direct naar inhoud van Artikel 3 Agrarisch
Plan: Dorpstraat 62 Leveroy
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0946.WPDorpstraat622011-VAST

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. een niet-agrarisch bedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding Specifieke vorm van agrarisch – agrarisch technisch hulpbedrijf (sa-ath), zoals aangegeven op de verbeelding;
  • c. versterking van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur;
  • d. behoud van de landschapselementen;
  • e. verkeersvoorzieningen, mede in de vorm van onverharde wegen en paden;
  • f. waterhuishoudingkundige doeleinden;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. extensieve dagrecreatie, inclusief semi-verharde parkeervoorzieningen.
3.2 Bouwregels

Op de voor Agrarisch aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:

3.2.1 Algemeen
  • a. De gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.
  • b. Op het bouwvlak met de aanduiding bedrijf als bedoeld in artikel 3.1. onder b, is maximaal 1 (bedrijfs)woning toegestaan.
  • c. Het gebruik van een woning voor een aan huis gebonden beroep en een aan huis gebonden bedrijf is toegestaan, mits:
    • 1. de functie ondergeschikt blijft aan de hoofdfunctie;
    • 2. er maximaal 30% van het totale vloeroppervlak als zodanig in gebruik wordt genomen;
    • 3. geen publiekgerichte functie wordt uitgeoefend;
    • 4. geen detailhandel plaatsvindt, uitgezonderd van ter plaatse vervaardigde producten.
  • d. Nieuwvestiging van inrichtingen ex artikel 2.4 IVbM is niet toegestaan.
  • e. Buiten de op de verbeelding aangegeven bouwvlak zijn, behoudens het bepaalde in 3.2.2. onder 6, uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan ten behoeve van het agrarisch grondgebruik en/of recreatief medegebruik, danwel verkeers- en/of nutsvoorzieningen met een maximale hoogte van 1 m en een maximale oppervlakte van 6 m² per bouwwerk.
  • f. De oppervlakte aan parkeervoorzieningen ten behoeve van de extensieve dagrecreatie mag per locatie maximaal 250 m² bedragen.
3.2.2 Bedrijf, detailhandel en horeca

Voor de bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak met de aanduiding Specifieke vorm van agrarisch met een nadere functie-aanduiding bedrijf, gelden de volgende eisen:

  • 1. bedrijfsgebouwen:
    goothoogte   max. 4,5 m., of maximaal de hoogte zoals bestaand  
    bouwhoogte   max. 8 m., of maximaal de hoogte zoals bestaand.  
    bebouwd oppervlakte   maximaal de oppervlakte zoals bestaand.  
  • 2. bedrijfswoningen:
goothoogte   max. 5,5 m.  
bouwhoogte   max. 8 m.  
dakhelling   minimaal 12°  
inhoud, inclusief bijgebouwen t.b.v. privégebruik   max. 1.100 m³  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 m.  

  • 3. bijgebouwen bij de bedrijfswoning:

goothoogte   max. 3,20 m.  
bouwhoogte   max. 5,5 m.  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   min. 5 m.  
afstand tot bedrijfswoning   max. 20 m. uit dichtsbijzijnde gevel.  

  • 4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde:

bouwhoogte erfafscheidingen   max. 2 m.; vóór de voorgevelrooilijn max. 1 m.  
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   max. 6 m.
 

  • 5. omschakeling van niet-agrarische bedrijven is toegestaan voorzover het betreft bedrijven passend binnen de lijst van categorie 1 en 2-bedrijven, zoals opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten en daarmee naar aard, omvang en invloed op milieu en omgeving vergelijkbare bedrijven;Staat van bedrijfsactiviteiten:

SBI-CODE   NR   OMSCHRIJVING   GROOTSTE
AFSTAND  
CATEGORIE  
33   -   VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN      
33   A   Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d.   30   2  
         
36   -   VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G.      
361   2   Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2   10   1  
362     Fabricage van munten, sieraden e.d.   30   2  
363     Muziekinstrumentenfabrieken   30   2  
3661.1     Sociale werkvoorziening   30   2  
         
40   -   PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER      
40   C0   Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:      
40   C1   - < 10 MVA   30   2  
40   D0   Gasdistributiebedrijven:      
40   D3   - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. Cat. A   10   1  
40   D4   - gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C   30   2  
40   E0   Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt:      
40   E2   - blokverwarming   30   2  
         
41   -   WINNING EN DISTRIBUTIE VAN WATER      
41   B0   Waterdistributiebedrijven met pompvermogen      
41   B1   - < 1 MW   30   2  
         
64   -   POST EN TELECOMMUNICATIE      
641     Post- en koeriersdiensten   30   2  
642   A   Telecommunicatiebedrijven   10   1  
642   B0   Zendinstallaties:      
642   B2   - FM en TV   10   1  
642   B3   - GSM en UMTS-steunzenders   10   1  
         
65,66,67   -   FINANCIELE INSTELLINGEN EN VERZEKERINGSWEZEN      
65,66,67   A   Banken, verzekeringsbedrijven, beurzen   10   1  
         
70   -   VERHUUR VAN EN HANDEL IN ONROEREND GOED      
70   A   Verhuur van en handel in onroerend goed   10   1  
         
72   -   COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE      
72   A   Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d.   10   1  
72   B   Switchhouses   30   2  
         
73   -   SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK      
731     Natuurwetenschappelijk speur- en ontwikkelingswerk   30   2  
732     Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek   10   1  

  • 6. uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf is toegestaan tot 10% van het bestaand bebouwde oppervlak, waarbij de regels onder 1 t/m 4 van dit sublid in acht genomen dienen te worden;

  • 7. nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven is niet toegestaan.

3.3 Nadere eisen
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
    • 1. bebouwing;
    • 2. verhardingen;
  • b. Deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
      • de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
      • stedenbouwkundige kwaliteit;
      • het straat- en bebouwingsbeeld;
      • de milieusituatie;
      • de verkeersveiligheid;
      • de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
      • de sociale veiligheid;
      • de externe veiligheid;
      • de hemelwaterproblematiek.
    • 1. Voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van ontwikkelingen bij niet-agrarische bedrijven, dient bij de aspecten natuurlijke en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 32.4 in acht te worden genomen.
3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Algemeen

Het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van de bouwregels ten aanzien van:

  • a. het bepaalde in 3.2 en de bouw van bedrijfsgebouwen en bijgebouwen toestaan tot een minimale afstand van 3 m. uit de perceelsgrens, onder de voorwaarden dat:
    • 1. deze kortere afstand vanwege bedrijfstechnische maatregelen noodzakelijk is;
    • 2. het perceel onvoldoende ruimte biedt om de bebouwing binnen 5 meter te realiseren;
    • 3. deze kortere afstand vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
    • 4. de belangen van naburige percelen niet onevenredig worden geschaad;
  • b. het bepaalde in 3.2.1 en het oprichten van schuilgelegenheden ten behoeve van het hobbymatig houden van vee toestaan tot een maximum van 25 m², onder de voorwaarden dat:
    • 1. de oprichting van schuilgelegenheden enkel is toegestaan in wro-zone - bebouwingsconcentraties, zoals aangeduid op de verbeelding;
    • 2. de oprichting van schuilgelegenheden niet mogelijk is binnen het bouwvlak, danwel het perceel waarop de schuilgelegenheid wordt opgericht te ver van het bouwvlak af ligt;
    • 3. sprake moet zijn van een landschappelijke inpassing van de schuilgelegenheid;
    • 4. op grond van het bepaalde in artikel 32.4 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
  • c. het bepaalde in 3.2.2 en uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf boven het percentage zoals genoemd in artikel 3.2.2 lid 6, onder de voorwaarden dat:
      • aangetoond wordt dat de ontwikkeling niet op een bedrijventerrein gerealiseerd kan worden;
      • aangetoond wordt dat de ontwikkeling redelijkerwijs niet binnen de bestaande bebouwing gerealiseerd kan worden;
      • aangetoond wordt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf;
      • de ontwikkeling geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie oplevert;
      • de uitbreiding qua situering aansluit op bestaande (en reeds geplande) infrastructuur;
      • geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
      • de ontwikkeling zowel landschappelijk/natuurlijk als stedenbouwkundig en architectonisch dient te worden ingepast;
      • op grond van het bepaalde in artikel 32.4 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
3.4.2 Aanvullend afwegingskader

Een in artikel 3.4.1. genoemde afwijking kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.4.3 Procedure

Een besluit tot het verlenen van een afwijking wordt niet genomen dan nadat belanghebbenden gedurende twee weken in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk of mondeling hun zienswijze kenbaar te maken aan burgemeester en wethouders.

3.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.10 Wro, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 3.1, meer in het bijzonder:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterreinen of kleinschalige campings - behoudens het bepaalde in, alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten';
  • b. het gebruik van de bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
  • c. het gebruik van bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
  • d. het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten.
3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Algemeen

Het bevoegd gezag is bevoegd af te wijken van de gebruikregels ten aanzien van:

  • a. artikel 3.5 onder a en toestaan dat de gronden worden gebruikt voor verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen, onder de voorwaarden dat:
      • sprake is van een landschappelijke inpassing. Hiertoe dient een beplantingsplan te worden voorgelegd, dat de goedkeuring behoeft van het college van burgemeester en wethouders van Nederweert;
      • uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
      • uit een natuurwaardenonderzoek dient te blijken dat de activiteit niet strijdig is met de Flora- en faunawet;
      • er mag geen (extra) hinder of belemmering worden veroorzaakt voor omliggende bedrijven of woningen;
      • op grond van het bepaalde in artikel 32.4 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
    • 1. artikel 3.5 onder c en toestaan dat bijgebouwen gebruikt worden ten behoeve van mantelzorg onder de voorwaarden dat:
      • sprake is van een mantelzorgindicatie;
      • de voor mantelzorg te gebruiken wooneenheid niet geheel mag worden gescheiden van de hoofdbebouwing;
      • sprake dient te zijn van een ondergeschikte functie bij de woning;
      • er geen tweede woning mag ontstaan;
      • het gebruikt dient te worden beëindigd, zodra de mantelzorg ter plaatse niet meer aan de orde is.
3.6.2 Aanvullend afwegingskader

Een in 3.6.1 genoemde ontheffing kan bovendien slechts worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • a. de activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving;
  • b. er ontstaat geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie;
  • c. functiewijziging ten behoeve van nieuwe solitaire detailhandelsvestigingen, groothandel, kantoren, glastuinbouw, (zware) industrie, transport- en distributiefuncties en andere bedrijvigheid die op grond van rijks- of provinciaal beleid elders dient te worden gelokaliseerd en bedrijvigheid niet genoemd in de 3.2.2 lid 5 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten of gelijkwaardig is niet toegestaan;
  • d. er vindt bovendien geen onevenredige aantasting plaats van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de milieusituatie;
    • 3. de verkeersveiligheid en infrastructuur;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
    • 5. de sociale veiligheid.
3.6.3 Procedure

Een besluit tot het verlenen van ontheffing wordt niet genomen dan nadat belanghebbenden gedurende twee weken in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk of mondeling hun zienswijze kenbaar te maken aan burgemeester en wethouders.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:

  • a. de bestemming Agrarisch wijzigen in de bestemming Natuur, ten behoeve van de ontwikkeling van een ecologische verbindingszone, onder de voorwaarden dat:
    • 1. de inrichting van de gronden tot natuur geen onevenredige belemmering vormt voor het agrarisch gebruik van de belendende agrarische percelen;
    • 2. uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
    • 3. de voorschriften van Artikel 8 (Natuur) van het bestemmingsplan Buitengebied Nederweert (vastgesteld d.d. 24 november 2009) van toepassing worden verklaard;
  • b. bestaande hoofdgebouwen splitsen in maximaal 2 woningen, onder de voorwaarden dat:
    • 1. de splitsing enkel is toegestaan in bebouwingsconcentraties;
    • 2. na splitsing de woningen elk een minimale inhoud hebben van 350 m³;
    • 3. bijgebouwen bij de woning zijn toegestaan conform de maatvoering bij alle burgerwoningen:

dakhelling   min. 12°; deze eis geldt niet voor
bijgebouwen  
afstand tot zijdelingse perceelsgrens   voor woning én bijgebouwen min. 5 m.  
afstand tot hart van de weg   min. 30 m. bij gebiedsontsluitingswegen
min. 15 m. bij erftoegangs- en onverharde
wegen  
goothoogte vrijstaande bijgebouwen   max. 3,20 m.  
bouwhoogte vrijstaande bijgebouwen   max. 5,50 m.  
afstand tot woning voor vrijstaande bijgebouwen   max. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel  

    • 1. sprake is van een minimaal evenredige kwaliteitsbijdrage door de sloop van overige niet cultuurhistorische waardevolle bebouwing en/of herstel van cultuurhistorische waardevolle panden; indien sloop of herstel als bedoeld in de vorige zin niet mogelijk is, dan dient op grond van artikel 32.4 inzicht te worden geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
    • 2. sprake is van een landschappelijke inpassing;
    • 3. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente dient te worden aangegaan;
    • 4. sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • c. de aanduiding bedrijf wijzigen in de aanduiding recreatieve doeleinden, onder de voorwaarden dat:
    • 1. voor zover van toepassing de bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd, danwel als nevenactiviteiten kunnen worden beschouwd;
    • 2. sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van het recreatiebedrijf;
    • 3. de ontwikkeling geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie oplevert;
    • 4. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    • 5. op grond van het bepaalde in artikel 32.4 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
    • 6. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente dient te worden aangegaan;
    • 7. geen belemmeringen optreden voor omliggende agrarische bedrijven;
    • 8. sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
  • d. de aanduiding bedrijf wijzigen in de aanduiding maatschappelijk, onder de voorwaarden dat:
    • 1. voor zover van toepassing de agrarische- of bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd, danwel als nevenactiviteiten kunnen worden beschouwd;
    • 2. de ontwikkeling geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie oplevert;
    • 3. geen noodzaak is voor aanpassing van het wegennet wegens onvoldoende capaciteit;
    • 4. op grond van het bepaalde in artikel 32.4 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
    • 5. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente dient te worden aangegaan;
    • 6. geen belemmeringen optreden voor omliggende agrarische bedrijven;

3.7.2 Aanvullend afwegingskader

Een in artikel 3.7.1 genoemde wijziging kan bovendien slechts worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de milieusituatie;
  • b. de verkeersveiligheid en infrastructuur;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de waarden en functies die het plan beoogt te beschermen;
  • f. het straat- en bebouwingsbeeld.