direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Ulft, locatie Stokhorsterweg 1
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1509.OP000044-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens om de bestaande functie van bedrijfswoning met bijbehorende praktijk aan de Stokhorsterweg 1 te Ulft te wijzigen naar een reguliere woonfunctie waarin het mogelijk is om één of twee reguliere woningen te vestigen.

Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende omgevingsplan. Aangetoond dient te worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 Ligging planlocatie

Het plangebied is gelegen aan de Stokhorsterweg 1 te Ulft. Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Ulft. De planlocatie is gelegen op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Gendringen sectie T percelen 7367 en 7368. De projectlocatie heeft een totale oppervlakte van 1.260 m². In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000044-VA01_0001.png" Afbeelding 1.1. Luchtfoto met globale begrenzing plangebied (bron: PDOK Viewer)

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000044-VA01_0002.png" Afbeelding 1.2. Uitsnede kadastrale kaart met ligging plangebied (bron: www.perceelloep.nl)

1.3 Huidig planologisch kader

Het plangebied ligt in het omgevingsplan van de gemeente Oude IJsselstreek. Dit omgevingsplan bestaat op locatie uit de omgevingsplanregels die van rijkswege naar gemeentes zijn gegaan, ook wel bruidsschatregels genoemd, en uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan: 'Bestemmingsplan De Pol - Oversluis 2005'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van Oude IJsselstreek op 27 oktober 2005.

In het (tijdelijke deel van) het omgevingsplan kent het plangebied de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden' met nadere aanduidingen '(para-) medische praktijk' en 'bedrijfswoning'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor de vestiging van desbetreffende doeleinden van handel en bedrijf. In dit geval betreft het een (para-) medische praktijk in combinatie met een bedrijfswoning.

De plannen zijn strijdig met het omgevingsplan, omdat ter plaatsen van de bestemming 'Bedrijfsdoeleinden' met nadere aanduidingen '(para-) medische praktijk' en 'bedrijfswoning', het niet is toegestaan om het gebruik van het perceel in zijn geheel in te zetten als woonfunctie zonder daarbij gebruik te maken van de geldende bedrijfsfunctie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000044-VA01_0003.png" Afbeelding 1.3. Uitsnede Omgevingsplan met ligging plangebied (bron:Omgevingswet.overheid.nl).

1.4 Participatie voorbereidingsfase

Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Dit is voor aanvragen van een omgevingsvergunning zelfs wettelijk vastgelegd in artikel 7.4 van de Omgevingsregeling. In dit artikel staat dat een initiatiefnemer bij een aanvraag omgevingsvergunning dient aan te geven of inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de aanvraag zijn betrokken. In de voorbereidingsfase van een wijzing van het omgevingsplan wordt deze lijn doorgetrokken. De formele wettelijke procedures (zienswijze en beroep) worden niet vervangen door participatie. Deze formele wettelijke procedures worden in Hoofdstuk 6 van het plan behandeld.

Door de zeer beperkte omvang van het initiatief is er geen participatie gevoerd.

1.5 Leeswijzer

Na dit hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie gegeven evenals een toelichting op de gewenste situatie. Daarbij wordt ingegaan op de gewenste ontwikkeling en op de ruimtelijke en functionele inpassing daarvan in de bestaande structuur. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het van belang zijnde beleidskader, waarna in hoofdstuk 4 een toetsing aan de milieuaspecten volgt. Wanneer deze van toepassing zijn, worden daarbij de uitgangspunten voor het TAM omgevingsplan genoemd. In hoofdstuk 5 volgt een toelichting op de werking van het TAM omgevingsplan en de daarin opgenomen juridische regeling. Tenslotte gaat hoofdstuk 6 in op de uitvoerbaarheid van het TAM omgevingsplan, waarbij aandacht wordt besteed aan de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het plan

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie is het betreffende perceel aan de Stokhorsterweg 1 in gebruik als praktijk inclusief wonen. Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Ulft en wordt ontsloten door zowel de Stokhorsterweg als de Oversluis. In de nabije omgeving bevinden zich veelal woningen, met een enkele bedrijfsbestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000044-VA01_0004.png"

Afbeelding 2.1. Bestaande situatie aan de Stokhorsterweg 1 te Ulft. (bron: funda.nl)

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie zal het plangebied worden gewijzigd van een bestemming voor bedrijfsdoeleinden naar een woonbestemming. Hiermee wordt het pand en de bijbehorende grond expliciet geschikt gemaakt voor bewoning, in plaats van voor commerciële of therapeutische activiteiten. De wijziging betreft uitsluitend een inpandige functiewijziging, waarbij de bestaande bouwstructuur gehandhaafd blijft en er geen uitbreiding van het gebouw of ingrijpende wijzigingen aan de buitenzijde plaatsvinden. Met voorliggende wijziging worden maximaal twee wooneenheden mogelijk gemaakt.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie voor een duurzame fysieke leefomgeving in Nederland. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).

Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven, die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft een lange traditie van zich aanpassen. Deze opgaven worden benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de generaties na ons. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken, om samen Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen.

De NOVI heeft de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:

  • 1. ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied;

Onder deze prioriteiten hangen 21 nationale belangen die het lokale, regionale en provinciale niveau overstijgen. Deze belangen hebben onder andere betrekking op het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit, zorgt dragen voor een woningvoorraad die aansluit op woonbehoeften, het beperken van klimaatverandering, et cetera. De verantwoordelijkheid van het omgevingsbeleid ligt voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen, waardoor inhoudelijke keuzes in veel gevallen ook het beste regionaal kunnen worden gemaakt. Met de NOVI wordt het proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

Conclusie

Onderhavig initiatief betreft een ontwikkeling van beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. De ontwikkeling is passend binnen de NOVI.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur (amvb's) en bevat specifieke regels waar lagere overheden zich aan moeten houden. In hoofdstuk 5 zijn regels opgenomen voor het opstellen van een omgevingsplan en het beoordelen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Deze instructieregels hebben betrekking op de volgende onderwerpen (afdeling 5.1):

  • waarborgen van de veiligheid;
  • beschermen van de waterbelangen;
  • beschermen van de gezondheid en van het milieu;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking);
  • behoud van ruimte voor toekomstige functies;
  • behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; en
  • bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen;

In bijzondere gevallen is het mogelijk dat minister ontheffing verleend van de instructieregels.

In hoofdstuk 4 van deze onderbouwing wordt ingegaan op de onderwerpen die van belang zijn voor deze ontwikkeling, en wordt onder meer getoetst aan de instructieregels uit het Bkl.

Conclusie

Met deze wijziging wordt, met in acht neming van de beleidsdoelen zoals verwoord en uitgewerkt in rijksbeleid en -regelgeving, tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gekomen. Deze toelichting geeft de onderbouwing hiervan. In hoofdstuk 4 komen alle instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl aan bod.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Het vertrekpunt bij het maken van de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland', welke is vastgesteld op 19 december 2018 zijn de maatschappelijke opgaven geweest die in gesprekken met overheden, organisaties en particulieren naar voren zijn gebracht. Gaaf verwijst naar mooi en vernieuwend, om een aantrekkelijke omgeving voor nieuwe generaties te behouden en creëren. De gedeelde opgaven in deze Omgevingsvisie zijn de uitkomst van een evenwaardige uitwisseling tussen deze verschillende partijen in een proces van co-creatie. De opgaven zijn die zaken die partijen met elkaar delen. Ongeacht wie wat doet en welke rollen zij spelen, staan deze opgaven centraal voor de komende pakweg vijf tot tien jaar.

In de visie van de provincie Gelderland worden zeven ambities omschreven:

  • 1. energietransitie;
  • 2. klimaatadaptatie;
  • 3. circulaire economie;
  • 4. biodiversiteit;
  • 5. bereikbaarheid;
  • 6. vestigingsklimaat;
  • 7. woon- en leefomgeving;

Planspecifiek

Het plan betreft een inpandige functiewijziging naar een woonfunctie, waarmee het bestaande gebouw wordt hergebruikt en leegstand wordt voorkomen. Hierdoor wordt bijgedragen aan een toekomstbestendige en aantrekkelijke woonomgeving, passend binnen de ambitie van Gaaf Gelderland voor een leefbare en duurzame omgeving. Het initiatief heeft geen negatieve effecten op biodiversiteit, energietransitie of klimaatadaptatie. Tegelijkertijd versterkt het de lokale leefkwaliteit en benut het bestaand stedelijk gebied efficiënt.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening van de provincie Gelderland is in werking getreden op 22 november 2024. Met de Omgevingsverordening stelt de provincie juridisch bindende regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. Doel van de verordening is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, landbouw/veehouderij, natuur en landschap, grond- en drinkwater, milieu, verkeer en energie.

De provincie Gelderland streeft naar een duurzaam en toekomstbestendig gebruik van ruimte, waarbij hergebruik van bestaande bebouwing wordt bevorderd en negatieve effecten op natuur en landschap worden beperkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000044-VA01_0005.png"

Afbeelding 3.1. Kaart met gebiedsgrenzen Gelderse streek Liemers en aanduiding planlocatie met rode ster

Vanuit de omgevingsverordening zijn er per regio kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen opgesteld waarbij de deze kwaliteiten en doelen voor de regio Liemers vooral gericht zijn op landschapsversterking en het behoudt van karakteristieke kenmerken aangaande de rivieren en waterlinies.

Planspecifiek

De voorgenomen functiewijziging bevindt zich niet in de directe nabijheid van rivieren, waterlinies en er vindt geen verandering van bebouwing plaats, waardoor ook zichtlijnen en landschapsversterking niet worden belemmerd door onderhavige ontwikkeling. De functiewijziging is dus niet in strijd met de gestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Waterschapsverordening waterschap Rijn en Ijssel

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het Waterschap Rijn en IJssel is met andere waterschappen mede beheerder van het deelstroomgebied Rijn-Oost. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben de waterschappen de afgelopen jaren intensief samengewerkt met elkaar en met andere partners.

Het waterbeleid van het waterschap is met name gericht op een duurzame aanpak van het waterbeheer: geen afwenteling, herstel van de veerkracht van het watersysteem, streven naar een meer natuurlijk waterbeheer, zoeken naar meer ruimte voor water, water toepassen als ordenend principe middels het gebruik van waterkansenkaarten en water langer vasthouden mede door een flexibeler peilbeheer. Ook het streven naar een betere waterkwaliteit als onderdeel van duurzaamheid is een belangrijk speerpunt.

De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat.

Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het Waterschap de opgave om haar gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor wordt toegewerkt naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering .

In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het Waterschap de doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's.

  • 1. Klimaatrobuust gebied: Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
  • 2. Veilig gebied: Gezorgd wordt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. De ambitie is dat in 2050 de keringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar wordt ingespeeld op ontwikkelingen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
  • 3. Circulaire Economie en Energietransitie: In het uitvoeren van de primaire taak wordt zoveel mogelijk bijgedragen aan het beperken van klimaatverandering. Het Waterschap wil in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin haar taken klimaatneutraal worden uitgevoerd.
  • 4. Gezonde leefomgeving: Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Gestreefd wordt ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het water geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Doel van het waterschap is om een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

Om de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen tijdig en goed in beeld te krijgen en mee te kunnen wegen, gebruikt het Waterschap de (digitale) watertoets. Als er alleen met 'nee' is geantwoord, dan is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap opgevraagd te worden.

Planspecifiek

Bij dit plan treedt alleen een functieverandering op. Er is geen waterbelang bij deze ruimtelijke activiteit.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025

De gemeenteraad van Oude IJsselstreek heeft op 12 mei 2011 de Structuurvisie Oude IJsselstreek 2025 vastgesteld. De Structuurvisie geeft richting aan het ruimtelijke, economische en maatschappelijke beleid van de gemeente en laat in grote lijnen zien hoe Oude IJsselstreek zich tot het jaar 2025 zal gaan ontwikkelen. De gemeente Oude IJsselstreek wil zich graag verder ontwikkelen als een dynamische gemeente. Deze boodschap blijft voor de komende jaren een belangrijk uitgangspunt voor het gemeentelijke woonbeleid. Hierbij zijn het Kwalitatief Woon Programma (KWP3), en de opvolger van de regionale woonvisie en de lokale vertaling daarvan kaders voor wonen in de gemeente. Naast het motto 'de juiste woning op de juiste plaats', spelen onder andere kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid hierbij een belangrijke rol. Achteruitgang en verloedering van de woon- en leefomgeving moet worden tegengegaan. De bijstelling van de bouwopgave voor de gemeente vraagt om aanpassing van beleid en bestaande bouwplannen. De juiste woning op de juiste plek is hierbij leidend.

De gemeente Oude IJsselstreek kiest waar mogelijk voor inbreiding. Met wijkverbeteringsplannen en geplande nieuwbouwplannen, ziet de gemeente kansen voor het realiseren van meer variatie en onderscheid in het woonaanbod. Hiermee probeert de gemeente Oude IJsselstreek iedereen die woont of wil wonen in de gemeente te voorzien van een passende woning.

Planspecifiek

Het initiatief betreft een inpandige functiewijziging naar een woonfunctie, waarmee het bestaande gebouw wordt hergebruikt. Dit sluit aan bij het gemeentelijk beleid voor inbreiding en het voorkomen van leegstand, en draagt bij aan de variatie in het woonaanbod. Het plan ondersteunt het uitgangspunt ‘de juiste woning op de juiste plek’ en versterkt de kwaliteit en leefbaarheid van de directe omgeving.

3.4.2 Toekomstvisie Oude IJsselstreek 'Maak toekomst in Oude IJsselstreek'

De toekomstvisie, uit november 2020, is tot stand gekomen door vele ontmoetingen en bijeenkomsten met inwoners, ondernemers, organisaties en verenigingen. De termen 'leven' en 'het maken' lopen als een rode draad door de toekomstvisie. Oude IJsselstreek heeft zichzelf zeven opgaven gesteld waarmee ze een antwoord kan bieden op maatschappelijke uitdagingen en waarmee de gemeente en de gemeenschap verder kunnen groeien.

  • benut de stroom van de Oude IJssel;
  • florerende Smart Industrie;
  • vitaal platteland;
  • de allernieuwste energie;
  • groene parels;
  • gezond oud worden én gezond jong zijn;
  • het witte vel;

Planspecifiek

Het initiatief betreft een inpandige functiewijziging naar een woonfunctie, waarbij het bestaande gebouw opnieuw wordt benut. Hierdoor wordt leegstand voorkomen en wordt bijgedragen aan een vitale en toekomstbestendige woonomgeving. Het plan versterkt de leefbaarheid en draagt bij aan duurzaam ruimtegebruik, passend bij de ambities van de Toekomstvisie Oude IJsselstreek ‘Maak toekomst in Oude IJsselstreek’.

3.4.3 Woonvisie 2018 Oude IJsselstreek

De Woonvisie 2018 is vastgesteld in de gemeenteraad van 14 december 2017. Met de Woonvisie wordt een lokale uitwerking van de Regionale Woonagenda geformuleerd, waar mogelijk gebruik makend van de nieuwste inzichten uit het in 2017 uitgevoerde AWLO (Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheids-Onderzoek). De belangrijkste onderwerpen van deze Woonvisie zijn:

De sociale huurvoorraad

In de sociale huurvoorraad ligt de focus op betaalbaarheid, maximale wachttijd voor woningzoekenden en een monitor op de omvang en samenstelling van de doelgroep.

Woonzorg

Het terrein Woonzorg bestaat uit ouderen die niet langer zelfstandig thuis kunnen wonen (de grootste en flink groeiende groep op dit terrein) en bijzondere doelgroepen. De focus ligt op het in kaart brengen van de ontwikkeling van vraag en aanbod voor ouderen, het langer thuis blijven (levensloopbestendig maken van woningen), is er voldoende intramurale capaciteit, is er behoefte aan woonvormen tussen intramuraal en langer thuis blijven en hoe wordt dit gerealiseerd?

Verduurzaming

De gemeente Oude IJsselstreek wil een ruime bijdrage leveren aan het realiseren van de klimaat-, energie- en duurzaamheidsdoelstellingen die zijn vastgelegd op wereld-, landelijke- en regionale schaal. In 2030, moet de gemeente Oude IJsselstreek energieneutraal zijn en wordt er 50% minder gebruik gemaakt van primaire grondstoffen.

Woningvoorraad en waarde behoud

Het gaat om het gereed maken voor de toekomst van de bestaande voorraad en het voorkomen van waardeverlies door het stimuleren van verduurzaming en levensloopbestendigheid. Het uitnemen van woningen aan onderkant van de woningmarkt moet worden voorbereid waarbij (beperkt) terugbouwen door toevoeging van ontbrekende kwaliteiten mogelijk wordt gemaakt.

Planspecifiek

Door de inpandige functiewijziging naar een reguliere woonfunctie ontstaat opnieuw een volwaardige woning op de locatie, waar voorheen de bestemming beperkt was tot een bedrijfswoning met praktijkruimte. Dit vergroot de mogelijkheden voor bewoning en draagt bij aan het efficiënte gebruik van bestaande bouw, zonder extra ruimtelijke ingrepen. Het initiatief sluit aan bij de Woonvisie 2018 door het versterken van de woningvoorraad en het toekomstbestendig benutten van bestaand vastgoed.

3.4.4 Visie op landschap, natuur en groene kernen

De Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen (VLNGK) biedt een gewenst toekomstbeeld. De visie is in een interactief proces met bewoners, maar ook organisaties en verenigingen tot stand gekomen. De visie geeft richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap voor zowel het buitengebied als de kernen. De visie gaat in op de wijze waarop de kenmerkende landschappen voor de toekomst verder versterkt worden, in samenhang met de ontwikkelingen die de komende jaren spelen. Ook gaat de visie in op de gewenste groenstructuur in de kernen. De gemeente realiseert de visie niet alleen, een groot aantal zaken pakt zij zelf op, maar de visie moet vooral ook anderen stimuleren om mee te werken aan een groene en gezonde leefomgeving.

Op de navolgende afbeelding wordt een uitsnede van de visiekaart ter plaatse van het projectgebied weergegeven. Het projectgebied is met een rode ster aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000044-VA01_0006.png"

Afbeelding 3.2. Visiekaart ingezoomd op Ulft en aanduiding planlocatie met rode ster

Planspecifiek

Het plangebied ligt binnen een zone met groenstructuren en verbindingen tussen kernen, nabij de Overslag. In de directe omgeving zijn bovendien aanduidingen aanwezig voor het vergroenen van kernen en het behouden van bijzondere elementen (‘Kernen, entree kern vergroenen’ en ‘Parels, behouden van bijzondere elementen’). De bestaande groenstructuren blijven behouden en het initiatief tast de kernkwaliteiten van het landschap niet aan. Het plan belemmert de gestelde ambities in de nabije omgeving niet en draagt bij aan de doelstellingen van de Visie op Landschap, Natuur en Groene Kernen.

Hoofdstuk 4 Effecten op en van de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt getoetst of het plan een bijdrage levert aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij wordt ingegaan op verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 4.1 tot en met 4.13 zijn opgebouwd aan de hand van de instructieregels die het Bkl in hoofdstuk 5 geeft. Paragraaf 4.14 en verder bestaat uit overige relevante instructies, regels en beleid vanuit het rijk, de provincie of gemeente.

4.1 Omgevingsveiligheid

4.1.1 Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.2 van het Bkl worden regels gegeven over de toelaatbaarheid van de verschillende categorieën gebouwen en locaties in verband met een veiligheidsrisico dat ontstaat door een activiteit die op grond van het omgevingsplan op die locatie is toegestaan.

Kwetsbare gebouwen en locatie

Het Bkl werkt, net als het voorgaande recht, met de begrippen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. In bijlage VI bij het Bkl is aangegeven welke soorten gebouwen en locaties tot de verschillende categorieën behoren. Belangrijk om op te merken is dat ook gebouwen en locaties die nog niet bestaan, maar wel op grond van een omgevingsplan mogelijk gemaakt worden, tot deze categorieën worden gerekend. De lijst in bijlage VI betreft een limitatieve lijst. Indien een functie niet is genoemd in de bijlage, valt het hier dus niet onder. Het staat het bevoegd gezag vrij om functies onder een strengere categorie te scharen dan vereist. In H4 van het Bal worden de minimale afstanden van verschillende milieubelastende activiteiten tot kwetsbare locaties genoemd.

Plaatsgebonden risico

Artikel 5.7 Bkl bepaalt dat het plaatsgebonden risico voor kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen niet groter mag zijn dan 1 op de 1.000.000. In artikel 5.8 Bkl, in combinatie met de verschillende onderdelen van bijlagen VII van het Bkl en H4 van het Bal, is aangegeven bij welke afstanden aan het vereiste van artikel 5.7 Bkl wordt voldaan. Artikel 5.9 Bkl bepaalt vervolgens tot waar de afstanden gemeten dienen te worden.

Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties geldt dat het bevoegd gezag het plaatsgebonden risico van maximaal 1 op de 1.000.000 niet in acht neemt maar er rekening mee houdt. Dit houdt in dat het bevoegd gezag een eventuele afwijking van dit getal moet kunnen verantwoorden, maar dat die afwijking dus eventueel wel toegestaan is.

Aandachtsgebieden

Het plaatsgebonden risico, gekoppeld aan de afstanden die daar krachtens artikel 5.8 Bkl voor gelden, zorgen voor een contour rondom het risico-object waarbinnen geen kwetsbare gebouwen of locaties gerealiseerd mogen worden. De zogenaamde aandachtsgebieden voegen meer lagen aan deze contour toe.

Het Bkl kent drie soorten aandachtsgebieden: een brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied. Net als bij het plaatsgebonden risico worden ook voor de aandachtsgebieden de begrenzingsregels gegeven in het Bkl.

Het aanwijzen van een aandachtsgebied heeft twee belangrijke consequenties. Ten eerste kan in het geval van een brand- dan wel explosieaandachtsgebied het gebied worden aangewezen als brand- respectievelijk explosievoorschriftengebied. Dit heeft gevolgen voor de bouwvoorschriften waar in het gebied te realiseren gebouwen aan moeten voldoen. Ten tweede moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van minstens tien personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door de risico-gevende activiteit. Het bevoegd gezag moet, net als bij het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare functies, rekening houden met dit groepsrisico. Het Bkl geeft zelf aan hoe het bevoegd gezag hier in ieder geval aan kan voldoen: er kan voor worden gekozen om geen (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties of zeer kwetsbare gebouwen te realiseren in dit aandachtsgebied. Indien deze categorieën wel worden gerealiseerd, kan het bevoegd gezag verplichten dat maatregelen worden getroffen voor de mensen in die locaties of door het aantal mensen in die locaties te beperken.

4.1.2 Beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar gebouw, zodat getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent omgevingsveiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000044-VA01_0007.png"

Afbeelding 4.1. Uitsnede risicokaart met aanduiding planlocatie met rode ster (bron: Atlas Leefomgeving)


Transport gevaarlijke stoffen

Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour.

Activiteiten

In de directe nabijheid van het plangebied vinden geen omgevingsveiligheid-relevante activiteiten plaats, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van het Bkl, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving.

4.1.3 Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.2 Water

4.2.1 Wettelijk kader

Paragraaf 5.1.3 van het Bkl bevat het wettelijk kader voor het beschermen van waterbelangen. Hierin worden regels gegeven ter bescherming van primaire waterkeringen, de kust, grote rivieren en het IJsselmeergebied. Als een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsacitiviteit betrekking heeft op een locatie in een van deze gebieden, gelden er regels ter bescherming van waterbelangen.

De gemeente heeft de verplichting het waterbelang mee te wegen bij het vaststellen van een omgevingsplan of het verlenen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 5.37 Bkl). Hierbij moet het waterschap betrokken worden. Dit kan door middel van een watertoets. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

4.2.2 Waterparagraaf waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap Rijn en IJssel draagt zorg voor het water in en rond het plangebied van dit Omgevingsplan. Vanuit het leidend principe ‘Water en mens in hun element’ draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht. Dat geeft het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken.

De fysieke leefomgeving en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Daarnaast wordt onze leefomgeving en het waterbeheer sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben.

Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthoudenbergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.

In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema’s.

  • klimaatrobuust gebied;
  • veilig gebied;
  • circulaire economie en energietransitie;
  • gezonde leefomgeving;
4.2.3 Beoordeling

De ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een primaire waterkering, in het kustfundament, bij grote rivieren of in het IJsselmeergebied. De instructieregels uit het Bkl met betrekking tot deze gebieden zijn daarom niet van toepassing.

Het wateradvies is uitgevoerd om na te gaan of het waterschap positief staat tegenover het plan (Bijlage 1 Watertoets). Gezien het slechts een functiewijziging betreft van bestaande bebouwing, worden er geen waterschapsbelangen geraakt en is overleg met het waterschap niet benodigd.

4.2.4 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.3 Gezondheid en milieu

4.3.1 Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.4 van het Bkl wordt het wettelijk kader voor het beschermen van de gezondheid en het milieu gegeven. In deze paragraaf worden instructieregels gegeven voor luchtkwaliteit (paragraaf 5.1.4.1), geluid (paragraaf 5.1.4.2 en 5.1.4.3), trilling (paragraaf 5.1.4.4), slagschaduw van windturbines (paragraaf 5.1.4.4a), bodem (paragraaf 5.1.4.5) en geur (paragraaf 5.1.4.6). In de volgende paragrafen komen deze milieuaspecten aan bod.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet is het niet meer in alle gevallen nodig om te toetsen aan luchtkwaliteit. Wel moet bij het toelaten van specifiek aangewezen activiteiten de bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) altijd worden beoordeeld. Dit geldt bij een aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten, voor het realiseren van een tunnel van ten minste 100 meter en bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg.

Daarnaast zijn er aandachtsgebieden aangewezen waarbinnen getoetst moet worden aan de luchtkwaliteit. Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof gaat dat om Amsterdam/Haarlem, Arnhem, Eindhoven, Etten-Leur, 's-Gravenhage/Leiden, Rotterdam/Dordrecht en Utrecht. Voor alleen fijnstof gaat het om de gemeenten Asten, Barneveld, Bernheze, Ede, Leudal, Nederweert, Scherpenzeel en Venray.

Het project draagt 'niet in betekende mate' (NIBM) bij, als de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en fijnstof onder de 1,2 µg/m3 blijft. Dan hoeft niet getoetst te worden aan te rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.

4.4.2 Beoordeling

Effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit

De ontwikkeling is niet gelegen in een van de aandachtsgebieden uit het Bkl. Toetsing van de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit is daardoor niet noodzakelijk. Er hoeft niet getoetst te worden aan de rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

Vanuit het Bkl gelden omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit.

Stof   Jaar 2025   Jaar 2030   Grenswaarde   Advieswaarde  
NO2   11,5 µg/m3   9,7 µg/m3   40 µg/m3   10 µg/m3  
PM10   13,6 µg/m3   12,6 µg/m3   40 µg/m3   15 µg/m3  
PM2,5   7,5 µg/m3   6,6 µg/m3   20 µg/m3   5 µg/m3  

Tabel 4.1. Waarden in het plangebied, omgevingswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit


Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de omgevingswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.

In de huidige situatie aan de Stokhorsterweg liggen de concentraties ver beneden de omgevingswaarden. Zoals blijkt uit bovenstaande tabel is de verwachting dat de jaargemiddelde concentraties in de toekomst verder zullen afnemen. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie.

4.4.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.5 Geluid

4.5.1 Wettelijk kader

Onder de Omgevingswet is de aanvaardbaarheid van geluidbelasting veel meer een decentrale afweging dan voorheen. In het omgevingsplan nemen gemeentes regels op waar activiteiten die geluid veroorzaken en geluidgevoelige gebouwen aan moeten voldoen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van de Bruidsschat.

Het Bkl stelt op rijksniveau regels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen in afdeling 3.5. In plaats van geluidzones zal er worden gewerkt met geluidaandachtsgebieden en geluidproductieplafondwaarden (gpp).

Een geluidsaandachtsgebied is een gebied rondom bijvoorbeeld wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Ook drukke 30km/u wegen worden hierin meegenomen. Dit gebied wordt op basis van berekeningen bepaald en beslaat het gebied waarbinnen de standaardwaarde voor geluid mogelijk wordt overschreden. Als binnen dit geluidsaandachtsgebied een geluidgevoelig gebouw wordt gerealiseerd, moet getoetst worden of voldaan wordt aan de standaardwaarden voor geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Wat geluidgevoelige gebouwen en ruimten zijn, wordt beschreven in artikel 3.21 en 3.22 van het Bkl. Er kan onder voorwaarden afgeweken worden van de standaardwaarden voor geluid, mits wordt voldaan aan de grenswaarden. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen.

Een ggp is het gebied langs een (spoor)weg of rond een industrieterrein waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde voor geluid. Het gpp geeft aan hoeveel geluid maximaal is toegestaan op een geluidreferentiepunt. Het bevoegd gezag monitort het geluid op dit punt.

4.5.2 Beoordeling

Woningen worden beschouwd als een geluidsgevoelig gebouw, waardoor nagegaan is of de locatie is gelegen in een geluidsaandachtsgebied of geluidsproductieplafond. De locatie is niet gelegen binnen een geluidsproductieplafond van een (spoor)weg of industrieterrein. Wel ligt het plan binnen een op korte afstand van meerdere drukke wegen, waardoor akoestisch onderzoek uitgevoerd is (Bijlage 2 Akoestisch onderzoek).

Uit het onderzoek blijkt dat het geluid op de gevels van de woning(en) maximaal 56 dB-Lden bedraagt. Dit is hoger dan de standaardwaarde van 53 dB-Lden, maar ruim lager dan de grenswaarde van 75 dB-Lden (bij functiewijziging). Gezien de situatie en het berekende geluid zijn er binnen het bouwplan geen reële maatregelen mogelijk om het geluid bij de woning(en) te reduceren tot de standaardwaarde. Ter beoordeling van de aanvaardbaarheid van het geluid is het gecumuleerde geluid bepaald. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen wat aanvaardbaar is. Het gecumuleerde geluid bedraagt maximaal 56 dB. Rekening houdend met alle geluidbronsoorten, beschikken de woning(en) over meerdere geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte. Op basis hiervan wordt gesteld dat er bij het plan sprake is van een aanvaardbare geluidssituatie. Om een goed leefklimaat te realiseren, geldt er een minimum aan de karakteristieke geluidwering (GA;k) van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied en een verblijfsruimte. Hierbij moet worden uitgegaan van een gezamenlijk geluid van 56 dB.

In de regels van dit omgevingsplan is het gezamenlijke geluid vastgelegd.

4.5.3 Conclusie

Vanuit akoestiek zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Het gezamenlijke geluid dat boven de standaardwaarde uitkomt is vastgelegd in de regels van dit omgevingsplan.

4.6 Trilling

4.6.1 Wettelijk kader

Trillinggevoelige gebouwen worden beschermd tegen trillingen van activiteiten en bedrijven. Wat een trillinggevoelig gebouw en trillinggevoelige ruimte is, wordt beschreven in artikel 5.80 en 5.81 van het Bkl. De gemeente neemt in haar omgevingsplan regels op omtrent trillingen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. In het Bkl worden standaardwaarden voor trillingen gegeven. De gemeente mag in haar omgevingsplan lagere waarden vaststellen. Ook mag zij onder voorwaarden hogere waarden vaststellen.

In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillingshinder worden beoordeeld. In sommige gevallen kan het zelfs nodig zijn om het onderzoeksgebied tot 250 meter aan weerszijden van het spoor uit te breiden. De afwegingen daarvoor zijn in de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen opgenomen. Met behulp van deze handreiking kunnen plannen worden gemaakt voor een gezonde fysieke leefomgeving.

4.6.2 Beoordeling en conclusie

De beoogde ontwikkeling vindt plaats op een afstand van meer dan 250 meter van een spoor, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over trilling.

4.7 Slagschaduw bij windturbines

4.7.1 Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.4.4a van het Bkl worden regels gesteld voor slagschaduw van windturbines. Het gaat hierbij om regels voor windturbines met een rotordiameter van 2 meter of meer die langer dan 10 jaar ergens zullen staan. Slagschaduwgevoelige gebouwen zijn gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebruik (artikel 5.98b Bkl). De gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met de aanvaardbaarheid van slagschaduw van windturbines. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.3.18 van de Bruidsschat en zijn gelijk aan het beschermingsniveau uit het Activiteitenbesluit, zolang de gemeente deze regels nog niet heeft verplaatst en/of aangepast.

4.7.2 Beoordeling en conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet gelegen in de buurt van een windturbine, waardoor er geen strijdigheid is met de gestelde regels over slagschaduw.

4.8 Bodem

4.8.1 Wettelijk kader

In paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl zijn instructieregels voor het aspect bodem opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Artikel 5.89g geeft aan wanneer een gebouw als bodemgevoelig gebouw wordt aangemerkt. De gemeente moet in haar omgevingsplan de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem opnemen. Zolang de gemeente daar nog geen keuze in heeft gemaakt, gelden de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.2.3 en 22.3.7 van de Bruidsschat.

De regels voor bodem zijn berust op drie pijlers:

  • 1. het voorkomen van nieuwe verontreiniging of aantasting (preventie);
  • 2. het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een brede afweging over de kwaliteit van de leefomgeving in relatie tot functies (toedeling van functies aan locaties); en
  • 3. het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen (beheer historische verontreinigingen);

Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

4.8.2 Beoordeling

Gezien de huidige gevoelige functie van het pand als bedrijfswoning en fysiotherapiepraktijk en het feit dat er enkel sprake is van een inpandige functiewijziging zonder bouw- of graafwerkzaamheden is er geen bodemonderzoek noodzakelijk.

4.8.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.9 Geur

4.9.1 Wettelijk kader

Het Rijk heeft in het Bkl voor een aantal gebouwen specifieke regels voor geur gesteld. Het gaat hierbij om de zogenoemde geurgevoelige gebouwen. Dit zijn onder andere gebouwen met een woonfunctie. Gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen worden niet als woonfunctie aangemerkt. De gemeente moet voor alle geurgevoelige gebouwen zoals opgenomen in artikel 5.91 van het Bkl regels stellen in het omgevingsplan om deze gebouwen te beschermen tegen geurhinder. Voor overige gebouwen of locaties mag de gemeente zelf kiezen of zij daar specifieke regels voor geur over opneemt in het omgevingsplan.

De gemeente moet daarnaast in haar omgevingsplan een 'bebouwingscontour geur' vastleggen rondom een rioolwaterzuiveringsinstallatie, rondom locaties waar landbouwhuisdieren in een dierenverblijf worden gehouden en rondom agrarische activiteiten als deze activiteiten geur veroorzaken op een geurgevoelig gebouw. Binnen de contour geldt een 'hoge bescherming' en daarbuiten een 'lage bescherming'. Voor andere geurveroorzakende activiteiten mag een gemeente zelf bepalen of zij daar geurregels voor opstelt in het omgevingsplan.

Zolang de gemeente zelf nog geen regels in haar omgevingsplan heeft opgenomen omtrent geur, gelden de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit zijn de regels uit de gemeentelijke geurverordening en de regels zoals opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de Bruidsschat. Hierin wordt nog onderscheid gemaakt tussen locaties binnen en bouten de bebouwde kom, in plaats van een bebouwingscontour.

4.9.2 Beoordeling

Om te bepalen of er sprake is van een geurveroorzakende activiteit in de omgeving van het plangebied, is de kaart 'milieu- geurcontouren bedrijven, provincie Gelderland' geraadpleegd. In de directe omgeving van het plangebied vinden geen geurveroorzakende activiteiten plaats.

4.9.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.10 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat regels met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden. Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden zijn een element van omgevingskwaliteit en het beschermen van die waarden is in artikel 2.1, derde lid, van de Omgevingswet opgenomen als één van de oogmerken die van belang kan zijn bij de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van de wet. De invulling hiervan wordt grotendeels overgelaten aan gemeenten en provincies. Op rijksniveau worden er onder meer regels gesteld over de kust, over de Waddenzee en het Waddengebied, over het zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand (de ladder voor duurzame verstedelijking) en over cultureel erfgoed. De ontwikkeling is niet in of nabij de kust, de Waddenzee of het Waddengebied gelegen, waardoor die instructieregels niet van toepassing zijn. De laatste twee onderwerpen, de laddertoets en cultureel erfgoed, komen in de volgende paragrafen aan bod.

4.11 Ladder voor duurzame verstedelijking

4.11.1 Wettelijk kader

Het nationale beleid vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Artikel 5.129g van het Bkl geeft aan dat als een ontwikkeling voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, rekening moet worden gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien;

Dit geldt voor een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

4.11.2 Beoordeling

Uit jurisprudentie blijkt dat er in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Met onderhavige ontwikkeling is sprake van een functiewijziging, waarbij één woning wordt toegevoegd, waardoor het doorlopen van de laddertoets niet noodzakelijk is.

4.11.3 Conclusie

De laddertoets vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.12 Cultuurhistorie en archeologie

4.12.1 Wettelijk kader

In het Bkl is bepaald dat gemeenten in hun omgevingsplan een beschermingsregime moeten opnemen voor cultureel erfgoed. Hierbij moeten de instructieregels uit paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl in acht worden genomen. Dit gaat onder meer over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; en
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten;

Tot dat de gemeentes regels over cultureel erfgoed in het omgevingsplan hebben opgenomen, geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit bestaat uit de geldende ruimtelijke regelingen zoals bestemmingsplannen, de gemeentelijke erfgoedverordening en de regels uit de bruidsschat.

4.12.2 Beoordeling archeologie

Op 5 maart 2015 heeft de gemeenteraad van de gemeente Oude IJsselstreek de archeologische waardenkaart, cultuurhistorische waardenkaart en de erfgoedverordening vastgesteld. Uit de kaartbijlage 14 'Archeologische waarden en verwachtingen' blijkt dat het plangebied aangewezen is met de aanduiding 'Specifieke archeologische verwachting - geulenstelsel dal Oude IJssel'. Uit de waardenkaart blijkt dat er een hoge archeologische verwachting op het plangebied ligt.

Volgens de beleidskaders van de gemeente geldt voor een gebied met een specifieke archeologische (rivierdal) verwachting geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek bij ingrepen kleiner dan 5.000 m2 en ondieper dan 30 cm. Ten behoeve van voorgenomen plan wordt er niet gegraven en tevens betreft het plangebied in totaal circa 1.260 m2, waarmee het ook onder de grens van 5.000 m2 valt waarvoor geen verplichting tot archeologisch vooronderzoek geldt. Wel is voor de volledigheid een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen op de verbeelding om de bescherming ook voor de toekomst vast te leggen.

4.12.3 Beoordeling cultuurhistorie

Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende omgevingsplan.

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Oude IJsselstreek blijkt dat het plangebied zich in de Historische Kern (1939-1945) bevindt en dat zich ter hoogte van het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten bevinden. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.12.4 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.13 Ruimte voor toekomstige functies, infrastructuur en openbare buitenruimte

4.13.1 Wettelijk kader

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vereist in bepaalde gevallen dat gebieden worden vrijgehouden voor toekomstige ontwikkelingen die alleen op bepaalde locaties kunnen plaatsvinden. Zo kan uitbreiding van een infrastructuurnetwerk meestal beter - en goedkoper - gebeuren op de locatie waar dat netwerk al aanwezig is. Tegelijkertijd is op veel van die locaties sprake van een vrij grote ontwikkeldruk. Daarom wordt in paragraaf 5.1.6 van het Bkl in navolging van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een aantal reserveringsgebieden aangewezen. Het gaat om gebiedsreserveringen voor de lange termijn voor de grote rivieren, gebieden rond autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen, gebieden voor de aanleg van buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimte voor de Parallelle Kaagbaan en de reservering van de Tweede Maasvlakte voor deep sea gebonden activiteiten.

In paragraaf 5.1.7 van het Bkl wordt geregeld dat ontwikkelingen geen belemmering mogen vormen voor militaire terreinen en objecten, oefen- en schietgebieden, militaire zend- en ontvangsinstallaties, laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen, militair radarbeeld, elektriciteitsopwekking, kernenergiecentrales, hoogspanningsverbindingen, rijksvaarwegen, scheepvaart, communicatie-, navigatie- en radarapparatuur burgerluchtvaart en landelijke fiets- en wandelroutes.

Tot slot moet conform paragraaf 5.1.8 van het Bkl rekening gehouden worden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking.

4.13.2 Beoordeling en conclusie

Het plangebied is niet gelegen in een gebied zoals bedoeld in paragraaf 5.1.6 en 5.1.7 van het Bkl. Er is vanuit dit aspect dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Daarnaast is er in het plangebied geen openbare buitenruimte aanwezig, waardoor er geen rekening hoeft te worden gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking.

4.14 Flora en fauna

4.14.1 Wettelijk kader

Er moet ten allen tijde rekening gehouden worden met de flora en fauna om de natuur te beschermen. In artikel 5.1 van de Omgevingswet wordt geregeld dat er een omgevingsvergunning nodig is voor Natura 2000-activeiten en flora- en fauna-activiteiten. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een flora- en fauna-activiteit wordt omschreven als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Daarnaast bevat ook de provincie regels voor het beschermen van flora en fauna. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd. Het gaat om soorten van nationaal belang en soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijnen vallen. Voor de soortenbescherming gelden rijksregels. De provincies zijn echter verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Door de brede formulering van een 'flora- en fauna-activiteit' is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving vrijwel altijd nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn, om te onderzoeken of de activiteit mogelijk gevolgen heeft voor beschermde soorten.

Gebiedsbescherming

Er zijn verschillende gebieden met belangrijke waarde voor flora en fauna: Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN) en andere bijzondere gebieden en landschappen. De Natura 2000-gebieden worden op Europees niveau beschermd en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de Omgevingswet. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk dat door de provincies is aangewezen. Bijna alle Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Een Natura 2000-activiteit kan zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden, want een activiteit buiten een Natura 2000-gebied kan ook van invloed zijn op het gebied. Voor de bescherming van NNN gelden voornamelijk provinciale regels.

Stikstofdepositie

Veel Natura 2000-gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Toename van de stikstofdepositie op het gebied betekent een verslechtering van de habitattypen. Om die reden moet vooraf onderzocht worden of de betreffende activiteit niet leidt tot onevenredige toename van stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige gebieden. Met de AERIUS calculator kan berekend worden of er bij het uitvoeren van een activiteit sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie.

Zorgplicht

Ten tijde van de uitvoering van werkzaamheden geldt ten allen tijde de zorgplicht (artikel 11.6 en 11.27 Bal). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna en Natura 2000-gebieden zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Concreet betekent dit dat iemand die een activiteit wil verrichten op een plek, eerst moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat de beschermde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen.

4.14.2 Beoordeling

Flora en fauna

Het voorgenomen initiatief betreft een inpandige functiewijziging, daarbij vinden er geen wijzigingen plaats aan de gevels of het dak. Daardoor zal voorgenomen initiatief dan ook geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het NNN en Natura 2000-gebieden. Tevens zal de ontwikkeling geen negatief effect hebben op beschermde soorten. Nader ecologisch onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Stikstofdepositie

Voor de inpandige functiewijziging aan de Stokhorsterweg 1 te Ulft zijn geen werkzaamheden voorzien. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Rijntakken, op circa 16 km afstand. Gezien de aard en omvang van het initiatief en de afstand tot Natura 2000-gebieden is het niet te verwachten dat sprake zal zijn van relevante stikstofdepositie.

4.14.3 Conclusie

Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.15 Milieubelastende activiteiten

4.15.1 Wettelijk kader

De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt. Het beleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen.

Overal, maar voornamelijk ter plekke van bedrijven, kunnen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die hinder opleveren voor gevoelige functies, zoals woningen. Daarom is het belangrijk om voldoende afstand te houden. Wat voldoende afstand is, is afhankelijk van de aard van de activiteiten. Meestal is geluid de belangrijkste factor, maar ook geur kan de afstand tot gevoelige functies bepalen. Gemeenten kunnen binnen de bandbreedte die het rijk geeft zelf bepalen wat aanvaardbare afstanden of aanvaardbare geluid- of geurhinderniveaus zijn.

Voor het bepalen welke activiteiten aanvaardbaar zijn, kan de VNG uitgave Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2022 worden geraadpleegd. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. Niet meer met een vaste richtafstand per bedrijfstype, maar aan de hand van een concrete waarde per activiteit wordt het ruimtebeslag bepaald.

4.15.2 Beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid.

De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de met de afwisseling van functies bedrijfsdoeleinden, woondoeleinden en maatschappelijke doeleiden worden gekarakteriseerd als gemengd gebied. Een woning betreft een gevoelige functie en de activiteit in de directe omgeving is een bedrijf in de categorie 'Natuursteenbewerkingsbedrijven' met als nadere aanduiding 'zonder breken, zeven en drogen: p.o. <= 2.000 m²'. Dit bedrijf is gelegen aan de Oversluis 3. Het bedrijf valt in de milieucategorie 2 voor geluid en hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. De ontwikkeling ligt op meer dan 100 meter van deze activiteiten, waardoor de activiteiten geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast is ten zuidwesten van de planlocatie aan Oversluis 5 een tankstation gevestigd. Bij het tankstation kan geen gas gehaald worden, enkel diesel en benzine. Voor een benzineservicestation zonder gas geldt een richtafstand van 30 meter voor geluid en geur. De voorgevel van de bestaande woning ligt op circa 40 meter afstand van de bedrijfbestemming van het tankstation. Het is niet mogelijk om vóór de voorgevel extra of nieuwe (vergunningvrije) bouwwerken op te richten ten dienste van de woonfunctie. Er is dan ook sprake van voldoende afstand tussen het tankstation en het plangebied.

Andersom leidt het toevoegen van een woning ook niet tot belemmering op de omliggende functies.

4.15.3 Conclusie

Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.16 Duurzaamheid

4.16.1 Inleiding

Duurzame leefomgeving

Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.

Klimaatbestendigheid 

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

Energietransitie 

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.

4.16.2 Beoordeling

De inpandige functiewijziging naar een woonfunctie brengt geen fysieke ingrepen met zich mee. Het hergebruik van het bestaande gebouw voorkomt leegstand en draagt bij aan duurzaam ruimtegebruik. Er zijn geen negatieve effecten op klimaatbestendigheid of energietransitie te verwachten. De ontwikkeling ondersteunt een toekomstbestendig en duurzaam gebruik van de bestaande bebouwing.

4.16.3 Conclusie

Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.17 Parkeren en verkeer

4.17.1 Parkeren

Parkeren auto

Op basis van de 'Nota parkeernormen Oude IJsselstreek' kan inzicht worden verkregen in de bestaande parkeersituatie. Voor een 'Fysiotherapiepraktijk (-centrum)' geldt een parkeernorm van 1,4 parkeerplaatsen per behandelkamer. Voor de locatie geldt dan een parkeernorm van 9,8 parkeerplaatsen. Hierbij is rekening gehouden met een fysiotherapiepraktijk met zeven behandelkamers in de centrum van Ulft. Ook de bedrijfswoning dient meegenomen te worden in de bestaande parkeersituatie. Voor een 'Koop, huis, vrijstaand' geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning. In totaal komt dit neer op een totale afgeronde bestaande parkeervraag van 12 parkeerplaatsen.

Op een zelfde manier kan ook inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Gezien de nieuwe functie gewijzigd wordt naar een woonfunctie geldt hier alleen de parkeernorm van een 'Koop, huis, vrijstaand', welke 1,8 parkeerplaatsen. Als de woning gesplitst wordt naar twee woningen, geldt een norm van 1,7 per (twee-onder-een-kap) woning. Daarmee komt de totale parkeerbehoefte uit op maximaal 3,4 parkeerplaatsen.

Deze parkeerplaatsen zijn reeds aanwezig op eigen terrein, doordat de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie afneemt. In de nieuwe situatie zullen er tenminste vier parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig zijn. Navolgende afbeeldingen tonen de locatie van de parkeerplaatsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000044-VA01_0008.png"

Parkeerruimte voor de zuidwestelijke helft van de woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1509.OP000044-VA01_0009.png"

Parkeerruimte voor de noordoostelijke helft van de woning.

4.17.2 Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten door de Stokhorsterweg en de Oversluis.

In de huidige situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van de CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024, Basis voor parkeernormering'. Hierin is gekeken naar een 'Fysiotherapiepraktijk (-centrum)' met een gemiddelde verkeersgeneratie van 12,8 mvt/etmaal per behandelkamer. Dit komt neer op een verkeersaantrekkende werking van 89,6 mvt/etmaal. Hierbij is rekening gehouden met een fysiotherapiepraktijk met zeven behandelkamers in het centrum in een weinig stedelijk gebied. Het 'Koop, huis, vrijstaand' heeft een gemiddelde verkeersgeneratie van 7,9 mvt/etmaal per woning. In totaal komt dit neer op een totale afgeronde bestaande verkeersgeneratie van 98 mvt/etmaal.

In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende op dezelfde manier te bepalen. Voor een 'Koop, huis, vrijstaand' geldt een kencijfer van 7,9 mvt/etmaal per woning en voor een 'Koop, huis, twee-onder-een-kap' geldt een kencijfer van 7,6 mvt/etmaal per woning. Dit komt neer op een verkeersaantrekkende werking van 7,9 mvt/etmaal bij een vrijstaande woning of 15,2 bij twee woningen.

4.17.3 Conclusie

Daar de parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden en de parkeervraag afneemt, vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De verkeersbewegingen nemen met onderhavig initiatief af. Gezien de ligging en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit leidt tot een verbetering van de verkeersafwikkeling in het plangebied.

4.18 Kabels en leidingen

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgasleidingen afhankelijk van druk;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;

Uit het geldende omgevingsplan 'Bestemmingsplan De Pol - Oversluis 2005' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn.

4.19 Milieueffectrapportage

4.19.1 Wettelijk kader

De wet- en regelgeving omtrent de m.e.r. is geen puur nationale aangelegenheid. De verplichting om in bepaalde gevallen een soort m.e.r. op te stellen volgt uit het Europese recht, te weten de m.e.r.-richtlijn en de Europese richtlijn voor Strategische Milieubeoordeling (SMB-richtlijn).

De m.e.r.-regelgeving wordt onder de Omgevingswet geïmplementeerd in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Aangezien de regelgeving moet blijven voldoen aan de Europese richtlijnen verandert er relatief weinig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

In bijlage V bij het Omgevingsbesluit in 1 lijst zijn zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige gevallen opgenomen en de daarvoor benodigde besluiten.

4.19.2 Beoordeling en conclusie

Voorliggende ontwikkeling kan niet gezien worden als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' (J.11 uit bijlage V Ob), waardoor er ook geen beoordeling gemaakt dient te worden of er sprake zal zijn van aanzienlijke milieueffecten.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Algemeen

Omgevingswet

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn alle bestemmingsplannen opgegaan in één gemeentelijk 'omgevingsplan van rechtswege'. Zo ook de voor het voorliggende wijzigingsgebied relevante bestemmingsplannen (Bestemmingsplan De Pol - Oversluis 2005, vastgesteld op 17 oktober 2005). Het omgevingsplan bestaat verder uit de Bruidsschat en een aantal gemeentelijke verordeningen. De Bruidsschat betreft een aantal regels die van het rijk zijn overgegaan naar de gemeente. Deze regels zijn verhuisd naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Het gaat onder andere om regels over bouwwerken en over milieubelastende activiteiten.

Dit omgevingsplan van rechtswege kan door de gemeenteraad gewijzigd worden (zie oa art. 2.4 en 22.6 Ow). De voorliggende wijziging beperkt zich tot het 'bestemmingsplandeel' van het omgevingsplan ter plekke van het wijzigingsgebied.

TAM-IMRO

Voorliggend plan betreft een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) en is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.

Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.

De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

Inhoud van dit TAM-IMRO plan

Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bestaat een motivering, planregels en de verbeelding.

In de motivering wordt gemotiveerd om welke redenen het omgevingsplan wordt gewijzigd. De voorliggende toelichting betreft dit eerste deel. Het geeft een onderbouwing van het besluit. Het motiveert dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen. De motivering heeft geen rechtskracht maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. Het geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten en de intepretatie en toepassing van het omgevingsplan.

De regels vormen samen met de verbeelding het juridische onderdeel van het plan. De verbeelding betreft een digitale kaart waarop de functies en aanduidingen zijn weergegeven. In de regels is opgenomen wat er op die aangewezen locaties wel of niet is toegestaan.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende bepalingen. In dit hoofdstuk zijn de begrippen en wijze van meten opgenomen.
  • 2. Specifieke regels over functies. In dit hoofdstuk zijn de functies op alfabetische volgorde opgenomen. Ze bevatten een omschrijving van de functies en de regels voor bouwen, gebruik en eventueel milieu.
  • 3. Algemene regels over functies. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die gelden voor alle functies, bijvoorbeeld algemene bouwregels, algemene gebruiksregels en algemene regels voor binnenplanse omgevingsplanactiviteiten.
  • 4. Regels ter bescherming van waarden. De regels ter bescherming van waarden zijn bedoeld voor bescherming van bijvoorbeeld archeologische waarden in een gebied.
  • 5. Overgangsregels.

Vergunningaanvraag op grond van dit plan

Voor een aanlegactiviteit op grond van dit TAM-omgevingsplan kan het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [Werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren] gebruikt worden.

Voor een bouwactiviteit op grond van dit TAM-omgevingsplan kan het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [Bouwactiviteit (omgevingsplan)] gebruikt worden.

Voor een andere vergunningplicht in dit TAM-omgevingsplan kan het aanvraagformulier behorende bij de activiteit [afwijken van regels in het omgevingsplan] gebruikt worden.

De aanvraagformulieren zijn te vinden op de website omgevingswet.overheid.nl via het het tabblad [Aanvragen].

5.2 Toedelen van functies aan locaties

Met dit wijzigingsbesluit wordt het omgevingsplan op onderdelen gewijzigd. In de vorige hoofdstukken van deze toelichting is aangegeven op welke onderdelen de planregels worden gewijzigd, wat de aanleiding is voor de wijziging en wat, inhoudelijk, de wijziging betreft.

Deze paragraaf licht de artikelen uit de planregels toe die met dit wijzigingsbesluit wezenlijk zijn gewijzigd en zijn toegevoegd.

Inleidende bepalingen

Toepassingsbereik (Artikel 1)

Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te ‘ponsen’. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 1 van de inleidende regels.

Begrippen (Artikel 2)

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmigsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt kan worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Meten en rekenen (Artikel 3)

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Specifieke Regels over functies

Wonen (artikel 4)

Toepassingsbereik:

Verwijzing naar de locatie waarvoor de beschreven regels van toepassing op zijn.

Functieomschrijving wonen:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

Gebruiksactiviteiten:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

Omgevingsplanactiviteit gebruik:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen;

Bouwactiviteiten:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

Afwijken beoordelingsregels bouwactiviteit:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

Algemene regels over functies

Toepassingsbereik (Artikel 5)

Verwijzing naar de locatie waarvoor de beschreven regels van toepassing op zijn.

Aanvraagvereisten (Artikel 6)

Gegevens die noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Anti-dubbeltelregel (Artikel 7)

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Bestaande maatvoering (Artikel 8)

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken afwijken van het bepaalde in dit plan, mits gerealiseerd met een daartoe verleende omgevingsvergunning niet meer zijn toegestaan.

Algemene gebruiksregels (Artikel 9)

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin. Daarnaast bevat de bepaling regels omtrent parkeren, slopen, landschappelijke inpassing en waterberging.

Regels ter bescherming van waarden en objecten

Waarde - Archeologische verwachting 3 (Artikel 10)

Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van het behoud, bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden in de bodem.

Overgangsregels

Overgangsrecht (Artikel 11)

Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van de voortzetting van het gebruik van een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan.

Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Omgevingswet. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft nadeelcompensatie zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie

De direct omwonenden zijn geïnformeerd over het voornemen om de functie van de locatie te wijzigen naar uitsluitend wonen. Vanuit de omwonenden zijn geen bezwaren geuit tegen de planwijziging.

6.2.2 Procedure

Afdeling 3.4 Awb is van toepassing op de voorbereiding van een omgevingsplan of de wijziging van een omgevingsplan. Tegen het ontwerpbesluit bestaat de mogelijkheid om zienswijzen te dienen. Deze kunnen geen betrekking hebben op een omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit die in het omgevingsplan moet worden omgezet (bedoeld in artikel 4.17 Omgevingswet). Hiermee wordt voorkomen dat een toegestane activiteit bij de omzetting in het omgevingsplan opnieuw ter discussie kan worden gesteld.

De gemeenteraad stelt het omgevingsplan vast. Tegen het besluit tot het wijzigen van een omgevingsplan kan rechtstreeks beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerste en enige aanleg.

Tegen een beschikking krachtens een omgevingsplan waarbij maatwerkvoorschriften worden gesteld, of waarbij wordt toegestaan gelijkwaardige maatregelen te treffen, staat (na de bezwaarfase) beroep in eerste aanleg open bij de rechtbank met de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als een dergelijke beschikking wordt geweigerd, geldt hetzelfde.

Het omgevingsplan treedt in werking vier weken nadat van het omgevingsplan mededeling is gemaakt. Een verzoek om een voorlopige voorziening heeft niet automatisch schorsende werking.