direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijventerrein
Plan: Bestemmingsplan Noorderpoort
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0983.BPL2009005BTNRDRP-VA01

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. het uitvoeren van bedrijfsmatige activiteiten die zijn genoemd in bijlage 1 behorende bij deze regels onder de categorieën 1 of 2 ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - zones Wet milieubeheer 1' of categorie 1, 2 en/of 3 ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - zones Wet milieubeheer 2', met uitzondering van geluidzoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen;
  • b. voor de uitoefening van:
    • 1. een bedrijf in vervaardiging van elektrische lampen en buizen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - vervaardiging van elektrische lampen en buizen'
    • 2. een bedrijf in vervaardiging van machines en apparaten voor algemeen gebruik en machineonderdelen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - machines en apparaten voor algemeen gebruik en machineonderdelen'
    • 3. een groothandel en opslag van (tot vloeistof verdichte) gassen en handel en onderhoud van lasapparatuur en daarmee verwante artikelen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - groothandel in vloeibare en gasvormige brandstoffen';
    • 4. een autobedrijf inclusief verkoop en showroomfunctie, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - autobedrijf met showroomfunctie';
    • 5. een (logistiek) opleidingscentrum, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - opleidingscentrum logistiek';
  • c. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen;
  • d. kantoren, ondergeschikt aan de bedrijfsfunctie met een maximumoppervlakte van 1.500 m², behoudens ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';
  • e. solitaire kantoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. wegen en paden;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. parkeervoorzieningen. Er dient overwegend te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • j. manoeuvreerruimte.


3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd op minimaal 5 m vanaf de weg;
  • b. het bebouwingspercentage mag per bouwvlak niet meer bedragen dan 70%;
  • c. de afstand van een bedrijfsgebouw tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 5 m bedragen;
  • d. de goot- en bouwhoogte van een bedrijfsgebouw mag niet meer dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' aangegeven hoogte bedragen;
  • e. er mogen geen bedrijfswoningen worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • b. overkappingen geen gebouw zijnde zijn binnen het bouwvlak toegestaan;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.

3.3 Nadere eisen
3.3.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen nader eisen stellen:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van een goede milieusituatie.

3.3.2 Externe veiligheid

Burgemeester en wethouders kunnen in verband met het respecteren van het groepsrisico in het kader van externe veiligheid nadere eisen stellen inzake:

  • a. het uitvoeren van de gebouwen met preventief lekwerende middelen om deuren/ramen, ventilatiekanalen en schoorsteenkanalen zoveel mogelijk lekdicht te kunnen afsluiten;
  • b. het voorzien van de gebouwen van brandwerende gevels en ramen;
  • c. het aanbrengen van de beglazing aan gebouwen, zodanig uitgevoerd dat scherfwerking wordt voorkomen;
  • d. de situering van de (nood)uitgangen van gebouwen;
  • e. het aanbrengen van gevelornamenten aan gebouwen;
  • f. het binnen een gebouw situeren van minder zelfredzame personen;
  • g. het creëren van vluchtwegen;
  • h. centrale ventilatie;
  • i. alarmeringssyteem.

3.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor:

  • a. geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  • b. wonen;
  • c. detailhandel, met uitzondering van productiegebonden detailhandel als bedoeld in lid 3.1 sub c. en detailhandel bij autobedrijven met showroomfunctie als bedoeld in lid 3.1 sub b;
  • d. een verkooppunt voor motorbrandstoffen (incl. LPG);
  • e. prostitutie en/of seksinrichtingen;
  • f. coffeeshops.
  • g. opslag van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn;
  • h. afvalverwerkende bedrijven.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijken milieucategorie

Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van de milieusituatie, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 sub a ten behoeve van:

  • a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven genoemd in de lijst van bedrijven in bijlage 1 onder de categorieën 1, 2 en of 3, mits:
    • 1. het geen nieuwe geluidszoneringsplichtige inrichtingen betreft.

Bij de beoordeling van de aard en de invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitwerp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking.

3.5.2 Voorwaarden

De in lid 3.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.