direct naar inhoud van 4.1 Milieu
Plan: Bestemmingsplan Lus van Linne
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0957.BP00000205-VG01

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Algemeen/relevantie voor plan(gebied)

De te vergraven en binnen het gebied weer te bergen vrijkomende dekgronden uit de uiterwaard en slibbodems van de plassen zullen ten minste deels verontreinigd zijn door afzettingen van de Maas. Het Besluit Bodemkwaliteit (2008) stelt expliciete kwaliteitseisen aan het hergebruik van de vrijkomende gronden, waarbij rekening gehouden wordt met de natuurlijke achtergrondwaarden en de voortdurende slibaanvoer in riviersystemen.

(Deel)onderzoek(en)

De milieutechnische en fysische samenstelling van zowel de land- als de waterbodems in de Lus van Linne zijn de afgelopen jaren meerdere malen onderzocht. Gezamenlijk leveren deze bodemonderzoeken een gebiedsdekkende informatie over de bodemkwaliteit.

Resultaten

Het omvangrijke grondverzet betreft merendeels 'Vrij Toepasbaar' zand en grind waaraan geen milieubepalende stoffen hechten. Bij 25% van het grondverzet betreft hergebruik van dekgrond en plasbodems van Klasse A en B.

Deze licht verontreinigde bodems zijn toepasbaar binnen het plangebied omdat de verontreiniginggraad de milieukwaliteit van de ontvangende grond en herverontreiniging niet overschrijdt.

Het Besluit Bodemkwaliteit staat het toepassen van bodemkwaliteit t/m klasse B onder voorwaarden in (plassen in) uiterwaarden toe. Via de Commissie Verheijen (2009) en de Handreiking voor het inrichten van diepe Plassen (concept april 2011) is momenteel aanvullend beleid in de maak cq. gemaakt.

Conclusie

Vanuit het aspect bodem zijn geen belemmeringen te verwachten voor de voorgestane ontwikkeling van het plangebied.

4.1.2 Geluid

Algemeen/relevantie voor het plan(gebied)

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. Immers in het ruimtelijk spoor kan door een (ruimtelijke) scheiding van geluidbronnen en geluidsgevoelige bestemmingen hinder worden voorkomen.

Naast de wettelijke kaders ter voorkoming van geluidshinder die in acht moeten worden genomen bij ruimtelijke planvorming (Wet geluidhinder, Wet luchtvaart, Luchtvaartwet) moet in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' ook gezorgd worden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering.

Voor de geluidsgevoelige bestemmingen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De Wgh kent bandbreedtes waarbinnen het bevoegd gezag moet blijven. Er geldt een voorkeurswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De getalsmatige invulling van deze grenswaarden is voor elk type geluidsbron verschillend en is onder andere afhankelijk van de geluidsgevoelige bestemming. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige bestemmingen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de geplande gebouwen.

De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden in een geluidszone zijn gelegen.

In paragraaf 4.1.4 wordt ingegaan op de geluidseffecten van omliggende bedrijven op het plangebied.

(Deel)onderzoek(en)

Geluidhinder en trillingen in verband met de uitvoeringswerkzaamheden van de herinrichting zijn onderzocht door Adviesburo van der Boom (Van der Boom, 2010). Aan de hand van relevante bronsterkten van materieel zijn overdrachten van geluid en trillingen naar woningen in de omgeving onderzocht, in diverse werkfasen en onderlinge combinaties.

Voor de realisatie van het project is grindwinning met klassering van de delfstoffen op werkdagen overdag een nagenoeg constante geluidsbron gedurende een periode van circa 11 jaar.

Daarnaast vindt gedurende ca. 40% van de tijd divers grondverzet plaats met een kranenset en een zandzuiger, voornamelijk in de eerste en laatste jaren van de projectrealisatie.

Voor het materieel zijn geluidsbronsterkten aangenomen, zoals momenteel technisch-economisch haalbaar is. Voor grindwinapparatuur met een was-, breek- en zeefinstallatie zijn geluidsbeperkende maatregelen uiterst moeilijk. In het beleid van Nederland en België wordt momenteel als maximaal haalbare grens een geluidsbronsterkte van 116 dB(A) gehanteerd.

Als immissielocaties van geluid vanuit de realisatie van het project is een zestiental mogelijk geluidsgevoelige locaties, veelal woningen, in de omgeving geïdentificeerd. Voor een aantal immissiepunten zijn meerdere hoogten op de gevel beschouwd. De locatie 'Solvay' betreft een trillingsgevoelige industrie, waar eventuele geluidshinder door de eigen geluidsproductie van fabrieken en vrachtverkeer zal worden overstemd.

Resultaten

Op basis van deze bevindingen is de werkvolgorde aangepast. Terwijl de grindwinning continu doorgaat in aangewezen gedeelten, wordt ervoor gezorgd dat bijkomende activiteiten, zoals kraan- en zuigerwerk, niet tegelijkertijd of in daarvan verder af gelegen gedeelten plaatsvindt. Het zuidelijke gedeelte van de Linnerplas wordt daarbij niet ontgraven met een standaard drijvend grindwinwerktuig, zoals een baggermolen, maar met aangepaste apparatuur, zoals een knijperkraan. De verwerking van grind vindt op de Gerelingsplas plaats.

Uit de resultaten van de akoestische modelering blijkt dat de doorgevoerde planaanpassingen succesvol zijn

Op de gevels van alle woningen in Linne wordt tijdens de werkvoorbereiding en tijdens de grindwinning voldaan aan de streefwaarde van 50 dB(A) voor geluidsbelasting. Deze maximale belasting van 50 dB(A) treedt slechts op gedurende een periode van 15 weken tijdens de grindwinning.

In de eindinrichtingsfase is gedurende een korte periode sprake van een overschrijding van de streefwaarde, bij het aanbrengen van beschermlagen met overmaats grind op de instroomdrempels. De grenswaarde 55 dB(A) voor woningclusters wordt niet overschreden.

Op immissiepunt Solvay blijven hoge immissiewaarden bestaan, maar dit betreft geen woning.

Conclusie

Vanuit het aspect geluid zijn geen belemmeringen te verwachten voor de voorgestane ontwikkeling van het plangebied.

4.1.3 Luchtkwaliteit

Algemeen/relevantie voor plan(gebied)

Stikstofdioxide

Als maat voor luchtverontreiniging blijkt in Nederland NO2 een van de meest de meest kritische stoffen te zijn, omdat de reeds aanwezige achtergrondconcentratie van deze component dichtbij de norm kan liggen. De andere stoffen van het BLk2005 (zwaveldioxide SO2, lood Pb, koolmonoxide CO en benzeen C6H6 zijn niet bepalend voor een activiteit als grondverzet. In het Besluit luchtkwaliteit 2005 (BLk2005) geldt als luchtkwaliteitseis voor NO2 40 µg/m³.

Tot de belangrijkste bronnen uit de omgeving behoort de scheepvaart (beroepsvaart), de agrarische sector (waaronder het huidige ca. 80 ha landbouwareaal in de Lus van Linne), de industrie, de elektriciteitscentrales (Maasbracht en Buggenum) en het wegverkeer (verkeersaders zoals de A2 en de A73).

Momenteel (2010) voorspelt het RIVM in de omgeving van de Lus van Linne een jaargemiddelde concentratie voor NO2 van 18-20 µg/m³.

Fijnstof

Een voor de volksgezondheid belangrijke vorm van luchtverontreiniging is het fijnstof: in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 micrometer (<10 µm). Fijnstof is bij inademing schadelijk voor de gezondheid, met name voor de luchtwegen. Omdat de deeltjes niet allemaal dezelfde vorm hebben wordt fijnstof uitgedrukt in PM10. Momenteel wordt gewerkt aan regels en eisen voor een Pm²,5 omdat de meest fijne deeltjes de meest gezondheidsproblemen zouden veroorzaken. Volgens het Milieu en Natuur Planbureau is de voorgestelde Pm²,5 norm voor fijn stof echter niet strenger dan de bestaande normen voor PM10 (NMP, 2007).

Bronnen van fijnstof zijn het verkeer, met name roet uit dieselmotoren, de industrie, waaronder het storten en overslaan van bulkgoederen, de landbouwbedrijven, met name stallen, de uitstoot door elektriciteitscentrales, de uitstoot uit woningen, bijvoorbeeld door een open haard en natuurlijke bronnen, bijvoorbeeld zeezout, of stof vanuit de bodem.

(Deel)onderzoek(en)

Stikstofdioxide

De bijdrage vanuit het project aan luchtverontreiniging met NO2 kan ingeschat worden aan de hand van het brandstofverbruik dat met de realisatie van het project gemoeid is. Hiertoe wordt niet gerekend met uitstoot van scheepvaart van en naar het project, omdat dit vervangend vervoer is bij een aangenomen gelijkblijvende leverantie van oppervlaktedelfstoffen uit andere winningen in de regio. Het energieverbruik voor delfstofwinning en bijbehorend grondverzet ca. 1.000 kW opgesteld vermogen is ca. 150 liter diesel per uur en voor rivier- en natuurbouw circa 600 kW opgesteld vermogen is 90 liter diesel per uur.

Omdat beide activiteit gelijktijdig kunnen plaatsvinden (ca. 40% van de projectduur) is dit tezamen een verbruik van ca. 200 kg diesel per uur. Met gegevens voor mobiele bronnen (CBS, 2004) en een correctie naar 80% vanwege sindsdien toegepaste brandstofverbetering en roetfiltering volgt een uitstoot van 40 g NOx/kg brandstof. Het project levert dan een uitstoot van ca. 8.200 gram NOx per werkuur. NOxis de verzamelterm voor stikstofverbindingen, NO2 is de meest schadelijke stikstofverbinding.

Hoewel de binnenscheepvaart van afvoer van delfstofproducten uit de Lus van Linne dat van andere herkomst vervangt, draagt dit transport wel bij aan de directe omgeving van de Lus van Linne. Volgens SenterNovem, 2008 bedraagt de uitstoot van NOx voor een binnenvaartschip van 1750 ton beladen waterverplaatsing 265 gram/km vaarafstand. Indien de gemiddelde vaarafstand in de Lus van Linne 1 km bedraagt, en naast het aan- en afvaren 50% wordt gerekend voor manoeuvres en laadtijd, draagt elk beladen schip ca 662 gram uitstoot NOx bij. Omdat er ca. elke 3,5 uur zo'n schip zal worden beladen, is de projectbijdrage 190 gram NOx per werkuur.

Fijnstof

Ook de bijdrage vanuit het project aan luchtverontreiniging met fijnstof kan ingeschat worden aan de hand van het brandstofverbruik dat met de realisatie van het project gemoeid is. Analoog aan hetgeen voor NOx is ingeschat, volgt voor een verbruik van ca. 200 kg diesel per uur en gegevens van het CBS met dezelfde correctie een uitstoot van 4 g fijnstof/kg brandstof. Het project levert vanuit brandstofverbruik dan een uitstoot van ca. 800 gram fijnstof per werkuur. Vanaf 2009 gelden voor mobiele werktuigen met een motorvermogen tussen 30 en 75 kW de Euro 3-normen (ca. 0,1 g PM10 per kWh geleverd vermogen). Dit is een reductie van 90%, zodat indien althans met modern materieel zal worden gewerkt de uitstoot fijnstof vanuit dieselmotoren, zal dalen naar orde 75 gram fijnstof per werkuur.

Hoewel de binnenscheepvaart van afvoer van delfstofproducten uit de Lus van Linne dat van andere herkomst vervangt, draagt dit transport wel bij aan de directe omgeving van de Lus van Linne. Volgens SenterNovem, 2008 bedraagt de uitstoot van PM10 voor een binnenvaartschip van 1.750 ton beladen waterverplaatsing 10,6 gram/km vaarafstand. Indien de gemiddelde vaarafstand in de Lus van Linne 1 km bedraagt, en naast het aan- en afvaren 50% wordt gerekend voor manoeuvres en laadtijd, draagt elk beladen schip ca 30 gram uitstoot PM10 bij. Omdat er ca. elke 3,5 uur zo'n schip zal worden beladen, is de projectbijdrage 9 gram PM10 per werkuur.

Resultaten

Stikstofdioxide

De bijdrage vanuit het project aan de luchtverontreiniging is met het gegeven van 8.390 gram NOx per werkuur te berekenen, afhankelijk van uitstoothoogte en meteorologische gegevens. Hiertoe staat het Nieuw Nationaal Model (Stacks) ter beschikking. Berekeningen zoals die voor de zandwinning Winssen (Haskoning, 2006) geven voor een vijfvoudige uitstoot een bronbijdrage NOx (als NO2) kleiner dan 2,0 µg/m³, zodat voor het project een bronbijdrage van maximaal 0,5 µg/m³ NOx aangenomen mag worden. Dit is 2,5% van de huidige mate van luchtverontreiniging in de omgeving van het project. Hiermee voldoet de mate van luchtverontreiniging aan de luchtkwaliteitseis uit het Besluit Luchtkwaliteit.

Fijnstof

Het totaal aan uitstoot tijdens de uitvoering van het project 'Nieuw Leven in de Lus van Linne' met vooreerst aangenomen verouderd materieel is 864 gram PM10 per uur. De bijdrage vanuit het project aan de luchtverontreiniging is met dit uurgegeven, net als dat voor NOx te berekenen, afhankelijk van uitstoothoogte en meteorologische gegevens (Haskoning, 2006). Met wederom de genoemde correctie voor de hier berekende uitstoot, betekent dit voor het project een bronbijdrage van maximaal 0,05 µg/m³ PM10. Dit is 0,2% van de huidige mate van luchtverontreiniging door fijnstof in de omgeving van de Lus van Linne, en derhalve vrijwel verwaarloosbaar.

Door het grootschalige grondverzet en doordat op delen van het terrein de begroeiing tijdelijk wordt verwijderd, kunnen gronddeeltjes verwaaien tot grof stof in de lucht. Dit kan in de omgeving tijdelijk tot een hogere depositie leiden. Grof stof in de lucht is niet gevaarlijk voor de gezondheid, maar als er in korte tijd een grote hoeveelheid stof neerslaat, dan kan dit wel hinderlijk zijn.

Afhankelijk van de weersomstandigheden en de windrichting kan het project dus bijdragen aan emissie en depositie van grof stof in de omgeving. Aangezien de afstanden tot woonbebouwing groot zijn (200 tot 2000 m), is de realisatie van het project slechts beperkt bepalend voor de stofhinder. Door mitigerende maatregelen toe te passen zoals nat houden van bronnen (zal de bijdrage aan grof stof uit het plangebied waarschijnlijk niet waarneembaar kunnen zijn.

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit (uitgesplitst naar stikstofdioxide en fijnstof) geldt dat er geen belemmeringen zijn voor de voorgestane ontwikkeling van het plangebied.

4.1.4 Milieuzonering/Bedrijvigheid

Algemeen/relevantie voor plan(gebied)

Er moet een noodzakelijk scheiding worden aangebracht tussen milieubelastende en milieugevoelige functies, ter bescherming en/of vergroting van de leefkwaliteit. De milieuhinder van bedrijven moet worden geanalyseerd op hun invloed op mogelijke ontwikkelingen. Als milieubelastende functies mogelijk worden gemaakt, moet de invloed op de omgeving inzichtelijk worden gemaakt.

Op de rand van het plangebied ligt een aantal inrichtingen met een milieuhindercirkel. Het betreft direct ten zuiden en oosten van het plangebied een chemische fabriek aan de rijksweg N271, een scheepswerf bij Linne en een waterkrachtcentrale. Op grotere afstand bevindt zich een energiecentrale (Clauscentrale) bij Maasbracht

De meest nabijgelegen woonbebouwing staat in de dorpskern Linne en op het gebied van de Sluis Linne.

In het plangebied worden, voor wat betreft de eindsituatie, geen milieugevoelige of milieubelastende functies of bebouwing mogelijk gemaakt.

Geureffecten worden door de werkzaamheden in het kader van de herinrichting annex delfstofwinning en de natuurontwikkeling in het geheel niet veroorzaakt. Als positieve wijziging in de geursituatie kan de beëindiging van de bemesting van landbouwarealen worden genoemd.

De bestaande (geur- en) geluidhinder vormt geen belemmering voor de (spontaan of geleid) te ontwikkelen natuur en de (eventuele extra) extensieve dagrecreatie, zie ook paragraaf 4.8.

Conclusie

Vanuit het aspect milieuzonering/bedrijvigheid zijn geen belemmeringen te verwachten voor de voorgestane ontwikkeling van het plangebied.