| Plan: | Paraplubestemmingsplan Landschapselementen |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0986.BPlandschapelement-VA01 |
De gemeente Voerendaal kenmerkt zich door haar natuur- en landschapswaarden in het buitengebied en gebieden met hoge ecologische waarden.
Natuur en landschap zijn de economische drager voor de agrarische sector en recreatie en toerisme. Daarom moeten deze als basiskapitaal gekoesterd worden, door behoud, herstel, duurzaam beheer en versterking van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteit. De landschapselementen in het buitengebied van Voerendaal leveren daaraan een grote bijdrage.
Afbeelding 1.1: gemeente Voerendaal
De gemeente Voerendaal wenst de bestaande landschapselementen in het buitengebied te behouden en planologisch te borgen. Daarvoor zijn relevante landschapselementen (graften, holle wegen en poelen) in het buitengebied opnieuw geïnventariseerd op aard en situering en worden in onderhavig bestemmingsplan juridisch-planologische vastgelegd door middel van een dubbelbestemming 'Waarde - Landschapselementen'.
Dit bestemmingsplan is een paraplubestemmingsplan of zogenaamd thematische herziening. Dat is een bijzondere variant op een gewoon bestemmingsplan. Een bestemmingsplan herziet of 'vervangt' normaal gesproken het voorheen geldende bestemmingsplan. Daarbij voorziet het nieuwe bestemmingsplan dan in een volledig juridisch-planologisch kader door middel van een verbeelding met bestemmingen en bijbehorende regels. Dit paraplubestemmingsplan heeft echter een ander doel en een andere werking. Het doel van dit bestemmingsplan is uitsluitend het vastleggen van een juridisch-planologische regeling ten aanzien van landschapselementen in het buitengebied van de gemeente Voerendaal, voor zover deze nog niet zijn geborgd in de bestemming 'Natuur' en Natuur-Natuurontwikkeling' in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' en/of in de gemeentelijke bomenverordening.
De opzet van het paraplubestemmingsplan is daarom zodanig dat alle 'onderliggende' bestemmingsplannen én regelingen van kracht blijven. De herziening bestaat uitsluitend uit het toevoegen van een uniforme regeling ten aanzien van landschapselementen aan het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' binnen het plangebied. Voor het overige blijven de vigerende bestemmingsplannen dus gewoon gelden.
Als een gemeente vóór 1 januari 2024 een ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegd, dan blijft het oude recht van toepassing tot het bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan van kracht is. Dit volgt uit artikel 4.6, lid 2, sub a, onder 1, van de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Ow). Het betreft de zogenaamde eerbiedigende werking voor al lopende procedures.
Dit betekent dat een voorbereidingsprocedure voor besluitvorming die in gang is gezet vóór de datum van inwerkingtreding van de Ow (2024-01-01) en waarvan de besluitvorming, inclusief een eventuele beroepsprocedure tegen dat besluit, op die datum nog niet is afgerond, wordt afgewikkeld volgens het oude recht. Met het ‘oude recht’ worden zowel de inhoudelijke als de procedurebepalingen bedoeld die op die besluiten van toepassing zijn. Ongeacht of die vervanging gepaard gaat met geen enkele, slechts geringe of juist ingrijpende wijzigingen, is het voor alle bij de besluitvorming betrokken partijen (inclusief de bestuursrechter) het meest overzichtelijk als de spelregels niet tussentijds worden gewijzigd, ongeacht de fase waarin de besluitvorming zich op de datum van inwerkingtreding van de Ow bevindt (Kamerstukken II, 2017–2018, 34 986, nr. 3, p. 449 en 450).
De Ow koppelt het overgangsrecht niet expliciet aan het besluit tot aanwijzing van een gebied. Dit is wel de bedoeling. Artikel 1.7 van de Vangnetregeling Omgevingswet (Stcrt. 2023, 32876) legt uit dat het overgangsrecht op deze wijze moet worden ingevuld.
Zodra het bestemmingsplan van kracht is, wordt het onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 4.6, lid 1, van de Ow.
Het plangebied van voorliggend paraplubestemmingsplan heeft uitsluitend betrekking op het buitengebied van de gemeente Voerendaal.
Dit paraplubestemmingsplan is van toepassing op alle geldende plannen in het buitengebied van de gemeente Voerendaal. Het gaat daarbij om het volgende bestemmingsplan:
| Plan | vaststelling | IMRO-code |
| Buitengebied 2013 | 2014-11-13 | NL.IMRO.0986.BPbuitengebied2013-VG02 |
In het plan zijn niet meegenomen de postzegelplannen in het buitengebied van Voerendaal die, na de vaststelling van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' op 2024-11-13, nadien zijn vastgesteld.
In deze toelichting wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante ruimtelijk beleid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten en de overige relevante ruimtelijke omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van de juridisch-technische aspecten van de opgenomen regeling. Hoofdstuk 6 gaat in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Provincie Limburg
Limburg is rijk aan kleine landschapselementen. Het deels nog intacte netwerk van heggen, houtwallen, singels en graften is van grote landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische betekenis. Tegelijkertijd zijn deze kleine landschapselementen in hoge mate bepalend voor de recreatieve belevingswaarde. Behoud en, waar mogelijk, het versterken van de kleine landschapselementen blijft een centrale beleidslijn van de provincie. Naast de belangrijke rol van de ruimtelijke ordening en de landinrichting voor de handhaving en de aanleg van de landschapselementen vormt het beheer en onderhoud een punt van zorg.
Gemeenten hebben een verantwoordelijkheid voor het beheer van de op hun bezittingen aanwezige of aan openbare wegen grenzende kleine landschapselementen. De landschapsbeleidsplannen, voorzien van een uitvoeringsprogramma, zijn van grote betekenis voor het in stand houden en beheer van de kleinere landschapselementen. Het zijn echter vooral de particulieren die zorgdragen voor het onderhoud van de in het landelijk gebied voorkomende landschapselementen. Zij worden daarbij vaak bijgestaan door vrijwilligers die zorgdragen voor de bescherming en versterking van het netwerk van kleine landschapselementen.
De provincie acht het van groot belang dat agrariërs betrokken blijven bij het beheer en onderhoud van natuur en landschap. Er wordt dan ook gestreefd naar het optimaal inzetten van de bestaande instrumenten en mogelijkheden. Hierbij kan gedacht worden aan beheers- en onderhoudsovereenkomsten.
Gemeente Voerendaal
De gemeente Voerendaal kenmerkt zich door haar diverse landschap. Deze diversiteit onderschrijft en waardeert de gemeente onder meer in verschillende landschapselementen met ieder eigen kenmerken en karakteristieken. Deze landschapselementen worden in paragraaf 2.3 nader besproken.
Om de aanwezigheid van de verschillende landschapselementen in het buitengebied te waarborgen wordt met voorliggend paraplubestemmingsplan een juridische regeling getroffen om de bestaande landschapselementen in het buitengebied van Voerendaal te behouden en te beschermen. Het gaat dan concreet om de bescherming van graften, holle wegen en poelen. Voor wat betreft de te beschermen bomen en houtopstanden wordt voorzien in een beschermingsregeling in een nieuw vast te stellen 'Verordening bomen en houtopstanden 2025'.
Kernkwaliteiten
Zuid-Limburg is een gebied met een lange ontstaansgeschiedenis. De oudste geologische afzettingen van Nederland liggen hier aan het oppervlak. Het reliëf is in belangrijke mate bepaald door rivierinsnijdingen waaraan de plateaus (de verschillende terrassen) en de dalen (de huidige beekdalen) hun ontstaan te danken hebben. Het landschap was al in de Romeinse tijd grotendeels omgevormd van een natuurlandschap naar een cultuurlandschap. De indicatoren voor kernkwaliteiten die mede sturend zijn voor de gebiedsontwikkeling in Zuid-Limburg, zijn:
Historische landschapselementen
De sporen van de lange ontstaansgeschiedenis van het Zuid-Limburgse landschap zijn vooral zichtbaar als archeologische vindplaatsen en gebouwde monumenten. Daarnaast zijn aardkundig waardevolle gebieden of landschapselementen, beken, graften en holle wegen kenmerkend voor het gebied.
Aardkundig waardevol zijn vooral de vele groeven waarin afzettingen van verschillende ouderdom aan het oppervlak liggen. Graften en holle wegen zijn het gevolg van de ontginning van het natuurlandschap. Hierdoor is de erosie van lössafzettingen, die grote delen van Zuid-Limburg als een dunne deken bedekken, versneld.
Wegen en paden werden door het afspoelende water ingesneden tot holle wegen. Begroeide perceel scheidingen loodrecht op de helling vingen juist afspoelend materiaal in, waardoor hellingterrassen ontstonden, die graften worden genoemd.
Groen karakter en schaalcontrast
In Zuid-Limburg komen duidelijk contrasten in schaal en groenkarakter voor. De landschapsvisie van de Provincie Limburg beoogt onder meer deze contrasten te versterken tussen plateaus, dorpsranden en steile plateauranden. De steile plateauranden zijn in de provinciale Landschapsvisie grotendeels opgenomen in het landschappelijk raamwerk. Bovendien is daarin aangegeven dat met name de openheid van de hoogste delen van de plateaus kwetsbaar zijn om opgaande bebouwing uit te breiden.
De randen van dorpen zijn duidelijk minder open dan het gehele nationale landschap, vooral omdat hier meer (hoogstam)boomgaarden en lijnvormige beplanting voorkomen.
Gemeente Voerendaal is gelegen in een uniek, karakteristiek landschap met een grote aantrekkingskracht en kenmerkt zich door haar landschappelijke diversiteit. Het landschap van terrassen, hellingen en dalen bevat landschappelijke kwaliteiten, zoals reliëf, groen karakter, cultuurhistorisch erfgoed en contrast tussen open en gesloten. De in het gebied voorkomende landschapselementen dragen in hoge mate bij aan de bovenstaande kwaliteiten.
De toenemende verstedelijking en de intensieve landbouw leggen druk op het bestaande landschap en de natuurlijke systemen. Om de kwaliteit van het landschap te behouden moet er zorgvuldig met deze ontwikkelingen worden omgegaan. Het behoud en herstel van de landschapselementen is hierbij een belangrijke voorwaarde.
Doelstelling
Om het behoud en herstel van de landschapselementen te waarborgen, is het noodzakelijk om de huidige situatie te bewaken en hierop te handhaven. Dit kan alleen als de huidige situatie duidelijk vastligt. Het behouden en het mogelijk verbeteren van de landschapselementen is van grote waarde voor de kwaliteit van natuur en landschap. De doelstelling van Inventarisatie Landschapselementen Voerendaal is het creëren van een database waarin de bestaande situatie in het landelijke gebied van Gemeente Voerendaal is gedocumenteerd. Met deze inventarisatie zou Gemeente Voerendaal handhavend kunnen optreden als de kwaliteit van landschapselementen wordt aangetast.
Viforis heeft in 2022 een inventarisatie (nul-meting) uitgevoerd van te beschermen landschapselementen op basis van een opdracht van de gemeenteraad.
Methodiek
De werkwijze voor het inventariseren van landschapselementen werd onderverdeeld in 4 fases: voorbereiding, gebiedsanalyse, gegevensinwinning en dataverwerking. Deze procesmatige aanpak zorgt voor een gestructureerde werkwijze. Dit heeft prioriteit gekregen tijdens de uitvoering om de kans op gebreken in het eindresultaat te minimaliseren.
De voorbereiding van het project bestond uit het vaststellen van het projectkader. Door in samenspraak met Gemeente Voerendaal het projectgebied af te stemmen, de waardevolle landschapselementen te bepalen en vast te stellen welke gegevens relevant zijn met betrekking tot de landschapselementen, zijn de randvoorwaarden voor de inventarisatie opgebouwd. Op basis hiervan zijn basiskaarten geproduceerd en het gewenste format voor de database opgesteld. Deze producten lagen aan de basis van de gebiedsanalyse en gegevensinwinning.
De gebiedsanalyse is uitgevoerd in 2 gedeeltes: deskresearch en veldbezoek. Door gebruik te maken van luchtfoto's, hoogtekaarten, geomorfologische kaarten en landschapsdocumentaties van Gemeente Voerendaal heeft de landschapsspecialiste tijdens de deskresearch een groot aantal landschapselementen vastgesteld op kaartmateriaal. Deze deskresearch werd gevalideerd met veldbezoeken. Tijdens deze veldbezoeken zijn de verschillen tussen de bestaande situatie en documentatie vastgesteld en bijgewerkt op het kaartmateriaal.
Na afronding van de gebiedsanalyse is de landschapsspecialiste van start gegaan met het verzamelen van gegevens. Door het beschrijven van plantsoorten, het opnemen van afmetingen, beschrijven van bijzonderheden en bepalen van de landschappelijke kwaliteit, werden alle relevante gegevens met betrekking tot het landschapselement vastgesteld. Deze gegevens zijn vak voor vak verzameld door de gehele gemeente. Ter ondersteuning van de gegevens is de situatie van het gebied vastgelegd met droneopnames. Hierbij lag de nadruk op het duidelijk weergeven van het verschijningsbeeld, de locatie en de omvang van de landschapselementen.
De laatste fase bestond uit de dataverwerking van de ingewonnen gegevens. In de database werden de landschapselementen gecodeerd en aangevuld met gegevens en beeldmateriaal. Ook werden digitale kaarttekeningen gemaakt op exacte coördinaten, waarbij gebruik werd gemaakt van AHN-gegevens en het verzamelde beeldmateriaal. Deze producten werden opgeleverd in een datastructuur waar laagdrempelig mee gewerkt kan worden, met Excel, PDF en mp4 bestanden. Daarnaast zijn dezelfde producten via Het Gegevenshuis geïntegreerd in de GIS-systemen van Gemeente Voerendaal.
Projectgebied
Het projectgebied voor de inventarisatie van de landschapselementen in Voerendaal bestond uit het totale ruimtebeslag van de gemeente Voerendaal. De bebouwde kom is buiten de scope gehouden aangezien de focus in dit onderzoek lag op het buitengebied.
Viforis heeft waardevolle landschapselementen in het buitengebied in kaart gebracht. In het paraplubestemmingsplan zijn daarvan de graften, poelen en holle wegen opgenomen. Bij de inventarisatie zijn elementen in Natura 2000-gebieden niet meegenomen. Specifiek zijn elementen niet meegenomen zover ze met name zijn gelegen in de bestemmingen natuur of natuurontwikkeling, water en waterloop. Daarin is de juridische bescherming al afdoende en duidelijk geregeld.
Waardevolle te beschermen houtopstanden, die in de inventarisatie van Viforis ook in kaart zijn gebracht, worden juridisch geregeld door de 'Verordening bomen en houtopstanden' (voorheen 'Bomenverordening'. Dit voor zover deze nu ook al gemeentelijk vergunningplichtig zijn en/of met inachtneming van de bepalingen in de Ow.
Om de aanwezigheid van de verschillende landschapselementen (graften, holle wegen en poelen) in het buitengebied te waarborgen wordt met voorliggend paraplubestemmingsplan een verbeterde juridische regeling opgenomen om deze bestaande landschapselementen in het buitengebied van Voerendaal te behouden en te beschermen.
Resultaten
In opdracht van de gemeente Voerendaal heeft bureau Viforis zoals hierboven vermeld de verschillende landschapselementen geïnventariseerd in 2022. Hiervan is kaartmateriaal beschikbaar gemaakt op de kaartviewer van het omgevingsloket en de digitale kaartviewer op de website van de gemeente.
De landschapselementen zijn door Viforis in beeld gebracht op basis van een achttal hoofd typologieën:
Deze elementen zijn na beoordeling van het ter visie gelegde ontwerpbestemmingsplan deels overgeheveld naar de bomenverordening. Boomgaarden zijn gelet op het bedrijfsmatige karakter zowel uit het bestemmingsplan als 'Verordening bomen en houtopstanden' gelaten. De wel in het paraplubestemmingsplan opgenomen landschapselementen met ieder eigen kenmerken en karakteristieken betreffen:
Deze landschapselementen worden hierna nader kort beschreven.
1. GRAFTEN en STEILRANDEN
Graften werden of worden aangelegd om erosie tegen te gaan. Een graft betreft een knik of steilrand op de helling die als akkers of weiland in gebruik zijn. Ze zijn evenwijdig met de hoogtelijnen gesitueerd. De knik is meestal begroeid met struiken en/of bomen, die de erosie tegengaan. De graften zijn door het hoogteverschil zichtbaar in het landschap en de begroeiing heeft op groot aantal locaties plaatsgemaakt voor ruigte en gras en soms zijn ze onbegroeid, waardoor ze kwetsbaar zijn voor erosie.
De graften en steilranden hebben een kwaliteitswaardering gekregen, op basis van de hoeveelheid begroeiing. Hieronder zijn de kwaliteitsniveaus opgesomd en getypeerd. Bij ieder kwaliteitsniveau is een foto ter illustratie bijgevoegd.
Kwaliteit A - dichte begroeiing van struiken met of zonder bomen (bron: foto Viforis)
Kwaliteit B - open begroeiing van struiken en bomen met een kruidenrijke vegetatie (bron: foto Viforis)
Kwaliteit C - gras (brandnetel/braam) of met een enkele boom en struik (bron: foto Viforis)
Kwaliteit D - gemaaid/begraasd gras of kaal (bron: foto Viforis)
2. HOLLE WEGEN
De holle weg wordt getypeerd als een weg die is uitgesleten door uitspoeling van hemelwater of veelvuldig gebruik en loopt haaks op de hoogtelijnen. De taluds, begroeid met struiken en bomen, zorgen voor een heel eigen besloten karakter. Op een aantal locaties hebben de bomen en struiken plaatsgemaakt voor ruigte en gras, waardoor het intieme karakter verdwijnt.
De holle wegen hebben een kwaliteitswaardering gekregen, op basis van de hoeveelheid begroeiing. Hieronder zijn de kwaliteitsniveaus opgesomd en getypeerd. Bij ieder kwaliteitsniveau is een foto ter illustratie bijgevoegd.
Kwaliteit A - dichte begroeiing, tunneleffect (bron: foto Viforis)
Kwaliteit B - open begroeiing van struiken en bomen met een kruidenrijke vegetatie/gras (bron: foto Viforis)
Afbeelding C - gras (brandnetel of braam) of met een enkele boom en struik (bron: foto Viforis)
3. POELEN
Een poel betreft een stilstaand en ondiep water. Poelen ontstaan als hemelwater zich in een laagte verzameld. Van oudsher zijn poelen in gebruik als drinkplaats voor vee.
De poelen hebben een kwaliteitswaardering gekregen, op basis van de natuurlijkheid van de poel. Hieronder zijn de kwaliteitsniveaus opgesomd en getypeerd. Bij ieder kwaliteitsniveau is een foto ter illustratie bijgevoegd.
Kwaliteit A - mooie, natuurlijke poel (bron: foto Viforis)
Kwaliteit B - overig, vreemde ligging, afwateringsfunctie (bron: foto Viforis)
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit het voor het bestemmingsgrens relevante nationale en provinciale beleid weergegeven, aangevuld met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente.
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Ow en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR). De NOVI is op 9 september 2020 vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Ow nog niet in werking is. De NOVI voldoet ook aan de eisen die de Ow stelt aan een omgevingsvisie. Zodra de Ow in werking is getreden, zal deze omgevingsvisie dan ook gelden als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal.
De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Dit betekent een land:
In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.
Beoordeling
Voor dit project zijn de relevante nationale belangen:
Onderhavig bestemmingsplan voldoet aan het rijksbeleid zoals dit is vastgelegd in de NOVI.
Om de nationale belangen uit de SVIR door te laten werken in ruimtelijke plannen van lagere overheden is naast de SVIR het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) in werking getreden en het Bro van toepassing. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken van provinciale en gemeentelijke ruimtelijke plannen. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
Het gaat om het beschermen van de nationale belangen. Het Barro stelt regels over de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Deze nationale belangen zijn:
1. Rijksvaarwegen;
2. Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
3. Kustfundament;
4. Grote rivieren;
5. Waddenzee en waddengebied;
6. Defensie;
7. Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
8. Elektriciteitsvoorziening;
9. Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;
10. Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur);
11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;
14. Ruimtereservering parallelle Kaagbaan.
In het kader van deregulering en decentralisatie is ervoor gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Als directe doorwerking niet mogelijk is, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind.
Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen al in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter betrekking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden. In het bijzonder gaat het hier om de artikelen ten behoeve van Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Natuurnetwerk Nederland (voorheen de EHS).
Beoordeling
Er zijn geen nationale belangen uit het Barro aanwezig die een planologisch-juridische doorwerking hebben op de beoogde planontwikkeling. Dit houdt in dat er voor het plangebied geen beperkingen vanuit de Barro gelden.
De Europese Unie heeft het initiatief genomen voor 'Natura 2000', een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden op het grondgebied van de lidstaten van de EU. Dit netwerk vormt de hoeksteen van het EU-beleid voor behoud en herstel van biodiversiteit. Alle gebieden die zijn beschermd op grond van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn zijn ook aangegeven als Natura 2000-gebied. Het is niet toegestaan om zonder vooraf toegekende vergunning nieuwe activiteiten in deze gebieden uit te voeren. Binnen de gemeente Voerendaal zijn twee Natura 2000-gebieden gelegen.
Beoordeling
Het is binnen de kaders van de Europese habitat- en vogelrichtlijn vereist om nieuwe ontwikkelingen en activiteiten die van nadelige invloed zouden kunnen zijn, te beoordelen en te rapporteren. In paragraaf 4.2 ‘Natuur en ecologie’ wordt nader op dit aspect ingegaan.
Kaderrichtlijn water
Een belangrijk onderwerp in het rijksbeleid is duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water, die sinds 2000 van kracht is, speelt hierbij een belangrijke rol. De richtlijn moet er immers voor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Dit betekent dat de rijksoverheid streeft naar een watersysteem dat zoveel mogelijk de natuurlijke situatie (zonder ingrepen van de mens) benadert. Het streven is onder andere gericht op het behouden en vergroten van de ruimte voor water, waar mogelijk vasthouden van water en verbetering van de waterkwaliteit. De waterbeheerders spelen hierbij een belangrijke rol. In de ruimtelijke plannen, waaronder het bestemmingsplan, wordt een waterparagraaf opgenomen.
Nationaal Waterplan
Het Nationaal Waterplan is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid. In de Waterwet is vastgelegd dat het rijk dit plan eens in de zes jaar opstelt. Het is de opvolger van de Vierde Nota waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota’s waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan bevat ook de stroomgebied beheerplannen die op grond van de Kaderrichtlijn Water zijn opgesteld. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten ook structuurvisie. De grondgedachte voor duurzaam waterbeheer wordt ‘meebewegen met natuurlijke processen waar het kan, weerstand bieden waar het moet en kansen voor welvaart en welzijn benutten’. Voor een duurzaam en integraal waterbeleid is het belangrijk om waar nodig en mogelijk water de ruimte te geven en mee te bewegen met en gebruik te maken van natuurlijke processen, zoals dit bijvoorbeeld wordt toegepast bij Ruimte voor de Rivier.
Het rijk vindt het daarbij van belang dat bij alle wateropgaven en -maatregelen maximaal wordt mee gekoppeld met andere opgaven en maatregelen en dat problemen zo min mogelijk worden afgewenteld.
Beoordeling
Er gelden voor wat betreft het aspect water géén belemmeringen ten aanzien van dit plan.
Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is door vertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente bevoegd gezag op het gebied van cultuurhistorie en archeologie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In bestemmingsplannen houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden. Dit wordt samen met de andere onderdelen rond de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving overgeheveld naar de Ow.
Beoordeling
Voor het aspect archeologie wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent is opgenomen in paragraaf 4.3.
Sinds september 2006 kent de Nederlandse m.e.r.-regelgeving de verplichting om bij een aantal ruimtelijke plannen en besluiten een m.e.r.- procedure te volgen. Dit was geregeld in de Wet milieubeheer met het hier aangekoppelde Besluit m.e.r.. Het doel van de m.e.r. is dat bij de besluitvorming het milieu een volwaardige plaats krijgt op basis van goede informatie. Inmiddels geldt het Omgevingsbesluit (hierna: Ob).
In Bijlage V van het Ob is aangegeven welke projecten mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 van deze bijlage zijn mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3 bij besluiten genoemd in kolom 4. Voor deze activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
Uit de kolommen 2 en 3 van bijlage V Ob volgt per project in welke gevallen direct een mer-plicht geldt of een project-mer-beoordelingsplicht. Voor een plan mag een plan-mer-beoordeling uitgevoerd worden als het plan:
(vormvrije) mer-beoordelingsplicht
In een mer-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een plan of project aanzienlijke milieueffecten heeft. Aanzienlijke milieueffecten kunnen ook optreden ónder de wettelijke normen (bijvoorbeeld over geluid of geur), of als er voor een thema helemaal geen wettelijke normen zijn (denk aan landschap, lokale/regionale biodiversiteit of de bouwfase van een project). De achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is.
Bij een mer-beoordeling kan het bevoegd gezag wel meewegen of een project aan de wettelijke normen voldoet.
Een conclusie over de mer-beoordeling betreft een integrale conclusie van alle milieueffecten samen. Bij die beoordeling mogen maatregelen worden meegenomen die aanzienlijke milieugevolgen verminderen of wegnemen. Die maatregelen worden dan in het te nemen besluit voorgeschreven.
Of er aanzienlijke milieueffecten zijn hangt af van:
Op basis van de beoordeling van de verschillende haalbaarheidsaspecten van de ontwikkeling, kan een conclusie worden getrokken over de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten.
Een plan-mer-beoordeling doorloopt 3 stappen:
Beoordeling
Het vastleggen van bestaande landschapselementen is dusdanig van aard dat negatieve milieueffecten uitgesloten zijn en een mer-beoordeling niet aan de orde is.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen is diverse (milieu)wetgeving van toepassing, zoals opgenomen in de Ow en daaraan verbonden AMvB's. Op de relevante aspecten zal in hoofdstuk 4 nader worden ingegaan.
Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsvisie Limburg (hierna: POVI) vastgesteld, met inachtneming van de aanvaarde amendementen. De POVI vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is via een interactief proces met overheden, semioverheden, belangenorganisaties en burgers opgesteld. De POVI is in werking getreden op 25 oktober 2021.
De POVI is een strategische en lange termijnvisie (2030-2050) op de Limburgse fysieke leefomgeving. De POVI kijkt echter breder dan enkel naar de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat de visie ook ingaat op onderwerpen als gezondheid en veiligheid, economie en sociale aspecten. Dit in onderlinge samenhang en met oog voor de internationale context waarin Limburg zich bevindt. De opzet en scope van de Omgevingsvisie (fysieke leefomgeving in brede zin) sluiten aan bij de nieuwe Ow (sinds 01-01-2024).
De visie geeft een beschrijving van de koers waar Limburg voor gaat, hoe daarnaartoe wordt gewerkt en wie daarin welke rol kan pakken. De provincie wil Limburg vernieuwend én verbindend verder helpen. Dit doet ze dit ondersteunend en helpend, richtinggevend, kader stellend of handhavend. Via een tijdelijke extra impuls, meerjarig of juist bewust loslatend in vertrouwen, richt de provincie zich op ontwikkelingen waar zij een belang heeft.
Er is één Provinciale Omgevingsvisie voor het grondgebied van Limburg. Deze omgevingsvisie is opgebouwd uit met elkaar samenhangende en afgestemde (beleids-)modules, zowel gebiedsgericht als thematisch. In de Ow zijn geen regels gesteld over een verplichting tot actualiseren of een (vaste) termijn waarbinnen een actualisatie van de Omgevingsvisie moet plaatsvinden. Dit biedt de flexibiliteit om, (als dat nodig is) via partiële herzieningen één of meerdere modules van de Omgevingsvisie aan te passen, waarbij de integraliteit van de Omgevingsvisie in de gaten gehouden moet worden. Impulsen hiertoe kunnen voortkomen uit nieuwe college- of coalitieprogramma’s, maatschappelijke ontwikkelingen, monitoring en evaluatie, en wetgeving. De geconsolideerde Omgevingsvisie bevat voor alle modules altijd de actuele versies.
Bij de operationalisering van beleidsdoelen uit een omgevingsvisie spelen programma’s een belangrijke rol. Een programma kan een sectoraal of gebiedsgericht karakter hebben en kan verschillende elementen bevatten. Het kan ook kaders stellen voor de uitoefening van bevoegdheden door het bestuursorgaan dat het programma vaststelt.
Een programma bevat voor één of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving:
Overheden kunnen kiezen hoe en waarvoor ze programma’s inzetten. Een omgevingsvisie kan globaal worden gehouden. Het beleid wordt dan verder uitgewerkt in programma’s. Met een specifieke omgevingsvisie kan juist minder met programma’s worden gewerkt. Limburg kiest voor een Omgevingsvisie op hoofdlijnen, waardoor er ruimte is om in samenhang met de vierjaarlijkse bestuur cyclus accenten en prioriteiten te bepalen. Dit kan waar nodig in combinatie met het op onderdelen (modulair) actualiseren van de Omgevingsvisie. Het ligt voor de hand dat wanneer een projectbesluit wordt voorbereid of wanneer de Omgevingsverordening wordt aangepast, dit in de omgevingsvisie of in een programma wordt aangekondigd.
Voor enkele onderwerpen zijn programma’s wettelijk voorgeschreven ter implementatie van EU-richtlijnen. Voor de Provincie zijn vier programma’s verplicht:
Afbeelding 3.1: uitsnede uit Omgevingsvisie Limburg (bron: provincie Limburg)
Het Omgevingsbeleid voor Zuid-Limburg richt zich op het koesteren en verder uitbouwen van de sterke punten uit de profielschets en tegelijkertijd op een strategie om de zwakke punten aan te pakken.
Zo’n 70% van Limburg is landelijk gebied. Dit gebied wordt gekarakteriseerd door een (grensoverschrijdend) raamwerk van landschappen, rivieren, beken en natuurgebieden, maar ook infrastructuren en bebouwing.
Binnen de Limburgse regio’s zijn er echter grote verschillen in agrarische en landschappelijke structuren, en de interactie tussen beide. In Zuid-Limburg heeft de grondgebonden land- en tuinbouw van oudsher sterk bijgedragen aan de ontwikkeling en het beheer van het aantrekkelijke en afwisselende cultuurlandschap. Dit erfgoed vormt binnen Nederland een bijzondere categorie door hun bouwstijl en vorm, zoals vakwerkboerderijen en de carré-boerderijen met kasteelachtige uitstraling. Beheer en behoud van deze unieke landschaps- en cultuurwaarden is essentieel en vraagt om nieuwe verdienmodellen.
Afbeelding 3.2: uitsnede uit de Omgevingsvisie Limburg (bron: provincie Limburg)
Het landelijk gebied staat aan de vooravond van een aantal ingrijpende transities en grote opgaven, die het beeld van het landschap flink gaan veranderen. Binnen het landelijk gebied worden er drie categorieën van gebieden (Natuurnetwerk Limburg, Groenblauwe mantel en het Buitengebied) met uiteenlopende kansen en perspectieven onderscheiden.
Natuurnetwerk Limburg
Het Natuurnetwerk Limburg is het Limburgse deel van het Nationaal Natuurnetwerk. Dit netwerk heeft een belangrijke functie voor de biodiversiteit. Het fungeert daarnaast als belangrijke recreatiezone en als drager van de landschappelijke structuur, samen met het cultureel erfgoed. Binnen het Natuurnetwerk Limburg liggen 23 Natura 2000-gebieden. Maar ook in de directe omgeving in aangrenzende provincies en landen zijn Natura 2000-gebieden aanwezig. Het terugdringen van de stikstofbelasting vanuit de omgeving staat hier onder meer centraal. Binnen het Natuurnetwerk vragen ook de natte natuurgebieden bijzondere aandacht vanwege de grote waterafhankelijkheid van de natuur.
Groenblauwe mantel
De groenblauwe mantel omvat onder andere het Maasdal en de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle beekdalen. De gebieden van de groenblauwe mantel hebben vaak een functie als buffer rond en verbindingszones tussen bestaande natuurgebieden. Het betreft gebieden met overwegend (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinschalige landschapselementen en waterlopen. In Zuid-Limburg omvat dit gebied ook de steilere hellingen, droogdalen en de belangrijkste landschappelijke verbindingen naar het Maasdal. In de groenblauwe mantel staat het klimaat adaptief maken van het watersysteem centraal. Er zijn hier kansen voor natuurwaarden en landschapskwaliteit in combinatie met andere functies zoals landbouw en vrijetijdseconomie.
Buitengebied
De plateaugebieden van Zuid-Limburg vormen samen het zogenaamde buitengebied. Hier liggen grote transitieopgaven in verband met de problemen rondom onder andere stikstof en fijnstof. Er zijn kansen voor een breed scala aan vormen van landbouw, maar ook voor andere functies waaronder vrijetijdseconomie
Toekomstbeeld Zuid-Limburg 2030-2050
In de Omgevingsvisie is beschreven dat het landelijk gebied voor grote integrale transitieopgaven staat. In de binnentuin inclusief het Maasdal van Zuid-Limburg is het landschap de basis van alle functies. Het reliëf, de cultuurhistorische elementen en (cultuurhistorische) gebouwen, het groene karakter en het contrast tussen open en gesloten gebieden vormen de landschappelijke kernkwaliteiten. Deze kwaliteiten worden goed beschermd, beheerd en ontwikkeld. Vanuit de lijnen kwaliteit, kleinschaligheid en innovatie zal het landelijk gebied zich onder het motto ‘Groots in kleinschaligheid’ moeten gaan ontwikkelen en biedt de provincie ruimte aan inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners.
Landschappelijk raamwerk
In de groene binnentuin, ook wel middengebied genoemd, kiest de provincie voor het verder versterken van het hoogwaardig landschappelijk raamwerk dat gevormd wordt door het Natuurnetwerk en de groenblauwe mantel met het Maasdal, beekdalen, hellingen, droogdalen en stad-landzones. In de groenblauwe mantel ligt ook een belangrijk deel van de wateropgave. In de zuidelijke Maasvallei wordt de hoogwateropgave van de Maas uitgewerkt via een integrale aanpak. Daarnaast wordt het regionaal watersysteem aangepakt via landschappelijke maatregelen, waardoor onder andere het risico op wateroverlast afneemt. De beekdalen worden hiervoor klimaat robuust ingericht en ook integraal en extensief beheert, waardoor de beheerkosten laag zijn.
Door het landschap in de beekdalen en op de hellingen te verruwen, door extensivering, door een andere wijze van grondgebruik en grondbewerking, door bosontwikkeling en de aanleg van grotere landschapselementen, kan het water beter worden vastgehouden. De infiltratiecapaciteit van de bodem wordt daarmee vergroot. Tegelijkertijd wordt daardoor invulling gegeven aan de opgave voor de instandhouding en het versterken van de biodiversiteit en bosaanleg.
Op de hellingen en op de randen van de plateaus maken bosontwikkeling en grote landschapselementen het landschap meer besloten. Hierdoor worden de aanwezige verblijfsrecreatieterreinen beter landschappelijk ingepast en wordt het water beter vastgehouden. Dit levert een effectieve bijdrage aan de grondwatervoorraad en het voorkomen van droogte. Deze bronmaatregelen hebben ook een positief effect op de verbetering van de bodem. Ze bevorderen de bodemvruchtbaarheid en de duurzaamheid van de landbouw. Het landschappelijk raamwerk vormt ook de belevingsroute van de cultuurhistorie.
Afbeelding 3.3: afbeelding uit de Provinciale Omgevingsvisie Limburg (bron: [provincie Limburg)
Opgave
Het landschap kan de motor zijn van een regionale, sociale en economische ontwikkeling waaraan ondernemers, inwoners en maatschappelijke organisaties bijdragen. Het landschap is bovendien een belangrijke drager van oplossingen voor de grote opgaven van deze tijd, zoals klimaatverandering, verduurzaming van de voedselvoorziening, gezond ouder worden en de energietransitie. Juist in Limburg is het landschap een belangrijke troef in de strijd om talent en economisch- en sociale ontwikkelingsmogelijkheden. Dit komt mede dankzij de afwisseling tussen stad en landelijk gebied, waardevolle natuur en rijke cultuurhistorie, bedrijvigheid en ruimte voor beleving. Het is een belangrijke reden waarom mensen naar Limburg komen; om er te werken, te wonen en te verblijven. Kwaliteitsimpulsen in landschap bieden kansen voor meer gezonde Limburgers. Met gerichte ruimtelijke ingrepen en groene impulsen kan een gezond landschap ontstaan én in stand worden gehouden; een gezond landschap met vitale Limburgers.
De opgave is om de beoogde transities te benutten voor een ruimtelijke kwaliteitsimpuls en het landschap voor bewoners en bezoekers beter beleefbaar te maken. Een generieke opgave voor heel Limburg is hierbij het behoud, beheer, ontwikkeling en beleving van de landschappelijke, cultuurhistorische, natuurlijke en waterhuishoudkundige kernkwaliteiten van het landschap.
Het is belangrijk dat voor heel Limburg gewerkt wordt aan behoud, herstel en beheer van de cultuurhistorische en aardkundige waarden en het vergroten van de beleving en toegankelijkheid daarvan. Daartoe stelt de provincie kennis en gebiedsanalyses beschikbaar, zoals onder meer het 'Handvat kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg'. De provincie ondersteunt gemeenten ook met kennis over landschap en voor het opstellen van gemeentelijke of regionale kwaliteitskaders en omgevingsvisies.
Om de kwaliteit van het Zuid-Limburgse landschap op peil te houden is door de regio het programma Nationaal Landschap Zuid-Limburg opgesteld. De regio werkt aan de concrete uitvoering van het programma. De Provincie speelt hierin een verbindende rol.
De provincie faciliteert samenwerkingsallianties waarbij het behoud en de verbetering van het landschap verbonden wordt met de aanpak van andere maatschappelijke vraagstukken. Onder ander via de investeringsagenda ‘Landschap verbindt Limburg’. Hierbij is speciale aandacht voor het ontstaan van samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, bewonerscollectieven, lokale werkgroepen, en (agrarische) ondernemers. Ook ondersteunt de provincie de vorming van een Limburgs Landschapsfonds om kansrijke projecten voor de instandhouding van het landschap mogelijk te maken. De investeringsagenda en het Landschapsfonds worden nader ingekaderd in het Landschapsprogramma.
Door het versterken van het aantrekkelijk landschap met unieke natuur- en cultuurelementen in de directe woonomgeving, dragen we bij aan het vergroten van de gezondheid en het welbevinden van bewoners en bezoekers. De provincie staat positief tegenover initiatieven die gericht zijn op de realisatie van natuur, bos en kleine landschapselementen in en bij steden en dorpen. Er liggen daarbij kansen voor cofinanciering vanuit Europese middelen (LEADER, INTERREG).
Algemeen
Met de komst van de Ow is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Ow. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleid neutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de POVI.
Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Doordat de inwerkingtreding van de Ow was uitgesteld tot 1 januari 2024 was daarmee automatisch de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg ook uitgesteld. Inmiddels is de omgevingsverordening in werking getreden op 2025-01-01. Tot die tijd bleef de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden.
In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening. De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels:
Instructie regels gemeenten
In de Omgevingsverordening Limburg staan instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen als zij een omgevingsplan vaststellen of wijzigen. Zie hiervoor verder paragraaf 3.3.2.1.
Algemeen
Met de komst van de Ow is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Ow. Hoewel het ontwerp van de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleid neutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Deze nieuwe en gewijzigde onderdelen vinden hun oorsprong in de POVI.
Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Doordat de inwerkingtreding van de Ow echter is uitgesteld tot 1 januari 2024 wordt daarmee automatisch de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg ook uitgesteld tot die datum. Tot die tijd blijft de Omgevingsverordening Limburg 2014 gelden.
In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening. De Omgevingsverordening bevat grofweg twee typen regels:
Instructie regels gemeenten
In de Omgevingsverordening Limburg staan instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen als zij een omgevingsplan vaststellen of wijzigen. In artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 was bepaald dat de instructieregels die waren opgenomen in hoofdstuk 2 van die verordening niet alleen voor ‘bestemmingsplannen’ golden, maar breder voor ‘ruimtelijke plannen’. Hieronder werden niet alleen bestemmingsplannen begrepen, maar onder meer ook wijzigings-of uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen waarmee werd afgeweken van het bestemmingsplan.
Een soortgelijke bepaling in de omgevingsverordening is onder de Omgevingswet niet meer nodig. Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldende instructieregels namelijk rechtstreeks op grond van de artikelen 8.0b en 8.0c van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze artikelen bepalen dat de instructieregels van de Omgevingsverordening voor het vaststellen van een omgevingsplan, overeenkomstig worden toegepast als beoordelingsregel bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
De overeenkomstige toepassing van de instructieregels bij een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is niet expliciet geregeld, maar dat is ook niet nodig. Immers het hele omgevingsplan, inclusief binnenplanse vergunningstelsels en daarbij horende beoordelingsregels, moet voldoen aan de instructieregel zoals opgenomen in de omgevingsverordening. De overige ‘ruimtelijke besluiten’ die artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 noemde, hebben onder de Omgevingswet geen vergelijkbare opvolger gekregen.
Algemene regels die rechtstreeks werken - magneetactiviteiten
Onder de Ow zijn in de meeste gevallen burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd te beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning. In sommige gevallen is in artikel 4.6 van het Ob bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn op een aanvraag te beslissen. Dat is onder meer het geval als het gaat om een aanvraag voor een activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden (artikel 4.6, eerste lid, onder f, Ob). In de Omgevingsverordening Limburg is op verschillende plaatsen een vergunningplicht opgenomen voor bepaalde activiteiten. Waaronder ook voor grondwerkzaamheden in of in de nabijheid van een graft of holle weg (zie hierboven art.7.4 lid 3 Omgevingsverordening Limburg).
In artikel 7.4 van de Omgevingsverordening Limburg staan de aangewezen vergunningplichtige activiteiten. Zo is het onder meer verboden zonder omgevingsvergunning in of in de nabijheid van een graft of holle weg in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg grondwerkzaamheden of ander handelingen te verrichten of te doen verrichten, indien men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze grondwerkzaamheden of andere handelingen al dan niet op termijn kunnen leiden tot aantasting van de graft of holle weg (art. 7,4 lid 3). Dit verbod geldt niet voor hesrstel en onderhoud van de graft of holle weg (art. 7.4 lid 5).
Gedeputeerde Staten zijn het bevoegde gezag voor deze benoemde vergunningaanvragen. Dat geldt in ieder geval als de aanvraag alleen betrekking heeft op zo'n activiteit (enkelvoudige aanvraag). Het is echter mogelijk dat de aanvraag ook nog andere activiteiten betreft waarvoor burgemeester en wethouders bevoegd zijn (meervoudige aanvraag). Bijvoorbeeld omdat er sprake is van strijd met het omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit) en dat burgemeester en wethouders voor die activiteit het bevoegd gezag zijn. Zoals de vergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden opgenomen in de dubbelbestemming 'Waarde - landschapselementen' ten aanzien van onder meer graften en holle wegen.
Artikel 4.6 van het Ob regelt dan wie bevoegd is op de aanvraag voor al die activiteiten te beslissen.
Regel is dat burgemeester en wethouders dan bevoegd zijn, tenzij een van de activiteiten in het Ob is aangewezen als 'magneetactiviteit'. Het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de magneetactiviteit wordt automatisch bevoegd voor de andere aangevraagde activiteiten. De activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden, is echter niet aangewezen als magneetactiviteit.
Dat betekent dat burgemeester en wethouders beslissen op een vraag die onder meer betrekking heeft op een activiteit grondwerkzaamheden in of in de nabijheid van een graft of holle weg. Gedeputeerde Staten zijn dan wel adviseur en de omgevingsvergunning behoeft ook instemming van Gedeputeerde Staten (artikel 4.25, eerste lid, onder f, en derde lid Ob).
Natuur
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is door het Rijk vastgelegd dat de Provincie verantwoordelijk is voor de begrenzing van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, inmiddels door het Rijk Nationaal Natuurnetwerk genoemd) en begrenzing en bescherming van de EHS dient vast te leggen in een provinciale verordening. In Limburg is het Natuur Netwerk Limburg vastgelegd.
Binnen het Natuurnetwerk Limburg worden vier situaties onderscheiden:
Deze situaties staan niet in de geometrische begrenzingen bij de Omgevingsverordening omdat deze niet de precisie heeft van een omgevingsplan.
Afbeelding 3.4: Natura 2000-gebieden in gemeente Voerendaal (bron: omgevingsviewer Limburg)
Afbeelding 3.5: Natuurnetwerk Limburg in gemeente Voerendaal (bron: Omgevingsviewer Limburg)
Afbeelding 3.6: groenblauwe mantel in gemeente Voerendaal (bron: Omgevingsviewer Limburg)
Het Natuurnetwerk Limburg wordt door de verordening beschermt tegen ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dat is opgenomen in artikel 8.2 van de Omgevingsverordening. Het betreft de algemene regel dat ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten, niet zijn toegestaan.
Of er sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden kan verschillen per situatie en zijn uitgewerkt in het Provinciaal Natuurbeheerplan.
Indien er sprake is van aantasting wordt nagegaan of er sprake is van één van de uitzonderingssituaties die zijn beschreven in de artikelen 8.3 tot en met 8.7. Als wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze artikelen zijn opgenomen, kan de ontwikkeling doorgaan. De invulling van die voorwaarden verschilt weer per gebiedscategorie.
De verordening heeft geen betrekking op bestaande bestemmingsplannen. Dat betekent dus dat alle rechten en plichten die nu in bestemmingsplannen zijn vastgelegd, blijven bestaan. De verordening wordt pas van toepassing bij een nieuwe ontwikkeling:
Beoordeling
Dit plan is uitvoerbaar met inachtneming van de verordende regels van de Omgevingsverordening Limburg. Zie hiervoor ook de verantwoording in hoofdstuk 4 ("Omgevingsaspecten").
Nationaal Landschap Zuid-Limburg
Het landschap van Zuid-Limburg is zo uniek dat het sinds 2005 de status van Nationaal Landschap draagt. Jaarlijks bezoeken zo’n 13 miljoen mensen het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Hiervan bezoekt 70% Zuid-Limburg specifiek voor het landschap. Om de kwaliteit van het landschap op peil te houden is het programma Nationaal Landschap Zuid-Limburg 'Landschap in het hart van de samenleving' opgesteld. De volgende stap is het komen tot een concrete uitvoering van het programma. De Provincie speelt hierin een verbindende rol. Samen met de regio werken aan een duurzaam Nationaal Landschap Zuid-Limburg.
Bij het Nationaal Landschap Zuid-Limburg zijn verschillende partijen betrokken. Naast de Provincie Limburg zijn de volgende partijen als stakeholder betrokken:
De gemeente Voerendaal ligt met zijn grondgebied in zijn geheel in dit gebied.
Afbeelding 3.6: het beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg (bron: Omgevingsverordening Limburg)
Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg (NLZL)
Het Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg biedt een handreiking voor initiatiefnemers van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen om invulling te geven aan de motiveringsvereisten met betrekking tot de kernkwaliteiten, genoemd in de Omgevingsverordening Limburg.
De kernkwaliteiten van het landschap zijn de waarden die zorgen voor herkenbaarheid en onderscheid van de landschapstypen. Het doel van het Handvat is om informatie over de kernkwaliteiten van NLZL eenduidig te ontsluiten en praktisch toepasbaar maken ter ondersteuning van het integraal ontwerpen van een ruimtelijke ontwikkeling. Het Handvat bestaat uit twee onderdelen; een GIS-viewer en een naslagwerk waarin de informatie uit de GIS-viewer gebundeld is en verdiepende informatie wordt geboden over bepaalde onderwerpen.
In het Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg wordt het werken met de kernkwaliteiten praktisch toepasbaar gemaakt door middel van een aantal 'leidende beginselen' en 'ontwerpprincipes' die via 6 stappen worden doorlopen. De leidende beginselen zijn een eerste set van maatregelen bedoeld om het landschap met zijn kernkwaliteiten op een hoger schaalniveau in de juiste richting te ontwikkelen. De ontwerpprincipes zorgen voor maatwerk op lager schaalniveau en geven aan hoe om te gaan met de kernkwaliteiten en hoe deze concreet versterkt kunnen worden in relatie tot een ontwikkeling.
Als niet te vermijden is dat natuurwaarden (kernkwaliteit ‘Groene karakter’) verloren gaan, dienen deze te worden gecompenseerd. De manier waarop de compensatie wordt uitgevoerd, is uitgewerkt in de beleidsregel ‘Natuurcompensatie’.
Verkenning toekomst landschapsbeheer
In juli 2021 hebben Stichting Limburgs Landschap, Staatsbosbeheer, Bosgroep Zuid Nederland, Limburgs Particulier Grondbezit, Natuurmilieu Federatie, IVN, Natuurmonumenten, LLTB en Natuurrijk Limburg de Provincie gevraagd een verkenning te starten naar de toekomst van het landschapsbeheer in Limburg. Deze Verkenning, die in de periode augustus 2021 – mei 2022 is uitgevoerd, is ingedeeld in 3 fasen:
1. Richten (het structureren van het vraagstuk)
2. Inrichten (komen tot een voorstel voor landschapsbeheer)
3. Verrichten (uitvoering).
De aanbevelingen en de bevindingen uit de Verkenning Toekomst landschapsbeheer zijn verder uitgewerkt in het Programma Landschap.
Programma Landschap
Op 20 december 2022 hebben Gedeputeerde Staten het Programma Landschap 'Mooi Limburg. Samenwerken aan de identiteit van het Limburgs Landschap' vastgesteld. Hiermee geven Gedeputeerde Staten invulling aan het eerdere verzoek van Provinciale Staten om een Programma Landschap op te stellen. De programmadoelen zijn de volgende:
Om samen te werken aan de kwaliteit en identiteit van het Limburgse landschap zijn vanuit de programmadoelen actielijnen met acties uitgewerkt.
Met het programma Nationaal Landschap richt en organiseert de provincie bestaande programma’s en opgaven op regionaal niveau in Zuid-Limburg. Vanuit de regio-uitwerking van het POL, Platteland in Ontwikkeling (PiO), thematische programma’s en het LEADER-programma wordt veel gedaan.
Afbeelding 3.7: afbeelding van landschappelijk raamwerk Limburg (bron: provincie Limburg)
Beoordeling
De gemeente Voerendaal ligt in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg. In artikel 7.4 van de Verordening Limburg zijn vergunning plichtige gevallen aangewezen, voor zover het betreft activiteiten die plaatsvinden in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Zo is het verboden om zonder omgevingsvergunning in of in de nabijheid van een graft of holle weg in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg grondwerkzaamheden of andere handelingen dan grondwerkzaamheden te verrichten of te doen verrichten, als men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze grondwerkzaamheden of andere handelingen al dan niet op termijn kunnen leiden tot aantasting van de graft of de holle weg. Dit verbod geldt niet voor herstel en onderhoud van een graft of holle weg.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot handhaving van de regels voor activiteiten die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening (artikel 18.2, eerste lid, Ow). In artikel 5.4 Ow is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de omgevingsverordening is bepaald. In artikel 5.5, vijfde lid, Ow, is bepaald dat het verboden is te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.
Het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning wordt hoofdzakelijk geregeld in hoofdstuk 5 van de Ow en hoofdstuk 4 van het Ob. Daarbij wordt uitgegaan van het principe “decentraal, tenzij”.
Net als voor de enkelvoudige aanvraag gaat de Ow er voor meervoudige aanvragen van uit dat er maar één bestuursorgaan als bevoegd gezag kan gelden. Dit is altijd één van de bevoegde gezagsinstanties die aan zet zouden zijn als voor de desbetreffende activiteiten afzonderlijke vergunningaanvragen zouden zijn ingediend. Is de gemeente één van die bevoegde gezagsinstanties, dan is zij dat op grond van de wet ook voor de meervoudige aanvraag, tenzij dit anders is bepaal in het Ob.
Ook hier geldt het subsidiariteitsbeginsel op grond van artikel 2.3 van de wet als leidend principe. Een bestuursorgaan van een provincie oefent een taak of bevoegdheid, als dat bij de regeling daarvan is bepaald, alleen uit als dat nodig is:
Gedeputeerde Staten zijn dus het bevoegde gezag voor bepaalde activiteiten in het Nationaal landschap Zuid-Limburg. Dat geldt in ieder geval als de aanvraag alleen betrekking heeft op zo'n activiteit (enkelvoudige aanvraag). Het is echter mogelijk dat de aanvraag ook nog andere activiteiten betreft waarvoor burgemeester en wethouders bevoegd zijn (meervoudige aanvraag). Bijvoorbeeld omdat er sprake is van strijd met het omgevingsplan (omgevingsplanactiviteit) en dat burgemeester en wethouders voor die activiteit het bevoegd gezag zijn.
Artikel 4.6 van het Ob regelt dan wie bevoegd is op de aanvraag voor al die activiteiten te beslissen. Regel is dat burgemeester en wethouders dan bevoegd zijn, tenzij een van de activiteiten in het Ob is aangewezen als 'magneetactiviteit'. Het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de magneetactiviteit wordt automatisch bevoegd voor de andere aangevraagde activiteiten.
De activiteit waarvoor in de omgevingsverordening is bepaald dat het verrichten daarvan zonder omgevingsvergunning is verboden, is echter niet aangewezen als magneetactiviteit. Dat betekent dat het bijvoorbeeld kan voorkomen dat burgemeester en wethouders beslissen op een vraag die onder meer betrekking heeft op een activiteit in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg. Gedeputeerde Staten zijn dan wel adviseur en de omgevingsvergunning behoeft ook instemming van Gedeputeerde Staten (artikel 4.25, eerste lid, onder f, en derde lid Ob).
De regels over activiteiten in het beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg zijn niet van toepassing op het graven van kleinschalige drinkwater- of amfibieënpoelen ten behoeve van het versterken van de biodiversiteit (artikel 7.3, lid 2 onder a.)
In gevallen waarin burgemeester en wethouders bevoegd zijn op de meervoudige aanvraag te beslissen, zijn zij ook het bevoegde gezag voor de handhaving.
Dit plan is uitvoerbaar met inachtneming van de verordende regels van de Omgevingsverordening Limburg. Zie hiervoor ook de verantwoording in paragraaf 3.3 en hoofdstuk 4 ("Omgevingsaspecten").
In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' (vastgesteld op 13 november 2013) zijn verschillende landschapselementen beschermd door middel van een dubbelbestemming 'Waarde - Landschapselementen'.
Landschapselementen die in een bestemmingsplan beschermd dienen te worden zijn met name aanwezig in de vorm van graften, poelen en holle wegen. Houtopstanden zoals bosjes, singels, hagen zijn ook beschermd in het bestemmingsplan Buitengebied 2013. Behalve dat landschapselementen het landschap verfraaien, dragen zij bij aan een beter leefgebied voor planten en dieren, en werken preventief ten aanzien van bodemerosie. De inventarisatie die ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan 2013 is gedateerd. De meeste waardevolle elementen zijn juridisch beschermd door een dubbelbestemming en/of bestemmingsregels. Ook is een deel van de houtopstanden opgenomen in de bomenverordening 2012. Er bestaat behoefte aan verbetering van leesbaarheid en hanteerbaarheid. Dit ten behoeve van een betere vergunningstoets en toezicht/handhaving.
De in het paraplubestemmingsplan gekoppelde regels aan de dubbelbestemming 'Waarde – Landschapselement' moeten beter voorkomen, dat de kleine landschapselementen verloren gaan (werken en werkzaamheden gekoppeld aan een leesbaar en hanteerbaar vergunningenstelsel). De voorgestelde maatregelen zijn niet alleen bevorderlijk voor de omgevingskwaliteit, maar dragen en passant ook bij aan de bestrijding van de erosie en betekenen een stimulans voor recreatie en toerisme, welke immers grotendeels op de landschapsbeleving gericht zijn.
De gemeente Voerendaal heeft een 'Bomenverordening' opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad op 15 december 2011 (in werking getreden per 01-01-2012), waarin beschermde bomen en andere houtopstanden zijn opgenomen waartoe een omgevingsvergunning noodzakelijk is.
Met deze bomenverordening is de regelgeving rond het kappen/vellen van bomen en houtopstanden voor burger en gemeentelijke organisatie beperkt. Bij de bomenverordening hoort een kaart met te beschermen bomen en houtopstanden. Voor de op deze kaart aangeduide bomen en groenelementen geldt een kapverbod. Onder voorwaarden kan echter een vergunning worden verleend.
De verordening geeft dus een bescherming aan de opgenomen bomen en houtopstanden binnen de gemeente. Door deze belangrijkste bomen en groenelementen te beschermen wordt de groene kernkwaliteit van de gemeente behouden en zelfs versterkt.
Deze verordening wordt nu herzien, waarbij de kaart met de te beschermen bomen en houtopstanden wordt aangepast (geactualiseerd/herzien) op basis van de uitgevoerde inventarisatie van Viforis. De nieuwe 'Verordening Bomen en Houtopstanden' wordt door de gemeenteraad vastgesteld.
Omdat de gemeente beschikt over een bomenverordening is voor het kappen van de bomen en houtopstanden, die hieronder vallen, in het bestemmingsplan geen omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden (voorheen aanlegvergunning) benodigd.
In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan legt uitsluitend de geïnventariseerde landschapselementen in het buitengebied van de gemeente Voerendaal vast.
Omdat met dit plan geen nieuwe bebouwingsmogelijkheden en milieuactiviteiten mogelijk worden gemaakt c.q. toegestaan zijn de milieu- en omgevingsaspecten als geluid, milieuhinder, externe veiligheid, parkeren et cetera voor voorliggend plan niet van toepassing. Een uitgebreide toets aan deze reguliere milieu- en omgevingsaspecten is daarmee niet noodzakelijk. Wel kan de aanwezigheid van landschapselementen van invloed zijn op de aspecten bodem, archeologie en natuur.
Algemeen
Voor de vaststelling van een bestemmingsplan moet in verband met de uitvoerbaarheid een reëel beeld aanwezig zijn van de bodem- en grondwaterkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodem- en grondwaterkwaliteit geschikt moeten zijn voor de beoogde functies, of binnen de exploitatie van het plan geschikt te maken zijn voor de beoogde functies.
Beoordeling
Met voorliggend bestemmingsplan wordt op delen van percelen waar de geïnventariseerde landschapselementen zijn aangetroffen een dubbelbestemming opgenomen. Bij de vaststelling van dit paraplubestemmingsplan is voor de individuele locaties geen toets noodzakelijk van de kwaliteit van de bodem.
Bij afvoer en toepassing van grond dient rekening te worden gehouden met de dan geldende regelgeving in het Besluit Bodemkwaliteit of de Ow. Ook moet rekening worden gehouden met het hiervoor opgestelde gemeentelijk beleid dat is vastgelegd in bodemkwaliteitskaarten en een bodembeheerplan.
Conclusie
Het aspect bodem vormt géén belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit paraplubestemmingsplan.
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Op 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Ow.
Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
Beoordeling
De Ow vast dat iedereen rekening dient te houden met natuurwaarden. Ook bij de aanleg/aanpassing van landschapselementen geldt dat hier rekening mee moet worden gehouden. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht vanuit de Ow. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Dit betekent onder meer zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt bovendien dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, dient de uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk beperkt te worden, om verstoring van diersoorten te voorkomen.
Men mag ervan uitgaan dat men zich houdt aan de regels vanuit de Ow, waardoor met dit plan geen nadelige gevolgen voor natuurwaarden worden verwacht.
Conclusie
Het aspect natuur vormt géén belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Algemeen
Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Beoordeling
De gemeente Voerendaal beschikt (in Parkstadverband) over archeologisch beleid. Op basis hiervan wordt bepaald of voor een nieuwe ontwikkeling archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. In dit onderzoek wordt dan bepaald of in een gebied archeologische resten aanwezig zijn die beschermd moeten worden.
In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' van de gemeente Voerendaal is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing. Daarbinnen wordt verwezen naar de kaart 'Archeologie', zijnde de kaart “Hoog, middelhoog en laag. Op basis van de op deze kaart weergegeven waarden en verwachtingswaarden zijn bouwregels van toepassing, kan van deze bouwregels afgeweken worden en zijn werken of werkzaamheden omgevingsvergunning plichtig. Op basis van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is het oprichten van bouwwerken en het uitvoeren van werken en werkzaamheden in een aantal gevallen alleen mogelijk, nadat uit onderzoek is gebleken dat hierbij de archeologische waarden niet in het geding zijn, dan wel door opgraving kunnen worden veiliggesteld. Hiervoor is een vergunningenstelsel in de dubbelbestemming opgenomen.
Conclusie
Rekening houdend met het voorgaande vormt het aspect archeologie géén belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Naar aanleiding van de binnengekomen reacties tijdens de inloop bijeenkomsten en ook de ingebrachte zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan is een nadere analyse gemaakt over de wijze waarop de geïnventariseerde boombeplanting het beste juridisch geregeld kan worden rekening houdende met de rijksregels, provinciale verordening en gemeentelijke bomenverordening. Dit ter voorkoming van dubbele regelgeving en een doelmatig en toepasbare regeling.
Uit de analyse is het volgende naar voren gekomen:
Deze landschapselementen kunnen het beste beschermd worden in het bestemmingsplan door middel van een dubbelbestemming. In de dubbelbestemming 'Waarde - Landschapselementen' is een omgevingsvergunning plicht opgenomen voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden, betreffende het vellen, rooien, egaliseren, afgraven of verwijderen van landschapselementen, dan wel het verrichten van werkzaamheden, die ernstige beschadiging, het versterven of de verdwijning van landschapselementen tot gevolg hebben.
De werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar als door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind, met dien verstande dat burgemeester en wethouders aan de vergunning voorwaarden kunnen stellen ter compensatie.
Op basis van selectiecriteria, waaronder mede begrepen de omvang van de houtopstanden, is bepaald op welke wijze de door Viforis hierboven benoemde geïnventariseerde landschapselementen worden beschermd. Zoals locaties met meer dan 20 bomen in een rij of meer dan 10 are (artikel 11.111 Bal). Of bomen behorende tot Natura 2000-gebieden of behorende tot gronden bestemd als 'Natuur'.
Het is niet wenselijk een vergunning vereiste op te nemen voor de boomgaarden vanwege het in principe bedrijfsmatig karakter. Dat sluit aan bij provinciale regels voor grotere houtopstanden waar de provincie bevoegd gezag is. Bovendien zijn fruitbomen in de gemeentelijke bomenverordening uitgesloten van het kapverbod. Dit mede vanwege de landelijke regeling (bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld) zoals opgenomen in artikel 11.111 Bal.
Op basis van een analyse zijn aanpassingsvarianten voorgelegd aan het college. Op basis van deze variantenverkenning heeft het college besloten om naast het paraplubestemmingsplan de bomenverordening te actualiseren (combinatievariant). Het college heeft de reactie van de raadsfracties als positief ervaren.
Op basis van de combinatievariant worden de verschillende geïnventariseerde landschapselementen door Viforis als volgt ondergebracht:
|
Graft/ Steilrand |
Holle weg | Poel | Singels | Bos/bomen | Hagen | Boomgaard | ||
| Paraplu- bestemmingsplan |
ja | ja | ja | - | - | - | - | |
| Bomen- verordening |
- | - | - | ja | ja | ja | - | |
De vaststelling van de geactualiseerde bomenverordening zal gelijktijdig worden voorgelegd aan de gemeenteraad met de vaststelling van het paraplubestemmingsplan Landschapselementen.
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Voorliggend paraplubestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische regeling waarbij de bestaande en geïnventariseerde landschapselementen in het buitengebied van Voerendaal zijn vastgelegd. Vastgelegd zijn de locatie en ook de typologie van het landschapselement. Hierbij worden de volgende landschapselementen onderscheiden:
Een geïnventariseerde boom of houtopstand in het buitengebied, die al op basis van de bomenverordening van de gemeente wordt beschermd, wordt ter voorkoming van dubbele regelgeving niet ook onder de dubbelbestemming gebracht.
Landschapselementen gesitueerd in de bestemming 'Natuur' of 'Natuur - Natuurontwikkeling' volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' hebben geen dubbelbestemming gekregen. Deze landschapsonderdelen maken onderdeel uit van de betreffende bestemming 'Natuur' of Natuur - Natuurontwikkeling' met de daarop van toepassing zijnde bestemmingsregeling.
Hiermee gaat voor alle geldende plannen, zoals vermeld in paragraaf 1.4, dezelfde regeling voor landschapselementen gelden. Het paraplubestemmingsplan heeft alleen betrekking op de regeling voor landschapselementen en beoogt geen wijziging aan te brengen in de overige regels van de vigerende plannen.
Dit betekent concreet dat voorliggend bestemmingsplan vastlegt, dat het ter plaatse van de gebiedsaanduiding voor ieder landschapstype mogelijk wordt om bij recht de bijbehorende landschapselementen te realiseren en aan te passen tenzij hiervoor een vergunning benodigd is volgens de planregels. In de begripsbepalingen van het bestemmingsplan zijn definities opgenomen van de verschillende landschapselementen. De inhoud van de regeling is in lijn met de beschrijvingen uit hoofdstuk 2 van deze toelichting.
Als landschapselementen worden aangepast door bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden is het aanvragen van een omgevingsvergunning noodzakelijk, volgens de opgenomen vergunningplicht uit het bestemmingsplan.
Het is verboden op of in de tot 'Waarde - Landschapselementen' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: het vellen, rooien, dempen, egaliseren, afgraven of verwijderen van landschapselementen, dan wel het verrichten van werkzaamheden, die ernstige beschadiging, het versterven of de verdwijning van landschapselementen tot gevolg hebben.
Het voorafgaande is niet van toepassing voor werken en/of werkzaamheden:
Artikel 31 - Waarde - landschapselementen
De regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013', voor de bestemming 'Waarde - Landschapselementen' (artikel 31) worden als volgt integraal gewijzigd:
Artikellid 31.1.1 - Bestemmingsomschrijving , met de volgende tekst:
De voor 'Waarde - Landschapselementen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding, en herstel van de in het buitengebied aanwezige kleine landschapselementen en de daarmee samenhangende landschappelijke en natuurlijke waarden, alsmede het daarmee samenhangende waterbergend vermogen van de grond, waaronder begrepen:
Artikellid 31.1.2 - Bestemmingsomschrijving , met de volgende tekst:
Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de overige aangewezen dubbelbestemmingen, bestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 41.2.
Artikellid 31.2 - Bouwregels
Niet van toepassing.
Artikellid 31.3 - Nadere eisen
Niet van toepassing.
Artikellid 31.4 - Afwijken van de bouwregels
Niet van toepassing.
Artikellid 31.5 - Specifieke gebruiksregels
Niet van toepassing.
Artikellid 31.6 - Afwijken van de gebruiksregels
Niet van toepassing.
Artikel 31.7 - Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Artikellid 31.7.1 - Vergunningplicht
Het is verboden op of in de tot 'Waarde - Landschapselementen' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
a. het vellen, rooien, dempen, egaliseren, afgraven of verwijderen van landschapselementen, dan wel het verrichten van werkzaamheden, die ernstige beschadiging, het versterven of de verdwijning van landschapselementen tot gevolg hebben.
Artikellid 31.7.2 - Uitzonderingen
Het in artikel 31.7.1 bepaalde is niet van toepassing voor werken en/of werkzaamheden:
a. in het kader van normaal onderhoud en beheer;
b. van ondergeschikte betekenis;
c. in het kader van het normale bodemgebruik;
d. welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.
Artikellid 31.7.3 - Toepassingscriteria
De werken of werkzaamheden als bedoeld in 31.7.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de in artikel 37.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de eerstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind, met dien verstande dat burgemeester en wethouders aan de vergunning voorwaarden kunnen stellen ter compensatie.
Artikellid 31.8 - Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
Niet van toepassing.
Artikellid 31.9 - Wijzigingsbevoegdheid
Niet van toepassing.
Daarnaast worden in artikel 4 (Agrarisch), artikel 6 (Agrarisch met waarden) en artikel 13 (Natuur) van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013' redactionele aanpassingen doorgevoerd.
Artikel 4 - Agrarisch
4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
a. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen, diepploegen en/of egaliseren van de bodem;
b. het verrichten van exploratie- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen;
c. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas;
d. het aanbrengen en/of amoveren van oppervlakteverhardingen;
e. het bebossen van gronden;
f. het aanbrengen van boomsingels en hakhoutwallen of andere lijnvormige beplantingen, anders dan ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap of in overeenstemming met natuurdoelen;
g. het aanleggen van een buitenmanege.
4.7.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 4.7.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:
a. in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
b. in het kader van normaal onderhoud en beheer;
c. van ondergeschikte betekenis;
d. als een omgevingsvergunning voor vellen is verleend;
e. als bedoeld in artikel 4.7.1, onder c. en f. ten aanzien van boomgaarden;
f. die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.
De analoge verbeeldingen behorende bij het paraplubestemmingsplan zijn als bijlage 1 bij de regels gevoegd.
Artikel 6 - Agrarisch met waarden
6.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
a. het wijzigen van de grondwaterstand en/of de waterhuishouding;
b. het verrichten van werkzaamheden die de dood of ernstige beschadiging van waardevolle vegetatie kunnen veroorzaken;
c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen, diepploegen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
d. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas;
e. het aanbrengen en/of amoveren van oppervlakteverhardingen;
f. het bebossen van gronden;
g. het aanbrengen van boomsingels en hakhoutwallen of andere lijnvormige beplantingen, anders dan ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap of in overeenstemming met natuurdoelen;
h. het aanleggen van een buitenmanege.
6.7.2 Uitzonderingen
Het bepaalde in artikel 6.7.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:
a. in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
b. in het kader van normaal onderhoud en beheer;
c. van ondergeschikte betekenis;
d. als een omgevingsvergunning voor vellen is verleend;
f. als bedoeld in artikel 6.7.1, onder d. en g. ten aanzien van boomgaarden;
e. die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.
Artikel 7 - Natuur
13.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.7.1 Vergunningplicht
Het is verboden op of in de voor 'Natuur' aangewezen gronden in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:
a. het wijzigen van de grondwaterstand en/of de waterhuishouding;
b. het aanleggen van water en/of waterhuishoudkundige voorzieningen;
c. het aanbrengen of amoveren van oppervlakteverhardingen;
d. het bebossen van gronden, behoudens bij wijze van houtteelt in het kader van bestaand agrarisch gebruik;
e. het aanbrengen van boomsingels en hakhoutwallen of andere lijnvormige beplantingen, anders dan ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landschap of in overeenstemming met natuurdoelen.
Door het Bro heeft de gemeente de onderzoek verplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen (artikel 3.1.6 lid 1 sub f Bro).
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of als:
Beoordeling
Binnen het plangebied worden middels dit bestemmingsplan geen bouwplannen mogelijk gemaakt, zoals bedoeld in artikel 6.12, lid 1 Wro in samenhang met artikel 6.2.1. onder a Bro. Voor het onderhavige bestemmingsplan is daarom geen exploitatieplan of anterieure overeenkomst nodig.
Conclusie
Het vaststellen van een exploitatieplan is gezien het voorgaande niet noodzakelijk en de economische uitvoerbaarheid is gewaarborgd.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1 Wro kennen burgemeester en wethouders aan degene die schade leidt als gevolg van de inwerkingtreding van onder andere een bestemmingsplan een tegemoetkoming toe voor zover de schade niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Beoordeling
Een verzoek om tegemoetkoming in planschade zal nauwelijks kans van slagen hebben, gezien de aard en omvang van de verandering en de daarmee gepaard gaande impact op de omgeving en ook de drempel die van toepassing is ten aanzien van het aspect normaal maatschappelijk risico.
Conclusie
Op basis van bovenstaande overwegingen wordt de (voorgenomen) ontwikkeling ten aanzien van het aspect planschade economisch uitvoerbaar geacht.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie.
Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
In het kader van het wettelijk vooroverleg is het bestemmingsplan voorgelegd aan de relevante bestuurlijke partners. Van het vooroverleg kan worden afgezien als de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is.
De gemeente Voerendaal wenst de bestaande landschapselementen in het buitengebied te behouden en planologisch te borgen. Daarvoor zijn alle relevante landschapselementen in het buitengebied in 2022 opnieuw geïnventariseerd op aard en situering. Deze elementen worden in een nieuw paraplubestemmingsplan juridisch-planologisch vastgelegd.
Om belanghebbenden in het buitengebied alvast te informeren over de inhoud van het nieuwe paraplu bestemmingsplan heeft de gemeente Voerendaal een inloopbijeenkomst georganiseerd. Daarbij zijn alle eigenaren van de percelen waarop de geïnventariseerde landschapselementen zich bevinden persoonlijk aangeschreven om de inloopbijeenkomst te bezoeken. Vanwege het groot aantal aanmeldingen is de inloopbijeenkomst verdeeld over een tweetal avonden, te weten 27 september en 11 oktober 2023.
Tijdens deze inloopbijeenkomsten konden belangstellenden het kaartmateriaal inzien, vragen stellen aan de aanwezige deskundigen en werd de te volgen procedure kort toegelicht. Met de indieners van achtergelaten schriftelijke reactieformulieren is nadien contact opgenomen.
Het ontwerp paraplubestemmingsplan heeft vanaf vrijdag 8 december 2023 tot en met donderdag 18 januari 2024 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Deze stukken konden gedurende de openingstijden worden ingezien bij de Gemeente Voerendaal aan het Raadhuisplein 1, 6367 ED te Voerendaal. Ook kon een afspraak gemaakt worden via het Klant Contact Centrum (045-575 33 99). Het plan is ook digitaal beschikbaar gesteld via www.ruimtelijkeplannen.nl met het identificatienummer NL.IMRO.0986.BPlandschapelement-ON01.
Eenieder kon gedurende de hiervoor genoemde inzage termijn een schriftelijke (bij voorkeur) of mondelinge zienswijze indienen op het ontwerpbestemmingsplan. Schriftelijke zienswijzen moesten worden gericht aan de gemeenteraad van Voerendaal.
In een bijlage bij dit bestemmingsplan zijn de binnengekomen zienswijzen samengevat en van een antwoord voorzien.
Van de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen tegen het ontwerpbestemmingsplan is gebruik gemaakt. In een 'Nota van zienswijzen en wijzigingen' zijn de ingebrachte zienswijzen samengevat en is het standpunt van de gemeente weergegeven. De 'Nota van zienswijzen en wijzigingen' is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. De ingebrachte zienswijzen hebben aanleiding gegeven om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen/aan te vullen. Deze aanpassingen zijn in de 'Nota van zienswijzen en wijzigingen' opgenomen en door de gemeenteraad vastgesteld.
Een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan is dat het plan handhaafbaar dient te zijn. De begrippen toezicht en handhaving definiëren wij als "elke handeling van de gemeente die er op is gericht de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding daarvan te beëindigen".
Handhaving van het ruimtelijke beleid is een voorwaarde voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.1 Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders zorgdragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of op grond van de Wro. Uitvoering van de bestuursrechtelijke handhaving geschiedt volgens de gemeentelijke handhavingsstrategie.