direct naar inhoud van Regels
Plan: Elmpterweg 51
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0957.BP00000308-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze planregels wordt verstaan onder:

1.1 Plan:

het bestemmingsplan Elmpterweg 51 met identificatienummer NL.IMRO.0957.BP00000308-VG01 van de gemeente Roermond.

1.2 Bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

 

1.3 Aan en/of uitbouw:

een aan een hoofdgebouw vast gebouwd bouwwerk, dat architectonisch ondergeschikt is aan het

hoofdgebouw; voor de toepassing van deze regels wordt een aan- of uitbouw gelijkgesteld met een aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw.

 

1.4 Aan huis verbonden beroep:

de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, (para-)medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder dient niet te worden begrepen de uitoefening van detailhandel.

1.5 Aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

 

1.6 Aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

 

1.7 Bebouwing:

een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

 

1.8 Bebouwingspercentage:

een percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

 

1.9 Bedrijfsactiviteit:

het beroepsmatig uitoefenen van bedrijvigheid met gebruikmaking van machines dan wel door middel van handwerk en geen kantoor zijnde.

 

1.10 Bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

 

1.11 Begane grond:

bouwlaag waarvan het vloerpeil ter hoogte van het (straat)peil ligt, dan wel de bouwlaag boven een souterrain.

1.12 beperkt kwetsbaar object:

object als bedoeld in artikel 1 onder b van het Bevi.

1.13 Bestaand:

a. bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig of wordt gebouwd op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen;

b. bij gebruik: het (vergunde) gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden.

1.14 Bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

 

1.15 Bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

 

1.16 Bevi-inrichtingen:

bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.17 Bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

 

1.18 Bijgebouw:

een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw.

1.19 Bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

 

1.20 Bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.21 Bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond.

1.22 Bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

 

1.23 Bouwperceelgrens:

een grens van een bouwperceel.

 

1.24 Bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

 

1.25 Bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.26 Branche:

alle bedrijven samen die actief zijn in een bepaalde categorie producten of diensten.

1.27 Bruto vloeroppervlak (bvo):

de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijfsgebouwen, inclusief de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

1.28 Detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

 

1.29 Dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons en wasserettes.

1.30: Directioneel licht:

Het licht van een lichtbron dat zich directioneel verspreid en niet, in tegenstelling tot de meeste andere lichtbronnen, in allerlei richtingen licht verspreid. Hierdoor wordt alleen datgene verlicht dat als doel heeft verlicht te worden.

 

1.31 Evenement:

al of niet periodiek terugkerende publieke gebeurtenis op het gebied van sport, cultuur, folklore, handel, recreatie, liefdadigheid, religie, gezondheid, wetenschap, amusement en vergelijkbare gebeurtenissen.

1.32 Gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, met minimaal twee wanden

omsloten ruimte vormt.

1.33 Gebruiksoppervlakte:

de gebruiksoppervlakte wordt berekend door van de totale oppervlakte binnen de wanden van de woning, het BVO (brutovloeroppervlak) de volgende oppervlaktes af te trekken:

• Grondoppervlak van dragende binnenwanden.

• Oppervlak van vides, liftschachten en trapgaten, indien groter dan 4 m2.

• Oppervlak van ruimten met een vrije hoogte lager dan 1,5 meter. (ter plaatse van een trap of hellingbaan die kleiner is dan 4 m2, telt de vloeroppervlakte bij een hoogte onder 1,5 meter wel mee).

• Grondoppervlak van afzonderlijke constructies (bijv. penanten) groter dan 0,5 m2.

• Grondoppervlak van leidingschachten, indien groter dan 0,5 m2.

Bij de bepaling van de grenslijn, dient een incidentele nis of uitsparing en een incidenteel uitspringend bouwdeel te worden genegeerd, voor zover het grondoppervlak daarvan kleiner is dan 0,5 m2

 

1.34 Hoofdgebouw:

een gebouw dat door zijn constructie, afmetingen of situering, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel valt aan te merken.

 

1.35 Horeca:

het bedrijfsmatig bereiden of verstrekken van dranken en/of etenswaren voor directe consumptie of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf, één en ander al dan niet in combinatie met ondersteunende activiteiten of met een vermaaksfunctie, met uitzondering van seksinrichtingen.

1.36 Huishouden:

een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren.

1.37 Kamerwoning:

een wooneenheid die geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

Het begrip kamerwoning wordt gelijkgesteld met het begrip 'onzelfstandige woonruimte'.

1.38 Kamerverhuur:

woonvorm waarbij een pand door meerdere personen die geen gezamenlijk huishouden vormen wordt bewoond, en waarbij sprake is van woonruimtes waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte.

1.39 Kamerverhuurpand:

pand dat wordt gebruikt ten behoeve van kamerverhuur en waarin zich meerdere kamerwoningen bevinden.

 

1.40 Kantoor:

een gebouw dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor, of een onderneming die hoofdzakelijk is gericht op, het verrichten van werkzaamheden van administratieve aard of het bedrijfsmatig verlenen van diensten, het leggen van contacten of het uitvoeren van commerciële handelingen, waarbij de nadruk ligt op de administratieve afwikkeling van genoemde handelingen, en waarbij geen sprake is van een baliefunctie.

1.41 Kleine economie:

bedrijfsactiviteiten die wat betreft invloed op de woonomgeving gelijk te stellen zijn aan een aan huis gebonden beroep, waarvan de omvang en de activiteiten zodanig zijn dat de activiteiten in een woning en de daarbij behorende gebouwen met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend.

 

1.42 Kwetsbaar object:

object als bedoeld in artikel 1 onder l. van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.43 Nutsvoorzieningen:

op het openbare net aangesloten werken en/of bouwwerken ten behoeve van het openbaar nut, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer.

1.44 Ondergeschikte winkelondersteunende en winkelgebonden daghoreca:

een horecafunctie die is gericht op het al dan niet voor gebruik ter plaatse verstrekken van al dan niet in dezelfde onderneming bereide of bewerkte etenswaren en dranken, waarbij de aard en omvang gebonden is en ondersteunend is aan de ter plaatse aanwezige winkelfunctie en waar geen alcoholische drank wordt verstrekt.

1.45 Onzelfstandige woonruimte:

dit begrip is gelijk aan het begrip 'kamerwoning'.

 

1.46 Pand:

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

 

1.47 Peil:

voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

1.48 Seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of gelegenheid wordt geboden seksuele handelingen te verrichten dan wel vertoningen en/of voorstellingen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan:

- een prostitutiebedrijf;

- een raamprostitutiebedrijf;

- een erotische massagesalon;

- een seksbioscoop;

- een sekstheater;

- een parenclub;

- geheel of gedeeltelijke bedrijfsvoering in overwegend seksueel geaarde dienstverlening;

al dan niet in combinatie met elkaar.

 

1.49 Voorgevelrooilijn:

denkbeeldige lijn waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is/zijn of word(t)(en) geplaatst en die is gelegen aan de zijde van de aan de weg gelegen perceelsgrens.

 

1.50 Vrijstaand bijgebouw:

een bijgebouw, dat qua constructie en visueel vrij staat van het hoofdgebouw.

 

1.51 Waterhuishouding:

het ontvangen, vasthouden, (tijdelijk) bergen en afvoeren van water, eventueel gecombineerd met infiltratie van water in de bodem.

 

1.52 winkelvloeroppervlakte (wvo):

de totale vloeroppervlakte van voor het publiek toegankelijke winkelruimten, exclusief personeelsruimten en magazijnen.

1.53 winkelondersteunende en winkelgebonden daghoreca:

horecabedrijven gericht op het verstrekken van dranken voor consumptie, in ieder geval ter plaatse, met eventueel het verstrekken van etenswaren of maaltijden en gebonden aan de openingstijden zoals die gelden voor detailhandel en geheel of overwegend gebonden aan c.q. ondersteunend voor de (winkel)functie van die locatie en qua ruimtelijke uitstraling vergelijkbaar met detailhandel.

1.54 Woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, dan wel voor de huisvesting van maximaal twee personen die geen gezamenlijk huishouden voeren. Het begrip woning wordt gelijkgesteld met het begrip 'zelfstandige woonruimte'.

1.55 Zelfstandige woonruimte:

dit begrip is gelijk aan het begrip 'woning'.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.

 

2.2 De bedrijfsvloeroppervlakte

binnenwerks, op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten.

 

2.3 De bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met

uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

 

2.4 Breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

 

2.5 Breedte van een zone langs een watergang

vanaf de insteek van de betreffende zijde van de watergang.

 

2.6 De dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

 

2.7 De goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee

gelijk te stellen constructiedeel.

 

2.8 De inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van

de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

 

2.9 De oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts

geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

2.10 Aanvullende bepalingen

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw c.q. bestemmingsgrens met niet meer dan 0,5 m wordt overschreden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Detailhandel

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. detailhandel, uitsluitend op de begane grond, met een oppervlakte van maximaal 450 m2 wvo, waarbij geldt dat uitsluitend de branche levensmiddelen met de winkelvorm minisuper en de branche plant en dier met als winkelvorm bloem/plant is toegestaan;

b. ondergeschikte winkelondersteunende en winkelgebonden daghoreca met een oppervlakte van maximaal 100 m2 bvo;

c. ondergeschikte workshops en proeverijen behorende bij de onder 3.1 onder a genoemde detailhandel en de onder 3.1 onder b genoemde horeca;

d. ondersteunende functies (inpandige opslag en kantoor) ten behoeve van de onder lid a t/m c genoemde functies;

met daaraan ondergeschikt:

e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

3.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

op de als 'Detailhandel' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de onder lid 3.1 genoemde functies worden gebouwd.

3.2.1 Gebouwen

a. gebouwen worden uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gebouwd;

b. het bouwvlak mag in zijn geheel worden bebouwd.

c. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 6 meter.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;

b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 4 m.

3.3 Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Strijdig gebruik

Tot een strijdig gebruik van de gronden en opstallen wordt in elk geval gerekend:

a. opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk;

b. verkooppunten voor motorbrandstoffen.

3.3.2 Voorwaardelijke verplichting geluid

Het gebruiken en/of het (doen) laten gebruiken van de gronden met de bestemming ‘Detailhandel’ conform artikel 3.1 van deze bestemming, is alleen toegestaan als het akoestisch geluidscherm (kenmerken: 2m hoog, 25m lang) ter plaatse van de aanduiding ‘geluidscherm’, een en ander zoals is aangeduid in bijlage 1 bij deze regels, is uitgevoerd en in stand wordt gehouden.

3.3.3 Voorwaardelijke verplichting soortenbescherming

Het gebruiken en/of het (doen) laten gebruiken van de gronden met de bestemming ‘Detailhandel’ conform artikel 3.1 van deze bestemming, is alleen toegestaan als:

1. ter plaatse van de bestemming ‘Verkeer – verblijfsgebied’ alleen directioneel licht wordt gebruikt dat voor geen instraling zorgt van de bestaande bosschage, ten behoeve van het verlichten van het parkeerterrein, en;

2. een haag (kenmerken: Hulst, 2m hoog, 70m lang, 30cm breed) zoals weergegeven op bijlage 3 bij deze regels, is aangeplant en in stand wordt gehouden.

Artikel 4 Verkeer - Verblijfsgebied

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen, erf en pleinen met een verblijfsfunctie, alsmede ter ontsluiting van de nabijgelegen gronden, ten behoeve van de in artikel 3 en 5 genoemde functies, dit ten allen tijden qua gebruik gekoppeld aan de aanwezige naastgelegen detailhandel, horeca en wonen;

b. voet- en fietspaden;

c. verkeersvoorzieningen en waaronder tevens verlichtingsarmaturen;

d. parkeervoorzieningen, met dien verstande dat geen parkeervoorzieningen zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'parkeren uitgesloten';

e. Terrasvoorziening van maximaal 125 m2 ten behoeve van de in artikel 3.1 onder b genoemde ondergeschikte winkelondersteunende en winkelgebonden daghoreca ter plaatse van de functieaanduiding ‘terras’;

f. geluidwerende voorzieningen in de vorm van een geluidscherm, ter plaatse van de aanduiding ‘geluidscherm’;

met daaraan ondergeschikt:

f. groenvoorzieningen;

g. nutsvoorzieningen;

h. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

i. ondergeschikte speelvoorzieningen.

4.2 Bouwregels

4.2.1 Algemeen

Voor het bouwen geldt dat op de als ‘Verkeers-Verblijfsgebied’ bestemde gronden uitsluitend een bouwwerk, zijnde één fietsenstalling mag worden gebouwd.

4.2.2 Gebouwen

a. de maximale oppervlakte van een gebouw bedraagt ten hoogste 15 m2;

b. de maximale bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste 3 meter.

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘geluidscherm’ mag een geluidscherm worden opgericht met een hoogte van maximaal 2 meter, een en ander zoals is aangeduid in bijlage 1 bij deze regels.

c. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 4 m.

4.3 Specifieke gebruiksregels

4.3.1 Voorwaardelijke verplichting geluid

Het gebruiken en/of het (doen) laten gebruiken van de gronden met de bestemming ‘Verkeer – verblijfsgebied’ conform artikel 4.1 van deze bestemming, is alleen toegestaan als het akoestisch geluidscherm (kenmerken: 2m hoog, 25m lang) ter plaatse van de aanduiding ‘geluidscherm’, een en ander zoals is aangeduid in bijlage 1 bij deze regels, is uitgevoerd en in stand wordt gehouden.

4.3.2 Voorwaardelijke verplichting soortenbescherming

Het gebruiken en/of het (doen) laten gebruiken van de gronden met de bestemming ‘Verkeer – verblijfsgebied’ conform artikel 4.1 van deze bestemming, is alleen toegestaan als:

1. ter plaatse van de bestemming ‘Verkeer – verblijfsgebied’ alleen directioneel licht wordt gebruikt dat voor geen instraling zorgt van de bestaande bosschage, ten behoeve van het verlichten van het parkeerterrein, en;

2. een haag (kenmerken: Hulst, 2m hoog, 70m lang, 30cm breed) zoals weergegeven op bijlage 3 bij deze regels, is aangeplant en in stand wordt gehouden.

Artikel 5 Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woningen met bijbehorende voorzieningen zoals tuinen en erven, alsmede aan huis verbonden beroepen;

b. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is vermeld met de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’;

met daaraan ondergeschikt:

c. parkeervoorzieningen;

d. groenvoorzieningen;

e. verkeersvoorzieningen;

f. nutsvoorzieningen;

g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

h. speelvoorzieningen en overige bijbehorende voorzieningen.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Algemeen

Ten aanzien van het bouwen gelden de volgende algemene regels:

a. op of in de voor ‘Wonen’ bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de onder 5.1 genoemde doeleinden;

b. het toegestane bebouwingspercentage bedraagt per bouwperceel maximaal 40%.

5.2.2 Hoofdgebouwen

a. hoofdgebouwen worden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gebouwd;

b. de maximale goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 5m;

c. de maximale bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt ten hoogste 9m;

d. het maximale bebouwingspercentage bedraagt per bouwperceel groter of gelijk aan 600 m2 maximaal 40%.

5.2.3 Bijgebouwen

a. bijgebouwen worden ten minste 3 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw geplaatst;

b. bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

c. het totale grondoppervlak van bijgebouwen bedraagt per bouwperceel maximaal 10% van de totale oppervlakte van het bouwperceel, met een maximum van 200 m2 per bouwperceel, waarbij het bepaalde onder 5.2.1 onder b van overeenkomstige toepassing is.

5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3,00 meter, met uitzondering van erfafscheidingen, waarbij de hoogte voor de voorgevelrooilijn maximaal 1,00 meter bedraagt en achter de voorgevelrooilijn maximaal 2,00 meter. In afwijking hiervan mag bij hoekpercelen de hoogte van de erfafscheiding aan één wegzijde voor de voorgevelrooilijn maximaal 2,00 meter bedragen, mits deze ten minste 1,00 meter achter de perceelsgrens wordt geplaatst.

5.3 Specifieke bouwregels

a. het is niet toegestaan binnen het plangebied van dit plan nieuwe kamerverhuurpanden of kamerwoningen te bouwen;

b. voor zover het toevoegen van nieuwe woningen in een bestemming van dit plan is toegestaan, is het verboden binnen het plangebied van dit plan nieuwe woningen te bouwen met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 60 m2.

5.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 5.2.3 voor het plaatsen van erfafscheidingen op de perceelsgrens bij hoekpercelen, onder de voorwaarden dat de erfafscheiding:

a. het vrije uitzicht van het wegverkeer niet mag belemmeren en voor het wegverkeer ook niet anderszins hinder of gevaar mag opleveren;

b. geen fundamentele inbreuk op de groene dan wel open structuur pleegt.

5.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend:

a. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning.

b. het is niet toegestaan binnen het plangebied van dit plan nieuwe kamerverhuurpanden of kamerwoningen in gebruik te nemen;

c. voor zover het in gebruik nemen van woningen in een bestemming van dit plan is toegestaan, is het verboden binnen het plangebied van dit plan nieuwe woningen met een gebruiksoppervlakte kleiner dan 60 m2 in gebruik te nemen.

5.6 Afwijken van de gebruiksregels

5.6.1 Kleine economie

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 5.1 voor de uitoefening van bedrijven, vallende onder de kleine economie, zie bijlage 2 bij deze regels, met dien verstande dat:

a. geen onevenredige hinder mag worden toegebracht aan de kwaliteit van het woonmilieu;

b. door de uitoefening van de activiteit het uiterlijk aanzien van de woning niet zodanigmag veranderen, dat het karakter ervan geheel of gedeeltelijk verloren gaat, dit houdt onder meer in dat er geen grote reclame-uitingen aan of bij de woning geplaatst mogen worden;

c. de oppervlakte van de woning welke voor de bedrijfsvoering wordt gebruikt, niet meer dan 50 % van de begane grond en maximaal 30 % van het totale vloeroppervlak van de woning en de bijgebouwen bedraagt en de totale oppervlakte van de activiteit niet meer bedraagt dan 25 m²;

d. het niet zodanig verkeersaantrekkende activiteiten betreft, die de woonomgeving onevenredig belasten en ten gevolge waarvan extra verkeersmaatregelen, waaronder extra parkeerplaatsen, noodzakelijk worden, tenzij op eigen terrein gezorgd kan worden voor voldoende parkeervoorzieningen of in de omgeving voldoende beschikbare plaatsen zijn;

e. de uitvoerder van de activiteiten op hetzelfde perceel woont;

f. detailhandel alleen als ondergeschikte activiteit is toegestaan en uitsluitend van goederen die verband houden met de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning wordt verleend;

g. activiteiten die op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer meldingsplichtig zijn of activiteiten die op grond van artikel 2.1 lid 1 onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vergunningsplichtig zijn, in beginsel niet worden toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat geen overlast voor de omgeving op zal treden, waarbij maximaal bedrijven uit categorie 2 van de Bedrijvenlijst kleine economie of daarmee qua aard en invloed op de woonomgeving vergelijkbare bedrijven worden toegestaan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

 

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene bouwregels

7.1 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten

7.1.1 Overschrijding voorgeschreven maten

Indien afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

7.1.2 Minimaal toelaatbare maten

In die gevallen dat afstanden tot, bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

7.1.3 Heroprichting van gebouwen

In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in de leden 7.1.1 en 7.1.2 uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval gerekend:

a. het gebruik voor een seksinrichting;

b. het permanent bewonen van recreatiewoningen, kampeermiddelen en andere onderkomens en gebouwen die niet voor permanente bewoning bestemd zijn;

c. het gebruik van niet-bebouwde staan- of ligplaats voor kampeermiddelen buiten de daarvoor aangewezen gronden;

d. het gebruik van niet-bebouwde grond als staan- of ligplaats voor (menselijk of dierlijk) verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken, vaar- of voertuigen, arken of andere objecten, voor zover die niet als bouwwerk zijn aan te merken;

e. het gebruik van niet-bebouwde grond voor het opslaan, storten of bergen van al dan niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik qua ruimtelijke uitstraling van zeer ondergeschikte betekenis is, of noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden;

f. het gebruik van niet-bebouwde grond als permanente staan- of ligplaats van demonteerbare of verplaatsbare inrichtingen voor de verkoop van etenswaren en/of dranken.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

9.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan – tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds kan worden afgeweken – bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

a. het afwijken van de maatvoering (inclusief percentages) met ten hoogste 15% met uitzondering van de maatvoering ten aanzien van vloeroppervlakten ten behoeve van detailhandel en ondergeschikte winkelondersteunende en winkelgebonden daghoreca;

b. geringe afwijkingen, van de op de verbeelding aangegeven bestemmingsgrenzen, welke in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking niet meer dan 2 m bedraagt;

c. het oprichten van zend-, ontvangst- en/of sirenemasten voor zover deze van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de hoogte, gemeten vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk, niet meer bedraagt dan 15 m voor privégebruik en niet meer dan 40 m voor gemeenschappelijk gebruik;

d. het oprichten van waterretentiebekkens, met dien verstande dat:

1. de inhoud niet meer bedraagt dan 4.000 m³;

2. ingeval van ondergrondse bekkens:

- de bovenzijde van de bekkens minimaal 0,5 m onder het aangrenzende maaiveld blijft;

- de putdeksels op maaiveldniveau gelegen zijn;

e. evenementen voor zover de bestemming niet onevenredig wordt aangetast.

9.2 Voorwaarden

9.2.1 Voorwaarden ten aanzien van de situering

Het bevoegd gezag kan bij verlening van de omgevingsvergunning voorwaarden stellen ten aanzien van de situering van de onder lid 9.1 bedoelde bouwwerken, teneinde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing van deze bouwwerken ten opzichte van de omgeving te waarborgen.

9.2.2 Geen onevenredige afbreuk aan gebruiksmogelijkheden

De onder lid 9.1 genoemde vergunning mag slechts worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

10.1 Algemene wijziging

Burgemeester en wethouders kunnen de in het plan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van:

a. het wijzigen van de voorgeschreven maatvoering voor bouwwerken met ten hoogste 25%;

b. een enigszins andere situering en/of begrenzing van de bestemmingsgrenzen, indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de uitvoering van een bouwplan waarvan realisering wenselijk of noodzakelijk wordt geacht;

c. het wijzigen van de lijst van bedrijfsactiviteiten, indien technologische ontwikkelingen of vernieuwde inzichten hiertoe aanleiding geven;

d. het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerpplan worden gewijzigd.

Artikel 11 Overige regels

11.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

11.2 Parkeren

11.2.1 Bepaling met betrekking tot het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein

Bij het oprichten van gebouwen of het veranderen van gebruik dient de inrichting van elk perceel zodanig te zijn dat voldoende ruimte aanwezig is om zowel het parkeren als het eventueel laden en lossen op eigen terrein te kunnen afwikkelen. Er wordt in voldoende mate voorzien in parkeergelegenheid, wanneer wordt voldaan aan de parkeercriteria zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen 2014, waarbij geldt dat ingeval de Nota Parkeernormen 2014 binnen de planperiode wordt herzien, deze herziening leidend is voor het bepalen van de parkeercriteria.

11.2.2 Voorwaardelijke verplichting / specifieke gebruiksregel

Het gebruik van de gronden conform de in dit bestemmingsplan toegekende bestemming(en) is alleen dan toegestaan indien is voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Er wordt in voldoende mate voorzien in parkeergelegenheid, wanneer wordt voldaan aan de parkeercriteria zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen 2014, of aan een verleende omgevingsvergunning, waarbij geldt dat:

1. indien functiewijziging of nieuwbouw plaatsvindt op de gronden ná (eventuele) herziening van de Nota Parkeernormen 2014, deze herziening leidend is voor het bepalen van de parkeercriteria;

2. voor bestaand gebruik van de gronden ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, de parkeercriteria worden gehanteerd conform de verleende (omgevings)vergunning, dan wel conform de verleende vrijstelling of ontheffing.

Wanneer voor bestaand gebruik op het moment van aanvang daarvan geen (omgevings)vergunning, vrijstelling of ontheffing was vereist, wordt voldoende parkeergelegenheid geacht aanwezig te zijn.

11.2.3 Afwijken van het benodigd aantal parkeerplaatsen

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het in artikel 11.2.1 en 11.2.2 bepaalde indien anderszins in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.

11.3 Nadere eisen

Burgemeester en Wethouders kunnen, gelet op het bepaalde in de op 10 juni 2010 vastgestelde Visie externe Veiligheid Roermond of een daartoe in de plaats tredend document, met het oog op het aspect externe veiligheid, ter beheersing van de blootstelling aan giftige en/of brandbare stoffen en ter waarborging van uitpandige vluchtroutes, nadere eisen te stellen aan:

a. de situering van bouwwerken (gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde);

b. de inrichting van terreinen;

c. de bruto vloeroppervlakte (bvo) en de hoogte van gebouwen;

d. de wijze van afsluitbaarheid van mechanische ventilatiesystemen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken

12.1.1 Algemeen overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

12.1.2 Afwijken

Het bevoegd gezag kan eenmalig, in afwijking van lid 12.1.1, een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 12.1.1 met maximaal 10%.

12.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

12.2 Overgangsrecht gebruik

12.2.1 Algemeen overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

12.2.2 Wijzigen strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 12.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

12.2.3 Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 12.2.2, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden het gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

12.2.4 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald onder de naam 'Regels van het bestemmingsplan Elmpterweg 51'.