Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22k De Berktweg 13-17 Hout-Blerick’
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0983.TAM202506BKTWG1317-VA01

Regels

  
Preambule
 
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie De Berktweg 13-17 te Hout-Blerick en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22k) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Venlo. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22k van het omgevingsplan van de gemeente Venlo. In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie '22k.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22k.' gelezen worden.
 
1 Inleidende regels
  
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. De regels in dit hoofdstuk 22k zijn van toepassing op de locatie De Berktweg 13-17 van het omgevingsplan ‘TAM-IMRO Hoofdstuk 22k De Berktweg 13-17 Hout-Blerick’, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand. NL.IMRO.0983.TAM202506BKTWG1317-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
  2. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat ter plaatse van de in het eerste lid bedoelde GML-bestand aangegeven locatie 'Spuitvrije zone' die besluiten en de daarin opgenomen regels wel van toepassing blijven voorzover die niet in strijd zijn met de regels als opgenomen in Artikel 13. Voor zover die regels wel in strijd zijn met Artikel 13, gaat Artikel 13 voor op die regels.
  3. De regels in afdeling 22.2 van het Omgevingsplan gemeente Venlo, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22k.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
Artikel 1.1 van het Omgevingsplan van gemeente Venlo is van overeenkomstige toepassing voor dit hoofdstuk 22 D. In aanvulling dan wel in afwijking daarvan gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk 22k de volgende begripsbepalingen:
 
2.1 Plan:
Het omgevingsplan van de gemeente Venlo.
 
2.2 TAM-omgevingsplan:
Het TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22k De Berktweg 13-17 Hout-Blerick’ van de gemeente Venlo.
 
2.3 Verbeelding:
De verbeelding van het TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22k De Berktweg 13-17 Hout-Blerick’ met identificatienummer NL.IMRO.0983.TAM202506BKTWG1317-VA01 van de gemeente Venlo.
 
2.4 Aanduiding:
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld, ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
2.5 Abiotische waarde:
De waarde, die een gebied ontleent aan het voorkomen van bijzondere aardkundige en hydrologische verschijnselen en/of processen.
 
2.6 Agrarisch bedrijf:
Een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden en/of fokken van dieren.
 
2.7 Agrarisch bouwvlak:
Een aaneengesloten stuk grond waarop krachtens het plan bebouwing met een hoofdgebouw of bij elkaar behorende gebouwen ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan.
   
2.8 Agrarische waarde:
De waarden, die rechtstreeks verband houden met de mogelijkheden voor de uitoefening van een doelmatige, agrarische bodem- en/of bedrijfsexploitatie.
 
2.9 Archeologische waarde:
De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten in het verleden.
 
2.10 Bebouwing:
Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
2.11 Bed en breakfast:
Een horecagelegenheid ondergeschikt aan een woning die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is.
 
2.12 Bedrijf aan huis:
Het hoofdzakelijk door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel. Behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
 
2.13 Beroep aan huis:
Het door de bewoner van de woning beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen beroep dat door zijn omvang in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.
Hieronder dienen niet te worden begrepen de uitoefening van consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten noch detailhandel.
 
2.14 Bedrijfsgebouw:
Een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
 
2.15 Bestaand:
Bebouwing:
De als zodanig op de verbeelding aangegeven bebouwing, welke bestaat op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, dan wel op dat tijdstip op basis van een afgegeven bouwvergunning mag worden gebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.
Gebruik:
Gebruik van gronden en bouwwerken, zoals dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van dit plan.
 
2.16 Beroepsmatige activiteiten:
Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woongebouw en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
 
2.17 Bouwperceel:
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
2.18 Bouwperceelgrens:
De grens van een bouwperceel.
 
2.19 Bouwvlak:
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
2.20 Containervelden:
Grond afgedekt met plastic, antiworteldoek, eventueel in combinatie met andere materialen, ten behoeve van de teelt van gewassen. De gewassen worden op deze afdeklaag los van de ondergrond geteeld in potten.
 
2.21 Cultuurhistorische waarden:
De aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied.
 
2.22 Dakkapel:
Uitspringend dakraam dat op het dakvlak van een gebouw wordt aangebracht.
 
2.23 Detailhandel:
Het bedrijfsmatig te koop of te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen respectievelijk huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
2.24 Duurzame agrarische bedrijfsvoering:
Instandhouden en ontwikkelen van de agrarische productiefuncties waarbij als uitgangspunt geldt, dat aan agrarische bedrijven voldoende mogelijkheden moeten worden geboden om ook op lange termijn de nodige levensvatbaarheid te behouden.
 
2.25 Extensieve recreatie:
Die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.
 
2.26 Gevellijn:
Een denkbeeldige lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd.
 
2.27 Gewasbeschermingsmiddel:
een gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU, L 309).
 
2.28 Grondgebonden woning:
Een gebouw met hoofdzakelijk een woonfunctie waar één woning aanwezig is.
 
2.29 Horizontale diepte van een gebouw:
De lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
 
2.30 Huishouden:
de bewoning van een woning door:
  1. één persoon;
  2. twee of meerdere personen in de vorm van een samenlevingsverband, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voeren of willen voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, waaronder geen kamerbewoning begrepen.
2.31 Kamerbewoning:
Een woning die, al dan niet mede door de rechthebbende, duurzaam en (nagenoeg) zelfstandig kamergewijs door maximaal 2 personen wordt bewoond en welk niet valt aan te merken als het verstrekken van logies.
 
2.32 Kamerverhuur(bedrijf):
Een pand of een deel van een pand dat door meer dan 2 personen, anders dan door de rechthebbende,bedrijfsmatig kamergewijs wordt bewoond en welk niet valt aan te merken als logiesverblijf.
 
2.33 Landschappelijke waarde:
De aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens).
 
2.34 Natuurwaarde
De aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van planten en dieren die zichzelf onder invloed van klimaat, geomorfologie, bodemkundige en waterhuishoudkundige gesteldheid en al dan niet beïnvloed door menselijke aanwezigheid, instandhouden.
 
2.35 Normaal onderhoud en beheer:
Werken/werkzaamheden die periodiek dienen te worden uitgevoerd ter instandhouding van de binnen een gebied aanwezige functies en waarden.
 
2.36 Ondergeschikt:
In aard en omvang of functioneel, ruimtelijk en/of architectonisch opzicht ten dienste van een hoofdfunctie/gebouw.
 
2.37 Paardenbak:
Een door middel van een afscheiding afgezonderd stuk terrein met een andere ondergrond dan gras, kennelijk ingericht voor het africhten en/of trainen en berijden van paarden en pony's en/of het anderszins beoefenen van de paardensport, met of zonder de daarbij behorende voorzieningen.
 
2.38 Peil:
  • Voor bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang.
  • Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld.
2.39 Prostitutie:
Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding, daaronder begrepen straatprostitutie.
 
2.40 Schuilgelegenheid:
Overdekte ruimte, aan maximaal drie zijden omsloten door wanden, waarvan het hobbydier/de hobbydieren gebruik moet(en) kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme weersomstandigheden in zowel zomer als winter. In de schuilgelegenheid is geen opslag toegestaan.
 
2.41 Seksinrichting:
De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
2.42 Stroomvoerend rivierbed:
Gebied dat bij hoogwater van belang is voor zowel waterberging als -afvoer.
 
2.43 Verticale diepte van een gebouw:
De diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer.
 
2.44 Waterbergend rivierbed:
Gebied dat bij hoogwater van belang is voor waterberging.
 
2.45 Waterhuishoudkundig:
Onder waterhuishoudkundige zaken worden zaken verstaan met betrekking tot de aanwezigheid van (natuurlijke) bronnen, kwel of natuurlijke stroming;
 
2.46 Waterkering:
Elke natuurlijke of kunstmatige begrenzing of afscheiding die het water in zijn loop tegenhoudt.
 
2.47 Weg:
Een voor het rij- en nader verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeergelegenheden.
 
2.48 Wonen:
het gehuisvest zijn in een woning.
 
2.49 Woning/wooneenheid:
Een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het Omgevingsplan van de gemeente Venlo zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
3.1 Afstand tot de bouwperceelgrens:
Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
 
3.2 Bouwhoogte van een bouwwerk:
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
3.3 Dakhelling:
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.4 Goothoogte van een bouwwerk:
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
3.5 Horizontale diepte van een bouwwerk:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel.
 
3.6 Inhoud van een bouwwerk:
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren dan wel scheidingslijnen) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
   
3.7 Ondergeschikte bouwdelen:
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifs, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
 
3.8 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:
Vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
3.9 Oppervlakte van een bouwwerk:
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren dan wel scheidingslijnen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
Artikel 4 Normadressaat
 
Aan de regels in dit hoofdstuk 22k wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
2 Functies en regels voor activiteiten
   
Artikel 5 Algemene regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies (en activiteiten) en de in dit hoofdstuk 22k daaraan verbonden regels.
Artikel 6 Agrarisch met waarden
  
6.1 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Agrarisch met waarden heeft de volgende functies:
  1. agrarisch gebruik;
  2. instandhouding, herstel en ontwikkeling van de aanwezige abiotische, natuurlijke, archeologische, landschappelijke en cultuurhistorische waarden;
  3. instandhouding van het oppervlaktewater;
  4. extensief recreatief medegebruik;
  5. waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
6.2.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Op een locatie die is aangewezen als Agrarisch met waarden mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. Bouwwerken zonder dak, voor zover wordt voldaan aan 6.2.2.
6.2.2 Bouwwerken zonder dak
Voor het bouwen van bouwwerken zonder dak gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Het bouwwerk is ter plaatse noodzakelijk uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering dan wel uit het oogpunt van beheer en onderhoud overeenkomstig de functieomschrijving, waaronder begrepen beperkte voorzieningen ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Containervelden, sleufsilo’s, mestsilo’s, waterbassins en foliemestbassins worden hieronder niet begrepen;
  2. De maximale hoogte van bouwwerken zonder dak bedraagt 2 meter;
  3. In afwijking van het gestelde onder b. bedraagt de maximale hoogte van erf- en terreinafscheidingen 1,5 meter.
6.2.3 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.35 van het omgevingsplan gemeente Venlo zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van dit hoofdstuk 22k.
 
6.3 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
6.3.1 Verbod bouwen schuilgelegenheid.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een schuilgelegenheid te bouwen.
 
6.3.2 Verbod bouwen teeltondersteunende voorzieningen.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning teeltondersteunende voorzieningen, alsmede tijdelijke kassen, te bouwen.
 
6.3.3 Beoordelingsregels
  1. de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 en 6.3.2 wordt alleen verleend indien:
    1. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
    2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat van omliggende percelen;
    3. de aanvraag vanuit het oogpunt van stedenbouwkundige kwaliteit aanvaardbaar is;
    4. er geen afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid, sociale veiligheid of omgevingsveiligheid.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 dat de vergunning alleen wordt verleend indien:
    1. De hoogte van de schuilgelegenheid bedraagt maximaal 3 meter;
    2. De oppervlakte van de schuilgelegenheid bedraagt maximaal 25 m2;
    3. Per kadastraal perceel, met een minimale oppervlakte van 0,5 hectare mag maximaal één schuilgelegenheid worden opgericht;
    4. Aandacht wordt besteed aan de verschillende deelaspecten namelijk water, landschappelijke inpassing, cultuurhistorie, natuur en landschap, milieu, verstening en veiligheid/overstening;
    5. Aangetoond is dat er geen vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen en/of bestaande agrarische bouwvlakken in de directe omgeving kunnen worden gebruikt ten behoeve van een schuilgelegenheid.
  3. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.2 dat de vergunning alleen wordt verleend indien:
    1. De teeltondersteunende voorzieningen, alsmede tijdelijke kassen, is uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk;
    2. De oprichting vindt plaats direct aansluitend aan het bestemmingsvlak ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’;
    3. De maximale oppervlakte bedraagt 2.500 m2;
    4. De maximale hoogte bedraagt 2,5 m.;
6.3.4 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 en 6.3.2 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 6.3.3 onder a wordt voldaan.
6.4 Specifieke regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken
6.4.1 Verboden gebruik
Het is verboden gronden of bouwwerken ter plaatse van Agrarisch met waarden te gebruiken voor:
  1. wonen;
  2. detailhandel;
  3. kamperen;
  4. opslag van goederen en materialen voor de gevellijn;
  5. paardenbakken;
  6. het aanleggen van containervelden op verharde ondergrond;
  7. het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen.
Artikel 7 Tuin
 
7.1 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Tuin heeft de volgende functies:
  1. Tuinen en open erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
  2. ter plaatse van de aanduiding middelhoge/hoge archeologische verwachting, een middelhoge/hoge archeologische verwachting;
  3. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  4. (verharde) inritten ten behoeve van aangrenzende woonfuncties.
 
7.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
7.2.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Op een locatie die is aangewezen als Tuin mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. Bouwwerken zonder dak, voor zover wordt voldaan aan 7.2.2.
 
7.2.2 Bouwwerken zonder dak
Voor het bouwen van bouwwerken zonder dak gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer dan 1,00 m bedragen;
  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer dan 3,00 m bedragen.
 
7.3 Specifieke regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken
7.3.1 Verboden gebruik
Het is verboden gronden of bouwwerken die zijn aangewezen als Wonen te gebruiken voor:
  1. detailhandel;
  2. seksinrichtingen;
  3. opslag van goederen en materialen voor de gevellijn;
  4. wonen in een bijgebouw.
 
7.3.2 Voorwaardelijke verplichting
Het gebruik van gronden en gebouwen in overeenstemming met de in 7.1 opgenomen functies is enkel toegestaan indien een landschappelijke inpassingsplan is aangeleverd en geaccordeerd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo. Dit landschappelijk inpassingsplan dient binnen 2 jaar na het in gebruik nemen van de woningen aangelegd te zijn, onderhouden te worden en in stand te worden gehouden.
 
Artikel 8 Wonen
 
8.1 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Wonen heeft de volgende functies:
  1. Wonen in de vorm van 2 grondgebonden woningen, waaronder begrepen kamerbewoning (maximaal 2 personen per woning);
  2. de uitoefening van beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in hoofdgebouw en bijgebouw(en) maximaal categorie 1 of 2 van de limitatief opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat het oppervlak ten behoeve van die activiteiten maximaal 40% van het vloeroppervlak per woning inclusief de bijgebouwen bedraagt, met een maximum van 50 m2 en de activiteiten door de bewoners van het hoofdgebouw zelf worden uitgeoefend;
  3. één paardenbak per bouwvlak;
  4. waterhuishoudkundige voorzieningen.
8.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
8.2.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Op een locatie die is aangewezen als Wonen mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. Bouwwerken met dak, zijnde:
    1. hoofdgebouwen, voor zover wordt voldaan aan 8.2.2;
    2. aan- en uitbouwen en bijgebouwen, voor zover wordt voldaan aan 8.2.3;
  2. Bouwwerken zonder dak, voor zover wordt voldaan aan 8.2.4;
8.2.2 Bouwwerken met dak zijnde hoofgebouwen
Voor het bouwen van bouwwerken met dak zijnde hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Bouwwerken met dak zijnde hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  2. De inhoud van het hoofdgebouw mag maximaal 900 m³ bedragen;
  3. Een kelder, van maximaal 1 bouwlaag beneden maaiveld, geheel gelegen onder een hoofd- of bijgebouw, telt niet mee in de berekening van de inhoud van 900 m³ als bepaald onder a.;
  4. De afstand tot de perceelsgrenzen moet ten minste 5 meter bedragen;
  5. Per bouwvlak is één woning toegestaan;
  6. De goothoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6 meter. De maximale bouwhoogte bedraagt 9 meter;
  7. Hoofdgebouwen dienen met een kap te worden afgedicht.
8.2.3 Bouwwerken met dak zijnde bijgebouwen of overkappingen
Voor het bouwen van bouwwerken met dak zijnde bijgebouwen of overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. Bouwwerken met dak zijnde bijgebouwen of overkappingen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  2. De bijgebouwen of overkappingen mogen uitsluitend worden gebouwd op een afstand tot de perceelsgrenzen van tenminste 5 meter.
  3. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 100 m2 bedragen.
  4. De goot- en bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 3,3 meter respectievelijk 6 meter bedragen.
8.2.4 Bouwwerken zonder dak
Voor het bouwen van bouwwerken zonder dak gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
  2. De bouwhoogte van overige bouwwerken zonder dak mag niet meer dan 3 m bedragen;
  3. Op gronden voor de voorgevellijn mogen geen bouwwerken zonder dak worden gebouwd.
8.2.5 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.35 van het omgevingsplan gemeente Venlo zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van dit hoofdstuk 22k.
 
8.3 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
8.3.1 Verbod overschrijden maximale inhoud en/of oppervlakte van bouwwerken met dak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale inhoud en/of oppervlakte zoals opgenomen in artikel 8.2.2 en 8.2.3 te overschrijden.
 
8.3.2 Verbod bouwen van bouwwerken met dak op kortere afstand van de perceelsgrens.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken met dak op een kortere afstand tot de perceelsgrens te bouwen dan opgenomen in 8.2.2 en 8.2.3.
 
8.3.3 Verbod overschrijden goot- en bouwhoogte bouwwerken met dak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale goot- en bouwhoogte als opgenomen in artikel 8.2.2 en 8.2.3 te overschrijden.
 
8.3.4 Verbod overschrijden maximale bouwhoogte bouwwerk zonder dak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale bouwhoogte als opgenomen in artikel 8.2.4 te overschrijden.
 
8.3.5 Verbod overschrijden bouwhoogte gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale bouwhoogte als opgenomen in artikel 8.2.3 te overschrijden ten behoeve van plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen, luchtkokers en lichtkappen.
 
8.3.6 Beoordelingsregels
  1. de omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 8.3.1 tot en met 8.3.5 worden alleen verleend indien:
    1. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
    2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat van omliggende percelen;
    3. de aanvraag vanuit het oogpunt van stedenbouwkundige kwaliteit aanvaardbaar is;
    4. er geen afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid, sociale veiligheid of omgevingsveiligheid.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1 dat de vergunning alleen wordt verleend indien de afwijking niet meer dan 10% van de op basis van 8.2.2 of 8.2.3 toegelaten inhoud of oppervlakte bedraagt;
  3. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.2 dat de vergunning alleen wordt verleend indien:
    1. Als gevolg van de afwijking de bestaande natuur-, cultuurhistorische en/of landschapswaarden niet onevenredig worden aangetast.
    2. Afwijking stedenbouwkundig aanvaardbaar is.
    3. De afwijking leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieuomgeving.
  4. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.3 dat de vergunning alleen wordt verleend indien de afwijking niet meer dan 10% van de op basis van 8.2.2 of 8.2.3 toegelaten relevante hoogte bedraagt;
  5. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.4 dat de vergunning alleen wordt verleend indien de bouwhoogte niet meer dan 10 m bedraagt.
  6. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.5 dat de vergunning alleen wordt verleend indien:
    1. De maximale oppervlakte waarvoor wordt afgeweken van de bouwhoogte niet meer dan 10% van het bouwvlak bedraagt;
    2. De bouwhoogte mag maximaal 1,25 maal de op basis van artikel 8.2.3 toegestane bouwhoogte zijn.
8.3.7 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1 tot en met 8.3.5 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 8.3.6onder a wordt voldaan.
8.4 Specifieke regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken
8.4.1. Verboden gebruik
Het is verboden gronden of bouwwerken die zijn aangewezen als Wonen te gebruiken voor:
  1. detailhandel;
  2. seksinrichtingen;
  3. opslag van goederen en materialen voor de gevellijn;
  4. wonen in een bijgebouw.
8.4.2. Voorwaardelijke verplichting
Het gebruiken van gronden en bouwwerken in overeenstemming met de in 8.1 opgenomen functies is enkel toegestaan indien het landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 2 bij de regels binnen 2 jaar na het in gebruik nemen van de woningen is aangelegd, wordt onderhouden en in stand wordt gehouden.
 
8.5 Vergunningsplicht omgevingsplanactiviteit gebruiken van gronden en bouwwerken
8.5.1 Verbod
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken voor:
  1. kamergewijze bewoning voor meer dan 2 personen per woning;
  2. bed & breakfast.
8.5.2 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5.1 sub a wordt alleen verleend indien:
    1. 1 per kamer wordt voorzien in voldoende gebruiks- en leefoppervlakte;
    2. 2 wordt voorzien in voldoende stallingsruimte voor fietsen en wordt voorzien in voldoende bergruimte voor het opslaan van huishoudelijk afval;
    3. 3 wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien;
    4. 4 het gebruik geen overlast voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5.1 sub b wordt alleen verleend indien:
    1. De woonfunctie blijft als hoofdfunctie behouden;
    2. Bedoeld gebruik mag geen hinder voor het woonmilieu opleveren en geen onevenredige afbreuk doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
    3. Bedoeld gebruik mag geen belemmering voor de omliggende bedrijven opleveren;
    4. Het gebruik moet naar de aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming zijn;
    5. Het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijgebouw uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;
    6. Er mag geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaan;
    7. Het betreft niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van verkeer;
    8. Er dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
    9. De Bed and Breakfast-voorziening dient in bestaande bebouwing te worden gerealiseerd;
    10. Maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen mogen ten behoeve van een Bed and Breakfast in gebruik zijn, zulks met een absoluut maximum van 60 m².
8.5.3 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.5.1 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 8.5.2 wordt voldaan. Waarbij voor 8.5.2 sub a wordt getoetst aan de 'Beleidsregel kamerverhuur, woningsplitsing en woningomzetting Venlo 2024' als vastgesteld door burgemeester en wethouders van Venlo op 30 april 2024, met dien verstande dat wanneer deze beleidsregel wordt herzien, aanvragen worden getoetst aan de geldende beleidsregel ten tijde van het indienen van de aanvraag.
Artikel 9 Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed
 
9.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed'.
 
9.2 Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' aangewezen gronden, zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de afvoer en doorstroming van rivierwater.
 
9.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
9.3.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Op of in deze gronden mag niet worden gebouwd.
 
9.4 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
9.4.1 Verbod bouwen
Ter plaatse van de voor 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' aangewezen gronden mag zonder omgevingsvergunning niet worden gebouwd.
 
9.4.2 Verbod bouwwerken ten behoeve van riviergebonden activiteiten
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende riviergebonden activiteiten uit te voeren:
  1. de aanleg of wijziging van waterstaatkundige (kunst)werken;
  2. de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart;
  3. de realisatie van natuur;
  4. de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden;
  5. de winning van oppervlaktedelfstoffen.
9.4.3 Verbod bouwwerken ten behoeve van niet-riviergebonden activiteiten
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende niet-riviergebonden activiteiten uit te voeren:
  1. activiteiten met een groot openbaar belang welke redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  2. activiteiten met een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven welke redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  3. activiteiten welke per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie.
9.4.4 Verbod bouwwerken ten behoeve van overige activiteiten
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende overige activiteiten uit te voeren:
  1. activiteiten van uit rivierkundig opzicht ondergeschikt belang;
  2. activiteiten ten behoeve van rivierbeheer en/of -verruiming;
  3. tijdelijke activiteiten.
9.4.5 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 9.4.1 tot en met 9.4.4 worden alleen verleend indien:
  1. de activiteit zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk is gewaarborgd;
  2. geen sprake is van een feitelijke belemmering van de vergroting van de afvoercapaciteit;
  3. de bebouwing zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat de waterstandsverhoging dan wel de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is;
  4. de resterende, blijvende waterstandeffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd, waarbij de financiering en tijdige realisering van de maatregelen gezekerd moeten zijn;
  5. specifiek voor bouwwerken ten behoeve van de in 9.4.3 onder c. genoemde activiteiten, de gevraagde rivierverruimingsmaatregelen genomen worden, waarbij de financiering en tijdige realisering van de maatregelen gezekerd moeten zijn
  6. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat.
9.4.6 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.4.1 tot en met 9.4.4 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 9.4.5 wordt voldaan.
9.5 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
9.5.1 Verbod grondbewerking
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondbewerkingen uit te voeren waartoe ook wordt gerekend ophogen, verlagen, vergraven, afgraven, woelen, mengen, egaliseren en dempen van wateren.
 
9.5.2 Verbod aanleg oppervlakteverhardingen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning wegen, paden, parkeergelegenheid of andere oppervlakteverhardingen aan te leggen of te verbreden.
 
9.5.3 Verbod aanleg opgaande beplanting
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning opgaande beplanting aan te leggen die op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan niet als zodanig kunnen worden aangemerkt.
 
9.5.4 Uitzondering
Het verbod als bedoeld in 9.5.1 tot en met 9.5.3 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan.
 
9.5.5 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 9.5.1 tot en met 9.5.3 worden alleen verleend indien:
  1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van het stroomvoerend rivierbed;
  2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat;
  3. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de werken en/of werkzaamheden dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft;
  4. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit;
  5. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de werken en/of werkzaamheden dat de waterstandsverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
  6. de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.
9.5.6 Aanvraagvereisten
Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.5.1, 9.5.2 en 9.5.3 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.284 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
 
Artikel 10 Waterstaat – Waterbergend rivierbed
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat – Waterbergend rivierbed'.
 
10.2 Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden, zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de berging van rivierwater.
 
10.3 Beoordelingsregels bouwactiviteit
10.3.1 Toegelaten bouwactiviteiten
  1. Op of in de voor Waterstaat – Waterbergend rivierbed aangewezen gronden mogen geen bouwwerken met dak worden gebouwd.
  2. Op of in de voor Waterstaat – Waterbergend rivierbed aangewezen gronden mogen geen bouwwerken zonder dak worden gebouwd.
  3. In afwijking van het bepaalde onder b. mogen op of in de voor Waterstaat – Waterbergend rivierbed aangewezen gronden bouwwerken zonder dak worden gebouwd ten dienste van de waterbergende functie, voor zover wordt voldaan aan 10.3.2.
10.3.2 Bouwwerken zonder dak ten dienste van de waterbergende functie
Voor het bouwen van bouwwerken zonder dak ten dienste van de waterbergende functie gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte bedraagt maximaal 2 meter.
10.4 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
10.4.1 Verbod bouwen
Ter plaatse van de voor 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden mogen zonder omgevingsvergunning geen bouwwerken worden gebouwd met uitzondering van bouwwerken zonder dak die ten dienste staan van de waterbergende functie.
 
10.4.2 Verbod bouwwerken ten behoeve van overige activiteiten
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende overige activiteiten uit te voeren:
  1. activiteiten van uit rivierkundig opzicht ondergeschikt belang;
  2. activiteiten ten behoeve van rivierbeheer en/of -verruiming;
  3. tijdelijke activiteiten.
10.4.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 en 10.4.2 wordt alleen verleend indien:
  1. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van het bouwwerk dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd wordt;
  2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit;
  3. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van het bouwwerk, dat:
    1. de waterstandsverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
    2. de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert;
  4. de resterende waterstandeffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd, waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn;
  5. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij Rijkswaterstaat
10.4.4 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 10.4.2 wordt voldaan.
10.5 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
10.5.1 Verbod grondbewerking
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondbewerkingen uit te voeren waartoe ook wordt gerekend ophogen, verlagen, vergraven, afgraven, woelen, mengen, egaliseren en dempen van wateren.
 
10.5.2 Verbod aanleg oppervlakteverhardingen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning wegen, paden, parkeergelegenheid of andere oppervlakteverhardingen aan te leggen of te verbreden.
 
10.5.3 Verbod aanleg opgaande beplanting
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning opgaande beplanting aan te leggen die op het tijdstip van het van kracht worden van dit TAM-omgevingsplan niet als zodanig kunnen worden aangemerkt.
 
10.5.4 Uitzondering
Het verbod als bedoeld in 10.5.1 tot en met 10.5.3 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het TAM-omgevingsplan.
 
10.5.5 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 10.5.1 tot en met 10.5.3 worden alleen verleend indien:
  1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het belang van het waterbergend rivierbed;
  2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat;
  3. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de werken en/of werkzaamheden dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft;
  4. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de werken en/of werkzaamheden dat de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
  5. de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.
10.5.6 Aanvraagvereisten
Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.5.1, 10.5.2 en 10.5.3 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.284 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
 
3 Algemene regels
Artikel 11 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 12 Spuitvrije zone
 
12.1 Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op de locatie die is aangeduid als Spuitvrije zone
 
12.2 Verbod
Het is verboden op de locatie die is aangeduid als Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.
Artikel 13 Algemene bouwregels
 
13.1 Bestaande afmetingen (maximale maten)
Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande, legale bouwwerken, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.
 
1432 Bestaande afmetingen (minimale maten)
In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande, legale bouwwerken, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
 
13.3 Heroprichting
In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 13.1 en 13.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
 
Artikel 14 Algemene regels omgevingsplanactiviteiten
 
14.1 Algemene regels - parkeervoorzieningen
  1. Bij het bouwen van bouwwerken op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk 22k dient op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (december 2018) of diens opvolger.
  2. Bij een gebruikswijziging waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, dient op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (december 2018) of diens opvolger.
14.2 Gebodsbepaling in stand houden parkeervoorzieningen
Indien in het kader van een vergunningplicht als opgenomen in dit hoofdstuk 22k dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig artikel 14.1, dan dient de betreffende parkeervoorziening zoals aangegeven in de aanvraag en vervolgens is vergund na de aanleg ervan duurzaam in stand te worden gehouden.
    
14.3 Algemene regels - hemelwatervoorzieningen
  1. Bij het bouwen van bouwwerken op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk 22k, waaronder begrepen het verbouwen en uitbreiden van bestaande bouwwerken, dient op eigen terrein een adequate voorziening te worden getroffen voor de opvang, berging en infiltratie van hemelwater.
  2. Er wordt een adequate voorziening getroffen wanneer wordt voldaan aan de 'Afkoppelbeslisboom Gemeente Venlo' zoals opgenomen in het Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2031 en als vastgesteld door de gemeenteraad op 30 juni 2021.
15.4 Gebodsbepaling in stand houden hemelwatervoorzieningen
Indien in het kader van een vergunningplicht als opgenomen in dit hoofdstuk 22k dient te worden voorzien in een adequate voorziening voor de opvang, berging en infiltratie van hemelwater overeenkomstig artikel 14.3, dan dient de betreffende voorziening zoals aangegeven in de aanvraag en vervolgens is vergund na de aanleg ervan duurzaam in stand te worden gehouden.
 
14.5 In stand houden bestaande bouwwerken
In aanvulling op artikel 22.40 van het Omgevingsplan gemeente Venlo is voor het in stand houden van een bestaand bouwwerk geen omgevingsvergunning vereist, mits het een feitelijk bestaand bouwwerk betreft dat is gebouwd:
  1. overeenkomstig een daarvoor verleende omgevingsvergunning;
  2. overeenkomstig algemene regels als opgenomen in dit omgevingsplan;
  3. overeenkomstig algemene regels, zoals die golden ten tijde van het bouwen van het bouwwerk, hetgeen ook kan worden aangetoond.
4 Overgangsrecht
Artikel 15 Overgangsrecht
 
16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22k aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit hoofdstuk 22k, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22k, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvóór – als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo - geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan.
16.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22k en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit hoofdstuk 22k strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk 22k strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22k voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het daarvóór - als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo – geldende bestemmingsplan , daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
16.3 Uitzondering overgangsrecht
Het bepaalde in artikel 16.2 lid a is niet van toepassing op een gebruik dat in strijd is met het bepaalde in artikel 6.4.1 sub G en artikel 12.