geur in een bestemmingsplan voor een buitengebied gaat het aan de ene kant om de bronnen van geur (veehouderijen) en aan de andere kant om het eventueel mogelijk maken van geurgevoelige objecten (woningen, scholen, kantoren, restaurants).
Geurhinder en veehouderij
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft geen specifiek geurbeleid. In het kader van de milieuvergunningverlening dient rekening te worden gehouden met geurafstanden uit landelijke wetgeving. Daarnaast is geur één van de toetsingscriteria bij het wel of niet toelaten van nieuwe activiteiten in de nabijheid van veehouderijen. Nieuwbouw van geurgevoelige objecten moet in principe voldoen aan deze normafstanden.
Op deze locatie vormt het Activiteitenbesluit het toetsingskader voor vergunningverlening op het gebied van geur veroorzaakt door naburige dierenverblijven. Veehouderijen die onder het Activiteitenbesluit vallen, moeten in principe voldoen aan de in dat besluit genoemde minimaal aan te houden afstand tot geurgevoelige objecten, tenzij er sprake is van een reeds bestaande situatie.
In het Activiteitenbesluit is de tekst van de Wet Geurhinder en Veehouderij (WGV) vrijwel integraal opgenomen. De handreiking bij de WVG is van toepassing, met name paragraaf 3.4 (beoordeling ruimtelijke ordeningsplannen) en bijlagen 6 en 7. In paragraaf 3.4 staat het volgende vermeld over bouwen binnen geurcontouren: “Als de veehouderij niet in zijn belangen wordt geschaad en tevens een goed woon- en verblijfklimaat kan worden gegarandeerd, is het toelaatbaar om binnen de contour van de geldende norm geurgevoelige objecten te bouwen”. Er wordt daarbij verwezen naar jurisprudentie.
Beoordeling woon- en verblijfklimaat
Voor nieuwbouw van geurgevoelige objecten moet de gemeente kunnen garanderen dat sprake zal zijn van een goed woon- en verblijfklimaat. Wanneer de 100 meter uit het Activiteitenbesluit in acht wordt genomen is hier per definitie sprake van. Andersom impliceert dit niet dat bij een kleinere afstand geen sprake kan zijn van een goed woon- en verblijfklimaat. Voor de mate van geurhinder geeft de landelijk wetgever geen waarden of bandbreedten. Het is het bevoegd gezag die beoordeelt of de geurhinder past bij de doelstellingen voor het gebied en of zij de mate van geurhinder acceptabel acht (handreiking Wet Geurhinder en Veehouderij).
Binnen een straal van 100 meter rondom het plangebied zijn geen veehouderijen aanwezig. Ter plaatse van het plangebied zal derhalve sprake zijn van een goed woon- en verblijfklimaat als het gaat om geurhinder.
Conclusies geurhinder
Door het toestaan van de aanwijzing van een agrarische bedrijfswoning als plattelandwoningen worden, met de in acht genomen afstanden, de omstandigheden ter plaatse en de wijze van bouwen een goed leef- en verblijfklimaat gegarandeerd.
4.4 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Daarbij worden veelal kencijfers van het CROW gebruikt. Dit kennisinstituut heeft in 2012 publicatie 317 uitgegeven. In deze publicatie zijn, op basis van onderzoek, kengetallen opgenomen voor parkeervraag en verkeersgeneratie bij verschillende functies. Daarbij is rekening gehouden met de stedelijkheidsgraad van de omgeving van het plangebied en de ligging ten opzichte van het buitengebied of het centrum.
Verkeer
De publicatie hanteert voor bedrijfs- en burgerwoningen geen verschillende verkeersgeneraties. Daaruit volgt dat de verkeersgeneratie bij een bedrijfswoning en bij een burgerwoning vergelijkbaar zijn. Daarmee heeft de aanwijzing van de woning als plattelandswoning geen gevolgen voor de verkeersgeneratie.
Parkeren
In de huidige situatie wordt de parkeervraag volledig beantwoord op eigen terrein. De totale parkeervraag neemt als gevolg van de gewijzigde planologische status van de woning niet toe. Daarmee kan ook in de beoogde situatie de noodzakelijke parkeervraag volledig op eigen terrein beantwoord worden.
4.5 Groen, natuur en landschap
4.5.1 Groen en landschap
Een belangrijk deel van de ruimtelijke kwaliteit wordt over het algemeen bepaald door de aanwezigheid van groen of specifieke landschapselementen. Bij ontwikkelingen dient, onder andere vanuit een goede ruimtelijke ordening, beoordeeld te worden of deze van invloed zijn op deze waarden. Indien blijkt dat een ontwikkeling van invloed is dient bekeken te worden of deze invloed als acceptabel of versterkend kan worden gezien. Cultuurhistorische landschapselementen worden in de paragraaf cultuurhistorie behandeld.
Planspecifiek
De ontwikkeling voorziet enkel in een planologische ingreep. Ingrepen in de groenstructuur of in bestaande landschappelijke elementen worden niet voorzien.
4.5.2 Natuur
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
- Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
- beschermde Natuurmonumenten;
- wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in het kader van de gebiedsbescherming van belang. De EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
- vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
- verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
- verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van de in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van LNV (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Planspecifiek
Het plangebied is aangewezen als EHS. Daarmee geldt voor de aangewezen gronden het nee, tenzij-regime. Uitbreidingen van bestaande functies dan wel nieuwe functies, die ten koste gaan van de wezenlijke kenmerken en/of waarden van deze gebieden, zijn niet toegestaan. Het is daarom gewenst de EHS vast te leggen in het bestemmingsplan, de bestaande binnen de EHS gelegen functies zo veel mogelijk strak te begrenzen en daaraan bij recht in principe geen uitbreidingsruimte te bieden. Het voorliggende bestemmingsplan hanteert de huidige begrenzing van het bestaande bouwvlak. Met het deels wegnemen van bouwrechten wordt voorzien in een beperking van de mogelijke uitbreidingsmogelijkheden. Daarmee wordt indirect bijgedragen aan de EHS-doelstellingen.
Gezien het feit dat het hier geen uitbreiding betreft maar enkel de aanwijzing van een bedrijfswoning naar plattelandswoning is de voorgenomen ontwikkeling niet in strijd met de EHS. Er wordt immers niet in nieuwe beperkingen of belemmeringen voorzien. Daarmee kan worden gesteld dat voldaan kan worden aan de nee, tenzij redenatie. Het is niet mogelijk tenzij vaststaat dat de waarden niet in het geding zijn. Voorliggend plan voorziet in een beperkte planologische aanpassing waarbij bebouwingsmogelijkheden niet wijzigen en gebruiksmogelijkheden niet zodanig wijzigen dat dit relevant voor de EHS is. Gebiedsbescherming is derhalve niet aan de orde. Wel is, ten behoeve van mogelijke toekomstige ontwikkelingen, de dubbelbestemming Waarde - Ecologie opgenomen.
Het voorliggende initiatief geen ruimtelijke ingrepen. Daarmee worden effecten op beschermde flora en fauna uitgesloten. Soortenbescherming is eveneens niet aan de orde.
4.6 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
4.6.1 Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Daarnaast zullen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de komende jaren richtinggevend worden voor het regionale waterbeheer in Nederland.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
- vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
- schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.
Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
In het NBW hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is medesturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, dat de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen.
Kaderrichtlijn Water (KRW)
De KRW is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen die afhankelijk zijn van onder meer het type water. De KRW is inmiddels geïmplementeerd in Nederlandse regelgeving door middel van de Waterwet. De Waterwet geeft op nationaal niveau onder andere invulling aan de KRW. De KRW is daarmee indirect van toepassing op onderhavig plan.
4.6.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Waterbeheerplan 2010 - 2015
Het beleid van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is neergelegd in het Waterbeheerplan 2010-2015 'Water voorop!' (vastgesteld op 28 oktober 2009). Het plan bestaat uit 3 delen, te weten: Strategie, Beleids- en uitvoeringsplan en een Achtergronddocument. Het deel Strategie betreft een beschrijving over hoe wordt ingespeeld op maatschappelijke ontwikkelingen als klimaatverandering en verstedelijking. Het vormt de basis voor de uitvoeringsstrategie. In het Beleids- en uitvoeringsplan zijn de ambities uit het strategisch deel vertaald naar vier beleidsthema's (veiligheid, voldoende water, schoon water en recreatie, landschap en cultuurhistorie) en 7 vernieuwende projecten. Het thema 'veiligheid' heeft met name te maken met het beleid ten aanzien van waterkeringen (primaire waterkeringen, regionale waterkeringen en overige waterkeringen), het voorkomen van overstromingen en het beperken van eventuele gevolgen. Bij de zorg voor het thema 'voldoende water' worden de volgende onderdelen onderscheiden:
- wateroverlast;
- watertekort;
- grond- en stedelijk waterbeheer;
- gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR), watergebiedsplannen en peilbesluiten;
- verdroging van de natuur.
Het thema 'schoon water' staat gelijk aan ecologisch gezond water. Dit gebeurt door aanpassing van de inrichting, het beheer en het onderhoud van watersystemen. Hierdoor verbetert de leefomgeving van mensen, dieren en planten. De veranderingen worden doorgevoerd via integrale gebiedsgerichte planvorming, in samenhang met maatregelen om andere doelen te halen. Dit wordt gedaan via integrale, gebiedsgerichte planvorming middels het opstellen van watergebiedsplannen.
Waterstructuurvisie
In de Waterstructuurvisie is de toekomstvisie van het Hoogheemraadschap weergegeven. Belangrijkste doelstelling is dat het water meer ruimte moet krijgen om het hoofd te bieden aan klimaatveranderingen. Het middel dat hiervoor wordt ingezet is het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Dit houdt in dat regenwater niet meteen wordt afgevoerd via het riool, maar wordt vastgehouden. Bijvoorbeeld door het in de grond te laten zakken of te verzamelen in sloten. Het bergen vindt plaats door het opslaan van overtollig water in speciale meren of aangewezen polders. Op die manier is er ook schoon water in voorraad voor droge tijden. Pas in het uiterste geval wordt meer gevraagd van de gemalen (afvoeren).
4.6.3 Gemeentelijk beleid
Gemeentelijk Waterplan Heuvelrug
Doel van het waterplan is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.
Het waterplan Heuvelrug richt zich vooral op de stedelijke kernen en de directe omgeving ervan. Belangrijke punten uit het waterplan zijn:
- afkoppelen en infiltreren van regenwater: de zandige Utrechtse Heuvelrug biedt veel mogelijkheden voor infiltratie van water van nieuwe bebouwing en bestaande bebouwing in de grond;
- beleving en cultuur: de landgoederen en Stichtse Lustwarande zijn beeldbepalend, en water vervult daar een eigen functie in;
- natuur en ecologie: op allerlei plaatse kan de natuur en ecologie in en om het water verbeterd worden. Eerst moet gekeken worden welk water een belangrijke functie vervult hierin;
- beheer en onderhoud: het is nodig om het beheer van watergangen en dat van erlangs gelegen wegen goed op elkaar af te stemmen.
Gemeentelijk rioleringsplan 2012-2015
Het aanleggen, beheren en onderhouden van het riool zijn voor de gemeente Utrechtse Heuvelrug gemeentelijke taken met de Wet Milieubeheer als basis (art 10.33). In het gemeentelijk rioleringsplan staat hoe de gemeente om wil gaan met het beheer, onderhoud en de eventuele vervanging van de riolering. Omdat de gemeente in het plan ook aandacht heeft voor regenwater en grondwater, is er sprake van een 'verbreed' Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP).
Particulier terrein
Van de perceeleigenaar wordt verwacht dat de vereiste (waterhuishoudkundige en/of bouwkundige) maatregelen genomen worden om grondwaterproblemen te voorkomen of te bestrijden, voor zover deze problemen niet aantoonbaar worden veroorzaakt door onrechtmatig handelen, of nalaten van een ander, particulier of overheid. De perceelseigenaar dient zelf te zorgen dat verblijfsruimten vochtdicht zijn. Kelders en kruipruimten zijn geen verblijfsruimten. Indien de particulier de hoge grondwaterstand niet eigenhandig kan verhelpen en deze leidt tot aantoonbare overlast, kan het teveel aan grondwater worden aangeboden aan de gemeente, mits aan het ontwatereringscriterium wordt voldaan. Grondwater wordt alleen aangenomen als de afvoer doelmatig gerealiseerd kan worden.
Op eigen terrein heeft de burger dus nadrukkelijk zelf een verantwoordelijkheid om het grondwaterprobleem op te lossen en te voorkomen. De gemeente stelt zich tot doel de burger het mogelijk te maken deze verantwoordelijkheid te nemen. Dit zal voornamelijk bestaan uit het bieden van advies en (personele) ondersteuning door het instellen van een (grond)waterloket.
Aanleg bij bestaande bebouwing
In de gemeente zijn vrijwel alle percelen op het riool aangesloten. Uitzondering hierop vormen twee bungalowparken en een recreatieterrein, alle gelegen op de Heuvelrug. Uitgangspunt van de gemeenteis, dat deze percelen alsnog worden aangesloten op een drukriool. Gezien de kwetsbaarheid van de Utrechtse Heuvelrug is aansluiting op een IBA niet wenselijk. De kosten voor de aanleg van de drukriolering komen voor rekening van de perceeleigenaren.
4.6.4 Watertoets
De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg
opgenomen.
Planspecifiek
Het plan omvat geen bouw- of sloopwerkzaamheden in bestaande of beoogde waterkeringen. Voorts wordt niet voorzien in een toename van verharding of andere wijzigingen van het watersysteem. Daarmee worden negatieve effecten voor het watersysteem uitgesloten.
4.7 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie.
Planspecifiek
Het plangebied ligt binnen de grenzen van het landgoed Zuylenstein. De buitenplaats Zuylestein, onderdeel van het landgoed, is als ensemble als monument aangewezen en is onderdeel van de oostzijde van de Stichtse Lustwarande, een cultuurhistorisch landschappelijk collier van buitenplaatsen en landgoederen op de zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug. Zuylestein vindt zijn oorsprong omstreeks de 14e eeuw. In de 17e eeuw wordt zowel het kasteel als het landgoed aanzienlijk uitgebreid. De 17e eeuwse structuur is nog grotendeels aanwezig en aangewezen als rijksmonument evenals alle bebouwing uitgezonderd het hoofdgebouw. Omdat Zuylestein een van de weinige plekken in Nederland is waar 400 jaar niets is gebeurd, is de buitenplaats aangewezen als rijksmonument (complexnummer 455624). Hiernavolgende afbeelding toont de begrenzing van deze aanwijzing.
Begrenzing Rijksmonument ‘Buitenplaats Zuylestein’
Het plangebied ligt direct ten oosten van de buitenplaats en is niet aangewezen als rijksmonument. Voor het gehele aangrenzende landgoed wordt momenteel vanuit de eigenaren van het landgoed gewerkt aan een toekomstvisie. Deze visie heeft geen betrekking op het agrarische bouwperceel waarvan het plangebied onderdeel uit maakt. Omdat voorliggende ontwikkeling niet voorziet in ingrepen in de gebouwde omgeving of in landschappelijke structuren vormt de mogelijke ontwikkeling van Zuylestein geen belemmering voor het voorliggende initiatief. Bestaande doorzichten en verkavelingspatronen worden immers geheel gehandhaafd, waarmee de leesbaarheid van het gebied in tijd en historie wordt gerespecteerd. De toekomstvisie is overigens nog niet voor besluitvorming aan de gemeente aangeboden. Daarmee is de definitieve uitwerking nog niet vastgesteld.
4.8 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet en de Wet op Archeologie en Monumentenzorg. Op basis van deze wetten zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn, zodat waar nodig die waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
In april 2013 is door de gemeenteraad een Beleidskaart Archeologie vastgesteld. Op de kaart zijn verschillende archeologisch waardevolle gebieden aangegeven. Er is gekozen voor vijf typen archeologie-gebieden waarin verschillende regels voor bescherming van archeologisch erfgoed gelden.
Het plangebied ligt, volgens de archeologische beleidskaart binnen de zones 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. De zone 'Waarde - Acheologie 1' is opgenomen voor gebieden met zeer hoge verwachtingswaarden zoals AMK-terreinen, beschermde landgoederen en historische kernen. De 'Waarde - Archeologie 2'-zone is een bufferzone waarbinnen bodemingrepen groter dan 100 m² niet zijn toegestaan zonder dat vooraf archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in bodemingrepen. Daarmee blijven de eventueel aanwezige archeologische waarden in situ bewaard. Het voorliggende bestemmingsplan bevat een beschermingsregeling voor de (mogelijke) archeologische waarden.
Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rood omcirkeld)
hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen
5.1 Algemeen
Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.LSMrijksstraatwg1a-VA01 met de bijbehorende regels en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de verbeelding) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
5.2.1 Verbeelding
In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).
5.2.2 Regels
De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:
- Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevatten de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
- Hoofdstuk II (artikelen 3 tot en met 5) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook zijn dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen.
- Hoofdstuk III (artikelen 6 tot en met 9) bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.
- Hoofdstuk IV (artikelen 10 en 11) bevat de overgangs- en slotregel.
Regels in verband met de bestemmingen
De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:
- bestemmingsomschrijving;
- bouwregels;
- nadere eisen (indien aanwezig);
- afwijken van de bouwregels (indien aanwezig);
- specifieke gebruiksregels (indien aanwezig);
- afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig);
- omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig);
- omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (indien aanwezig);
- wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig).
Bestemmingsomschrijving
De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld.
Bouwregels
De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Zoals bijvoorbeeld de bouw- en de goothoogtes.
Nadere eisen
Het is mogelijk om in bepaalde gevallen (wanneer dit nodig is in het kader van een goede ruimtelijke ordening) aan de mogelijkheden die in de bouwregels zijn beschreven nadere eisen te stellen. De omstandigheden waaronder deze eisen worden gesteld moeten dan wel duidelijk zijn geformuleerd. Een voorbeeld van een nadere eis is het moeten overleggen van een beplantingsplan.
Afwijken van de bouwregels
Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de algemeen toegestane bouwregels. In een afwijkingsregeling wordt opgenomen waarvan afwijking wordt verleen, de maximale omvang van de afwijking die kan worden toegestaan en eventuele voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning tot afwijken wordt verleend. Een voorbeeld is een afwijkende goot- en/of bouwhoogte in een bepaalde situatie.
Specifieke gebruiksregels
Deze regels zijn in feite een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Hier worden vormen van gebruik beschreven die men in strijd acht met de bestemming, maar waarvan niet direct uit de bestemmingsomschrijving blijkt dat dit zo is. Zo is in de bestemming 'Agrarisch' mogelijk gemaakt dat bepaalde bedrijfswoningen als zogenaamde 'plattelandswoningen' mogen worden bewoond, waarbij de bewoners geen functionele binding meer hoeven te hebben met het agrarische bedrijf op het perceel.
Afwijken van de gebruiksregels
Onder afwijken van de gebruiksregels wordt het mogelijk gemaakt een bepaalde vorm van gebruik toch onder de bestemming te laten vallen. Een afwijking van een gebruiksregel mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het betreft dus altijd gebruik dat inherent is aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het mogen uitoefenen van kleinschalige nevenactiviteiten (in de vorm van ambachtelijke bedrijvigheid, zoals de verkoop van zelfgemaakte kaas) in de bestemming 'Agrarisch'.
5.3 Bestemmingen
In het plangebied is één bestemming weergegeven. Daarnaast kent het plangebied twee dubbelbestemmingen. Hieronder volgt een beschouwing van de bestemming.
5.3.1 Agrarisch met waarden
De bestemming is bedoeld voor de kavel van de woningen Rijksstraatweg 1 en 1a. Deze woning wordt middels voorliggend bestemmingsplan aangewezen als 'plattelandswoning'. Daarmee wordt, met behoud van de agrarische bestemming, burgerbewoning mogelijk gemaakt.
Het toekomstige plattelandswoning maakte onderdeel uit van het bouwvlak van het agrarische bedrijf aan de Rijksstraatweg 1 maar heeft geen functionele binding meer met het agrarische bedrijf. Omdat de gronden worden verkocht aan de toekomstige eigenaar zullen deze niet meer worden gebruikt ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. De bouwrechten voor agrarische bedrijfsbebouwing kunnen derhalve worden geschrapt.
Zoals gesteld is hier, gezien de aanduiding plattelandswoning, het gebruik van de bedrijfswoning ten behoeve van permanente (burger)bewoning is geregeld. Conform de gemeentelijke beleidslijn is bij plattelandswoningen maximaal 50 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Voorts is conform de vigerende bestemmingsplanregeling de maximale inhoudsmaat op 600 m³ gesteld.
5.4 Dubbelbestemmingen
De bestemmingsplanregeling bevat naast de bovengenoemde bestemmingen ook twee dubbelbestemmingen. Dubbelbestemmingen vallen als het ware over 'onderliggende' (enkel)bestemmingen heen en houden beperkingen en aanvullingen in voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van die bestemmingen. Dubbelbestemmingen dienen een specifiek ruimtelijk belang dat middels de dubbelbestemming beschermt wordt.
5.4.1 Waarde - Archeologie
Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek.
Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met de volgende dubbelbestemmingen:
Dubbelbestemming | Archeologisch waardevol gebied | Regime |
| Waarde Archeologie 1 | Zones met een zeer hoge archeologische verwachting - (vroeg) middeleeuwse wegen en paden en grafheuvelbufferzones verwachting | Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 50 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. |
| Waarde Archeologie 2 | Zones met een zeer hoge archeologische verwachting (Bufferzone) | Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. |
In het artikel zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in het artikel en hieronder vallen onder andere 'zaken die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen'. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
- normaal agrarische jaarlijkse werkzaamheden te weten: ploegen, woelen, zaaiklaar maken, oogsten/rooien, stoppelbewerking, graslandwoelen, planten/poten, rooien van bomen in het kader van boomkwekerijen en spitten, op percelen met een agrarische bestemming. Diepploegen en het aanleggen van drainage vallen niet onder de vrijstelling;
- graafwerkzaamheden in het kader van onderhoud aan reeds eerder aangelegde sportvelden waarbij de bodem deels is afgegraven en nieuwe grond is opgebracht;
- het zorgvuldig ruimen van (individuele) graven op de gemeentelijke begraafplaatsen.
5.4.2 Waarde - Ecologie
De dubbelbestemming Waarde - Ecologie is bedoeld om de landschaps- en natuurwaarden van de gronden in stand te houden en te beschermen. Deze bestemming geldt naast de onderliggende (enkel) bestemming en is van toepassing op gebieden die binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vallen. Naast de geldende bouwregels van de enkelbestemming mogen overige bouwwerken ten dienste van de bestemming Waarde - Ecologie worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 meter. Tevens zijn burgemeester en wethouders bevoegd om nadere eisen te stellen aan de situering van de bouwwerken die volgens de andere bestemmingen mogen worden gebouwd. Dit om onevenredige aantasting van de belangen van de landschaps- en natuurwaarden te voorkomen.
5.4.3 Waarde - Landgoed en buitenplaats
De bestemming Waarde -Landgoed en buitenplaats is naast de enkelbestemming(en) van deze gronden bedoeld voor instandhouding van de ter plaatse voorkomende cultuurhistorische waarde en hun samenhang. Hieronder wordt onder andere verstaan de diverse paden, lanen en groenstructuur en bijbehorende kenmerkende overige bouwwerken (zoals entreehekken en bruggen), landhuizen en koetshuizen, waterpartijen en bijzondere landschappelijke elementen.
De bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer dan 6 meter zijn en de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. Daarnaast is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen om te voorkomen dat de bestaande cultuurhistorische waarden onevenredig kunnen worden aangetast.
5.5.1 Anti-dubbeltelregel
Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.
5.5.2 Algemene bouwregels
5.5.2.1 Bestaande situatie
In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij in werkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.
5.5.2.2 Ondergeschikte bouwdelen
Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.
5.5.3 Algemene gebruiksregels
5.5.3.1 Verboden gebruik
In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan: het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning of het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.
5.5.3.2 Uitoefening Bed & Breakfast
Dit artikel sluit aan bij de Nota Verblijfsrecreatie waar is geregeld dat het uitoefenen van een bed & breakfast in een (bedrijfs)woning is toegestaan, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.
5.5.3.3 Uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd vrijstelling te verlenen, ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, andere dan een "vrij" beroep, in een woning en daarbij behorende bijgebouwen.
5.5.4 Algemene afwijkingsregels
5.5.4.1 Algemeen
Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.
5.5.4.2 Afwijking 10% overschrijding
Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.
5.5.5 Overgangs- en slotregel
Hier is het wettelijk overgangsrecht geregeld.
hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
- het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
- het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
- het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Het project wordt op initiatief van de initiatiefnemer gerealiseerd. De economische uitvoerbaarheid van het initiatief is gewaarborgd door middel van planschade-overeenkomst en de gemeentelijke legesverordening . Het project kent verder geen realisatie- of uitvoeringskosten. De gemeentelijke plankosten zijn voldoende gedekt.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een voorontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.1 Inspraakprocedure en vooroverleg ex. artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het vooroverleg ex. artikel 3.1.1 is het plan naar de vooroverlegpartners verstuurd. Van twee vooroverlegpartners zijn een instemmende reacties ontvangen. Deze reacties zijn hiernavolgend opgenomen. De reacties hebben niet geleid tot de aanpassing van het bestemmingsplan.
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR), reactie ontvangen op 6-11-2014
Geachte Mevrouw (.........),
U hebt ons, in het kader van het overleg artikel 3.1.1 van het besluit ordening, het voorontwerp bestemmingsplan Rijksstraatweg 1 en 1 a Leersum ” gestuurd. In het proces van de watertoets voor ruimtelijke plannen wordt in dit stadium een wateradvies van de waterbeheerder verlangd. In deze mail geven wij u ons advies.
Voorafgaand proces
Voor dit plan heeft geen vooroverleg plaatsgevonden.
Onze conclusie
Wij adviseren positief over het plan, Het plan voldoet aan onze belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill principe”. Dit principe houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. In het kort gaat het om:
- Er ontstaat geen toename van de verharding en daarmee is er geen versnelde afvoer van overtollig water.
- De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor andere waterthema’s.
Heeft u nog vragen over deze mail, dan kunt u contact opnemen met de heer (.......). U bereikt hem onder telefoonnummer (................) of e-mail
watertoets@hdsr.nl.
Met vriendelijke groeten,
(.......)
Provincie Utrecht, reactie ontvangen op 7-11-2014
Geacht college,
Op 30 oktober 2014 heeft u ons laten weten dat het voorontwerpbestemmingsplan “Rijksstraatweg1 en 1A in Leersum“ ter inzage ligt. U heeft ons daarbij verzocht om u te laten weten of wij op- en/of aanmerkingen hebben op dit voorontwerpbestemmingsplan.
Het voorliggende bestemmingsplan geeft mij geen aanleiding opmerkingen te plaatsen in het kader van het provinciaal belang zoals dat is opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening, Provincie Utrecht 2013.
Ik vertrouw er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend,
(..........)
6.2.2 Zienswijzenprocedure
Het ontwerp van het bestemmingsplan ”Rijksstraatweg 1 en 1A in Leersum“ heeft op grond van het bepaalde in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht met ingang van 21 november 2014 gedurende zes wekenvoor iedereen ter visie gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen schriftelijk en/of mondeling kenbaar te maken.
Van deze gelegenheid hebben de Provincie Utrecht (d.d. 01-12-2014; kenmerk: Z-GRO_OBP-2014-17033) en het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (d.d. 25-11-2014) gebruik gemaakt. Beide reclamanten geven aan dat het ontwerp bestemmingsplan ”Rijksstraatweg 1 en 1A in Leersum“ geen aanleiding vormt voor het maken van opmerkingen. De zienswijzen hebben derhalve niet geleid tot het wijzigingen van het bestemmingsplan.
6.3 Handhaving
Een ander belangrijk uitvoeringsaspect bij toepassing van het plan is van juridisch aard. et gaat hierbij om de handhaving en het toezicht op naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen "vasthouden". Daarnaast is handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: in beginsel dienen alle grondeigenaren en gebruikers door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan te worden gehouden.
Handhaving bestaat uit drie fasen:
- Handhaving start bij het bieden van de noodzakelijke informatie, in dit geval de informatie opgenomen in dit bestemmingsplan (kaart/digitale verbeelding, regels en toelichting);
- Bij concrete overtredingen zal primair in minnelijk overleg worden getracht deze op te lossen;
- Als het minnelijk overleg niet tot het gewenste doel leidt, zal feitelijk optreden onontkoombaar zijn. Wanneer daadwerkelijk handhavend opgetreden moet worden en de aard van de overtreding het toelaat, gaat de voorkeur naar het opleggen van een last onder dwangsom boven het toepassen van bestuursdwang. In die gevallen waar sprake is van een illegale situatie die acuut gevaar voor mens en omgeving oplevert en die directe actie behoeft, wordt bestuursdwang toegepast.
In beginsel zullen signaleringen van overtredingen, ongeacht de aard en omvang, altijd een vervolg krijgen in de zin van legalisatie (bestemming en/of vergunning), aanschrijving, of onder bepaalde voorwaarden en gedoogbesluit. Alleen op deze wijze kunnen niet gewenste ontwikkelingen tijdig worden tegengegaan en kunnen eventueel te accepteren afwijkingen (tijdelijk) worden gedoogd. Tevens wordt voorkomen dat de handhaving afglijdt naar een ongewenst niveau.
Handhaving vindt plaats aan de hand van controles. Deze vinden op verschillende manieren en momenten plaats:
Via controles achteraf op verleende bouwvergunningen;
- Via ad-hoc controles vanaf de openbare weg en aan de hand van klachten/meldingen van burgers;
- Via een systematische controle 1 keer per jaar, zo mogelijk vanaf de openbare weg en desnoods door percelen te bestreden.
Zodra een overtreding is geconstateerd wordt nagegaan of oplossingen mogelijk zijn (legalisatie). Kan geen vergunning worden verleend (bijvoorbeeld als de overtreding in strijd is met het bestemmingsplan of welstandseisen) dan vindt een gesprek plaats tussen de overtreder en de gemeente. Zo nodig treedt de gemeente handhavend op en kan een dwangsom of bestuursdwang worden toegepast.