Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Buitengebied Venlo, herbestemming klooster Bethanie
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0983.BPL201224BETHANIE-VA01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Plan

de “Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied, Klooster Bethanië” van de gemeente Venlo;

1.2 Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0983.BPL201224BETHANIE-VA01 met de bijbehorende regels;

1.3 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar in gevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 Aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten in het verleden.

1.6 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.7 Bebouwingsoppervlak

Het oppervlak van het bouwperceel, bestemmingsoppervlak dan wel van het bouwvlak, dat ten hoogste met gebouwen (kassen en warenhuizen daaronder niet begrepen) mag worden bebouwd.

1.8 Bedrijfsgebouw

Een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.

1.9 Bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, te bewonen door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting ter plaatse noodzakelijk is, gelet op het feitelijk gebruik van het gebouw en/of het terrein in overeenstemming met de bestemming.

1.10 Bestaand

Ten aanzien van de bebouwing:
De als zodanig op de verbeelding aangegeven bebouwing, welke bestaat op het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan, dan wel op dat tijdstip op basis van een afgegeven omgevingsvergunning mag worden gebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald.
 
Ten aanzien van het gebruik:
Het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals dat bestaat ten tijde van het van kracht worden van dit plan.

1.11 Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.12 Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.13 Bosbouwkundige waarde

De aan een gebied toegekende waarde vanwege zijn houtproductiefunctie in samenhang met een natuur-, landschappelijke en/of recreatieve functie.

1.14 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van bouwwerken, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.15 Bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.16 Bouwperceel

Een aangesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.17 Bouwperceelsgrens

De grens van een bouwperceel.

1.18 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.19 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.20 Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of ander bouwwerk met een dak.

1.21 Caravan

Een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot woon-, dag- of nachtverblijf van een of meer personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze wagen of dit voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt hij voor de toepassing van dit plan aangemerkt als caravan.

1.22 Cultuurhistorische waarden

De aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied en zoals vastgelegd in bijlage 1 van de toelichting van dit bestemmingsplan.

1.23 Dakkapel

Uitspringend dakraam dat op het dakvlak van een gebouw wordt aangebracht.

1.24 Escortbedrijf

De natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overigen).

1.25 Gebouw

Een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.26 Gevellijn

Een denkbeeldige lijn, waar de voorgevel van een hoofdgebouw op moet zijn georiënteerd.

1.27 Hoofdgebouw

Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.28 Kampeermiddel

Een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan;
 
enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde,
 
één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
 

1.29 Kampeerplaats

Een standplaats voor maximaal een kampeermiddel.

1.30 Kampeerterrein

Terrein of een deel van een terrein met ten minste twintig toeristische slaapplaatsen en met ten minste wasgelegenheid en toiletten, waarop kan worden overnacht in tenten, toercaravans, kampeerauto's, stacaravans, tenthuisjes of trekkershutten.

1.31 Landschappelijke waarde

De aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens).

1.32 Maatschappelijk

Het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder gezondheidszorg, zorg en welzijn, jeugd / kinderopvang, onderwijs, religie, uitvaart / begraafplaats, bibliotheken, openbare dienstverlening, verenigingsleven en/ of defensie/ militaire zaken’.

1.33 Mantelzorg

Het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.

1.34 Natuurwaarde

De aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van planten en dieren die zichzelf onder invloed van klimaat, geomorfologie, bodemkundige en waterhuishoudkundige gesteldheid en al dan niet beïnvloed door menselijke aanwezigheid, in stand gehouden.

1.35 Normaal onderhoud en beheer

Werken/werkzaamheden die periodiek dienen te worden uitgevoerd ter instandhouding van de binnen een gebied aanwezige functies en waarden.

1.36 Ondergeschikt

In aard en omvang of functioneel, ruimtelijk en/of architectonisch opzicht ten dienste van een hoofdfunctie/gebouw. In geval er onduidelijkheid is over ondergeschikt zijn van een activiteit kan een externe deskundige hierover advies geven.

1.37 Onderkomens

Voor verblijf geschikte - al dan niet aan de bestemming onttrokken - voer- en vaartuigen, arken, caravans en stacaravans voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken, alsook tenten.

1.38 Onzelfstandige woonruimte

Eén of meerdere kamers of een etage met gedeelde voorzieningen. zonder eigen toegang en gedeeld gebruik van de keuken en/of sanitaire voorzieningen met anderen.

1.39 Peil

  • Voor bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang.
  • Voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte aansluitende maaiveld.
  • Indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil.

1.40 Permanente bewoning

Indien één of meerdere personen een woning al dan niet tijdelijk gebruiken als (hoofd)verblijf in de zin van artikel 1:10 BW - zoals dat geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan - dan wel anderszins gebruiken voor niet-recreatieve doeleinden.

1.41 Prostitutie

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten ten behoeve van een ander tegen vergoeding, daaronder begrepen straatprostitutie.

1.42 Robuuste landbouw en natuur

Zone voor die delen van het buitengebied die niet behoren tot de Ecologische Hoofdstructuur maar waarbinnen natuur en natuurontwikkeling belangrijke functies vormen naast de landbouw. Binnen deze zone wordt gestreefd naar behoud van aanwezige functies waarbij het behoud en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden voorop staat.

1.43 Seksinrichting

De voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.44 Sociaal Educatieve Voorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het uitoefenen van sociale en educatieve activiteiten.

1.45 Tijdelijke werknemers

Werknemers die hun hoofdverblijfplaats elders hebben, maar voor langere tijd ver van de hoofdverblijfplaats werkzaam zijn en in de omgeving van hun werk een tweede verblijfplaats hebben.

1.46 Tent

Een in hoofdzaak uit textiel of daarmee vergelijkbare materialen vervaardigd onderkomen voor dag- en/of nachtverblijf.

1.47 Verbeelding

De verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied Venlo, herziening Klooster Bethanië' bestaande uit de verbeelding en legenda.

1.48 Waterhuishoudkundig

Met betrekking tot de aanwezigheid van (natuurlijke) bronnen, kwel of natuurlijke stroming

1.49 Woning

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw, geschikt en bestemd voor de zelfstandige huisvesting van één huishouden.

1.50 Woongebouw

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw met daarin meerdere onzelfstandige woonruimten en bijbehorende nevenfuncties voor de huisvesting van meerdere huishoudens.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 Afstand tot bouwperceelsgrens

Tussen de grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is.

2.2 Bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 Dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.4 Goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.5 Horizontale diepte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voorgevel en de achtergevel.

2.6 Inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

2.8 Ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

Vanaf het bouwkundig peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

2.9 Oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bos

3.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het beschermen en instandhouden van het bos;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'robuuste landbouw en natuur, een gebied met robuuste landbouw en natuur';
  3. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarde', voor herstel, bescherming en instandhouding van de kloostertuin;
  4. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Milieuzone Venlose Schol', de bescherming van de hoeveelheid grondwater;
  5. ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied', de bescherming van de kwaliteit van het grondwater;
  6. ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie', een middelhoge/hoge archeologische verwachting;
  7. extensief recreatief medegebruik;
  8. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  9. voor onoverdekt parkeren op eigen terrein alleen op de daarvoor ingerichte plaatsen parkeren, conform het in de bijlage opgenomen parkeerplan en artikel 9.2. 

3.2 Bouwregels

Op deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van beperkte voorzieningen – bouwwerken, geen gebouwen zijnde - ten behoeve van extensieve recreatie zoals zitbanken, routeborden met een maximale hoogte van 2 meter en afrasteringen met een maximale hoogte van 1,2 meter. Daarbij dient het gestelde in artikel 10.3 in acht te worden genomen.

3.3 Specifieke gebruiksregels

Met in acht name van het gestelde in artikel 10.3 wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 3.1, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
  1. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  2. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  3. kamperen.
 

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

3.4.1 Verbod
Het is verboden op of in de gronden, met uitzondering binnen het bouwvlak, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de gronden bedoeld in dit artikel in ieder geval de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. Middelhoge en hoge archeologische verwachting
terrein met een middelhoge archeologische waarde, terrein met een hoge archeologische waarde, terrein met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde
  1. bodem: afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, indrijven, rooien;
  2. waterhuishouding: draineren, onderbemalen, graven sloten;
  3. infrastructuur: aanleg leidingen.
 
  1. Aanleggen parkeervoorzieningen
 
  1. het aanleggen van parkeervoorzieningen en andere verhardingen.
3.4.2 Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van artikel 3.4.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden:
  1. die niet dieper gaan dan -0,4 meter beneden maaiveld;
  2. die behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  3. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  4. die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;
  5. die worden uitgevoerd conform het parkeerplan als bedoeld artikel 3.1 sub i.
 
3.4.3 Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden
Werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3.4.2 zijn slechts zonder vergunning toelaatbaar, indien:
  1. deze verband houden met de omschrijving, die aan de desbetreffende bestemming is toegekend;
  2. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. Ten aanzien van de aanleg van de parkeerplaatsen geldt dat deze de kwaliteiten niet onevenredig aantasten, indien de inrichting plaatsvind zoals beschreven in paragraaf 3.2.4 van de Toelichting.

Artikel 4 Tuin

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. tuinen en open erven;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘robuuste landbouw en natuur, een gebied met robuuste landbouw en natuur’;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorie’, voor de bescherming en instandhouding van de kloostertuin;
  4. ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone Venlose Schol, de bescherming van de hoeveelheid grondwater;
  5. ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’, de bescherming van de kwaliteit van het grondwater;
  6. ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde - archeologie, een middelhoge/hoge archeologische verwachting;
  7. voetpaden;
  8. voor onoverdekt parkeren op eigen terrein alleen op de daarvoor ingerichte plaatsen parkeren, conform het in de bijlage opgenomen parkeerplan en artikel 9.2.
 

4.2 Bouwregels

 
4.2.1 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:
Het is verboden binnen de bestemming te bouwen, met uitzondering van de volgende bouwwerken, geen gebouw zijnde:
  1. erfafscheidingen voor de voorgevel en het verlengde daarvan. De bouwhoogte daarvan mag niet meer dan 1,00 m bedragen;
  2. vlaggenmasten. De bouwhoogte daarvan mag niet meer dan 8,00 m bedragen;
  3. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bouwhoogte daarvan, mag niet meer dan 2,00 m bedragen.
Daarbij dient het gestelde in artikel 10.3 in acht te worden genomen.

4.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:
  • het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van het onoverdekt parkeren op eigen terrein buiten de daarvoor ingerichte plaatsen.

4.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 4.3 voor het onoverdekt parkeren op eigen terrein, onder de volgende voorwaarden:
  1. De karakteristiek van de tuin en/of het nabij gelegen hoofdgebouw niet wordt aangetast;
  2. Het veilig en doelmatig gebruik van de weg niet onevenredig wordt geschaad.
 

4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  
4.5.1 Verbod
Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de gronden bedoeld in dit artikel in ieder geval de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. Middelhoge en hoge archeologische verwachting
terrein met een middelhoge archeologische waarde, terrein met een hoge archeologische waarde, terrein met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde
  1. bodem: afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, indrijven, rooien;
  2. waterhuishouding: draineren, onderbemalen, graven sloten;
  3. infrastructuur: aanleg leidingen.
4.5.2 Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van artikel 4.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden:
  1. die niet dieper gaan dan -0,4 meter beneden maaiveld;
  2. die behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  3. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  4. die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
 
4.5.3 Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden
Werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 4.5.2 zijn slechts zonder vergunning toelaatbaar, indien:
  1. deze verband houden met de omschrijving, die aan de desbetreffende bestemming is toegekend;
  2. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
 

Artikel 5 Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen voor huisvesting tijdelijke werknemers’, uitsluitende voor de huisvesting van maximaal 225 tijdelijke werknemers’ in maximaal 116 onzelfstandige woonruimten in een woongebouw;
  2. ter plaatse van de aanduiding ‘kantoor’, een aan het wonen ondergeschikt kantoor;
  3. ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouw’, uitsluitend bij het woongebouw behorende bergruimten;
  4. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’, één bedrijfswoning ten behoeve van het beheer en exploitatie van het woongebouw voor huisvesting tijdelijke werknemers;
  5. ter plaatse van de aanduiding ‘robuuste landbouw en natuur, een gebied met robuuste landbouw en natuur’;
  6. ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarde’, de bescherming van de karakteristieke cultuurhistorische waarden van het kloostergebouw en instandhouding van de kloostertuin;
  7. ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone Venlose Schol, de bescherming van de hoeveelheid grondwater;
  8. ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’, de bescherming van de kwaliteit van het grondwater;
  9. ter plaatse van de dubbelbestemming Waarde - archeologie, een middelhoge/hoge archeologische verwachting.
 

5.2 Bouwregels

Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde de volgende bepalingen:
5.2.1 Algemeen
  1. Binnen de bouwvlakken is alleen de aldaar specifiek aangeduide bebouwing toegestaan.
  2. Ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarde’ mag bij (ver)bouwwerkzaamheden de verschijningsvorm van het hoofdgebouw niet onevenredig aangetast worden. Daarbij dient het gestelde in artikel 10.3 in acht te worden genomen.
5.2.2 Woongebouw
Het bestaande gebouw mag qua maatvoering niet uitwendig gewijzigd worden. De bestaande inhoud, goothoogten, nokhoogten en kaphellingen zijn bepalend.
5.2.3 Kantoor
Het bestaande gebouw mag qua maatvoering niet uitwendig gewijzigd worden. De bestaande inhoud, goothoogten, nokhoogten en kaphellingen zijn bepalend.
5.2.4 Bedrijfswoning
  1. De inhoud van de bedrijfswoning mag maximaal 900 m³ bedragen.
  2. De afstand tot de perceelgrenzen moet ten minste 5 meter bedragen, tenzij het een woningscheidende zijgevel betreft.
  3. De goothoogte van de woning mag niet meer bedragen dan 6 meter. De maximale nokhoogte bedraagt 9 meter.
  4. Woningen dienen met een kap te worden afgedicht.
5.2.5 Bijbehorende bouwwerken
  1. De bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd binnen de aanduiding ‘bijgebouw’.
  2. De oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken mag maximaal 100 m² bedragen of zoveel meer dan bestaand.
  3. De goot- en nokhoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 3,3 meter respectievelijk 6 meter bedragen.
 
5.2.6 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. Op de gronden gelegen achter de gevellijn mag de hoogte maximaal 3 meter bedragen, met uitzondering van erfafscheidingen waarvan de hoogte maximaal 2 meter mag bedragen.
  2. Op de gronden gelegen voor de gevellijn mag niet worden gebouwd.
 

5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:
  1. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat;
  2. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  3. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  4. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  5. ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing en/of oppervlakteverharding;
  6. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.
 

5.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.2, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de inhoud met niet meer dan 10% wordt vergroot;
  2. de karakteristieke en cultuurhistorische waarden van gebouw en kloostertuin niet worden aangetast;
  3. de economische noodzaak tot uitbreiding is aangetoond.

5.5 Specifieke gebruiksregels

5.5.1 Woongebruik
  1. Het aantal in gebruik te nemen woonruimten/eenheden mag niet meer bedragen dan op basis van artikel 9.2 toelaatbaar is.
  2. Voormalige bedrijfsruimten zoals omkaderd in bijlage 3 van de toelichting mogen niet voor bewoning in gebruik genomen worden, tenzij door middel van minimaal een historisch onderzoek conform NEN-5725 en NEN-5707 is aangetoond dat de bedrijfsruimte voor bewoning geschikt zijn.
5.5.2 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
  1. detailhandel;
  2. horeca;
  3. seksinrichtingen;
  4. opslag van goederen en materialen voor de gevellijn;
  5. wonen in een bijgebouw.
5.5.3 Uitzondering op de gebruiksregels
  1. Het verbod van artikel 5.5.2 sub a  is niet van toepassing op ondergeschikte voorzieningen met een maximum oppervlakte van 100 m² voor interne verkoop van producten, die uitsluitend centraal zijn ingekocht voor de bewoners van het woongebouw.
  2. Het verbod van artikel 5.5.2 sub b  is niet van toepassing op een ondergeschikte voorziening met een maximum oppervlakte van 100 m², uitsluitend voor de bewoners van het woongebouw.

5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  
5.6.1 Verbod
Het is verboden op of in de gronden, met uitzondering binnen het bouwvlak, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag op de gronden bedoeld in dit artikel in ieder geval de volgende werken en/of werkzaamheden te verrichten:
  1. Middelhoge en hoge archeologische verwachting
terrein met een middelhoge archeologische waarde, terrein met een hoge archeologische waarde, terrein met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde
  1. bodem: afgraven, ophogen, vergraven, diepploegen, indrijven, rooien;
  2. waterhuishouding: draineren, onderbemalen, graven sloten;
  3. infrastructuur: aanleg leidingen.
5.6.2 Uitzondering op het aanlegverbod
Het verbod van artikel 5.6.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden:
  1. die niet dieper gaan dan -0,4 meter beneden maaiveld;
  2. die behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  3. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  4. die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
 
5.6.3 Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden
Werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.6.2 zijn slechts zonder vergunning toelaatbaar, indien:
  1. deze verband houden met de omschrijving, die aan de desbetreffende bestemming is toegekend;
  2. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische, bosbouwkundige en/of landbouwkundige waarden en kwaliteiten van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind.
 

Artikel 6 Waarde - Archeologie

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aanwezige bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

6.2 Bouwregels

6.2.1 Voorwaarden omgevingsvergunning
  1. Ter plaatse van de voor Waarde – Archeologie aangewezen gronden dient voor bouwwerken: in geval van nieuwbouw groter dan 500 m² en in geval van uitbreiding, met een uitbreiding groter dan 100 m²: bij de aanvraag om omgevingsvergunning een rapport te worden overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld;
  2. Indien uit het hiervoor bedoelde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders de vergunning weigeren of een of meerdere volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 

6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.3.1 Verbod
Het is verboden op of in deze gronden met de bestemming Waarde - Archeologie zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  1. het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginningen, bodemverlagen, egaliseren, afgraven, of ophogen;
  2. het rooien en/of aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  3. het uitvoeren van grondwerkzaamheden dieper dan 0,4 meter ten opzichte van het maaiveld, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, aanleggen van drainage en ontginnen;
  4. het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. het uitvoeren van werkzaamheden ter verlaging van de grondwaterstand.
 
6.3.2 Uitzonderingen op het aanlegverbod
Het verbod van artikel 6.3.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die:
  1. werken en/of werkzaamheden die niet dieper gaan dan -0,4 meter beneden maaiveld;
  2. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming;
  3. betrekking hebben op een nieuwe oppervlakte kleiner dan 500 m² of en in geval van uitbreiding, met een uitbreiding kleiner dan 100 m²;
  4. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  5. reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
 
6.3.3 Toelaatbaarheid werken of werkzaamheden
De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 6.3.2 zijn slechts zonder vergunning toelaatbaar, indien:
  1. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de in artikel 6.1 genoemde doeleinden;
  2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de gemeentelijk archeoloog van de gemeente Venlo.
 

6.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin, dat de bestemming Waarde - Archeologie (geheel of gedeeltelijk) van de verbeelding wordt verwijderd, als op basis van archeologisch onderzoek, dat voldoet aan de normen van de archeologische beroepsgroep, geen archeologische waarden zijn vastgesteld. Alvorens een wijziging wordt uitgevoerd wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijke archeoloog van de gemeente Venlo.

3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Algemene bepalingen over bestaande afstanden en andere maten

  1. Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.
  2. In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.
  3. In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in a en b uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.
 

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

9.1 Voorwaardelijke bepaling

Het woongebouw mag niet eerder in gebruik worden genomen ten behoeve van de toegewezen bestemming totdat het terrein conform het parkeerplan is ingericht. Hierbij dient de locatie die bedoeld is voor parkeren ingericht te zijn conform het parkeerplan, zoals opgenomen bijlage 1 van deze regels.

9.2 Parkeren

  1. Ten behoeve van het wonen binnen de bestemming ‘Wonen’ dienen voldoende parkeerplaatsen op het eigen terrein te worden gerealiseerd. Hierbij dient per woonruimte 1,1 parkeerplaats aanwezig te zijn.
  2. Het bevoegd gezag kan van het onder a bepaalde afwijken indien aantoonbaar is dat met een lagere norm kan worden gerekend, indien bijvoorbeeld gebruik gemaakt wordt van collectief vervoer.
  3. De inrichting van de parkeerplaatsen dient zodanig in gericht te zijn dat een bus voor collectief vervoer op eigen terrein kan draaien en keren.
 

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

10.1 Milieuzone - grondwaterbescherming Venlo Schol

Ter plaatse van de aanduiding milieuzone - grondwaterbescherming Venlo Schol is het verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders putten te boren dieper dan 5 meter boven NAP.

10.2 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

Binnen het grondwaterbeschermingsgebied mag worden gebouwd voor zover dat op grond van de onderliggende bestemming is toegestaan en met inachtneming van de voorwaarden, zoals die door de Provinciale omgevingsverordening Limburg worden gesteld.

10.3 Cultuurhistorische waarde

Ter plaatse van de aanduiding ‘cultuurhistorische waarde’ mogen alleen werken en werkzaamheden uitgevoerd worden die de cultuurhistorische waarde van het kloostercomplex niet aantasten. Ook het gebruik van de gronden mag deze waarde niet aantasten.
 
Voor de beoordeling hiervan wordt getoetst aan het Haalbaarheidsonderzoek uit bijlage 1 van de toelichting en de gemeentelijke monumentbeschrijving.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden, het woon- en leefklimaat, de stedenbouwkundige kwaliteit, de beeldkwaliteit, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de brandveiligheid en rampenbestrijding van de aangrenzende gronden en bouwwerken, afwijken van de bestemmingsbepalingen voor:
  1. het afwijken van de voorgeschreven maximum maten, afmetingen, percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages.
  2. toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geven.
  3. toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft.
  4. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 meter.
  5. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers en lichtkappen, mits de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen en de hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.
  6. het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en voor religieuze doeleinden zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes (glas)containers, monumenten, kapellen, wegkruisen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, mits:
    1. de oppervlakte niet meer dan 15 m² bedraagt;
    2. de goothoogte niet meer dan 3 meter bedraagt;
    3. de bouwwerken naar aard en afmetingen passen in het plan, met dien verstande, dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet meer dan 10 meter mag bedragen;
    4. uit een bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.
 

Artikel 12 Algemene procedureregels

12.1 Toepassen algemene wijzigingsbevoegdheid

Bij toepassing van de algemene wijzigingsbevoegdheid, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht, van toepassing.

12.2 Toepassen nadere eisen regeling

Bij toepassing van de nadere eisen regeling, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

12.3 Procedure omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of van werkzaamheden, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), van toepassing.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgansrecht bouwwerken

  1. Een bouwwerk, dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van het bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Het bepaalde onder 13.1 onder ‘a’ is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

13.2 Overgangsrecht gebruik

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
 

13.3 Hardheidsclausule

Voor zover toepassing van het overgangsrecht gebruik leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard jegens een of meer natuurlijke personen kan het bevoegd gezag ten behoeve van die persoon of personen bij een omgevingsvergunning afwijken van dat overgangsrecht.

Artikel 14 Slotregel

De regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Klooster Bethanië'.
 
Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van