Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Akkerweg 17/17a
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1581.DBGakkerweg17en17a-VA01

Toelichting

 
1 Inleiding
1.1 Aanleiding en doelstelling
Het voornemen is om het bestaande Bloemisterij-Tuincentrum Van Jaarsveld te beëindigen, de daarbij behorende bedrijfsbebouwing (exclusief bedrijfswoning Akkerweg 17A) te verwijderen en een woning (Akkerweg 17) elders op het perceel te herbouwen en te vergroten. Een dergelijke transformatie past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om het plan toch tot uitvoering te kunnen brengen, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
 
De Stuurgroep Kromme Rijnlandschap heeft voor het voorliggende perceel de landschappelijke uitgangspunten geformuleerd (d.d. 16 januari 2017). Tevens is reeds een principeverzoek met een schetsplan voor dit initiatief ingediend, waar de gemeente Utrechtse Heuvelrug positief op heeft gereageerd (brief van 6 april 2017). Dit is, in samenspraak met de Landschapscoördinator Stuurgroep Kromme Rijnlandschap, nader uitgewerkt in de notitie 'Landschappelijke inpassing' (zie bijlagen bij de regels, bijlage 1). Dat vormt de basis voor de voorliggende bestemmingsplanwijziging.
 
1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt aan de Akkerweg, aan de zuidrand van de kern Driebergen. Het betreft de kadastrale percelen nummers 3486 en 3487m met een gezamenlijke oppervlakte van 7.005 m². Aan de zijde van de Akkerweg zijn twee bedrijfswoningen in één laag met een kap aanwezig. Daarachter bevindt zich een kweekkas met een oppervlakte van circa 1.500 m² van Bloemisterij-Tuincentrum van Jaarsveld.
Aan weerszijden van het perceel bevinden zich vrijstaande woningen met één laag en een kap. Aan de overzijde van de Akkerweg is woonbebouwing aanwezig, met (half-)vrijstaande en rijenwoningen in overwegend twee lagen met een kap. De volgende afbeeldingen tonen de ligging en de begrenzing van het plangebied.
    
Ligging plangebied 
Begrenzing plangebied
 
1.3 Geldende bestemmingsplannen
Bestemmingsplan 'Driebergen - Buitengebied' (2004)
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Driebergen - Buitengebied'. Dit bestemmingsplan is op 16 september 2004 vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Driebergen-Rijsenburg. In dit bestemmingsplan beschikken de gronden over de bestemming 'Bedrijven' met één bouwvlak. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van dit bestemmingsplan.
 
Uitsnede 'Bestemmingsplan Buitengebied' (plangebied is rood omkaderd)
 
De als 'Bedrijven' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsdoeleinden. Het plangebied is daarbij in een tabel van de voorschriften aangemerkt als bloemisterij/tuincentrum. Het bestemmingsplan geeft aan dat dienstwoningen (bedrijfswoningen) binnen deze bestemming uitsluitend zijn toegestaan voor zover deze aanwezig zijn op het moment van ter inzage legging van het ontwerpplan, met dien verstande dat:
  1. de inhoud van een dienstwoning niet meer mag bedragen dan 600 m³;
  2. de eventueel bestaande dienstwoning daaronder is begrepen, ongeacht of er daarna verkoop, bedrijfssplitsing of enig soortgelijke transactie plaatsvindt. 
Op 6 maart 1979 is een vergunning (met vrijstelling) verleend voor de bouw van een tweede bedrijfswoning in het onderhavige plangebied. Derhalve gaat het hier, conform het geldende bestemmingsplan 'Driebergen - Buitengebied' uit 2004, om twee bedrijfswoningen.
De goot- en nokhoogte van de bebouwing (bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen) mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 6 en 9 meter. Verder is geregeld dat de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen per bedrijfswoning niet meer mag bedragen dan 50 m².
 
Het plangebied ligt in het gebied dat onderdeel is van de gepubliceerde versie van het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied' van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Doordat voorliggend bestemmingsplan opgesteld wordt gaat het plangebied echter geen onderdeel uitmaken van 'Driebergen Buitengebied'. Desondanks worden de bepalingen van dit bestemmingsplan beschouwd, omdat het een indicatie geeft van de visie van de gemeente op het gebied.
In het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan heeft het plangebied ook de bestemming 'Bedrijf', met drie bouwvlakken. In dit bestemmingsplan zijn de hoogtematen wat genuanceerd. Voor wat betreft de te handhaven woning (Akkerweg 17a) is een maximale goothoogte van 3.5 m en een maximale bouwhoogte van 7.5 m opgenomen. Voor de andere bedrijfswoning is een maximale goothoogte van 4.5 m en een maximale bouwhoogte van 10 m voorzien. Bij de kweekkas is een maximum bouwhoogte van 4 m opgenomen.
Daarnaast ligt in dit in voorbereiding zijnde bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' over het plangebied.
 
Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening
Het plangebied is gelegen binnen het paraplubestemmingsplan 'Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening'. Met de stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening beschikt de gemeente over de mogelijkheid om bij ruimtelijke ontwikkelingen - ten behoeve van voldoende parkeergelegenheid voor het parkeren of stallen van auto's - te toetsen aan de parkeernormen uit het 'Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan' (GVVP). Tevens is in de bouwverordening de maximaal toegestane bouwhoogte voor bouwwerken opgenomen die gelden op het moment dat een vigerend ruimtelijk plan hierin niet voorziet.
 
1.4 Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving). Hoofdstuk 5 bevat vervolgens een juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
 
2 Het plan
2.1 Huidige situatie
Het perceel met een oppervlakte van 7.005 m² is lang (circa 185 m) en smal (circa 38 m). In de huidige situatie zijn twee bedrijfswoningen met een laag en een kap aanwezig en daarachter een royale kweekkas. Aan de straatzijde is sprake van een siertuin, met gevarieerde beplanting, waaronder enkele bijzondere bomen.
 
Het zuidelijke deel van het perceel is onbebouwd en omvat onder andere een waterbassin, een bescheiden grondwal en bedrijfsverharding. Voorheen waren hier ook kweekbedden aanwezig, maar thans is dit een grasveld. Op de perceelsgrens is gevarieerd samengestelde haagbeplanting aanwezig. Ter plaatse van het plangebied zijn geen doorzichten naar het achterliggende (open) landschap aanwezig.
Op een zone van 6 meter breed en een lengte van ongeveer 60 meter, in het noordwestelijke deel van het plangebied, rust een erfdienstbaarheid ten behoeve van het aangrenzende perceel Akkerweg 15. 
 
Kadastrale percelen plangebied (Bron: Perceelloep)
 
Huidige situatie plangebied
 
2.2 Projectbeschrijving
Initiatiefnemer is voornemens de bedrijfsactiviteiten van Bloemisterij-Tuincentrum Van Jaarsveld te beëindigen en het perceel om te vormen tot twee woonpercelen. Een van de twee bedrijfswoningen (Akkerweg 17A) wordt gehandhaafd, terwijl de andere (Akkerweg 17) elders op het perceel wordt herbouwd en enigszins wordt uitgebreid. Het gaat hierbij om een levensloopbestendige woning. De overige bedrijfsbebouwing en het waterbassin worden verwijderd.
Deze transformatie past niet binnen het geldende of het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Om het plan tot uitvoering te kunnen brengen, is daarom voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
 
In een notitie d.d. 16 januari 2017 heeft de Stuurgroep Kromme Rijnlandschap voor het onderhavige perceel landschappelijke uitgangspunten geformuleerd. Deze uitgangspunten vormen de basis voor de bestemmingsplanwijziging. De te herbouwen woning Akkerweg 17 wordt hierbij enigszins teruggeplaatst ten opzichte van de weg, binnen de voorgestelde zonering met een wat beslotener karakter. Ook de bijbehorende bouwwerken worden binnen deze zone voorgesteld. De rest van het perceel wordt gekenmerkt door openheid en kavelgrensbeplanting.
 
Impressie toekomstige situatie (Bron: Stuurgroep Kromme Rijnlandschap, d.d. 16 januari 2017)
 
Er is een principeverzoek met een schetsplan voor dit initiatief ingediend, waar de gemeente Utrechtse Heuvelrug positief op heeft gereageerd (raadsbesluit van 16 mei 2019). Hierbij werd uitgegaan van het verwijderen van de bedrijfsbebouwing (met uitzondering van de woning met huisnummer 17a en de herbouw van de woning met huisnummer 17 elders op het perceel. Deze woning zou daarbij vergroot worden naar een inhoud van 800 m³. Verder zijn de volgende aandachtspunten geformuleerd:
  • het groene karakter van het perceel aan de Akkerweg dient behouden te worden;
  • inzichtelijk moet worden gemaakt wat gaat gebeuren met een niet-gereinigde tank en dat deze geen belemmering vormt voor de ontwikkeling;
  • er dient bodemonderzoek te worden uitgevoerd, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van asbest;
  • voor het hele perceel dient een ecologische quickscan te worden uitgevoerd;
  • het geheel moet landschappelijk worden ingepast, waarbij de voorstellen van de Stuurgroep Kromme Rijnlandschap (d.d. 16 januari 2017) als uitgangspunt dienen voor de verdere uitwerking;
  • indien woning (en tuin) op minder dan 50 meter van de boomkwekerij op nummer 21 worden gesitueerd, dient door middel van een onderbouwing te worden aangetoond dat dit mogelijk is;
  • medewerking kan alleen verleend worden middels een herziening van het bestemmingsplan in verband met het wegbestemmen van het bedrijf.
In voorliggend bestemmingsplan is rekening gehouden met deze aandachtspunten. In samenhang met deze ontwikkeling heeft een beperkte grondtransactie plaats, waarbij over een lengte van circa 80 meter een strook van 1 meter wordt toegevoegd aan het perceel Akkerweg 15. Daarmee is de bereikbaarheid van het achterliggende terreingedeelte van Akkerweg 15 veiliggesteld. Bij de positionering van het hoofdgebouw Akkerweg 17 wordt rekening gehouden met deze grondtransactie.
 
Voorts zijn deze aandachtspunten door Buro SRO verwerkt in een notitie 'Landschappelijke inpassing (d.d. 27 april 2019): zie bijlagen bij de regels, bijlage 1.
De bestaande woning 17a wordt ingepast en krijgt eigen parkeerplekken aan de gezamenlijke toerit vanaf de Akkerweg. Het voorterrein wordt opgeschoond, waarbij de waardevolle bomen en struiken worden behouden. De nieuwe woning nummer 17 wordt gerealiseerd ter plaatse van de bestaande kassen. Op de erfgrens van 17 en 17a komt een gezamenlijk bijgebouw.
De nieuwe woning wordt gebouwd als een energieneutrale en levensbestendige woning. Het hoofdgebouw bestaat uit één laag en een kap, met een wat lagere aanbouw. De woning is georiënteerd op het achterliggende terreingedeelte. Hierbij wordt voorgesteld om de bestaande aarden wal op de zuidoostelijke perceelsgrens gedeeltelijk te verwijderen, zodat een interessante zichtlijn naar het achterliggende open landschap ontstaat. Tevens ontstaat daarbij ruimte voor een verbreding van de bestaande greppel, zoals dat ook elders aan die greppel gebeurt. Het gaat om een amfibieënpoel, wat ecologisch waardevolle toevoeging is. In principe wordt de grond van het te verwijderen deel van de grondwal elders achter op het perceel gebruikt. Op de rest van het achterperceel wordt de erfbeplanting waar nodig verder aangevuld met streekeigen soorten die passen in het landschappelijke gebied. Zo is voorzien in een kleine hoogstamboomgaard, wat van oudsher passend is in dit landschapstype. Dichterbij de woning is plek voor een grote solitaire boom als blikvanger. Verder worden de bestaande hagen op de zijdelingse perceelsgrenzen gehandhaafd en waar nodig aangevuld met streekeigen beplanting.
 
Landschappelijke inpassing (Buro SRO, 27 april 2019)
 
2.3 Ruimtelijke gevolgen
Op basis van de eerder genoemde notitie 'Landschappelijke inpassing (d.d. 27 april 2019) is er voor gekozen om het achterste perceelsgedeelte te voorzien van de bestemming 'Natuur', terwijl voor het voorste deel de bestemming ‘Wonen - B1’ (voor vrijstaande woningen) wordt toegepast.
 
Het bouwvlak van de te handhaven woning Akkerweg 17A wordt nauwgezet afgestemd op de bestaande situatie, terwijl de te verplaatsen woning wordt voorzien van een nieuw bouwvlak, afgestemd op de beoogde nieuwbouw, zoals weergegeven in de notitie 'Landschappelijke inpassing'. Daarbij worden de binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug gebruikelijke mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken geboden. Het bouwvlak van de kweekkas komt te vervallen, waarmee de bouwmogelijkheden aanzienlijk worden verkleind ten opzichte van het geldende bestemmingsplan.
 
3 Algemeen ruimtelijk beleidskader
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.  
 
De woon- en werklocaties in steden en dorpen moeten aansluiten op de kwalitatieve vraag en de locaties voor transformatie en herstructurering worden zo veel mogelijk benut. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het hierboven genoemde beleid; er heeft een transformatie binnen de bestaande structuur plaats, waarbij de bouwmogelijkheden aanzienlijk verminderd worden ten opzichte van het voorontwerp-bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied'. In toelichting paragraaf 3.1.3 wordt op de ladder voor duurzame verstedelijking ingegaan.
 
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 13 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012 en 1 juli 2014 op onderdelen aangevuld.
 
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast betreft het een transformatie en is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
 
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de nieuwe 'ladder voor duurzame verstedelijking' (per 1 juli 2017).
 
Planspecifiek
Allereerst moet beoordeeld worden of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling waardoor het plan getoetst moet worden aan de nieuwe ladder. Daarin wordt een ondergrens van 11 woningen gehanteerd. Aangezien het voorliggende bestemmingsplan 2 bedrijfswoningen betreft die worden omgezet naar burgerwoningen, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Bovendien wordt niet meer bebouwing mogelijk gemaakt, maar worden de bouwmogelijkheden juist verkleind ten opzichte van het voorontwerp-bestemmingsplan Driebergen Buitengebied. Derhalve kan er van uit gegaan worden dat hier niet nader getoetst hoeft te worden aan de nieuwe ladder.
 
Voorts betreft de ontwikkeling deels hergebruik van een bestaand pand. Daarmee vindt op een duurzame wijze transformatie plaats.
 
3.2 Provinciaal beleid
3.2.1 Provinciale ruimtelijke structuurvisie
De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De herijking van de PRS is op 12 december 2016 vastgesteld. In de PRS beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geven aan dit beleid. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening welke tegelijk met de PRS is opgesteld.
 
In de herijkte Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende provinciale belangen vastgelegd.
 
Duurzame leefomgeving
  • Behouden en bevorderen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem en een waterveilige provincie;
  • Voldoende ruimte bieden voor realisatie van duurzame energiebronnen;
  • Anticiperen op de ruimtelijke lange termijn gevolgen van klimaatverandering;
  • Beschermen en realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving waarin ook stilte beleefd kan worden.
Beschermen kwaliteiten
  • Behouden van de kwaliteit van de cultuurhistorische structuur en streven naar een betere beleefbaarheid ervan;
  • Behouden van de kernkwaliteiten van het landschap en behouden van aardkundige waarden en streven naar een betere beleefbaarheid ervan;
  • Beschermen en ontwikkelen van soorten en van een robuust netwerk van natuur.
Vitale steden en dorpen
  • Bevorderen van binnenstedelijke ontwikkeling;
  • Voldoende ruimte bieden voor het realiseren van een op de behoefte aansluitend aanbod van woningen en woonvoorzieningen;
  • Voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale en innovatieve regionale economie;
  • Voldoende ruimte bieden voor behoud en versterking van een goede retailstructuur;
  • Zorgdragen voor en voldoende ruimte bieden voor een goede bereikbaarheid voor woon-, werk- en vrijetijdslocaties.
Dynamisch landelijk gebied
  • Uitnodigende zones die stad en land verbinden en bijdragen aan kwaliteit van het binnenstedelijk leefmilieu;
  • Zodanige condities scheppen dat de vitale regionale economie in het landelijk gebied zich kan ontwikkelen;
  • Zodanige condities scheppen dat een goede recreatieve structuur wordt behouden en versterkt.
Planspecifiek
De provincie zet in op beheerste groei en zorgvuldig ruimtegebruik. Rond steden en dorpen zijn daarom rode contouren gelegd. Het plangebied ligt buiten het stedelijk gebied en de rode contouren.
 
Gezien het hier om een transformatie van een bestaand bedrijf naar wonen gaat, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied. Bovendien vindt een substantiële afname van de bebouwing plaats, waarmee er feitelijk sprake is van ruimtelijke ‘winst’.
 
3.2.2 Provinciale ruimtelijke verordening
Tegelijk met de PRS is op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De PRV wordt elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast (herijken). De huidige herijking van de PRV is op 12 december 2016 vastgesteld.
 
In de PRV wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de PRS. De PRV geeft regels met betrekking tot de onderwerpen bodem, water, energie, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie. 
 
Planspecifiek
Vanuit de verordening zijn de volgende bepalingen relevant voor het plangebied:
  • Beschermingszone drinkwaterwinning
  • Landschap
Beschermingszone drinkwaterwinning
Het plangebied ligt binnen een gebied dat is aangewezen als beschermingszone voor drinkwaterwinning (art. 1.11). Dit is weergegeven op onderstaande afbeelding.
 
Uitsnede kaart beschermingszone drinkwater (plangebied gele druppel, bron: Provincie Utrecht)
 
In artikel 1.11 PRV is bepaald dat een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als 'beschermingszone drinkwaterwinning' bestemmingen en regels dient te bevatten die het waterwinbelang beschermen. Het beleid is gericht op het voorkomen dat de risico's op verslechtering van de bronnen toenemen, bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe functies een verontreinigingsrisico vormen voor het grond- en oppervlaktewater. In paragraaf toelichting paragraaf 4.5.3 wordt hierbij stil gestaan.
 
Verder is in de 'Handreiking ruimtelijke bescherming grondwaterwinning' nader uitgewerkt hoe men in ruimtelijke plannen rekening kan houden met de bescherming van grond- en oppervlaktewater dat voor de drinkwaterbereiding wordt gebruikt. Navolgende kaart bij de Provinciale milieuverordening 2013 (hierna: PMV) geeft de verschillende beschermingszones weer:
 
Grondwaterbeschermingszones (plangebied zwart omkaderd)
 
Het plangebied ligt niet in één van de in de PMV aangewezen beschermingszones, waardoor er ter plaatse geen bijzondere zorgplicht geldt. De beoogde ontwikkelingen betreffen tevens geen functie die een hoger verontreinigingsrisico voor het grond- en oppervlaktewater vormt dan de huidige functies.
  
Landschap
In de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn verschillende landschappen onderscheiden. Het plangebied maakt deel uit van 'Landschap Rivierengebied', zoals te zien is op onderstaande afbeelding.
 
Landschappen Utrecht (plangebied gele druppel, bron: Provincie Utrecht)
 
Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied dient aansluiting worden gevonden bij de kernkwaliteiten van het gebied. Voor onderhavig plan zijn de volgende kernkwaliteiten relevant:
  1. schaalcontrast van zeer open naar besloten;
  2. samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal - kom;
  3. samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal – rivier;
  4. de Kromme Rijn als vesting en vestiging.
Met het verwijderen van de relatief grootschalige bedrijfsbebouwing en met een uitwerking waarbij een verantwoorde landschappelijke inpassing wordt bewerkstelligd, wordt recht gedaan aan de kernkwaliteiten van het plangebied.
 
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal'
De gemeenteraad van Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 de Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal' vastgesteld. Daarin zijn onder meer afspraken op hoofdlijnen opgenomen over de ontwikkeling van gebieden en kwaliteiten tot 2030. Voor de periode 2010-2016 zijn concretere afspraken opgenomen.
 
Het motto van de Structuurvisie 2030 is 'Groen dus Vitaal'. Aan de ene kant zijn natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, samen met de sociale kwaliteit van de dorpen, het uitgangspunt. Voor wonen, economische ontwikkeling, sport en recreatie is ruimte als dat in het verlengde van dit uitgangspunt gevonden kan worden. Omgekeerd is het gewenst dat de samenleving, vanuit de behoefte aan wonen, werken, sporten en recreëren, op zoek gaat naar gebruiksmogelijkheden van het gemeentelijke grondgebied. De vitaliteit die daarmee wordt ingebracht, verhoogd voor iedereen de waarde van de leefomgeving voor iedereen.
 
Gezien de complexe omgeving met zoveel waarden vraagt het motto om creativiteit en maatwerk voor de functies wonen, werken, sport en recreatie. En een standvastige, maar niet dogmatische houding vanuit het oogpunt van natuur, landschap, cultuurhistorie en de samenleving. Voor de gemeentebrede invalshoek wordt gewerkt met thema's, die een breed terrein bestrijken:
  • Natuur over de heuvels;
  • Op de schouders van ons erfgoed;
  • Duurzaam bereikbaar;
  • Leefbare dorpen;
  • Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug;
  • Maatwerk voor wonen en werken.
De volgorde van de thema's weerspiegelt de algemene houding 'Groen dus Vitaal'. Om sturing te geven aan de ontwikkelingsrichting voor de diverse geografische samenhangende gebiedsdelen (zones), is een structuurvisiekaart met gebiedsdekkende zonering ontwikkeld. De kaart heeft een landschappelijke onderlegger en is gebaseerd op versterking van de bestaande situatie en de hieraan gekoppelde gemeentebrede thema's.
 
Planspecifiek
Het plangebied ligt in het gebied dat op de structuurvisiekaart behorende bij de Structuurvisie 2030 'Groen dus vitaal' is aangewezen als 'gemengde zone' (zonenummer 2.9). De beleidsrichting ‘gemengde zone’ is gericht op behoud van de groene en cultuurhistorische kwaliteiten van het open gebied.  
Hiervoor geldt dat woningen en andere gebouwen alleen gewenst zijn als ze historisch zijn of van hoge ruimtelijke kwaliteit. Om te voorkomen dat de groene ruimte geleidelijk minder groot wordt, stelt de gemeente als algemene regel dat de bestaande ‘footprint’ van de gebouwen niet groter mag worden dan de huidige. Verder wordt vermeldt in de Structuurvisie dat bij een herontwikkeling de bestaande kwaliteiten beschreven en gewaardeerd moeten worden. Ook moet worden aangeven hoe deze kwaliteiten het plan beïnvloed hebben en hoe dit zal leiden tot een aantoonbare verbetering van deze aspecten.
 
In onderhavig geval zorgt de transformatie, waarbij een aanzienlijke hoeveelheid bedrijfsbebouwing en een waterbassin worden verwijderd, er voor dat beter aangesloten kan worden bij de kwaliteiten van het gebied. Dit krijgt nader gestalte bij de verdere uitwerkingen in bouw- en inrichtingsplannen. Hierbij wordt aangesloten bij de bevindingen en voorstellen van Stuurgroep Kromme Rijnlandschap.
 
4 Specifieke regelgeving en beleid
In dit hoofdstuk dient het specifieke beleid en de wettelijke verplichtingen per sector beschreven te worden. Vervolgens dient per sector te worden aangegeven in hoeverre de ontwikkelingen in het plan zich verhouden tot dat specifieke beleid en die wettelijke verplichtingen. In de toelichting dient dit duidelijk te worden beschreven. Zo nodig wordt dit onderbouwd met onderzoek(en). Als niet wordt voldaan aan het beleid of onderdelen daarvan zal gemotiveerd moeten worden aangegeven worden waarom in dit geval het gerechtvaardigd is om van dit beleid af te wijken. Of in ander geval dit wordt gecompenseerd in een ander plan.
 
Afhankelijk van het plan moet bekeken worden welk beleid, wetgeving en onderzoek relevant is.
4.1 Beeldkwaliteit
De welstandsnota (2008) van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, die herzien is in 2017 en nu 'Nota Ruimtelijke Kwaliteit' heet, beschrijft het welstandsbeleid en dient als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen. De gemeente streeft naar een consistent welstandsbeleid waarbij gelijke gevallen op gelijke locaties hetzelfde worden behandeld. Welstand is onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid.
De gemeente kan de welstandscriteria differentiëren naar gebieden en naar het detailniveau van de criteria. Een historisch centrum vraagt om een andere benadering dan een bedrijventerrein. De wijze van indeling in gebieden kan typologisch of topografisch zijn; dat wil zeggen naar soort zoals woon- en werkgebieden, het voorzieningencentrum, centrumrand, buitengebied enzovoort, of naar specifieke plaatselijke kenmerken. Deze gebieden komen terug in de nota Ruimtelijke Kwaliteit (2008).
   
Dorpsbebouwing Driebergen-Zuid
Deelgebied Driebergen-Zuid beslaat het gebied van de zuidrand van de bebouwde kom (Akkerweg, Horstlaan) tot de overgang van het dorpscentrum. Met het geheel van stedenbouwkundige structuur, landschappelijke elementen en architectuur in het gebied dient met zorg te worden omgegaan. Uiteraard is dat op de eerste plaats een kwestie van ruimtelijk beleid maar het welstandsadvies kan daar veel aan bijdragen, de uiterlijke verschijningsvorm mag niet vervlakken. Het stijleigen karakter van de bebouwing dient bij nieuwbouw, verbouwing en uitbreiding bewaard te blijven. Wat dat stijleigen karakter inhoudt kan in dit gebied aan de (directe) omgeving worden ontleend. Daarnaar wordt in de welstandscriteria ook verwezen omdat het zeker in dit gebied niet doenlijk is alle architectuurkenmerken van alle voorkomende bouwstijlen te benoemen.
 
In het oude patroon van wegen en landschapselementen is in Driebergen-Zuid voornamelijk woonbebouwing opgericht tussen, globaal 1900 en 1960. De geschiedenis van de Nederlandse woningbouw in de luxe en wat eenvoudiger vorm in die tijd is hier goed afleesbaar. Veel stijlen zijn vertegenwoordigd, van een laatste staartje eclecticisme tot en met de sobere wederopbouwarchitectuur. Daarbij is de solide woningbouw uit de jaren dertig, ook wel Haagse school genoemd, in ruime mate aanwezig. Verder zijn er twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woonhuizen in de stijl van de Delftse school in het gebied te vinden.
 
Planspecifiek
Onderhavig plan voorziet in het slopen en herbouwen van één van de twee bedrijfswoningen elders op het terrein. In de huidige situatie staat de voorste bedrijfswoning, nummer 17, op korte afstand tot de buurwoningen, waardoor de privacy niet optimaal is. De woning wordt verder naar achteren herbouwd op het terrein en wordt daarbij landschappelijk zo optimaal mogelijk ingepast. Hierbij heeft de woning een directe relatie met het openbare gebied, al is de woning verder vooral op het zuiden en de eigen tuin georiënteerd.
De woning sluit wat betreft massa en vorm aan bij de woningen in de omgeving. Verder wordt de woning opgetrokken uit hoogwaardige, duurzame materialen en wordt gebruik gemaakt van in lichte tint gesausde/gestuukte bakstenen. Het dak wordt bedekt met matte antraciete dakpannen of dakplaten. Dit onderdeel komt nader aan de orde bij de welstandstoetsing in het kader van de omgevingsvergunning.
 
4.2 Wonen
In de 'Actualisatie Woonvisie Utrechtse Heuvelrug 2018-2020 (augustus 2018)' is de woonvisie uit 2014 het uitgangspunt. De drie hoofdthema's zijn immers onverminderd actueel:
  1. Woningmarkt in beweging;
  2. Levensloopbestendig wonen;
  3. Duurzaam wonen.
De gemeente acht het meer dan ooit van belang om met woningbouwcorporaties, particuliere ontwikkelaars en andere betrokkenen uit de samenleving gezamenlijk keuzes te maken en prioriteiten te stellen ten aanzien van de bestaande woningvoorraad en de nieuwbouw. De kwaliteit van het wonen is en blijft immers een belangrijke kernwaarde van de gemeente.
In de Actualisatie Woonvisie 2018-2022 stuurt de gemeente op meer goedkope en middeldure woningen door een differentiatie in nieuwbouwprojecten op te leggen. Voor alle woningbouwprojecten geldt dat er meer sociale huurwoningen en middeldure woningen mogen worden gebouwd. Voor projecten die bestaan uit minder dan vier woningen geldt geen verplichte differentiatie.
 
Planspecifiek
Onderhavig initiatief voorziet in het slopen en herbouwen van één van de twee bedrijfswoningen elders op het terrein en in het opnieuw inpassen van de andere bedrijfswoning. Hiermee past het initiatief binnen de ambities  van de Actualisatie Woonvisie Utrechtse Heuvelrug 2018-2020.
 
4.3 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. In het kader van het aspect verkeer en parkeren is, zoals geregeld  in het 'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening' (2018), het Gemeentelijk verkeers- en vervoerplan (GVVP) van belang. Dit plan is op 2 februari 2010 vastgesteld door de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het GVVP biedt ondermeer een realistisch en concreet beleidskader voor het optreden van de gemeente op het gebied van verkeer en vervoer. Concrete verzoeken van inwoners en herinrichtingsplannen van de gemeente worden getoetst aan dit beleid, maar het bepaalt ook het gemeentelijk standpunt bij regionale ontwikkelingen en projecten.
 
Planspecifiek
Parkeren
Voor de te hanteren parkeernormen wordt verwezen naar het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), vastgesteld door de raad op 2 februari 2010. Het voorliggende bestemmingsplan is voorzien van een parkeerregeling, met een verwijzing naar dat plan. Dit is conform het  'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening', waarbij het plangebied wordt beschouwd als gelegen in het buitengebied, weinig stedelijk en een minimale norm. Voor een vrijstaande woning wordt uitgegaan van 2.0 parkeerplaatsen per woning. Hierin wordt voorzien middels parkeren op eigen terrein. Uitgegaan wordt van het behouden van de bestaande inrit vanaf de Akkerweg.
 
Verkeer
De woningen worden ontsloten op de Akkerweg. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal op deze weg sprake zijn van een afname zijn van het aantal verkeersbewegingen. Dat houdt verband met het opheffen van de bedrijfsfunctie (bloemisterij-tuincentrum), waar een zekere verkeersaantrekkende werking van uit ging. Ten aanzien van het wonen blijft de situatie feitelijk gelijk, aangezien er in de huidige situatie reeds sprake is van twee (bedrijfs-)woningen.
 
Het plangebied is verder vanaf de Akkerweg goed bereikbaar voor fietsen, maar ook voor hulpdiensten. De bestaande ontsluiting blijft daarvoor onveranderd ten opzichte van de huidige situatie. Het plangebied is minder goed bereikbaar met het openbaar vervoer. 
 
4.4 Milieu
4.4.1 Bodem en asbest
In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
 
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.
 
Planspecifiek
Er is in 2017 voor de planlocatie een verkennend (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd (Inventerra, 17-2294-R01AvH, d.d. 16 oktober 2017, zie bijlagen, bijlage 1). Het onderzoek is uitgevoerd conform de toenmalige NEN-normen: NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek) en NEN 5740 (Strategie voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek). Doel van het onderzoek is vast te stellen of het gebruik van de onderzoekslocatie geen belemmering vormt voor het beoogde toekomstige gebruik.
 
Geconcludeerd wordt dat op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek, de hypothese ‘verdachte locatie’ bevestigd is. Dat houdt verband met licht verhoogde gehalten in de grond en/of in het grondwater. Daarbij wordt de lichte verontreiniging met minerale olie in de grond en de lichte verontreiniging met naftaleen in het grondwater toegeschreven aan het gebruik van de ondergrondse olietank. Verder zijn de lichte verontreinigingen aan bestrijdingsmiddelen in de bovengrond toe te schrijven aan het vroegere gebruik van de locatie als boomgaard. Het licht verhoogde bariumgehalte in het grondwater betreft naar verwachting een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. Daarnaast is zowel in het puinhoudende zand als in de aanwezige puinlaag geen asbest aangetoond. Aandacht zal nog moeten worden besteed aan de nieuwe eisen die gesteld worden aan het verkennende onderzoek, ten opzichte van de situatie in 2017. Dit komt aan bod in het vervolgtraject. Voorts is door de omgevingsdienst (ODRU) aangegeven dat aanvullend onderzoek naar de bestrijdingsmiddelenkast benodigd is. Deze is uitgevoerd en wordt hieronder behandeld (Inventerra, 17-2294.1-B191116, zie bijlagen, bijlage 2).
 
Aanvullend onderzoek
Uit het aanvullende bodemonderzoek blijkt dat de onderzochte bovengrond licht verontreinigd is met enkele stoffen uit de groep van de OCB (organochloorbestrijdingsmiddelen en organische stof). De gemeten concentraties komen overeen met hetgeen is aangetoond tijdens het voorgaande onderzoek.
De aangetoonde verhoogde gehalten zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen ons inziens niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. 
 
Asbesthouden bouwmateriaal
Op de locatie is bebouwing met een bouwjaar van vóór 1994 aanwezig. Sindsdien is het toepassen van asbesthoudend bouwmateriaal verboden. Deze bebouwing is hiermee verdacht op het voorkomen van asbesthoudende bouwmaterialen. Als gevolg van verweerde en/of kapotte asbesthoudende materialen aan de buitenzijde van de bebouwing, kunnen asbestvezels in of op de bodem terecht komen. Dit aspect is niet meegenomen in het verkennende (asbest)bodemonderzoek. Dit komt nader aan bod in het kader van de sloop van het betreffende woonhuis Akkerweg 17.
 
Conclusie
De aangetoonde verhoogde gehalten zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen, zoals verwijdering van de olietank, niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit het aspect bodem en asbest is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming.
Wel kunnen in het vervolgtraject, als op de locatie graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden, beperkingen gesteld worden aan het hergebruik van de vrijkomende grond.
 
4.4.2 Geluid
De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
  • woningen;
  • andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven);
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen.
 
Planspecifiek 
De planlocatie ligt binnen de wettelijk vastgestelde zone van de Akkerweg. Het gaat evenwel om een rustige woonstraat. Bovendien betreft het een bestaande situatie (Akkerweg 17A) en vervangende nieuwbouw (Akkerweg 17). Om de laatstgenoemde reden hoeft het plan niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder want het wordt gezien als een ongewijzigde situatie.
Desondanks is in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken naar de geluidbelasting, gebruik makend van Geoloket van de ODRU. De daar vermelde geluidbelasting is inclusief aftrek ex. art. 110g Wgh en betreft het peiljaar 2030. Op onderstaande afbeelding is te zien dat de geluidbelasting op de locatie ruim onder de voorkeurswaarde van de Wet geluidhinder ligt.
 
Gecumuleerde geluidbelasting veroorzaakt door wegverkeerslawaai (Bron: website ODRU, 21-08-2019)
 
Er wordt aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. Er is voorts geen sprake van cumulatie in de zin van de Wet geluidhinder, aangezien de voorkeursgrenswaarde wordt gerespecteerd en geen sprake is van andere geluidbronnen. Voor het aspect geluid is daarom sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering voor het voorliggende initiatief.
 
4.4.3 Luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
 
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
 
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
 
Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt.
 
Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
 
In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden.
 
Planspecifiek
Met de voorgenomen wijziging krijgt het plangebied de bestemming 'Wonen'. De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
 
Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit de Atlas blijkt dat ter plaatse de achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied respectievelijk 17,9 μg/m³ PM10, 11 μg/m³ PM2,5 en 15,4 μg/m³ NO2 bedragen. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. De advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarde voor PM10 maar niet voor PM2,5. Omdat het gaat om een lichte overschrijding is de verwachting dat door verbetering van de autotechniek er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
 
4.4.4 Bedrijven en milieuzonering
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik.
 
Indien nieuwe milieugevoelige bestemmingen, zoals woningen of scholen, mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van bestaande bedrijven dan dient de geluidsruimte die het bedrijf heeft op basis van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), of zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning, te worden gerespecteerd. Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is. Hierbij kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' editie 2009 gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. De handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied).
 
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek
Wonen wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige functie. Derhalve is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van het plangebied. Het plangebied wordt grotendeels omgeven door woonpercelen. Daarnaast zijn op Akkerweg 21 een boomkwekerij en op Akkerweg 13 een bedrijf gevestigd.
 
De kortste afstand tot de boomkwekerij, gemeten van perceelsgrens tot perceelsgrens bedraagt iets meer dan 45m. Zoals verzocht door de gemeente Utrechtse Heuvelrug (reactie op principe-verzoek d.d. 6 april 2017) dient bij een afstand van minder dan 50 m e.e.a. onderbouwd te worden. Het gaat uitsluitend om het achterste gedeelte van het perceel, waar de boomteelt ook nabij de perceelsgrens van de boomkweker plaats heeft. Dat is ook het perceelsgedeelte dat het minst intensief voor de nieuwe woonfunctie (als weide/tuin) gebruikt zal gaan worden. Bovendien bevindt zich tussen het onderhavige perceel en de boomkweker een ander woonperceel, dat een vergelijkbare opzet heeft.
 
Verder moet worden opgemerkt dat de beide woningen zich feitelijk op een grotere afstand dan de genoemde 50 m bevinden. Derhalve is de conclusie gerechtvaardigd dat het milieuaspect van de boomkwekerij geen beperkingen oplevert voor het bestemmingsplan.
 
Voor wat betreft het bedrijf Akkerweg 13 kan gesteld worden dat het, volgens het ontwerpbestemmingsplan Driebergen Buitengebied, ten hoogste een bedrijf in categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten kan betreffen. Daarbij is een richtafstand van 30 m aan de orde. Het onderhavige perceel bevindt zich op een grotere afstand (circa 65 m), zodat er geen sprake zal zijn van hinder.
 
Het milieuaspect levert dan ook geen belemmeringen op voor het voorliggende bestemmingsplan.
 
4.4.5 Externe veiligheid
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd.
 
De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
  • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
 
Planspecifiek 
In de nabije omgeving bevindt zich een aardgastransportleiding van de Gasunie. Deze ligt op een afstand van ongeveer 160 m tot het plangebied. De leiding heeft een risico-afstand van 5 meter en is daarmee niet van invloed op het plangebied.
 
Uitsnede Risicokaart (met het plangebied in de zwarte cirkel)
 
Uit de Risicokaart externe veiligheid blijkt verder dat in de nabije omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.
 
4.4.6 Duurzaamheid
De wettelijke eisen voor energiezuinigheid en milieu in hoofdstuk 5 van het Bouwbesluit hebben betrekking op thermische isolatie, de energieprestatie (EPC) en milieuprestatie (MPG). Aanvullend hebben de provincie Utrecht en gemeente Utrechtse Heuvelrug beleid opgesteld voor duurzaamheid.
 
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie 2013-2028. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013. Hierin staat voor nieuwe ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied dat het ruimtelijk plan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.
Bij zowel het bouwen als renoveren van woningen is het van belang dat nagedacht wordt over het gebruik van alternatieve vormen van energie en energiebesparende technieken. Hiermee dragen ruimtelijke plannen bij aan het doel van 10% duurzame energiegebruik in 2020 zoals verwoord in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013.
 
Gemeentelijk beleid
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft haar beleid rond klimaat, energie en duurzaam bouwen verwoord in het Milieubeleidsplan “Natuurlijk duurzaam”. In 2035 wil de gemeente klimaatneutraal zijn.
Voor nieuwbouwwoningen streeft de gemeente naar een 25% scherpere energieprestatie dan de maximale wettelijk verplichte EPC-score. Daarnaast wordt gestreefd naar een minimale gemiddelde GPR Gebouw score van 7. Bij kansrijke projecten is de ambitie een GPR Gebouw score van 8.
 
Gratis en vrijblijvende licentie GPR Gebouw
Met GPR Gebouw wordt inzichtelijk gemaakt waarmee de duurzaamheid van het plan kan worden verbeterd. Het instrument GPR Gebouw vertaalt concrete maatregelen in een prestatiescore voor duurzaam bouwen. GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. De gemeente Utrechtse Heuvelrug stelt het gebruik van GPR Gebouw gratis beschikbaar.
 
Nederland in 2050 vrij van aardgas
Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren.
De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden.
 
Extra hypotheekruimte voor energiezuinige woningen
De Tijdelijke Regeling Hypothecair Krediet maakt het mogelijk om extra hypotheekruimte te krijgen voor duurzaamheid. Huiseigenaren die energiebesparende maatregelen willen meefinancieren kunnen hiervoor meer hypotheekruimte krijgen. Voor energie neutrale woningen of nul-op-meter woningen is deze extra ruimte vanaf 1 januari 2017 tot € 25.000. Dit gaat buiten de normale inkomenstoets om. Er zijn wel voorwaarden, waaronder een bruto minimum jaarinkomen van € 33.000,- en een maximum totaal hypotheekbedrag van 106 % van de marktwaarde van de woning ná het nemen van de maatregelen.
 
Planspecifiek
Het voorliggende initiatief gaat niet gepaard met het toevoegen van woningen. In het geval van Akkerweg 17A betreft het het handhaven van een (bedrijfs-)woning, waarmee op een duurzame wijze wordt omgegaan met bestaand bebouwd oppervlak in het landelijk gebied.
De andere bedrijfswoning (Akkerweg 17) wordt herbouwd op het perceel. In de uitvoeringsfase zal, waar mogelijk, rekening worden gehouden met het aspect duurzaamheid. Uitgegaan wordt van een levensloopbestendige woning, die gebouwd wordt volgens de principes van het passief bouwen. Een passief gebouw wordt gekenmerkt door een extreem laag energiegebruik, door het toepassen van een goede isolatie en kierdichting, het ontbreken van thermische ('koude'-)bruggen en een goede ventilatie met een lage infiltratie van buitenlucht. 
Bij de verdere uitwerking in een bouwplan zal rekening worden gehouden met de eisen die daar aan vanuit duurzaamheid gesteld worden. Daarbij leidt het plan niet tot een aantasting van stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en/of waardevol groen.
 
4.4.7 Stikstofdepositie
In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument Aerius wordt de stikstofdepositie berekend als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden.
 
Het rekeninstrument Aerius was één van de pijlers van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), het PAS maakt onderdeel uit van de Crisis- en herstelwet (Chw). Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. Het PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is het PAS buiten werking gesteld. Het systeem van het PAS was erop gebaseerd dat vooruitlopend op toekomstige positieve ontwikkelingen voor beschermde natuurgebieden toestemming gegeven kan worden voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden door stikstofuitstoot. Die toestemming ‘vooraf’, zoals het PAS mogelijk maakte, mag niet meer, aldus de RvS. Projecten en of activiteiten dienen, in afwachting van een nieuwe PAS, zelfstandig beoordeeld te worden op grond van de Wet natuurbescherming.
 
In de uitspraak van 29 mei 2019 is ook specifiek ingegaan op de Aerius Calculatie. In rechtsoverweging 39.3 is bepaald dat Aerius nog wel gebruikt kan worden voor de effectbepaling op grotere (meer dan 50 meter) afstand. Voor berekeningen op kortere afstand wordt een tweede berekening met een ander rekenpakket aanbevolen. De onnauwkeurigheid van Aerius zat voornamelijk in emissie berekeningen bij agrarische bedrijven waar het emissiepunt zich op enige hoogte bevond. In de nieuwe Aerius module van september 2019 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen.
 
Planspecifiek
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Kolland & Overlangbroek, bevindt zich op 8 kilometer van het plangebied. Om aan te tonen of voorliggend plan een negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie bijlagen, bijlage 3). Uit de berekening is gebleken dat beide fases een rekenresultaat van 0,00 mol/ha/j hebben. Daarmee is het plan uitvoerbaar wat betreft effect op omliggende Natura 2000-gebieden.
 
4.4.8 Milieueffectrapportage
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vijf mogelijkheden:
  1. het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig;
  2. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht;
  3. het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd;
  4. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht;
  5. aan de hand van een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 kan geconcludeerd worden dat het plan mogelijk m.e.r.-plichtig is.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
  • Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;
  • Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
  • De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
 
Planspecifiek
Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in D 11.2. Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken: 
  1. Er wordt slechts een beperkt aantal woningen toegevoegd.
  2. Door het slopen van kassen en bijgebouwen neemt het bebouwd oppervlak af.
  3. Aangezien de nieuwe woning gasloos wordt zijn de milieugevolgen beperkt.  
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
 
Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
 
4.5 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
 
4.5.1 Generiek beleid
Bodem-, Water- en Milieuplan 2016 - 2021
Het Bodem-, Water- en Milieuplan is opgesteld op grond van de verplichting in de Waterwet en de Wet Milieubeheer om respectievelijk een regionaal waterplan en een provinciaal milieubeleidsplan op te stellen. Het Bodem-, Water- en Milieuplan is vastgesteld op 7 december 2015. Met dit plan wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening en de Provinciale Waterverordening.
Voor bodem, water en milieu staan de volgende doelen centraal:
  1. streven naar een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden.
  2. streven naar bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied.
  3. streven naar een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden.
Gestreefd wordt naar een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om deze doelen te bereiken worden twee hoofdlijnen in het beleid onderscheiden: 
  1. focussen op vier prioriteiten: (1) waterveiligheid en wateroverlast, (2) schoon en voldoende oppervlaktewater, (3) ondergrond en (4) leefkwaliteit stedelijk gebied. Dit betreft urgente maatschappelijke problemen waarin de provincie in de aanpak een belangrijke rol kan spelen.
  2. werken vanuit zes basiskwaliteiten (bodemkwaliteit, waterkwaliteit, waterkwantiteit, lucht, geluid (incl. geur en licht) en externe veiligheid). Deze vormen een integraal onderdeel van al het provinciaal beleid gerelateerd aan de fysieke leefomgeving.
Gemeentelijk Waterplan Heuvelrug
Doel van het waterplan is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.
 
Het waterplan Heuvelrug richt zich vooral op de stedelijke kernen en de directe omgeving ervan. Belangrijke punten uit het waterplan zijn: 
  • afkoppelen en infiltreren van regenwater: de zandige Utrechtse Heuvelrug biedt veel mogelijkheden voor infiltratie van water van nieuwe bebouwing en bestaande bebouwing in de grond;
  • beleving en cultuur: de landgoederen en Stichtse Lustwarande zijn beeldbepalend, en water vervult daar een eigen functie in;
  • natuur en ecologie: op allerlei plaatsen kan de natuur en ecologie in en om het water verbeterd worden. Eerst moet gekeken worden welk water een belangrijke functie vervult hierin; 
  • beheer en onderhoud: het is nodig om het beheer van watergangen en dat van erlangs gelegen wegen goed op elkaar af te stemmen.
 
4.5.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Waterbeheerplan
Het Waterbeheerplan ‘Waterkoers' voor de periode 2016-2021 is op 16 maart 2016 vastgesteld. In het Waterbeheerplan staat in grote lijnen het waterbeheer voor de komende jaren beschreven.
Met deze Waterkoers wil het waterschap zich flexibel opstellen en ruimte bieden voor initiatieven uit de samenleving: van 'zorgen voor' naar 'samen doen'. De Stichtse Rijnlanden werkt aan veiligheid, voldoende en gezond water, tegen aanvaardbare maatschappelijke kosten. Daarnaast werkt de Stichtse Rijnlanden aan de fysieke
leefomgeving en wil het anticiperen op veranderingen over de grenzen heen. Ook wil het waterschap inspelen op ontwikkelingen (trends) in de maatschappij door actief het gesprek aan te gaan en samen te werken.
 
De Stichtse Rijnlanden formuleert de volgende ambities:
  • gezond water;
  • veilig tegen overstromingen;
  • gezuiverd afvalwater;
  • voldoende water;
  • genieten van water.
In de Watertoets worden deze ambities verder uitgewerkt.
 
Leidraad Afkoppelen Utrechtse Heuvelrug
De leidraad heeft betrekking op het infiltreren van afstromend hemelwater en de risico’s hiervan voor de grondwaterkwaliteit en is onderdeel van het ‘Convenant afkoppelbeleid Utrechtse Heuvelrug’. Het convenant is een overeenkomst voor de periode 2010-2015, tussen de Provincie Utrecht, Waterschap Vallei & Eem, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, Vitens en negen gemeenten, waaronder de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De leidraad is van toepassing op dat deel van de Utrechtse Heuvelrug, waarbinnen het grootste deel van het neerslagoverschot het diepe grondwater bereikt. Gebieden met oppervlaktewater vallen hier niet onder. De grondwatervoorraad op de Utrechtse Heuvelrug is kwetsbaar en vraagt om locatie specifiek beleid voor infiltratie. Er is een beslisschema opgesteld, welke richting geeft aan te maken keuzes en bestaat uit een voorkeursvolgorde voor infiltratie, een richtlijn die aangeeft welke keuzemogelijkheden er zijn, en een beschrijving van maatregelen om uitspoeling naar grondwater te beperken.
      
Waterstructuurvisie
De Waterstructuurvisie is opgesteld door het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (2002). In de Waterstructuurvisie geeft het Hoogheemraadschap aan dat water een steeds grotere rol in onze samenleving speelt. Functies zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van water. Daarnaast verandert het klimaat waardoor water in de toekomst meer ruimte nodig. In de Waterstructuurvisie presenteert het Hoogheemraadschap de integrale visie op een duurzaam waterbeheer op de lange termijn. Doelen hierbij zijn:
  • het gewenste veiligheidsniveau tegen overstroming en wateroverlast is gegarandeerd;
  • er is sprake van een goede waterkwaliteit;
  • de ecohydrologische variatie binnen het plangebied is hersteld;
  • de bodemdaling is verminderd of zo mogelijk stopgezet;
  • er zijn goede gebruiksmogelijkheden van het plangebied voor verschillende maatschappelijke functies; er is voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar om dit mogelijk te maken;
  • de landschappelijke betekenis van water is behouden of versterkt.
In de structuurvisie zijn gebiedsspecifieke doelstellingen en maatregelen gedefinieerd. Ook wordt een streefbeeld voor 2050 beschreven, gebaseerd op de volgende principes:
  • vasthouden, bergen, afvoeren;
  • voorkomen, scheiden of schoon maken van vuilemissies;
  • vergroten zelfvoorzienendheid en duurzame inrichting;
  • grondwater als ordenend principe.
Grondwater als ordenend principe
Het streefbeeld kan niet los worden gezien van het toekomstige grondgebruik binnen het beheersgebied. Enerzijds vraagt het streefbeeld op een aantal plaatsen om meer ruimte voor water. Anderzijds kan het streefbeeld alleen worden bereikt indien het grondgebruik meer op waterdoelstellingen wordt afgestemd. Voor de drie belangrijkste functies wonen/werken, landbouw en natuur, is daarom in kaart gebracht of en hoe deze functies passen bij een duurzaam waterbeheer. Dit is in combinatie met het streefbeeld vertaald naar een visie op het toekomstig gewenste grondgebruik in ons werkgebied.
 
4.5.3 Watertoets
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.
 
Planspecifiek
In het kader van de voorgenomen ontwikkelingen is de digitale watertoets uitgevoerd (dewatertoets.nl, d.d. 18 juli 2019). Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (hierna: HDSR) is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. HDSR adviseert positief over het ruimtelijk plan.
 
Naast het uitvoeren van de digitale watertoets is het plan tevens getoetst aan de Handreiking watertoets van HDSR. Hierin geeft het waterschap enkele onderwerpen die het graag ziet in de waterparagraaf. Enkele van deze onderwerpen zijn voor voorliggend plan van mindere mate relevant, omdat het gaat om een plangebied van beperkte schaal, waardoor het een geringe invloed heeft op het regionale watersysteem. Ook is het peilbesluit Langbroekerwetering, het gebied waarin het plangebied zich bevindt, in augustus van 2018 ten einde gekomen en wordt er momenteel een nieuw peilbesluit opgesteld. Daarmee kan een beschrijving van de grondwaterstand achterwege blijven. Verder zijn er in het plangebied geen oppervlaktewateren of waterkeringen aanwezig, waardoor het plan geen negatief effect sorteert op deze onderdelen. 
 
Wel worden er enkele ingrepen gedaan die een positieve invloed hebben op het watersysteem. Er wordt bebouwing gesloopt. Daarnaast zal het hemelwater afgekoppeld worden van het rioolwater om bodemverdroging tegen te gaan en zal er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen. Deze ingrepen zorgen ervoor dat de infiltratie van hemelwater verbetert, waardoor de kans op bodemverdroging afneemt.
 
4.6 Groen, natuur en landschap
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
  • bescherming van de biodiversiteit in Nederland;
  • decentralisatie van verantwoordelijkheden;
  • vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming
Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.
 
Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
  • strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd.  
    
Planspecifiek
Het behouden van het groene karakter, uitvoeren van ecologisch onderzoek en landschappelijke inpassing zijn aandachtspunten voor het plan. In het kader van de herontwikkeling van het terrein is, in samenspraak met de Landschapscoördinator Stuurgroep Kromme Rijnlandschap, een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld, inclusief een beplantingspan (Buro SRO, zie bijlagen bij de regels, bijlage 1). Door de bebouwing en bedrijfsactiviteiten op de gronden in het plangebied is veel van de oorspronkelijke openheid verloren gegaan. Op de achtererven zijn diverse bijgebouwen geplaatst en de (voor)tuinen zijn beplant met opgaande beplanting. Bij het saneren van de bebouwing wordt rekening gehouden met het bestaande groen. De natuurlijke beplante erfafscheiding en een gedeelte van het populierenbosje blijven behouden. Op het achterperceel wordt de erfbeplanting waar nodig verder aangevuld met streekeigen soorten die passen in het landschappelijke gebied.
Aan de zuidwestzijde komt een hoogstamboomgaard, voornamelijk met appelbomen. Dit is van oudsher passend in dit landschapstype. Het populierenbosje op het grens van het weiland is door zijn hoogte duidelijk zichtbaar in het landschap. Aan de voet van het bosje kan aan de tuinzijde struweel aangeplant worden dat dient als voedselplek, schuilplaats en nestgelegenheid voor vogels. Aan de zuidoostzijde wordt de aarden wal gedeeltelijk verwijderd en is plek voor een amfibieënpoel aansluitend op de bestaande greppel. Dit is niet alleen waardevol voor de ecologie maar er wordt ook een fraaie zichtlijn gecreëerd vanaf de kavel naar het open landschap. Voor de verdere inrichting van het erf wordt zo veel mogelijk streekeigen beplanting gebruikt zodat deze aansluit bij de omgeving. Dit is nader uitgewerkt in het inrichtingsplan.
 
In het kader van de hiervoor beschreven herontwikkeling en voorliggend bestemmingsplan is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie d.d. 12 november 2019: zie bijlagen, bijlage 4). In deze versie is de eerdere rapportage aangevuld naar aanleiding van opmerkingen van de gemeente Utrechtse Heuvelrug op het onderdeel vleermuizen.
In de rapportage wordt het volgende geconcludeerd:
  • dat binnen het plangebied en/of de directe omgeving daarvan geen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor komen;
  • dat het plangebied aannemelijk geen essentiële betekenis voor soorten die behoren tot het beschermingsregime, habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of overige soorten;
  • dat mogelijk foeragerende en migrerende vleermuizen de locatie betreden en passeren en dat het mogelijk is dat gedurende de werkzaamheden de rugstreeppad de locatie bevolkt;
  • dat de sloop van de woning niet leidt tot een significante afname van het aantal potentiele zomer- en paarverblijfplaatsen voor (solitaire) gewone dwergvleermuizen. De overige te slopen bebouwing is per definitie ongeschikt als verblijfplaats;
  • dat de locatie en omgeving ervan incidenteel worden betreden door algemene amfibieën en zoogdieren en dat er geschikte nestlocaties zijn voor algemene broedvogels aanwezig;
  • dat de planlocatie geen onderdeel uitmaakt van een Natura 2000-gebied, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland en dat gelet op de aard van de werkzaamheden en de afstand tot Natura 2000-gebieden geen sprake is van externe werking.
Derhalve kan gesteld worden dat de werkzaamheden en toekomstige situatie niet leiden tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Wel dient tijdens de uitvoering rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van vleermuizen, rugstreeppad en algemene broedvogels. Voor deze soortgroepen dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen (zie hieronder). De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging (vrijstellingsbesluit). Het uitgevoerde onderzoek toont aan dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan.
 
Er kan geconcludeerd worden het groene karakter van het plangebied behouden blijft, gebieds- en soortenbescherming voldoende is gewaarborgd en het plan landschappelijk wordt ingepast. Daarmee voldoet het aan de ambities van de gemeente en de Stuurgroep Kromme Rijnlandschap.
 
Te treffen maatregelen
  • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht).
  • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
  • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
  • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
  • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts, geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).
  • Het terrein ongeschikt houden voor rugstreeppadden (bijv. voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
  • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
 
4.7 Cultuurhistorie
Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
 
Planspecifiek
De te handhaven woning Akkerweg 17A stamt uit de na-oorlogse periode en heeft geen cultuurhistorische waarde. Dat geldt ook voor de te verwijderen bebouwing. Met het verwijderen van die bebouwing kan meer recht gedaan worden aan de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied.
 
4.8 Archeologie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
 
Planspecifiek
De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft een Beleidskaart archeologie waarop zeven verschillende archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven. De archeologische verwachtingen variëren van zeer hoge tot geen verwachting. Deze verwachting geeft aan hoe groot de kans is op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten.
 
Uit de Beleidskaart Archeologie 2013 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug blijkt dat het plangebied bestaat uit een gebied met een middelhoge archeologische waarde. Hiervoor bestaat een onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een totale oppervlakte groter dan 1.000 m² die dieper reiken dan 30 cm. De voorgenomen ontwikkeling heeft slechts een beperkt oppervlakte aan bodemingrepen tot gevolg. Het onderzoeksplichtige oppervlak van 1.000 m² wordt hierdoor niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In dit bestemmingsplan zal overigens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4', ter bescherming van de archeologische waarden worden opgenomen.
 
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding
Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in een GML-bestand met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. De verbeelding en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
 
5.2 Methodiek
5.2.1 Toelichting
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
 
5.2.2 Verbeelding
In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden.
 
5.2.3 Regels
De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:
  • Hoofdstuk 1 (artikelen 1 en 2) bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk 2 (artikel 3 en 4) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden.
  • Hoofdstuk 3 (artikelen 5 tot en met 9) bevat de algemene regels; een anti-dubbeltelregel en de algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings- en wijzigingsregels.
  • Hoofdstuk 4 (artikelen 10 en 11) bevat de overgangs- en slotregel.
5.3 Inleidende regels
Begrippen
In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Alleen de begrippen die in aanvulling op het dagelijks spraakgebruik nadere toelichting behoeven zijn opgenomen. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
 
Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe de hoogtematen die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, bepaald moeten worden. Hieronder valt tevens de wijze van peilbepaling.
 
5.4 Bestemmingen
 
5.4.1 Natuur
Het oppervlak van de natuurbestemming beslaat ongeveer de helft van het plangebied, terwijl de andere helft voorzien wordt van een woonbestemming. Er is gekozen voor deze verdeling zodat er genoeg ruimte is voor wonen met ruimte voor het plaatsen van bijgebouwen enerzijds en voor het behouden en realiseren van landschappelijke waarden anderzijds.
 
De bestemming 'Natuur' is opgenomen om de boomgaard en de overige bestaande of aan te brengen landschappelijke kwaliteiten te beschermen. Het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden staan in dit artikel centraal. Gebouwen zijn niet toegestaan en uitsluitend overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde, mogen onder voorwaarden worden gerealiseerd.
Tevens zijn de in de gemeente gebruikelijke regels ten aanzien van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden opgenomen.
 
5.4.2 Wonen - B1
In het plangebied komen uitsluitend vrijstaande woningen voor. In het buitengebied wordt hiervoor de bestemming 'Wonen - B1' gehanteerd, conform de gemeentelijke standaardregels. Met het vastleggen van deze typologie, wordt de bestaande stedenbouwkundige structuur gehandhaafd.
 
Functies
Binnen de bestemming Wonen - B1 is wonen toegestaan. Tevens mag een beroep en/of bedrijf aan huis worden uitgeoefend. Daarnaast maakt een algemene gebruiksregel het uitoefenen van een bed & breakfast in een woning mogelijk.
Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven, (ontsluitings-)wegen en paden aan te leggen. Ook zijn waterhuishoudingsvoorzieningen toegestaan en mag er geparkeerd worden op eigen terrein.
 
Bouwmogelijkheden
De Bouwregels maken onderscheid in regels voor:
  1. algemeen (artikel 3.2.1); 
  2. hoofdgebouwen (artikel 3.2.2);
  3. bijbehorende bouwwerken (artikel 3.2.3);
  4. overige bouwwerken (artikel 3.2.4).
- Algemeen
In algemene zin wordt bepaald dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd. 
 
- Hoofdgebouwen
Binnen de bestemming Wonen - B 1 mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. De woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. 
Er mag niet meer dan één woning binnen een bouwvlak worden gebouwd, waarbij het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, waarbij de maximale inhoudsmaat van de te verplaatsen woning maximaal 800 m³ mag bedragen.
Voor de hoofdgebouwen is in de regels een maximale goot- en bouwhoogte aangegeven, waarbij tevens aan de in de regels voorgeschreven dakhelling moet worden voldaan. Hierbij is aangesloten op de maatvoeringen uit het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied' en op de standaardbepalingen van de gemeente Utrechtse Heuvelrug.
 
Dakkapellen zijn toegestaan op hoofdgebouwen. Op basis artikel 2 lid 4 van bijlage II van het Bor is het bouwen van een dakkapel in het achterdakvlak of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak vergunningvrij. Voor het bouwen van een dakkapel in het dakvlak van de voorgevel of in een dakvlak van een naar de openbare weg gekeerde zijgevel, zijn regels in het bestemmingsplan opgenomen.
 
Bijbehorende bouwwerken
Uitbreidingen van het hoofdgebouw met aan- of uitbouwen en al dan niet aangebouwde bijgebouwen en overkappingen worden onder de noemer 'bijbehorend bouwwerk' geschaard. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken is zoveel mogelijk aangesloten op de regeling 'vergunningsvrij bouwen' uit de bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht.
De bijbehorende bouwwerken mogen binnen het bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' worden gebouwd. Met die aanduiding wordt tegemoet gekomen aan de wens om de bebouwing te concentreren in de zone nabij de Akkerweg. De diepte van die zone is afgestemd op de bijgebouwen op belendende percelen en valt min of meer samen met de geldende bouwmogelijkheden op basis van het bestemmingsplan 'Driebergen - Buitengebied'.
Voorts worden de binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug gebruikelijke bouwmogelijkheden geboden. Daaronder valt ook het ondergronds bouwen van een bijbehorend bouwwerk, tot een maximum van 30 m².
 
Overige bouwwerken
Met het begrip 'overige bouwwerken' wordt bedoeld: een bouwwerk dat geen gebouw is en ook geen overkapping. Concreet zijn maximale hoogtematen voorgeschreven voor erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, antennemasten en andere overige bouwwerken.
 
Specifieke gebruiksregels
Er zijn specifieke gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. Hierbij is onder andere bepaald dat niet meer dan 40 % van de totale bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, voor de uitoefening van het beroep of bedrijf mag worden wordt gebruikt. Voor wat betreft de activiteiten die vallen onder bedrijf aan huis wordt verwezen naar de bij de regels gevoegde bijlage 2. 'Staat van bedrijfsactiviteiten - Bedrijf aan Huis'.
 
Tevens is een voorwaardelijke verplichting voor de nieuwe woning opgenomen. Daarin is geregeld dat 1 jaar nadat de nieuwe woning in gebruik is genomen, de bestaande woning met bijbehorende bebouwing op het perceel Akkerweg 17 is gesloopt en verwijderd en dat de nieuwe woning zorgvuldig landschappelijk is ingepast. De termijn van 1 jaar houdt verband met de beoogde verhuizing van de gebruikers van de bestaande (te slopen) naar de nieuw (te bouwen) woning.
 
5.4.3 Waarde - Archeologie 4
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' is bedoeld voor de bescherming en het veiligstelling van de (naar verwachting) aanwezige archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist. Dit met uitzondering van bepaalde verandering van bestaande bebouwing, bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte kleiner dan 1.000 m² en bouwwerken die niet dieper dan 0,3 m geplaatst kunnen worden.
 
Tevens is geregeld dat een omgevingsvergunning nodig is voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Dat geldt niet voor het uitvoeren van het normale beheer en onderhoud e.d. Daarnaast zijn Burgemeester en wethouders bevoegd het plan te wijzigen waarbij de omvang en ligging van deze dubbelbestemming wordt aangepast.
 
5.5 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.
 
Algemene bouwregels
De algemene bouwregels bevatten een bepaling ten aanzien van de bestaande situatie of waarvoor een onherroepelijke omgevingsvergunning is verleend, op het moment dat dit bestemmingsplan in werking treedt.
Tevens is aangegeven hoe wordt omgegaan met ondergeschikte bouwdelen die de bouw- of aanduidingsgrenzen en van maatvoeringsregels met niet meer dan 1,0 meter overschrijden. 
 
Algemene gebruiksregels
In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan: het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval, het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning, het gebruik van woningen voor kamerbewoning en bijzondere woonvormen of een gebruik van gronden voor een paardenbak.
 
Daarnaast is in dit artikel het uitoefenen van een bed & breakfast geregeld. Bepaald is dat niet meer dan 30 % van de totale bruto vloeroppervlakte van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, hier voor gebruikt mag worden, tot een maximum van 75 m². Het aantal mag bed & breakfastvoorzieningen maximaal 3 bedragen, waarbij per voorziening een zelfstandige sanitaire ruimte, een zelfstandige keuken en een extra parkeerplaats beschikbaar zijn.
 
Algemene aanduidingsregels
Hierin is de milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied geregeld, met het oog op het behoud van de kwaliteit van het grondwater als onderdeel van de drinkwatervoorziening.
 
Algemene afwijkingsregels
Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen en de bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.
Onder voorwaarden is tevens een overschrijding toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen.
 
Overige regels
In dit artikel is geregeld dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid. De regeling is ontleend aan die uit het 'Paraplubestemmingsplan Stedenbouwkundige bepalingen bouwverordening'.
 
5.6 Overgangs- en slotregels
Overgangsregels
Hier is het wettelijk overgangsrecht geregeld: bouwwerken of gebruik zoals dat bestaat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de in het nieuwe plan gegeven bebouwingsregels of het gebruik van de gronden en bouwwerken.
 
Slotregel
Deze regel geeft de exacte naam van het bestemmingsplan aan.
6 Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen.
 
Planspecifiek
Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De kosten voor de planologische medewerking aan het plan zijn verzekerd middels de toepasselijke bepalingen in de Tarieventabel behorende bij de gemeentelijke Legesverordening.
De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. Daarin is ook het onderdeel afwenteling planschaderisico in opgenomen. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.
 
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
 
6.2.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
 
6.2.2 Verslag participatie
Er heeft op verschillende momenten overleg met de omwonenden plaats gehad. Dat gebeurde aanvankelijk door de initiatiefnemers. Vervolgens is ook de hulp van een mediator ingeschakeld. Zo zijn de omwonenden geïnformeerd en werd de gelegenheid tot een persoonlijk gesprek met de mediator aangeboden. Zo heeft op 9 juli 2018 een overleg plaats gehad met een omwonende. Deze had bezwaren tegen de plaatsing van de nieuwe woning. Het voorstel om ter plaatse te komen en samen de situatie opnieuw bekijken en zoeken naar oplossingen die tegemoet zouden komen aan zijn bezwaren werd afgewezen.
Op 17 juli 2018 is een gesprek geweest met een andere omwonende. Ook hierbij ging het om de positionering van de nieuwe woning: een positionering in lijn met de woningen op huisnummers 15 en 19 zou wellicht wel acceptabel zijn. Hierbij kwam ook de erfdienstbaarheid aan bod.
 
Naar aanleiding van de overleggen met omwonenden heeft geen aanpassing plaats gehad. Het bouwvlak wordt gehandhaafd op de plek, overeenkomstig de door de Stuurgroep Kromme Rijnlandschap voor het onderhavige perceel geformuleerde landschappelijke uitgangspunten. Die uitgangspunten leveren een goede invulling met twee woonpercelen op. Daarbij zijn ook de geldende bouwmogelijkheden op basis van het bestemmingsplan 'Driebergen Buitengebied' betrokken, waar ter plaatse van de nieuwe woning bedrijfsbebouwing was toegestaan. Verder is een positie iets meer naar voren niet mogelijk in verband met een aanwezige boom.
 
6.2.3 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerpbestemmingsplan op 4 december 2019 gestuurd naar de relevante overlegpartners, zijnde de provincie Utrecht en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Beide overlegpartners hebben inhoudelijk gereageerd op het plan. Deze vooroverlegreacties staan hieronder weergegeven, met de reactie daarop in cursief.
 
1. Provincie Utrecht
De in voorliggend bestemmingsplan vervatte ontwikkeling wordt in grote lijnen als aanvaardbaar en passend binnen het provinciale ruimtelijke beleid aangemerkt. Vooral door de sloop van bedrijfsbebouwing en groenaanplant zal de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse sterk worden verbeterd.
 
Vanuit landschappelijk oogpunt worden vraagtekens gesteld bij het afgraven van de aardwal achter op het perceel en de aanleg van een amorfe poel door genoemde wal. Graag het afgraven van de aardwal, alsook de vorm van de poel, nader onderbouwen. Ecologisch gezien vormt deze ingreep wel een extra kwaliteit, maar deze kan hier niet direct als passend in het landschap worden beschouwd. Het bestaand strakke rechte slotenpatroon staat hier voorop en hiermee zou met de aanleg van een paddenpoel rekening gehouden moeten worden.
 
Reactie: er is een nadere onderbouwing van zowel het afgraven van de aardwal als de aanleg van de paddenpoel toegevoegd aan toelichting paragraaf 2.2. Voor wat betreft de poel wordt nog opgemerkt dat dergelijke verbredingen geen afbreuk doen aan de landschappelijke kwaliteiten van de openheid en de lange lijnen van het landschap en dat deze ook elders aan de betreffende greppel voorkomen. Daarbij wordt hier waarde gehecht aan de ecologische betekenis van de bedoelde amfibieënpoel. Dit is ook als zodanig afgestemd met de landschapscoördinator van de Stuurgroep Kromme Rijnlandschap.
 
2. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Het hoogheemraadschap geeft aan dat het plan zich niet bevindt op een door het waterschap aangewezen aandachtsgebied en dat voldoende rekening wordt gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten. Wel geeft het hoogheemraadschap aan het plan nog even tegen het licht van de Handreiking Watertoets te houden en daarmee de toelichting op het aspect water aan te scherpen.
 
Reactie: naar aanleiding van dit advies is in toelichting paragraaf 4.5 de beschrijving van het aspect water uitgebreid op basis van de Handreiking watertoets. 
6.2.4 Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft in de periode van 24 januari tot en met 5 maart 2020 ter inzage gelegen voor het indienen van zienswijzen. Gedurende deze termijn zijn drie schriftelijke zienswijzen ontvangen.
 
De inhoud van de zienswijzen en de gemeentelijke reactie zijn integraal in de 'Nota van Zienswijzen Ontwerpbestemmingsplan ‘Akkerweg 17 en 17a’ in Driebergen-Rijsenburg' opgenomen. Deze nota is als Bijlage 5 bijgevoegd. Naar aanleiding van de zienswijzen is paragraaf 1.3 van de toelichting aangepast, zoals verwoord in de paragraaf 'Nota van wijzigingen' van de Nota van Zienswijzen.