| Plan: | Wijzigingsplan Zeebiesweg 48 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0995.WP00013-VG01 |
Voorliggend plan betreft een wijziging op het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" van de gemeente Lelystad ten behoeve van de uitbreiding van een akkerbouwbedrijf met een nieuwe loods voor de bewaring van winterpeen en rode bieten aan de Zeebiesweg 48 te Lelystad.
In hoofdstuk 2 wordt het initiatief verder toegelicht en daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen.
De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om op de bedrijfslocatie over voldoende capaciteit te beschikken voor de opslag van producten die in eigen beheer zijn geteeld.
De voorgenomen ontwikkeling is strijdig met de regels uit het vigerende bestemmingsplan. Echter, omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is, wordt door de gemeente in principe medewerking verleend. Middels voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking kan worden verleend op basis van onderzoeken en waarom dat kan in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De planlocatie is gelegen aan de Zeebiesweg ten zuiden van Lelystad. Aan de overzijde van de weg is het Larserbos gelegen. De betreffende locatie is kadastraal bekend onder gemeente Lelystad, sectie I, nummers 432, 433 en 595. In de volgende figuur is de topografische ligging van de planlocatie weergegeven.
Topografische kaart.
Bron: www.opentopo.nl
De locatie is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009". De nieuwe bedrijfsbebouwing is gedeeltelijk gelegen buiten het bouwvlak. Hierdoor is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk.
Dit plan is als volgt opgebouwd:
In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt het voorgenomen initiatief behandeld.
De planlocatie is gelegen aan de Zeebiesweg en is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Lelystad. De locatie is gelegen aan een polderweg. In de omgeving zijn hoofdzakelijk landbouwbedrijven gelegen. Aan de overzijde van de weg ligt een natuurgebied waarin een tweetal recreatiebedrijven zijn gelegen.
De planlocatie bestaat in de huidige situatie uit een agrarisch erf. De bebouwing bestaat uit een bedrijfswoning en een landbouwschuur. Deze domeinschuur is kort geleden voorzien van een nieuw dak. Het betreft de oorspronkelijke bebouwing die na ontpoldering van het gebied is opgericht.
Het huidige bouwvlak ter plaatse is 0,68 hectare groot. In de volgende figuur is de huidige situatie in een tekening weergegeven.
Huidige situatie
Bron: DLV Advies
De initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie een nieuwe landbouwschuur te realiseren ten noorden van de bestaande bebouwing. Deze schuur zal worden ingericht voor de opslag van:
Tenslotte wordt de mogelijkheid gerealiseerd om binnen te kunnen laden en lossen. Daarbij wordt het bestaande plein voor de opslag van de suikerbieten verplaatst, omdat op die locatie de nieuwe schuur wordt gebouwd.
De nieuwe schuur heeft een oppervlakte van 1.245 m². Er wordt 1.200 m² nieuwe erfverharding aangebracht. Doordat door de bouw ook een deel erfverharding vervalt van 760 m² bedraagt de toename van verhard oppervlak 1.685 m².
In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven.
Gewenste situatie
Bron: DLV Advies
Bij het uitwerken van het bouwplan bleek de wens om door te bouwen in de huidige kaprichting niet passend. Vooral het verlengen van de domeinschuur is een lastige, de huidige kapvorm overnemen is immers geen optie. Daarom is er voor gekozen om een nieuw gebouw te realiseren dat haaks op de bestaande bebouwing staat. Naast de nokrichting is ook de bouw- en goothoogte van belang. Voor een kistenbewaring is een goothoogte nodig van 8,40 meter. Met een gangbare dakhelling bedraagt de nokhoogte ruim 13 meter.
Het huidige bouwvlak is niet groot genoeg om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Hierdoor is het wenselijk het bouwvlak te vergroten. De gewenste omvang van het nieuwe bouwvlak bedraagt ongeveer 0,93 hectare.
Bij nieuwe ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Voor deze ontwikkeling wordt de houtsingel aan de westzijde van het erf doorgetrokken langs de nieuwe bebouwing. De noordelijke grens van het nieuwe erf wordt eveneens voorzien van een inpassing door middel van een houtsingel. De singels worden 6 meter breed. Het assortiment wordt afgestemd op de bestaande singel. De solitaire bomen aan de oostzijde van het erf blijven behouden. Hiermee kan worden gesteld dat sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
Op 13 maart 2012 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen, om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de SVIR maakt het Rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsdomein en welke instrumenten voor deze belangen door de Rijksoverheid worden ingezet.
Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen. De Rijksoverheid brengt het aantal procedures en regels stevig terug en brengt eenheid in het stelsel van regels voor infrastructuur, water, wonen, milieu, natuur en monumenten. Het Rijk wil de beperkte beschikbare middelen niet versnipperen. Het investeert dáár waar de nationale economie er het meest bij gebaat is, in de stedelijke regio’s rond de main-, brain- en greenports inclusief de achterlandverbindingen. Om nieuwe projecten van de grond te krijgen zoekt het Rijk samenwerking met marktpartijen en andere overheden.
Zo lang er geen sprake is van een nationaal belang zal het rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen dus aan de provincies en gemeenten overlaten. De uitgangspunten uit de SVIR zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de belangen uit de SVIR dient daarom verder getoetst te worden aan het Barro. Verdere toetsing aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet.
In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen.
In het Barro wordt een aantal projecten die van nationaal belang zijn genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Bij deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.
Het grondgebied van provincie Flevoland is opgedeeld in verschillende soorten gebieden, waarvoor elk eigen beleidsuitgangspunten van toepassing zijn. In het Omgevingsplan is het integrale omgevingsbeleid van de provincie Flevoland voor de periode 2006-2015 neergelegd, met een doorkijk naar 2030. Het Omgevingsplan is een samenbundeling van de vier wettelijke plannen op provinciaal niveau: Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan. Door de vier plannen in één integraal plan samen te voegen, zijn de hoofdlijnen van het beleid van de provincie Flevoland compact en is de samenhang tussen de diverse beleidsterreinen het best gewaarborgd. De belangrijkste punten worden vervolgens hieronder aangegeven.
Vitaliteit van het landelijk gebied
Het landelijk gebied moet vitaal blijven. Ook in Flevoland is sprake van verdergaande schaalvergroting en herstructurering van de landbouw. De provincie wil agrarische bedrijvigheid die zich primair richt op duurzame productie (en verwerking) van landbouwproducten optimale ontwikkelingskansen geven.
Landbouw
De landbouw verandert in een hoog tempo van een beschermde en ondersteunde sector naar een sector die moet concurreren op de wereldmarkt. Bedrijven reageren hierop met schaalvergroting, specialisatie, intensivering en een verschuiving van akkerbouw naar veehouderij. Ook zijn er bedrijven die oplossingen zoeken in verbreding van de bedrijfsvoering, zoals verwerking van agrarische producten, het telen van energie- of andere gewassen, mestvergisting, recreatie en toerisme. De provincie wil de agrarische sector in haar verdere ontwikkeling faciliteren en ondersteunen, zodanig dat er een duurzame, vitale landbouwsector ontstaat en er meer mogelijkheden ontstaan voor de ontwikkeling van andere economische functies in het landelijk gebied. Op vergroting van agrarische bouwpercelen is de beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied van toepassing.
Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008
De Provincie Flevoland heeft op 17 juni 2008 de beleidsregel “kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied” vastgesteld. Met deze beleidsregel geeft de provincie aan op welke wijze zij omgaat met de uitgangspunten zoals die in het Omgevingsplan Flevoland 2006 zijn geformuleerd met betrekking tot kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied. Voor een vitaal en duurzaam platteland wil de
provincie meer ruimte bieden aan nieuwe kleinschalige niet agrarische en agrarisch aanverwante functies en aan de vergroting van (voormalige) agrarische bouwpercelen.
In deze beleidsregel is aangegeven dat vergroting van het agrarische bouwperceel mogelijk is, mits er
aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Dit betreffen de volgende voorwaarden:
Ook dienen bij vergroting van het bouwperceel de landelijke en cultuurhistorische kwaliteiten behouden
blijven. De voorwaarden voor vergroting van het bouwperceel zijn door de gemeente in het bestemmingsplan buitengebied opgenomen en worden daarom in paragraaf 3.3.1 verder behandeld. Uit deze paragraaf blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan.
Op de planlocatie is het beleid uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" van de gemeente Lelystad, vastgesteld door de gemeenteraad op 16 februari 2010 , van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is de planlocatie aan de Zeebiesweg 48 gelegen in een gebied met de bestemming 'Agrarisch'. Tevens is op de planlocatie de gebiedsaanduiding 'geluidszone - vliegverkeer 1' van toepassing.
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan.
Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl
In onderhavige situatie is sprake van een uitbreiding van een akkerbouwbedrijf. De voorgenomen ontwikkeling kan mogelijk worden gemaakt met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid uit het vigerend bestemmingsplan. Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn voorschriften verbonden waaraan het plan moet voldoen. De wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 3.5.2 luidt als volgt:
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan zodanig te wijzigen, dat de op de gronden als bedoeld in lid 3.1, aangegeven bouwgrens elders op die gronden wordt aangegeven, met inachtneming van de volgende bepalingen:
Ad. 1:
De initiatiefnemer heeft aan de Zeebiesweg 48 een akkerbouwbedrijf van 52,5 ha groot. In tegenstelling tot veel andere bedrijven heeft dit bedrijf een klein erf van 0,73 ha en slechts één grote werktuigenberging. Voor een modern akkerbouwbedrijf is dit te klein.
Sinds enkele jaren teelt is het bedrijf volledig biologisch. Deze teeltmethode zorgt voor meer variatie in de gewassen. Enkele jaren geleden is daarom voor de opslag van de uien een bewaarplaats gebouwd. Dit is echter onvoldoende om alle producten op te slaan. Daarom is initiatiefnemer voornemens om voor de opslag van rode bieten en winterpeen een nieuwe schuur te bouwen. Voor deze bewaarcellen komt tevens een ruimte waarin het product kan worden verladen en eventueel verwerkt. Deze ruimte kan ook dienen voor de kortdurende opslag van bijvoorbeeld aardappelen en de stalling van machines. Door de bouw van de nieuwe schuur, moet het erf wat achter de huidige schuren ligt worden verschoven. Dit erf wordt gebruikt als manoeuvreerruimte, voor de tijdelijke opslag van suikerbieten en van lege kisten.
De nieuwe bebouwing is hiermee noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.
Ad. 2:
De waarde zoals beschreven in de bestemmingsomschrijving bestaat ter plaatse van het plangebied uit het cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatroon. Doordat de nieuwe bebouwing in het verlengde van de bestaande bebouwing wordt gesitueerd wordt dit verkavelingspatroon niet onevenredig aangetast. De bebouwing in de omgeving kenmerkt zich door een nokrichting die evenwijdig of haaks op de verkavelingsrichting staat. Bovendien zijn er erven waar beide nokrichtingen voorkomen. De in dit plan gekozen nokrichting van de nieuwbouw haaks op de verkaveling en de nokrichting van de bestaande bebouwing past dus ook binnen het gebied en benadrukt de verkaveling.
Ad. 3:
De nieuwe bebouwing wordt volledig gesitueerd binnen het bouwvlak. Ook de bestaande bebouwing blijft binnen het bouwvlak liggen.
Ad. 4:
De huidige oppervlakte van het bouwvlak bedraagt 0,68 hectare. Na de vergroting bedraagt de oppervlakte ongeveer één hectare. De oppervlakte blijft hiermee ruimschoots onder de maximale omvang van 2,5 hectare.
Ad. 5:
De nieuwe loods wordt aan de oostzijde voorzien van een ruime ingang met schuifdeuren. Tussen de bebouwing en de perceelsgrens is een strook erfverharding gelegen met een breedte van ruim 20 meter. Dit geeft landbouwvoertuigen en vrachtverkeer voldoende ruimte om te manoeuvreren. Op het erf en binnen de nieuwe bebouwing is voldoende parkeer- en stallingsruimte aanwezig.
Ad. 6:
De bestaande houtsingel aan de westzijde van het bedrijf wordt in noordelijke richting doorgetrokken. Daarnaast wordt de noordelijk grens van het erf ook ingepast met een houtsingel. In de huidige situatie is hier nog geen beplanting aanwezig. De bebouwing komt ruim 8 meter uit het hart van de sloot te liggen. De breedte van de singel wordt 6 meter.
Ad. 7:
Deze waarde komt binnen het plangebied niet voor. Overigens wordt de nieuwe bebouwing ook niet naast maar achter de bestaande bedrijfsbebouwing gesitueerd.
Aan de voorschriften uit de wijzigingsbevoegdheid kan met de voorgenomen ontwikkeling worden voldaan. Hiermee kan toepassing worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid zoals gesteld in artikel 3.5.2 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" van gemeente Lelystad conform artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
De gemeenteraad van Lelystad heeft in januari 2014 de 'Structuurvisie Lelystad 2023' vastgesteld. Het is een actualisatie van het uit 2005 daterende 'Structuurplan Lelystad 2015. Bij de uitwerking van het structuurplan worden toekomstige ontwikkelingen in het buitengebied afgestemd met het oorspronkelijke landschapsontwerp voor Oostelijk Flevoland. De agrarische functie handhaven en in stand houden van duurzame en concurrerende landbouw. De ontwikkeling die in dit plan mogelijk wordt gemaakt draagt bij aan het behoud van de akkerbouw in het gebied. Door de omschakeling naar biologische teelten is er bovendien sprake van een duurzame bedrijfsvoering. Dit sluit goed aan op de doelstellingen uit de structuurvisie.
De uitvoerbaarheid van een wijzigingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 lid 1 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Van de ruimtelijke- en milieuaspecten wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in het volgende hoofdstuk behandeld. De toets aan het beleid is in het vorige hoofdstuk al aan de orde gekomen.
De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van het plan inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen bestemmings- en/of functiewijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat.
Hierbij dient eerst inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. De gronden waarop de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt is agrarisch in gebruik als. Uit ervaring blijkt dat deze gronden nagenoeg altijd schoon zijn, mits geen boomgaarden aanwezig zijn geweest en geen sloten zijn gedempt. In onderhavig geval is geen sprake van gedempte sloten en/of aanwezige boomgaarden, ook niet in het verleden. Tevens zijn op de locatie, zowel in de huidige situatie als in het verleden, geen bodemverontreinigende activiteiten bekend. Hiermee kan worden aangenomen dat de locatie waarschijnlijk schoon is, waarmee geen sprake is van een verwachtte verontreiniging.
Bovendien is de beoogde bebouwing niet bedoeld om lang in te verblijven. De gebouwen worden immers in gebruik genomen voor de stalling van machines, opslag van landbouwproducten en lege fusten.
Hiermee kan worden gesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse de voorgenomen bestemmingswijziging niet in de weg zal staan.
Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en –gevoelige functies dient twee doelen:
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfsgebouw voor een bestaand akkerbouwbedrijf opgericht. In de VNG handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering' zijn ten aanzien van een akkerbouwbedrijf richtafstanden opgenomen ten aanzien van geluid, geur, fijn stof en gevaar. Als binnen deze afstanden gevoelige objecten gelegen zijn veroorzaakt de voorgenomen ontwikkeling hinder aan deze gevoelige objecten en zullen maatregelen getroffen moeten worden deze hinder te beperken.
De grootste richtafstand uit de VNG handreiking bedraagt 30 meter (voor geluid). Het dichtstbijzijnd gevoelig object bevindt zich op ongeveer 430 meter van de planlocatie (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Hiermee is het dichtstbijzijnd gevoelig object ver genoeg van de planlocatie gelegen en wordt door de voorgenomen ontwikkeling geen hinder veroorzaakt.
Als bij een inrichting nieuwe gevoelige objecten worden opgericht in het kader van geur, geluid, luchtkwaliteit of externe veiligheid, dan mag dit gevoelig object geen hinder ondervinden van eventueel omliggende hinder veroorzakende inrichtingen. Tevens mag de ontwikkeling van een nieuw gevoelig object geen belemmering zijn van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bestemmingen.
Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen gevoelige objecten opgericht in het kader van geluid, geur, luchtkwaliteit en/of externe veiligheid. Hiermee zal op de planlocatie geen hinder ondervonden worden van eventueel omliggende bedrijven en/of inrichtingen en zullen geen bedrijven en/of bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Binnen het plangebied is een akkerbouwbedrijf. Er is geen geurhinder te verwachten.
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. De wet vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. Met name paragraaf 5.2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per m3 (µg/m3) voor fijn stof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit.
In onderhavig geval zal het aantal verkeersbewegingen slechts beperkt toe kunnen nemen nabij het plangebied doordat de opslagcapaciteit van de locatie toeneemt. Gelet op de beperkte schaal van het project is er echter hierdoor geen verslechtering van de luchtkwaliteit te verwachten die 'in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Naast effecten op de omgeving moet ook onderzocht worden of ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling een goed woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. Hierbij is het van belang te kijken naar de feitelijke luchtkwaliteit ter plaatse. Dit is echter alleen van belang als gevoelige objecten in het kader van de luchtkwaliteit worden opgericht.
In onderhavig geval is geen sprake van het oprichten van een gevoelig object in het kader van de luchtkwaliteit. Hiermee kan verdere toetsing achterwege blijven.
Hiermee zijn ten aanzien van luchtkwaliteit geen belemmeringen te verwachten.
De mate waarin het geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen:
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
In deze situatie is sprake van een uitbreiding van een akkerbouwbedrijf. Mogelijke geluidsbronnen zijn vracht- en landbouwverkeer en de ventilatoren op de bewaarplaatsen. Gelet op de schaal van het project en de aanzienlijke afstand tot woningen van derden of andere geluidsgevoelige functies zijn geen effecten te verwachten.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten, dient de invloed van deze aspecten in beeld te worden gebracht. Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen, zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.
Plaatsgebonden Risico (PR)
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen bestemmingen voor kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde, waarvan alleen gemotiveerd mag worden afgeweken.
Groepsrisico (GR) en invloedsgebied
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1% letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet ‘op de kaart’ worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat er geen risicobronnen in de omgeving zijn gelegen die relevant zijn voor de bestemmingswijziging (de locatie ligt buiten de PR 10-6 contour van Lelystad Airport).
Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Uit dit besluit blijkt dat toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst ontoereikend is om de vraag te beantwoorden of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld. Deze handreiking geeft aan hoe moet worden vastgesteld of een activiteit, met een omvang onder de drempelwaarde, toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kan een van twee onderstaande conclusies volgen:
of
In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.(-beoordelings)-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. Die toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EU-richtlijn milieubeoordeling projecten.
Dit plan voorziet in de uitbreiding van een akkerbouwbedrijf. Een akkerbouwbedrijf is niet beoordelingsplichtig in het kader van de m.e.r.. In de toetsing van haalbaarheidsaspecten in deze toelichting komen ook geen effecten op te beschermen waarden in of in de omgeving van het plangebied naar voren op basis waarvan om andere reden een m.e.r. wenselijk of noodzakelijk zou zijn. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de ontwikkeling die met dit plan wordt mogelijk gemaakt in voldoende mate is afgewogen en geen nadelige effecten zijn te verwachten, waarmee de voorgenomen ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de (mogelijke) natuurwaarden. Daartoe wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. Sinds 1 oktober 2005 zijn hierin ook de bepalingen vanuit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn, aangevuld met de vroegere Beschermde- en Staatsnatuurmonumenten en het Verdrag van Ramsar verwerkt. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
Naast deze drie soorten gebieden is er de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur ((P)EHS) die in het kader van de gebiedsbescherming van belang is. De (P)EHS is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland. Zij bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
Het plangebied is niet gelegen in één van de hierboven beschreven beschermde gebieden. Aangezien er geen sprake is van een veehouderij met ammoniakemissie ten gevolge van het houden van dieren zijn er ook geen externe effecten op bijvoorbeeld Natura2000 gebieden door stikstofdepositie te verwachten.
Aan de overzijde van de Zeebiesweg is ter hoogte van het plangebied het Larserbos gelegen. Dit bosgebied maakt onderdeel uit van de EHS. Het Larserbos is een multifunctioneel loofbos waarin een aantal recreatieve voorzieningen is aangelegd, waaronder een tweetal bungalowparken (buiten EHS-begrenzing). Het bos wordt doorsneden door de Reigertocht en een aantal fiets- en wandelpaden. De zuidzijde van het Larserbos grenst aan de Larservaart en de Larsertocht. In het gebied is een grote waterpartij aangelegd (zandwinplas), die in open verbinding staat met de Larservaart. Verspreid langs deze waterpartij zijn, ten behoeve van de recreatie, strandjes aangelegd. Van deze strandjes wordt veel gebruik gemaakt door recreanten.
Het EHS-gebied Larserbos levert met betrekking tot bosvogels, struweelvogels en vleermuizen een belangrijke bijdrage aan de doelstelling van de EHS. Het bos is van voldoende grootte om levensvatbare populaties van genoemde soortgroepen te herbergen. Tevens vormt het een belangrijke stapsteen in de ecologische verbinding tussen de oostrand van Flevoland en gebieden rond Lelystad. Het Larserbos heeft in de huidige situatie een relatief beperkte betekenis voor planten en voor diergroepen als libellen, amfibieën en reptielen. De oevers en de wateren in het gebied bieden potenties voor Rugstreeppad en Ringslang. Er liggen geen ambities om de beheertypen aan te passen (Bron: Wezenlijke kenmerken en waarden EHS Gemeente Lelystad, A&W rapport 1358 Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden).
De beoogde ontwikkeling van een akkerbouwbedrijf heeft geen negatieve effecten op het Larserbos. De uitbreiding vindt plaats aan de achterzijde van het erf. Ten opzichte van het Larserbos wordt de nieuwe bebouwing door de bestaande afgeschermd. Ook is er geen sprake van het houden van vee wat een vermestende werking zou kunnen hebben op het Larserbos. De toename van verkeersbewegingen is beperkt en zal niet leiden tot een verstoring. De huidige recreatieve activiteiten in het Larserbos hebben een veel groter verstorend effect. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het plan geen negatieve effecten heeft op de EHS.
Sinds 1 april 2002 regelt de Flora- en faunawet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Voor de soortenbescherming geldt dat deze voor elk plangebied geldt. In elk gebied kunnen bijzondere soorten voorkomen en/of elk plangebied kan geschikt zijn voor deze soorten. Voor alle aanwezige flora en fauna geldt de zorgplicht ex artikel 2 van de Flora- en faunawet, die van toepassing is op zowel beschermde als onbeschermde dier- en plantensoorten. Op grond hiervan dient men zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te handelen op een wijze waarop nadelige gevolgen voor flora en fauna kunnen worden voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk worden beperkt of ongedaan worden gemaakt. Hierbij kan worden gedacht aan het tijdig maaien van taluds en het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden buiten het broedseizoen. Bij realisatie van dit project zal deze zorgplicht in acht worden genomen.
In het kader van de soortenbescherming dient beoordeeld te worden wat via het ruimtelijke project wordt toegelaten in aanvulling op wat al mogelijk is. Zo is sloop van bebouwing of het verrichten van werken (maaien, kappen etc.) vaak ook al mogelijk zonder een ruimtelijk besluit in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarmee wordt voorliggend plan echter niet ontslagen van een integrale blik op het totale project: dus inclusief ingrepen die ook zonder het beoogde Wro-besluit mogelijk zijn.
De Flora- en faunawet maakt onderscheid in verschillende categorieën waarin de beschermde soorten flora en fauna zijn onderverdeeld.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt in de volgende categorieën:
Voor mogelijk voorkomende soorten die op lijst 1 van de Flora- en faunawet staan geldt een vrijstelling. Bij het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen is het voor deze soorten niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen.
Voor mogelijk voorkomende soorten die op lijst 2 en/of 3 van de flora- en faunawet staan geldt dat deze ontheffingsplichtig zijn. Het is echter niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen wanneer mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen. Dit houdt in dat maatregelen moeten worden getroffen om mogelijke schade te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken.
Voor mogelijk voorkomende soorten die op de rode lijst van het Ministerie van EL&I staan geldt dat deze soorten, zolang zij niet in een van de andere bijlagen uit de Flora- en faunawet (inclusief Vogel- en Habitatrichtlijn), geen juridische bescherming genieten en dat geen ontheffing nodig is.
Daarnaast zijn voor vogels richtlijnen opgenomen vanuit de Vogelrichtlijn. Alle vogels zijn namelijk beschermd in het kader van de vogelrichtlijn. Werkzaamheden in en in de omgeving van het plangebied tijdens de broedtijd (15 maart -15 juli) zullen sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van reproductie. Werkzaamheden in deze periode zijn dan ook niet toegestaan. Indien broedvogels binnen het broedseizoen worden verstoord, wordt wettelijk gezien geen ontheffing verleend. Buiten het broedseizoen kan wel ontheffing worden verleend.
Tevens zijn voor enkele soorten richtlijnen opgenomen vanuit de Habitatrichtlijn. Voor deze soorten zijn beschermde gebieden aangewezen (Natura 2000). Bescherming van deze soorten vindt plaats door de gebiedsbescherming.
De grond op de planlocatie bestaat voornamelijk uit erfverharding en landbouwgronden en is regelmatig in beroering. Hiermee is het aannemelijk dat zich binnen het plangebied geen beschermde soorten planten bevinden. Binnen het plangebied wordt geen bestaande bebouwing gesloopt. Ten behoeve van het plan worden geen bestaande bomen gekapt of sloten gedempt. De nieuwbouw wordt geplaatst tegen een bestaande schuur.
Hiermee kan worden aangenomen dat met de voorgenomen ontwikkeling geen beschermde plantensoorten worden beschadigd of vernietigd en/of diersoorten verstoort.
Een onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeers- en infrastructuur. Hierbij is het van belang of de voorgenomen ontwikkeling grote veranderingen ten aanzien van verkeer en infrastructuur teweeg brengt.
Een goede ontsluiting is gerealiseerd op de Zeebiesweg. De planlocatie is voorzien van één inrit welke aansluit op de Zeebiesweg. Op het erf kan er gedraaid worden. Hierbij heeft het inkomend en vertrekkend verkeer voldoende ruimte om het bedrijf te betreden en verlaten, waardoor geen onnodige verkeershinder op de openbare weg zal plaatsvinden.
Op het terrein zelf is voldoende gelegenheid voor personenauto's en vrachtwagens om te keren. Hierbij hoeft niet op de openbare weg alsnog gekeerd te worden, waardoor geen achteruit rijdende personenauto's en/of vrachtwagens de openbare weg op hoeven rijden. Dit bevordert de verkeersveiligheid.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen slechts in geringe mate toenemen. Doordat na realisatie van de nieuwe bebouwing meer opslagcapaciteit op de thuislocatie aanwezig is, kan de huur van bewaarplaatsen elders worden beëindigd. Dit leidt weer tot een afname van verkeersbewegingen in een groter gebied doordat de landbouwgronden die het bedrijf in gebruik heeft hoofdzakelijk rond de thuislocatie liggen. Hiermee zal de verkeersdruk op de omgeving en de infrastructuur niet toenemen. Omdat geen sprake is van toename van de verkeersbewegingen zal de verkeersveiligheid ter plaatse ook niet nadelig worden beïnvloed.
Een nieuwe ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben op de bestaande infrastructuur. Hierbij is het van belang de bestaande infrastructuur zoveel mogelijk te behouden en, waar mogelijk, te versterken. Bij de voorgenomen ontwikkeling zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van de bestaande infrastructuur. De infrastructuur in de omgeving is ontworpen op de ontsluiting van landbouwbedrijven en geschikt voor deze functie.
In de huidige situatie vindt het parkeren geheel op eigen terrein plaats. Bij de voorgenomen ontwikkeling is het vereist dat het parkeren ook na realisatie van de plannen geheel op eigen terrein plaatsvindt. Ook na realisatie van de plannen zal er op eigen terrein voldoende gelegenheid zijn voor zowel vracht- als personenauto's om te kunnen parkeren. Hiermee zal parkeren, ook na realisatie van de plannen, geheel op eigen terrein plaatsvinden.
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Deze bescherming is in Nederland wettelijk verankerd in de Monumentenwet. Op basis van deze wet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veilig gesteld kunnen worden en/of het initiatief aangepast kan worden.
De gemeente Lelystad heeft een eigen archeologiebeleid vastgesteld, waarbij de kans op het aantreffen van archeologische resten in de bodem in beeld is gebracht op een archeologische verwachtingskaart. Afhankelijk van de waarde stelt de gemeente voorwaarden voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.
Zoals te zien op de archeologische verwachtingskaart, welke is weergegeven in de volgende figuur, is de planlocatie gelegen in een gebied met een lage verwachtingswaarde.
Archeologische maatregelenkaart
Bron: Gemeente Lelystad
Ten aanzien van gebieden met een lage verwachtingswaarde stelt de gemeente dat geen archeologisch onderzoek nodig is bij nieuwe ontwikkelingen. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van dit wijzigingsplan.
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Met ingang van 3 juli 2003 is een watertoets in de vorm van een waterparagraaf en de toelichting hierop een verplicht onderdeel voor ruimtelijke plannen van provincies, regionale openbare lichamen en gemeenten. De watertoets is verankerd in de Waterwet (Wtw). Dit houdt in dat de toelichting bij het ruimtelijk plan een beschrijving dient te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Dit beleid is voortgezet in het huidige Besluit ruimtelijke ordening.
In dit besluit wordt het begrip “waterhuishouding” breed opgevat. Aangesloten wordt bij de definitie zoals die is opgenomen in de Wtw. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater valt onder de zorg voor de waterhuishouding. Bij de voorbereiding van een waterparagraaf dienen alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten beoordeeld te worden. Naast veiligheid en wateroverlast (waterkwantiteit) zullen ook de gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterkwaliteit en verdroging bezien worden.
Nederland is groot geworden door het leven met en de strijd tegen het water. In de 20e eeuw is, doordat er te weinig rekening is gehouden met het waterbelang, veel ruimte aan het water onttrokken en veel afvalwater direct geloosd op oppervlaktewater. Om de toekomst van Nederland veilig te stellen is het nodig om te anticiperen op klimaatsveranderingen en bij de ruimtelijke planvorming goed rekening te houden met water. De waterbeheerder heeft de taak, kennis en kunde om daar zorg voor te dragen. Daarom is het belangrijk om hem vroegtijdig te betrekken bij de planvorming.
De locatie valt binnen het werkgebied van waterschap Zuiderzeeland.
Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang is, door middel van de Watertoets, sinds 1 november 2003 verankert in het 'Besluit op de ruimtelijke ordening 1985'.
Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat landelijk in de belangstelling. Thema's zoals water in de stad en water als ordenend principe zijn als speerpunten aangegeven in het vigerende beleid zoals vastgelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding (ministerie van V&W), de Nota Ruimte (ministerie van VROM), de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw (WB21), het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), de Handreiking Watertoets (VROM) en het Omgevingsplan Flevoland (Provincie Flevoland).
Het beleid van het Waterschap Zuiderzeeland staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021. Daarnaast is de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijke niveau zijn het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijke Rioleringsplan van belang.
Op Europees, nationaal en stroomgebiedniveau wordt gewerkt aan de Kaderrichtlijn Water (KRW). De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en standstil (geen verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit).
Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën:
Beide strategieën zijn vastgelegd in het Rijksbeleid.
Aan de hand van deze waterparagraaf wordt duidelijk gemaakt hoe het vigerend waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen, hoe met water in dit plan wordt omgegaan en op welke wijze de inrichtingsmaatregelen bijdragen aan 'Veiligheid, Voldoende en Schoon Water'.
De initiatiefnemer heeft Waterschap Zuiderzeeland geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (Geoportaal en e-formulier). De beantwoording van de vragen (zie Bijlage 1) heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets is toegepast.
In het plan zal het bebouwde oppervlak netto toenemen met 1.482 m2. Daarom is de beslisboom uit het Waterkader van Waterschap Zuiderzeeland gevolgd.
De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er nader overleg met het waterschap moet worden gevoerd. Waterschap Zuiderzeeland heeft op het plan gereageerd. Uit de normale procedure is een uitgangspuntennotitie naar voren gekomen (standaard waterparagraaf), welke als Bijlage 2 bij het plan is gevoegd.
Het waterschap heeft per mail van 15 maart 2016 richting de gemeente gereageerd op het wijzigingsplan. Daarbij is aangegeven dat het waterschap geen opmerkingen dan wel aanvullingen heeft ten aanzien van het plan. De voor dit plan van toepassing zijnde beleidsthema's zijn in essentie volledig beschreven en opgenomen in deze waterparagraaf.
Het plan ligt niet buitendijks of in de keurzones van een waterkering. Het is daarom niet te verwachten dat het plan van invloed zal zijn op de veiligheid van een waterkering. Er wordt in het plan geen gebruik gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag.
Binnen het bestemmingsplan bedraagt de toename van het verharde oppervlak in landelijk gebied totaal 1.685 m2. Er zal geen ruimte voor waterberging verdwijnen. De afvoer vanuit het plangebied bedraagt bij een maatgevende bui met een kans van voorkomen van eens per jaar maximaal 1,5 l/s/ha. Het plangebied bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied drooglegging en wateroverlast 2050. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast.
Het waterschap heeft per peilgebied aangegeven hoeveel procent van de toename aan nieuw verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden. Deze peilgebieden zijn in een kaart, zoals in de volgende figuur is weergegeven, in beeld gebracht. Binnen het peilgebied geldt een compensatie-eis van 5% van de toename van het verharde oppervlak ter plaatse. Hierbij geldt een ondergrens van 2.500 m2 bij een kleiner verhard oppervlak is geen compenserende waterberging nodig.
Peilgebieden en noodzakelijke compensatie.
Bron: Waterschap Zuiderzeeland.
Dit plan kent een toename van het verharde oppervlak dat minder is dan 2.500 m2 zodat compensatie voor het verharde oppervlak niet noodzakelijk is.
Het streefpeil in het plangebied bedraagt - 6,20 m NAP. Het streefpeil zal als gevolg van het plan niet veranderen. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren.
Voor het plan is grondwerk nodig. Hierbij dient aansnijden van het zandpakket voorkomen te worden vanwege ongewenste kwel of inzijging. In bepaalde situaties kan de goede kwaliteit van kwelwater benut worden.
Tijdens extreme droge perioden dient het inlaten van water mogelijk te zijn/blijven. De beschikbaarheid van water binnen het plangebied wordt in perioden van extreme droogte bepaald volgens de landelijke verdringingsreeks:
In het beleid van het waterschap wordt gesteld dat compensatie nodig is bij een toename van het verhard oppervlak van 2.500 m2 of meer. In onderhavig geval is geen sprake van een toename van meer dan 2.500 m2, waarmee aanvullende compensatie niet noodzakelijk is.
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van verontreiniging van het oppervlaktewater. Bij de bouw en ontwikkeling worden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt. Er zal geen "vuil water" op het oppervlaktewater worden geloosd.
Om negatieve effecten op de huidige goede waterkwaliteit te voorkomen en waterbesparing te bereiken wordt/worden:
Het regenwater afkomstig van schone oppervlakken wordt geïnfiltreerd of direct afgevoerd naar open water. Het afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd.
Schoon regenwater is:
Indien er binnen het plan wordt afgeweken van bovengenoemde uitgangspunten, wordt verzocht contact op te nemen met de betreffende contactpersoon van Waterschap Zuiderzeeland.
Het hemelwater binnen het plangebied zal niet afgevoerd worden naar de riolering. Het zal geloosd worden op het oppervlaktewater. Het betreft hier alleen schoon regenwater. Het bedrijf ligt niet in een kwetsbaar gebied.
De locatie is voorzien van septictank, waar zowel het afvalwater van de bedrijfswoning en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard op wordt geloosd.
Ten aanzien van water dient bekeken te worden of de planlocatie is gelegen in een gebied waar mogelijk problematiek speelt rondom water. De planlocatie is niet gelegen in een gebied waar mogelijk problemen spelen ten aanzien van water.
Ten aanzien van het hydrologisch neutraal bouwen is het van belang te kijken naar de toename van het verharde oppervlak ter plaatse. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een toename van het verhard oppervlak met meer dan 2.500 m2, waarmee aanvullende compensatie niet noodzakelijk is.
Hiermee kan worden gesteld dat ten aanzien van de wateraspecten geen belemmeringen te verwachten zijn.
Bij de voorbereiding van een nieuw ruimtelijk project dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Onderdeel daarvan is een onderzoek naar de financiële haalbaar van het plan. Een tweede bepaling omtrent het financiële aspect is het eventueel verhalen van plankosten. In principe dient bij vaststelling van het ruimtelijke besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van afdeling '6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan besloten worden geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Het bouwplan is een bij een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) aangewezen bouwplan ex artikel 6.12 Wro. Hierin is het onderdeel grondexploitatie opgenomen. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt naast dit plan een overeenkomst gesloten met betrekking tot hetgeen voortvloeit uit dit onderdeel van de Wro. In deze overeenkomst is opgenomen dat alle gemaakte kosten voor het uitvoeren en doorlopen van de bestemmingsplanprocedure voor rekening van de initiatiefnemer zijn. Gemaakte kosten door de gemeente worden middels het heffen van leges op de initiatiefnemer verhaald zoals is opgenomen in de legesverordening van de gemeente Lelystad.
Verder zal ook eventuele planschade in de overeenkomst worden geregeld. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderzijds verzekerd, waarmee geen exploitatieplan hoeft te worden opgesteld. Hiermee kan worden gesteld dat het plan financieel haalbaar wordt geacht.
Het voorliggend plan betreft een wijziging op het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" van gemeente Lelystad en wordt opgesteld conform de Uniforme Voorbereidingsprocedure conform afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In het kader van deze procedure wordt eenieder tijdens de terinzagetermijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen op het plan in te dienen. Wanneer het plan ter inzage ligt wordt gepubliceerd in de gemeentelijke bladen, op de gemeentelijke website en in de digitale Staatscourant. Tevens wordt het plan voor eenieder digitaal raadpleegbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl.
Het plan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het plan ligt bij de gemeente. Het handhavingsbeleid van de gemeente Lelystad vormt de basis van de handhaving binnen de gemeentelijke grenzen. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen.
Het doel van handhaving is om de bescherming van mens en omgeving te waarborgen tegen ongewenste activiteiten en overlast. In het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regels kan gedacht worden aan bouwen zonder vergunning, bouwen in afwijking van een verleende vergunning en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van een bestemmingsplan of een vrijstelling.
Uitvoering van bestemmingsplannen en wijzigingsbevoegdheden dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met een bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent plan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige regels die goed werkbaar zijn. De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk. Een duidelijke uitleg in de toelichting van het plan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.
Handhaving vindt plaats aan het handhavingsbeleid van de gemeente Lelystad.
Het ontwerp van het 'Wijzigingsplan Zeebiesweg 48' heeft ter inzage gelegen van 24 maart 2016 tot en met 4 mei 2016. Gedurende deze periode is geen zienswijze ontvangen.