direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Lelystad - Lisdoddeweg 39 (2019)
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0995.WP00020-VG01

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Dit wijzigingsplan heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf dat in het landelijk gebied ten oosten van Lelystad ligt. Het akkerbouwbedrijf is voornemens om uit te breiden met een nieuwe bewaring. Deze nieuwbouw is buiten het bouwvlak van het bedrijf geprojecteerd, waardoor de ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan.

De gemeente Lelystad wil medewerking verlenen aan de ontwikkeling door het vergroten van het bouwvlak. In het bestemmingsplan is hiervoor een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Dit wijzigingsplan geeft toepassing aan deze bevoegdheid.

1.2 Plangebied

Het plangebied van dit wijzigingsplan betreft het perceel Lisdoddeweg 39, dat op circa vier kilometer ten oosten van Lelystad ligt. De begrenzing is afgestemd op de gewenste situatie. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.WP00020-VG01_0001.png"

Figuur 1.1 De ligging van het plangebied

1.3 Geldende regeling

Het plangebied is geregeld in twee verschillende ruimtelijke plannen. Dit betreft de 'Eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009' én het wijzigingsplan 'Lelystad - Lisdoddeweg 39'. Dit wijzigingsplan maakt deel uit van het moederplan 'Eerste partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2009'.

Het gehele gebied is bestemd als 'Agrarisch'. Voor het bedrijf is een bouwvlak opgenomen. De gebouwen mogen alleen binnen dit bouwvlak worden gebouwd.

De gewenste uitbreiding vindt plaats buiten dit bouwvlak en is daardoor in strijd met het bestemmingsplan.

Op grond van artikel 3, lid 3.5.2, kunnen burgemeester en wethouders het plan wijzigen in die zin dat het bouwvlak wordt vergroot. Hiervoor gelden de volgende wijzigingscriteria:

  • 1. de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering moet door middel van een gekwalificeerd bedrijfsplan worden aangetoond;
  • 2. een aantal aangewezen waarden mag niet onevenredig worden aangetast;
  • 3. geen gebouw mag na de wijziging buiten het bouwvlak komen te liggen;
  • 4. de oppervlakte van het bouwvlak mag na de wijziging ten hoogste 2,5 ha bedragen;
  • 5. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en manoeuvreerruimte;
  • 6. wordt voorzien in een goede inpassing van een en ander in het landschap door middel van afschermende erfbeplanting, met daarbij behorende sloot, waarbij:
    • a. de afstand van gebouwen tot het hart van de sloot niet minder dan 8 m mag bedragen, en
    • b. de breedte van de erfbeplanting niet minder dan 6 m mag bedragen;
  • 7. op en in gronden met de aanduiding "specifieke vorm van waarde - openheid" dienen de bebouwingsmogelijkheden zoveel mogelijk achter en niet naast de hoofdgebouwen te worden gesitueerd, om bebouwingslinten niet onnodig verder te verdichten, en het zicht op de open polder te behouden.

De gewenste situatie kan juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt via deze wijzigingsbevoegdheid. Hiervoor dient een wijzigingsplanprocedure te worden doorlopen. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de wijzigingscriteria.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de gewenste ontwikkeling nader beschreven en wordt getoetst aan de voorwaarden voor het wijzigen van het bestemmingsplan. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het beleidskader dat relevant is voor de ontwikkeling. In hoofdstuk 4 worden vervolgens de milieu- en omgevingsaspecten beschreven. In hoofdstuk 6 wordt de juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 5 wordt de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling behandeld.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en beschrijving initiatief

2.1 Huidige situatie

Het plangebied van dit wijzigingsplan ligt in een open agrarisch gebied ten oosten van Lelystad. De omgeving wordt gekenmerkt door akkerbouwkavels in een regelmatig patroon. De kavels zijn haaks op de wegen georiënteerd. Het plangebied is ontsloten op de Lisdoddeweg, waaraan vrijwel uitsluitend akkerbouwbedrijven zijn gelegen.

Ook binnen het plangebied is een akkerbouwbedrijf aanwezig. Op het perceel zijn ten behoeve hiervan drie loodsen aanwezig. De meest recente ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van een bewaring aan de zuidkant van het bedrijfsperceel. Langs de zuidzijde ligt verharding. Voor de bedrijfsgebouwen staat een bedrijfswoning. Langs de zijdelingse perceelsgrenzen zijn erfsingels aanwezig.

Het huidige bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 140 bij 60 meter (circa 0,8 hectare). De huidige situatie is weergegeven in figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.WP00020-VG01_0002.png"

Figuur 2.1. Huidige situatie plangebied

2.2 Beschrijving initiatief

Het initiatief omvat de bouw van een overkapping van de bewaring. De nieuwbouw heeft een oppervlakte van 21 bij 45,3 meter. Tevens wordt een extra ontsluiting voorgesteld. Dit ten behoeve van het creëren van voldoende manoeuvreerruimte. De nieuwe inrit zal uitgevoerd worden in klinkerbestrating of betonplaten. Voor de exacte uitvoering van deze extra ontsluiting wordt een omgevingsvergunning aangevraagd. De gewenste situatie is weergegeven in figuur 2.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.WP00020-VG01_0003.png"

Figuur 2.2 Gewenste situatie plangebied

De nieuwbouw krijgt een goot- en bouwhoogte van circa 5,5 -en 14 meter. Enkele gevelaanzichten zijn weergegeven in figuur 2.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.WP00020-VG01_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.WP00020-VG01_0005.png"

Figuur 2.3 Enkele gevelaanzichten nieuwbouw

2.3 Toetsing aan wijzigingscriteria

Voor de gewenste planologische situatie kan gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid in lid 3.5.2 van het bestemmingsplan. Hiermee wordt het bouwvlak vergroot. In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan de wijzigingscriteria die hiervoor gelden.

Bedrijfstechnische noodzaak

De uitbreiding is nodig voor her veiligstellen van de toekomst van het agrarisch bedrijf en om meer inkomsten te genereren voor de toekomstige bedrijfsopvolgers (de twee zoons van de ondernemer). De uitbreiding van de gebouwen kan niet plaatsvinden in het bestaande bouwvlak. Dit is namelijk alleen toereikend voor de woning, tuin, bestaande schuren en een betonnen verharding.


In de afgelopen jaren is het bedrijf gegroeid in de teelt van met aardappelen (van 40 hectare naar 75 hectare), met name de pootaardappelteelt is sterk gegroeid (van 5 hectare naar 40 hectare). De extra opslag en sorteerruimte die hiervoor nodig is, werd al een aantal jaren gehuurd. Het is voor de bedrijfsvoering zeer gewenst om zoveel mogelijk opslag naar het eigen erf te halen om alles op één plaats te hebben. Hiermee kan de kwaliteit worden verbeterd en worden de kosten beperkt. Hiervoor is extra opslag en sorteerruimte nodig. Om alle producten op te slaan is een capaciteit van 5.900 ton opslag nodig. Op het eigen erf is nu ongeveer 4.000 ton opslagcapaciteit. De resterende 1.900 ton wordt nu elders opgeslagen in een gehuurde opslagruimte. De extra ruimte wordt gerealiseerd voor de opslag en verwerking van pootaardappelen.

Aantasting aanwezige waarden

De ontwikkeling mag geen afbreuk doen aan de, in de agrarische bestemming genoemde, waarden. Het gaat dan om een aantal specifieke landschapswaarden die zijn aangeduid als 'waarden' of 'specifieke vorm van waarde - openheid'. Van dergelijke waarden is ter plaatse van het plangebied geen sprake.

Wel zijn er algemene waarden aan de orde, zoals het aanwezige cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatroon. De uitbreiding voegt zich naadloos binnen het verkavelingspatroon. Geconcludeerd wordt dat de aanwezige waarden niet worden aangetast.

Alle gebouwen binnen bouwvlak

Na de wijziging moeten alle gebouwen binnen een bouwvlak van ten hoogste 2,5 hectare liggen. Hierbij geldt dat ook moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en manoeuvreerruimte.

Het nieuwe bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 140 bij 65 meter, dus ruim 0,91 hectare. Alle gebouwen liggen hierbinnen. Langs de zuidzijde van de bebouwing ligt een verharding waarop voldoende manoeuvreerruimte en parkeergelegenheid aanwezig is. Aan dit criterium wordt dus voldaan.

De ontwikkeling mag ook niet leiden tot knelpunten of tot onveilige situaties in de verkeersafwikkeling. Het plangebied is direct ontsloten via een bestaande ontsluiting op de Lisdoddeweg. Deze heeft ruim voldoende capaciteit voor het bedrijf. De verkeerssituatie ter plaatse is overzichtelijk. Er is namelijk sprake van een rechte 60 km-weg. Vanuit de inrit is zowel in oostelijke- als westelijke richting voldoende zicht op de weg. Het betreft een secundaire weg die voornamelijk bestemd is voor landbouwverkeer en wordt dan ook voornamelijk gebruikt door landbouw voertuigen en auto's.

Landschappelijke inpassing

De uitbreiding moet goed worden ingepast in het landschap door middel van afschermende erfbeplanting met een daarbij behorende sloot. Hierbij geldt dat de afstand van gebouwen tot het hart van de sloot niet minder dan 8 m mag bedragen, en dat de breedte van de erfbeplanting niet minder dan 6 m mag bedragen. In het inrichtingsplan, weergegeven in figuur 2.2, is hiermee rekening gehouden. Aan dit criterium wordt dus ook voldaan. Voor de inrichting van de erfbeplanting wordt verwezen naar onderstaand figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0995.WP00020-VG01_0006.png"

Figuur 2.4 Beplantingsplan

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen.


Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit plan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Flevoland - Flevostraks

De Omgevingsvisie FlevolandStraks (vastgesteld op 8 september 2017) geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen en opgaven er voor Flevoland liggen en welke ambities de provincie heeft voor de toekomst. Het bijzondere verleden van de jongste provincie van Nederland vormt de basis van de visie.

In de visie staan de belangrijkste onderwerpen en ambities voor de toekomst van Flevoland. In de Omgevingsvisie wordt onderscheid gemaakt in kernopgaven en strategische opgaven. Deze opgaven hebben een tijdshorizon van circa tien tot vijftien jaar.

De drie kernopgaven zijn: het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving), krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving) en ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving). De strategische opgaven zijn: regionale kracht, circulaire economie, landbouw: meerdere smaken.

Kernopgave: Het verhaal van Flevoland.

In deze opgave wil de provincie laten zien waar ze vandaan komen. In 2030 en verder wil Flevoland de kroon op de eeuwenlange Hollandse inpolderingstraditie zijn. Dan staat Flevoland wereldwijd bekend als een 20e-eeuws wederopbouwlandschap met herinneringen uit een verder verleden.

De provincie wil dit bereiken door mensen het lef te laten hebben om de kansen voor nieuwe ontwikkelingen te pakken; zoals transformatie in de landbouw en duurzame energie.

Kernopgave: Ruimte voor Initiatief

De provincie wil er zijn voor zijn inwoners en wil de krachten vanuit de samenleving dan ook benutten. Hiervoor bieden ze ruimte voor ondernemers en mensen die hun droom willen realiseren. Iedereen die wil bijdragen aan een duurzame toekomst van Flevoland is van harte uitgenodigd.

Strategische opgave: Circulaire Economie

Voor Flevoland ligt in de omschakeling naar een circulaire economie een kans. In een circulaire economie worden materialen eindeloos hergebruikt en zijn producten zoveel mogelijk gemaakt van hernieuwbaar materiaal. In 2030 en verder staat Flevoland bekend als de grondstoffenleverancier voor de circulaire economie. (Rest)stromen uit de landbouw, bedrijven en huishoudens worden geschikt gemaakt voor duurzaam (her)gebruik. Groene grondstoffen en gebruikte materialen worden zodanig bewerkt dat ze snel en gemakkelijk hun weg vinden naar bestaande en nieuwe afzetmarkten: in Flevoland, in Nederland en wereldwijd.

Strategische opgave: Landbouw: Meerdere Smaken

Flevoland is van oorsprong een landbouwprovincie. Ontwikkelingen in deze sector vragen een groot aanpassingsvermogen. In 2030 en verder staat Flevoland bekend om haar meerdere smaken in de agrosector, die door haar aanpassingsvermogen vernieuwingen en innovaties voortvarend en snel in praktijk brengt.

De ontstaansgeschiedenis van de polder zie je terug in de kwaliteiten. Flevoland is sterk in techniek, technologie en primaire productie, zoals pootaardappelen en biologische landbouw. Vanuit de lucht lijkt de landbouw op elkaar, maar op het erf heeft elk bedrijf zijn eigen specialisatie, schaal en bedrijfsmodel. Er is veel variatie en deze neemt toe, van verwerking, energie, technologie tot stadslandbouw.

Omgevingsplan Flevoland 2006

Het beleidskader van de provincie Flevoland voor het totale omgevingsbeleid is omschreven in het Omgevingsplan Flevoland 2006. In dit plan wordt het integrale omgevingsbeleid voor de periode 2006-2015 neergelegd met een doorkijk naar 2030. Het beleid is gebaseerd op een visie voor de periode tot 2030, waarin de hoofdlijnen voor de gewenste verdere ontwikkeling worden geschetst.

De landbouw verandert in een hoog tempo van een beschermde en ondersteunde sector naar een sector die moet concurreren op de wereldmarkt. Bedrijven reageren hierop met schaalvergroting, specialisatie, intensivering en een verschuiving van akkerbouw naar veehouderij. Ook zijn er bedrijven die oplossingen zoeken in verbreding van de bedrijfsvoering, zoals verwerking van agrarische producten, het telen van energie- of andere gewassen, mestvergisting, recreatie en toerisme. De provincie wil ruimte bieden aan deze ontwikkelingen.

Ten aanzien van vergroting en nieuwbouw van het bouwerf is richtinggevend dat eerst de ruimtelijke mogelijkheden voor verhoging van het bebouwingspercentage zijn verkend, voordat een erfvergroting aan de orde kan komen. De erfvergroting dient verband te houden met de agrarische bedrijfsvoering. Daarbij wordt de voorwaarde gesteld dat de erfbeplanting hersteld wordt en dat de verkeersafwikkeling op het erf en op de openbare weg veilig is.

Beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied

De provinciale beleidsregel 'Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008' is van toepassing op perceelsgebonden ontwikkelingen in het agrarisch gebied. Het landelijk gebied van Flevoland heeft voor een groot deel een agrarische functie. Ontwikkelingen in de landbouwsector maken het wenselijk meer ruimte te bieden aan kleinschalige niet-agrarische of agrarisch aanverwante functies en vergroting van (voormalige) agrarische bouwpercelen, voor zover deze de bestaande activiteiten en functies niet hinderen, niet leiden tot verstedelijking van het landelijk gebied en landschappelijk, milieutechnisch en verkeerskundig goed worden ingepast. Daarbij dienen de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw behouden te blijven of verder versterkt te worden.

Bij vergroting van het agrarisch bouwperceel moet aangetoond zijn dat de uitbreiding binnen het bestaande bouwperceel niet mogelijk is. Tevens moet aangetoond zijn dat uitbreiding noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering en dat de toekomst van het agrarisch bedrijf voldoende gewaarborgd is. Tot slot mogen bij vergroting van het bouwperceel de landschappelijk en cultuurhistorische kernkwaliteiten niet aangetast worden. Erfsingels moeten behouden of hersteld worden en de vorm van het perceel moet passen in het landschap.

Conclusie provinciaal beleid

De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de voorwaarden die de provincie voor het uitbreiden van agrarische bedrijven stelt en past binnen de kaders van de beleidsregel 'Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied'. Het staat vast dat de uitbreiding niet past binnen het huidige bouwperceel en in 2 is de bedrijfstechnische noodzaak beschreven. De toekomst van het bedrijf staat niet ter discussie. Ook worden er geen landschappelijke en/of cultuurhistorische kwaliteiten aangetast. Tevens is sprake van een goede verkeerskundige inpassing (zie hiervoor ook paragraaf 2.3) Dit project is dus in overeenstemming met het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

Bestemmingsplan Buitengebied 2009

Het geldende bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Lelystad vormt een uitvoeringskader voor het gemeentelijk beleid ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied.

In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de gewenste bedrijfsontwikkeling. In paragraaf 2.3 is deze ontwikkeling getoetst aan de voorwaarden die hiervoor gelden. Dit wijzigingsplan past binnen de kaders van het bestemmingsplan.

Welstandsnota 2015

Het welstandsbeleid in de gemeente Lelystad is vastgelegd in de Welstandsnota 2015. De Welstandsnota is vastgesteld om de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te bewaren. Tevens is de nota opgesteld om bouwplannen op een inzichtelijke en heldere wijze te kunnen toetsen aan redelijke eisen van welstand. Ook is het ruimtelijk kwaliteitsbeleid opgenomen. Hierin is opgenomen wanneer vrijwillige welstand mogelijk is en wanneer beperkte en volledige welstand essentieel. Voorts is opgenomen wat welstandsvrije gebieden en objecten zijn.

De gemeente heeft gebieden en objecten aangewezen waarvoor geen redelijke eisen van welstand gelden. Dit geldt onder andere voor het buitengebied. Dit omdat het bestemmingsplan is voorzien van regulering van de bebouwing binnen duidelijk gestelde kaders. Uitbreidingen van erven mogen alleen binnen bestaande groensingels plaatsvinden. Hierdoor is het niet meer noodzakelijk om aan de bouwwerken nog extra welstandseisen op te leggen. De bouwwerken hebben immers door de groensingels geen grote invloed op de landelijke omgeving.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Ter bescherming van de kwaliteit van de (leef)omgeving wordt naast specifieke (milieu)wetgeving de ruimtelijke ordening ingezet. In de volgende paragrafen worden deze aspecten per thema onderzocht.

4.1 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Een richtafstand kan worden beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Voor een akkerbouwbedrijf (milieucategorie 2) geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van milieugevoelige functies. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie van derden betreft een woning die op ruim 200 meter afstand staat. Daarmee is er sprake is van een verantwoorde milieuzonering. Bovendien betreft het een bestaand bedrijf, waarvan de uitbreiding niet plaatsvindt in de richting van de woning van derden.

4.2 Wegverkeerslawaai

In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt tussen geluidgevoelige functies enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Indien een geluidsgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt en binnen de zone van een weg, spoorweg of een industriegebied ligt, dient onderzocht te worden of voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde.

Dit wijzigingsplan stelt geen nieuwe geluidsgevoelige functies voor. Er ontstaan dan ook geen strijdigheden met de Wgh. Wat betreft geluid zijn dan ook er geen belemmeringen voor dit wijzigingsplan.

4.3 Water

Vanwege het grote belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke procedure geworden.

Proces van de watertoets

Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Zuiderzeeland (kenmerk: 20181122-37-19284). Voor de ontwikkeling wordt de normale watertoetsprocedure doorlopen. Hiervoor heeft het waterschap een wateradvies opgesteld. Deze is als bijlage aan de toelichting toegevoegd. Bij de uitvoering van het plan wordt hiermee rekening gehouden.

Thema veiligheid

Het plangebied ligt niet in een keurzone van de waterkering en ligt ook niet buitendijks. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Thema Voldoende Water

Voor projecten geldt het principe 'waterneutraal bouwen' als uitgangspunt. Dit wil zeggen dat, wanneer het verhard oppervlak toeneemt, compenserende maatregelen worden genomen om piekafvoeren op te vangen. In dit geval neemt het verhard oppervlak ten opzichte van de vergunde situatie toe. In het kader van dit project zijn daarom compenserende maatregelen noodzakelijk.

De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013.

Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Het verhard oppervlak, inclusief wegverharding, neemt als gevolg van deze ontwikkeling netto met circa 1.900 m2 toe. Echter hebben zich sinds 2013 nog meer ruimtelijke ontwikkelingen plaatsgevonden, waardoor het verhard oppervlakte is toegenomen. Deze toename aan verharding is niet gepaard met watercompensatie. In het wijzigingsplan (NL.IMRO.0995.WP00000-CO01) uit 2014 is een toename van het verhard oppervlakte van 1.400 m2 opgenomen voor de bouw van een bewaring die nog niet is gecompenseerd.

De totale netto toename van het verhard oppervlakte sinds 2013 is volgens deze plannen daarom 1.400 m2 plus 1.900 m2 is 3.300 m2. Dit is meer dan 2.500 m2, waardoor compensatie noodzakelijk is. Het plangebied ligt in een peilgebied waar een bergingsnorm van 5% geldt. De vereiste compensatie is 5% x 3.300 m2 =165 m2 oppervlakte water zoveel mogelijk in open verbinding met het watersysteem (bijvoorbeeld kavelsloten of wegsloten).

De noodzakelijke compensatie in de vorm van nieuw oppervlakte water kan worden gerealiseerd aan de zijkant en achterzijde van het perceel. De benodigde compensatie voor deze toename wordt meegenomen in de watervergunning aanvraag in het kader van de Waterwet en Keur waterschap Zuiderzeeland 2017.

Goed functionerend watersysteem (WF)

Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) verslechtert door het plan niet. Ook het streefpeil blijft ongewijzigd. Het plan heeft geen nadelige gevolgen voor (grond)water in de omgeving.

Schoon water

Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar de realisatie van een ecologisch gezond watersysteem. Binnen het projectgebied komen geen watergangen voor. Van het natuurvriendelijk inrichting van oevers is geen sprake. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt.

Het hemelwater afkomstig van verharde oppervlakten wordt afgewaterd op bestaand oppervlaktewater of de bestaande riolering.

Afvalwater

Voor de afvoer van afvalwater in de betaande situatie wordt gebruik gemaakt van de bestaande voorziening. De afvoer neemt als gevolg van dit project niet significant toe. In het nieuw te realiseren gebouw (ook het deel dat gerealiseerd is in 2015) zijn geen voorzieningen aanwezig die zorgen voor afvalwater, nog bedrijfsmatig nog huishoudelijk. Al het water kan als schoon beschouwd worden.

Proces

Vanwege de mogelijke invloed van het plan op de waterhuishouding wordt de normale procedure voor de watertoets doorlopen. Dit betekent dat er over dit plan nader overleg met het waterschap plaatsvindt. Bij de uitvoering van het plan wordt rekening gehouden met de randvoorwaarden die het waterschap stelt.

4.4 Bodem

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de functie.

De overkapping bevat geen vaste verblijfsruimten voor mensen. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het plan veroorzaakt geen risico's voor de volksgezondheid. Als toch verblijfsruimten voor mensen worden voorgesteld (verblijf langer dan 2 uur per dag) wordt in het kader van de vergunningaanvraag een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

4.5 Cultuurhistorie

De rol van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening is de laatste jaren sterk toegenomen. Bij het opstellen van plannen moeten cultuurhistorische waarden tijdig in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van bestemmingsplannen. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

Binnen het plangebied is geen sprake van specifieke cultuurhistorische waarden. Wel kunnen de structuren in het landschap als cultuurhistorisch waardevol worden aangemerkt. De ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze structuren. In het inrichtingsplan is op de aanwezige landschapsstructuur aangesloten. Het is ook niet noodzakelijk om nadere regels te stellen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

4.6 Archeologie

In de Erfgoedwet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

De gemeente Lelystad heeft zijn archeologisch beleid vastgelegd in de ‘Archeologische Monumentenzorg in Lelystad’. Dit beleid is vertaald naar een beschermende regeling in het bestemmingsplan. Voor het plangebied geldt geen bescherming. Het is daarom niet noodzakelijk om archeologisch onderzoek uit te voeren.

Wel is door de dichtheid aan scheepswrakken alertheid tijdens grondwerk geboden. Bij aantreffen van archeologische resten geldt een meldplicht en moeten passende maatregelen worden getroffen in overleg met het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is in eerste instantie vertegenwoordigd door Nieuwland Erfgoedcentrum.

4.7 Ecologie

In het wijzigingsplan dient rekening te worden gehouden met het beleid en de wetgeving ten aanzien van de natuurbescherming. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Uitgangspunt is dat met beiden geen strijdigheid ontstaat.

Gebiedsbescherming

De bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Indien ontwikkelingen (mogelijk) negatieve effecten op de natuurwaarden binnen deze gebieden hebben, moet een vergunning worden aangevraagd. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van de Natuur Netwerk Nederland (NNN).

Het plangebied ligt niet in een beschermd natuurgebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden betreffen het Markemeer & IJmeer en de Oostvaardersplassen, die op minimaal 10 kilometer afstand liggen. Ook ligt het plangebied niet nabij gebieden die deel uitmaken van de NNN. De dichtstbijzijnde NNN-gebieden liggen op circa 2,4 kilometer.

Gezien de aard en de omvang van de voorgestelde ontwikkelingen en de afstand van het plangebied tot beschermde gebieden, kan worden gesteld dat dit wijzigingsplan geen (significante) effecten op de natuurwaarden in de omgeving heeft.

Soortenbescherming

De soortenbescherming vindt primair plaats via de nieuwe Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet mogen geen beschermde planten en dieren (en hun verblijfplaatsen), die in de wet zijn aangewezen, worden verstoord. Voor soorten die vermeld staan op Bijlage IV, zoals vleermuizen, van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst soorten is een zware bescherming opgenomen. De verblijfplaatsen van beschermde soorten mogen niet negatief worden beïnvloed door bouwactiviteiten.

De uitbreiding van het bedrijf vindt plaats op intensief beheerde akkerbouwgrond aansluitend op het bestaande bedrijfserf. Deze gronden vormen geen waardevol habitat voor beschermde soorten. Vaste verblijfplaatsen zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Bovendien worden er als gevolg van dit wijzigingsplan geen gebouwen gesloopt, bomen gekapt of sloten gedempt. Het plan veroorzaakt dan ook geen strijdigheden met de Wet natuurbescherming.

Voor alle soorten blijft de algemene zorgplicht van kracht. Bij verstoring van dieren moeten deze de gelegenheid krijgen te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.

4.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen.

In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied zich niet binnen de zones van risicovolle inrichtingen of verkeersroutes bevindt. Wel liggen in de omgeving enkele agrarische bedrijven waarbij de opslag van brandstoffen plaatsvindt. Dit heeft voor het wijzigingsplan geen gevolgen.

Er worden geen nieuwe kwetsbare objecten voorgesteld. In principe neemt het aantal personen binnen het plangebied niet toe, waardoor er geen effecten op de externe veiligheidssituatie bestaan. Het aspect externe veiligheid vormt voor dit wijzigingsplan dan ook geen beperking en aanvullend onderzoek kan achterwege blijven.

4.9 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken. De ontwikkeling vindt plaats in het landelijk gebied, waar in algemeenheid sprake is van een hoge luchtkwaliteit. Het is niet te verwachten dat dit project een overschrijding van een grenswaarde tot gevolg heeft.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur “NIBM”) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten als deze niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een project komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Alleen bij een toename van enkele honderden verkeersbewegingen per dag wordt hier niet aan voldaan. De beperkte, perceelsgebonden ontwikkeling heeft een dergelijk toename niet tot gevolg. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.10 Kabels, leidingen en zoneringen

In of nabij het plangebied lopen geen leidingen of kabels die voorzien moeten worden van een planologische regeling.

Hoofdstuk 5 Juridische regeling

5.1 Systematiek

Het wijzigingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om ruimtelijke plannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe plannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit wijzigingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden.

5.2 Verbeelding

Het wijzigingsplan Lelystad - Lisdoddeweg 39 (2019) gaat vergezeld van een verbeelding. Op deze verbeelding is het plangebied met de toekomstige bestemming weergegeven. Voor dit gebied vervangt het wijzigingsplan de bestemming van de gronden in het bestemmingsplan.

Na onherroepelijk worden van het wijzigingsplan maakt de verbeelding deel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Regels

De regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan, zoals vervat in de bestandenset met planidentificatie: NL.IMRO.0995.BP00038-VG02 met de bijbehorende regels (en bijlagen) zijn onverkort van toepassing op dit wijzigingsplan.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een wijzigingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het wijzigingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen procedure. Het ontwerpwijzigingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode is voor een ieder de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Het college van Burgemeester en Wethouders heeft het wijzigingsplan vervolgens op 15 april 2019 vastgesteld. Tegen het besluit is beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Dit wijzigingsplan heeft betrekking op een particulier initiatief waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. De uitvoeringskosten worden gedragen door de initiatiefnemer. De kosten met betrekking tot het opstellen van het wijzigingsplan en daaraan verwante kosten worden verhaald via de leges van de gemeente. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor wordt een planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hiermee is de economische haalbaarheid voldoende gewaarborgd en uitvoerbaar geacht.

6.3 Grondexploitatie

Doel van de in de Wro opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Er wordt uitgegaan van kostenverhaal via de publiekrechtelijke weg: in een exploitatieplan. Daarnaast kan de gemeente in een exploitatieplan eisen en regels stellen ten aanzien van de desbetreffende gronden, woningbouwcategorieën en fasering. In het voorliggende plan is er op basis van artikel 6.2.1 Bro sprake van een bouwplan. In beginsel dient daarom een grondexploitatieplan te worden opgesteld.

Er is sprake van een particulier initiatief. Hierbij spelen geen bovenplanse kosten en ook is geen sturing in fasering en dergelijke nodig. Daarom besluit de gemeente om geen grondexploitatieplan vast te stellen.