Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Broekweg 6-8
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1581.LSMbroekweg6en8-VA01

Toelichting

 
1 Inleiding
 
1.1 Aanleiding en doelstelling
Initiatiefnemers zijn voornemens in hun boerensemble aan de Broekweg 6-8 te Leersum het recht van een tweede woning in het hoofdgebouw uit te plaatsen en een nieuwe vrijstaande woning te bouwen ter plaatse van de huidige schuur. Een dergelijke transformatie past echter niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Leersum 2005, herziening 2009'. Om het plan ten uitvoer te kunnen brengen, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
 
In september 2019 heeft de initiatiefnemer een verzoek tot medewerking gestuurd naar de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Als reactie hierop is geschreven dat er gezocht kan worden naar een rechtvaardigingsgrond in de vorm van een wezenlijke toevoeging van ruimtelijke kwaliteit in de vorm van sloop en/ of de realisatie van nieuwe natuur. In het principeverzoek (dossiernummer: WABO_VO-20-0573) dat naar aanleiding van deze reactie op 18 maart 2020 is ingediend bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug, is beschreven hoe de toevoeging van ruimtelijke kwaliteit vormgegeven wordt. In het principebesluit dat hieropvolgend werd genomen geeft de gemeente aan een positieve grondhouding in te nemen ten aanzien van de bouw van een tweede vrijstaande woning. Hieraan worden nog enkele voorwaarden gesteld, die verderop in dit bestemmingsplan getoetst worden.
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt aan de Broekweg, in het buitengebied tussen Leersum en Doorn. Het betreft de kadastrale percelen in sectie E, nummers 904, 1065 en 1066 met een gezamenlijke oppervlakte van 18.525 m². Het plangebied ligt parallel aan de Broekweg. Het bebouwingsensemble bevindt zich aan de noordoostkant van het plangebied, terwijl de gronden in het zuidwesten onbebouwd zijn. De navolgende afbeeldingen tonen de ligging en de begrenzing van het plangebied.
    
Globale ligging plangebied (bron: Google Earth) 
Begrenzing plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
 
1.3 Geldende plannen
Bestemmingsplan 'Buitengebied Leersum 2005, herziening 2009'
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Leersum 2005, herziening 2009'. Dit bestemmingsplan is op 10 december 2010 vastgesteld door de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. In dit bestemmingsplan beschikken de gronden over de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch gebied met landschapswaarden'. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van dit bestemmingsplan.
 
Uitsnede 'Buitengebied Leersum 2005, herziening 2009' (plangebied is rood omkaderd)
Bestemmingen van 'Buitengebied Leersum 2005, herziening 2009'
 
De als 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen. Uit de planverbeelding blijkt dat in het plangebied tevens de aanduidingen '2W' en 'stacaravan toegestaan' in de bestemming 'Wonen' gevestigd zijn. De aanduiding '2W' geeft aan dat binnen de bestemming 'Wonen' maximaal twee woningen zijn toegelaten, waarbij bepaald is dat deze uitsluitend aaneen mogen worden gebouwd. In de bouwregels is bepaald dat de inhoud van een woning niet meer bedragen dan 600 m³, waarbij de goothoogte niet meer bedragen dan 4,5 m. De goot- en bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mogen maximaal resp. 3 en 6 meter bedragen.
De aanduiding 'stacaravan toegestaan' maakt het mogelijk een stacaravan ter plaatse van de aanduiding te plaatsen.  
 
Omdat met onderhavig plan beoogd is twee vrijstaande woningen mogelijk te maken is het initiatief in strijd met het geldend bestemmingsplan. Overigens is in 1994 reeds medewerking verleend door de toenmalige gemeente Leersum aan twee vrijstaande woningen op het onderhavige perceel. Dat was ook als zodanig opgenomen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Leersum 2005’. Echter, in 2009 is dat omgezet naar twee-aaneengebouwde woningen. De initiatiefnemer heeft daar toen niet op gereageerd, omdat het niet was opgevallen en er ook geen signalen waren dat het bestemmingsplan tussentijds zou worden aangepast van twee vrijstaande woningen naar twee aaneengebouwde woningen.
 
Het overige deel van de gronden in het plangebied is voorzien van de bestemming 'Agrarisch gebied met landschapswaarden'. Deze gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijvigheid en instandhouding van landschapswaarden. Ter plaatse van het plangebied is dat specifiek voor de instandhouding van het half open landschap. Het onderhavige initiatief sluit volledig aan bij de bedoelingen van het geldende bestemmingsplan, waarbij de gronden in het voorliggende bestemmingsplan, op verzoek, worden voorzien van de bestemming 'Natuur'.
 
Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening
Het plangebied is gelegen binnen het paraplubestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening'. Met de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening beschikt de gemeente over de mogelijkheid om bij ruimtelijke ontwikkelingen - ten behoeve van voldoende parkeergelegenheid voor het parkeren of stallen van auto's - te toetsen aan de parkeernormen uit het 'Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan' (GVVP). Tevens is in de bouwverordening de maximaal toegestane bouwhoogte voor bouwwerken opgenomen die gelden op het moment dat een vigerend ruimtelijk plan hierin niet voorziet.
1.4 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een algemene beschrijving van het plan weergegeven. De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.
 
Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.
 
Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.
 
In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord. Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.
 
2 Het plan
2.1 Huidige situatie
Sinds 1900 is op dit perceel een boerenbedrijf gevestigd, waarbij tot aan 1995 het perceel bestond uit een weidegebied aan de zuidwestzijde en een bebouwd gebied aan de noordoostzijde. De bebouwing bestond uit de oorspronkelijke boerderij en diverse bijgebouwen, opstallen, overkappingen en een stacaravan. Op het perceel waren toen drie huishoudens woonachtig; twee in het hoofdgebouw en één in de stacaravan. Het perceel was functioneel ingericht zonder veel oog voor de ecologie of de oorspronkelijke uitstraling van een kleinschalig agrarisch ensemble. Er was geen randbeplanting, het erf werd omheind met een eenvoudig hekwerk van paal en draad. Het perceel is met twee toeritten ontsloten vanaf de Broekweg. De betreffende weg vormt particulier terrein, met een recht van overpad.
 
Situatie van rond 1995 met diverse opstallen en stacaravan, er zijn al diverse bijgebouwen gesloopt (bron: initiatiefnemer)
Huidige situatie; vooraanzicht aan de Broekweg (bron: initiatiefnemer)
 
Tot 1995 woonden er drie huishoudens op het perceel, conform de nu nog geldende mogelijkheden. Vanaf die tijd is het perceel in gebruik is bij één huishouden, wat nu de huidige eigenaren/initiatiefnemers zijn. Zij hebben het bestaande boerenensemble in de loop der jaren met veel zorg aangepast. Voor de landschappelijke inrichting heeft de stuurgroep Kromme Rijnlandschap een voorstel gedaan. De initiatiefnemer heeft alle voorstellen die de stuurgroep heeft gedaan overgenomen en uitgevoerd. Landschapsbeheer Utrecht heeft deze voorstellen bekeken en als positief beoordeeld.
 
Bestaand woonhuis en erfinrichting met boomgaard (bron: Buro SRO, februari 2020)
 
Het terrein rondom het boerenensemble is met passende streekeigen beplanting en verharding ingericht. Er zijn diverse soorten hagen aangeplant, streekeigen beplanting toegevoegd en een aantal solitaire bomen. De verharding bestaat uit boerengrind en gebakken klinkers. De onnodige en vervallen bebouwing met een gezamenlijke oppervlakte van 400 m² is rond 1995 gesloopt. De overige bebouwing is met behulp van een architect met veel gevoel voor historie gerestaureerd. Aan de westzijde van het hoofdgebouw is de varkensstal omgebouwd tot werkruimte / atelier. De kapschuur achter de boerderij is karakteristiek en passend bij dit ensemble. Aan de westzijde van het erf staat een voormalige stal die nu in gebruik is als schuur en werkplaats. Het voornemen is om op deze plek de tweede vrijstaande woning te realiseren.
 
Voor een uitgebreide beschrijving van de huidige situatie wordt verwezen naar de landschappelijke inpassing (zie bijlagen bijlage 1). Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie.
 
Huidige situatie met bebouwing en landschappelijke elementen (bron: notitie 'Landschappelijke inpassing vrijstaande woning', Buro SRO, 21 september 2020)
Houtwal langs de Broekweg (bron: Buro SRO, februari 2020)
De poel met twee elzen gegraven in 2000 (bron: Buro SRO, februari 2020)
2.2 Projectbeschrijving
De wens van de initiatiefnemers is om het huidige perceel in tweeën te splitsen en op het zuidwestelijke perceel een tweede vrijstaande woning te bouwen die duurzaam en levensloopbestendig wordt uitgevoerd. Deze woning zal initiatiefnemers zelf bewoond gaan worden.
 
Bestaande schuur/werkplaats (Bron: Buro SRO, februari 2020)
 
De beste plek voor een nieuw bouwwerk is ter plaatse van de huidige schuur en werkplaats, de vroegere veestal die deel onderkelderd is met een giertank. Dit is één van de grootste bouwwerken die nu op het perceel staat. Met de nieuwbouw ter plaatse van de huidige schuur wordt het authentieke boeren ensemble niet aangetast. De nieuwe bebouwing neemt qua oppervlakte iets af ten opzichte van de huidige stal. Op navolgende afbeelding is de beoogde inrichting van het woonerf weergegeven.
 
Inrichting erf beoogde situatie (bron: notitie 'Landschappelijke inpassing vrijstaande woning', Buro SRO, 7 juni 2021)
  
De beoogde 'schuurwoning' krijgt de uitstraling van een agrarisch bijgebouw met één laag en een kap, gelijkend op de huidige schuur. De maximale inhoud van de nieuwe woning bedraagt 600 m³ met een geïntegreerd bijbehorend bouwwerk (garage-berging) van circa 50 m² en met een kap. Er worden geen bijbehorende bouwwerken toegelaten buiten het bouwvlak. De bouw wordt duurzaam en zorgvuldig uitgevoerd met robuuste materialen in een neutrale kleurstelling. Ook wordt er natuurinclusief gebouwd zodat er ruimte wordt gecreëerd voor bijvoorbeeld vleermuizen en uilen.
 
Verder worden er nog verschillende landschapselementen toegevoegd, die in overleg met de stuurgroep Kromme Rijnlandschap tot stand zijn gekomen. Een uitgebreide omschrijving van de landschapselementen is terug te vinden in de landschappelijke inpassing (zie bijlagen bij de regels bijlage 2). Op hoofdlijnen bestaan deze ingrepen uit het herstellen en aanvullen van aanwezige elementen. Zo is er met de bouw van de nieuwe stalwoning de mogelijkheid om de huidige hoogstamboomgaard aan te vullen en uit te breiden over beide woonpercelen. Dit element verbindt de twee percelen met elkaar en zorgt ervoor dat het huidige perceel en de bebouwing de uitstraling behouden van één bijpassend ensemble en erf.
Huidige inrichtingselementen blijven behouden, een tweede inrit is al aanwezig en zorgvuldig uitgevoerd in klinkers en boerengrind. Ook wanneer er nieuwe erfinrichtingselementen worden toegevoegd (zowel groen als verharding) is dit in overeenstemming met en passend bij de huidige uitstraling en materialisatie.
Met deze aanpassingen wordt ook het recht van het plaatsen van een stacaravan ingeleverd.
2.3 Toetsing aan randvoorwaarden
In het eindadvies d.d. 20 augustus 2020 (kenmerk WABO_VO-20-0573) van de gemeente Utrechtse Heuvelrug op het principeverzoek, geeft de gemeente aan een positieve grondhouding in te nemen ten aanzien van de bouw van een tweede vrijstaande woning. Daarbij hebben een aantal zaken meegewogen:
  • De aanpassing is niet zeer ingrijpend voor ruimtelijke begrippen, want er is al een mogelijkheid geboden voor 2 woningen, zij het aaneen gebouwd, en bovendien komt de tweede woning op de plek van een te slopen agrarische schuur. Het bebouwde oppervlak wordt zelfs iets kleiner. Het bijgebouw wordt in dat volume geïntegreerd en dus komt er geen vrijstaand bijgebouw bij de tweede woning.
  • De mogelijkheid om een stacaravan te plaatsen wordt wegbestemd.
  • Er zijn al twee bestaande uitritten.
  • Er heeft in de afgelopen jaren een flinke kwaliteitsverbetering plaats gevonden: er zijn opstallen gesloopt (plm. 400 m²), een houtwal aangeplant, een hoogstamboomgaard gerealiseerd, hagen en solitaire bomen geplant, een poel aangelegd en sloten verbreed.
  • Daarnaast heeft initiatiefnemer aangegeven dat een knotelzenrij zal worden aangelegd en een gemengde struweelrand naar het bestaande bosje. Dit alles in overleg met de gemeentelijke landschapsarchitect. 
Daarnaast geeft de gemeente te kennen dat de provincie Utrecht om een ambtelijke reactie gevraagd is en dat daar een positieve reactie op kwam.
 
In reactie op het door initiatiefnemers ingediende principeverzoek zijn door de gemeente Utrechtse Heuvelrug de navolgende voorwaarden gesteld. Daarbij is per voorwaarde weergegeven hoe er mee om wordt gegaan. 
  1. de wijzigingen in het bestemmingsplan moeten met een partiële herziening worden besloten, zodat deze ook inderdaad in ons gemeentelijk bestemmingsplan worden vastgelegd;
    • Reactie: voorliggend bestemmingsplan voorziet in deze partiële herziening.
  2. daarbij moet de Agrarische bestemming worden omgezet naar Natuur, Wonen naar 2 vrijstaande woningen (de aaneen gebouwde vervalt en het huisnummer daarvan dus ook), en de standplaats voor een stacaravan verdwijnt uit het bestemmingsplan;
    • Reactie: voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
  3. de tweede vrijstaande woning wordt gesitueerd op de plek van de agrarische schuur/werkplaats. Zolang er binnen die contouren wordt gebouwd is geen archeologisch onderzoek nodig, daarbuiten dus wel;
    • Reactie: de tweede vrijstaande woning wordt gesitueerd op de plek van de schuur.
  4. aangeraden wordt om zoveel mogelijk natuurinclusief te bouwen;
    • Reactie: zoals blijkt uit de landschappelijke inpassing (bijlagen bijlage 1) hebben initiatiefnemers het voornemen natuurinclusief te bouwen.
  5. voor de tweede woning moet een nieuwe rioolaansluiting worden aangevraagd bij de gemeente.
    • Reactie: hier zal aan voldaan worden. 
Er wordt voldaan aan de voorwaarden van de gemeente.
2.4 Ruimtelijke gevolgen
Op basis van het advies van de gemeente Utrechtse Heuvelrug (d.d. 18 augustus 2020) naar aanleiding van het principeverzoek  is er voor gekozen om het westelijke perceelsgedeelte te voorzien van de bestemming 'Natuur' in plaats van de bestemming 'Agrarisch met landschapswaarden', terwijl voor het noordoostelijke deel de bestemming ‘Wonen’ gehandhaafd blijft. Hierbij wordt wel de aanduiding 'stacaravan toegestaan' verwijderd.
 
Het bouwvlak van de te handhaven woning Broekweg 6 wordt nauwgezet afgestemd op de bestaande situatie, terwijl de nieuw te bouwen woning wordt voorzien van een nieuw bouwvlak, afgestemd op de beoogde nieuwbouw ter plaatse van de schuur. Daarbij worden de binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug gebruikelijke mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken geboden, maar deze dienen hier voor de tweede vrijstaande woning wel binnen het bouwvlak te worden geplaatst, om te voorkomen dat een nieuw vrijstaand bijgebouw bij deze tweede woning wordt geplaatst. Hiervoor is de aanduiding 'bijgebouwen uitgesloten' opgenomen op de verbeelding. De overige bestaande bijbehorende bouwwerken mogen worden gehandhaafd.
 
3 Algemeen ruimtelijk beleidskader
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:
  1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  3. sterke en gezonde steden en regio's;
  4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. 
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
    
Planspecifiek
Onderhavig initiatief past binnen de vierde prioriteit, waarmee het initiatief passend is binnen de intenties van dit rijksbeleid.   
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 en 1 juli 2014 op onderdelen aangevuld.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast betreft het een transformatie en is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
 
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 
  1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
  2. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.
  3. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek
Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Met onderhavige ontwikkeling wordt slechts de realisatie van één woning beoogd. Daarbij zijn er op het perceel reeds twee woningen toegestaan. De ontwikkeling is daarmee niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling, waardoor de 'stappen van de ladder' niet doorlopen behoeven te worden. Desondanks dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de ontwikkeling aangetoond te worden. 
 
Behoefte
Het voorliggende initiatief voorziet in de specifieke behoefte van de initiatiefnemer om in een energieneutrale en levensloopbestendige woning te kunnen wonen. Gezien het feit dat er in de Utrechtse Heuvelrug vraag is naar woningen, zoals blijkt uit toelichting paragraaf 4.2, is het feitelijk toevoegen van een nieuwe vrijstaande woning een wenselijke ontwikkeling.
 
Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
 
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht
De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
  • waarin Stad en land gezond zijn;
  • die Klimaatbestendig en waterrobuust is;
  • waarin Duurzame energie een plek heeft;
  • met Vitale steden en dorpen;
  • die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is;
  • met een Levend landschap, erfgoed en cultuur;
  • die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft. 
Slim combineren
Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers.
 
Concentreren
Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel.
 
Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie
De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
 
Planspecifiek
Voorliggend plan raakt aan de pijler van de omgevingsvisie die betrekking heeft op het landelijk gebied. De provincie wil de kwaliteit en dynamiek van het landelijk gebied behouden en koestert daarom de functies die bijdragen aan behoud van de openheid, kwaliteit en/of beleefbaarheid van het platteland, zoals landbouw en natuur. Slechts in bijzondere situaties en onder voorwaarden zijn ontwikkelingen van niet aan het landelijk gebied gebonden functies aanvaardbaar. Die situaties hebben veelal betrekking op de herbestemming van bestaande bebouwde erven en op de toevoeging van nieuwe kwaliteit. Voorliggend plan is in lijn met de voorwaarden van de provincie, doordat er verdere kwaliteit wordt toegevoegd aan het plangebied en er sprake is van een efficiënter ruimtegebruik, door een beperkt gebruikte en vervallen schuur te slopen. Daarnaast kan, gezien het hier gaat om een 'verplaatsing' van een woning, worden gesteld dat er geen sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Bovendien vindt een beperkte afname van de bebouwing plaats, waarmee er feitelijk sprake is van ruimtelijke ‘winst’.
 
Om verder inzichtelijk te maken of voorliggend plan voldoet aan het beleid van de provincie Utrecht is het plan getoetst aan de kaartlagen van de kaart behorende bij de omgevingsvisie. De relevante kaartlagen worden hieronder behandeld.
 
Landschap
In de Omgevingsvisie Provincie Utrecht zijn verschillende landschappen onderscheiden. Het plangebied maakt deel uit van 'Landschap Rivierengebied', zoals te zien is op onderstaande afbeelding.
 
Landschappen provincie Utrecht (plangebied gele druppel, bron: provincie Utrecht)
   
Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied dient aansluiting te worden gevonden bij de kernkwaliteiten van het gebied. Voor het Rivierengebied gaat het om de volgende kwaliteiten:
  1. schaalcontrast van zeer open naar besloten;
  2. samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal - kom;
  3. samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal – rivier;
  4. de Kromme Rijn als vesting en vestiging. 
Doordat in het plangebied bebouwing is opgeruimd en er beplanting is toegevoegd aan de bij het perceel behorende weide, zoals weergegeven in de landschappelijke inpassing (bijlagen bijlage 1), wordt er recht gedaan aan de kernkwaliteiten van het Rivierengebied. Het past immers in de geleidelijke overgang tussen het verkavelingslandschap bij Langbroek en het bosgebied van deelgebied flank. Daarnaast heeft de planontwikkeling, door de beperkte omvang, slechts een beperkte invloed op de schaalcontrasten en samenhang in het Rivierengebied.
 
Het voorgenomen initiatief is in lijn met de in de omgevingsvisie omschreven ambities en kwaliteiten. De overige relevante thema's worden behandeld in toelichting paragraaf 3.2.2.
 
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht
Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's:
 
De Omgevingsverordening
In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken.
 
De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden.
 
Programma's 
Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. 
 
Planspecifiek
Vanuit de verordening zijn de volgende bepalingen relevant voor het plangebied:
  • Cultuurhistorische hoofdstructuur
  • Landschap
  • Beschermingszone drinkwaterwinning
  • Verstedelijkingsverbod landelijk gebied 
Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) - Historische buitenplaatszone
De provincie geeft aan dat voor historische buitenplaatszones het beleid gericht is op enerzijds veiligstellen en anderzijds ruimte bieden voor ontwikkeling. Gemeenten dienen bij planontwikkeling voorwaarden op te stellen op basis van de cultuurhistorische samenhang in de buitenplaatszone, gericht op het in stand houden en versterken van de cultuurhistorische waarden. Voorliggend plan ligt in de buitenplaatszone die bekend staat als de Stichtse Lustwarande. Het ligt in de buurt van buitenplaats Darthuizen. Ter plaatse van het plangebied is de beleving van de buitenplaatsen niet te ervaren. Daarnaast is het initiatief van een dusdanig kleine schaal dat de cultuurhistorische waarden van de buitenplaatszone niet in het geding komt. Hiermee is het plan een uitzondering op het verstedelijkingsverbod van artikel 9.2 en is het in lijn met de eisen van de provincie.
 
Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) - Archeologie
Het plangebied bevindt zich in de Romeinse Limeszone, waardoor er sprake is van een hoge archeologische verwachtingwaarde. Dit betekent dat er archeologisch onderzoek nodig is voor werkzaamheden die uitgevoerd worden in een oppervlakte van meer dan 100 m² waarbij de grond dieper wordt geroerd dan 30 centimeter. Hiervan kan op basis van een archeologische onderbouwing gemotiveerd afgeweken worden. In toelichting paragraaf 4.8 komt dit uitgebreid aan bod. Uit deze paragraaf blijkt dat archeologische waarden niet worden geschaad en ter bescherming van de archeologische waarden een dubbelbestemming wordt opgenomen. Daarmee is het initiatief niet in strijd met art. 7.7 van de omgevingsverordening.
  
Landschap - Rivierengebied
De kernkwaliteiten van het Rivierengebied, zoals omschreven in toelichting paragraaf 3.2.1, komen met een kleinschalige ontwikkeling als onderhavig plan niet in het geding.
 
Beschermingszone drinkwaterwinning
Het plangebied ligt binnen een gebied dat is aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied (art. 3.5). Dit is weergegeven op onderstaande afbeelding.
 
Uitsnede kaart Kwetsbare strategische grondwatervoorraad (plangebied gele druppel, bron: provincie Utrecht)
 
In artikel 3.7 van de omgevingsverordening is bepaald dat een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'kwetsbare strategische grondwatervoorraad' bestemmingen en regels dient te bevatten die het waterwinbelang beschermen. Het beleid is gericht op het voorkomen dat de risico's op verslechtering van de bronnen toenemen, bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe functies een verontreinigingsrisico vormen voor het grond- en oppervlaktewater. In paragraaf toelichting paragraaf 4.5.3 wordt hierbij stil gestaan.
 
Verder is in de 'Handreiking ruimtelijke bescherming grondwaterwinning' nader uitgewerkt hoe men in ruimtelijke plannen rekening kan houden met de bescherming van grond- en oppervlaktewater dat voor de drinkwaterbereiding wordt gebruikt. Navolgende kaart bij de Provinciale milieuverordening 2013 (hierna: PMV) geeft de verschillende beschermingszones weer:
 
Grondwaterbeschermingszones (plangebied zwart omcirkeld)
 
Het plangebied ligt niet in één van de in de PMV aangewezen beschermingszones, waardoor er ter plaatse geen bijzondere zorgplicht geldt. De beoogde ontwikkelingen betreffen tevens geen functies die een hoger verontreinigingsrisico voor het grond- en oppervlaktewater vormen dan de huidige functies.
 
Verstedelijkingsverbod landelijk gebied
Zoals in toelichting paragraaf 3.1.3 beschreven is voorliggend plan dusdanig van aard dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het plan is dan ook niet in strijd met art. 9.2 van de Interim omgevingsverordening.
 
Conclusie
Er komen geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan voort uit de Interim omgevingsverordening; het plan is in lijn met de provinciale ambities.
 
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal'
De gemeenteraad heeft op 28 januari 2010 de structuurvisie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. De gemeente wil met deze visie de 'kwaliteit van de leefomgeving' en de ‘groene positie in de regio' van de gemeente behouden en versterken. Deze ambities zijn themagericht en gebiedsbericht uitgewerkt. De zes uitgewerkte thema's zijn: 
  1. Natuur over de heuvels; het ontwikkelen van een zo robuust mogelijke groene structuur voor natuur, cultuurhistorie en landschap die de hele gemeente omvat en doordringt.
  2. Op de schouders van ons erfgoed; het behouden en geven van betekenis aan de grote rijkdom aan cultuurhistorisch erfgoed die de gemeente kent, alsmede De Stichtse Lustwarande versterken en toeristisch aantrekkelijk maken.
  3. Duurzaam bereikbaar; bereikbaarheid en verkeersdoorstroming verbeteren en tegelijkertijd verkeer en vervoer duurzamer maken zodat het leefklimaat erop vooruit gaat en daarmee de aantrekkelijkheid voor inwoners, recreanten en ondernemingen.
  4. Leefbare dorpen; versterken van de eigen identiteit per dorp, alsmede het behouden en versterken van de levendige dorpsharten met samenhang in wonen en voorzieningen voor jong en oud.
  5. Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug; het duurzaam versterken van natuurgerichte vormen van dagrecreatie en verblijfsrecreatie, het ontwikkelen van cultuurhistorisch gerichte vormen van recreatief medegebruik en ruimte vinden voor sport.
  6. Maatwerk voor wonen en werken; het sociaal en functioneel duurzaam in standhouden van de samenleving middels het streven naar een stabiel bevolkingsaantal met een redelijk evenwichtige verdeling van bevolkingsgroepen in leeftijd, inkomen en opleiding. Een opgave ligt onder andere bij woningbouwprogramma inbreidingslocaties. 
Planspecifiek
Het plangebied ligt in het gebied dat op de structuurvisiekaart behorende bij de Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal' is aangewezen als 'Darthuizen en omgeving' (zonenummer 1.6). De beleidsrichting 'Darthuizen en omgeving' is gericht op een levensvatbare toekomst voor de agrarische sector in combinatie met het versterken van de natuurstructuur.  
Hierbij geldt dat binnen de bestaande mogelijkheden van het bestemmingsplan in het gebied (her)ontwikkelingen mogelijk zijn voor functies als recreatie, wonen of werken. Voorwaarde daarbij is dat de uitstraling op het gebied zoveel mogelijk vermindert. Woningen en andere gebouwen zijn alleen gewenst als ze historisch zijn of van hoge ruimtelijke kwaliteit.
 
In onderhavig geval zorgen de ontwikkelingen, waarbij in een eerder stadium reeds een aanzienlijke hoeveelheid bedrijfsbebouwing is verwijderd en diverse passende landschappelijke aanpassingen zijn gedaan, ervoor dat beter aangesloten wordt bij de kwaliteiten van het gebied. Ook onderhavig initiatief en de daarmee samenhangende verdere aanpassingen van de landschappelijke inrichting dragen daar aan bij. Dit krijgt gestalte bij de verdere uitwerkingen, zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan (zie bijlagen bijlage 1). Hierbij is aangesloten bij de bevindingen en voorstellen van Stuurgroep Kromme Rijnlandschap.
 
Geconcludeerd kan worden dat het plan in lijn met de structuurvisie.
 
4 Specifieke regelgeving en beleid
In dit hoofdstuk dient het specifieke beleid en de wettelijke verplichtingen per sector beschreven te worden. Vervolgens dient per sector te worden aangegeven in hoeverre de ontwikkelingen in het plan zich verhouden tot dat specifieke beleid en die wettelijke verplichtingen. In de toelichting dient dit duidelijk te worden beschreven. Zo nodig wordt dit onderbouwd met onderzoek(en). Als niet wordt voldaan aan het beleid of onderdelen daarvan zal gemotiveerd moeten worden aangegeven worden waarom in dit geval het gerechtvaardigd is om van dit beleid af te wijken. Of in ander geval dit wordt gecompenseerd in een ander plan. Afhankelijk van het plan moet bekeken worden welk beleid, wetgeving en onderzoek relevant is.
4.1 Beeldkwaliteit
De welstandsnota (2008) van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, die herzien is in 2017 en nu 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit' heet, beschrijft het welstandsbeleid en dient als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De gemeente streeft naar een consistent welstandsbeleid waarbij gelijke gevallen op gelijke locaties hetzelfde worden behandeld. Welstand is onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid.
De gemeente kan de welstandscriteria differentiëren naar gebieden en naar het detailniveau van de criteria. Een historisch centrum vraagt om een andere benadering dan een bedrijventerrein. De wijze van indeling in gebieden kan typologisch of topografisch zijn; dat wil zeggen naar soort zoals woon- en werkgebieden, het voorzieningencentrum, centrumrand, buitengebied enzovoort, of naar specifieke plaatselijke kenmerken. Deze gebieden komen terug in de nota Ruimtelijke Kwaliteit (2008).
   
Overgangsgebieden
In het buitengebied van de gemeente Utrechtse Heuvelrug worden drie verschillende overgangsgebieden waargenomen. In de overgangsgebieden wordt het bebouwingsbeeld in grote mate bepaald door de agrarische bebouwing. In mindere mate komen historische boerderijen voor. Dit zijn veelal boerderijen van het hallenhuis- of langhuistype. Andere voorkomende boerderijtypen zijn de krukhuis- en dwarshuisboerderij. Deze historische bouwwerken zijn erg waardevol. Naast de historisch agrarische bebouwing komt er ook modernere agrarische bebouwing voor. Hiermee wordt bebouwing van na de Tweede Wereldoorlog bedoeld. Een kenmerk hiervan is de scheiding van het hoofdgebouw van de (agrarische) bijgebouwen. Daarnaast komen ook woningen, campings en andere recreatieve bebouwing voor.
 
Planspecifiek
Onderhavig plan voorziet in het slopen van een bedrijfsgebouw, zodat op die plek een woning gebouwd kan worden. De nieuwe woning wordt gebouwd als schuurwoning, waardoor het aansluit op de bestaande boerderij. Daarmee blijft de agrarische uitstraling van het perceel behouden, waarmee het passend is in het bebouwingsbeeld van de overgangsgebieden.
 
De woning sluit wat betreft massa en vorm aan bij de woningen in de omgeving. Verder wordt de woning opgetrokken uit hoogwaardige, duurzame materialen. De materialisering komt nader aan de orde bij de welstandstoetsing in het kader van de omgevingsvergunning.
4.2 Wonen
In augustus 2018 is de 'Woonvisie 2018-2022' van de gemeente Utrechtse Heuvelrug vastgesteld. Met de woonvisie wordt richting aan demografische ontwikkelingen, veranderingen in de samenleving en wetgeving op het gebied van wonen gegeven. Voor de woonvisie zijn demografische prognoses tot 2040 gebruikt, maar de focus ligt op de komende vier jaar. De woonvisie bestaat uit drie hoofdthema's: 
  1. woningmarkt in beweging;
  2. thuis in de wijk;
  3. duurzaam wonen.
De gemeente Utrechtse Heuvelrug maakt deel uit van een regionale woningmarkt waar de vraag naar woningen groter is dan het aanbod. Doordat de vraag groter is dan het aanbod en de voorraad niet goed aansluit bij de vraag is het voor de inwoners van de gemeente moeilijk om te verhuizen naar een geschikte woning. Om de druk niet verder op te laten lopen is het daarom belangrijk dat er voldoende woningen worden bijgebouwd. De ambitie is om woningen voornamelijk binnen de rode contouren toe te voegen. 
 
Planspecifiek
Onderdeel van voorliggend initiatief is het realiseren van een energiezuinige en levensloopbestendige vrijstaande woning. Dit sluit aan op de ambities 'thuis in de wijk' en 'duurzaam wonen'. Daarnaast levert het een bijdrage aan het woningaanbod in de gemeente en voorziet de woning direct in een geschikte woning voor initiatiefnemers.
 
Er kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan in lijn is met de ambities van de woonvisie.
4.3 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. In het kader van het aspect verkeer en parkeren is, zoals geregeld  in het 'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening' (2018), het Gemeentelijk verkeers- en vervoerplan (GVVP) van belang. Dit plan is op 2 februari 2010 vastgesteld door de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het GVVP biedt ondermeer een realistisch en concreet beleidskader voor het optreden van de gemeente op het gebied van verkeer en vervoer. Concrete verzoeken van inwoners en herinrichtingsplannen van de gemeente worden getoetst aan dit beleid, maar het bepaalt ook het gemeentelijk standpunt bij regionale ontwikkelingen en projecten.
 
Planspecifiek
Parkeren
Voor de te hanteren parkeernormen wordt verwezen naar het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), vastgesteld door de raad op 2 februari 2010. Het voorliggende bestemmingsplan is voorzien van een parkeerregeling, met een verwijzing naar dat plan. Dit is conform het  'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening', waarbij het plangebied wordt beschouwd als gelegen in het buitengebied, weinig stedelijk en een minimale norm. Voor elke vrijstaande woning wordt uitgegaan van 2.0 parkeerplaatsen per woning. Hierin wordt voorzien middels parkeren op eigen terrein. Uitgegaan wordt van het behouden van de twee bestaande inritten vanaf de Broekweg.
 
Verkeer
De woningen worden, conform de huidige situatie, ontsloten op de Broekweg. De Broekweg is ter hoogte van het plangebied afgesloten voor verkeer middels slagbomen, waardoor er amper verkeer over de weg rijdt. Ten aanzien van het wonen blijft de situatie planologisch gelijk, aangezien er in de huidige situatie reeds een tweede woning is toegestaan. Desondanks is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de toename aan verkeer in beeld gebracht te worden.
 
Om de verkeerstoename te kunnen berekenen wordt aansluiting gezocht bij de kencijfers van CROW-publicatie 381. Uit deze kencijfers blijkt dat er voor een vrijstaande woning in een 'weinig stedelijk' 'buitengebied' een norm van 8,2 gehanteerd wordt. Dit betreft dus de verkeerstoename ten gevolge van voorliggend plan. Gezien de capaciteit van de Broekweg en de zeer rustige aard van het gebied is de reële verwachting dat deze toename gemakkelijk opgevangen kan worden.
 
Geconcludeerd wordt dat zowel parkeren als verkeer in de toekomstige situatie gemakkelijk opgevangen kunnen worden.
4.4 Milieu
4.4.1 Bodem en asbest
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
Een woning wordt gezien als een gevoelige functie. In de huidige situatie geldt er in het gedeelte van het plangebied waar de woning gerealiseerd wordt reeds een woonbestemming, waardoor er geen sprake is van een strenger bodemgebruik. Daarnaast is er voor het plangebied reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Grontmij, 11/2384/OR, d.d. juni 1994, zie bijlagen bijlage 2). Uit dit onderzoek blijkt dat de aangetroffen parameters in de grondmonsters en het grondwater dusdanig laag zijn dat er geen sprake is van een verhoogd risico voor de gezondheid en/of het milieu. Dit onderzoek is echter verouderd; het is ruim 25 jaar oud en er zijn sindsdien meerdere wijzigingen geweest in de richtlijnen (uitvoering, opzet, erkenningen) van een NEN-onderzoek en het NEN-stoffenpakket (sinds 2008). Er is een nieuw onderzoek conform de actuele onderzoeksmethoden benodigd. Daarom is een verkennend (asbest)bodemonderzoek NEN 5707 uitgevoerd (Inventerra, 21-2077-R01AvH, d.d. 13 april 2021, zie bijlagen bijlage 3). In dit onderzoek is de puinverharding niet meegenomen, aangezien deze intact blijft. Ook het perceelsgedeelte dat vroeger in gebruik is geweest als een boomgaard wordt niet meegenomen, aangezien daar geen verdere ingrepen zijn voorzien. Deze deellocaties blijven daarmee verdacht op de aanwezigheid van verontreiniging en dienen bij eventuele toekomstige bodemingrepen te worden onderzocht, omdat voorkomen moet worden dat er in sterk verontreinigde grond gewerkt gaat worden. Navolgend zijn de belangrijkste conclusies van het onderzoek weergegeven.
 
Op de locatie is een schuur aanwezig die tot circa 20 jaar terug voorzien was van een asbestdak, dat direct afwaterde op onverhard maaiveld. Het dak is inmiddels voorzien van niet asbesthoudende golfplaten. Desondanks is de bodem verdacht voor verontreiniging met asbest onder de druppelzones van het voormalige asbestdak. Uit de resultaten van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat de gemeten asbestgehalte lager is dan de waarde van 50 mg/kghds waarboven nader onderzoek nodig is. Ook de tijdens eerder onderzoek gemeten matig verhoogde concentratie zink in het grondwater en nikkel in de bodem geven geen aanleiding tot aanvullend onderzoek.
 
Er kan geconcludeerd worden dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt het terrein geschikt is voor de huidige en de toekomstige bestemming.
 
4.4.2 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): 
  • woningen;
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen). 
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
Planspecifiek 
De planlocatie ligt binnen de wettelijk vastgestelde zone van de Broekweg. Het gaat evenwel om een rustige straat, die bovendien ter hoogte van het plangebied enkel toegankelijk is voor bestemmingsverkeer. Om de laatstgenoemde reden is toetsing aan de Wet geluidhinder niet relevant, want de verkeersstromen zijn zodanig laag dat er amper geluid door verkeer geproduceerd wordt.
 
Desondanks is in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken naar de geluidbelasting, gebruik makend van Geoloket van de ODRU. De daar vermelde geluidbelasting is inclusief aftrek ex. art. 110g Wgh en betreft het peiljaar 2030. Op onderstaande afbeelding is te zien dat de geluidbelasting op de locatie ruim onder de voorkeurswaarde (48 db) van de Wet geluidhinder ligt.
 
Gecumuleerde geluidbelasting veroorzaakt door wegverkeerslawaai (Bron: Geoloket ODRU, 21-09-2020)
 
De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt in het plangebied minder dan 38 dB. Er wordt daarmee aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder voldaan. Er is voorts geen sprake van cumulatie in de zin van de Wet geluidhinder, aangezien de voorkeursgrenswaarde wordt gerespecteerd en geen sprake is van andere geluidbronnen. Voor het aspect geluid is daarom sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor het voorliggende initiatief.
 
4.4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
 
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
Met de voorgenomen wijziging krijgt het plangebied de bestemming 'Wonen'. De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
 
Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit de Atlas blijkt dat ter plaatse de achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied respectievelijk 19,3 μg/m³ PM10, 11,7 μg/m³ PM2,5 en 13,3 μg/m³ NO2 bedragen. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. De advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarde voor PM10 maar niet voor PM2,5. Omdat het gaat om een lichte overschrijding is de verwachting dat door verbetering van de autotechniek er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
 
4.4.4 Bedrijven en milieuzonering
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik.
 
Indien nieuwe milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen of scholen, mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van bestaande bedrijven dan dient de geluidsruimte die het bedrijf heeft op basis van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), of zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning, te worden gerespecteerd. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is. Hierbij kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' editie 2009 gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. De handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: 
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Spuitzones
Bij de teelt van gewassen moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Vanwege het ontbreken van wetgeving is een in de praktijk (als gevolg van jurisprudentie) gegroeide vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 m tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies in acht moet worden genomen. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Daar vallen dus ook achtertuinen bij woningen onder. In december 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2020:3018) geoordeeld dat afwijken van de richtafstand van 50 meter alleen mogelijk is op grond van locatiegericht onderzoek.
 
Planspecifiek
Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Derhalve is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van het plangebied. Het plangebied wordt volledig omgeven door agrarische percelen, waarvan een deel bestemd is als kwekerij. Het gebied kan aangemerkt worden als 'gemengd gebied' doordat er verschillende functies aanwezig zijn, waaronder wonen en (agrarische) bedrijvigheid.
 
Veehouderijen
In de omgeving zijn enkele veehouderijen gelegen die van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat. Het gaat om de volgende veehouderijen: 
  • Zandweg 2: melkkoeien, jongvee en bio-legkippen;
  • Buurtweg 38a: melk- en kalfkoeien, jongvee, paarden, legkippen, pony's;
  • Broekweg 7: fokstieren en vleesvarkens.
Met voorliggend plan wordt geen nieuw geurgevoelig object (woning) mogelijk gemaakt, aangezien een tweede woning reeds is toegestaan op basis van het geldende bestemmingsplan. Desondanks wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening het woon- en leefklimaat ter plaatse beoordeeld. 
 
Uit jurisprudentie blijkt dat voor de geurcontouren of aan te houden afstanden in principe moet worden uitgegaan van de randen van het bouwvlak. De richtafstand van een dierenverblijf (emissiepunt) van een melkveehouderij ten opzichte van een geurgevoelig object betreft 50 m voor het aspect geur. Voor het houden van pluimvee en/of varkens geldt een richtafstand van 100 m vanaf het dierenverblijf. In navolgende tabel wordt een overzicht van de veehouderijen met bijbehorende afstanden weergegeven.
 
AdresMaatgevend type veehouderijMilieucategorieRichtafstand (gemengd gebied)Werkelijke afstand tot perceel
Zandweg 2Legkippen4.1100 m312 m
Buurtweg 38aLegkippen4.1100 m290 m
Broekweg 7Varkens4.1100 m300 m
 
Uit de tabel blijkt dat aan de richtafstanden voor de verschillende veehouderijen wordt voldaan. Het plangebied ligt buiten de vaste afstandscontouren van stallen waarin dieren zonder geuremissiefactor gehouden worden. Ook wordt voldaan aan de aan te houden gevelafstand. Ten aanzien van de vaste afstanden worden de omliggende veehouderijen niet geschaad in hun belangen.
 
Desondanks kan de gecumuleerde geurbelasting, ook wel bekend als de 'achtergrondbelasting', leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit dient beoordeeld te worden. 
De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied.
In onderhavig geval is sprake van gelijksoortige geuren die op enige afstand van elkaar liggen. Het aantal uren dat deze bronnen een geurgevoelig object belasten is groter dan bij een geurbelasting van een individueel bedrijf. Dit terwijl de pieken in de geurbelasting gelijk blijven. Doordat de betreffende veehouderijen in verschillende windrichtingen liggen, is geen sprake van een piekbelasting die hoger ligt dan bij situaties dat er slechts één geurbron aanwezig is. Doordat de veehouderijen daarnaast op een significante afstand liggen, ca. 300 m, kan er geconcludeerd worden dat ook de cumulatieve geurhinder geen extra belemmeringen voor het woon- en leefklimaat oplevert.
 
Kwekerijen
De kortste afstand tot de ten oosten gelegen kwekerij, gemeten van de tuin van de nieuwe woning tot aan de gronden waar gewassen gekweekt worden, bedraagt ca. 55 m. Ook bevinden zich ten zuiden van het plangebied gronden behorende bij een kwekerij. Deze bevinden zich op ca. 36 m van de beoogde woning. Dit is voldoende afstand, aangezien een kwekerij milieucategorie 2 heeft en daarvoor een richtafstand van 10 m geldt in gemengd gebied.
 
Spuitzones
Er wordt echter niet voldaan aan de in de praktijk (als gevolg van jurisprudentie) gegroeide vuistregel van 50 m tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie. De gevoelige functie, de nieuwe woning met bijbehorende tuin, ligt immers op ca. 7 m van de ten zuiden gelegen gronden met open teelten. 
Voor het bepalen van het zijn van spuitgevoelig hanteert de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State het criterium of personen ergens langdurig verblijven. Daarmee zijn ook tuinen behorende bij een woning aan te merken als gevoelig object. Dit is ook meermaals door de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State bevestigd. Nu zowel de bestaande woning Broekweg 6-8 als de bijbehorende tuin aan te merken zijn als gevoelig object, kan bepaald worden dat het voorliggende plan feitelijk (de bestaande tuin is immers ook gevoelig) geen nieuwe gevoelige objecten toevoegt en de afstand tot de betreffende agrarische gronden niet kleiner wordt. Daarnaast is de tweede woning planologisch reeds toegestaan, waardoor ook het aantal gehinderden niet toeneemt.
 
Het aspect milieuzonering levert dan ook geen belemmeringen op voor het voorliggende bestemmingsplan. Na vaststelling van het plan wordt de nieuwe woning in het kader van melding- of vergunningstrajecten voor omliggende agrarische bestemmingen beoordeeld als beschermd object.
 
4.4.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd.
 
De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Planspecifiek 
Met de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart:
 
Uitsnede risicokaart (plangebied in de zwarte cirkel)
 
Uit de risicokaart externe veiligheid blijkt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Tevens bevinden er zich geen hoogspanningsmasten in het plangebied.
Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.
  
4.4.6 Duurzaamheid
De wettelijke eisen voor energiezuinigheid en milieu in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit hebben betrekking op thermische isolatie, de energieprestatie (BENG) en milieuprestatie (MPG). Aanvullend hebben de provincie Utrecht en gemeente Utrechtse Heuvelrug beleid opgesteld voor duurzaamheid.
 
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie 2013-2028. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013. Hierin staat voor nieuwe ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied dat het ruimtelijk plan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.
Bij zowel het bouwen als renoveren van woningen is het van belang dat nagedacht wordt over het gebruik van alternatieve vormen van energie en energiebesparende technieken. Hiermee dragen ruimtelijke plannen bij aan het doel van 10% duurzame energiegebruik in 2020 zoals verwoord in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013.
 
Gemeentelijk beleid
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft haar beleid rond klimaat, energie en duurzaam bouwen verwoord in het beleidsstuk Utrechtse Heuvelrug; Duurzaam en Klimaatneutraal; Programma 2017-2022. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn.
 
Gratis en vrijblijvende licentie GPR Gebouw
Met GPR Gebouw wordt inzichtelijk gemaakt waarmee de duurzaamheid van het plan kan worden verbeterd. Het instrument GPR Gebouw vertaalt concrete maatregelen in een prestatiescore voor duurzaam bouwen. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. De gemeente Utrechtse Heuvelrug stelt het gebruik van GPR Gebouw gratis beschikbaar.
 
Extra hypotheekruimte voor energiezuinige woningen
De Tijdelijke Regeling Hypothecair Krediet maakt het mogelijk om extra hypotheekruimte te krijgen voor duurzaamheid. Huiseigenaren die energiebesparende maatregelen willen meefinancieren kunnen hiervoor meer hypotheekruimte krijgen. Voor energie neutrale woningen of nul-op-meter woningen is deze extra ruimte vanaf 1 januari 2017 tot € 25.000. Dit gaat buiten de normale inkomenstoets om. Er zijn wel voorwaarden, waaronder een bruto minimum jaarinkomen van € 33.000,- en een maximum totaal hypotheekbedrag van 106 % van de marktwaarde van de woning ná het nemen van de maatregelen.
 
Planspecifiek
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft in het beleidsstuk Utrechtse Heuvelrug; Duurzaam en Klimaatneutraal; Programma 2017-2022 per gebied een milieukwaliteitsprofiel. Voorliggend plan valt binnen het milieukwaliteitsprofiel Landelijk gebied, Agrarisch. Binnen dit profiel geldt de volgende ambitie:
 
Milieukwaliteitsprofiel Landelijk gebied, Agrarisch
 
Voor woningbouw ambieert de gemeente binnen het betreffende milieukwaliteitsprofiel een GPR Gebouw van 7,5 en een GPR Energie van 8,5. De beoogde woning zal conform dit ambitieniveau gerealiseerd worden. Zo zal de nieuw te bouwen woning worden voorzien van duurzame installaties, isolatiematerialen e.d. Daarnaast zal er zorgvuldig worden gekozen voor materiaalkeuzes aan de buitenzijde met een langdurige kwaliteit. Bij de verdere uitwerking in een bouwplan zal rekening worden gehouden met de eisen die daar aan vanuit duurzaamheid gesteld worden. Daarbij leidt het plan niet tot een aantasting van stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en/of waardevol groen.
 
4.4.7 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vijf mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht;
  5. aan de hand van een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 kan geconcludeerd worden dat het plan mogelijk m.e.r.-plichtig is. 
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). 
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in D 11.2. Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:
  1. Er wordt slechts één woning gebouwd.
  2. Door het slopen van een bedrijfsgebouw neemt het bebouwd oppervlak niet toe.
  3. Aangezien de nieuwe woning voldoet aan de BENG-eisen zijn de milieugevolgen beperkt.  
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
 
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
 
4.5 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
4.5.1 Generiek beleid
Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021
Het Bodem-, Water- en Milieuplan is opgesteld op grond van de verplichting in de Waterwet en de Wet Milieubeheer om respectievelijk een regionaal waterplan en een provinciaal milieubeleidsplan op te stellen. Het Bodem-, Water- en Milieuplan is vastgesteld op 7 december 2015. Met dit plan wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening en de Provinciale Waterverordening.
Voor bodem, water en milieu staan de volgende doelen centraal:
  1. streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden.
  2. streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied.
  3. streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden.
Gestreefd wordt naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om deze doelen te bereiken worden twee hoofdlijnen in het beleid onderscheiden: 
  1. focussen op vier prioriteiten: (1) waterveiligheid en wateroverlast, (2) schoon en voldoende oppervlaktewater, (3) ondergrond en (4) leefkwaliteit stedelijk gebied. Dit betreft urgente maatschappelijke problemen waarin de provincie in de aanpak een belangrijke rol kan spelen.
  2. werken vanuit zes basiskwaliteiten (bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid (incl. geur en licht) en externe veiligheid). Deze vormen een integraal onderdeel van al het provinciaal beleid gerelateerd aan de fysieke leefomgeving.
Gemeentelijk Waterplan Heuvelrug
Doel van het waterplan is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.
 
Het waterplan Heuvelrug richt zich vooral op de stedelijke kernen en de directe omgeving ervan. Belangrijke punten uit het waterplan zijn: 
  • afkoppelen en infiltreren van regenwater: de zandige Utrechtse Heuvelrug biedt veel mogelijkheden voor infiltratie van water van nieuwe bebouwing en bestaande bebouwing in de grond;
  • beleving en cultuur: de landgoederen en Stichtse Lustwarande zijn beeldbepalend, en water vervult daar een eigen functie in;
  • natuur en ecologie: op allerlei plaatsen kan de natuur en ecologie in en om het water verbeterd worden. Eerst moet gekeken worden welk water een belangrijke functie vervult hierin; 
  • beheer en onderhoud: het is nodig om het beheer van watergangen en dat van erlangs gelegen wegen goed op elkaar af te stemmen.
 
4.5.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Waterbeheerplan
Het Waterbeheerplan ‘Waterkoers' voor de periode 2016-2021 is op 16 maart 2016 vastgesteld. In het Waterbeheerplan staat in grote lijnen het waterbeheer voor de komende jaren beschreven.
Met deze Waterkoers wil het waterschap zich flexibel opstellen en ruimte bieden voor initiatieven uit de samenleving: van 'zorgen voor' naar 'samen doen'. De Stichtse Rijnlanden werkt aan veiligheid, voldoende en gezond water, tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten. Daarnaast werkt de Stichtse Rijnlanden aan de fysieke
leefomgeving en wil het anticiperen op veranderingen over de grenzen heen. Ook wil het waterschap inspelen op ontwikkelingen (trends) in de maatschappij door actief het gesprek aan te gaan en samen te werken.
 
De Stichtse Rijnlanden formuleert de volgende ambities:
  • gezond water;
  • veilig tegen overstromingen;
  • gezuiverd afvalwater;
  • voldoende water;
  • genieten van water.
In de Watertoets worden deze ambities verder uitgewerkt.
 
Leidraad Afkoppelen Utrechtse Heuvelrug
De leidraad heeft betrekking op het infiltreren van afstromend hemelwater en de risico’s hiervan voor de grondwaterkwaliteit en is onderdeel van het ‘Convenant afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug’. Het convenant is een overeenkomst voor de periode 2010-2015, tussen de Provincie Utrecht, Waterschap Vallei & Eem, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Vitens en negen gemeenten, waaronder de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De leidraad is van toepassing op dat deel van de Utrechtse Heuvelrug, waarbinnen het grootste deel van het neerslagoverschot het diepe grondwater bereikt. Gebieden met oppervlaktewater vallen hier niet onder. De grondwatervoorraad op de Utrechtse Heuvelrug is kwetsbaar en vraagt om locatie specifiek beleid voor infiltratie. Er is een beslisschema opgesteld, welke richting geeft aan te maken keuzes en bestaat uit een voorkeursvolgorde voor infiltratie, een richtlijn die aangeeft welke keuzemogelijkheden er zijn, en een beschrijving van maatregelen om uitspoeling naar grondwater te beperken.
      
Waterstructuurvisie
De Waterstructuurvisie is opgesteld door het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (2002). In de Waterstructuurvisie geeft het Hoogheemraadschap aan dat water een steeds grotere rol in onze samenleving speelt. Functies zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van water. Daarnaast verandert het klimaat waardoor water in de toekomst meer ruimte nodig. In de Waterstructuurvisie presenteert het Hoogheemraadschap de integrale visie op een duurzaam waterbeheer op de lange termijn. Doelen hierbij zijn: 
  • het gewenste veiligheidsniveau tegen overstroming en wateroverlast is gegarandeerd;
  • er is sprake van een goede waterkwaliteit;
  • de ecohydrologische variatie binnen het plangebied is hersteld;
  • de bodemdaling is verminderd of zo mogelijk stopgezet;
  • er zijn goede gebruiksmogelijkheden van het plangebied voor verschillende maatschappelijke functies; er is voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar om dit mogelijk te maken;
  • de landschappelijke betekenis van water is behouden of versterkt. 
In de structuurvisie zijn gebiedsspecifieke doelstellingen en maatregelen gedefinieerd. Ook wordt een streefbeeld voor 2050 beschreven, gebaseerd op de volgende principes: 
  • vasthouden, bergen, afvoeren;
  • voorkomen, scheiden of schoon maken van vuilemissies;
  • vergroten zelfvoorzienendheid en duurzame inrichting;
  • grondwater als ordenend principe. 
Grondwater als ordenend principe
Het streefbeeld kan niet los worden gezien van het toekomstige grondgebruik binnen het beheersgebied. Enerzijds vraagt het streefbeeld op een aantal plaatsen om meer ruimte voor water. Anderzijds kan het streefbeeld alleen worden bereikt indien het grondgebruik meer op waterdoelstellingen wordt afgestemd. Voor de drie belangrijkste functies wonen/werken, landbouw en natuur, is daarom in kaart gebracht of en hoe deze functies passen bij een duurzaam waterbeheer. Dit is in combinatie met het streefbeeld vertaald naar een visie op het toekomstig gewenste grondgebruik in het werkgebied van het hoogheemraadschap.
 
4.5.3 Watertoets
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.
 
Planspecifiek
In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is de digitale watertoets uitgevoerd (dewatertoets.nl, d.d. 21 september 2020). Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (hierna: HDSR) is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. HDSR adviseert positief over het ruimtelijk plan.
 
Naast het uitvoeren van de digitale watertoets is het plan tevens getoetst aan de Handreiking watertoets van HDSR. Hierin geeft het waterschap enkele onderwerpen die het graag ziet in de waterparagraaf. Enkele van deze onderwerpen zijn voor voorliggend plan van mindere mate relevant, omdat het gaat om een plangebied van beperkte schaal, waardoor het een geringe invloed heeft op het regionale watersysteem. Ook is het peilbesluit Langbroekerwetering, het gebied waarin het plangebied zich bevindt, in augustus van 2018 ten einde gekomen en wordt er momenteel een nieuw peilbesluit opgesteld. Daarmee kan een beschrijving van de grondwaterstand achterwege blijven. Verder zijn er in het plangebied geen oppervlaktewateren (behalve een bescheiden poel) of waterkeringen aanwezig, waardoor het plan geen negatief effect sorteert op deze onderdelen. 
 
Daarnaast worden geen ingrepen gedaan die een negatieve invloed hebben op het watersysteem. Er wordt een bedrijfsgebouw gesloopt, waarbij het verhard oppervlak van de nieuw te bouwen woning, in combinatie met een bijgebouw, niet toeneemt. In de huidige situatie is de hemelwaterafvoer van de schuur/werkplaats niet aangesloten op het riool. Ook in de nieuwe situatie is het voornemen om het hemelwater op het terrein zelf te infiltreren, om bodemverdroging tegen te gaan. Er zal dan ook geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen.
 
Gesteld kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor het initiatief.
  
4.6 Groen, natuur en landschap
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
  • bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • decentralisatie van verantwoordelijkheden;
  • vereenvoudiging van regels. 
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.
 
Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.  
    
Planspecifiek
Het behouden van het groene karakter, uitvoeren van ecologisch onderzoek en landschappelijke inpassing zijn aandachtspunten voor het plan. In het kader van de herontwikkeling van het terrein is, in samenspraak met de Landschapscoördinator Stuurgroep Kromme Rijnlandschap, een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (Buro SRO, zie bijlagen bijlage 1).
 
In het kader van voorliggend bestemmingsplan en de beoogde ontwikkelingen is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie, BE/2020/650/r, d.d. 25 september 2020, zie bijlagen, bijlage 4). Navolgend staan de conclusies van dit onderzoek weergegeven.
 
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Desondanks kan dit wat betreft stikstof die vrijkomt bij het project niet uitgesloten worden. Om die reden is middels de AERIUS Calculator in beeld gebracht wat het effect is van de ontwikkeling op omliggende Natura 2000-gebieden (zie bijlagen bijlage 5). In een straal van 10 kilometer zijn twee Natura 2000-gebieden te vinden: Kolland & Overlangbroek en Rijntakken. Uit de berekening is gebleken dat zowel de gebruiksfase als de bouwfase een rekenresultaat van 0,00 mol/ha/j hebben. Daarmee is het plan uitvoerbaar wat betreft effect op omliggende Natura 2000-gebieden.
 
Soortenbescherming
De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.
 
Te treffen maatregelen
  • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
  • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
  • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
  • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
  • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
  • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
  • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april 
Conclusie
Het plan is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming, mits er rekening wordt gehouden met de Algemene zorgplicht.
4.7 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
De te handhaven woning stamt uit de na-oorlogse periode en heeft geen cultuurhistorische waarde. Dat geldt ook voor de te verwijderen schuur.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
 
4.8 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
Planspecifiek
Het plangebied heeft op basis van de gemeentelijke Beleidskaart archeologie grotendeels een hoge verwachting, terwijl de zuidelijke punt middelhoog is. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de beleidskaart met een begrenzing van het plangebied weergegeven.
 
Uitsnede beleidskaart archeologie; rood hoge verwachting, oranje middelhoog (bron: gemeente Utrechtse Heuvelrug)
 
Deze verwachtingen komen overeen met resp. de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Hierbij  is geen archeologisch onderzoek vereist indien het gaat om vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, als de oppervlakte kleiner is dan 150 m² (in het geval van 'Waarde - Archeologie 3') en 1.000 m² (in het geval van 'Waarde - Archeologie 4') en niet dieper dan 0,3 m onder maaiveld. Doordat de nieuwe woning op de plaats van de bestaande schuur wordt gebouwd, heeft het geen negatief effect op eventueel in de bodem voorkomende archeologische waarden. De grond is immers reeds verstoord door de aanleg en de fundering van de schuur. De schuur heeft een 1 meter diepe fundering en is deels voorzien van een mestkelder. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
 
In dit bestemmingsplan zullen overigens, ter bescherming van de archeologische waarden,  de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' worden opgenomen, conform de Beleidskaart archeologie van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
       
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand <NL.IMRO.1581.LSMbroekweg6en8-VA01> met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld. 

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
5.2 Methodiek
5.2.1 Verbeelding
In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden.
 
5.2.2 Regels
De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:
  • Hoofdstuk 1 (artikelen 1 en 2) bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk 2 (artikel 3 tot en met 6) bevat de bestemmingen en dubbelbestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven (dubbel)bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden.
  • Hoofdstuk 3 (artikelen 7 tot en met 11) bevat de algemene regels; een anti-dubbeltelregel en de algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings- en overige regels.
  • Hoofdstuk 4 (artikelen 12 en 13) bevat de overgangs- en slotregel.
5.3 Inleidende regels
Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Alleen de begrippen die in aanvulling op het dagelijks spraakgebruik nadere toelichting behoeven zijn opgenomen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
 
Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe de hoogtematen die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, bepaald moeten worden. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.
5.4 Bestemmingen
In het plangebied zijn twee bestemmingen weergegeven. Daarnaast kent het plangebied twee dubbelbestemmingen. Hieronder volgt een beschouwing van deze bestemmingen.
 
5.4.1 Natuur
De bestemming 'Agrarisch gebied met landschapswaarden' wordt op verzoek van de gemeente Utrechtse Heuvelrug herbestemd naar de bestemming 'Natuur', zodat bestaande en nog aan te brengen landschappelijke kwaliteiten beschermd worden.
 
Het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden staan in dit artikel centraal. Gebouwen zijn niet toegestaan en uitsluitend overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde, mogen onder voorwaarden worden gerealiseerd. Tevens zijn de in de gemeente gebruikelijke regels ten aanzien van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden opgenomen.
 
5.4.2 Wonen - B1
In het plangebied komen uitsluitend vrijstaande woningen voor. In het buitengebied wordt hiervoor de bestemming 'Wonen - B1' gehanteerd, conform de gemeentelijke standaardregels. Met het vastleggen van deze typologie, wordt de bestaande stedenbouwkundige structuur gehandhaafd.
 
Functies
Binnen de bestemming Wonen - B1 is wonen toegestaan. Tevens mag een beroep en/of bedrijf aan huis worden uitgeoefend. Daarnaast maakt een algemene gebruiksregel het uitoefenen van een bed & breakfast in een woning mogelijk.
Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven, (ontsluitings-)wegen en paden aan te leggen. Ook zijn waterhuishoudingsvoorzieningen toegestaan en mag er geparkeerd worden op eigen terrein.
 
Bouwmogelijkheden
De Bouwregels maken onderscheid in regels voor:
  1. algemeen (artikel 3.2.1); 
  2. hoofdgebouwen (artikel 3.2.2);
  3. bijbehorende bouwwerken (artikel 3.2.3);
  4. overige bouwwerken (artikel 3.2.4).
- Algemeen
In algemene zin wordt bepaald dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd. 
 
- Hoofdgebouwen
Binnen de bestemming Wonen - B1 mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. Er mag niet meer dan één woning binnen een bouwvlak worden gebouwd, waarbij het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, waarbij de maximale inhoudsmaat van de te verplaatsen woning maximaal 600 m³ mag bedragen.
Voor de hoofdgebouwen is in de regels een maximale goot- en bouwhoogte aangegeven, waarbij tevens aan de in de regels voorgeschreven dakhelling moet worden voldaan. Hierbij is aangesloten op de maatvoeringen uit het geldende bestemmingsplan 'Leersum 2005, herziening 2009' en op de standaardbepalingen van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
 
Dakkapellen zijn toegestaan op hoofdgebouwen. Op basis artikel 2 lid 4 van bijlage II van het Bor is het bouwen van een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak vergunningvrij. Voor het bouwen van een dakkapel in het dakvlak van de voorgevel of in een dakvlak van een naar de openbare weg gekeerde zijgevel, zijn regels in het bestemmingsplan opgenomen.
 
Bijbehorende bouwwerken
Uitbreidingen van het hoofdgebouw met aan- of uitbouwen en al dan niet aangebouwde bijgebouwen en overkappingen worden onder de noemer 'bijbehorend bouwwerk' geschaard. De bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd. Voor wat betreft de maatvoering van de goot- en bouwhoogte is ook aansluiting gezocht bij het nu geldende bestemmingsplan. Voorts worden de binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug gebruikelijke bouwmogelijkheden geboden. Daaronder valt ook het ondergronds bouwen van een bijbehorend bouwwerk, tot een maximum van 30 m².
Bijbehorende bouwwerken zijn bij de nieuwe schuurwoning niet toegestaan buiten het bouwvlak. Hiertoe is hier de aanduiding 'bijgebouwen uitgesloten' opgenomen. Er is hiervoor wel een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor bijbehorende bouwwerken van maximaal 50 m², waarbij eisen gesteld worden aan de landschappelijke inpassing.
  
Overige bouwwerken
Met het begrip 'overige bouwwerken' wordt bedoeld: een bouwwerk dat geen gebouw is en ook geen overkapping. Concreet zijn maximale hoogtematen voorgeschreven voor erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, antennemasten en andere overige bouwwerken.
 
Specifieke gebruiksregels
Er zijn specifieke gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. Hierbij is onder andere bepaald dat niet meer dan 40 % van de totale bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, voor de uitoefening van het beroep of bedrijf mag worden wordt gebruikt. Voor wat betreft de activiteiten die vallen onder bedrijf aan huis wordt verwezen naar de bij de regels gevoegde bijlage 1. 'Staat van bedrijfsactiviteiten - Bedrijf aan Huis'.
Daarnaast is een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarmee geregeld is dat de omgevingsvergunning voor de nieuwe woning alleen mag worden verleend als de terreininrichting, zoals weergegeven in de notitie 'Landschappelijke inpassing vrijstaande woning' binnen twee jaar na onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning is uitgevoerd en in stand wordt gehouden.
 
5.4.3 Waarde - Archeologie 3
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' is bedoeld voor de bescherming en het veiligstelling van de (naar verwachting) aanwezige archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Dit met uitzondering van bepaalde verandering van bestaande bebouwing, bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte kleiner dan 150 m² en bouwwerken die niet dieper dan 0,3 m geplaatst kunnen worden.
 
Tevens is geregeld dat een omgevingsvergunning nodig is voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Dat geldt niet voor het uitvoeren van het normale beheer en onderhoud e.d. Daarnaast zijn Burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen waarbij de omvang en ligging van deze dubbelbestemming wordt aangepast.
5.4.4 Waarde - Archeologie 4
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' is bedoeld voor de bescherming en het veiligstelling van de (naar verwachting) aanwezige archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Dit met uitzondering van bepaalde verandering van bestaande bebouwing, bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte kleiner dan 1.000 m² en bouwwerken die niet dieper dan 0,3 m geplaatst kunnen worden.
 
Tevens is geregeld dat een omgevingsvergunning nodig is voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Dat geldt niet voor het uitvoeren van het normale beheer en onderhoud e.d. Daarnaast zijn Burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen waarbij de omvang en ligging van deze dubbelbestemming wordt aangepast.
5.5 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.
 
Algemene bouwregels
De algemene bouwregels bevatten een bepaling ten aanzien van de bestaande situatie of waarvoor een onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend, op het moment dat dit bestemmingsplan in werking treedt.
Tevens is aangegeven hoe wordt omgegaan met ondergeschikte bouwdelen die de bouw- of aanduidingsgrenzen en van maatvoeringsregels met niet meer dan 1,0 meter overschrijden. 
 
Algemene gebruiksregels
In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan: het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval, het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning, het gebruik van woningen voor kamerbewoning en bijzondere woonvormen of een gebruik van gronden voor een paardenbak.
 
Daarnaast is in dit artikel het uitoefenen van een bed & breakfast geregeld. Bepaald is dat niet meer dan 30 % van de totale bruto vloeroppervlakte van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, hiervoor gebruikt mag worden, tot een maximum van 75 m². Het aantal mag bed & breakfastvoorzieningen maximaal 3 bedragen, waarbij per voorziening een zelfstandige sanitaire ruimte, een zelfstandige keuken en een extra parkeerplaats beschikbaar zijn.
 
Algemene afwijkingsregels
Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen en de bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.
Onder voorwaarden is tevens een overschrijding toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen.
 
Overige regels
In dit artikel is geregeld dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid. De regeling is ontleend aan die uit het 'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening'.
5.6 Overgangs- en slotregels
Overgangsregels
Hier is het wettelijk overgangsrecht geregeld: bouwwerken of gebruik zoals dat bestaat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de in het nieuwe plan gegeven bebouwingsregels of het gebruik van de gronden en bouwwerken.
 
Slotregel
Deze regel geeft de exacte naam van het bestemmingsplan aan.
 
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen.
 
Planspecifiek
De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. Het betreft een aangewezen plan waarvoor een anterieure overeenkomst is afgesloten, zoals bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. Daar is ook het onderdeel afwenteling planschaderisico in opgenomen. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
 
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
 
6.2.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
6.2.2 Verslag participatie
Initiatiefnemer heeft in september 2020 omwonenden en betrokkenen persoonlijk op de hoogte gebracht van de beoogde ontwikkelingen op het perceel Broekweg 6-8 te Leersum. Daarbij is uitgebreid aan de hand van het principeverzoek uitgelegd wat het initiatief behelst en zijn de situatietekeningen en foto’s uit het principeverzoek getoond. Het leverde prettige gesprekken op waarbij in algemene zin positief gereageerd werd op het initiatief, met woorden als 'mijn zegen heb je'. Daarbij is aangegeven hen op de hoogte te houden van de ontwikkelingen.
  
 
6.2.3 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is voorliggend plan aan de provincie Utrecht en HDSR voorgelegd. HDSR gaf aan in te stemmen met het plan. Ook de provincie Utrecht geeft aan positief tegenover het plan te staan. Desalniettemin geeft de provincie aan dat de landschappelijke inpassing conform het 'één erf principe' moet worden gerealiseerd, waarmee de haag tussen de twee erven in strijd is. Daarnaast wordt door de provincie meegegeven dat in het kader van planoptimalisatie één inrit ook bijdraagt aan het 'één erf principe'.
 
Om aan de reactie van de provincie tegemoet te komen wordt de haag achterwege gelaten. Dit is dan ook komen te vervallen in de landschappelijke inpassing. Het verzoek één inrit te hanteren is niet wenselijk en daarnaast zijn er in de bestaande situatie ook al twee inritten aanwezig. Daarmee is er geen sprake van een wijziging.
6.2.4 Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan 'Broekweg 6 – 8' heeft vanaf 11 juni 2021, gedurende zes weken, ter inzage gelegen. Gedurende deze inzageperiode kon een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen indienen. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.