| Plan: | Woningen Raadhuisplein en Keerberg te Voerendaal |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0986.BPRhplnKeerberg-VA01 |
Het voorliggende plan komt voort uit de wens om binnen het plangebied een drietal woningen te realiseren. Met het voorliggende plan wordt een regeling vastgesteld die de realisatie van deze woningen mogelijk maakt.
Het plangebied is in het centrum van de kern Voerendaal gelegen, op de hoek van het Raadhuisplein en de Keerberg, tegenover het raadhuis van de gemeente. Op onderstaande afbeelding is het plangebied aangegeven met ligging in de omgeving.
Ligging plangebied (rood omrand) in de omgeving (bron: Google)
Het plangebied omvat de percelen van de vier bestaande woningen aan het Raadhuisplein 2 en Keerberg 87, 89 en 91, alsmede het voormalige apotheekgebouw aan het Raadhuisplein 2a.
Binnen het plangebied geldt momenteel bestemmingsplan 'Voerendaal-Kunrade' zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Voerendaal op 1 oktober 2015. Binnen dit bestemmingsplan zijn aan het plangebied de enkelbestemmingen 'Woongebied', 'Maatschappelijk', de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1', de gebiedaanduidingen 'milieuzone - bodembeschermingsgebied' en 'vrijwaringszone - straalpad' en de bouwaanduiding 'aaneengebouwd' toegekend.
Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Voerendaal-Kunrade' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van drie woningen binnen de bestaande bebouwing binnen het plangebied. De twee voorziene woningen in de bestaande bebouwing aan de Raadhuisplein 2 en Keerberg 87, 89 en 91 voldoet niet aan het vigerende bestemmingsplan, wegens strijdigheid met de voorgeschreven bebouwingstypologie. Het betreft twee-aaneen gebouwde woningen daar waar op grond van het vigerende bestemmingsplan uitsluitend aaneengebouwde woningen (rijwoningen) zijn toegestaan. De voorziene woning in de bestaande bebouwing aan het Raadhuisplein 2a valt in het vigerende bestemmingsplan binnen de bestemming 'Maatschappelijk', waarbinnen woondoeleinden niet zijn toegestaan. Om deze strijdigheid weg te nemen is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) staat omschreven wat een bestemmingsplan tenminste moet omvatten. Deze onderdelen maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan en zijn als volgt:
In deze toelichting wordt een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en de daaraan ten grondslag liggende gedachten gegeven. De toelichting bevat de navolgende hoofdstukken:
Deze toelichting maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Woningen Raadhuisplein en Keerberg te Voerendaal'. Naast deze toelichting behoren de verbeelding en de regels tot dit bestemmingsplan. De regels en verbeelding vormen samen het juridisch kader voor het gebruik en de bouwmogelijkheden van de gronden.
Het eerste geschrift waarin het dorp Voerendaal genoemd wordt dateert uit de 11e eeuw, te weten een oorkonde van 20 juni 1065. In deze oorkonde staat een vermelding van de inwijding van de Sint-Laurentiuskerk door Paus Leo IX, die op 10 augustus 1049 zou hebben plaatsgevonden. De Sint-Laurentiuskerk bij het centrum is de enige door een paus ingewijde kerk van Nederland. Oudere documenten ontbreken, maar historici vermoeden dat het dorp nog vele eeuwen ouder moet zijn.
Voerendaal was gedurende delen van de 11e eeuw en de 12e eeuw tot onbekende datum het centrum van het geloof binnen een uitgestrekt deel van de streek. Onder andere Kunrade, Ubachsberg en zelfs Heerlen behoorden destijds tot de parochie van Voerendaal. In Heerlen werd al gauw een nieuwe kerk gebouwd en de Sint-Pancratiusparochie opgericht, de andere dorpen volgden pas vele eeuwen later. Ook op bestuurlijk gebied behoren Ubachsberg en Kunrade al van oudsher tot Voerendaal en dat is ongewijzigd gebleven.
Voerendaal/Kunrade is in overwegende mate een woonkern waarin van oudsher in en nabij de oude kern en langs de wegen verspreid voornamelijk agrarische bebouwing aanwezig is geweest. Het meest duidelijk komt dat tot uiting langs de Valkenburgerweg waar de kenmerkende bebouwing nog duidelijk herkenbaar is. Deze weg kent nog steeds een sterke menging van functies waar wonen, (agrarische) bedrijvigheid en incidentele winkels elkaar afwisselen, met een concentratie nabij het kruispunt Valkenburgerweg/Hogeweg op geringe afstand ten zuiden van het plangebied. Ook de oostelijk van het plangebied gelegen Hoolstraat/Hogeweg is van oudsher een van de belangrijke straten in Voerendaal en kent een menging van wonen met overige functies met een toenemende verdichting van de laatste in noordelijke richting. Het gebied rondom het Kerkplein, noordelijk van het plangebied, heeft een duidelijke rol als centrum van voorzieningen.
In de kernen Voerendaal en Kunrade is 'Wonen' de meest voorkomende functie. In de meeste gevallen gaat het daarbij om eengezinswoningen. In sommige gevallen wordt de woonfunctie gecombineerd met een aan-huis-gebonden beroep of bedrijf. Dit soort functies is altijd ondergeschikt aan de woonfunctie. In het huidige bestemmingsplan is de beroeps- of bedrijfsfunctie beperkt tot het hoofdgebouw. Met toepassing van een procedure tot afwijking van het bestemmingsplan kan medewerking worden verleend aan het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis in een bijbehorend bouwwerk. Het vigerende bestemmingsplan bevat een uitsterfregeling die inhoudt dat in dergelijke voorkomende gevallen, indien gedurende een aaneengesloten periode van minimaal drie jaren de specifieke bedrijfsmatige functie niet wordt uitgeoefend, zij ter plaatse niet meer mag worden voortgezet. Deze regeling is overgenomen in onderhavig bestemmingsplan.
Binnen het plangebied zijn in de huidige situatie aaneengesloten woningen gelegen. Met de voorgenomen ontwikkeling zal de verschijningsvorm van de bestaande bouwmassa niet wijzigen, echter door de afname van het aantal woningen zal in de nieuwe situatie sprake zijn van twee-onder-één-kapwoningen.
In de huidige situatie zijn in het plangebied vier woningen en een voormalige vestiging van een apotheek aanwezig. Op onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie (zowel plattegronden als gevelaanzichten) weergegeven.
Bestaande situatie in het plangebied (bron: Wehrung Architecten)
Bestaande gevels van de huidige bebouwing (bron: Wehrung Architecten)
Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van een drietal woningen mogelijk, ter vervanging van vier bestaande woningen gelegen aan en een voormalige apothekersvestiging. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van de bestaande bouwmassa, er vindt geen uitbreiding van bebouwing plaats. Wel worden de bestaande panden anders ingedeeld. Op onderstaande afbeeldingen staat de nieuwe situatie (plattegronden en gevelaanzichten) aangegeven.
Nieuwe indeling van de bestaande bouwmassa (bron: Wehrung Architecten)
Gevelaanzichten in de nieuwe situatie (bron: Wehrung Architecten)
De bestaande verharding c.q. het parkeren in de zijtuin komt te vervallen. Deze zijtuin wordt inricht als tuin bij de woningen in combinatie met de noodzakelijke parkeerplaatsen op eigen terrein om daarmee invulling te geven aan parkeren op eigen terrein. Het gevolg hiervan is dat het parkeren hier komt te vervallen. Hier wordt momenteel geparkeerd ten behoeve van de tandartsenpraktijk. De verandering van het gebruik en de nieuwe inrichting van de zijtuin levert op voorhand geen knelpunten op wat betreft parkeren en verkeer. In de directe omgeving zijn in principe voldoende parkeervoorzieningen aanwezig.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt onder andere de Nota Ruimte en de Nota Mobiliteit.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) speelt in op de volgende ontwikkelingen en uitdagingen:
Om goed op deze ontwikkelingen en eisen in te spelen is een beleid nodig dat toekomstbestendig is en de gebruiker ruimte geeft. Dit vraagt een grondige actualisatie van de bestaande beleidsnota's voor ruimte en mobiliteit. De structuurvisie voorziet hierin door overheden, burgers en bedrijven de ruimte te geven om oplossingen te creëren. Het Rijk gaat zich meer richten op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van belangen voor Nederland als geheel. Het Rijk ziet verder toe op de deregulering waarmee jaarlijks vele miljoenen euro's kunnen worden bespaard.
De provincies en gemeenten zullen afspraken maken over verstedelijking, groene ruimte en landschap. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Het Rijk verbindt ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit en zet de gebruikers centraal. Het zijn bewoners, ondernemers, reizigers en verladers die Nederland sterk maken. Provincies en gemeenten krijgen de ruimte zelf maatwerk te leveren. Zo werkt het Rijk aan een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.
Hiertoe zijn voor de middellange termijn (2028) drie doelen gesteld:
Het Rijk benoemt 13 nationale belangen; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of projectspecifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan.
De SVIR voorziet niet in onderwerpen die op het plangebied van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de SVIR gelden.
De SVIR (zie paragraaf 4.1.1) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit Besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken.
Door middel van het Barro worden voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gesteld ten behoeve van de verwerking in bestemmingsplannen. In het SVIR is aangegeven wat het nationale belang is van het stellen van regels voor deze onderwerpen. Het Barro stelt in eerste instantie regels voor het project Mainportontwikkeling Rotterdam, het kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het waddengebied, defensie en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op een later moment zal het besluit worden aangevuld met andere onderwerpen uit de SVIR.
De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend/beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt. Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen. Tevens geeft de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro.
Het Barro voorziet niet in een onderwerp dat op het plangebied van toepassing is. Dit houdt in dat voor het planvoornemen geen beperkingen vanuit de Barro gelden.
Op 1 oktober 2012 is onder andere het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd. In artikel 3.1.6 is een nieuw lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen, de zogenoemde ‘ladder duurzame verstedelijking’. Het doel hiervan is een goede ruimtelijke ordening door middel van een zorgvuldige afweging over het ruimtegebruik.
De ladder bestaat uit drie treden:
Met het voorliggende planvoornemen wordt een afname van de woningvoorraad binnen bestaand stedelijk gebied bewerkstelligd, waarbij tevens leegstand van bestaande bebouwing wordt tegengegaan door hergebruik van deze bestaande bebouwing. Hieraan ligt een afweging van zorgvuldig ruimtegebruik ten grondslag.
Op basis van het vorengaande wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Ladder duurzame verstedelijking.
Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het Provinciaal OmgevingsPlan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden. Het POL 2014 heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet), Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).
In het POL 2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren.
In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering.
De belangrijke principes in het limburgs omgevingsbeleid zijn:
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, onderscheiden we in dit POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Zonering POL 2014 met globale ligging plangebied (roodomrand) (bron: Provincie Limburg)
Het plangebied ligt binnen het bestaand bebouwd gebied in de zone 'Overig bebouwd gebied'. Dit zijn gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. Eén van de accenten in het overig bebouwd gebied is de transformatie van de regionale woningvoorraad. In het POL heeft de provincie ten aanzien van wonen de ambitie neergelegd om te komen tot een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen, met een woningmarkt die voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek biedt. Dynamisch voorraadbeheer kan hieraan bijdragen. Werken aan de kwaliteit van de bestaande voorraad, kwaliteitsverbetering, herstructurering en waar nodig sloop zijn daarbij de in te zetten middelen. Het planvoornemen sluit goed aan bij voornoemde ambitie en uitgangspunten in het POL.
De Omgevingsverordening Limburg (2011) was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Vanwege de vaststelling van het POL2014 is de Omgevingsverordening Limburg gewijzigd en opnieuw vastgesteld. De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld door Provinciale Staten en is per 16 januari 2015 in werking getreden.
In de Omgevingsverordening wordt de juridische doorwerking van het omgevingsbeleid geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk Ruimte, waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden tevens in de Omgevingsverordening juridisch geborgd. Daarnaast is voor Voerendaal-Kunrade relevant dat de Verordening Wonen Zuid-Limburg is opgenomen in de Omgevingsverordening.
Bodembeschermingsgebied
Het plangebied maakt onderdeel uit van het bodembeschermingsgebied Mergeland. In dit gebied wordt gestreefd naar een kwaliteit van bodem, grondwater en landschap die voldoet aan de eisen die de aanwezige – en bijzondere – biotopische, a-biotopische en cultuurhistorische waarden stellen. Op het bodembeschermingsgebied is de beschermingsregeling, zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg van toepassing.
Het bodembeschermingsgebied is als gebiedsaanduiding op de verbeelding en in de regels opgenomen.
De woonregio Parkstad bestaat uit de gemeenten Heerlen, Onderbanken, Brunssum, Kerkrade, Landgraaf, Nuth, Simpelveld en Voerendaal. Deze woonregio heeft tot januari 2015 de status van een WGR+-regio, waardoor onder andere op het beleidsterrein 'Wonen en de Herstructurering van wijken en kernen', in het kader van de demografische ontwikkelingen, de bevoegdheden bij de Stadsregio Parkstad Limburg zijn gelegd.
Door de structurele bevolkingsafname en de verandering van de bevolkingssamenstelling is de woningbouwopgave in Parkstad Limburg een kwalitatieve vervangingsopgave: herstructurering en transformatie van het woningbezit. De kwalitatieve transformatieopgave betreft de vervangingsopgave van circa 13.000 bestaande woningen.
Aan de voorgenomen ontwikkeling liggen de uitgangspunten van deze strategie ten grondslag.
De gemeenten in de stadsregio parkstad Limburg hebben samen de Regionale Woningmarktprogrammering 2013-2016 opgesteld. Het doel van de regionale woningmarktprogrammering is om volume terug te brengen in de woningbouwprogrammering en daarbij te sturen op de kwaliteit.
De stadsregio Parkstad Limburg wil de herstructurering van de bestaande woningvoorraad stimuleren. In dat kader is een kwalitatief afwegingskader opgesteld. De algemene lijn van dit afwegingskader is dat vanuit markttechnisch oogpunt afstand gedaan wordt van minder aantrekkelijke woningen ten faveure van markttechnisch relatief goede plannen. De geprogrammeerde plannen (verankerd in de zogenaamde envelop 2012-2020) zijn per gemeente en per plan afgezet tegen het kwalitatieve afwegingskader. Naar aanleiding hiervan zijn de geplande woningbouwplannen verdeeld in de volgende categorieën:
De bestaande woningbouwprojecten kunnen worden verdeeld in de volgende categorieën:
Binnen het plangebied is sprake van een ontwikkeling van categorie 1. Op grond van de woningmarktprogrammering kan geconcludeerd worden dat in kwalitatieve en kwantitatieve zin de plannen passen binnen de regionale woningmarktprogrammering.
De regio Parkstad heeft in februari 2014 het Ambitiedocument Parkstad Limburg Energie Transitie (PALET) vastgesteld (zie www.parkstad-limburg.nl). Hierin is de ambitie opgenomen om toe te werken naar Parkstad als energieneutrale regio. De twee hoofdpijlers om dit te bereiken zijn energiebesparing en de inzet van duurzame energiebronnen. In het ambitiedocument is een ruimtelijk scenario uitgewerkt. Dit zal vertaald gaan worden naar een uitvoeringsprogramma, waarbij elke gemeente haar eigen accenten zal aanbrengen.
PALET heeft vooralsnog geen planologische impact voor onderhavig plangebied.
Het RVVP moet aansluiten op het Regioprogramma. In het regioprogramma is opgenomen dat voor mobiliteit economische structuurversterking via ringwegen en Euregionaal openbaar vervoer voorop staat.
De doelstellingen van het RVVP sluiten aan bij die van het Regioprogramma:
In het RVVP zijn geen concrete projecten opgenomen die zijn gelegen binnen het plangebied. Wel dient het bestemmingsplan geen belemmering te vormen voor de regiobrede projecten zoals 'duurzaam veilig', uitvoeringsprogramma actieplan fiets, actieplan verkeersveiligheid en energietransitie.
Een afname van de bevolking en van het aantal huishoudens betekent een afname van de vraag naar woningen. Dit leidt vervolgens tot een overschot aan woningen en woningbouwcapaciteit. Wil Stadsregio Parkstad Limburg in de toekomst de kwaliteit van de leefomgeving kunnen behouden of verder verbeteren, dan zal het overschot aan woningen teruggebracht moeten worden. Het beleid van Parkstad is dan ook gericht op het in evenwicht brengen van vraag en aanbod van woningen en een kwalitatieve verbetering van de regionale woningvoorraad.
Zoals geschetst in het regionale woonbeleid (o.a. Regionale woonvisie, woningbouwprogrammering en herstructureringsvisie) is het, mede uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gezien de voorziene ontwikkelingen van het aantal huishoudens in Parkstad Limburg, niet gewenst om de regionale woningvoorraad verder te laten toenemen om het (toekomstige) overschot aan woningen niet nog verder te laten toenemen. Wel blijft de noodzaak aanwezig om de samenstelling van de woningvoorraad aan te passen aan de veranderende woonwensen. Daarvoor zullen nieuwe woningen moeten worden gerealiseerd die dienen als vervanging van bestaande voorraad (transformatie).
Het voorliggende bestemmingsplan geeft invulling aan deze beleidsdoelstellingen.
De Parkstad Limburg gemeenten hebben gezamenlijk een archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart 2013 opgesteld. Het betreft de gemeenten: Heerlen, Kerkrade, Brunssum, Landgraaf, Onderbanken, Voerendaal, Simpelveld en Nuth.
Het plangebied dat is onderzocht is rijk aan archeologische resten. De vroegste bewoningssporen dateren uit het Midden Paleolithicum (300.000-35.000 voor Chr.). De meeste archeologische vindplaatsen dateren uit de Romeinse tijd. In de gemeente Voerendaal zijn Romeinse nederzettingen bekend. Het gebied bleef bewoond tijdens de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd, waarvan vele historische kernen, versterkte hoeves en kastelen getuige zijn.
Het doel van het opstellen van de archeologische verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart is om ten behoeve van toekomstige planvorming en planuitvoering inzicht te verschaffen in de kans op aanwezigheid van en het karakter van de archeologische en historische resten in de verschillende gemeenten. De verwachtings- en cultuurhistorische advieskaart is bij planvorming en uitvoering het uitgangspunt voor toetsing van mogelijk in het geding zijnde waarden.
Dit archeologisch beleid vormt dan ook de onderlegger voor het aspect archeologie in het bestemmingsplan. De archeologische verwachtingen en -vindplaatsen zoals weergegeven in de hierop volgende afbeelding zijn vertaald op de verbeelding en in de planregels van het bestemmingsplan door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.
Archeologische verwachtings- en beleidskaart (uitsnede Voerendaal-Kunrade)
Bij besluit van 8 december 2003 heeft de gemeenteraad van Voerendaal de Structuurvisie Kunrade-Voerendaal vastgesteld. Vervolgens is op 4 juli 2005 het bestemmingsplan “Voerendaal-Kunrade” vastgesteld. Daar zijn de uitgangspunten van de structuurvisie uiteraard in meegenomen. Aangezien nu een actualisatie plaatsvindt van het in 2005 vastgestelde bestemmingsplan, ligt ook deze actualisatie overwegend in lijn met de structuurvisie. Daarbij is natuurlijk rekening gehouden met gewijzigde omstandigheden ten opzichte van 2003, zoals de veranderende woningbouwmarkt.
In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2012 (GVVP) (vastgesteld d.d. 15 december 2011) zijn de ambities uitgesproken, doelen gesteld en maatregelen opgesteld om de gemeente Voerendaal ook in de toekomst in beweging te kunnen houden. In het GVVP zijn hiervoor acht thema's opgenomen, te weten autoverkeer, vrachtverkeer, openbaar vervoer, langzaam verkeer: fietsers en voetgangers, langzaam verkeer: landbouwverkeer, leefbaarheid en verkeersveiligheid, parkeren en gedragsbeïnvloeding. Voor ieder thema is de ambitie vastgelegd en vertaald naar doelstellingen. Op basis van deze doelstellingen is een uitvoeringsprogramma 2012-2015 opgesteld met daarin de projecten en acties die de komende jaren zullen worden opgepakt.
In zijn algemeenheid is de doelstelling om de gemeente Voerendaal goed bereikbaar te houden. Daarbij geldt voor de dorpen dat leefbaarheid de voorkeur krijgt boven doorstroming en dat veiligheid voorop staat.
Voor het bestemmingsplan heeft het GVVP geen directe ruimtelijke consequenties. Binnen het plangebied zijn geen verkeersstructuren gesitueerd. Ook aan de ontsluiting van het plangebied vinden geen wijzigingen plaats.
Op 27 juni 2013 is de Welstandsnota Voerendaal vastgesteld. In deze welstandsnota zijn door de gemeente Voerendaal welstandsgebieden met bijbehorende welstandsniveaus bepaald. Aan de hand van deze gebieden worden criteria gesteld voor nieuw- of verbouw van bouwwerken. De gebiedscriteria zijn opgesteld per gebied dat een samenhangend karakter heeft. De gebieden zijn als volgt ingedeeld:
Beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning vindt plaats op verschillende schaalniveaus. In onderstaande tabel is aangegeven welke aspecten worden getoetst bij de
verschillende welstandsniveaus.
Naast het bestemmingsplan biedt de welstandsnota het kader waarbinnen bouwplannen ontworpen en beoordeeld moeten worden. Een bouwplan zal worden beoordeeld door de welstandscommissie en dient te voldoen aan de redelijke eisen van welstand. De welstandsnota heeft geen ruimtelijke consequenties voor het bestemmingsplan.
Op 28 juni 2012 is het meerjaren volkshuisvestingsplan: 'Samen bouwen aan wonen in Voerendaal 2020' door de gemeenteraad van Voerendaal vastgesteld. Dit beleid, dat is opgesteld in samenwerking met de woningstichting Voerendaal en Parkstad Limburg, bestaat uit een visie-deel ten aanzien van het wonen en een uitvoeringsprogramma. Aan de hand hiervan zijn de ambities en doelstellingen geformuleerd om een toekomstbestendig woon- en leefklimaat te realiseren voor de gemeente en de afzonderlijke kernen in het bijzonder.
Het doel is om ook voor de toekomst een balans te behouden tussen vraag en aanbod van woningen in de gemeente Voerendaal. Het gaat om evenwicht in zowel aantallen woningen als de samenstelling. Het streven is om de mogelijke kwantitatieve en kwalitatieve onevenwichtigheden in de woningmarkt weg te nemen dan wel te voorkomen. De focus ligt op het oplossen van de kwalitatieve mismatch.
Iedere kern heeft een eigen signatuur en heeft te maken met een eigen demografische ontwikkeling. Daarom is per kern de opgave gedefinieerd en aangegeven hoe de gemeente deze opgave gaat realiseren.
Opgave 2010-2020 kern Voerendaal
Gezien de aanwezigheid van een uitgebreid voorzieningenpakket, het aandeel huurwoningen en de hoogte van de woningwaarden is de kernen Voerendaal aantrekkelijk woongebied voor jongeren én ouderen.
Binnen het plangebied worden de bouwmogelijkheden bij de realisatie van de nieuwe woningen afgestemd op de hedendaagse woonwensen waardoor de bewoners binnen het plangebied een woning krijgen die voldoet aan de moderne inzichten op dit gebied. Daarnaast is mantelzorg mogelijk op basis van de regeling die de landelijke wetgever sinds 1 november 2014 in het Besluit omgevingsrecht heeft opgenomen.
In het Gemeentelijk Waterplan (vastgesteld d.d. 14 april 2011) heeft de gemeente Voerendaal haar visie op het omgaan met water neergelegd. Uitgangspunt is het streven naar een duurzaam watersysteem, dat wil zeggen voor nu en altijd veilig, schoon, voldoende, natuurlijk en aantrekkelijk water. Daartoe worden de volgende waterdoelen nagestreefd:
In zowel openbaar gebied als op de bebouwde kavels is het streven het regenwater van daken, terrassen en inritten af te koppelen ten behoeve van infiltratie.
Binnen het plangebied zijn geen waterlopen gelegen.
De voorgenomen realisatie en verbouw van de woningen vindt binnen de bestaande bebouwing in de vorm van een voormalige apotheekvestiging en woningen plaats. Op basis hiervan zijn geen verontreinigingen te verwachten in de ondergrond. Tevens dient de bodemkwaliteit al van dien aard te zijn dat voornoemde functies ter plaatse uitgeoefend konden worden. Er vinden daarnaast geen bodemingrepen plaats.
Derhalve wordt geconcludeerd dat er vanuit de milieuhygiënische bodemkwaliteit geen belemmeringen zijn te verwachten voor het beoogd gebruik voor woondoeleinden.
Inleiding
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van een geluidgevoelig object in de vorm van een woning ter plaatse van de voormalige apotheekvestiging mogelijk gemaakt. De woningen binnen het plangebied zijn gelegen binnen de wettelijke onderzoekszone van de Hogeweg. Voorts grenzen de woningen direct aan het Raadhuisplein en de Keerweg, beiden 30 km/uur-wegen. Deze laatstgenoemde wegen hebben geen wettelijke zone, echter vanuit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient het akoestisch effect van deze wegen wel onderzocht te worden.
Op grond van de ligging binnen de zone van een zoneplichtige weg alsmede nabij 30 km/uur-wegen dient inzichtelijk te worden gemaakt of er in de toekomstige situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daartoe is in oktober 2015 een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn in het hiernavolgende weergegeven. De volledige rapportage van het onderzoek is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd.
Onderzoeksresultaten
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De geluidbelasting is getoetst aan het stelsel van voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder.
De planlocatie is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde zone van de Hogeweg. De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de Hogeweg bedraagt na aftrek artikel 110g Wet geluidhinder 46 dB. De voorkeurgrenswaarde (48 dB) uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd.
Naast de gezoneerde weg zijn in de nabijheid van het plan eveneens zogenaamde 30 km/uur-wegen gelegen die volgens de Wet geluidhinder niet zijn voorzien van een geluidzone. De geluidbelasting op de gevels van de patiowoning en 2 woningen aan de Keerberg ten gevolge van de 30 km/uur-wegen én de gezoneerde Hogeweg is wel inzichtelijk gemaakt in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
De cumulatieve geluidbelasting, exclusief aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder, ten gevolge van alle wegen (zoneplichtig en niet zoneplichtig) in de directe omgeving van het plangebied, bedraagt ten hoogste 57 dB. Hiermee is het woon- en leefklimaat te classificeren als “matig” overeenkomstig de methode Miedema.
Conform het Bouwbesluit 2012 dient bij het realiseren van de woningen de gevels wel een voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie (GA;k) te hebben zodat een binnenniveau van 33 dB gerespecteerd blijft.
Conclusie
Het aspect geluid vanwege de omliggende wegen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Op basis van de risicokaart wordt geconcludeerd dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle objecten aanwezig zijn en dat er geen transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt dan wel risicovolle leidingen aanwezig zijn. Het dichtstbijzijnde risicovolle object is gelegen op een afstand van ongeveer 600 meter.
Uitsnede risicokaart plangebied en omgeving (bron: risicokaart.nl)
Op grond van het vorengaande wordt geconcludeerd dat er geen nader onderzoek naar externe veiligheid noodzakelijk is. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan.
Op basis van de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen‘ (Regeling NIBM) en de meest recente juridische inzichten wordt ervan uitgegaan dat het plan niet in betekende mate bijdraagt aan de concentraties van stoffen die invloed hebben op de luchtkwaliteit. De afname van 1 woning ten opzichte van de vigerende situatie blijft namelijk onder de grenswaarde van het aantal woningen van 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg, zoals opgenomen in de Regeling NIBM . Daarnaast neemt de verkeersaantrekkende werking ter plaatse af als gevolg van de beëindiging van de apotheek ter plaatse. Op grond van artikel 5.16 Wet milieubeheer hoeft het planvoornemen niet te worden getoetst aan de grenswaarden.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan.
Met de realisatie van voorgenomen ontwikkeling binnen de bestaande bebouwing blijft de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse ongewijzigd. Er vindt geen toename van verhard oppervlak plaats. Tevens ontstaan er geen andere afvalwaterstromen dan in de bestaande situatie. Er worden als gevolg van de ontwikkeling twee huishoudens van het vuilwaterafvoersysteem afgekoppeld en de aansluiting van een apotheker wordt omgezet in een aansluiting van een huishouden.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft geen (negatieve) effecten op de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied en in de omgeving daarvan. Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan heeft de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. In de bijbehorende regels wordt verwezen naar de archeologische verwachtingskaart waarin de locatie een lage archeologische verwachting heeft. Dit houdt in dat bij ontwikkelingen met een verstoringsoppervlak van meer dan 10.000 m2 en waarbij binnen een straal van 50 meter zich geen archeologische vindplaatsen bevinden, archeologisch onderzoek verricht moet worden. Aangezien de realisatie van de woningen binnen de bestaande bebouwing plaatsvindt en daarmee geen bodemingrepen noodzakelijk zijn dient een dergelijk onderzoek niet te worden uitgevoerd.
De regeling zoals in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen ten aanzien van het aspect archeologie is onverminderd van toepassing op de gronden binnen het plangebied. Deze regeling is derhalve ook in de regels en op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan opgenomen.
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan.
De voorgenomen realisatie van de woningen vindt plaats binnen de bestaande bebouwing en het bestaand bebouwd gebied van de kern Voerendaal. Er zijn derhalve geen natuurwaarden in het geding. Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan.
Verkeer
De huidige situatie voorziet in vier woningen en de mogelijkheid voor een maatschappelijke functie (zoals bijvoorbeeld de voormalige apotheker), met bijbehorende verkeersaantrekkende werking en parkeerbehoefte.
In de nieuwe situatie worden drie woningen mogelijk gemaakt. Aan de ontsluitingssituatie van de betreffende percelen wordt niets gewijzigd.
Parkeren
Op eigen terrein wordt voorzien in vier parkeerplaatsen, een garage welke dient voor de stalling van een motorvoertuig en een voor de garage gelegen oprit welke ruimte biedt aan tenminste twee mototrvoertuigen. In totaal wordt er derhalve ruimte geboden voor het parkeren van 7 motorvoertuigen.
Uitgangspunt voor het bepalen van de parkeerbehoefte is de ligging van het plangebied en de stedelijkheidsgraad van de omgeving van het plangebied, in combinatie met de woningtypologie. De bijbehorende parkeerkencijfers zijn opgenomen in bijlage 4 Parkeerkencijfers bij de planregels.
Voor onderhavig planvoornemen wordt uitgegaan van twee twee-onder-één-kap-koopwoningen en één vrijstaande koop(patio)woning in matig stedelijk gebied in de schil rondom het centrum van de kern. Hierbij is de parkeerbehoefte voor twee-onder-één-kapwoningen minimaal 1,4 en maximaal 2,2 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte voor de vrijstaande (patio)woning bedraagt minimaal 1,5 en maximaal 2,3 parkeerplaatsen.
Dit resulteert in een parkeerbehoefte van minimaal 4,3 (= 5) parkeerplaatsen en maximaal 6,7 (= 7) parkeerplaatsen. Met de voorziene 7 parkeerplaatsen op eigen terrein wordt derhalve in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte.
Binnen of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen kabels en leidingen gelegen waarvoor een specifieke planologische regeling noodzakelijk is dan wel waaruit belemmeringen voor de planontwikkeling uit voort vloeien.
Over het oostelijk deel van het plangebied is een straalpad gelegen. Op de verbeelding van het plan is het straalpad als 'vrijwaringszone - straalpad' aangegeven. In de planregels is een passende regeling ter bescherming van de belangen van het straalpad opgenomen. In de regels is opgenomen dat de bebouwing ter plaatse van deze vrijwaringszone niet hoger mag zijn dan 20 meter ten opzichte van het plaatselijk maaiveld. De bouwregels binnen de ter plaatse geldende enkelbestemming laat geen bebouwing toe welke een bouwhoogte van meer dan 20 meter boven maaiveld heeft. Er volgen geen belemmeringen uit de aanwezigheid van het straalpad voor de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan.
Een zestal randvoorwaarden en gegevens bepaalt de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels en de verbeelding van de gemeente Voerendaal:
Om verwarring tussen Wro (bestemmingsplan) en Wabo (vergunningvrij bouwen) zoveel mogelijk te voorkomen, zijn daar waar juridisch doelmatig, deze qua regeling en begripsbepalingen, onder andere over bijgebouwen en erf, op elkaar afgestemd.
Dit bestemmingsplan is opgesteld conform het Handboek Bestemmingsplan van de gemeente Voerendaal. Het handboek heeft als doel om eenduidig voor te schrijven op welke wijze bij het opstellen van bestemmingsplannen moet worden omgegaan met:
Door toepassing van de afspraken in dit handboek is een uniforme opbouw en presentatie van bestemmingsplannen gewaarborgd.
Het onderhavige bestemmingsplan betreft een ontwikkelingsgericht plan, waarbij echter zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de gebruiks- en bouwmogelijkheden die op grond van het vigerende bestemmingsplan worden geboden. In zoverre heeft het voorliggende bestemmingsplan tevens een beheersmatig karakter.
Dit bestemmingsplan voorziet in een juridische regeling die in het gebruik door burgers en door de gemeente voldoende flexibiliteit biedt, maar binnen duidelijke juridische kaders, waardoor de aan het plan te verbinden rechtszekerheid niet in het geding komt. Het bestemmingsplan bestaat uit planregels, verbeelding en toelichting.
In de verbeelding van het plan zijn aangegeven:
De gronden gelegen binnen de grens van het plangebied zijn geregeld binnen dit bestemmingsplan. De kleur in de verbeelding geeft aan om welke bestemming het gaat. Deze bestemmingen en overige aanduidingen zijn gerelateerd aan de in de planregels opgenomen juridische regeling.
De regels zijn als volgt opgebouwd:
1.Inleidende regels
2.Bestemmingsregels
3.Algemene regels
4.Overgangs- en slotregels
1. Inleidende regels
Begrippen
In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de planregels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
2. Bestemmingsregels
Per bestemming die op de verbeelding wordt gebruikt worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:
Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting.
Bestemmingsomschrijving
In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden "met daaraan ondergeschikt". De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.
Bouwregels
In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes, bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen.
Nadere eisen
Nadere eisen kunnen worden gesteld aan bijvoorbeeld de situering van bouwwerken ten behoeve van bepaalde criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, desociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de omgevingsvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.
Afwijken van de bouwregels
Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd doordat mogelijkheden worden geboden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze afwijkingen zijn niet bedoeld voor aanpassing van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvan een afwijking wordt verleend, de maximale aanpassing die met de ontheffing kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder de omge-vingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (algemene regels).
Specifieke gebruiksregels
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verboden gronden te gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. In specifieke gebruiksregels kunnen bepaalde functies nog concreet worden genoemd als zijnde verboden gebruik of toegelaten gebruik.
Afwijken van de gebruiksregels
Door met een omgevingsvergunning af te wijken van de gebruiksregels kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van gebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel bij omgevingsvergunning afgeweken kan worden ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via afwijking geen “nieuwe” functies kunnen worden toegestaan. De afwijking dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of bestemmingsplanherziening.
Wijzigingsbevoegdheid
Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). In de meeste gevallen zal het gaan om het wijzigen van de op een perceel gelegde bestemming. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien wijzigingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (algemene regels).
3. Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel wordt opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel of een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel mogen beslaan, het resterende onbebouwde terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
Voor het hele plangebied, en dus alle bestemmingen, gelden een aantal algemene bouw- en gebruiksregels, conform de Bro. In de bouwregels is enkel een regeling opgenomen omtrent ondergronds bouwen. In de gebruiksregels worden seksinrichtingen, coffeeshops, straatprostitutie en dergelijke en kampeermiddelen uitgesloten.
Algemene gebruiksregels
In de algemene gebruiksregels is een gebruiksverbod opgenomen dat van toepassing is op het hele plangebied. In het gebruiksverbod is bepaald dat het verboden is gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming te gebruiken.
Algemene aanduidingsregels
De gebiedsaanduidingen worden in deze bepaling geregeld. Deze kunnen ook bij iedere afzonderlijke bestemming worden geregeld, maar omdat een gebiedsaanduiding veelal binnen meerdere bestemmingen ligt, hoeft de aanduiding in een algemeen artikel slechts eenmalig te worden opgenomen.
Algemene afwijkingsregels
In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen het bevoegd gezag, in deze meestal burgemeester en wethouders, gerechtigd is om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om, tenzij anders vermeld, afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan.
Algemene wijzigingsregels
In deze regels wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders bevoegd zijn het bestemmingsplan te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.
Algemene procedureregels
In deze bepaling wordt aangegeven welke procedures moeten worden doorlopen bij het stellen van nadere eisen. De procedure voor het wijzigen van een plan of het verlenen van omgevingsvergunningen is al bij wet geregeld.
Overige regels
Onder de overige regels is bepaald dat indien in de regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen het de regelingen betreft zoals die gelden op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
Daarnaast zijn voorrangsregels opgenomen. Indien een strijdigheid tussen een bestemming en dubbelbestemming aan de orde is, dan gaat het belang van de dubbelbestemming voor. Tevens is een prioriteitsstelling ten aanzien van de dubbelbestemmingen onderling opgenomen.
Als laatste is in dit artikel een bepaling opgenomen betreffende de noodzaak van het uitvoeren van bodemonderzoek bij nieuwe (bouw)ontwikkelingen of initiatieven.
4. Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening, overgenomen.
Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel schrijft voor hoe het plan kan worden aangehaald.
In deze subparagraaf wordt een korte toelichting gegeven op de in dit plan voorkomende bestemmingen.
Binnen de bestemming 'Woongebied' is het volgende beleid van toepassing:
Naast het bestemmingsplan is het ook mogelijk om vergunningvrij nog vrijstaande of aangebouwde bijgebouwen op te richten op basis van de Wabo binnen de bestemming 'Woongebied'.
Het beleid aangaande de archeologische waarden luidt als volgt:
Binnen het gehele plangebied geldt de gebiedsaanduiding 'milieuzone - bodembeschermingsgebied'. Deze zonering komt voort uit het provinciaal beleid en is op grond daarvan aan het plangebied toegekend. Deze gebiedsaanduiding ziet op duurzaam behoud van kwetsbare functies en waarden en bijzondere bescherming van de bodem van het bodembeschermingsgebied Mergelland.
De gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad' betreft een zonering die ter bescherming van de belangen van het over het plangebied gelegen straalpad op kaart gezet moet worden. Deze aanduiding betreft een nadere regulering van de bouwregels. In de regels is de gebiedsaanduiding in artikel 8 'Algemene aanduidingsregels' van een passende regeling voorzien.
Het bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van een viertal bestaande woningen naar twee woningen binnen de bestaande bouwmassa mogelijk. Tevens wordt één woning ontwikkeld binnen de bestaande bebouwing van de voormalige apotheek. Er vindt derhalve als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen uitbreiding van de bestaande bouwmassa plaats. Ter plaatse van de vier bestaande woningen blijft de gebruiksfunctie ongewijzigd. Ter plaatse van de voormalige apotheek wordt de voorheen geldende maatschappelijke bestemming omgezet in een woonbestemming, overeenkomstig de aanliggende gronden. Als gevolg hiervan is de verwachting dan ook dat er in beginsel geen planschade ontstaat als gevolg van de planologische wijziging.
De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wro een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Hiervan kan worden afgeweken door anderszins het kostenverhaal zeker te stellen. Tussen de gemeente en initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten waarin het kostenverhaal is verzekerd. Hiermee kan de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan derhalve komen te vervallen.
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft. Over het voorontwerp van een bestemmingsplan wordt dan ook, overeenkomstig de gemeentelijke Inspraakverordening, gelegenheid tot inspraak geboden.
Ook vindt in deze fase het overleg ex artikel 3.1.1 Bro met diensten van rijk en provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaats. De resultaten van zowel het overleg als de inspraak en zienswijzen zijn in deze paragraaf verwerkt.
Gedurende de voorbereidende fase van deze procedure vindt zo nodig vooroverleg plaats met de diverse diensten van Rijk en provincie en met het Waterschap. Gezien de conclusies uit voorgaande hoofdstukken mag redelijkerwijs worden aangenomen dat met onderhavig planvoornemen de belangen van voornoemde vooroverlegpartners niet zullen worden geschaad. Het bestemmingsplan wordt dan ook direct als ontwerp ter inzage gelegd.
Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 14 april 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen en derhalve tot en met 25 mei 2016 ter inzage gelegen. Binnen deze periode heeft eenieder zijn zienswijze kenbaar kunnen maken. Gedurende de inzage termijn zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan is dan ook ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad in de raadsvergadering van 10 oktober 2016.