| Plan: | De Woezel, Warmond |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1525.BP2018WAR10022-VA01 |
Aan Schoonoord in Warmond was tot 2009 peuterspeelzaal 'De Woezel' gevestigd. De gemeente Teylingen heeft geen intentie het gebouw verder te gebruiken ten behoeve van maatschappelijke doeleinden. De locatie is geschikt voor herontwikkeling. Voor deze locatie is een stedenbouwkundig plan opgesteld ten behoeve van 9 appartementen. De naamgeving van de voormalige peuterspeelzaal heeft geleid tot de naamgeving van de locatie. De herontwikkeling van de gronden is niet mogelijk binnen het vigerend bestemmingsplan. Om een juridisch kader te bieden voor de voorgenomen ontwikkeling is dit bestemmingsplan opgesteld dat voldoet aan alle voorwaarden die eerder door de Gemeente Teylingen zijn opgesteld.
Het plangebied is gelegen in de kern Warmond dat deel uitmaakt van de gemeente Teylingen. De locatie wordt ontsloten door de weg Endepoellaan. Het plangebied omvat de voormalige peuterspeelzaal en het plantsoen direct ten noorden en oosten van de locatie. De ligging van de locatie is weergegeven in de figuren 1.1 en 1.2.
Figuur 1.1: Ligging plangebied binnen de kern Warmond
Figuur 1.2: Luchtfoto plangebied - in rood de plangrens
Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Kom Warmond 2009' dat is vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2009.
In het bestemmingsplan Kom Warmond 2009 vigeren binnen het plangebied meerdere bestemmingen. De gronden zijn bestemd als 'Maatschappelijk' en 'Verblijfsgebied'. Een uitsnede van het vigerende plan is weergegeven in figuur 1.3.
Figuur 1.3: Uitsnede Vigerend bestemmingsplan 'Kom Warmond 2009'
Het bestemmingsplan De Woezel, Warmond is een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan dat de genoemde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk maakt.
Voorgeschiedenis
Eerder is een bestemmingsplan opgesteld voor enkele grondgebonden woningen.
Voorafgaand aan dat bestemmingsplanproces is het stedenbouwkundig plan aan de omwonenden gepresenteerd. Na de informatieavond op 28 augustus 2012 zijn de plannen verwerkt in een voorontwerpbestemmingsplan en heeft het bestemmingsplan als ontwerp ter inzage gelegen. Uiteindelijk is dit bestemmingsplan niet vastgesteld.
Nieuwe ontwikkeling
Naar aanleiding van zienswijzen over het eerdere ontwerpbestemmingsplan over de vermindering van groen en de beleving van het water is in overleg met omwonenden een alternatief plan naar voren gekomen, een appartementengebouw. Dit nieuwe plan is verwerkt in het bestemmingsplan.
Voordat het bestemmingsplan rechtskracht verkrijgt, dient de procedure te worden doorlopen, zoals deze is neergelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Aangezien het hiervoor genoemde plan reeds als voorontwerp het vooroverleg en inspraak heeft doorlopen wordt dit bestemmingsplan niet meer opnieuw voor vooroverleg en inspraak in procedure gebracht.
Het ontwerpbestemmingsplan wordt ter inzage gelegd met de bekendmaking van onder meer de mogelijkheid om zienswijzen naar voren te brengen bij de gemeenteraad.
Het bestemmingsplan De Woezel, Warmond bestaat uit een toelichting, een verbeelding en regels. De toelichting vormt het niet-juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan waarin uiteen gezet is welke afwegingen ten grondslag liggen aan de regeling en welke aspecten in de overweging zijn betrokken. Ten behoeve hiervan is de toelichting als volgt opgebouwd:
De plantoelichting bevat achtereenvolgens de volgende hoofdstukken:
De locatie aan Schoonoord ligt aan het zuidelijke einde van een groenzone die dwars door het woongebied Endepoel loopt. De vroegere school en het multifunctionele gebruik van de locatie markeerde deze plek in de wijk. Hoewel de betekenis van de locatie voor de wijk ten gevolge van het verdwijnen van de school is afgenomen, is het om stedenbouwkundige redenen belangrijk om de langzaam verkeersroutes op de locatie te respecteren.
Aan de Endepoellaan is de Schoonoord-locatie gelegen. De locatie betreft een open ruimte waarlangs de voorzijde van een blok van zes rijenwoningen is gelegen en de kopgevels van de drie andere woonblokken grenzen. Het plantsoen vormt samen met de waterpartij aan de noordwestzijde, één open ruimte. Door het gebied heen liggen looproutes vanaf de Endepoellaan naar de buurten Ganzenwei en de Vlietwei. In figuur 2.1 zijn de functies van het gebied weergegeven.
Het plangebied van de Woezel wordt begrensd door:
Figuur 2.1: Functies bestaande situatie
Uitgangspunt van de nieuwe ontwikkeling is het behoud van bestaand groen. Dit betreft met name de bomen aan de noord en westzijde. Aan de noordzijde wordt de bestemming Groen opgenomen ter behoud van het bestaande groen aan het water.
In de nieuwe situatie is in het stedenbouwkundige plan een beoogd bouwvlak opgenomen van 17 x 20 meter. Hierbinnen is een 3 laags appartementengebouw bedacht met een bouwenveloppe van circa 16 x 18 meter en een goothoogte van 10 meter (met een schuin dak met bouwhoogte 11,5 meter).
Aan de zuidzijde van het appartementengebouw worden parkeerplaatsen gerealiseerd.
De bestaande looproutes vanaf de Endepoellaan naar de buurten Ganzenwei en de Vlietwei blijven behouden.
Bij de realisatie van het appartementengebouw wordt een hoge duurzaamheidsambitie nagestreefd. De volgende maatregelen zijn beoogd:
Bezonning
Met betrekking tot het aspect licht en bezonning is een slagschaduw studie uitgevoerd naar de gevolgen van de schaduw van de beoogde appartementen op de omliggende gronden. In bijlage 1 is deze studie opgenomen.
De studie wijst uit dat het appartementengebouw bijna niet leidt tot een schaduwwerking in de bestaande tuinen en woningen in de omgeving. In maart leidt de beoogde bebouwing om 10.00 uur tot een schaduw in enkele tuinen en woningen aan de Ganzenwei. Dit leidt overigens niet tot een onaanvaardbare vermindering van de bezonning omdat de tijdsperiode wanneer schaduw optreedt van geringe duur is (3 uur) en in de andere perioden van het jaar in het geheel geen wijziging is in de schaduwwerking. Daarnaast staan tussen het appartementengebouw en de genoemde woningen reeds bomen die al zorgen voor schaduwwerking.
Figuur 2.2: Impressie appartementengebouw. Hieraan kunnen geen rechten worden ontleend.
De beleidscontext voor de visie op het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat.
Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) de meest bepalende beleidsdocumenten. Zo schetst het kabinet in de SVIR hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Maar het Rijk wil zo min mogelijk op stoel van provincies en gemeenten gaan zitten om dit streefbeeld te halen. Het uitgangspunt is dat provincies, regio's en gemeenten beter op de hoogte zijn van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Door provincies en gemeenten de ruimte te geven, kan het Rijk zich richten op het behartigen van ruimtelijke belangen die van nationale en internationale betekenis zijn. Voor de kleinschalige ontwikkeling op het terrein van De Woezel (maximaal 9 appartementen), stelt het Rijk geen concrete beleidskaders. Het rijksbeleid staat de uitvoering van het plan zodoende niet in de weg. Enige restricties die vanuit het rijksbeleid zijn geformuleerd en die van invloed kunnen zijn op het plangebied is de 20 Ke-contour van Schiphol. In paragraaf 5.7 wordt nader ingegaan op de effecten van de ligging nabij Schiphol.
Figuur 3.1: Uitsnede PKB Schiphol: 20 Ke–contour
Op basis van het Bro dient voor stedelijke ontwikkelingen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking te worden doorlopen. Gelet op jurisprudentie van 18 december 2013 (201302867/1/R4 ) en - op de kleinschaligheid van de ontwikkeling (maximaal 9 appartementen), kan dit niet worden beschouwd als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld wordt in artikel 3.1.6 Bro. Toetsing aan de ladder is derhalve niet noodzakelijk.
Visie Ruimte en Mobiliteit
De structuurvisie 'Visie Ruimte en Mobiliteit' (hierna 'de Visie') speelt meer in op de structurele veranderingen in de samenleving, de economie en het milieu, waarvan de uitkomsten nog onzeker zijn. Daarom is er sprake van een combinatie van zowel flexibiliteit als duidelijkheid in de vorm van randvoorwaarden en kaders. De Visie is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen. Het beleid voor ruimte en mobiliteit bevat daarom geen eindbeeld, maar wel ambities. Deze zijn verwoord in vier rode draden door het beleid voor ruimte en mobiliteit heen en strategische doelstellingen voor onderdelen.
De vier rode draden zijn:
De ontwikkeling past binnen de rode draad 'Beter benutten en opwaarderen van wat er is'. Binnen de bestaande bebouwd gebied worden nieuwe appartementen gebouwd op de locatie van de voormalige peuterspeelzaal.
Bestaand stad- en dorpsgebied
Het projectgebied ligt in het bestaand stads- en dorpsgebied ('bebouwde ruimte'). De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten. Onder 'bebouwde ruimte' wordt het stelsel verstaan van de systemen stedelijke agglomeratie, dorpen en linten en logistiek-industrieel systeem, inclusief de bijbehorende infrastructuur. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Verder blijven ook buiten de bebouwde ruimte nieuwe woon- en werklocaties mogelijk en wenselijk. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij dit beleid.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Visie Ruimte en Mobiliteit.
Programma Ruimte
Het Programma Ruimte is parallel aan de Visie Ruimte en Mobiliteit, het Programma Mobiliteit en de Verordening Ruimte opgesteld. De Visie Ruimte en Mobiliteit bevat het strategische beleid. Het ruimtelijk-relevante, operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte, dat dezelfde vier rode draden hanteert als de Visie Ruimte en Mobiliteit.
Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied
De gemeente Teylingen is opgenomen in het structuurvisiegebied 'beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied'. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. De provincie wil bevorderen dat de ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De gemeenten stemmen de geplande opgave met behulp van actuele regionale visies voor wonen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel af met andere gemeenten in de regio. Voor kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel gelden in het Programma Ruimte vastgestelde totalen als behoefteraming per gebied.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het Programma Ruimte.
Verordening Ruimte
De Verordening Ruimte Zuid-Holland is vastgesteld in samenhang met de Visie Ruimte en Mobiliteit en het Programma Ruimte. De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het ruimtelijk beleid is uitgewerkt in het Programma Ruimte. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen.
De verordening bevat regels ten aanzien van een aantal belangrijke ruimtelijke onderwerpen, zoals kantoren, bedrijventerreinen, glastuinbouw- en bollenteeltgebied, archeologie en provinciale vaarwegen. Ten aanzien van nieuwe stedelijke ontwikkelingen is opgenomen dat deze getoetst moeten worden aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking, wat hieronder nader wordt toegelicht.
Ladder voor duurzame verstedelijking
De verordening schrijft voor dat stedelijke ontwikkelingen primair plaatsvinden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Alleen als binnen bestaand stads- en dorpsgebied geen ruimte is voor een specifieke stedelijke ontwikkeling kan een nieuw uitleglocatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied in gebruik worden genomen. De Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is hierbij van toepassing. De provincie heeft de Ladder voor duurzame verstelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen, die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie. De Ladder voor duurzame verstedelijking bestaat uit de volgende stappen:
Vanwege het kleinschalige karakter van de ontwikkeling - de toevoeging van maximaal 9 appartementen - is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waarvoor regionale afstemming benodigd is. Hiermee is een verdere toetsing aan de ladder niet van toepassing. De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan de Provinciale Verordening van de provincie Zuid-Holland.
Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland
De regio Holland Rijnland is een samenwerkingsverband van 15 gemeenten: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Rijnwoude, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. De regio ligt midden in de Randstad en telt ruim 500.000 inwoners. De deelnemende gemeenten werken samen aan ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn. Een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio zijn daarbij het streven. In juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur van de regio de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. In 2012 is ingestemd met de eerste partiële herziening van de visie.
De gemeenten hebben de visie ontwikkeld om gezamenlijk te werken aan de toekomst van de regio. De regio wil op de scharnierplek tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad een gebied zijn waar wordt gewerkt aan kwaliteit en waar het goed wonen, werken en recreëren is, met een uitstraling die verder gaat dan de regio- of landsgrenzen. In de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met een doorkijk naar 2030).
Om het aantrekkelijke landschap van de regio te behouden wordt in de visie voorgeschreven dat de woningbouw voor het grootste gedeelte dient te geschieden in het stedelijk gebied. Gezien de ligging binnen de rode contour en de beperkte omvang van de ontwikkeling past dit nog goed binnen de woningbouwopgave.
Provinciale Woningbehoefteraming 2016
Bij de vaststelling van de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit werd de Woningbehoefteraming 2013 het toetsingskader voor de kwantitatieve behoefte. Inmiddels is de Woningbehoefteraming 2016 bekend. Voor gemeente Teylingen wordt hierbij uitgegaan van een woningbehoefte van 630 woningen in de periode 2017-2021. Voor de periode 2022-2029 ligt de behoefte op nog eens 444 woningen. Het plan geeft mede invulling aan deze woningbehoefte.
Figuur 3.2: Uitsnede tabel woningbehoefteraming
Structuurvisie Teylingen 2030 (2015)
In deze structuurvisie zet de gemeente op een integrale wijze de ruimtelijke hoofdlijnen uit tot 2030. Samen met bewoners, bedrijven, organisaties en regionale partners wil de gemeente werken aan een duurzame bloeiende gemeente, waaraan iedereen meedoet.
De leidende principe voor de structuurvisie zijn:
De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een leegstaande (school)gebouw. Hiervoor zal het gebouw worden gesloopt en zal het ruimte bieden voor de nieuwbouw van maximaal 9 appartementen. Deze ontwikkeling is in de structuurvisie (weliswaar nog met 6 woningen) opgenomen en ingepland als woningbouwontwikkeling voor het jaar 2020. Hierdoor is en blijft de beoogde ontwikkeling in lijn met de gemeentelijke structuurvisie.
Woonvisie Teylingen 2015-2020
In deze woonvisie beschrijft de gemeente Teylingen het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2015-2020. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen die de gemeente maakt op het gebied van wonen. Onderdeel van deze woonvisie is de regionale woonvisie die samen met de gemeenten Hillegom en Lisse is opgesteld in het kader van de Bollen-3-gemeenten. Centraal in de woonvisie staan de thema's: bestaande kernen en bestaande woningvoorraad, duurzaamheid, wonen met zorg, welzijn, beschikbaarheid, doelgroepen en betaalbaarheid.
Voor de toekomst worden onder andere gestreefd naar het in stand houden van het karakter van de kernen Voorhout, Warmond en Sassenheim. Door in te zetten op woningen die nu in aanbod beperkt zijn wordt gestreefd naar meer vitaliteit en een evenwichtige bevolkingsopbouw. Verder is het van belang om bij nieuwbouw van woningen te kijken waar duurzaamheid een rol kan spelen in de bouw- of gebruiksfase van deze woningen.
De beoogde ontwikkeling voorziet in negen koopappartementen, deels goedkope en betaalbare koop (zes kleinere van 35 – 66 m² gebruiksoppervlak en drie grotere van 92 – 106 m² gebruiksoppervlak), een breed aanbod dat tegemoetkomt aan de vraag van alleenstaanden, kleine huishoudens en ouderen in de kern Warmond. Hiermee wordt de diversiteit binnen het huidige woningaanbod in deze omgeving vergroot. Het plan is in lijn met de Woonvisie.
Bestemmingsplan Kom Warmond 2009
Het bestemmingsplan 'Kom Warmond 2009', vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2009, vigeert voor het plangebied. De beoogde ontwikkeling van de woningen, past niet binnen dit bestemmingsplan. Om die reden is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.
In het bestemmingsplan zal worden aangesloten op de diverse beleidslijnen op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.
In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de planvorm voor het bestemmingsplan. Tevens wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag liggen en welke regeling wordt voorgesteld.
Planvorm
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader waarbinnen de in dit plangebied beoogde nieuwe ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Als planvorm is gekozen voor een plan met directe bouwmogelijkheden. De juridische regeling is zo opgesteld, dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.
Verbeelding en regels
Uitgangspunt is dat de digitale verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele afwijkings- en wijzigingsregels opgenomen.
Bestemmingsvlak en bouwvlak
Elke bestemming bestaat doorgaans uit twee vlakken: een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied dat op de plankaart is aangeven waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de plankaart voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering.
Welstand
Het bestemmingsplan bevat een duidelijke regeling die aansluit op het vergunningsvrij bouwen op grond van de Woningwet en de Welstandsnota van Teylingen en geeft aan de achter- en zijkant van de woning voldoende ruimte voor burgers. Om het straatbeeld intact te houden en daarmee de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen, zijn voor de voorzijde van de percelen en gebouwen restricties opgenomen. Ditzelfde geldt voor zijkanten die grenzen aan (belangrijke) openbare ruimten.
Maatvoeringaanduidingen
Op de plankaart is gebruikgemaakt van maatvoeringaanduidingen die betrekking hebben op afmetingen ten aanzien van het bouwen en het gebruik. Op de plankaart is sprake van maatvoeringaanduidingen ten behoeve van de maximale bouw- en goothoogte.
Opbouw planregels
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:
Begrippen
Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Tevens zijn figuren opgenomen om te verbeelden wat er onder voorgevelrooilijn, voor-/zij-/achtererf en de bezonningssituatie wordt verstaan.
Wijze van meten
Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren. In het bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor.
Groen (Artikel 3)
Ten behoeve van het borgen van de onbebouwde ruimte aan de noord-zijde is de bestemming 'Groen' opgenomen. Binnen deze bestemming mogen naast groen- en watervoorzieningen ook voet- en fietspaden en speelvoorzieningen worden gerealiseerd.
Verkeers - Verblijfsgebied (Artikel 4)
Het openbaar gebied is bestemd als Verkeers - Verblijfgebied. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan zoals parkeren, groen- en waterpartijen, nutsvoorzieningen en fiets- en voetpaden.
Wonen - 3 (Artikel 5)
Binnen de gemeente Teylingen is binnen de bestemming Wonen onderscheid gemaakt tussen vrijstaande woningen (W-1), voor (twee)aaneengesloten woningen (W-2) en gestapelde woningen (W-3). In dit geval worden gestapelde woningen (appartementengebouw) mogelijk gemaakt. De standaard regeling voor Wonen - 3 is toegepast.
Waarde - Archeologie ( Artikel 6 )
In de gronden van het plangebied is er kans op archeologische sporen. Om deze waarde te waarborgen, is een bestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Ter plaatse van het plangebied geldt conform het gemeentelijk handboek de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - 1'.
Daarvoor zijn regels opgenomen om bij een omgevingsvergunning af te wijken. Is er blijkens onderzoek geen sprake van archeologische waarden, dan kunnen de werken en bouwwerken met afwijking worden gerealiseerd.
In het kader van de bescherming van de archeologische waarden is voor een aantal werken, niet zijnde bouwwerken, en werkzaamheden een aanlegverbod opgenomen.
Archeologische waarden kunnen ook worden bedreigd door grondwerkzaamheden die samengaan met de aanleg van bijvoorbeeld wegen, bebouwing en watergangen. Ook ingrijpende agrarische werkzaamheden (diepploegen, onderbemalen) kunnen het bodemarchief onherstelbaar beschadigen en de daarin opgeslagen informatie verloren doen gaan. Deze gronden worden derhalve mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de aanwezige archeologische waarden. Bouwen ten behoeve van samenvallende bestemmingen is bij een omgevingsvergunning alleen toegestaan voor zover de archeologische waarden niet worden geschaad. Genoemde werken en werkzaamheden zijn zonder omgevingsvergunning niet toegestaan.
In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen.
Antidubbeltelregel (Artikel 7)
Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).
Algemene bouwregels (Artikel 8)
Dit artikel bevat een algemene regeling voor een geringe overschrijding van bouwgrenzen door ondergeschikte onderdelen van gebouwen. De overschrijding van de bouwgrenzen dient wel beperkt te zijn. Tevens zijn algemene regels opgenomen voor ondergronds bouwen en aanleggen.
Algemene afwijkingsregels (Artikel 10)
In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan op basis van een omgevingsvergunning kan worden afgeweken. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om omgevingsvergunning voor afwijken te verlenen van regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.
Algemene wijzigingsregels ( Artikel 11 )
In dit artikel is opgenomen dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen en de dubbelbestemming Waarden - Archeologie te verwijderen.
Overige regels (Artikel 12)
In deze bepaling is geregeld dat alle wettelijke regelingen, waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast is in een lid bepaald dat bij iedere ruimtelijke ontwikkeling getoetst moet worden of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Dit aan de hand van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels.
In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangs- en slotregel aan de orde.
Overgangsregels (Artikel 13)
De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro).
Slotregel ( Artikel 14 )
Deze regel bevat de titel van het plan.
Dit hoofdstuk bevat voor alle relevante omgevingsaspecten informatie over:
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald voor welke activiteiten een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapportage moet worden opgesteld. De vormvrije m.e.r.-beoordeling voor een bestemmingsplan ontstaat als de activiteit wordt genoemd in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage en de drempelwaarde niet wordt overschreden.
De beoogde ontwikkeling voor De Woezel, Warmond bestaat uit de toevoeging van 9 appartementen. Deze activiteit valt onder categorie D11.2 'Stedelijk ontwikkelingsproject' van de bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Bij gebieden van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied van 2000 of meer woningen moet een milieueffectrapportage worden opgesteld. Ook bij activiteiten, plannen en besluiten onder deze drempelwaarden dient het bevoegd gezag na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Dit is de zogenoemde vormvrije m.e.r.- beoordeling. Dit gebeurt aan de hand van criteria van Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU): kenmerken van het project, plaats van het project, potentiele effecten van het project.
De raad neemt daarover een besluit in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan. Deze nieuwe procedure geldt sinds juni 2017. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten die zijn gedaan en die zijn vermeld in de toelichting op het bestemmingsplan. Voor dit bestemmingsplan is het opstellen van een milieueffectrapportage dan ook niet noodzakelijk.
Ontsluiting en infrastructuur
Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Endepoellaan. De Endepoellaan is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom van Warmond en heeft een wettelijke maximumsnelheid van 30 km/h. In zuidoostelijke richting sluit de Endepoellaan aan op de Herenweg. De Herenweg is een belangrijke gebiedsontsluitingsweg binnen Warmond en heeft een wettelijke maximumsnelheid van 50 km/h.Vanaf de Endepoellaan is ter hoogte van de locatie een wandel-/fietsroute aanwezig. Deze wandel-/fietsroute vanaf de Endepoellaan naar de buurten Ganzenwei en Vlietwei blijft behouden.
De bereikbaarheid voor het gemotoriseerd verkeer is goed te noemen. Eveneens is de bereikbaarheid voor het langzaam verkeer goed. Door de inrichting van de verschillende wegen conform Duurzaam Veilig is de verkeersveiligheid in en rondom het plangebied voldoende gewaarborgd. De verkeersgeneratie van (maximaal) 9 woningen bedraagt circa 50 motorvoertuigen per etmaal, wat niet zal leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.
Parkeren
In de huidige situatie zijn vijf haaksparkeerplaatsen aanwezig aan het einde van de Endepoellaan. De parkeerdruk in de directe omgeving is hoog, waardoor is afgesproken is dat deze parkeerplaatsen in het plangebied gecompenseerd worden. In het te realiseren appartementengebouw kunnen maximaal 9 wooneenheden worden gerealiseerd. Per appartement is een parkeernorm gesteld van 1,5 parkeerplaats (openbare (parkeernota Teylingen, versie 2,5, november 2014). Uitgangspunt is openbare parkeerplaatsen. Er zijn dus maximaal 14 parkeerplaatsen nodig voor het realiseren van het appartementengebouw en 5 ter compensatie van huidige parkeerplaatsen, totaal 19 parkeerplaatsen.
Voor het appartementengebouw wordt een parkeerterrein gerealiseerd met haaksparkeerplaatsen. Deze wordt ontsloten via de Endepoellaan tussen de woning Endepoellaan 7 en Van Den Woudestraat 83. Op dit terrein kunnen maximaal 17 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Daarnaast worden er twee langsparkeerplaatsen gerealiseerd langs de Endepoellaan nabij de entree van Schoonoord. Hiermee worden er totaal 19 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd. De twee langsparkeerplaatsen aan de Endepoellaan zijn gesitueerd op bestemming 'verkeers-verblijfsgebied' en zijn planologisch al mogelijk. Daarom vallen ze buiten het plangebied van dit bestemmingsplan.
Fietsparkeren
In de parkeernota Teylingen (versie 2.5, november 2014) zijn ook normen opgenomen voor (fiets)bergingen. Voor appartementen is de volgende norm opgenomen:
Zowel vanuit autoparkeren als fietsparkeren word voldaan aan het vigerende beleid en de daarin gestelde normen.
Conclusie
De ontsluiting is voor alle vervoerswijzen goed. De parkeerbehoefte wordt zowel voor autoverkeer als fietsverkeer opgelost in het plangebied. De verkeersgeneratie van de woningen zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.
Beleid en normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden.
Onderzoek
In de nabije omgeving van de ontwikkeling is een relevante inrichting aanwezig, namelijk de brandweerkazerne aan de Van der Woudestraat 1.
De brandweerkazerne beschikt conform de VNG-publicatie over een maximale richtafstand van 50 meter ten opzichte van woningen in een rustige woonwijk. Het maatgevende aspect betreft hierbij geluid. De brandweerkazerne is op meer dan 50 meter afstand gelegen ten opzichte van de woningen. Daarnaast geldt tevens dat tussen de brandweerkazerne en de toekomstige woningen, reeds woningen aanwezig zijn. De brandweerkazerne moet in zijn bedrijfsvoering reeds rekening houden met de aanwezigheid van deze woningen.
Ter plaatse van de te realiseren woningen is gezien de afstand tot de milieubelastende functies dan ook sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De brandweerkazerne wordt door de beoogde ontwikkeling niet in het functioneren belemmerd.
Conclusie
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de te realiseren woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Tevens wordt geconcludeerd dat het aspect bedrijven en omliggende functies geen belemmering vormt voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
Toetsingskader
Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:
Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
Risicovolle inrichtingen
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een ruimtelijke onderbouwing moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.
Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.
Besluit externe veiligheid buisleidingen
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek
Risicovolle inrichtingen
In (de nabije omgeving van) het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Deze vormen dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
In (de nabije omgeving van) het plangebied worden geen gevaarlijke stoffen getransporteerd over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen. Het transport van gevaarlijke stoffen vormt dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling.
Algemene bereikbaarheid voor hulpdiensten bij ongevallen en incidenten
In voorliggend plan is het advies van de brandweer verwerkt waarbij rekening wordt gehouden met een benodigde calamiteitenroute van 3,25 m breed. In het geval de ingang bij de Endepoellaan is versperd kan de bereikbaarheid van de woningen voor hulpdiensten nog wel gegarandeerd worden.
Conclusie
Gezien het ontbreken van risicovolle inrichtingen en transportroutes van gevaarlijke stoffen vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen gelegen. Ook zijn er geen hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan.
Toetsingskader
Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidsgevoelige functies en dienen daarom in dat kader getoetst te worden aan de wettelijke geluidsnormen. De locatie ligt binnen de wettelijke geluidszone van de spoorlijn Leiden – Haarlem/Schiphol. Deze spoorlijn heeft een geluidszone van 300 m. De nieuwe appartementen liggen hier binnen, waardoor akoestisch onderzoek op grond van de Wgh noodzakelijk is. De appartementen liggen niet binnen de wettelijke geluidszone van een gezoneerde weg. Wel liggen rondom de locatie 30 km/h-wegen die op grond van het snelheidsregime niet-gezoneerd zijn. Op basis van jurisprudentie en in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden deze wegen echter wel getoetst in het akoestisch onderzoek.
Onderzoek en conclusie
In Bijlage 2 is de rapportage 'Akoestisch onderzoek De Woezel' opgenomen. In deze rapportage is het akoestisch onderzoek beschreven en zijn de resultaten gepresenteerd. De resultaten worden getoetst aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk hogere waardebeleid.
Uit het onderzoek naar wegverkeerslawaai blijkt dat maximale geluidsbelasting 42 dB is. De richtwaarde van 48 dB wordt niet overschreden.
Ten gevolge van railverkeerslawaai bedraagt de maximale geluidsbelasting 56 dB en wordt de voorkeursgrenswaarde van 55 dB met 1 dB overschreden. Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting zijn niet mogelijk of doelmatig. Bovendien staat het hogere waardebeleid van de gemeente het verlenen van hogere waarden niet in de weg. Omdat de gebouwen in de omgeving in de praktijk hoger zijn dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan en omdat er een ontwikkeling tussen het spoor en deze ontwikkeling plaats zal vinden, kan gesteld worden dat de daadwerkelijke geluidsbelasting niet boven de 55 dB uitkomt. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Verdere procedures ingevolge de Wgh zijn dan ook niet noodzakelijk.
Toetsingskader
Luchthavenindelingbesluit
Het rijksbeleid ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van Schiphol is geformuleerd in de Wet tot wijziging van de Wet Luchtvaart die op 9 maart 2016 in werking is getreden (verder gewijzigde Wet Luchtvaart genoemd). De gewijzigde Wet Luchtvaart is gericht op het tot stand brengen van een wettelijke grondslag voor het nieuwe regime voor de luchthaven Schiphol. Deze wet vormt de grondslag voor twee uitvoeringsbesluiten: het Luchthavenverkeerbesluit en het Luchthavenindelingbesluit (Lib). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen in overeenstemming te zijn met het Lib.
De ruimtelijke consequenties van de gewijzigde Wet Luchtvaart worden weergegeven in het Luchthavenindelingbesluit. In dit Besluit wordt een beperkingengebied aangegeven. Hierin worden beperkingengebieden ten aanzien van Schiphol weergegeven met betrekking tot externe veiligheid, geluidsbelasting, hoogtebeperkingen en vogelaantrekkende werking.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt aangegeven dat Schiphol tot 2030 ruimte nodig heeft om uit te ontwikkelen. Derhalve is op een 20 Ke-contour opgenomen. Binnen deze contouren mogen geen nieuwe uitleglocaties ten behoeve van woningbouw worden ontwikkeld. Herstructurering en intensivering in bestaand gebouwd gebied zijn binnen de 20 Ke-contour nu en in de toekomst wel mogelijk. Revitalisering, herstructurering en transformatie van bestaande woon- en werkgebieden is volgens de Structuurvisie cruciaal om de gestelde ruimtelijke doelen te kunnen bereiken.
Onderzoek en conclusie
Uit de overzichtskaarten bij het Lib blijkt dat het plangebied buiten het beperkingsgebied valt. Het plangebied ligt wel binnen de 20 Ke-contour. Het bestemmingsplan voorziet niet in een nieuwe uitleglocatie voor woningbouw, maar in herstructurering en in intensivering in bestaand gebouwd gebied. Daarom vormt de ligging binnen de 20 Ke-contour geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat de ligging nabij Schiphol de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
Toetsingskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de onderstaande tabel weergegeven.
Tabel 5.1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Besluit niet in betekenende mate (nibm)
In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:
Onderzoek
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 9 appartementen. Een dergelijke ontwikkeling past binnen de categorie “woningbouw tot 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg”. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-Monitoringstool 2017 (http://www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.
De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Herenweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2016 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Het maximale gehalte stikstofdioxide bedraagt 20,8 µg/m³, voor fijn stof (PM10) bedraagt dit maximaal 18,6 µg/m³ en het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 6,6 dagen. Het maximale gehalte fijn stof (PM2,5) bedraagt maximaal 10,5 µg/m³. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. In figuur 5.1 zijn de rekenpunten voor het plangebied weergegeven.
Figuur 5.1: Luchtkwaliteit Rekenpunten NSL-monitoringstool
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Ter plaatse van de beoogde woningen is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
Toetsingskader
Het archeologiebeleid van Teylingen is verwoord in de nota 'Onder de grond 2015'. In het nieuwe archeologiebeleid hebben verschillende gebieden in Teylingen nieuwe vrijstellingsmaten gekregen voor het graven in de grond. Teylingen heeft het erkende archeologisch onderzoeksbureau RAAP in Leiden opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de nieuwe vrijstellingsmaten. Dit is gedaan in samenwerking met de andere gemeenten in de Duin- en Bollenstreek. Naast het beleid zijn tevens de archeologische verwachtings- en beleidskaart geactualiseerd. Op basis van deze kaarten kunnen initiatiefnemers zo goed mogelijk worden geïnformeerd over eventuele archeologische consequenties van ruimtelijke ingrepen.
Onderzoek en conclusie
Archeologie
Het plangebied heeft op grond van de gemeentelijke archeologische beleidskaart een hoge archeologische verwachtingswaarde. Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv en groter dan 250 m² dient vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. In onderstaande figuur is een uitsnede opgenomen van de Archeologische beleidsadvieskaart.
Figuur 5.2: Kaart Archeologische beleidsadvieskaart
Door IDDS is begin 2016 is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd te plaatse van het plangebied, wat is opgenomen in Bijlage 3. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op een strandwal. Op de strandwal geldt een hoge archeologische verwachting voor archeologische waarden vanaf het Neolithicum. Deze waarden kunnen worden aangetroffen in de strandwal of in de oude duinafzettingen die voorkomen bovenop de strandwal. De archeologische resten kunnen voorkomen op verschillende niveaus vanaf het maaiveld tot ongeveer 2 tot 3 m –mv omdat mensen gebruik maakten van de laagtes tussen de duinen die in latere periodes weer overstoven. De oudste resten zullen zich bevinden op het diepste niveau en de jongste resten nabij het maaiveld. Archeologische waarden uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd kunnen behoren tot bewoning, religie, infrastructuur en landbouw en zullen bestaan uit paalsporen, funderingsresten, water- of afvalputten, haardplaatsen, crematie- of begravingsresten, paden, wegen, sloten of greppels en akker- of mestlagen. Vindplaatsen van nederzettingen kunnen variëren in omvang van enkele tientallen tot enkele duizenden vierkante meters. Datzelfde geldt voor resten van vindplaatsen van religieuze of infrastructurele aard. Vindplaatsen met resten van landbouw kunnen een omvang hebben van duizenden vierkante meters tot meerdere hectaren.
Omdat het plangebied in de 20e eeuw vermoedelijk (deels) gebruikt is voor de bollenteelt en vervolgens is ingericht als woonwijk is er waarschijnlijk sprake van verstoringen van de bodem. Ook eventueel aanwezige archeologische resten kunnen daarbij zijn verstoord. Uit het veldonderzoek blijkt dat de verwachte ligging van het plangebied op een strandwal correct is, maar ook dat de bovengrond van deze strandwal sterk verstoord is, waarschijnlijk door bollenteelt. Het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek blijft onveranderd, met die toevoeging dat archeologische resten pas kunnen voorkomen vanaf een diepte van 1,3 m –mv ofwel -1,0 m NAP.
Omdat de graafwerkzaamheden voor de beoogde ontwikkeling dieper gaan dan –1,0 m NAP is naar alle waarschijnlijkheid vervolgonderzoek nodig voorafgaande aan de bouw. De dubbelbestemming Waarde-Archeologie blijft daarom gehandhaafd.
Cultuurhistorie
Ter plaatse van het plangebied bevinden zich volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Op circa 200 meter van het plangebied bevinden zich aan de Herenweg enkele bollenschuren. Deze worden niet beïnvloed door de beoogde ontwikkeling ter plaatse van het plangebied.
Toetsingskader
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.
Onderzoek en conclusie
Voor het plangebied zijn twee bodemonderzoek uitgevoerd. In 2011 is het hele plangebied onderzocht en in 2015 is voor een deel van de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken worden hierna beschreven.
Door IDDS is in 2011 een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd, wat is opgenomen in Bijlage 4. De resultaten van dit onderzoek zijn afgestemd met Milieudienst West-Holland.
Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de grond op het noordelijk deel sterk is verontreinigd met nikkel en cadmium. De herkomst van de verontreiniging is niet bekend. In de rapportage is uitgegaan van een verontreinigde laag van 0,5 meter. Echter gaat de Milieudienst uit van een verontreinigde bodemlaag van 0,7 meter omdat analytisch is vastgesteld dat de bodemlaag vanaf 0,7 m-mv niet meer is verontreinigd. De omvang van de verontreiniging binnen de onderzoekslocatie wordt ingeschat op 400 m2. Hiervan is circa 70 m3 grond sterk verontreinigd en circa 210 m3 grond licht tot matig verontreinigd. Aangezien het volume criterium van 25 m3 grond boven de interventiewaarde wordt overschreden, is conform de Wet bodembescherming sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
De grond en het grondwater op het resterende gedeelte zijn niet dan wel licht verontreinigd en geven geen aanleiding tot vervolgstappen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen asbestverdachte materialen op het maaiveld en in de bodemmonsters waargenomen.
In 2015 is door IDDS een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het noordwestelijk deel van het plangebied (Bijlage 5). Dit onderzoek is eveneens door de Omgevingsdienst West-Holland beoordeeld (Bijlage 6). Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van het onderzochte gebied de grond en het grondwater niet tot licht verontreinigd zijn met de geanalyseerde parameters. de bodemkwaliteit van dit deel van het plangebied levert geen milieuhygiënische belemmeringen op voor het gebruik van wonen met tuin.
In het verkennend bodemonderzoek (IDDS B.V.; kenmerk 1106D331/GGE/rap1; d.d. 29 september 2011) zijn puinresten in de grond aangetroffen. Omdat de herkomst van het puin onbekend is, is het puin verdacht op de aanwezigheid van asbest. In het verkennend bodemonderzoek (IDDS B.V.; kenmerk 1502G965/GGE/rap; d.d. 31 maart 2015) zijn geen puinresten meer aangetroffen. Als bij graafwerkzaamheden puin wordt aangetroffen wordt de locatie als asbestverdacht beschouwd en is het alsnog nodig een asbestonderzoek volgens de norm NEN 5707 (laatste versie) uit te voeren.
Advies
De beschikbare bodemrapporten kunnen gebruikt worden voor de aanvraag van de omgevingsvergunning en dienen in het kader van die aanvraag ter beoordeling te worden voorgelegd aan de Omgevingsdienst. Bij graafwerkzaamheden en het toepassen van grond dient te worden gehandeld conform de daarvoor gestelde wet- en regelgeving. In het bijzonder wordt hierbij gewezen op het Besluit bodemkwaliteit.
Op basis van het bovengenoemde is de locatie nog niet geschikt voor de beoogde ontwikkeling, namelijk het gebruik van wonen met tuin. Conform de Wet bodembescherming is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden dient een bodemsanering uitgevoerd te worden. Gezien de aard van de verontreiniging kan gebruik worden gemaakt van een BUS-melding categorie immobiel. De BUS-melding (proceduretijd 5 weken) is een versnelde procedure voor eenvoudige saneringen. De meldingsformulieren voor deze regeling staan op www.rijksoverheid.nl. Indien gewenst kan ook een saneringsplan worden ingediend (proceduretijd 15 weken).
Ten aanzien van de sanering van de bodem kan worden gesteld dat de gemeente zorg draagt voor een gesaneerde bodem voor oplevering van de gronden. Hiervoor zijn financiële middelen geserveerd in de begroting. De sanering staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg.
Wet natuurbescherming
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.
Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:
Natura-2000 gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).
Een ruimtelijk plan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming
In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.
Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.
Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.
Er moet in ieder geval altijd, ook in het geval van vrijgestelde soorten rekening worden gehouden met de zorgplicht. Dit betekent onder andere dat er gelegenheid wordt gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen.
Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland
In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.
Onderzoek
Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Natuurnetwerk Nederland(NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op meer dan 6 kilometer ten westen van het plangebied. Dit betreft het Natura 2000-gebied Coepelduynen. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 100 m afstand. Het dichtstbijzijnde weidevogelgebied is circa 1 kilometer ten oosten van het plangebied gelegen.
Figuur 5.3: Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. beschermde natuurgebieden (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)
Vanwege de afstand tot natuurgebieden zal de ontwikkeling niet leiden tot negatieve effecten als areaalverlies, versnippering, effecten op de waterhuishouding of verstoring. Gelet op de afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling zal dit niet leiden tot een meetbare toename in stikstofdepositie ter plaatse van het Natura 2000-gebied. Significant negatieve effecten zijn dan ook uit te sluiten.
Soortenbescherming
De huidige ecologische waarden worden vastgesteld aan de hand van een quickscan. Adviesbureau Mertens BV heeft een quick scan flora- en fauna uitgevoerd welke is toegevoegd in bijlage 7. De aanwezigheid van beschermde soorten is uitgesloten. In verband met het voorkomen van algemene broedvogels is het noodzakelijk om te starten met werken buiten het broedseizoen of te werken op een manier dat vogels niet tot broeden komen. De inbreidingslocatie behoort mogelijk tot foerageergebied van vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuizen. Vleermuizen kunnen gebruikblijven maken van de inbreidingslocatie als foerageergebied. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Er komen verder algemene zoogdieren en amfibieën voor zoals de mol en de gewone pad.
Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op matig en zwaar beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de realisatie en uitvoering van de inbreiding De Woezel is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
Waterbeheer en watertoets
De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder zijn verwerkt in deze waterparagraaf.
Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.
Europa:
Nationaal:
Provinciaal:
Waterschapsbeleid
Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan 'Waardevol Water' (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2016 - 2021. Daarmee realiseert Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.
Keur en uitvoeringsregels
Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
Maar ook aan het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak.
Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels)
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net.
Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
Huidige situatie
Algemeen
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Warmond en bestaat in de huidige situatie uit een schoolgebouw met omliggende verharding en grasveld.
Bodem en grondwater
Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit fijn zand. Er is sprake van grondwatertrap II. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand minder dan 0,4 meter onder maaiveld gelegen is, en de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert van 0,5 tot 0,8 meter onder het maaiveld.
Waterkwantiteit
Ten noorden en westen van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig. Dit oppervlaktewater betreft boezemwater en beschikt over een beschermingszone van 5 meter. Dit in verband met onderhoudswerkzaamheden. In figuur 5.3 is het oppervlaktewater ten opzichte van het plangebied weergegeven.
Figuur 5.3: Waterlichamen nabij het plangebied.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
De watergangen rondom het plangebied behoren niet tot de KRW-lichamen.
Veiligheid en waterkeringen
Het projectgebied ligt niet binnen de kern-/beschermingszone van een waterkering.
Afvalwaterketen en riolering
Het plangebied is in de huidige situatie aangesloten op een gemengd rioolstelsel.
Toekomstige situatie
Algemeen
De ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 9 appartementen. Ten behoeve van deze ontwikkeling wordt het schoolgebouw gesloopt. Het bestaande verharde oppervlakte is in totaal 1.510 m² (schoolgebouw 135 m², bestrating 1.375 m²). In de beoogde situatie is de oppervlakte van het verharde terrein 1.100 m² (bouwvlak circa 340 m², bestrating en verharding circa 375 m²). Daarmee neemt het verharde terrein aanzienlijk af.
Watersysteemkwaliteit en ecologie
Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Dit geldt zowel voor de bouw- als de realisatiefase van de ontwikkeling.
Veiligheid en waterkeringen
De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.
Constructies in, op of nabij een waterkering vormen een potentieel gevaar voor de primaire functie van de waterkering. Niet alleen kan bebouwing het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden, ook kan het toekomstige dijkverzwaring in de weg staan. Het waterkerend vermogen van een dijk wordt bepaald door de kruinhoogte, de fundering, alsmede de stabiliteit en de waterdichtheid van het beklede dijklichaam. De aanwezigheid van bebouwing kan de faalmechanismen en daarmee het waterkerend vermogen negatief beïnvloeden. Het hoogheemraadschap heeft daarom bouwactiviteiten in de waterkering in haar Keur in beginsel verboden. Indien activiteiten plaatsvinden die in strijd zijn met het belang van de kering (bijvoorbeeld bouwwerken, kabels en leidingen, verhardingen, beplantingen, etc.) moet een watervergunning op basis van de Keur aangevraagd worden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Omdat het waterkeringbelang niet het enige belang is en bouwwerken in sommige gevallen verenigbaar zijn met een veilige waterkering, kan het hoogheemraadschap via een vergunning ontheffing verlenen van dit verbod.
Riolering en afkoppelen
Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29a en de doelmatig-heidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:
De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.
Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater
Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld:
Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of - als laatste keus - aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.
Conclusie
De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Begin 2016 is er een bestemmingsplan opgesteld voor 6 grondgebonden woningen op deze locatie. In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 is het voorontwerpbestemmingsplan van dat plan toegezonden aan de overlegpartners van de gemeente Teylingen. Tevens heeft het voorontwerp bestemmingsplan 6 weken ter inzage gelegen, van 18 februari tot en met 30 maart 2016.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen, van 2 juni tot en met 13 juli 2016. Uit de ingebrachte zienswijzen bleek dat voor dit plan te weinig draagvlak bestond vanwege vermindering van groen en beleving van water. In overleg met omwonenden is een alternatief plan in de vorm van een kleinschalig appartementengebouw naar voren gekomen.
Het nu voorliggende bestemmingsplan, dat appartementen mogelijk maakt, wordt (opnieuw) ter inzage gelegd. Het ontwerpbestemmingsplan 'De Woezel, Warmond' heeft met de daarbij behorende stukken, overeenkomstig de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van 11 januari tot en met 21 februari 2018 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn kon eenieder zijn/haar zienswijze schriftelijk of mondeling kenbaar maken. Er zijn vijf schriftelijke zienswijzen ontvangen, zie bijlage 8.
De zienswijzen zijn op volgorde van ontvangst samengevat en voorzien van een reactie. Aan het einde van iedere zienswijze wordt geconcludeerd of de ingediende zienswijze leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente is gedurende het project eigenaar van de gronden. Deze gronden zullen, wanneer de vergunning is verleend, worden overgedragen aan de ontwikkelaar. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Met in achtneming van het hiervoor gaande heeft de gemeente besloten geen exploitatieplan op te stellen.