direct naar inhoud van Regels
Plan: Logistiekstraat 5 te Nuth
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0951.BPLogistiekstr5-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Plan

het bestemmingsplan 'Logistiekstraat 5 te Nuth' van de gemeente Nuth;

1.2 Bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0951.BPLogistiekstr5-VA01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen);

1.3 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 Algemene wet bestuursrecht

Wet van 4 juni 1992, Stb. 315, houdende algemene regels van bestuursrecht, zoals deze luidt op het moment van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan;

1.6 Bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.7 Bebouwingspercentage

het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat mag worden bebouwd;

1.8 Bedrijf

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij eventueel detailhandel plaatsvindt uitsluitend als niet zelfstandig en ondergeschikt onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;

1.9 Bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.10 Bedrijfsvloeroppervlakte (bvo)

De totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor bedrijf, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke.

1.11 Beperkt kwetsbaar object

De definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.12 Besluit externe veiligheid inrichtingen

Besluit van 27 mei 2004, houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen milieubeheer;

1.13 Bestaand
  • bij bouwwerken: bouwwerken die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan bestonden of in uitvoering waren, danwel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende bouwvergunning;
  • bij gebruik: gebruik dat op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan bestond;

1.14 Bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.15 Bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.16 Bevi-inrichting

een inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.17 Bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.18 Bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.19 Bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.20 Bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

1.21 Bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.22 Bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.23 Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, het verkopen en/of bewaren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.24 Detailhandel in meubels en woninginrichting

detailhandel in volumineuze goederen ten behoeve van de inrichting van een woning en de daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen;

1.25 Detailhandel in volumineuze goederen

detailhandel die vanwege de omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, waaronder detailhandel in auto's, boten, caravans, meubels en woninginrichting;

1.26 Gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.27 Groepsrisico

cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is;

1.28 Hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;

1.29 Invloedsgebied

gebied waarin volgens bij regeling van Onze Minister gestelde regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico;

1.30 Kwetsbaar object

De definitie als opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.31 Onzelfstandig kantoor

een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft;

1.32 Plaatsgebonden risico

risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is;

1.33 Wet geluidhinder

Wet van 16 februari 1979, Stb. 99, houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder, zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

1.34 Wet op de economische delicten

Wet van 22 juni 1950, Stb. K 258, houdende vaststelling van regelen voor de opsporing, de vervolging en de berechting van economische delicten, zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan;

1.35 Wet ruimtelijke ordening

Wet van 20 oktober 2006, Stb. 2006, 566, houdende nieuwe regels omtrent de ruimtelijke ordening.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens

de kortste afstand tussen de zijdelingse grenzen en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;

2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.4 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.6 peil
  • 1. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst, de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • 2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdingang bij voltooiing van de bouw.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijventerrein - II

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor Bedrijventerrein - II aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven;
  • b. detailhandel;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. wegen, voet- en fietspaden;
  • e. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, alsmede duurzaam bodem- en waterbeheer, tevens wateropvang/-buffering en infiltratie;

één en ander met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en voorzieningen zoals tuinen, erven, groen- en parkeervoorzieningen, en conform de regels in de nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

3.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
  • A. Bedrijfscategorie

binnen deze bestemming zijn uitsluitend bedrijven toegestaan voor zover deze voorkomen in categorie 2, 3.1, 3.2, 4.1 of 4.2 van de als bijlage 2 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten, alsmede na afwijking op grond van artikel 3.4.1, bedrijven die opgenomen zijn in een hogere milieucategorie en deze bedrijven naar aard, milieubelasting en ruimtelijke impact (verkeersaantrekkende werking, ruimtebeslag, aantal arbeidsplaatsen e.d.) vergelijkbaar zijn met de toegestane bedrijven.

  • B. Groothandel

In afwijking van het bepaalde onder a. zijn groothandelsbedrijven uitsluitend toegestaan na verlening van afwijking als opgenomen in artikel 3.4.2, met dien verstande dat de bestaande groothandelsbedrijven zijn toegestaan.

  • C. Geluidszoneringsplichtige inrichtingen

geluidzoneringsplichtige inrichtingen zijn niet toegestaan.

  • D. Bevi-inrichtingen

bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan.

  • E. Kantoren

binnen deze bestemming zijn uitsluitend onzelfstandige kantoren in ondergeschikte vorm toegestaan.

  • F. Buitenopslag

buitenopslag is uitsluitend toegestaan ten behoeve van de op grond van dit artikel toegestane bedrijvigheid, binnen het bouwvlak en achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw. Buitenuitstalling is uitsluitend toegestaan voor bedrijven met als hoofdactiviteit de verkoop van auto's, caravans, boten of bestratingsmateriaal ten behoeve van het bestaande bestratingsbedrijf.

  • G. Reclame-uitingen

reclamezuilen, reclamemasten en reclame-uitingen als bouwwerk op een gebouw zijn niet toegestaan.

  • H. Detailhandel

detailhandel is niet toegestaan, behoudens:

  • 1. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit;
  • 2. detailhandel in volumineuze goederen in de vorm van verkoop:
  • van auto's, boten en caravans, keukens, meubels en woninginrichting,
  • bouwmarkten en tuincentra, uitsluitend na verlening van afwijking als opgenomen in artikel 3.5.2;
  • 3. bestaande detailhandelsactiviteiten.

  • I. Parkeergelegenheid

op eigen terrein dient voldoende parkeergelegenheid aanwezig te zijn.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

3.2.2 Gebouwen

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  • b. het bouwvlak wordt per bouwperceel voor minimaal 40% bebouwd, tot maximaal het ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' aangegeven bebouwingspercentage;
  • c. de afstand van bedrijfsgebouwen tot de zijdelingse bouwperceelsgrenzen bedraagt tenminste 2 meter;
  • d. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale bebouwingshoogte' is aangegeven.

3.2.3 Bedrijfswoningen

In aanvulling op het voorgaande gelden voor bedrijfswoningen de volgende regels:

  • a. de bouw van nieuwe bedrijfswoningen is niet toegestaan;

3.2.4 Gebouwen van openbaar nut

Voor gebouwen van openbaar nut gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • b. de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m².

3.2.5 Ondergronds bouwen

Ondergronds bouwen is uitsluitend mogelijk op gronden waar gebouwen toegestaan zijn, tot op een diepte van 5 meter gerekend vanaf het peil.

3.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen qua aard en afmetingen te passen bij de toegelaten bestemming;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag binnen het bouwvlak niet meer bedragen dan 6 meter, met uitzondering van:
  • 1. schoorstenen, silo's en andere voor bedrijven noodzakelijke bouwwerken, waarbij een maximale hoogte van 12 meter is toegestaan;
  • 2. erfafscheidingen, waarbij een maximale hoogte van 2 meter is toegestaan;
  • c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag buiten het bouwvlak niet meer bedragen dan 2 meter;
  • d. er zijn niet meer dan 2 vlaggenmasten per bouwperceel toegestaan;
  • e. in afwijking van het bepaalde onder b en c mag de bouwhoogte van wegbewijzeringen en lichtmasten niet meer bedragen dan 8 meter;
  • f. reclamezuilen, reclamemasten en andere reclame-uitingen zijn niet toegestaan vóór de voorgevel, alsmede het verlengde daarvan;
  • g. in afwijking van sub f zijn reclamezuilen voor de voorgevel toegestaan mits ze voldoen aan de volgende eisen:
  • 1. de reclamezuilen zijn gesitueerd bij de toegang van het perceel;
  • 2. de oppervlakte van een reclamezuil bedraagt niet meer dan 1,5 m²;
  • 3. de breedte van een reclamezuil bedraagt niet meer dan 1,5 meter;
  • 4. de hoogte van een reclamezuil bedraagt niet meer dan 2 meter.

3.2.7 Afwijkingenregeling

In afwijking van het voorgaande geldt voor bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat, indien en voor zover de bestaande bouwhoogte de voorgeschreven bouwhoogte overschrijdt, de bestaande maatvoering is toegestaan.

3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijken nutsgebouwen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in 3.2.4 teneinde het oprichten van gebouwen ten behoeve van grotere nutsvoorzieningen toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 5 meter;
  • b. de bebouwde oppervlakte mag niet meer bedragen dan 25 m²;
  • c. de ontheffing mag de verkeersveiligheid niet in gevaar brengen;
  • d. de ontheffing leidt niet tot een onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.

3.3.2 Afwijken bouwhoogte

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in 3.2.2 sub d, teneinde de geldende bouwhoogte te verhogen tot 12 meter, mits wordt voldaan aan de volgende regels:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en/of bouwwerken worden niet onevenredig aangetast;
  • b. de verhoging is noodzakelijk in verband met de aard van het bedrijf, danwel vanwege bedrijfseconomische of andere bedrijfsomstandigheden.

3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Voorwaardelijke verplichting

Het doen/laten gebruik van de bestemming Bedrijventerrein - II ter plekke van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – voorwaardelijke verplichting' is uitsluitend toegestaan indien het landschapsplan conform bijlage 1 bij deze regels binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van dit plan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Toestaan vergelijkbare bedrijven

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af de wijken van het bepaalde in 3.1.2 sub A voor het toestaan van bedrijven die niet zijn opgenomen in de als bijlage 2 toegevoegde Staat van bedrijfsactiviteiten danwel opgenomen zijn in een hogere milieucategorie en deze bedrijven naar aard en milieubelasting en ruimtelijke impact (verkeersaantrekkende werking, ruimtebeslag, aantal arbeidsplaatsen e.d.) vergelijkbaar zijn met de toegestane bedrijven, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. een onevenredige toename van de aantasting van het woon- en leefklimaat is niet toegestaan;
  • b. er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken plaats.

3.5.2 Toestaan detailhandel in volumineuze goederen en groothandels bedrijven

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in 3.1.2 sub B en/of sub H onder 2 voor het toestaan van groothandelsbedrijven en/of detailhandel in volumineuze goederen in de vorm van verkoop van auto's, boten en caravans, keukens, meubels en woninginrichting, bouwmarkten en tuincentra, met dien verstande dat groothandelsbedrijven en/of detailhandel in volumineuze goederen uitsluitend zijn toegestaan als voldaan wordt aan de wet- en regelgeving ten aanzien van het aspect externe veiligheid.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid
3.6.1 Opnemen bouwvlak

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, ten behoeve van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone – wijzigingsgebied 1' een bouwvlak op te nemen, één en ander met inachtneming van de volgende regels:

  • a. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  • b. de bebouwingsregels uit dit artikel zijn onverkort van toepassing op het nieuw op te nemen bouwvlak;
  • c. uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
  • d. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige verslechtering van de normale verkeersafwikkeling of van de parkeersituatie in de omgeving, gelet op de stedenbouwkundige structuur hiervan;
  • e. er wordt voldaan aan de wet- en regelgeving ten aanzien van het aspect externe veiligheid. Daarbij wordt een verantwoording gegeven van het groepsrisico in het invloedsgebied van het lpg-vulpunt, alsmede in het invloedsgebied van de snelweg A76;
  • f. voldaan dient te worden aan de wettelijke eisen inzake luchtkwaliteit;
  • g. aangetoond wordt dat archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 4 Natuur - Ontwikkeling

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving

De voor Natuur - Ontwikkeling aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de ontwikkeling van natuurlijke en landschappelijke waarden, de verbetering van het milieu en de natuurlijke levensgemeenschappen;
  • b. landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur – landschappelijke inpassing', overeenkomstig het landschapsplan opgenomen als bijlage 1 bij deze regels;
  • c. water en waterinfiltratie;
  • d. ontgrondingen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving..

4.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving
  • a. Ontgrondingsgebied

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ontgrondingsgebied' is ontgronding toegestaan, met bijbehorende voorzieningen als de opslag van de ter plaatse gewonnen grondstoffen en groenvoorzieningen.

4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Uitsluitend mogen worden opgericht gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

4.2.2 Gebouwen

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gebouwen zijn noodzakelijk in verband met de ontgronding ter plaatse van de aanduiding 'ontgrondingsgebied';
  • b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 7 meter;
  • c. de bebouwde oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 1000 m².

4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 meer.

4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.3.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

  • a. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas of het verrichten van handelingen, welke de dood of ernstige beschadiging hiervan ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging van de aanwezige houtopstand;
  • e. het bebossen van gronden, die op het tijdstip van het van kracht worden van het plan niet als bos konden worden aangemerkt;
  • f. het verrichten van exploratie- en exploitatieboringen ten behoeve van de winning van delfstoffen, olie of gas.

4.3.2 Uitzonderingen

Het onder 4.3.1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud betreffen, of;
  • b. van ondergeschikte betekenis;
  • c. welke worden verricht binnen de normale bodemexploitatie en bodemgebruik;
  • d. welke op het tijdstip van het van kracht worden van het plan in uitvoering zijn danwel, krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde ontgrondingen-/omgevingsvergunning kunnen worden uitgevoerd;
  • e. het periodiek kappen van griendhout en ander hakhout, voorzover betreffende de normale uitoefening van het op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestaande bodemgebruik;
  • f. indien de in 4.3.1 genoemde werken of werkzaamheden zullen worden uitgevoerd in een beschermd natuurmonument in de zin van de Natuurbeschermingswet en handelingen opleveren waarvoor ingevolge artikel 12 van de Wet een vergunning van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij is vereist, danwel handelingen welke zijn voorzien in een beheersplan als bedoeld in artikel 14 van die Wet.

4.3.3 Voorwaarden

De in 4.3.2 genoemde werken of werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden danwel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de agrarische gebruikswaarden danwel de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van deze gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast danwel de mogelijkheden voor het herstel van de laatstbedoelde waarden niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Waarde - Archeologie aangegeven gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. de instandhouding en bescherming van archeologische monumenten en archeologische vindplaatsen;
  • b. de bescherming van mogelijke archeologische waarden binnen gebieden met een archeologische verwachtingswaarde;
  • c. zoals deze monumenten, vindplaatsen en verwachtingswaarden zijn aangeduid op de kaart 'Archeologie' in de bijlage 3 bij deze regels.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Bouwverbod

Op de voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden mag geen bebouwing worden opgericht, met uitzondering van:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, of;
  • b. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden niet dieper dan 0,4 meter reiken, of;
  • c. bebouwing waarvoor de grondwerkzaamheden een oppervlak beslaan van minder dan 100 m².

 

5.2.2 Uitzonderingen

Het verbod in 5.2.1 is niet van toepassing indien het een verstoring betreft van een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de kaart 'Archeologie' opgenomen in bijlage 3 bij deze regels, niet zijnde een archeologisch monument, en waarbij die verstoring plaatsvindt:

  • a. in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde en binnen een straal van 50 meter geen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of;
  • b. in een gebied met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde, niet zijnde een historische dorpskern, en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m² en binnen een straal van 50 meter geen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of;
  • c. in een gebied met een hoge archeologische waarde in een historische dorpskern, en het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m² en binnen een straal van 50 meter geen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.

5.3 Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Afwijken van de bouwregels ten behoeve van het bouwen van het gebouwen of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in 5.2, voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien naar het oordeel van het bevoegde gezag:

  • a. bebouwing plaatsvindt ter plaatse van een evident eerder verstoorde bodem, of;
  • b. op basis van een archeologisch (voor)onderzoek blijkt dat geen verstoring plaatsvindt van archeologische waarden;
  • c. op basis van een archeologisch (voor)onderzoek blijkt dat mogelijke verstoring van archeologische waarden kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden, gericht op het behoud van de archeologisch resten in de bodem, of het verrichten van archeologisch vervolgonderzoek.

 

5.3.2 Voorwaarden aan omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan aan een vergunning als bedoeld in 5.3.1, ter bescherming en behoud van archeologische waarden, de volgende voorwaarden verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor waardevolle elementen in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van een archeologisch (vervolg)onderzoek waaronder mede wordt verstaan het doen van een opgraving;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • d. indien het bepaalde onder c, van toepassing is: een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.4.1 Verboden werken en werkzaamheden

Het is verboden op of in de voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder ontgronden, afgraven, diepploegen en het aanbrengen van leidingen, op een grotere diepte dan 0,4 meter;
  • b. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze indrijven van (scherpe) voorwerpen in de bodem;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • d. het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  • e. het verlagen of het verhogen van het waterpeil.

 

5.4.2 Uitzonderingen

Het bepaalde in 5.4.1 is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:

in het kader van normaal onderhoud en beheer;

  • a. die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning mogen worden uitgevoerd;
  • b. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop dit artikel van toepassing is;
  • c. die ten dienste van archeologische onderzoek worden uitgevoerd;
  • d. die plaatsvinden in een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de kaart 'Archeologie' opgenomen in bijlage 3 bij deze regels, niet zijnde een archeologisch monument, en waarbij die verstoring plaatsvindt:
  • 1. in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde en binnen een straal van 50 meter geen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of;
  • 2. in een gebied met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde, niet zijnde een historische dorpskern, en het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500 m² en binnen een straal van 50 meter geen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of;
  • 3. in een gebied met een hoge archeologische waarde in een historische dorpskern, en het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m² en binnen een straal van 50 meter geen archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.

 

5.4.3 Toelaatbaarheid

Het bevoegd gezag kan aan een vergunning als bedoeld in 5.4.1, ter bescherming en behoud van archeologische waarden, de volgende voorschriften verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor waardevolle elementen in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van een archeologisch (vervolg)onderzoek waaronder mede wordt verstaan het doen van een opgraving;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • d. indien het bepaalde onder c, van toepassing is: een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen nadat nieuw gemeentelijk archeologisch beleid is vastgesteld in die zin dat de kaart in bijlage 3 bij deze regels kan worden geactualiseerd en het bijbehorend toetsingskader kan worden aangepast.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene afwijkingsregels

7.1 Afwijken kleine overschrijdingen
7.1.1 Afwijking

Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels afgeweken kan worden, zijn burgemeester en wethouders bevoegd af te wijken van de desbetreffende bepalingen van het plan voor:

  • a. het afwijken van de toegelaten maximale maten ten aanzien van goot- en bouwhoogten, bebouwingspercentages, bouwperceelsgrensafstanden met ten hoogste 10%;
  • b. geringe afwijkingen c.q. overschrijdingen van de op de verbeelding aangegeven bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en dwarsprofielen, welke in het belang zijn van de ruimtelijke ontwikkeling, danwel noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein;
  • c. het oprichten van voorzieningen ten dienste van het ontvangen van radio- en televisiesignalen, voor zover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de hoogte niet meer bedraagt dan maximaal 15 meter voor antennes voor privégebruik en maximaal 30 meter voor antennes voor gemeenschappelijk gebruik.

7.1.2 Voorwaarden situering

Burgemeester en wethouders kunnen bij het afwijken voorwaarden stellen ten aanzien van de situering van de in 7.1.1 onder c bedoelde bouwwerken en voorzieningen, teneinde een ruimtelijk verantwoorde plaatsing ten opzichte van de omgeving te waarborgen.

7.1.3 Verlening

Een in 7.1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden hierdoor niet onevenredig worden aangetast.

7.2 Afwijking ondergrondse parkeergarage

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in Artikel 3 van dit bestemmingsplan, teneinde binnen de bestemming Bedrijventerrein - II buiten het bouwvlak een ondergrondse parkeergarage toe te staan, mits de parkeergarage in zijn geheel onder het maaiveld is gelegen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 8 Overgangsrecht

8.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

8.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 9 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als de regels van het bestemmingsplan 'Logistiekstraat 5 te Nuth' van de gemeente Nuth.