Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Meijelsedijk 57 te Ospel
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0946.BPMeijelsedijk57-VA01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:
het bestemmingsplan ‘Meijelsedijk 57 te Ospel’ van de gemeente Nederweert.
 
1.2 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.3 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.4 aan huis gebonden bedrijf:
een dienstverlenende ambachtelijke bedrijvigheid, die in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
 
1.5 aan huis gebonden beroep:
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
 
1.6 agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren (incl. slakken), met daarin onderscheid tussen:
grondgebonden agrarisch bedrijf, waaronder wordt begrepen een akkerbouw bedrijf en een veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij en waaronder mede begrepen een productiegerichte paardenhouderij.
intensief veehouderijbedrijf:
glastuinbouwbedrijf;
intensieve kwekerij, waaronder een viskwekerij, slakkenkwekerij en champignonkwekerij;
melkveehouderij.
Met dien verstande dat een gebruiksgerichte paardenhouderij (manege) niet als agrarisch bedrijf kan worden aangemerkt.
 
1.7 agrarisch bouwblok
de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke vorm van agrarisch – slakkenkwekerij’ ("sa-sk").
 
1.8 agrarische bedrijfswoning bewoond door burgers
een agrarische bedrijfswoning die op grond van dit bestemmingsplan c.q. door het verlenen van een ontheffing/afwijking op grond van dit bestemmingsplan bewoond mag worden door burgers, wordt gelijk gesteld aan een plattelandswoning zoals bedoeld in artikel 1.1.a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
 
1.9 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.10 bebouwde deel van de bouwkavel:
dat deel van de agrarische bouwkavel waarop alle gebouwen en andere bouwwerken zoals bedrijfswoning, stallen, loodsen, waterbassins, mestopslag, (folie)kassen, schaduwhallen, silo's en permanente teeltondersteunende voorzieningen opgericht dienen te worden.
 
1.11 bebouwingsconcentraties:
bebouwingsclusters en/of bebouwingslinten, zoals aangegeven op de verbeelding.
 
1.12 bedrijfswoning:
een woning, in of bij een bedrijf, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.
 
1.13 bedrijfsgebouw
Een voor de bedrijfsvoering te gebruiken bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.14 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.15 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen.
 
1.16 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.17 bestaand:
zoals bestond ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.
 
1.18 bijgebouw:
een vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt.
 
1.19 BOM+:
de uitwerking Bouwkavel op Maat plus van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL), gericht op het mogelijk maken van (agrarische) bedrijfsontwikkelingen en tegelijkertijd winst behalen in de omgevingskwaliteit, vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Limburg d.d. 15 juli 2003 en inwerking getreden d.d. 11 september 2003.
 
1.20 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
1.21 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
1.22 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
1.23 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel.
 
1.24 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
1.25 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.26 burgerwoning:
een woning, niet zijnde een bedrijfswoning.
 
1.27 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
1.28 extensieve dagrecreatie:
recreatief medegebruik van gronden zoals wandelen, fietsen, varen, paardrijden, zwemmen en vissen; onder extensieve (dag)recreatie vallen geen gemotoriseerde sporten.
 
1.29 gebiedseigen functie:
functie die thuishoort in een specifiek gebied.
 
1.30 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.31 glastuinbouw:
een agrarische bedrijfsvoering, die gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen door gebruik te maken van kassen;
 
1.32 grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarische bedrijfsvoering die geheel dan wel grotendeels afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Tot een grondgebonden agrarisch bedrijf worden met name een akkerbouwbedrijf, een veehouderij (niet zijnde een intensief veehouderijbedrijf), alsmede een productiegerichte paardenhouderij gerekend.
 
1.33 hoge boogkassen (ook wel wandelkap):
een verhoogde tunnel met veelal een breedte van 2 tot 6 meter en een hoogte van ca. 2,25 m. tot maximaal 2,50 m. waarbij de overkapping van de teelt niet meer dan 6 maanden in het jaar aanwezig is. De constructie van de tunnel bestaat uit metalen bogen die rusten op ankers welke veelal met een trekker in de grond worden gebracht. Aan elke kopeind is een deuropening en het luchten geschiedt door plastic over de bogen te schuiven.
 
1.34 hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
 
1.35 intensief veehouderijbedrijf:
het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. In principe wordt gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen, parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). Een melkveehouderij en een intensieve kwekerij worden niet beschouwd als intensief veehouderijbedrijf.
 
1.36 intensieve kwekerij:
een agrarisch bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van produkten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren, zonder dat het productieproces afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Het produktieproces vindt voornamelijk plaats binnen bebouwing, niet zijnde kassenbouw. Tot een intensieve kwekerij behoren met name bedrijven als een viskwekerij, een melkgeitenhouderij en champignonkwekerij. Een intensieve veehouderij wordt hiertoe niet gerekend.
 
1.37 kampeermiddel:
a. een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan;
b. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is;
één en ander voorzover de onder a en b bedoelde onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Stacaravans worden hiertoe niet gerekend.
 
1.38 kampeerplaats:
plaats geschikt voor een kampeermiddel.
 
1.39 kanaal:
een door de mens (al dan niet met machines) gegraven vaarweg, meestal in een rechte lijn aangelegd en ten behoeve van de scheepvaart of de aan- of afvoer van water.
 
1.40 kas:
een gebouw, bestaande uit glas of ander lichtdoorlatend en transparant materiaal dienen tot het kweken of trekken van bomen, vruchten, bloemen of planten.
 
1.41 kleinschalig kamperen:
het gebruik van de gronden ten behoeve van een beperkt kampeerterrein met maximaal 25 kampeermiddelen.
 
1.42 knelsituatie:
onder een knelsituatie in het kader van dit bestemmingsplan wordt verstaan:
1.  bedrijven die gelegen zijn in extensiveringsgebieden in Nederweert, zijnde de gebieden met de bestemmingen Agrarisch met waarden - Openheid, Agrarisch met waarden - Esdorpen, Agrarisch met waarden - Ontwikkelingszone groen en de bestemming Natuur;
2.  bedrijven die gelegen zijn in verwevingsgebieden in Nederweert, zijnde de gebieden met de bestemming Agrarisch, waarbij:
a.  de ligging zodanig is dat het bedrijf vanwege andere functies geen ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Verplaatsing van het bedrijf is gewenst omdat dit de spanning tussen functies vermindert en daardoor bijdraagt aan de ontwikkeling tot plattelandsgemeente;
b.  de ligging zodanig is dat een ontwikkeling op het gebied van woningbouw, toerisme en recreactie en dergelijke wordt belemmerd.
 
1.43 landschapselement:
punt-, lijn- en vlakelementen met een maximale grootte van 5 ha, die een groene of blauwe component bezitten, en die voor de identiteit van het landschap van algemeen belang zijn vanwege hun leeftijd (ouder dan 35 jaar) of om andere redenen, zoals hun schoonheids- of plaatselijke zeldzaamheidswaarde of hun beeldbepalende functie voor de omgeving.
 
1.44 maatschappelijke functies:
het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder gezondheidszorg, zorg en welzijn, kinderopvang, onderwijs, religie, uitvaart/begraafplaats en verenigingsleven, mede in het bijzonder een beheersboerderij, molen, opslag ten behoeve van weg/waterstaat en een schaapskooi.
 
1.45 mestbewerking/-verwerking:
de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals scheiding, bezinking, toevoeging van additieven, vergisting, beluchting, droging, compostering, indamping, vergassing en verbranding.
 
1.46 milieuhygiënische uitvoerbaarheid:
indien geen sprake is van een onaanvaardbare milieusituatie, beoordeeld aan de hand van op dat moment van kracht zijnde regelgeving en bestaande milieukwaliteit op het gebied van bodem, geur, geluid en luchtkwaliteit. De milieuhygiënische uitvoerbaarheid houdt bovendien in dat bij de ontwikkeling wordt getoetst of de natuur- en milieukwaliteit voldoet aan vigerende regelgeving.
 
1.47 milieukwaliteit:
Hierbij gaat het om alle aspecten die de milieusituatie kunnen beïnvloeden, zoals geur en ammoniak, waterhuishouding en ecologische waarden.
 
1.48 molenbiotoop:
de gehele omgeving van een molen, voor zover die van invloed is op het functioneren van de molen als maalwerktuig én als monument, waarbij naast windvang ook gelet moet worden op de belevingswaarde van de molen.
 
1.49 nevenactiviteiten:
een activiteit die naar ruimtebeslag, inkomensvergaring en arbeidsintensiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit (agrarisch bedrijf) ter plekke, zoals een speeltuin, kinderopvang, boerengolf, educatieve doeleinden.
 
1.50 nieuwvestiging:
het vestigen van een bedrijf, waaronder begrepen zowel vestiging op een bestaand als een nieuw bouwvlak.
 
1.51 normale onderhoudswerkzaamheden:
werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen. Hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde.
 
1.52 omschakeling:
omzetten van een bedrijfstype in een ander bedrijfstype.
 
1.53 onbebouwde deel van de bouwkavel:
dat deel van de agrarische bouwkavel waarop containervelden, tijdelijke hoge boogkassen, tijdelijke regenkappen en lage boogkassen opgericht dienen te worden.
 
1.54 peil:
voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst:
de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
in andere gevallen:
de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
 
1.55 permanente teeltondersteunende voorzieningen:
overkapping van de teelt, welke gedurende meer dan 6 maanden in het jaar aanwezig is.
 
1.56 productiegerichte paardenhouderij:
een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het door middel van een gericht fok- en/of africhtingsprogramma trachten een paard op een hoger niveau te brengen, waardoor de waarde van dat paard in het economische verkeer toeneemt, zoals (op)fokkerijbedrijven, hengstenstations, africhtings- en trainingsbedrijven.
 
1.57 recreatief medegebruik:
vorm van recreatie waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, doch kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals wegbewijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes.
 
1.58 regenkappen:
een constructie van houten of gegalvaniseerde of verzinkte stalen palen met daarop een boog met een kap van transparantie folie. Deze kap is van bloei tot en met oogst voor een periode van maximaal 6 maanden aanwezig.
 
1.59 stiltegebied:
stiltegebieden zijn milieubeschermingsgebieden waarin het aspect stilte bijzondere bescherming nodig heeft, aangezien het anders verloren dreigt te gaan. Stiltegebieden worden door de provincies op grond van artikel 4.9 van de Wet milieubeheer vastgelegd in het provinciaal milieubeleidsplan. Tot de gebieden behoren ten minste:
1.  de gebieden die krachtens de Natuurbeschermingswet zijn aangewezen als beschermd natuurmonument of als staatsnatuurmonument, en
2.  de gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels (Conventie van Ramsar (1971), Trb. 1975, 84).
1.60 straalpad:
een voorziening voor het transport van signalen via de ether tussen zender en ontvanger voor bijvoorbeeld radio en TV.
 
1.61 teeltondersteunende voorzieningen:
uitgespreid afdekmateriaal, afdekmateriaal met ondersteunende constructie (lage, niet menstoegankelijke tunnels en tijdelijke menstoegankelijke tunnels), bestemd voor vollegrondsgroente-, fruit-, bloemen- en boomteelt.
 
1.62 tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten:
het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten.
 
1.63 tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen:
overkapping van de teelt, welke maximaal 6 maanden of korter in het jaar aanwezig is (al dan niet in een aaneengesloten periode).
 
1.64 uitgespreid afdekmateriaal:
foliemateriaal dat teeltgebonden is en uitsluitend tijdens de teeltperiode voor het afdekken van gewassen mag worden gebruikt.
 
1.65 verbeelding:
de verbeelding behorend bij dit plan met idn-nummer NL.IMRO.0946.BPMeijelsedijk57-VA01.
 
1.66 volwaardig agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf met ten minste de arbeidsomvang van een volwaardige arbeidskracht en een zodanige bedrijfsomvang dat de continuïteit ook op langere termijn in voldoende mate is gewaarborgd.
 
1.67 voorgevelrooilijn:
een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning, alsmede zich uitstrekt tot maximaal 10 m. ter weerszijden van die voorgevel.
 
1.68 watergang:
natuurlijk of kunstmatig kanaal waarlangs water vervoerd kan worden.
 
1.69 waterstaat:
toestand van het oppervlakte- en grondwater.
 
1.70 Wetgevingszone - wijzigingsgebied:
de nieuwe terminologie volgens de 'Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012' voor de onder de 'Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2008' gehanteerde term 'wro-zone - wijzigingsgebied'; voor zover in dit plan de term 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' wordt gehanteerd, wordt hieronder ook begrepen de term 'wro-zone - wijzigingsgebied' en vice versa.
 
1.71 woning:
een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bergingen, stallingsruimten alsmede kantoor- en/of praktijkruimten, welke in de woning worden opgericht dan wel daaraan worden aangebouwd.
 
1.72 woonunit:
een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.2 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.3 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
 
2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.6 de hoogte van een windturbine:
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
 
2.7 de rooilijn (langs de rijksweg):
de 50 en 100 meter rooilijn wordt gemeten vanuit de dichtst bijgelegen rijbaan van de (rijks)weg, waarbij de toe- en afrit ook als rijbaan beschouwd worden.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.  agrarisch grondgebruik;
b.  de uitoefening van het agrarisch bedrijf, beperkt tot:
1.  uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – slakkenkwekerij’ een slakkenkwekerij met bijbehorende voorzieningen in de vorm van:
- bedrijfsgebouwen en tunnels
- opslagruimten;
- ontvangstruimten;
- presentatieruimten;
- verkoopruimten;
- kantoorruimten;
en met bijbehorende activiteiten in de vorm van:
- educatie, verband houdend met de slakkenkwekerij;
- detailhandel uitsluitend in de vorm van streekproducten of zelf geproduceerde producten en uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfsgebouwen’ en met een maximum van 200m2 verkoopoppervlak;
- recreatie, verband houdend met de slakkenkwekerij;
- horeca, verband houdend met de slakkenkwekerij.
c.  een bedrijfswoning met bijgebouwen, tuin en bijbehorende voorzieningen;
d.  erf en parkeervoorzieningen;
e. overige bijbehorende voorzieningen.

3.2 Bouwregels
Op de voor Agrarisch aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
 
3.2.1 Algemeen
a.  De gebouwen en tunnels dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd.
b.  Per bouwvlak is maximaal 1 (bedrijfs)woning toegestaan.
 
3.2.2 Agrarisch bedrijf
Voor de bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak gelden de volgende eisen:
1.  bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfsgebouwen’ worden gebouwd en met in acht name van onderstaande afmetingen en maten:
goothoogtemax. 7 m.
bouwhoogtemax. 10 m.
dakhellingmin. 12° 
afstand tot zijdelingse perceelsgrens    min. 5 m dan wel de bestaande afstand
    
2.  bedrijfswoningen:
dakhelling min. 12°
inhoud, inclusief bijgebouwen t.b.v. privé-gebruik    max. 1.100 m³  danwel bestaande inhoud
afstand tot zijdelingse perceelsgrens    min. 5 m.

3.  bijgebouwen bij de bedrijfswoning:
goothoogtemax. 3,20 m.
bouwhoogtemax. 5,50 m.
afstand tot zijdelingse perceelsgrensmin. 5 m.
afstand tot bedrijfswoningmax. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel
    
4.  bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
 bouwhoogteinhoudafstand tot zijdelingse perceelsgrens  
mestsilo'smax. 8,5 m.max. 2500 m³ min. 5 m. 
overige silo'smax. 12 m.n.v.t.min. 5 m. 
erfafscheidingenmax. 2 m.n.v.t.n.v.t.
overige bouwwerken, geen gebouwen zijndemax. 4,5 m. n.v.t.n.v.t.
 
5.  tunnels mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – tunnels’ worden gebouwd en met in acht name van onderstaande afmetingen en maten :
 bouwhoogteoppervlakteoverig
tunnelsmax. 4,25 mn.v.t.n.v.t.
         
6.  verhardingen, niet zijnde inritten tussen de weg en het bedrijf, mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd.
 
3.2.3 Wonen
Voor de bouwwerken in of op de gronden met de aanduiding wonen, Specifieke vorm van agrarisch -
ruimte voor ruimte woning of Specifieke vorm van agrarisch - ruimte voor ruimte woning met
afwijkende inhoudsmaat, gelden de volgende eisen:
 1. woningen, inclusief bijgebouwen:
dakhellingmin. 12°; deze eis geldt niet voor bijgebouwen
inhoud (woning, inclusief bijgebouwen)
maximaal 1.100 m³, tenzij sprake is van:
- een ruimte voor ruimte woning, welke een maximale inhoud van 1.200 m³ mag hebben
-  ruimte voor ruimte woning met afwijkende inhoudsmaat, welke een maximale inhoud van 1.500 m3 mag hebben   
afstand tot zijdelingse perceelsgrens voor woning én bijgebouwen min. 5 m.
afstand tot hart van de weg
- min. 30 m. bij gebiedsontsluitingswegen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 29.1.1;
- min. 15 m. bij erftoegangs- en onverharde wegen
situering Ruimte voor Ruimte-woningin of maximaal 2 meter achter de gevellijn
goothoogte vrijstaande bijgebouwenmax. 3,20 m.
bouwhoogte vrijstaande bijgebouwenmax. 5,50 m.
afstand tot woning voor vrijstaande bijgebouwenmax. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel
             
2. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend binnen een afstand van maximaal 50 m. achter de voorgevelrooilijn:
bouwhoogte erfafscheidingenmax. 2 m.; erfafscheidingen zijn ook vóór de voorgevelrooilijn toegestaan tot een bouwhoogte van max. 1 m.
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijndemax. 6 m.
oppervlaktemax. 30 m²
         
3. nieuwbouw van woningen is niet toegestaan;
4. vervangende nieuwbouw is toegestaan, mits dit plaatvindt op de bestaande fundamenten;
5. een minicamping is toegestaan binnen een bouwvlak met de aanduiding 'minicamping', tot 15 kampeerplaatsen en met uitzondering van stacaravans of permanente plaatsen voor caravans.
 
3.2.4 Bedrijf, detailhandel en horeca
Voor de bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak met de aanduiding Specifieke vorm van agrarisch met een nadere functie-aanduiding bedrijf, detailhandel en horeca gelden de volgende eisen:
1.  bedrijfsgebouwen:
goothoogtemax. 4,5 m., of maximaal de hoogte zoals bestaand. 
bouwhoogtemax. 8 m., of maximaal de hoogte zoals bestaand.
bebouwd oppervlaktemaximaal de oppervlakte zoals bestaand.
   
2.  bedrijfswoningen:
goothoogtemax. 5,5 m.
bouwhoogtemax. 8 m.
dakhellingminimaal 12° 
inhoud, inclusief bijgebouwen t.b.v. privé-gebruik max. 1.100 m³
afstand tot zijdelingse perceelsgrensmin. 5 m.
    
3.  bijgebouwen bij de bedrijfswoning:
goothoogtemax. 3,20 m.
bouwhoogtemax. 5,5 m.
afstand tot zijdelingse perceelsgrensmin. 5 m
afstand tot bedrijfswoningmax. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel 
         
4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
bouwhoogte erfafscheidingenmax. 2 m.; vóór de voorgevelrooilijn max. 1 m.
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijndemax. 6 m. 
     
5.  omschakeling van niet-agrarische bedrijven is toegestaan voor zover het betreft bedrijven passend binnen de lijst van categorie 1 en 2-bedrijven, zoals opgenomen in de in Bijlage 4 bij het bestemmingsplan Buitengebied 2009 (vastgesteld 23 november 2009) van de gemeente Nederweert opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten en daarmee naar aard, omvang en invloed op milieu en omgeving vergelijkbare bedrijven;
6.  uitbreiding van een niet-agrarisch bedrijf is toegestaan tot het in Bijlage 2 bij deze planregels opgenomen Staat van niet-agrarische bedrijven bijlage 2 opgenomen percentage van het bestaand bebouwde oppervlak, waarbij de regels onder 1 t/m 4 van dit sublid in acht genomen dienen te worden, met uitzondering van de oppervlakte genoemd in lid 1;
7.  nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijven is niet toegestaan.
 
3.3 Nadere eisen
a.  Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
1.  bebouwing;
2.  verhardingen;
b.  Deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
1.  de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
2.  stedenbouwkundige kwaliteit;
3.  het straat- en bebouwingsbeeld;
4.  de milieusituatie;
5.  de verkeersveiligheid;
6.  de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
7.  de sociale veiligheid;
8.  de externe veiligheid;
9.  de hemelwaterproblematiek.
c.  Voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van agrarische ontwikkelingen, dient bij de aspecten natuurlijke en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 11.5 in acht te worden genomen.
 
3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van:
a.  het bepaalde in 3.2 en overschrijding van de begrenzing van de op de verbeelding aangeduide aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – bedrijfsgebouwen’ met bedrijfsgebouwen toestaan, onder de voorwaarden dat:
1.  een doelmatige bedrijfsvoering overschrijding van het bouwvlak noodzakelijk maakt;
2.  overschrijding enkel is toegestaan tot maximaal 10% van het bestaand totale bouwvlak en slechts éénmalig tijdens de planperiode;
3.  deze afwijking niet geldt voor intensieve veehouderijen en nieuwvestigingen van glastuinbouwbedrijven gelegen ter plaatse van de aanduiding Reconstructiewetzone - extensiveringsgebied;
5.  aanwezige landschapswaarden niet in onevenredige mate worden geschaad;
6.  de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven niet onevenredig worden beperkt;
7.  uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
8.  op grond van het bepaalde in artikel 11.5 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een verbetering van de omgevingskwaliteit wordt nagestreefd (tegenprestatie voor eventuele negatieve effecten van de ingreep), met als doel de omgevingskwaliteit en de bedrijfsontwikkeling in onderlinge samenhang te kunnen realiseren;
9.  het woon- en leefklimaat niet worden aangetast;
b.  het bepaalde in 3.2.2 en een maximale bouwhoogte van 12 m. voor bedrijfsgebouwen bij een agrarisch bedrijf toestaan, onder de voorwaarden dat:
1.  een doelmatige bedrijfsvoering deze grotere hoogte noodzakelijk maakt;
2.  de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig worden beperkt;
3.  de bouwhoogte vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is.
c.  het bepaalde in 3.2.3 en een vergroting van de inhoud van een burger- of bedrijfswoning, inclusief bijgebouwen, tot 1.200 m³, indien het perceel niet groter is dan 1.000 m² en tot 1.400 m³, indien het perceel groter is dan 1.000 m² toestaan, onder de voorwaarden dat:
1.  sprake is van een samenhangend geheel, waarbij de woning tezamen met de uitbreiding een eenheid dient te vormen;
2.  de uitbreiding planologisch aanvaardbaar is;
3.  de uitbreiding niet voor/aan de voorgevel van de woning plaatsvindt;
4.  de uitbreiding niet zodanig is dat woningsplitsing via eenvoudige bouwkundige ingrepen mogelijk wordt;
5.  op grond van het bepaalde in artikel 11.5 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
d.  het bepaalde in 3.2.3 en het oprichten van vervangende nieuwbouw buiten de bestaande fundamenten toestaan, onder de voorwaarden dat:
1.  de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
2.  de afstand tot een perceelsgrens niet minder dan 3 m. bedraagt;
3.  een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente wordt aangegaan;
e.  het bepaalde in 3.2.3 ten behoeve van het verplaatsen van de woning, onder de voorwaarden dat:
1.  de nieuwe locatie vanuit stedenbouwkundig en/of milieuhygiënisch oogpunt gewenst of toelaatbaar is;
2.  de afstand tot een perceelsgrens niet minder dan 3 m. bedraagt;
3.  een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente wordt aangegaan;
 
3.4.2 Aanvullend afwegingskader
Een in artikel 3.4.1 genoemde afwijking kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a. het straat- en bebouwingsbeeld;
b. de verkeersveiligheid;
c. de sociale veiligheid;
d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
 
3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Strijdig gebruik
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 3.1, meer in het bijzonder:
a.  het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterreinen of kleinschalige campings - behoudens het bepaalde in , alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten';
b.  het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
c.  het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
d.  het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten, anders dan:
1. toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels, of
2. tot een oppervlakte van 200 m2 per agrarisch bedrijf, mits geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking en er geen detailhandel plaatsvindt anders verkoop van lokaal geproduceerde streekeigen producten;
e.  het gebruik van gronden en opstallen voor mestbewerking/-verwerking als nevenactiviteit ten behoeve van meerdere bedrijven is niet toegestaan, met dien verstande dat mestbewerking/-verwerking als nevenactiviteit voor het eigen agrarisch bedrijf wel is toegestaan;
f.  het gebruik van de bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
g.  het gebruik van bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
h.  het gebruik van recreatiewoningen ten behoeve van permanente bewoning;
i.  het gebruik van de agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Dit verbod geldt niet voor bedrijfswoningen die reeds op 1 september 2007 voor burgerbewoning gebruikt worden waarbij de hoofdbewoner sindsdien niet gewijzigd is, danwel waarvoor na die datum een persoonsgebonden beschikking is verleend danwel waarvoor na die datum een ontheffing/afwijking is verkregen ten behoeve van het gebruik voor burgerwoning;
j.  het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten;
k. als gebruik overeenkomstig de bestemming wordt gerekend het gebruik van leegstaande gebouwen voor statische opslag, zonder dat er handels- of bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.
 
3.5.2 Voorwaardelijke bepaling
a.  De bestemming ‘Agrarisch’ met de nadere aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – slakkenkwekerij’ mag niet in gebruik worden genomen als de landschappelijke inpassing en hemelwaterinfiltratievoorziening op de locatie Meijelsedijk 57 te Ospel niet wordt gerealiseerd overeenkomstig het beplantingsplan als opgenomen in bijlage 1 van de regels en dient vervolgens aldus in stand te worden gehouden.
b.  Onder beplantingsplan wordt in deze planregels verstaan de ‘Landschapsplan Meijelsedijk 57  Ospel’ gedateerd op 16 maart 2015, opgesteld door Aelmans ROM (bijlage 1 bij de regels).

 
3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen binnenplanse afwijking toestaan van het bepaalde in:
a.  artikel 3.5 onder a en toestaan dat de gronden bij een burgerwoning, recreatiebedrijf of agrarisch bedrijf worden gebruikt als kleinschalig kampeerterrein tot maximaal 25 kampeerplaatsen, onder de voorwaarden dat:
1.  kampeermiddelen maximaal 75 m. van de grens van het agrarisch bouwvlak of van de bestaande bebouwing behorende bij de burgerwoning, waarbij het kleinschalig kamperen hoort, geplaatst mogen worden;
2.  buiten het agrarisch bouwvlak mag geen extra bebouwing ten behoeve van het kleinschalig kamperen worden opgericht;
3.  de kleinschalige kampeerplaats dient te worden voorzien van een adequate afschermende beplanting. Hiertoe dient een beplantingsplan te worden voorgelegd, dat de goedkeuring behoeft van het college van burgemeester en wethouders van Nederweert;
4.  uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
5.  op grond van het bepaalde in artikel 11.5 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
b.  artikel 3.5 onder d en de uitoefening van nevenactiviteiten toestaan met een grotere oppervlakte dan 200 m2, onder de voorwaarden dat:
1.  de nevenactiviteit onderschikt blijft aan het bestaande gebruik van het perceel;
2.  de nevenactiviteit qua aard en omvang dient te passen bij de specifieke kwaliteit en schaal van de omgeving;
3.  de nevenactiviteit dient plaats te vinden in de bestaande bebouwing;
4.  de nevenactiviteit geen (extra) hinder of belemmeringen mag veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;
c.  artikel 3.5 onder d en toestaan dat de gronden worden gebruikt voor verblijfs- en dagrecreatieve voorzieningen, onder de voorwaarden dat:
1.  sprake is van een landschappelijke inpassing. Hiertoe dient een beplantingsplan te worden voorgelegd, dat de goedkeuring behoeft van het college van burgemeester en wethouders van Nederweert;
2.  uit een onderzoek naar de bodemkwaliteit dient te blijken dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie;
3.  uit een natuurwaardenonderzoek dient te blijken dat de activiteit niet strijdig is met de Flora- en faunawet;
4.  er mag geen (extra) hinder of belemmering worden veroorzaakt voor omliggende bedrijven of woningen;
5.  op grond van het bepaalde in artikel 11.5 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
d.  artikel 3.5 onder f en toestaan dat de agrarische bebouwing gebruikt wordt ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten, onder de voorwaarden dat:
1.  de huisvesting enkel plaatsvindt in de bestaande bebouwing, met dien verstande dat in afwijking hiervan oprichting van extra bebouwing is toegestaan, mits deze passend is bij de bestaande bedrijfsgebouwen, voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 3.2.2 en sprake is van landschappelijke inpassing van de bebouwing;
2.  een dergelijke huisvesting noodzakelijk is vanuit het oogpunt van de tijdelijke grote arbeidsbehoefte in het betreffende agrarische bedrijf;
3.  de huisvesting enkel werknemers betreft die alleen binnen het bedrijf, waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten;
4.  sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat;
5.  het gebruik dient te worden beëindigd, zodra de behoefte aan tijdelijke huisvesting ter plaatse niet meer aan de orde is;
e.  artikel 3.5 onder i en toestaan dat de agrarische bedrijfswoning wordt gebruikt voor bewoning door burgers, onder de voorwaarden dat:
1.  de bewoning is aangevangen na 1 september 2007;
2.  het betreft een bestaande woning die binnen een agrarisch bouwblok ligt;
3.  er dient sprake te zijn van een aanvaardbaar leef- en woonklimaat;
4.  er mag geen (extra) hinder of belemmering worden veroorzaakt voor het bedrijf waarbij de woning hoort alsmede voor omliggende bedrijven
 
3.6.2 Aanvullend afwegingskader
Een in 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan bovendien slechts worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
a.  de activiteit belemmert geen andere activiteiten in de omgeving;
b.  er ontstaat geen onevenredige hinder op het gebied van milieu, infrastructuur, landschap, ecologie, hydrologie en archeologie;
c.  functiewijziging ten behoeve van nieuwe solitaire detailhandelsvestigingen, groothandel, kantoren, glastuinbouw, (zware) industrie, transport- en distributiefuncties en andere bedrijvigheid die op grond van rijks- of provinciaal beleid elders dient te worden gelokaliseerd en bedrijvigheid niet genoemd in de in bijlage 4 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan Buitengebied 2009, of gelijkwaardig is niet toegestaan;
d.  er vindt bovendien geen onevenredige aantasting plaats van:
1.  het straat- en bebouwingsbeeld;
2.  de milieusituatie;
3.  de verkeersveiligheid en infrastructuur;
4.  de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
5.  de sociale veiligheid.
 
3.7 Wijzigingsbevoegdheid
3.7.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:
a.  de aanduiding agrarisch bedrijf of wonen wijzigen in de aanduiding bedrijf (zijnde niet-agrarisch bedrijf), onder de voorwaarden dat:
1.  het betreft een bedrijf passend binnen de lijst van categorie 1 en 2-bedrijven, zoals opgenomen in de in Bijlage 4 opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten van het bestemmingsplan Buitengebied 2009 Staat van bedrijfsactiviteiten en daarmee naar aard, omvang en invloed op milieu en omgeving vergelijkbare bedrijven;
2.  wijziging enkel is toegestaan in bebouwingsconcentraties;
3.  de bedrijfsactiviteiten uitgevoerd worden in de bestaande bebouwing; vervangende nieuwbouw is toegestaan, mits er sprake is van een afname van het bouwvolume en er een stedenbouwkundige/landschappelijke verbetering intreedt;
4.  sprake dient te zijn van een goede landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische inpassing;
5.  geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
6.  op grond van het bepaalde in artikel 11.5 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
7.  de regels in artikel 3.2.4 in acht genomen worden;
b.  de aanduiding agrarisch bedrijf wijzigen in de aanduiding wonen, onder de voorwaarden dat:
1.  ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
2.  geen sprake is van een Ruimte-voor-Ruimte woning;
3.  de regels in artikel 3.2.3 in acht genomen worden;
4.  het aantal woningen niet mag toenemen;
5.  geen belemmeringen optreden voor omliggende agrarische bedrijven;
6.  de milieuhygiënische uitvoerbaarheid is gewaarborgd, met name wat betreft de aspecten geur en geluid;
7.  uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
8.  sprake dient te zijn van een goede landschappelijke inpassing;
9.  op grond van het bepaalde in artikel 11.5 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
10. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente dient te worden aangegaan;
 
3.7.2 Aanvullend afwegingskader
Een in artikel 3.7.1 genoemde wijziging kan bovendien slechts worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a.  de milieusituatie;
b.  de verkeersveiligheid en infrastructuur;
c.  de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
d.  de sociale veiligheid;
e.  de waarden en functies die het plan beoogt te beschermen;
f.  het straat- en bebouwingsbeeld.

Artikel 4 Waarde - Archeologie

4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
 
4.2 Bouwregels
Op de tot Waarde - Archeologie bestemde gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van:
a.  verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van een gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,4 meter ten opzicht van het maaiveld;
b.  de bouw van een bijgebouw van, of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een bruto-oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 100m2;
c.  bouwwerken ten dienste van de in lid 4.1 genoemde doeleinden en ten dienste van een overige aan deze gronden toegekende bestemming, voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter ten opzichte van het maaiveld.
 
4.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de plaats, de fundering en de afmetingen van bouwwerken, voor zover die worden gebouwd op, of binnen een afstand van 25 meter tot gebieden die op de verbeelding zijn aangeduid als Waarde - Archeologie, zulks ter voorkoming van onevnredige aantasting van het zicht op en de landschappelijke inpassing van het betreffende waardevolle terrein, maar ook omdat de exacte begrenzing van archeologische terreinen niet in alle gevallen vaststaat.
 
4.4 Afwijken van de bouwregels
4.4.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken met een omgevingsvergunning van het bepaalde in 4.2 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen bestemming(en).
 
4.4.2 Afwegingskader
Een in 4.4.1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend mits:
a.  uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
b.  uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodige zeker is gesteld.
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de afwijking de volgende verplichtingen worden verbonden:
1.  de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
2.  de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
3.  de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.
 
4.5 Omgevingsvergunning voor de activiteit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
4.5.1 Algemeen
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 100 m2 of meer::
a.  het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,4 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
b.  het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
c.  het ophogen en egaliseren van gronden;
d.  het verlagen van het waterpeil;
e.  het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
f.  het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
g.  het omzetten van gras- of akkerland in teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt;
h.  het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verbandhoudende constructies;
i.  het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,4 meter.
 
4.5.2 Uitzonderingen op verbod
Het in 4.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
a.  in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
b.  waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan;
c.  het normaal onderhoud en beheer betreffen.
 
4.5.3 Afwegingskader
Een in 4.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien:
a.  uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
b.  uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodig zeker is gesteld. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de vergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
1.  de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
2.  de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
3.  de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
a.  de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.  de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.  de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
4.5.4 Strafregel
Overtreding van het verbod in 4.5.1 is een strafbaar feit.
 
4.6 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de verbeelding van het plan zodanig te wijzigen dat het bestemmingsvlak:
a.  naar ligging wordt verschoven, dan wel
b.  naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel
c.  van de verbeelding wordt verwijderd,
voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.

Artikel 5 Waarde – Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden

5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van de natte milieuomstandigheden in de natuurgebieden de Groote Peel, Sarsven/de Banen, De Zoom en de Groote Moost.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen
Op de voor Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
 
5.2.2 Uitzonderingen op verbod
Het bepaalde in 5.2.1 is niet van toepassing op:
a.  bouwprojecten met een grondbeslag van niet meer dan 100 m²;
b.  activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is;
c.  bouwprojecten waarvoor een reguliere omgevingsvergunning is verleend en waarvoor advies is ingewonnen bij het Waterschap Peel en Maasvallei;
d.  binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.

5.3 Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.1 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen bestemming(en) .
 
5.3.2 Afwegingskader
Een in 5.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de natte milieuomstandigheden in de in 5.1 genoemde natuurgebieden geen bezwaar bestaat, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.

5.4 Omgevingsvergunning voor de activiteit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
5.4.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
a.  het afgraven, egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
b.  het diepploegen of diepwoelen dieper dan 30 cm;
c.  het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten anders dan een bouwwerk;
d.  het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
e.  het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van waterlopen.
 
5.4.2 Uitzonderingen op verbod
Het in 5.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
a.  die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
b.  die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
c.  ten dienste van de in 5.2.2 genoemde (bouw)werkzaamheden;
d.  binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.
 
5.4.3 Afwegingskader
Een in 5.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen bezwaar of nadeel ontstaat voor de bescherming van natte milieuomstandigheden, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.
 
5.4.4 Strafregel
Overtreding van het verbod in 5.4.1 is een strafbaar feit.

Artikel 6 Waterstaat – Beschermingszone watergang

6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waterstaat - Beschermingszone watergang aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:
a.  de bescherming en het onderhoud van de in deze zone gelegen dan wel daaraan grenzende watergang.
met dien verstande dat de beschermingszones zijn opgenomen in de legger van de primaire wateren van het betreffende waterschap. Op de gronden zijn tevens de gebods- en verbodsbepalingen van de Keur van het betreffende waterschap van toepassing.
 
6.2 Bouwregels
Op de voor Waterstaat - Beschermingszone watergang aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
 
6.3 Afwijken van de bouwregels
6.3.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen bestemming(en).
 
6.3.2 Afwegingskader
Een in 6.3.1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade mag worden of kan worden toegebracht aan de watergang, en onder de voorwaarden dat:
a.  vooraf advies wordt ingewonnen van de beheersinstantie van de in 6.1 bedoelde watergang;
b.  de beslissing met betrekking tot de ontheffing aan de beheersinstantie wordt meegedeeld.
 
6.4 Omgevingsvergunning voor de activiteit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
6.4.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
a.  het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
b.  het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.
 
6.4.2 Uitzonderingen op verbod
Het in 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
a.  die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
b.  die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
 
6.4.3 Afwegingskader
Een in 6.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van de watergang. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan de beheersinstantie van de bedoelde watergang.
 
6.4.4 Strafregel
Overtreding van het verbod in 6.4.1 is een strafbaar feit.

3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.1 Geoorloofd gebruik
Onder een gebruik, strijdig met de bestemming, wordt niet verstaan:
a.  het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van (jaarlijks) terugkerende evenementen en activiteiten - waaronder mede begrepen (groeps)kamperen - met een maximum van 3 keer per jaar per perceel en met een duur van minder dan 15 dagen per evenement, inclusief op- en afbouwen, Wanneer vergunningen zijn vereist als gevolg van een wettelijk voorschrift, dan dienen deze te zijn verleend. De in de vorige zin opgenomen uitzondering op het strijdig gebruik geldt niet voor gronden en bouwwerken gelegen binnen een afstand van 2 km uit Natura2000 gebieden of gelegen in de bestemming Natuur of gelegen binnen een stiltegebied.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

9.1 Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van:
a.  de planregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
b.  de planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
c.  de planregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot, waarbij voor een vergroting tot meer dan 30 m. overleg dient plaats te vinden met Defensie in het kader van de veiligheid voor vliegverkeer binnen laagvlieggebieden;
d.  het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen;
e.  de voorgeschreven maten met maximaal 10%, mits niet elders in deze planregels wordt voorzien in een afwijking van de maatvoeringsregels.
 
9.2 Afwegingskader
Een in 9.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a.  het straat- en bebouwingsbeeld;
b.  de milieusituatie;
c.  de verkeersveiligheid;
d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
e.  de sociale veiligheid;
f.  de externe veiligheid.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

10.1 Wijzigingsbevoegdheid
10.1.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:
a.  nadere aanduidingen met betrekking tot de functie van de verbeelding verwijderen;
b.  bestemmingsgrenzen met max. 5 m. verschuiven;
c.  de landschapselementen zoals aangegeven op de in Bijlage 6 van het bestemmingsplan Buitengebied 2009 opgenomen Kaart landschapselementen' te verwijderen. Van deze wijzigingsbevoegdheid kan alleen gebruik worden gemaakt wanneer dit past in het inrichtingsplan Sarsven en de Banen;
d.  een aanduiding "uitbreiding niet toegestaan" opnemen op bouwvlakken waar de sloopregeling van artikel 10.2 is toegepast.
 
10.1.2 Afwegingskader
Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in 10.1.1 a, b en c genoemde wijzigingsregels vindt een evenredige belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden:
a.  de mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
b.  de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad;
c.  de mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische-, de waterhuishoudkundige-, de archeologische-, de ecologische-, de verkeerstechnische toelaatbaarheid en de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond.
d.  voor zover het betreft de wijziging in 10.1.1 onder c geldt behalve het bepaalde onder a tot en met c van dit lid bovendien dat:
1.  de inrichting van de gronden tot natuur geen onevenredige belemmering vormt voor het agrarisch gebruik van de belendende agrarische percelen;
2.  uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
3.  de voorschriften van artikel 8 van toepassing worden verklaard;
4.  burgemeester en wethouders kunnen bovendien aan artikel 3.7.2 een regel toevoegen inhoudende dat de werkzaamheden ten behoeve van de uitvoering van het integraal inrichtingplan Sarsven en de Banen niet aanlegvergunningplichtig zijn.

10.2 Algemene sloopregeling
10.2.1 Algemeen
In de volgende omstandigheden wordt naast hetgeen reeds conform de overige regels wordt vereist, tevens een sloopregeling voorgeschreven:
a.  het via wijziging splitsen van woningen;
b.  de afwijkingsregels en wijzigingsregels waarin op basis van artikel 11.5 de kwaliteitregel Ruimtelijke kwaliteit via het instrumenten kwaliteitbijdrage is voorgeschreven.
 
10.2.2 Voorwaarden sloopverplichting
a.  Voor zover sloop is voorgeschreven ingevolge 10.2.1 onder a moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:
1.  het slopen van de overige gebouwen binnen het betreffende bouwvlak, voor zover deze het ingevolge de regels bij de betreffende woning toegestane inhoudsmaat voor de woning inclusief bijgebouwen overschrijden;
2.  sloop van monumenten niet is toegestaan.
b.  Voor zover sloop is voorgeschreven ingevolge 10.2.1 onder b moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:
1.  er dient ten minste het dubbele oppervlak aan bestaande gebouwen binnen het betreffende bouwvlak te worden gesloopt in vergelijk met de nieuw op te richten bebouwing.
2.  de gebouwen mogen niet betrokken zijn geweest bij de ruimte-voor-ruimte-regeling, Regeling Beëindiging Veehouderijtakken of een andere regeling waarvoor een sloopvergoeding wordt ontvangen.
 
10.2.3 Aanvullend afwegingskader
a.  Deze sloopregeling is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.
b.  De onder 10.2.1 bedoelde sloop van bestaande gebouwen mag ook inhouden de sloop van bestaande gebouwen elders in het plangebied, met dien verstande dat de bestemming van het bouwperceel waar gesloopt wordt, gewijzigd wordt in de gebiedsbestemming, danwel de aanduiding wonen met inachtneming van de wijzigingsbevoegdheid.

Artikel 11 Overige regels

11.1 Afstand bebouwing tot (spoor-)wegen en kanalen
11.1.1 Algemeen
Het is verboden nieuwe bebouwing te situeren binnen een afstand van:
a.  30 m. uit het hart van de weg langs gebiedsontsluitingswegen, met dien verstande dat voor:
1.  de Booldersdijk ter westzijde een afstand van 20 m. geldt en ter oostzijde een afstand van 25 m.;
2.  de Hoofdstraat een afstand van 20 m. geldt;
3.  de Klaarstraat, voorzover noord-zuid lopend, een afstand van 20 m. geldt;
4.  de Meijelsdijk, voorzover gelegen ter oosten van Ospel, een afstand van 25 m. geldt;
5.  de Wetering (Rijksweg noord) aan de oostzijde een afstand van 50 m. geldt;
6.  de Rijksweg A2 een afstand van 100 m. geldt, toe- en afritten meegerekend;
b.  15 m. uit het hart van erftoegangswegen en onverharde wegen;
c.  20 m. uit spoorwegen, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf;
d.  20 m. vanaf de overlijn van kanalen.
 
11.1.2 Afwijkingsmogelijkheden
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken met een omgevingsvergunning van het bepaalde in:
a.  11.1.1 onder a sub 6. teneinde de afstand van bebouwing tot de Rijksweg A2 te verkleinen tot 50 m. Hiertoe dient de wegbeheerder te worden gehoord;
b.  11.1.1 onder c. teneinde de afstand van bebouwing tot spoorwegen te verkleinen. Hiertoe dient de spoorwegbeheerder te worden gehoord.

 
11.2 Veldkruizen en veldkapellen
11.2.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de op de verbeelding aangegeven veldkapellen en veldkruizen geheel of gedeeltelijk te slopen.
 
11.2.2 Uitzondering op het verbod
Het in 11.2.1 vervatte verbod is niet van toepassing op:
a.  werken of werkzaamheden welke betreffen het normale onderhoud of beheer;
b.  werken en werkzaamheden welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
c.  het slopen ter uitvoering van een bouwplan waarvoor bouwergunning is verleend.
 
11.2.3 Afwegingskader
Een in 11.2.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien de beeldbepalende waarde van het desbetreffende bouwwerk niet onevenredig wordt aangetast. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan de gemeentelijke monumentencommissie.
 
11.2.4 Strafregel
Overtreding van het verbod in 11.2.1 is een strafbaar feit.
 
11.3 Boringsvrije zone
Ter plaatse van de gronden met de aanduiding Boringsvrije zone mogen geen activiteiten worden ontplooit die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het gaat om activiteiten in de vorm van boringen en roeren van grond die dieper reiken dan 80 meter onder maaiveld.

 
11.4 Verhouding tussen bestemmingen
a.  Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten aanzien van de dubbelbestemming;
b.  Waar dubbelbestemmingen samenvallen gelden:
1.  in de eerste plaats de regels van de dubbelbestemming 'Waterstaat -  Beschermingszone watergang';
2.  in de tweede plaats de regels van de dubbelbestemming 'Waarde - Bufferzone  hydrologisch gevoelige gebieden';
3.  in de derde plaats de regels van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

 
11.5 Ruimtelijke kwaliteit
11.5.1 Kwaliteitsverbetering
Het bestemmingsplan maakt middels afwijkingsregels en wijzigingsregels nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk. Om verzekerd te zijn van kwaliteitsverbetering worden instrumenten ingezet die erop gericht zijn om de ontwikkelingen te combineren met die benodigde kwaliteitsverbetering.
De ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage geldt voor niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied. Voor zover het betreft:
a.  ontwikkelingen buiten het bouwvlak;
b.  een meer ingrijpende uitbreiding van niet-agrarische bedrijven/recreatiebedrijven;
c.  het toevoegen van nevenactiviteiten.
 
11.5.2 Algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen afwijkings- en wijzigingsregels, onder de voorwaarde, dat naast de reeds genoemde voorwaarden, tevens wordt voldaan aan de bepalingen omtrent het leveren van een kwaliteitsbijdrage, waarbij het gaat om de volgende doelstellingen en bijdragen.
Binnen de bestemming 'Agrarisch' is de kwaliteitsdoelstelling gericht op het behoud en versterken van de openheid van het landschap en zichtlijnen.
Deze doelstellingen kunnen worden bereikt door het inzetten van één of meer van de volgende maatregelen:
a.  weghalen erfbeplanting;
b.  accentueren overgang open-dicht d.m.v. beplanting;
c.  realiseren of versterken van landschappelijke waarden zoals beschreven in bestaande provinciale beleidskaders;
d.  agrarisch natuurbeheer;
e.  behoud en herstel cultuurhistorisch waardevolle panden;
f.  vervangende nieuwbouw met hogere kwaliteit.
11.6 Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

 
12.1 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
12.2 Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig met een omgevingsvergunning afwijken van lid 12.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 12.1 met maximaal 10 %.
 
12.2a. Afwijken ten behoeve van bijgebouwen.
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken lid 12.1 teneinde bij het slopen van bijgebouwen op eigen terrein, voor zover die bijgebouwen onder het overgangsrecht vallen tot een oppervlakte van 50% van die bijgebouwen terug te bouwen, waarbij de gezamenlijke inhoud van de bijgebouwen niet meer dan 2.000 m3 mag bedragen.
 
12.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Lid 12.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
12.4 Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
12.5 Strijdig gebruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 12.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
12.6 Verboden gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in het lid 12.4, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
12.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik
Lid 12.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.
 
12.8 Overig
Een gebouw, zijnde een schuurtje, en voor zover bestaand ten tijden van ter inzage leggen van dit plan, en gelegen in de beschermingszone watergang, mag geheel worden vernieuwd/veranderd worden, waarbij de oppervlakte niet mag worden vergroot. Nok- en goothoogte mogen niet hoger zijn dan de planregels voorschrijven.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als de regels van het bestemmingsplan ‘Meijelsedijk 57 te Ospel’ van de gemeente Nederweert.