Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22C Maasdal-Velden Genooierweg 22’
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0983.TAM202403MDVGENO22-VA01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Genooierweg 22 te Velden en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22C) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Venlo. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 11.1 , tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties. Het is met de landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22C van het omgevingsplan van de gemeente Venlo. In de in dit deel weergegeven artikelen moet in de artikel kop na het woord 'Artikel' en de spatie '22C.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22C.' gelezen worden.
  
1 Inleidende regels
  
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
  1. De regels in dit hoofdstuk 22C zijn van toepassing op de locatie Genooierweg 22 van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C Maasdal-Velden; Genooierweg 22’, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand. NL.IMRO.0983.TAM202403MDVGENO22-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
  2. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat ter plaatse van de in het eerste lid bedoelde GML-bestand aangegeven locatie 'Spuitvrije zone' die besluiten en de daarin opgenomen regels wel van toepassing blijven voorzover die niet in strijd zijn met de regels als opgenomen in Artikel 15. Voor zover die regels wel in strijd zijn met Artikel 15, gaat Artikel 15 voor op die regels.
  3. De regels in afdeling 22.2 van het Omgevingsplan gemeente Venlo, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22C.
 
Artikel 2 Begripsbepalingen
 
Artikel 1.1 van het Omgevingsplan van gemeente Venlo is van overeenkomstige toepassing voor dit hoofdstuk 22C. In aanvulling dan wel in afwijking daarvan gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk 22C de volgende begripsbepalingen:
 
2.1 Plan:
Het omgevingsplan van de gemeente Venlo.
 
2.2 TAM-omgevingsplan:
Het TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22C Maasdal-Velden; Genooierweg 22’ van de gemeente Venlo.
 
2.3 Verbeelding:
De verbeelding van het TAM-Omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22C Maasdal-Velden Genooierweg 22’ met identificatienummer NL.IMRO.0983.TAM202403MDVGENO22-VA01 van de gemeente Venlo.
 
2.4 Aanduiding:
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld, ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
2.5 Aanduidingsgrens:
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
2.6 Aangebouwd bijgebouw:
Een bijgebouw, dat op enigerlei wijze aan het hoofdgebouw is aangebouwd door het verankeren van vloer, dak of mu(u)r(en) en/of door het gebruik maken van dezelfde constructiemu(u)r(en) en in bouwkundige zin ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
 
2.7 Aan- en/of uitbouw:
Een aan een hoofdgebouw vastgebouwd gebouw, dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en in directe verbinding staat met het hoofdgebouw.
 
2.8 Aan-huis gebonden bedrijf:
Het hoofdzakelijk door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel. Behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.
 
2.9 Aan-huis-gebonden beroep:
Het door de bewoner van de woning beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen beroep dat door zijn omvang in een woning en de daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.
Hieronder dienen niet te worden begrepen de uitoefening van consumentverzorgende ambachtelijke bedrijfsactiviteiten noch detailhandel.
 
2.10 Agrarisch:
Het (bedrijfsmatig) telen van gewassen en/of het houden van dieren.
 
2.11 Ander bouwwerk:
Een bouwwerk geen gebouw zijnde.
 
2.12 Bebouwing:
Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
2.13 Bebouwingspercentage:
Het oppervlak dat met bouwwerken is bebouwd, uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat is gelegen binnen de functie, of binnen een in de regels nader aan te duiden gedeelte van die functie.
 
2.14 Bed and breakfast:
Een horecagelegenheid ondergeschikt aan een woning die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is.
 
2.15 Bedrijf:
Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen niet daaronder begrepen.
 
2.16 Bedrijfsgebouw:
Een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
 
2.17 Bedrijfsvloeroppervlak:
De totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
 
2.18 Begane grond:
Een bouwlaag geen verdieping zijnde.
 
2.19 Beschermingsniveau:
Waterstand die gemiddeld één keer in de 250 jaar voorkomt plus waakhoogte van 25 cm.
 
2.20 Bestaand:
Bebouwing:
De als zodanig op de verbeelding aangegeven bebouwing, welke bestaat op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, dan wel op dat tijdstip op basis van een afgegeven bouwvergunning mag worden gebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.
 
Gebruik:
Gebruik van gronden en bouwwerken, zoals dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van dit plan.
 
2.21 Bestaande legale situatie
op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan overeenkomstig het tot dat moment geldende omgevingsplan, dan wel een daartoe strekkende (omgevings)vergunning in afwijking van dat omgevingsplan, bestaande situatie.
 
2.22 Bouwgrens:
De grens van een bouwvlak.
 
2.23 Bouwhoogte:
Het hoogste punt van een schuin dak.
 
2.24 Bouwlaag:
Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, dakopbouw of setback en met een maximale hoogte van 3,00 m voor woningen.
 
2.25 Bouwperceel:
Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
2.26 Bouwperceelgrens:
De grens van een bouwperceel.
 
2.27 Bouwvlak:
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
2.28 Boven- en benedenwoning:
Gestapelde wooneenheden welke niet behoren tot een appartementencomplex of flatgebouw.
 
2.29 Coffeeshop:
Een horecabedrijf, waarin uitsluitend alcoholvrije dranken en eventueel kleine eetwaren worden verstrekt voor gebruik ter plaatse en waar softdrugs worden verstrekt voor gebruik ter plaatse of gebruik elders.
 
2.30 Cultuurhistorische waarden:
De kenmerken van het gebruik dat de mens in de loop der geschiedenis van grond en gebouwen heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het slotenpatroon of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan de archeologische waarden.
 
2.31 Dak:
Iedere bovenbeëindiging van een gebouw.
 
2.32 Dakopbouw:
Opbouw van de bovenste bouwlaag voor zover gelegen binnen de snijlijnen van een schuin dak, uitgaande van een maximale dakhelling van 60°, met uitzondering van het gestelde bij ‘setbacks’ in dit artikel.
 
2.33 Detailhandel:
Het bedrijfsmatig te koop of te huur of in lease aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, ter leasing, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen respectievelijk huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
2.34 Eerste bouwlaag:
De bouwlaag op de begane grond. Een onderhuis, zolderverdieping of vliering worden hieronder niet begrepen.
 
2.35 Extensief recreatief medegebruik:
Die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen.
 
2.36 Gebouw:
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
2.37 Gestapelde woning:
Een woning in een woongebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat (en waar op het bijbehorende bouwperceel geen andere woningen voorkomen).
 
2.38 Grondgebonden woning:
Een gebouw met hoofdzakelijk een woonfunctie waar één woning aanwezig is.
 
2.39 Horecabedrijf:
Een bedrijf dat is gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en/of ter plaatse te nuttigen voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodaties, een en ander gepaard gaande met dienstverlening, niet zijnde coffeeshops.
 
2.40 Horeca:
Het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of etenswaren en/of logies.
Horeca, categorie 1:
Een horecabedrijf dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar naast overwegend ter plaatse bereide kleinere etenswaren en in hoofdzaak alcoholvrije drank worden verstrekt.
Horeca, categorie 2:
Een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd. Daaronder worden begrepen: cafetaria/snackbar, fastfood en broodjeszaak, lunchroom, ijssalon/ijswinkel, koffie en/of theeschenkerij, afhaalcentrum, eetwinkels, restaurant.
Horeca, categorie 3:
Een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van (alcoholische) dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het vestrekken van maaltijden of etenswaren die ter plaatse dienen te worden genuttigd, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen. Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, danscafé, pubs, juice- en healthbar.
Horeca, categorie 4:
Een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het bieden van vermaak en ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot de dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en kleine etenswaren. Daaronder worden begrepen: discotheek/dancing, nacht-café en een zalencentrum (met nachtvergunning).
Horeca, categorie 5:
Een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf, al dan niet in combinatie met een restaurant. Daaronder wordt begrepen: hotel, motel, pension en overige logiesverstrekkers.
 
2.41 Horizontale diepte van een gebouw:
De lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.
 
2.42 Huishouden:
de bewoning van een woning door:
  1. één persoon;
  2. twee of meerdere personen in de vorm van een samenlevingsverband, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voeren of willen voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, waaronder geen kamerbewoning begrepen.
 
2.43 Kamer:
een onzelfstandig gedeelte van een gebouw met een woonfunctie bij kamerverhuur, welk gedeelte dient voor de huisvesting van één huishouden. Kenmerkend is het gemeenschappelijk gebruik (met andere huishoudens) van een toiletruimte, badruimte en/of een keuken.
 
2.44 Kamerbewoning:
Een woning die, al dan niet mede door de rechthebbende, duurzaam en (nagenoeg) zelfstandig kamergewijs door maximaal 2 personen wordt bewoond en welk niet valt aan te merken als het verstrekken van logies.
 
2.45 Kamerverhuur(bedrijf):
Een pand of een deel van een pand dat door meer dan 2 personen, anders dan door de rechthebbende,bedrijfsmatig kamergewijs wordt bewoond en welk niet valt aan te merken als logiesverblijf.
 
2.46 Kampeermiddel:
Een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
 
2.47 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteit:
De in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met overwegend behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend.
 
2.48 Lijst van Bedrijfsactiviteiten
De lijst van bedrijven bevat basisinformatie voor milieuzonering, en is opgenomen in de bijlagen behorende bij deze regels.
 
2.49 Logiesverblijf:
Het in gebruik hebben of houden van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig recreatief verblijf of tijdelijk onderdak wordt verschaft aan huishoudens die elders hun hoofdverblijf hebben.
Short stay: het korter dan vier maanden onderdak verschaffen aan internationale werknemers, is hieronder begrepen.
 
2.50 Onderbouw:
Een gedeelte van een gebouw dat maximaal 1,50 m boven straatpeil is gelegen en niet als bouwlaag wordt aangemerkt.
 
2.51 Ondergeschikte activiteit
Activiteit waarbij maximaal 30% van de opstallen als zodanig mag worden gebruikt.
 
2.52 Ondergronds bouwwerk:
Een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 m beneden peil.
 
2.53 Overkapping:
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, daaronder begrepen een carport.
 
2.54 Onderkomens:
Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun functie onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf, voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.
 
2.55 Pand:
De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
 
2.56 Parkeervoorziening:
Een al of niet overdekte, op straat aanwezige dan wel met een straat in open verbinding staande ruimte, die gelet op de ligging en de ontsluiting geschikt is om te worden gebruikt voor het parkeren van motorvoertuigen.
 
2.57 Peil:
a. Voor bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
 
b. Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld;
 
c. Indien in of op het water wordt gebouwd:
het Nieuw Amsterdams Peil.
 
2.58 Perceelgrens:
Een grenslijn tussen bouwpercelen onderling.
 
2.59 Productiegebonden detailhandel:
Detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. Maximaal 10% van het bedrijfsoppervlak, met een maximum van 300 m², mag voor productiegebonden detailhandel worden gebruikt.
 
2.60 Prostitutie:
Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding, daaronder begrepen straatprostitutie.
 
2.61 Recreatie:
Vrijetijdsbesteding die in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, trimmen, fietsen, paardrijden, vissen, zwemmen, roeien, kanoën etc.
 
2.62 Seksinrichting:
De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.
 
2.63 Setback:
Een dakopbouw die gelegen is op ten minste 2,00 m achter de doorgetrokken voorgevel van een gebouw met een hoogte van maximaal 3,00 m.
 
2.64 Straatpeil:
Voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
Voor een bouwwerk waarvan die hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
 
2.65 Straatmeubilair:
Lantaarnpalen, banken en dergelijke die aan de openbare weg staan.
 
2.66 Straatprostitutie:
Het zich op de openbare weg of in een zich op de openbare weg bevindend voertuig beschikbaar stellen voor het verrichten van seksuele handelingen tegen vergoeding.
 
2.67 Tuin:
Gronden gelegen tussen de (voor)gevelrooilijn dan wel bijgebouwenlijn en het openbare gebied bestaande uit verkeersontsluiting(en), groenvoorzieningen en/of pleinvormige ruimten.
 
2.68 Uitbouw:
Een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
 
2.69 Verkeer:
Wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, railverkeer, luchtverkeer, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting en/of straatmeubilair.
 
2.70 Verticale diepte van een gebouw:
De diepte van een gebouw, gemeten vanaf de onderzijde van de begane grondvloer.
 
2.71 Voorgevel:
Een of meer gevel(s) van een gebouw die is/zijn gelegen aan de zijde van de weg en die in ruimtelijk opzicht de voorkant(en) van een gebouw vorm(t)(en).
 
2.72 Voorgevelrooilijn:
De grens van het bouwvlak die gericht is naar de weg en waarop de bebouwing is georiënteerd.
 
2.73 Voorzieningen van algemeen nut:
Voorzieningen ten behoeve van het op het openbaar net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.
 
2.74 Vrijstaand bijgebouw:
Een bijgebouw, dat in functionele en bouwkundige zin ondergeschikt is aan en qua constructie en in ruimtelijk visueel opzicht vrij staat van het hoofdgebouw of daarmee slechts verbonden is door een tuinmuur, haag of andere tuinafscherming.
 
2.75 Weg:
Een voor het rijverkeer en ander verkeer bestemde weg of pad, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de weg of pad behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende en als zodanig aangeduide parkeergelegenheden.
 
2.76 Wet/wettelijke regelingen:
Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen en dergelijke, dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, tenzij anders bepaald.
 
2.77 Winkel:
Een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor de detailhandel.
 
2.78 Wonen:
het gehuisvest zijn in een woning.
 
2.79 Woning/wooneenheid:
Een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
 
2.80 Woningomzetting:
Het, eventueel in combinatie met bouwactiviteiten, in gebruik nemen voor wonen van een bestaand gebouw dat niet voor wonen is bestemd op basis van het omgevingsplan. Onder het in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor wonen wordt dan verstaan het wonen in een woning of een wooneenheid.
 
2.81 Woningsplitsing:
Het bouwkundig en/of functioneel splitsen van één woning in twee of meer woningen.
 
2.82 Woongebouw:
Een gebouw of gedeelte van een gebouw, waarin twee of meerdere woningen zijn gelegen die zijn te bereiken door een of meer gemeenschappelijke ruimte(n).
 
2.83 Zolder:
Ruimte(n) in een gebouw die geheel is (zijn) afgedekt met schuine daken en die in functioneel opzicht deel uitmaakt van (de) daaronder gelegen bouwlaag of bouwlagen.
 
2.84 Zijgevel:
Een gevel van een hoofdgebouw, niet zijnde de voor- of achtergevel.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het Omgevingsplan van de gemeente Venlo zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
3.1 Afstand tot de bouwperceelgrens
Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.
 
3.2 Bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
3.3 Dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.4 Goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
3.5 Horizontale diepte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel.
 
3.6 Inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
3.7 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.
 
3.8 Oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
Artikel 4 Normadressaat
 
Aan de regels in dit hoofdstuk 22C wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
2 Functies en regels voor activiteiten
   
Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies (en activiteiten).
Artikel 6 Agrarisch
 
6.1 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Agrarisch heeft de volgende functies:
  1. een duurzame agrarische bedrijfsvoering;
  2. instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van waterhuishoudkundige voorzieningen, water en watergangen;
  3. extensief recreatief medegebruik;
  4. wegen, verharde en onverharde paden;
  5. inritten ten behoeve van aangrenzende functies.
 
6.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
6.2.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Op een locatie die is aangewezen als Agrarisch mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. Bouwwerken zonder dak welke ter plaatse noodzakelijk zijn uit een oogpunt van een doelmatige agrarische bedrijfsvoering dan wel uit een oogpunt van beheer en onderhoud overeenkomstig de doeleinden, waaronder begrepen eenvoudige recreatief ondersteunende voorzieningen, zoals wegwijzers, informatieborden en zitbanken. Sleufsilo's, mestsilo’s, waterbassins en foliemestbassins worden hieronder niet begrepen.
 
6.2.2 Bouwwerken zonder dak
Voor het bouwen van bouwwerken zonder dak gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte mag maximaal 2 m bedragen met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,50 m mag bedragen;
 
6.2.3 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.35 van het omgevingsplan gemeente Venlo zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van dit hoofdstuk 22C.
 
6.3 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
6.3.1 Verbod overschrijden bouwhoogte bouwwerken zonder dak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale bouwhoogte als opgenomen in artikel 6.2.2 sub a te overschrijden.
 
6.3.2 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.3.1 wordt alleen verleend indien:
    1. Dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing en;
    2. Ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden;
    3. In verband met maatwerk en de verbetering van de gebiedskwaliteit ten behoeve van duurzaam agrarisch grondgebruik.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 dat de vergunning alleen wordt verleend indien de bouwhoogte niet meer dan 10 m bedraagt.
 
6.3.3 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3.1 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 6.3.2 onder a wordt voldaan.
 
6.4 Specifieke regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken
6.4.1 Verboden gebruik
Het is verboden gronden of bouwwerken ter plaatse van Agrarisch te gebruiken voor:
  1. het gebruik ten behoeve van een seksinrichting en een escortbedrijf;
  2. het gebruik van gronden als start- en landingsbaan voor spuitvliegtuigjes;
  3. het aanleggen van containervelden op verharde ondergrond;
  4. het aanleggen van containervelden via omkeerbare voorzieningen;
  5. het houden van een kampeerterrein;
  6. het houden van een kampeerterrein door een organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard ten behoeve van eigen doeleinden;
  7. het houden van een natuurkampeerterrein;
  8. het permanent bewonen van, na verlening van een omgevingsvergunning toegestane, kampeermiddelen op kampeerterreinen als bedoeld in het voorgaande.
 
Artikel 7 Natuur
 
7.1 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Natuur heeft de volgende functies:
  1. instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van de aanwezige waarden ten aanzien van natuur, landschap, cultuurhistorie, waterhuishoudkundige voorzieningen en water en watergangen met een zo sterk mogelijk ecologische en ruimtelijk-structurele samenhang;
  2. extensief recreatief medegebruik;
  3. wegen, verharde en onverharde paden.
 
7.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
7.2.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Op een locatie die is aangewezen als Natuur mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. ondergeschikte bouwwerken zonder dak zoals:
    1. afrasteringen;
    2. eenvoudige recreatief ondersteunende voorzieningen zoals:
      • wegwijzers;
      • informatieborden;
      • zitbanken.
 
7.2.2 Bouwwerken zonder dak
Voor het bouwen van bouwwerken zonder dak gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte mag maximaal 2 m bedragen met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 1,50 m mag bedragen
 
7.2.3 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.35 van het omgevingsplan gemeente Venlo zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van dit hoofdstuk 22C.
 
7.3 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
7.3.1 Verbod overschrijden bouwhoogte bouwwerken zonder dak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale bouwhoogte als opgenomen in artikel 7.2.2 sub a te overschrijden.
 
7.3.2 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 7.3.1 wordt alleen verleend indien:
    1. Dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing en;
    2. Ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden;
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.3.1 dat de vergunning alleen wordt verleend indien de bouwhoogte niet meer dan 10 m bedraagt.
 
7.3.3 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.3.1 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 7.3.2 onder a wordt voldaan.
 
7.4 Specifieke regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken
7.4.1 Verboden gebruik
Het is verboden gronden of bouwwerken ter plaatse van Natuur te gebruiken voor cq.:
  1. het gebruik ten behoeve van een seksinrichting en een escortbedrijf;
  2. het gebruik van gronden als start- en landingsbaan voor spuitvliegtuigjes;
  3. het aanleggen van containervelden op verharde ondergrond;
  4. het aanleggen van containervelden via omkeerbare voorzieningen;
  5. het houden van een kampeerterrein;
  6. het houden van een kampeerterrein door een organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard ten behoeve van eigen doeleinden;
  7. het houden van een natuurkampeerterrein;
  8. het permanent bewonen van, na verlening van een omgevingsvergunning toegestane, kampeermiddelen op kampeerterreinen als bedoeld in het voorgaande.
 
Artikel 8 Water
 
8.1 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Water heeft de volgende functies:
  1. water;
  2. waterpartijen;
  3. waterlopen;
  4. dergelijke alsmede voor waterhuishoudkundige doeleinden.
 
8.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
8.2.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Op een locatie die is aangewezen als Water mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. Bouwwerken zonder dak welke noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de watergang;
 
8.2.2 Bouwwerken zonder dak
Voor het bouwen van bouwwerken zonder dak gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. De bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen.
 
8.2.3 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.35 van het omgevingsplan gemeente Venlo zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van dit hoofdstuk 22C.
 
8.3 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
8.3.1 Verbod overschrijden bouwhoogte bouwwerken zonder dak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale bouwhoogte als opgenomen in artikel 8.2.2 sub a te overschrijden.
 
8.3.2 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.3.1 wordt alleen verleend indien:
    1. Dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing en;
    2. Ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden;
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a geldt voor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1 dat de vergunning alleen wordt verleend indien de bouwhoogte niet meer dan 10 m bedraagt.
 
8.3.3 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 8.3.2 onder a wordt voldaan.
 
8.4 Specifieke regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken
8.4.1 Verboden gebruik
Het is verboden gronden of bouwwerken ter plaatse van Water te gebruiken voor:
  1. het gebruik ten behoeve van een seksinrichting en een escortbedrijf;
  2. het gebruik van gronden als start- en landingsbaan voor spuitvliegtuigjes;
  3. het aanleggen van containervelden op verharde ondergrond;
  4. het aanleggen van containervelden via omkeerbare voorzieningen;
  5. het houden van een kampeerterrein;
  6. het houden van een kampeerterrein door een organisatie met een doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard ten behoeve van eigen doeleinden;
  7. het houden van een natuurkampeerterrein;
  8. het permanent bewonen van, na verlening van een omgevingsvergunning toegestane, kampeermiddelen op kampeerterreinen als bedoeld in het voorgaande.
 
Artikel 9 Wonen
 
9.1 Functieomschrijving
Een locatie die is aangewezen als Wonen heeft de volgende functies:
  1. het wonen, in de vorm van grondgebonden woningen, waaronder begrepen kamerbewoning (maximaal 2 personen per woning);
  2. aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  3. tuinen, erven en onbebouwde erven;
  4. verhardingen;
  5. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen;
  6. voorzieningen, zoals een zwembad en/of tennisbaan;
met daarbij behorende:
  1. gebouwen;
  2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  3. landschappelijke inpassing.
9.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
9.2.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Op een locatie die is aangewezen als Wonen mogen uitsluitend worden gebouwd:
  1. bouwwerken met dak, zijnde:
    1. hoofdgebouwen, voor zover wordt voldaan aan 9.2.2;
    2. bijgebouwen, voor zover wordt voldaan aan 9.2.3.
  2. bouwwerken zonder dak, voor zover wordt voldaan aan 9.2.4.
9.2.2 Bouwwerken met dak zijnde hoofdgebouwen
Voor het bouwen van bouwwerken met dak zijnde hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. woningen mogen uitsluitend worden opgericht in het bouwvlak;
  2. de minimale breedte van een kavel bedraagt 24,00 m;
  3. per bouwvlak is één vrijstaande woning toegestaan;
  4. de afstand van het hoofdgebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen dient ten minste 5,00 m te bedragen;
  5. de goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6,00 m;
  6. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 9,00 m;
  7. een hoofdgebouw mag geen grotere inhoud hebben dan 900 m³, met dien verstande dat de inhoud van ondergrondse ruimten hierbij niet worden meegerekend;
  8. het hoofdgebouw moet zijn voorzien van een kap met een dakhelling van ten minste 30° en ten hoogste 50°;
  9. het niveau van de woonverdieping (hoofdgebouwen) moet op beschermingshoogte worden gerealiseerd met een waakhoogte van 25 centimeter, wat ter plaatse van dit plan neerkomt op 18,15m +NAP;
  10. in afwijking van het bepaalde onder a t/m i is de bestaande woning toegestaan met de bestaande afmetingen en in de bestaande omvang;
  11. woningen dienen in de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd;
  12. de voorgevelbreedte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 9 meter.
9.2.3 Bouwwerken met dak zijnde bijgebouwen
Voor het bouwen van bouwwerken met dak zijnde aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. bijgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen het bouwvlak;
  2. aan- en uitbouwen dienen minimaal 5,00 m uit de voorzijde van het hoofdgebouw te worden geplaatst;
  3. de afstand van een vrijstaand bijgebouw tot aan de zijdelingse perceelsgrenzen dient ten minste 5,00 m te bedragen;
  4. de goothoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 3,30 m bedragen;
  5. de bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer dan 6,00 m bedragen;
  6. indien bijgebouwen worden afgedekt met een kap geldt een dakhelling van minimaal 35° en maximaal 50°;
  7. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen mag maximaal 100 m² per bouwvlak bedragen;
  8. aan- en uitbouwen in de vorm van erkers en luifels mogen worden aangebouwd vóór de voorgevel, met een diepte van maximaal 1,50 m, een oppervlakte van 6 m² en een hoogte van maximaal 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping, mits de grens van het functievlak niet wordt overschreden;
9.2.4 Bouwwerken zonder dak
Voor het bouwen van bouwwerken zonder dak gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. erf- en terreinafscheidingen hoger dan 1,00 m, alsmede overkappingen dienen tenminste 1,00 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw - of in het verlengde daarvan - te worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte van andere bouwwerken mag maximaal 3,00 m bedragen, met uitzondering van:
    1. vlaggenmasten, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 5,00 m mag bedragen;
    2. speeltoestellen, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 3,50 m mag bedragen;
    3. erf- en terreinafscheidingen, waarvan de bouwhoogte niet meer dan 2,00 m mag bedragen.
9.2.5 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.35 van het omgevingsplan gemeente Venlo zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van dit hoofdstuk 22C.
 
9.3 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
9.3.1 Verbod overschrijden goot- en bouwhoogte bouwwerken met dak
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de maximale goot- en bouwhoogte als opgenomen in artikel 9.2.3 te overschrijden.
 
9.3.2 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3.1 wordt alleen verleend indien:
    1. geen onevenredige aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld plaatsvindt alsmede van de stedenbouwkundige karakteristiek van de omgeving;
    2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
9.3.3 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3.1 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 9.3.2 onder a wordt voldaan.
9.4 Specifieke regels voor het gebruik van gronden en bouwwerken
9.4.1 Verboden gebruik
Het is verboden gronden of bouwwerken ter plaatse van een locatie die is aangewezen als Wonen te gebruiken voor:
  1. het gebruik ten behoeve van een seksinrichting;
  2. het gebruik van gronden als start- en landingsbaan voor spuitvliegtuigjes;
  3. het gebruik van gronden voor het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen;
  4. vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor permanente of tijdelijke bewoning;
  5. opstallen als kamerverhuurbedrijf;
  6. woningen voor kamerbewoning voor meer dan 2 personen;
  7. opstallen voor bed and breakfast.
9.4.2 Aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
Het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is toegestaan in combinatie met het wonen, mits:
  1. het bedrijven betreft welke zijn genoemd in de in bijlage 1 Bedrijvenlijst opgenomen bedrijvenlijst, alsmede bedrijven welke niet in de lijst zijn vermeld, doch naar het oordeel van burgemeester en wethouders, waar het gaat om de verwachting omtrent te duchten gevaar, schade of hinder of overlast voor de (woon)omgeving, daarmee gelijk te stellen zijn. De in de bedrijvenlijst genoemde bedrijven vallen onder milieucategorie 1 of 2. Bedrijven in een hogere milieucategorie zijn vanwege de mogelijke hinder voor de omgeving in dit verband niet toegestaan;
  2. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;
  3. de beroeps- en/of bedrijfsoppervlakte niet meer bedraagt dan 40% van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 50 m²;
  4. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten hoofdzakelijk door de bewoner(s) van het hoofdgebouw zelf worden uitgeoefend;
  5. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten geen hoger bronvermogen hebben dan 50 dB(A)/m²- etmaalwaarde;
  6. de woning en de bij de woning behorende bijbehorende bouwwerken aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) c.q. de Bouwverordening (blijven) voldoen;
  7. de beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten geen parkeeroverlast voor de directe (woon)-omgeving veroorzaken of dat hierdoor geen extra parkeervoorzieningen noodzakelijk zijn;
  8. geen (overig) gevaar, schade, hinder of overlast voor de (woon)omgeving ontstaat;
  9. geen detailhandel wordt uitgeoefend, met uitzondering van detailhandel die ondergeschikt is aan en verband houdt met de ter plekke uitgeoefende kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
  10. geen horeca-activiteiten worden uitgeoefend;
  11. geen prostitutiebedrijf, seksinrichting of aanverwante activiteiten op erotisch en/of pornografisch gebied wordt/worden uitgeoefend.
9.4.3 Voorwaardelijke verplichting landschap
Het gebruiken van een woning zoals bedoeld in artikel 9.1 is binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - landschappelijke inpassing’ uitsluitend toegestaan indien de inrichtingsmaatregelen uit het landschappelijk inpassingsplan overeenkomstig bijlage 2 binnen 1 jaar na ingebruikname van de gronden zijn gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden en beheerd.
 
9.4.4 Voorwaardelijke verplichting sloop
De bouw van de nieuw te realiseren woning is alleen dan toegestaan als de sloop van de bebouwing conform de in Bijlage 3 bij deze regels opgenomen ‘Tekening te slopen bebouwing’ volledig is uitgevoerd.
 
9.4.5 Voorwaardelijke verplichting geluid
Het bouwen en gebruik van gebouwen, bouwwerken en gronden ten behoeve van nieuwe geluidgevoelige functies zoals genoemd in dit artikel is uitsluitend toegestaan indien wordt voldaan aan de grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten, zijnde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau respectievelijk 35 dB(A), 30 dB(A) en 25 dB(A) in de perioden 7.00-19.00 uur, 19.00-23.00 uur en 23.00-7.00 uur. 
 
9.5 Vergunningsplicht omgevingsplanactiviteit gebruiken van gronden en bouwwerken
9.5.1 Verbod
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken voor:
  1. Bed and Breakfast;
  2. Kamerverhuurbedrijf;
  3. Kamergewijze bewoning voor meer dan 2 personen per woning.
9.5.2 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.5.1 sub a wordt alleen verleend indien:
    1. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft;
    2. bedoeld gebruik geen hinder voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
    3. bedoeld gebruik geen belemmering voor de omliggende bedrijven oplevert;
    4. het gebruik naar de aard met het woonkarakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;
    5. het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw of bijbehorend bouwwerk uitvoert, tevens de gebruiker van het hoofdgebouw is;
    6. er geen duurzame ontwrichting van de evenwichtige opbouw van de voorzieningenstructuur ontstaan;
    7. het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van verkeer;
    8. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
    9. de bed and breakfast-voorziening in bestaande bebouwing wordt gerealiseerd;
    10. maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van een bed and breakfast in gebruik zijn, zulks met een absoluut maximum van 60 m².
  2. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.5.1 sub b en c worden alleen verleend indien:
    1. per kamer wordt voorzien in voldoende gebruiks- en leefoppervlakte;
    2. wordt voorzien in voldoende stallingsruimte voor fietsen en wordt voorzien in voldoende bergruimte voor het opslaan van huishoudelijk afval;
    3. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Indien niet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien, dient te worden aangetoond dat elders in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien;
    4. het gebruik geen overlast voor het woonmilieu oplevert en geen onevenredige afbreuk doet aan het woonkarakter van de wijk of buurt;
    5. Bij de beoordeling of wordt voldaan aan de onder 1. tot en met 4. beschreven voorwaarden wordt getoetst aan de beleidsregel ‘Kamerverhuur, woningsplitsing en woningomzetting Venlo 2024' als vastgesteld door burgemeester en wethouders van Venlo op 30 april 2024, met dien verstande dat wanneer deze beleidsregel wordt herzien, aanvragen worden getoetst aan de geldende beleidsregel ten tijde van het indienen van de aanvraag.
9.5.3 Aanvraagvereisten
  1. Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.5.1 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.2.3 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
  2. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan artikel 9.5.2 wordt voldaan.
Artikel 10 Waarde – Archeologie
 
10.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie’.
 
10.2 Functieomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende:
  1. cultuurhistorische waarden;
  2. archeologische hoge en middelhoge waarden.
 
Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte functies binnen de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie’ is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien, gehoord de gemeentelijke archeoloog en/of de beleidsadviseur monumenten van de gemeente Venlo, het verenigbaar is met het belang van het cultuurhistorisch waardevol gebied.
 
10.3 Beoordelingsregels bouwactiviteit
10.3.1 Toegelaten bouwactiviteiten
  1. Ter plaatse van de voor ‘Waarde – Archeologie’ aanwezige gronden dient voor bouwwerken:
    1. in geval van nieuwbouw groter dan 0 m², met uitzondering van een verandering of vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande bebouwde oppervlakte gehandhaafd blijft en de bestaande fundering niet wordt gewijzigd en/of uitgebreid, bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een rapport te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
  2. Indien uit het onder a bedoelde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de bouwvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid a indien de archeologische waarden van het terrein in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld.
 
10.4 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid
10.4.1 Verbod veranderen huidig maaiveldniveau
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning het huidige maaiveldniveau te veranderen door ontginningen, bodem verlagen, egaliseren, afgraven, of ophogen.
 
10.4.2 Verbod aanbrengen diepwortelende beplanting en/of bomen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning diepwortelende beplantingen en/of bomen aan te leggen.
 
10.4.3 Verbod uitvoeren grondwerkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden uit te voeren dieper dan 0,4 m ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage.
 
10.4.4 Verbod aanleggen kabels en leidingen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur aan te leggen.
 
10.4.5 Verbod uitvoeren werkzaamheden
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand uit te voeren.
 
10.4.6 Verbod aanleg oppervlaktewater
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning sloten, greppels, watergangen, vijvers of vaarten te graven, aan te leggen, verbreden, vergroten of te dempen.
 
10.4.7 Verbod sloop bestaande opstallen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning fundering te verwijderen en bestaande opstallen beneden de 30 cm boven maaiveld te slopen.
 
10.4.8 Uitzondering
Het verbod als bedoeld 10.4.1 tot en met 10.4.7 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
  1. betrekking hebbend op normaal onderhoud en beheer;
  2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreding van dit plan;
  3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  4. minder diep reiken dan 0,40 meter onder het maaiveld en waarbij geen grond blijvend wordt afgevoerd en het grondoppervlak van de aanlegwerken minder is dan 0 m²;
  5. archeologisch onderzoek betreffen.
 
10.4.9 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 10.4.1 tot en met 10.4.7 worden alleen verleend indien:
  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in lid 10.2 genoemde doeleinden;
  2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog van de gemeente Venlo.
 
10.4.10 Aanvraag vereisten
Op aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.4.1 tot en met 10.4.7 zijn de aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.284 van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing.
 
Artikel 11 Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed
 
11.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waterstaat – Stroomvoerend rivierbed’.
 
11.2 Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de afvoer en doorstroming van rivierwater.
 
11.3 Beoordelingsregels bouwactiviteit
11.3.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Ter plaatse van de voor 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
 
11.4 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
11.4.1 Verbod bouwen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken te bouwen.
 
11.4.2 Verbod riviergebonden activiteiten
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende riviergebonden activiteiten uit te voeren:
  1. de aanleg of wijziging van waterstaatkundige (kunst)werken;
  2. de realisatie van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- en recreatievaart;
  3. de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten , uitsluitend voor zover de activiteit is gekoppeld aan het vervoer over de rivier;
  4. de realisatie van natuur;
  5. de realisatie van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden;
  6. de winning van oppervlaktedelfstoffen;
 
11.4.3 Verbod niet-riviergebonden activiteiten
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende niet-riviergebonden activiteiten uit te voeren:
  1. activiteiten met een groot openbaar belang welke redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  2. activiteiten met een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven welke redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  3. een functieverandering binnen de bestaande bebouwing;
  4. activiteiten welke per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie;
 
11.4.4 Verbod overige activiteiten
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende overige activiteiten uit te voeren:
  1. een eenmalige uitbreiding van niet meer dan 10% van de bestaande bebouwing;
  2. activiteiten van uit rivierkundig opzicht ondergeschikt belang;
  3. activiteiten ten behoeve van rivierbeheer en/of -verruiming;
  4. tijdelijke activiteiten;
 
11.4.5 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 11.4.1 tot en met 11.4.4 worden alleen verleend indien:
  1. de activiteit zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk is gewaarborgd;
  2. geen sprake is van een feitelijke belemmering van de vergroting van de afvoercapaciteit;
  3. de bebouwing zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat de waterstandsverhoging dan wel de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is;
  4. de gevraagde rivierverzuimende maatregelen worden genomen, waarbij de financiering en tijdelijke realisering van de maatregelen gezekerd zijn;
  5. de ecologische toestand van het oppervlaktewater niet verslechterd.
 
11.4.6 Uitzondering
Ten aanzien van de activiteiten als genoemd in artikel 11.4.4 geldt dat de toelaatbaarheid slechts wordt getoetst aan de voorwaarden als genoemd in artikel 11.4.5 onderdelen a tot en met c.
 
11.5 Vergunningsplicht omgevingsplanactiviteit gebruiken van gronden en bouwwerken
11.5.1 Verboden gebruik
Het is ter plaatse van 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken voor zowel riviergebonden als niet-riviergebonden activiteiten.
 
11.5.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.5.1 worden alleen verleend indien:
  1. Voor riviergebonden activiteiten:
    1. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft;
    2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit;
    3. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
    4. de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.
  2. voor niet- riviergebonden activiteiten:
    1. er sprake is van:
      1. een functieverandering binnen de bestaande bebouwing of;
      2. een activiteit die per saldo meer ruimte voor de rivier oplevert op een rivierkundig bezien aanvaardbare locatie of;
      3. een groot openbaar belang en het bouwwerk niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd of;
      4. een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven en het bouwwerk redelijkerwijs niet buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd;
    2. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft;
    3. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit;
    4. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de activiteit dat de waterstandsverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
      1. de resterende waterstandseffecten of
      2. de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd of;
      3. de rivierverruimende maatregelen worden genomen, waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.
 
11.6 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.6.1 Verbod veranderen huidig maaiveldniveau
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning het huidige maaiveldniveau te veranderen door ontginningen, bodem verlagen, egaliseren, afgraven, diepploegen, indrijven of ophogen.
 
11.6.2 Verbod watergang activiteiten
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning watergangen aan te leggen, te vergraven, te verruimen of te dempen.
 
11.6.3 Verbod aanleg kabels, leidingen en oppervlakteverharding
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gesloten oppervlakteverharding aan te brengen en om kabels en/of leidingen en daarmee verband houdende constructies aan te leggen.
 
11.6.4 Verbod aanbrengen diepwortelende beplantingen en/of bomen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning diepwortelende beplantingen en/of bomen aan te leggen, vellen en/of rooien.
 
11.6.5 Uitzondering
Het verbod als bedoeld in artikel 11.6.1 tot en met 11.6.4 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
  1. normale onderhoudswerkzaamheden;
  2. werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik;
  3. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning mogen worden uitgevoerd.
 
11.6.6 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 11.6.1 tot en met 11.6.4 worden alleen verleend indien:
  1. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de werken en/of werkzaamheden dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk gewaarborgd blijft;
  2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit;
  3. er sprake is van een zodanige situering en uitvoering van de werken en/of werkzaamheden dat de waterstandsverhoging of de afname van het waterbergend vermogen zo gering mogelijk is;
  4. de resterende waterstandseffecten of de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd waarbij de financiering en de tijdige realisering van de maatregelen gezekerd zijn.
 
Artikel 12 Waterstaat – Waterbergend rivierbed
 
12.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waterstaat – Waterbergend rivierbed’.
 
12.2 Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de berging van rivierwater.
 
12.3 Beoordelingsregels bouwactiviteit
12.3.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Ter plaatse van de voor 'Waterstaat – Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
 
12.4 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
12.4.1 Verbod bouwen
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken te bouwen.
 
12.4.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.4.1 voor het bouwen van een bouwwerk dat ten dienste staat van de andere daar voorkomende functies, worden alleen verleend indien:
  1. de bebouwing zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat het veilig functioneren van het waterstaatswerk is gewaarborgd;
  2. er geen sprake is van een feitelijke belemmering van de vergroting van de afvoercapaciteit;
  3. de bebouwing zodanig wordt gesitueerd en uitgevoerd dat de waterstandsverhoging dan wel de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is;
  4. de resterende waterstandseffecten dan wel de afname van het bergend vermogen duurzaam worden gecompenseerd, waarbij de financiering en tijdige realisering van de maatregelen moet zijn verzekerd.
 
12.4.3 Uitzondering
De toelaatbaarheid van het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde ten behoeve van navolgende activiteiten wordt slechts getoetst aan artikel 12.4.2 onderdeel a tot en met d:
  1. een eenmalige uitbreiding van ten hoogste 10% van de bestaande bebouwing;
  2. tijdelijke activiteiten, anders dan bedoeld in artikel 7.1.1, lid 1 onderdeel b van de Waterregeling;
  3. overige activiteiten van rivierkundig ondergeschikt belang.
 
Artikel 13 Waterstaat - Waterkering
 
13.1 Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waterstaat – Waterkering’.
 
13.2 Functieomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, tevens bedoeld voor het beheer en onderhoud van de waterkering.
 
Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte functies binnen de locaties die zijn aangewezen als ‘Waterstaat – Waterkering’ is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het, gehoord de beheerder van de waterkering, verenigbaar is met het belang van de waterkering.
 
13.3 Beoordelingsregels bouwactiviteit
13.3.1 Toegelaten bouwactiviteiten
Ter plaatse van de voor 'Waterstaat – Waterkering' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken zonder dak worden gebouwd voor zover wordt voldaan aan 13.3.2.
 
13.3.2 Bouwwerken zonder dak
Voor het bouwen van bouwwerken zonder dak gelden de volgende beoordelingsregels:
  1. het bouwwerk is noodzakelijk voor het beheer en onderhoud van de waterkering.
 
13.4 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken
13.4.1 Verbod
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning bouwwerken te bouwen, anders dan bedoeld in artikel 13.3.
13.4.2 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.4.1 voor het bouwen van bouwwerken anders dan opgenomen in 13.3, wordt alleen verleend indien:
  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de waterkering;
  2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de betreffende waterkering.
 
13.5 Vergunningplicht omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.5.1 Verboden werkzaamheden
Het is verboden op of in de gronden die zijn aangewezen als ‘Waterstaat-Waterkering’ zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen van wegen, paden, banen en andere oppervlakteverhardingen;
  2. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven of ophogen;
  3. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  4. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen;
  5. diepploegen;
  6. het aanleggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies;
  7. het aanleggen van watergangen of het vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen.
 
13.5.2 Uitzonderingen
Het verbod als bedoeld in lid 13.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
  1. behoren bij de aanleg van de nieuwe waterkering;
  2. betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, waaronder de vervanging van bestaande boomstructuren, lichtmasten, paden;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreding van dit plan;
  4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
 
13.5.3 Beoordelingsregels
De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 13.5.1 wordt alleen verleend indien:
  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het functioneren van de primaire waterkering;
  2. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende beheerder van de primaire waterkering.
 
 
3 Algemene regels
Artikel 14 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 15 Spuitvrije zone
 
15.1 Toepassingsbereik
Dit artikel is van toepassing op de locatie die is aangeduid als Spuitvrije zone.
 
15.2 Verbod
Het is verboden op de locatie die is aangeduid als Spuitvrije zone gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.
 
Artikel 16 Algemene bouwregels
 
16.1 Ondergeschikte bouwdelen
Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 1,00 m bedraagt.
 
16.2 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten
16.2.1 Maximale maatvoering
Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande, legale bouwwerken, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.
 
16.2.2 Minimale maatvoering
In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande, legale bouwwerken, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
 
16.2.3 Heroprichting
In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in artikel 16.2.1 en artikel 16.2.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
 
16.3 Ondergronds bouwen
16.3.1 Algemene bepaling m.b.t. ondergronds bouwen
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels:
  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan bij hoofd- en bijgebouwen;
  2. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken welke gelegen zijn buiten de buitenmuren van het hoofdgebouw of bijgebouw mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bijgebouwen boven peil;
  3. in aanvulling op het bepaalde in sub a en b is maximaal 1 niet-overdekt zwembad toegestaan onder de volgende voorwaarde:
    1. het zwembad dient te worden gebouwd in het achtererf en op een afstand van ten minste 3 meter van zijdelingse en achterste perceelsgrens;
    2. het zwembad mag niet overdekt zijn, tenzij de regeling voor bijgebouwen als bedoeld in artikel 9.2.3 in acht wordt genomen;
    3. het zwembad mag uitsluitend voor hobbymatig gebruik worden benut;
    4. per perceel mag maximaal 1 zwembad worden gebouwd;
  4. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 4 meter onder peil.
 
Artikel 17 Algemene regels omgevingsplanactiviteiten
 
17.1 Algemene regels - parkeervoorzieningen
  1. Bij het bouwen van bouwwerken op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk 22C dient voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ (juli 2024) of diens opvolger dan wel het op dat moment geldend gemeentelijk parkeerbeleid.
  2. Bij een gebruikswijziging waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, dient voldoende parkeergelegenheid te worden gerealiseerd. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de CROW-publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’ (juli 2024) of diens opvolger dan wel het op dat moment geldend gemeentelijk parkeerbeleid.
 
17.2 Gebodsbepaling in stand houden parkeervoorzieningen
Indien in het kader van een vergunningplicht als opgenomen in dit hoofdstuk 22C dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig artikel 17.1, dan dient de betreffende parkeervoorziening zoals aangegeven in de aanvraag en vervolgens is vergund na de aanleg ervan duurzaam in stand te worden gehouden.
 
17.3 Algemene regels - hemelwatervoorzieningen
Bij het bouwen van bouwwerken op grond van het bepaalde in dit hoofdstuk 22C, waaronder begrepen het verbouwen en uitbreiden van bestaande bouwwerken, dient op eigen terrein een adequate voorziening te worden getroffen voor de opvang, berging en infiltratie van hemelwater. Er wordt een adequate voorziening getroffen wanneer wordt voldaan aan de 'Afkoppelbeslisboom Gemeente Venlo' zoals opgenomen in het Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2031 en als vastgesteld door de gemeenteraad op 30 juni 2021.
 
17.4 Gebodsbepaling in stand houden hemelwatervoorzieningen
Indien in het kader van een vergunningplicht als opgenomen in dit hoofdstuk 22C dient te worden voorzien in een adequate voorziening voor de opvang, berging en infiltratie van hemelwater overeenkomstig artikel 17.3, dan dient de betreffende voorziening zoals aangegeven in de aanvraag en vervolgens is vergund na de aanleg ervan duurzaam in stand te worden gehouden.
 
17.5 In stand houden bestaande bouwwerken
In aanvulling op artikel 22.40 van het Omgevingsplan gemeente Venlo is voor het in stand houden van een bestaand bouwwerk geen omgevingsvergunning vereist, mits het een feitelijk bestaand bouwwerk betreft dat is gebouwd:
  1. overeenkomstig een daarvoor verleende omgevingsvergunning;
  2. overeenkomstig algemene regels als opgenomen in dit omgevingsplan;
  3. overeenkomstig algemene regels, zoals die golden ten tijde van het bouwen van het bouwwerk, hetgeen ook kan worden aangetoond.
 
4 Overgangsrecht
Artikel 18 Overgangsrecht
 
18.1 Overgangsrecht bouwwerken
  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van dit hoofdstuk 22C, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22C, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvóór – als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo - geldende tijdelijke deel van het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat tijdelijke deel van het omgevingsplan.
 
18.2 Overgangsrecht gebruik
  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22C en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met dit hoofdstuk 22C strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk 22C strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk 22C voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het daarvóór – als onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Venlo - geldende tijdelijke deel van het omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat tijdelijke deel van het omgevingsplan.
 
18.3 Uitzondering overgangsrecht
Het bepaalde in artikel 18.2 lid a is niet van toepassing op een gebruik dat in strijd is met het bepaalde in artikel 15.