direct naar inhoud van Regels
Plan: Pater Gelissenstraat, Vijlen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Plan:

het bestemmingsplan ‘Pater Gelissenstraat, Vijlen’ met identificatienummer NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01 van de gemeente Vaals

1.2 Bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen

1.3 Aan huis gebonden bedrijvigheid:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend

1.4 Aan huis gebonden beroep:

een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning
in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is; onder de toegelaten activiteiten wordt niet de uitoefening van detailhandel en seksinrichtingen begrepen

1.5 Aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden

1.6 Aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft

1.7 Bebouwing:

één of meerdere gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde

1.8 Bebouwingspercentage:

een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van het bouwvlak, dat maximaal mag worden bebouwd

1.9 Bedrijvenstaat:

de lijst van bedrijven bevattende basisinformatie voor milieuzonering, zoals die lijst is opgenomen als Bijlage 1 bij de regels

1.10 Begane grondlaag:

de bouwlaag van een gebouw, welke rechtstreeks ontsloten wordt vanaf het straatniveau

1.11 Bestaand bouwwerk:

een bouwwerk, dat:

  • op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan bestaat of in uitvoering is;
  • na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning, waarbij de vergunningaanvraag voor dat tijdstip is ingediend.
1.12 Bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak

1.13 Bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming

1.14 Bevoegd gezag:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 2.4 Wabo

1.15 Bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak

1.16 Bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats

1.17 Bouwgrens:

de grens van een bouwvlak

1.18 Bouwlaag:

een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van de onderbouw en zolder

1.19 Bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten

1.20 Bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel

1.21 Bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten

1.22 Bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond

1.23 Detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstraling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen, die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, inclusief de bijbehorende magazijn-, opslag-, en dienstruimten, een en ander met uitsluiting van horecadoeleinden

1.24 Escortbedrijf:

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend (escortservices, bemiddelingsbureaus, overigen)

1.25 Gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt

1.26 Hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken

1.27 Horecabedrijf:

een bedrijf dat in zijn algemeenheid gericht is op het verstrekken van nachtverblijf en/of het ter plaatse nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie.

1.28 Mantelzorg:

het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband

1.29 Omgevingsvergunning:

Omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wabo

1.30 Onderbouw:

een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 boven straatpeil is gelegen

1.31 Ondergronds:

beneden peil

1.32 Parkeerplaats:

een parkeerruimte met een afmeting van circa 2,25 x 4,50 meter

1.33 Parkeerruimte:

een al dan niet overdekte, op straat aanwezige dan wel met een straat in open verbinding staande ruimte, die gelet op ligging en ontsluiting geschikt is om te worden gebruikt voor het parkeren van motorvoertuigen

1.34 Seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijk gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde dan wel onderkomen, waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, thuisprostitutie, een parenclub, een escortbedrijf of prostitutiebedrijf, waaronder tevens is begrepen een erotische massagesalon, al of niet in combinatie met elkaar

1.35 Stedenbouwkundig beeld:

het beeld, dat wordt bepaald door de bouwmassa’s, de gevelindeling en de dakvormen van de bebouwing alsmede de situering en de verschijningsvormen in zijn omgeving

1.36 Straatpeil:
  • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst:

de hoogte van de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

  • b. in andere gevallen:

de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte, normale maaiveld.

1.37 Thuisprostitutie:

prostitutie van beperkte omvang in een woning en daarbij behorende gebouwen, waarbij de woonfunctie wordt behouden

1.38 Wabo

de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, welke op 1 oktober 2010 in werking is getreden

1.39 Weg:

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen

1.40 Woning:

een gebouw of een deel van een gebouw, geschikt en bestemd voor de zelfstandige huisvesting van niet meer dan één huishouden

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

Afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens:

de kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de (zijdelingse) perceelsscheiding van het bouwperceel


afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01_0001.png"  

Afstand tussen gebouwen:

de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van gebouwen

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01_0002.png"  

Bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte
bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar aard daaraan gelijk te stellen bouwonderdelen, rekening houdend met het algemene uitgangspunt dat het peil van woningen op 20 centimeter boven de kruin van de weg is gelegen

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01_0003.png"  

Dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01_0004.png"  

Goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01_0005.png"  

Inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van de daken en dakkapellen

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01_0006.png"  

Breedte en diepte bouwwerk:

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren)

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01_0007.png"  

Oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk

afbeelding "i_NL.IMRO.0981.BPPaterGelissen-VG01_0008.png"  

2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer bedraagt dan 1 meter.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Verkeer

3.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden aangewezen voor 'Verkeer' zijn bestemd voor:

  • a. wegen, straten, paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. speelvoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen, waaronder bermen en beplanting;
  • f. straatmeubilair;
  • g. kunstwerken;
  • h. voorzieningen van algemeen nut;
  • i. voorzieningen voor het vasthouden (infiltratie), bergen en afvoeren van water.
3.2 Bouwregels

Op en in de tot 'Verkeer' bestemde gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht, die qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande dat:

  • a. op of in deze gronden alleen gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut mogen worden gebouwd;
  • b. de hoogte van gebouwen maximaal 3 meter mag bedragen;
  • c. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 5 meter mag bedragen, met uitzondering van lichtmasten, waarvan de hoogte maximaal 12 meter mag bedragen.

Artikel 4 Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden aangewezen voor ‘Wonen’ zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. groenvoorzieningen, tuinen en erven;
  • c. parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - parkeervoorzieningen';
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. bijbehorende voorzieningen, waaronder begrepen voorzieningen voor het vasthouden (infiltratie), bergen en afvoeren van water;

met dien verstande dat:

  • wonen uitsluitend is toegestaan in de hoofdgebouwen;
  • bijbehorende bouwwerken uitsluitend zijn toegestaan als ondergeschikte voorziening, zulks ter bescherming van het woon- en omgevingsmilieu;
  • aan-huis-gebonden beroepen worden toegelaten in zowel de woning als bijbehorende bouwwerken met dien verstande dat de totale gebruiksoppervlakte niet meer bedraagt dan 70 m² en op eigen terrein voorzien kan worden in de benodigde parkeerplaatsen, danwel geen parkeeroverlast voor de omgeving ontstaat.
4.2 Bouwregels

Op de tot 'Wonen' bestemde gronden mogen uitsluitend woningen worden gebouwd en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande dat:

  • a. hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken uitsluitend in het aangegeven bouwvlak mogen worden gebouwd.

4.2.1 Regels met betrekking tot hoofdgebouwen:
  • a. per bouwvlak mag ten hoogste het op de verbeelding aangeduide aantal woningen worden gebouwd;
  • b. de breedte van de woningen is vrij, met dien verstande dat ter plekke van de bouwaanduiding ‘vrijstaand’ op tenminste 4,00 meter uit de zijdelingse bouwperceelsgrenzen moet gebouwd worden;
  • c. er mag in maximaal twee bouwlagen worden gebouwd;
  • d. de maximale bouwdiepte bedraagt niet meer dan 12 meter, met uitzondering van de percelen waarvan de afstand tussen de bouwgrens aan de straatzijde en perceelsgrens aan de achterzijde tenminste 25 meter bedraagt, in welk geval de diepte maximaal 15 meter mag bedragen;
  • e. de goothoogte bedraagt ten hoogste 6,00 meter;
  • f. de maximale bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de aangegeven bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte' op de verbeelding;
  • g. de nokrichting van de woningen dient haaks dan wel parallel op de aangrenzende weg te worden gerealiseerd;
  • h. balkons, terrassen en dergelijke mogen maximaal 1 meter uitsteken ten opzichte van de achtergevel.

4.2.2 Regels met betrekking tot bijbehorende bouwwerken
  • a. de voorgevel wordt geplaatst in of achter de bouwgrens, tenzij het een garage betreft in welk geval de afstand van de garage tot de bestemming ‘Verkeer’ niet minder dan 5 meter mag bedragen;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 70 m², met dien verstande dat de totale bebouwde oppervlakte per bouwperceel niet meer bedraagt dan 50%;
  • c. de goothoogte mag niet meer dan 3,20 meter bedragen.
4.2.3 Regels met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

  • a. de hoogte mag niet meer dan 3 meter bedragen, met uitzondering van:
  • erfafscheidingen, waarvan de hoogte achter de voorgevelrooilijn niet meer dan 2 meter en voor de voorgevelrooilijn niet meer dan 1 meter mag bedragen;
  • vlaggenmasten, waarvan de hoogte niet meer dan 5 meter mag bedragen;
  • b. ze dienen voor het overige naar aard en afmetingen bij deze bestemming te passen.
4.3 Nadere eisen
  • 1. Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering en afmeting van de bouwwerken, indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en voor zover dit noodzakelijk is ten behoeve van de na te streven ruimtelijke kwaliteit, dan wel in het belang van de sociale veiligheid.
  • 2. Bij toepassing van de bevoegdheid zoals bedoeld in artikel 4.3 sub 1 van dit artikel worden de procedureregels behorende bij dit plan gevolgd.
4.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.1 en 4.2 voor:

  • a. de uitoefening van aan-huis-gebonden bedrijvigheid, welke voorkomt in de categorieën 1 en 2, zoals deze zijn aangegeven in de in Bijlage 1 bij deze regels opgenomen Bedrijvenstaat, alsmede voor de uitoefening van aan-huis-gebonden bedrijvigheid, welke niet genoemd wordt in deze staat bij de categorieën 1 en 2, maar naar de omvang en de invloed op de omgeving gelijk te stellen is met de bedrijven bedoeld in de categorieën 1 en 2, met dien verstande dat:
  • geen afbreuk wordt gedaan aan het woonkarakter van de buurt en de betreffende woning;
  • indien tengevolge van deze omgevingsvergunning een onevenredige aantasting te verwachten is van de kwaliteit van het aangrenzende woonmilieu geen omgevingsvergunning wordt verleend;
  • het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die de woonomgeving onevenredig belasten en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeerplaatsen noodzakelijk worden, tenzij op eigen terrein gezorgd kan worden voor voldoende parkeervoorzieningen;
  • het geen detailhandel, seksinrichting of horecabedrijf betreft;
  • de oppervlakte van gebouwen, welke voor de bedrijfsuitoefening worden gebruik, niet meer bedraagt dan 35 m².
  • b. voor het uitbreiden van een woning dan wel voor het bouwen van een aangebouwd bijgebouw per woning vóór de naar de weg gekeerde bouwgrens, mits:
  • de naar de weg gekeerde bouwgrens met niet meer dan 3 meter wordt overschreden, tenzij het een carport betreft in welk geval de overschrijding 5 meter mag bedragen;
  • indien het een garage of carport betreft de afstand van het bijgebouw, tot de bestemming ‘Verkeer’ nergens minder bedraagt dan 5 meter;
  • over ten minste 40% van de breedte van de voorgevel van de woning niet wordt aangebouwd;
  • de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,2 meter;
  • de oppervlakte niet meer bedraagt dan 6 m², tenzij het een carport betreft in welk geval de oppervlakte 15 m² mag bedragen;
  • het verkeersbelang niet wordt aangetast;
  • door deze omgevingsvergunning bestaande gebouwen op aangrenzende percelen niet worden beperkt in hun gebruiksmogelijkheden dan wel bereikbaarheid en er geen onevenredige aantasting te verwachten is van de kwaliteit van het woonmilieu.
4.5 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik wordt ten minste verstaan het gebruik van bijbehorende bouwwerken voor permanente of tijdelijke bewoning.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 6 Algemene bouwregels

6.1 Algemeen

Op de gronden, begrepen in dit plan, is het verboden een bouwwerk of een complex van bouwwerken te bouwen, indien daardoor een ander bouwwerk of complex van bouwwerken met het daarbij behorende bouwperceel, hetzij niet langer zal blijven voldoen aan, hetzij in grotere mate zal gaan afwijken van het plan.

6.1.1 Afwijking ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde

Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde, gelden, behoudens in dit artikel opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.

6.1.2 Afwijking ondergrondse gebouwen

Ondergrondse gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht, met dien verstande dat:

  • a. de ondergrondse gebouwen uitsluitend zijn toegestaan binnen bouwvlakken, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen die ook buiten de bouwvlakken zijn toegestaan;
  • b. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse gebouwen maximaal 3 meter onder straatpeil bedraagt;
  • c. de oppervlakte van ondergrondse gebouwen wordt meegerekend bij het berekenen van de blijkens de verbeelding of deze regels geldende bebouwingspercentages, of maximaal te bebouwen oppervlak;
  • d. de gebouwen uitsluitend mogen worden gebruik overeenkomst het bij de bestemming toegestane gebruik.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

7.1 Omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo (verboden gebruik), indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

7.2 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder c Wabo wordt ten minste verstaan het gebruik:

  • a. voor de opslag, al dan niet voor de verhuur of de verkoop van machines, voer- of vaartuigen, welke bruikbaar en niet aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken zijn, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. voor het opslaan, storten of bergen van bruikbare en/of onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen of producten behoudens voorzover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
7.3 Afwijken

Bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in 7.1 dienen de procedureregels behorende bij dit plan in acht te worden genomen.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

8.1 Afwijken

Indien niet op grond van een andere bepaling van deze planregels een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan worden verleend, kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de desbetreffende bepalingen van het plan voor:

  • a. het afwijken van de in het plan voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%, met dien verstande dat de bouwhoogte van 208 meter N.A.P. niet wordt overschreden;
  • b. het bouwen van kleine niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut en voor religieuze doeleinden, zoals wachthuisjes, transformatorhuisjes, schakelhuisjes, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, (glas)containers, monumenten, kapellen, wegkruisen en naar aard en omvang daarmee gelijk te stellen bouwwerken, mits:
  • de oppervlakte niet meer bedraagt dan 15 m²;
  • de goothoogte niet meer bedraagt dan 3,2 meter;
  • de bouwwerken naar aard en afmetingen passen in het plan, met dien verstande, dat de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, niet meer dan 10 meter mag bedragen;
  • uit een bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.
  • c. geringe afwijkingen, welke in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein dan wel ter correctie van afwijkingen of onnauwkeurigheden op de verbeelding;
  • d. het oprichten van voorzieningen ten dienste van telecommunicatiedoeleinden, voor zover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de hoogte niet meer bedraagt dan 15 meter voor antennes voor privé-gebruik en niet meer dan 30 meter voor antennes voor gemeenschappelijk gebruik, uitgezonderd voorzieningen ten dienste van telecommunicatiedoeleinden voor openbare orde en veiligheid en indien het betreft het medegebruik van een antenne door meerdere instellingen in welke gevallen de hoogte maximaal 45 meter mag bedragen, mits het woon- en leefklimaat met betrekking tot woningen en andere milieugevoelige objecten niet onevenredig wordt aangetast en uit een bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
  • e. het toestaan dat een (vrijstaand) bijgebouw, niet zijnde een bedrijfsgebouw, tijdelijk gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, met dien verstande dat:
  • de afwijking uitsluitend kan worden verleend onder de voorwaarden dat:
    • 1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
    • 2. er geen onevenredige aantasting plaats vindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
    • 3. de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijbehorende bouwwerken wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 70 m²;
  • Het bevoegd gezag nadere voorwaarden kan stellen aan de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan;
  • Het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan intrekken, indien de bij het verlenen van de afwijking bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
8.2 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan bij de verlening van de omgevingsvergunning voorwaarden stellen ten aanzien van de situering van antennes, teneinde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing van antennes ten opzichte van de omgeving te waarborgen.

8.3 Afwegingskader

De in 8.1 genoemde omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan mogen slechts worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Voorts dient de stedenbouwkundige waarde van de omgeving te zijn gewaarborgd en de procedureregels behorende bij dit plan te worden gevolgd.

Artikel 9 Algemene procedureregels

9.1 Nadere eisen

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan en het stellen van nadere eisen als bedoeld in deze regels, gelden de volgende procedureregels:

  • a. het ontwerpbesluit ligt gedurende twee weken voor een ieder ter inzage;
  • b. burgemeester en wethouders maken de terinzagelegging tevoren bekend in één of meerdere dag- of nieuwsbladen, die in de gemeente worden verspreid;
  • c. de bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid voor belanghebbenden om gedurende de termijn van terinzagelegging zienswijzen naar voor te brengen bij burgemeester en wethouders tegen het ontwerpbesluit;
  • d. indien tegen het ontwerpbesluit zienswijzen naar voren zijn gebracht, wordt het besluit met redenen omkleed;
  • e. burgemeester en wethouders delen aan hen die hun zienswijzen naar voren hebben gebracht de beslissing daaromtrent mede.

Artikel 10 overige regels

Indien en voorzover in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, dienen deze regelingen te worden gelezen, zoals die luiden op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  • 1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: regels van het bestemmingsplan ‘Pater Gelissenstraat, Vijlen’.