direct naar inhoud van Regels
Plan: Kerneelhoven 2013
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0946.BVKerneelhoven2013-VA01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

de beheersverordening 'Kerneelhoven 2013' met identificatienummer NL.IMRO.0946.BVKerneelhoven2013-VA01 van de gemeente Nederweert.

1.2 beheersverordening:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 aaneengebouwde woning:

een woning, die deel uitmaakt van een blok van twee of meer woningen, waarvan het hoofdgebouw aan ten minste één zijde aan het op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd.

1.6 aan huis gebonden beroep:

de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, paramedisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein; hieronder dienen niet te worden begrepen de uitoefening van ambachten alsmede vormen van detailhandel.

1.7 aan- of uitbouw:

een bijgebouw dat aan een hoofdgebouw is vast gebouwd.

1.8 achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 m van de voorkant van het hoofdgebouw.

1.9 activiteit

activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid of artikel 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.10 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.11 bebouwingspercentage:

een in de verbeelding of regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten hoogst mag worden bebouwd.

1.12 bedrijvigheid aan huis:

het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen, alsmede het verkopen en/of leveren als ondergeschikte activiteit van goederen, die verband houden met het ambacht.

1.13 bestaand:

legaal aanwezig of in aanbouw op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening, tenzij anders is bepaald.

1.14 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak.

1.15 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.16 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

1.17 bijbehorende voorzieningen:

functies en bebouwing die niet nader in de doeleindenomschrijving van een bestemming zijn genoemd, maar die inherent zijn aan de in de doeleindenomschrijving genoemde functies en bebouwing.

1.18 bijgebouw:

een vrijstaand, aan- of uitgebouwd gebouw, behorend bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

1.19 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.20 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke, of bij benadering gelijke, hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van de onderbouw en de kap/zolder.

1.21 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.22 bouwperceelgrens:

de grens van een bouwperceel.

1.23 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.24 bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.25 consumentverzorgende dienstverlening:

het beroepsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot het aan huist gebonden beroep, gericht op consumentverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk. De woning behoudt hierbij in overwegende mate haar functie en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Een seksinrichting wordt hier in ieder geval niet onder begrepen.

1.26 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop of te huur aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, ter verhuur, het verkopen, het verhuren en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen resp. huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; horecadoeleinden worden hier niet onder begrepen.

1.27 erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, voor zover de beheersverordening die inrichting niet verbiedt.

1.28 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.29 gevellijn:

de bouwgrens die nagenoeg gelijk loopt aan de as van de weg waarin een (of meer) gevel(s) van een gebouw is (zijn) geplaatst en die is gelegen aan de weg(en) grenzende perceelsgrens.

1.30 hoofdgebouw:

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.31 internetwinkel:

(detail)handel via internet (of postorder), mits ter plekke geen sprake is van het uitstallen, afhalen of verkoop ter plekke (ook niet als ondergeschikte activiteit), waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

1.32 kampeermiddel:
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
1.33 omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 Wabo.

1.34 overig bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde verbonden is.

1.35 pand:

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.36 patiowoning:

een aaneengebouwde woning met een open binnenplaats.

1.37 peil:
  • c. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • d. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
1.38 primaire voorzieningen:

voorzieningen die minimaal hoofdzakelijk zijn voor het dagelijks gebruik van een woning, te weten: woonkamer, keuken, badkamer / toilet, één slaapkamer.

1.39 stedenbouwkundig beeld:

het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaald of beoogd beeld, inclusief het ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere, door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormd dan wel beoogd beeld.

1.40 vrijstaande woning:

een woning, waarvan de afstand van beide zijgevels van het hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrenzen ten minste een in de bouwregels bepaalde afstand bedraagt.

1.41 Wabo:

de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht welke op 1 oktober 2010 in werking is getreden.

1.42 wadi:

een bovengrondse voorziening voor de afvoer van water door drainage en infiltratie, zoals een ondiepe greppel of een groenvoorziening.

1.43 woning:

een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

1.44 zijstrook:

de strook grond begrensd door de zijdelingse perceelsgrens en de naar de die perceelsgrens gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw alsmede het verlengde daarvan.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:

tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.

2.2 het bebouwingspercentage:

het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen.

2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.4 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.5 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.6 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of) het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.7 de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:

de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand.

2.8 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk:

vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

2.9 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.10

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1.50 m.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch grondgebruik.
  • b. waterstaatkundige doeleinden.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de hoogte ten hoogste 3,50 m mag bedragen met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de hoogte ten hoogste 2,00 m mag bedragen.

Artikel 4 Groen

4.1 Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Algemeen

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen in de vorm van plantsoenen en groenstroken;
  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. parkeervoorzieningen;
  • d. in- en uitritten;
  • e. speelvoorzieningen;
  • f. bijbehorende voorzieningen.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten dienste van het openbaar nut (nutsvoorzieningen).

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte ten hoogste 2,50 m mag bedragen met uitzondering van verlichtingsarmaturen, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 5,00 m mag bedragen.

Artikel 5 Maatschappelijk

5.1 Bestemmingsomschrijving
5.1.1 Algemeen

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. onderwijsvoorzieningen;
  • b. groenvoorzieningen;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. fiets- en voetpaden;
  • f. in- en uitritten;
  • g. bijbehorende voorzieningen.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Op de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen ten behoeve van de in artikel 5.1 genoemde bestemming;
  • b. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
5.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. binnen het bouwvlak mogen gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd;
  • b. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • c. de bouwhoogte mag ten hoogste 9,00 m bedragen.
5.2.3 Regels buiten de aanduiding 'bouwvlak'

Gebouwen van ondergeschikte aard zijn buiten de aanduiding 'bouwvlak' toegestaan tot een gezamenlijke oppervlakte van 50 m² per bouwperceel en een goothoogte van 3,00 m en een bouwhoogte van 5,50 m.

5.2.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte ten hoogste 5,00 m mag bedragen met uitzondering van erfafscheidingen, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 2,00 m mag bedragen.

Artikel 6 Verkeer

6.1 Bestemmingsomschrijving
6.1.1 Algemeen

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen ten behoeve van het bewegend en stilstaand verkeer;
  • b. langzaam verkeersroutes;
  • c. verblijfsgebied;
  • d. parkeervoorzieningen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. bijbehorende voorzieningen.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen

Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten dienste van het openbaar nut (nutsvoorzieningen).

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte ten hoogste 2,50 m mag bedragen met uitzondering van verlichtingsarmaturen, waarvan de bouwhoogte ten hoogste 8,00 m mag bedragen.

6.3 Specifieke gebruiksregels
6.3.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de beheersverordening wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als motorbrandstoffenverkooppunt.

Artikel 7 Wonen - 1

7.1 Bestemmingsomschrijving
7.1.1 Algemeen

De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in de vorm van vrijstaande en aaneengebouwde woningen;
  • b. bijgebouwen;
  • c. tuinen en erven;
  • d. bijbehorende voorzieningen.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. woningen in de vorm van twee-onder-een-kap woningen en vrijstaande woningen;
  • b. bijgebouwen;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
7.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. Het hoofdgebouw en de bijgebouwen mogen alleen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aangegeven maximum aantal woningen worden gebouwd binnen het betreffende bouwvlak.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' mag het hoofdgebouw in het aangegeven maximum aantal bouwlagen worden gebouwd binnen het betreffende bouwvlak.
  • d. De voorgevel van het hoofdgebouw moet in de aangeduide figuur 'gevellijn' worden gebouwd.
  • e. De afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt:
    • 1. bij vrijstaande woningen aan beide zijden ten minste 3,00 m;
    • 2. twee-onder-een-kap woningen aan één zijde ten minste 3,00 m.
  • f. De inhoud van hoofdgebouwen bedraagt maximaal 1 m³ per 1 m² bouwperceel, met een minimum van 400 m3 tot een maximum van 1000 m³.
  • g. De goothoogte bedraagt ten minste 3,00 m voor vrijstaande en twee-onder-een-kap woningen.
  • h. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 9,00 m voor woningen in ten hoogste 2 bouwlagen.
7.2.3 Bijgebouwen
  • a. Bijgebouwen mogen alleen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde onder g.
  • b. De afstand tot de voorgevel van de woning mag niet minder dan 3,00 m bedragen, met uitzondering van het bepaalde onder g.
  • c. De goothoogte bedraagt ten hoogste 3,00 m.
  • d. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste 5,50 m.
  • e. Bijgebouwen bij een vrijstaande woning mogen slechts aan één zijde van het bouwperceel in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd en aan de andere zijde ten minste 3,00 m uit de zijdelingse perceelsgrens; een en ander, tenzij bestaande bijgebouwen qua situering afwijken van de vereiste afstanden, in welk geval de bestaande situatie als minimale afstand geldt.
  • f. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per woning bedraagt ten hoogste 75 m2, met dien verstande dat ten minste 40% van de gronden, gelegen achter (het verlengde van) de achtergevel van het hoofdgebouw onbebouwd en onoverdekt blijft, tenzij alle primaire voorzieningen op de begane grond gerealiseerd worden in welk geval de totale oppervlakte niet meer dan 100 m2 mag bedragen.
  • g. Aan- en uitbouwen mogen buiten de aanduiding 'bouwvlak' of vóór de figuur 'gevellijn' worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de diepte vanuit de voorgevel van de woning ten hoogste 2,00 m bedraagt;
    • 2. de goothoogte ten hoogste 3,00 m bedraagt;
    • 3. de breedte ten hoogste 3,5 m bedraagt;
    • 4. het bepaalde onder f ten aanzien van de maximale gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen van overeenkomstige toepassing is.
7.2.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. De bouwhoogte, uitgezonderd antennes en erfafscheidingen, bedraagt ten hoogste 3,00 m op gronden gelegen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.
  • b. De bouwhoogte van terrein- of erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1,00 m op gronden gelegen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw en ten hoogste 2,00 m binnen het overig gedeelte van het bouwperceel.
  • c. De bouwhoogte van antennes bedraagt ten hoogste 5,00 m.
  • d. Bouwwerken, geen gebouw zijnde, waardoor een overdekte ruimte ontstaat mogen ten hoogste 1,00 m vóór de woning worden gebouwd.
7.3 Afwijken van de bouwregels
7.3.1 Maximum aantal woningen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.2.2 onder b ten behoeve van het verhogen van het maximum aantal toegestane woningen met maximaal 2 woningen, met dien verstande dat:

  • a. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;
  • b. de woningen passen in het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid, zoals opgenomen in het goedgekeurde Regionaal Volkshuisvestingsplan.
7.3.2 Voorgevel evenwijdig aan figuur 'gevellijn'

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.2.2 onder d voor het plaatsen van de voorgevel van het hoofdgebouw op een afstand van niet meer dan 4,00 m achter de figuur 'gevellijn', met dien verstande dat het stedenbouwkundige beeld niet onevenredig wordt aangetast.

7.3.3 Afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.2.2 onder e voor het bouwen van één zijde van een vrijstaande woning of de zijde van twee-onder-een-kap woningen op een afstand van minder dan 3,00 m tot de zijdelingse perceelsgrens, met dien verstande dat het stedenbouwkundige beeld niet onevenredig wordt aangetast.

7.3.4 afstand bijgebouwen tot voorgevel hoofdgebouw

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.2.3 onder b voor het bouwen van een bijgebouw op een afstand minder dan 3,00 m tot de woning, met dien verstand dat het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast.

7.3.5 Terrein- of erfafscheiding voor de voorgevel van het hoofdgebouw

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.2.4 onder b voor het bouwen van terrein- of erfafscheidingen voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw met een hoogte van maximaal 2,00 m, met dien verstande dat de gronden grenzen aan de zijgevel van de woning.

7.4 Specifieke gebruiksregels
7.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de beheersverordening wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. het plaatsen van meer dan één kampeermiddel of het plaatsen van één kampeermiddel vóór het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw en voor het gebruik van het kampeermiddel voor bewoning;
  • b. bewoning, voor zover het een vrijstaand bijgebouw betreft;
  • c. handels- en/of bedrijfsdoeleinden.
7.4.2 Aan huis gebonden beroep, bedrijvigheid aan huis of consumentverzorgende dienstverlening

Het hoofdgebouw mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep, bedrijvigheid aan huis of consumentverzorgende dienstverlening, met dien verstande dat:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
  • b. er geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • c. de parkeerbalans in de directe omgeving niet onevenredige nadelig wordt beïnvloed of kan worden beïnvloed;
  • d. detailhandel slechts is toegestaan voor zover deze beperkt blijft tot een ondergeschikte verkoop en in direct verband staat met het aan huis gebonden beroep, bedrijvigheid aan huis of consumentverzorgende dienstverlening;
  • e. maximaal 40 m2 gebruikt mag worden voor een aan huis gebonden beroep, bedrijvigheid aan huis of consumentverzorgende dienstverlening.
7.4.3 Internetwinkel

In het hoofdgebouw mag een internetwinkel gevestigd zijn, met dien verstande dat:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
  • b. er geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • c. de parkeerbalans in de directe omgeving niet onevenredige nadelig wordt beïnvloed of kan worden beïnvloed;
  • d. maximaal 40 m2 gebruikt mag worden voor een internetwinkel.
7.4.4 Mantelzorg

In het hoofdgebouw is mantelzorg toegestaan.

7.5 Afwijken van de gebruiksregels
7.5.1 Uitoefening van een aan huis gebonden beroep

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.1 en 7.4.2 voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep in bijgebouwen bij een woning, met dien verstande dat:

  • a. maximaal 25 m² van de oppervlakte van deze gebouwen als zodanig mag worden gebruikt;
  • b. de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed;
  • c. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonklimaat ontstaan of kunnen ontstaan;
7.5.2 Uitoefening van bedrijvigheid aan huis, consumentverzorgende dienstverlening of internetwinkel

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.1, 7.4.2 en 7.4.3 voor de uitoefening van bedrijvigheid aan huis, consumentverzorgende dienstverlening of internetwinkel in bijgebouwen bij een woning, met dien verstande dat:

  • a. maximaal 25 m² van de oppervlakte van deze gebouwen als zodanig mag worden gebruikt ;
  • b. de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed;
  • c. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonklimaat ontstaan of kunnen ontstaan;
  • d. de woonfunctie in overwegende mate in stand wordt gehouden;
  • e. geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat.
7.5.3 Mantelzorg in bijgebouwen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 7.4.4 voor het toestaan dat bijgebouwen gebruikt worden ten behoeve van mantelzorg, met dien verstande dat:

  • a. er sprake is van een mantelzorgindicatie;
  • b. de voor mantelzorg te gebruiken wooneenheid niet geheel mag worden gescheiden van het hoofdgebouw;
  • c. er sprake dient te zijn van een ondergeschikte functie bij de woning;
  • d. er geen tweede woning mag ontstaan;
  • e. het gebruik dient te worden beeindigd, zodra de mantelzorg ter plaatse niet meer aan de orde is.

Artikel 8 Wonen - 2

8.1 Bestemmingsomschrijving
8.1.1 Algemeen

De voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen in de vorm van vrijstaande en aaneengebouwde woningen alsmede patiowoningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - patiowoning';
  • b. bijgebouwen;
  • c. tuinen en erven;
  • d. behoud en bescherming van de wadi ter plaatse van de betreffende aanduiding op de plankaart;
  • e. waterberging in de vorm van een wadi, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'waterberging';
  • f. nutsvoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';
  • g. bijbehorende voorzieningen.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen - 2' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. woningen in de vorm van aaneengebouwde woningen en vrijstaande woningen;
  • b. patiowoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - patiowoning';
  • c. bijgebouwen;
  • d. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
8.2.2 Regels ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak'

Voor het bouwen ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

  • a. Het hoofdgebouw en de bijgebouwen moeten ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mogen het aangegeven maximum aantal woningen worden gebouwd binnen het betreffende bouwvlak.
  • c. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' mag het hoofdgebouw in het aangegeven maximum aantal bouwlagen worden gebouwd binnen het betreffende bouwvlak.
  • d. De voorgevel van het hoofdgebouw moet in de aangeduide figuur 'gevellijn' worden gebouwd.
  • e. De breedte van een woning bedraagt ten minste:
    • 1. 5,50 m voor een vrijstaande woning;
    • 2. 5,00 m voor een aaneengebouwde woning;
    • 3. 5,00 m voor een patiowoning.
  • f. De afstand van hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrenzen bedraagt:
    • 1. voor vrijstaande woningen ten minste 3,00 m, tenzij aan één zijde de bestaande afstand minder is, in welk geval één zijde in de zijdelingse perceelsgrens mag worden gebouwd;
    • 2. bij eindwoningen van aaneengebouwde woningen ten minste 3,00 m, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval die afstand geldt;
    • 3. bij eindwoningen van patiowoningen ten minste 3,00 m, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval die afstand geldt.
  • g. De inhoud bedraagt:
    • 1. voor een vrijstaande woning minimaal 350 m3 en maximaal 1.000 m3;
    • 2. voor een aaneengebouwde woning minimaal 250 m3 en maximaal 750 m3;
    • 3. voor een patiowoning minimaal 250 m3 en maximaal 750 m3.
  • h. De goothoogte bedraagt ten minste 3,00 m voor vrijstaande, aaneengebouwde en patiowoningen.
  • i. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste:
    • 1. 10,00 m voor woningen in ten hoogste 2 bouwlagen met dien verstande dat de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwingsaccent' niet meer dan 12,50 m en 3 bouwlagen mag bedragen;
    • 2. 10,00 m voor woningen in ten hoogste 3 bouwlagen met dien verstande dat de hoogte ter plaatse de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bebouwingsaccent' niet meer dan 12,50 m mag bedragen.
  • j. De diepte bedraagt ten hoogste 15,00 m voor een vrijstaande woning, aaneengebouwde en patiowoning en 20,00 m voor een vrijstaande, aaneengebouwde of patiowoning bestaande uit één bouwlaag.
  • k. Hoofdgebouwen worden met een kap afgedekt, waarvan de dakhelling ten minste 12° en ten hoogste 45° bedraagt, een en ander tenzij er sprake is van bestaande hoofdgebouwen waarvan de kap plat is afgedekt.
8.2.3 Bijgebouwen
  • a. Bijgebouwen moeten ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd, met uitzondering van het bepaalde onder h.
  • b. De afstand tot de voorgevel van de woning mag, met uitzondering van bijgebouwen op hoekpercelen en bijgebouwen bij patiowoningen niet minder dan 3,00 m bedragen, met uitzondering van het bepaalde onder h.
  • c. De goothoogte bedraagt ten hoogste 3,00 m.
  • d. De hoogte bedraagt ten hoogste 5,50 m.
  • e. Bijgebouwen bij een vrijstaande woning mogen slechts aan één zijde van het bouwperceel in de zijdelingse perceelsgrens worden gebouwd en aan de andere zijde ten minste 3,00 m uit de zijdelingse perceelsgrens; een en ander, tenzij bestaande bijgebouwen qua situering afwijken van de vereiste afstanden, in welk geval de bestaande situatie als minimale afstand geldt.
  • f. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per woning bedraagt ten hoogste 75 m2, met dien verstande dat ten minste 40% van de gronden, gelegen achter (het verlengde van) de achtergevel van het hoofdgebouw onbebouwd en onoverdekt blijft, tenzij alle primaire voorzieningen op de begane grond gerealiseerd worden in welk geval de totale oppervlakte niet meer dan 100 m2 mag bedragen.
  • g. In afwijking van het onder lid f bepaalde dient bij patiowoningen ten minste 20% van de gronden, gelegen achter de naar de bestemming 'Verkeer' gerichte grens van het bouwvlak in combinatie met de figuur 'gevellijn' onbebouwd en onoverdekt blijft.
  • h. Aan- c.q. uitbouwen mogen buiten de aanduiding 'bouwvlak' of vóór de figuur 'gevellijn' worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de diepte vanuit de voorgevel van de woning ten hoogste 2,00 m bedraagt;
    • 2. de goothoogte ten hoogste 3,00 m bedraagt;
    • 3. de breedte ten hoogste 4,50 m bedraagt;
    • 4. het bepaalde onder lid f ten aanzien van de maximale gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen is overeenkomstig van toepassing.
8.2.4 Bouwwerk, geen gebouw zijnde
  • a. De bouwhoogte, uitgezonderd antennes en erfafscheidingen, bedraagt ten hoogste 3,00 m op gronden gelegen achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.
  • b. De bouwhoogte van terrein- of erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 1,00 m op gronden gelegen vóór (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw en ten hoogste 2,00 m binnen het overig gedeelte van het bouwperceel.
  • c. De bouwhoogte van antennes bedraagt ten hoogste 5,00 m.
  • d. Bouwwerken, geen gebouw zijnde, waardoor een overdekte ruimte ontstaat mogen ten hoogste 1,00 m vóór de woning worden gebouwd.
8.3 Afwijken van de bouwregels
8.3.1 Maximum aantal woningen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.2 onder b ten behoeve van het verhogen van het maximum aantal toegestane woningen met maximaal 2 woningen, met dien verstande dat:

  • a. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;
  • b. de woningen passen in het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid, zoals opgenomen in het goedgekeurde Regionaal Volkshuisvestingsplan.
8.3.2 Voorgevel evenwijdig aan figuur 'gevellijn'

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.2 onder d voor het plaatsen van de voorgevel van het hoofdgebouw op een afstand van niet meer dan 4,00 m achter de figuur 'gevellijn', met dien verstande dat het stedenbouwkundige beeld niet onevenredig wordt aangetast.

8.3.3 Afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.2 onder e voor het bouwen van één zijde van een vrijstaande woning of de zijde van een eindwoning van aaneengebouwde woningen op een afstand van minder dan 3,00 m tot de zijdelingse perceelsgrens, met dien verstande dat het stedenbouwkundige beeld niet onevenredig wordt aangetast.

8.3.4 Plat dak

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.2 onder k ten behoeve van het plat afdekken van hoofdgebouwen, met dien verstande dat het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast.

8.3.5 Afstand bijgebouwen tot voorgevel hoofdgebouw

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.3 onder b voor het bouwen van een bijgebouw op een afstand minder dan 3,00 m tot de woning, met dien verstand dat het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast.

8.3.6 Terrein- of erfafscheiding voor de voorgevel van het hoofdgebouw

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.2.3 onder b voor het bouwen van terrein- of erfafscheidingen voor (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw met een hoogte van maximaal 2,00 m, met dien verstande dat de gronden grenzen aan de zijgevel van de woning.

8.4 Specifieke gebruiksregels
8.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met de beheersverordening wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. van de gronden voor het plaatsen van meer dan één kampeermiddel of het plaatsen van één kampeermiddel vóór het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw en voor het gebruik van het kampeermiddel voor bewoning;
  • b. bewoning, voor zover het een vrijstaand bijgebouw betreft;
  • c. handels- en/of bedrijfsdoeleinden.
8.4.2 Aan huis gebonden beroep, bedrijvigheid aan huis of consumentverzorgende dienstverlening

Het hoofdgebouw mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep, bedrijvigheid aan huis of consumentverzorgende dienstverlening, met dien verstande dat:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
  • b. er geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • c. de parkeerbalans in de directe omgeving niet onevenredige nadelig wordt beïnvloed of kan worden beïnvloed;
  • d. detailhandel slechts is toegestaan voor zover deze beperkt blijft tot een ondergeschikte verkoop en in direct verband staat met het aan huis gebonden beroep, bedrijvigheid aan huis of consumentverzorgende dienstverlening;
  • e. maximaal 40 m2 gebruikt mag worden voor een aan huis gebonden beroep, bedrijvigheid aan huis of consumentverzorgende dienstverlening.
8.4.3 Internetwinkel

In het hoofdgebouw mag een internetwinkel gevestigd zijn, met dien verstande dat:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft;
  • b. er geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen ontstaan;
  • c. de parkeerbalans in de directe omgeving niet onevenredige nadelig wordt beïnvloed of kan worden beïnvloed;
  • d. maximaal 40 m2 gebruikt mag worden voor een internetwinkel.
8.4.4 Mantelzorg

In het hoofdgebouw is mantelzorg toegestaan.

8.5 Afwijken van de gebruiksregels
8.5.1 Uitoefening van een aan huis gebonden beroep

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.1 en 8.4.2 voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep in bijgebouwen bij een woning, met dien verstande dat:

  • a. maximaal 25 m² van de oppervlakte van deze gebouwen als zodanig mag worden gebruikt;
  • b. de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed;
  • c. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonklimaat ontstaan of kunnen ontstaan;
8.5.2 Uitoefening van bedrijvigheid aan huis, consumentverzorgende dienstverlening of internetwinkel

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.1, 8.4.2 en 8.4.3 voor de uitoefening van bedrijvigheid aan huis, consumentverzorgende dienstverlening of internetwinkel in bijgebouwen bij een woning, met dien verstande dat:

  • a. maximaal 25 m² van de oppervlakte van deze gebouwen als zodanig mag worden gebruik;
  • b. de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt of kan worden beïnvloed;
  • c. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonklimaat ontstaan of kunnen ontstaan;
  • d. de woonfunctie in overwegende mate in stand wordt gehouden;
  • e. geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat.
8.5.3 Mantelzorg in bijgebouwen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 8.4.4 voor het toestaan dat bijgebouwen gebruikt worden ten behoeve van mantelzorg, met dien verstande dat:

  • a. er sprake is van een mantelzorgindicatie;
  • b. de voor mantelzorg te gebruiken wooneenheid niet geheel mag worden gescheiden van het hoofdgebouw;
  • c. er sprake dient te zijn van een ondergeschikte functie bij de woning;
  • d. er geen tweede woning mag ontstaan;
  • e. het gebruik dient te worden beëindigd, zodra de mantelzorg ter plaatse niet meer aan de orde is.
8.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden
8.6.1 Vergunningsplicht

Het is verboden om ter plaatse van de aanduiding 'waterberging' in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren

  • a. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • b. het afgraven, ophogen en egaliseren van gronden.
8.6.2 Uitzonderingen

Een omgevingsvergunning als genoemd in artikel 8.6.1 is niet vereist indien:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
8.6.3 Toelaatbaarheid

De omgevingsvergunning als genoemd in artikel 8.6.1 wordt slechts verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de wadi.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Gebruiksverbod

Het is verboden de gronden en bouwwerken in deze beheersverordening te gebruiken en/of te laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemming(en).

10.2 Afwijken van het gebruiksverbod

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 10.1, indien strikte toepassing van de verbodsbepalingen zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

11.1 Algemene afwijkingen

Het bevoegd gezag kan, mits hierdoor geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken, een omgevingsvergunning verlenen voor:

  • a. het afwijken van de voorgeschreven minimum en maximum maten met niet meer dan 10%, voor zover:
    • 1. daarvoor in deze regels geen bijzondere afwijkingsbevoegdheden zijn opgenomen;
    • 2. dit noodzakelijk is voor de stedenbouwkundige of architectonische inpassing;
  • b. voor het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bouwgrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden van de verbeelding ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt en mits daardoor geen belangen van derden onevenredig worden geschaad;
  • c. het bouwen van kleine, niet voor bewoning bestemde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van doeleinden van openbaar nut, zoals gemaalgebouwtjes, transformatorhuisjes, reduceerstations, afvalvoorzieningen, met dien verstande dat:
    • 1. de bebouwde oppervlakte niet meer mag bedragen dan 10 m²;
    • 2. de goothoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 3 m;
    • 3. de hoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 6 m;

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van de beheersverordening, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
12.1.1 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met de beheersverordening strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van de beheersverordening 'Kerneelhoven 2013' met identificatienummer NL.IMRO.0946.BVKerneelhoven2013-VA01 van de gemeente Nederweert.