| Plan: | Klumpenstraat Nederweert-Eind |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0946.BPKlumpenstraa2021-VA01 |
Voorliggend rapport betreft het bestemmingsplan "Klumpenstraat Nederweert-Eind" van de gemeente Nederweert.
Op de locatie aan de Klumpenstraat is thans binnen de bestemming 'Groen' een voormalige begraafplaats gesitueerd. Deze begraafplaats is al enige tijd niet meer in gebruik en de gronden worden thans gebruikt als volkstuinen. De initiatiefnemer is voornemens om deze volkstuinen te saneren en ter plaatse zeven grondgebonden woningen te realiseren.
Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op basis van de vigerende beheersverordening ''Nederweert, Budschop, Eind en Ospeldijk'', omdat binnen de beheersverordening geen ontwikkelingen zijn toegestaan. De gemeente Nederweert heeft echter aangegeven medewerking te willen verlenen aan het initiatief door middel van een herziening van het bestemmingsplan.
Voorliggend bestemmingsplan bevat de toelichting en regels voor het realiseren van 5 levensloopbestendige woningen en 2 starterswoningen.
Onderstaande afbeelding geeft de topografische situatie weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente Nederweert, sectie R, nummer 1255 (gedeeltelijk). De oppervlakte van het plangebied bedraagt 1.465 m². De gronden zijn eigendom van Bisdom, maar de opdrachtgever heeft een overeenkomst gesloten met Bisdom met betrekking tot de gronden.
Ter plaatse van het plangebied geldt de beheersverordening ''Paraplubeheersverordening Kernen'', vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 16 maart 2021. Binnen het besluitgebied van deze paraplubeheersverordening geldt ter plaatse van het plangebied de beheersverordening ''Nederweert, Budschop, Eind, Ospeldijk en Pannenweg-Oost", vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 18 april 2017. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de verbeelding, waarop de ligging van het plangebied is aangegeven.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
Op basis van de beheersverordening vigeert het besluitvlak 'Groen'. Ter plaatse van het besluitvlak 'Groen' zijn de gronden onder andere bestemd voor:
Daarnaast bevat het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2 hoog'. Deze dubbelbestemming verplicht archeologisch onderzoek bij bodemingrepen van bepaalde omvang. Dit staat nader beschreven in paragraaf 5.2.1.
Conclusie
Het initiatief, de realisatie van 7 grondgebonden woningen, kan niet worden gerealiseerd, omdat binnen het besluitvlak 'Groen' het realiseren van gebouwen anders dan ten behoeve van een groenfunctie niet is toegestaan. Een herziening van het bestemmingsplan is derhalve noodzakelijk.
Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.
DIRECTE OMGEVING
Het plangebied is gelegen in de woonkern van Nederweert-Eind binnen een woongebied in het verlengde van de Klumpenstraat. De locatie betreft een voormalig volkstuinencomplex. De Klumpenstraat komt uit op de Sint Gerardusstraat die ontsluit op de Steutenweg en aan de westzijde op de Eind.
In de directe omgeving van het plangebied zijn een kerk, de basisschool, woonlocaties en het gemeenschapshuis 'Reigerhost' aanwezig.
Het plangebied wordt in de huidige situatie niet (middels een inrit) ontsloten op de Klumpenstraat. De Klumpenstraat betreft een noord-zuidgerichte woonstraat die parallel loopt aan de Ahrenburgerstraat en Pastoor Brandstraat die allen aansluiten op de Sint Gerardusstraat. De Sint Gerardusstraat sluit aan op het Eind en de Steutenweg die de ontsluiting richting respectievelijk Nederweert en het buitengebied vormen.
In de huidige situatie heeft het plangebied een gemeenschappelijke functie in de vorm van volkstuinen. Verspreid over het perceel staan enkele solitaire bomen. Er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied.
In dit hoofdstuk is het initiatief beschreven. Aan de orde komen de bebouwing en functies, verkeer en parkeren, groen en water en duurzame en gezonde leefomgeving. Op onderstaande afbeelding is de nieuwe inrichting van de percelen weergegeven.
INDICATIEVE INRICHTINGSSCHETS
Het initiatief aan de Klumpenstraat bestaat uit de realisatie van zeven woningen (2 starterswoningen en 5 levensloopbestendige woningen). De woningen worden ieder, middels een individuele inrit, ontsloten op de Klumpenstraat. De woningen krijgen een dorpse uitstraling passend bij de bebouwing in de omgeving. Uitgangspunten zijn dat de starterswoningen gaan bestaan uit 2 lagen met een kap en de levensloopbestendige woningen gaan bestaan uit 1 laag met een kap.
De bouwmassa van de woningen is een versterking van enerzijds het terrein waar de volkstuinen zijn gesitueerd en anderzijds als complementering van de bestaande lintbebouwing. Ook wordt aansluiting gezocht bij de bestaande maatvoeringen. De woningen sluiten met de tuinen aan op de bestaande begraafplaats. Middels een groene erfafscheiding wordt hiermee aansluiting gezocht met de begraafplaats. Bij de situering van de inritten is grotendeels rekening gehouden met de locatie van de bomen. Er zullen desondanks enkele bomen moeten wijken. Hiervoor vindt compensatie plaats, bij voorkeur in de kern Nederweert-Eind, die aansluiten bij het gemeentelijke Groenbeleidsplan (juridisch geborgd in de anterieure overeenkomst).
De realisatie van zeven woningen heeft invloed op de verkeersgeneratie. De digitale publicatie "CROW publicatie 317 (kencijfers parkeren en verkeersgeneratie)'' bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. De gemeente Nederweert wordt aangeduid als matig stedelijk gebied, waarin de locatie van het plangebied binnen de gemeente Nederweert tot de rest bebouwde kom behoort.
In de nieuwe situatie worden binnen het plangebied zeven woningen gerealiseerd. De woningen kunnen, om de verkeersgeneratie te bepalen, het beste onder het onderdeel: koop, huis, twee-onder-een-kap vallen. In de onderstaande tabel is de berekening van de verkeersaantrekkende werking uiteengezet.
| Onderdeel | Verkeersgeneratie | Aantal | Totaal |
| koop, huis, twee-onder-een-kap | 7,8 per woning | 7 woningen | 54,6 |
| Totaal |
Op basis van bovenstaande tabel kan worden gesteld dat de nieuwe woningen samen gemiddeld zorgen voor 55 verkeersbewegingen per etmaal. De Klumpenstraat en Sint Gerardusstraat kunnen dit aantal extra verkeersbeweging verwerken binnen het bestaande profiel.
Conclusie
De verkeersaantrekkende werking van dit initiatief bedraagt gemiddeld 55 verkeersbewegingen per etmaal. Verkeerskundig leidt dit niet tot problemen op de Klumpenstraat en omliggende wegen.
Het voorzien in voldoende parkeerplaatsen is noodzakelijk voor goed functioneren van het plangebied en voorkomt overlast voor de omgeving. De gemeente Nederweert heeft, in samenspraak met de CROW-publicatie 317 (kencijfers parkeren en verkeersgeneratie), aangegeven een norm te hanteren van 1,5 parkeerplaats per woning (7 x 1,5 = 10,5) parkeerplaatsen. Per woning dient minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein te worden gerealiseerd (exclusief garage). 0,5 parkeerplaats per woning kan in het openbare gebied worden opgevangen. De openbare ruimte is voldoende groot om te voldoen aan de benodigde parkeerplaatsen.
Het voorliggende initiatief zorgt voor zeven ontsluitingen op de Klumpenstraat, zoals opgenomen op de inrichtingsschets. De toevoeging van de ontsluitingen past binnen het straatbeeld van de Klumpenstraat. Verkeerskundig wordt derhalve geen problemen verwacht. Voor de inritten wordt grotendeels rekening gehouden met de bestaande bomen.
Binnen het initiatief worden de tuinen, behorende bij de woningen, individueel ingericht. De groenstructuur bestaande uit de bomenrij op gemeentegrond, aan de Klumpenstraat, blijft grotendeels behouden. Bij de positionering van de inritten is bewust rekening gehouden met deze groenstructuur. Er zullen desondanks enkele bomen moeten wijken. Hiervoor vindt compensatie plaats, bij voorkeur in de kern Nederweert-Eind, die aansluiten bij het gemeentelijke Groenbeleidsplan (juridisch geborgd in de anterieure overeenkomst). Het planvoornemen omvat geen aanleg van oppervlaktewater.
Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in energietransitie en klimaatbestendigheid.
Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.
Onderhavig plan draagt op de volgende wijzen bij aan de energietransitie:
Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.
Onderhavig plan voorziet hier op de volgende wijze in:
In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld als opvolger van de SVIR. In dit strategisch beleidsdocument schetst de overheid een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Nederland staat de komende jaren voor grote opgaven: de bouw van 1 miljoen nieuwe woningen, duurzame energie opwekken, klimaatverandering, ende overgang naar een circulaire economie vragen meer ruimte dan er beschikbaar is. Daarom moeten er keuzes worden gemaakt om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig, gezond en welvarend te houden. In dit licht zijn de NOVI de nationale belangen opnieuw gedefinieerd:
Analyse
Het voorgenomen initiatief is in lijn met de Omgevingsvisie en geeft invulling aan het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Bij de planvorming wordt rekening gehouden met de diverse milieuaspecten, landschap, water, natuur en cultuurhistorie, geheel in lijn met de NOVI.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan de 'Nationale Omgevingsvisie (NOVI)'
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.
De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.
De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig planvoornemen zijn geen van de nationale belangen aan de orde. Er hoeft daarom ook geen toetsing aan het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening plaats te vinden.
Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Projecten die minder dan twaalf woningen bevatten worden op basis van jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkeling gezien. Voorliggend planvoornemen omvat 7 woningen. Een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is derhalve niet nodig.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
Net als het Rijk (zie paragraaf 4.1.1) werkt ook de provincie Limburg, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet, aan een Omgevingsvisie. Deze is in december 2020 door Gedeputeerde Staten vastgesteld en zal na vaststelling door Provinciale Staten het POL vervangen. Tot die tijd dient de planvorming te worden getoetst aan de Omgevingsvisie POL2014.
In de visie geeft de provincie aan hoe ze wil inspelen op de belangrijkste hoofdopgaven voor de komende jaren:
Daarbij hanteert de provincie een aantal Limburgse principes
Analyse
Onderhavig planvoornemen leidt tot de bouw van 7 woningen binnen de kern Nederweert-Eind. Dit sluit aan bij de hoofdopgave: ''het realiseren van een aantrekkelijke, sociale gezonde en veilige leefomgeving in zowel stedelijk/bebouwd gebied als het landelijk gebied'', omdat middels de bouw van deze woningen de kern wordt verdicht en de leefomgeving wordt versterkt. Daarnaast sluit onderhavig plan aan bij de volgende provinciale principes: ''De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal. Een gebiedsgerichte aanpak is de basis voor samenwerking met andere partijen en initiatiefnemers en er is dus ruimte voor maatwerk'' en ''Meer stad, meer land. Variatie in gebieden moet gekoesterd worden. Stedelijke functies worden geconcentreerd in compacte steden en landelijke gebieden worden als tegenhanger van de drukke stedelijke gebieden ontwikkeld''.
Conclusie
Het initiatief is passend binnen de 'Provinciale Omgevingsvisie (POVI)'.
Op 12 december 2014 is het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) vastgesteld. In het POL2014 is onderscheid gemaakt in acht soorten gebieden, elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor de verschillende zones liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. In het POL2014 ligt het plangebied in de zone 'Overig bebouwd gebied', zoals weergegeven op onderstaande afbeelding.
UITSNEDE POL2014
Het overig bebouwd gebied bestaat uit gemengde woon/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter en deels met een dorps karakter. De accenten liggen in deze zone op transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid, balans voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en kwaliteit van de leefomgeving.
In het POL2014 worden de ambities, opgaven en aanpak voor de thema's benoemd waarop de provincie een rol heeft of wil vervullen. Voor woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkels geldt dat er daarvan in Limburg genoeg zijn, in toenemende mate zelfs te veel. Maar tegelijkertijd liggen er op al deze gebieden nog grote kwalitatieve opgaven. Blijvende vernieuwing en innovatie zijn dan ook van groot belang. De uitdaging is om een omslag te maken 'van kwantiteit naar kwaliteit' en meer schaarste te creëren. De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Op basis van een goede visie en een actueel overzicht van de voorraad worden per regio afspraken gemaakt. Deze afspraken gaan over het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad, het schrappen van plannen en ideeën maar ook van harde plancapaciteit of nog uitgeefbare terreinen waar achteraf minder behoefte aan blijkt te bestaan en mogelijk ook de aanpak van leegstand. Er is onder voorwaarden ruimte voor het toevoegen van goede nieuwe voorraad, maar dan wel in combinatie met het schrappen van bestaande voorraad.
Op het gebied van wonen is de provinciale ambitie een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. De Limburgse woningmarkt biedt voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. De woningvoorraad biedt voldoende mogelijkheden voor doorstromingen, is toekomstbestendig en kan flexibel inspelen op (veranderende) woonwensen.
De Limburgse woningmarkt moet kwalitatief en kwantitatief de sprong maken naar een nieuwe werkelijkheid. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. In kwalitatief opzicht gaat het om het toekomstbestendig houden en maken van de bestaande en nieuwe woningvoorraad. De Limburgse woningmarkt is gediend met een ontwikkeling naar meer toekomstbestendigheid. Dat begrip omvat meerdere aspecten:
Analyse
De beoogde zeven woningen zijn geprojecteerd in het overig bebouwd gebied. Deze ontwikkeling sluit aan bij het uitgangspunt van 'ontwikkeling naar meer toekomstbestendig' voor deze zone, aangezien sprake is van de realisatie van 5 levensloopbestendige woningen. Met het project wordt kortom aangesloten bij de uitgangspunten voor wonen uit het POL2014.
Conclusie
Het plan geeft invulling aan de opgaven van het 'Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014'.
Op 16 januari 2015 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 in werking getreden en hierna meermaals herzien (laatste geconsolideerde versie in 2019). Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van POL2014 juridische binding te geven. De Omgevingsverordening is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening is uitgebreid met een nieuw hoofdstuk Ruimte. Dat hoofdstuk Ruimte bevat een aantal instrumenten die gericht zijn op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van het POL2014. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de Verordening Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en de Verordening Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) vrijwel ongewijzigd overgenomen.
Op basis van de omgevingsverordening maakt onderhavige locatie deel uit van:
Duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 - Bebouwd gebied, Regio Midden Limburg
Duurzame verstedelijking zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. Het gaat daarbij om bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca en de daarbij behorende openbare en of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Het woonbeleid zet zich sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied.
Milieubescherming - Boringsvrije zone Roerdalslenk III
Voor het planvoornemen is de Boringsvrije zone Roerdalslenk III van toepassing. Het voornemen tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodem-energiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk dieper dan 20 meter beneden het maaiveld in zone I, 30 meter in zone II of 80 meter in zone III tot aan de Bovenste Brunssumklei en ieder voornemen in zone IV, wordt vier weken tevoren schriftelijk gemeld aan Gedeputeerde Staten.
Analyse
Het planvoornemen past binnen de kaders van het woonbeleid omdat de 7 grondgebonden, woningen binnen bestaand stedelijk gebied zullen worden gerealiseerd. Tevens vinden bij het planvoornemen géén bodemingrepen plaats dieper dan 80 meter. Er wordt niet voorzien in een boorput. Ingrepen in de bodem vinden tot beperkte diepte plaats, waardoor het planvoornemen geen consequenties heeft voor de Roerdalslenk of het grondwaterbeschermingsgebied.
Conclusie
Het plan voldoet aan de regels van de provinciale 'Omgevingsverordening Limburg 2014'.
De samenwerkende gemeenten in Midden-Limburg (Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw,
Nederweert, Roerdalen, Roermond en Weert) hebben de ''Structuurvisie Wonen Midden Limburg 2018 tot en met 2021'' vastgesteld.
Op basis van de Agenda Limburgse woningmarkt van de provincie Limburg (inclusief het rapport 'Beweging op de woningmarkt') wordt in de structuurvisie meer tijd genomen om de planvoorraad af te stemmen op de behoefte. In de geactualiseerde Structuurvisie Wonen 2018 - 2021 is opgenomen dat gemeenten medewerking kunnen verlenen aan nieuwe plannen waaraan in kwalitatieve zin een tekort bestaat volgens het woningmarktonderzoek in relatie tot de planvoorraad, terwijl er kwantitatief te veel plannen zijn die niet omgebogen kunnen worden. Het is verstandig om hierbij primair in te zetten op locaties waarin een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit is gewenst: inbreiding, verdunning, hergebruik bestaand vastgoed en herontwikkeling rotte plekken.
In de structuurvisie zijn concrete afspraken gemaakt voor de periode 2018 tot en met 2021 en er wordt een doorkijk gegeven op de verwachte behoefte tot 2030.
De gemeente Nederweert heeft in de periode 2018 tot en met 2021 een opgave om maximaal 349 woningen te realiseren om de huishoudensgroei te kunnen opvangen. Deze opgave is vergeleken met de planvoorraad per 1 januari 2018, zijnde 553 woningen. Daaruit is de overcapaciteit berekend, zijnde 204 woningen. Van deze overcapaciteit wordt komende 4 jaar 40% gereduceerd, te weten 82 woningen.
Analyse
In het voorliggende geval gaat het om een ontwikkeling van 7 grondgebonden woningen, binnen het gebied waarop de regionale Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021 van toepassing is. Per saldo worden hiermee 7 woningen toegevoegd aan de woningvoorraad. Deze woningen zijn opgenomen in de lokale planvoorraad, (zie paragraaf 4.4.2) waarmee de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de regionale Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021.
Verder is het van belang dat nieuwe plannen kwalitatief aansluiten bij de behoefte. De uitkomst van het woonbehoefte-onderzoek midden Limburg uit 2018 is daarbij van belang. Hieruit is o.a. naar voren gekomen dat er een toenemende behoefte is aan grondgebonden seniorenwoningen. Ook starters vormen een doelgroep van dit beleid.
Conclusie
Het plan past binnen het beleid van de regionale 'Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2018 - 2021'.
Om aan de verplichting van artikel 2.1 Wro te voldoen en om een integrale samenhang van alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente Nederweert weer te geven is de structuurvisie Nederweert opgesteld. De Structuurvisie is op 9 november 2010 vastgesteld.
De Structuurvisie heeft als doel voor burgers, bedrijven en andere overheden inzichtelijk te maken welke ruimtelijke ontwikkelingen gewenst zijn en op welke wijze de gemeente deze ontwikkelingen wil realiseren.
Plannen en initiatieven voor woningbouw en herstructurering/renovatie van de bestaande woningvoorraad worden beoordeeld op het hierdoor te verbeteren woningaanbod en de bijdrage aan de kwaliteiten van de woonbuurt en de kern, waar dat bouwplan gerealiseerd gaat worden. Daarnaast worden initiatieven en plannen beoordeeld op de bijdrage aan het vergroten en versterken van de woningvoorraad voor de kwetsbare doelgroepen. Flexibel en levensloopbestendig bouwen geniet hierbij de voorkeur aangezien op deze wijze (op termijn) meerdere doelgroepen kunnen worden bediend.
Analyse
Het plangebied is gelegen binnen bestaand woongebied. Onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van 7 woningen (2 starterswoningen en 5 levensloopbestendige woningen). Het planvoornemen past daarmee binnen de kaders van de Structuurvisie Nederweert.
UITSNEDE PLANKAART STRUCTUURVISIE
Conclusie
Het plan past binnen het beleid van de 'Structuurvisie Nederweert 2010-2020'.
Het woningmarktonderzoek 2018-2030 voor de gemeente Nederweert heeft als doel een basis te bieden om het woningbouwbeleid binnen de regio te herijken voor de komende jaren en af te stemmen op de behoefte. Daarbij is het van belang om te kijken naar de totale woningvoorraadbehoefte, zowel kwantitatief als kwalitatief. In het onderzoek voor de gemeente Nederweert wordt onder meer het volgende gesteld:
''In Nederweert is momenteel sprake van een kwalitatieve mismatch tussen huur- en koopwoningen. Uit een vergelijking tussen de gewenste woningen en de huidige woning die zal worden achtergelaten blijkt dat er een tekort is van ruim 40 huurwoningen en een overschot van ruim 40 koopwoningen. Aangezien het aantal huishoudens in de gemeente in de periode 2018-2030 blijft stijgen zullen per saldo in 2030 circa 340 woningen meer nodig zijn. Als echter gekeken wordt naar de kwalitatieve behoefte is er in bepaalde segmenten van de woningmarkt toch een overschot. Er zijn voor de groei tot 2030 namelijk 320 meer huurwoningen nodig en 20 meer koopwoningen. Als dit echter wordt gecombineerd met de huidige kwalitatieve mismatch blijkt dat er in 2030 een discrepantie zal zijn van circa 360 huurwoningen (en een overschot van bijna 20 koopwoningen).''
Indien specifiek gekeken wordt naar de verschillende woningsegmenten dan blijkt dat er in specifieke segmenten nog wel vraag is naar koopwoningen. Naar verwachting zullen namelijk de grootste tekorten in Nederweert ontstaan in de volgende woningsegmenten:
In de volgende segmenten zal naar verwachting een potentieel overschot ontstaan:
Analyse
Onderhavig plan zorgt voor de realisatie van 7 woningen (2 starterswoningen en 5 levensloopbestendige woningen). Daarmee voorziet het plan in woningsegmenten waar vraag naar is (grondgebonden seniorenwoningen koop). Dit is reeds gebleken uit de uitgevoerde inventarisatie onder de inschrijvingen. Vanuit het lokale woonbeleid wordt daarnaast gekeken naar de wensen vanuit de kernen zelf (maatwerk). Daarmee sluit het planvoornemen aan bij de behoefte die in woningmarktonderzoek 2018 - 2030 worden geschetst.
Conclusie
Het plan past binnen het beleid van het 'Woningmarktonderzoek 2018-2030 (gemeente Nederweert)'.
In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Geonius uit Geleen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek Klumpenstraat (ong.), Nederweert-Eind" (15 maart 2021, MA190792.R01.V1.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 1.
Geonius concludeert dat:
Op basis van de resultaten van onderhavig verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor het huidige en geplande gebruik van de locatie.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde milieugevoelige object binnen het plangebied.
| bedrijf | SBI-code | categorie | richtafstand | werkelijke afstand | ||||||||
| Sint Gerardusstraat 15: Kerk | 9491 | 2 | 30 m | 25 m | ||||||||
| Sint Gerardusstraat 15: Begraafplaats | 96031.2 | 1 | 10 m | 0 m | ||||||||
| Pastoor Maesplein 13: Gemeenschapshuis | 94991A | 2 | 30 m | 65 m | ||||||||
Op basis van bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat de begraafplaats en de kerk binnen de richtafstanden liggen van de nieuw te bouwen woningen.
Begraafplaats
Op basis van de bestaande situatie kan worden gesteld dat de graven op ten minste 15 meter van de plangrens gelegen zijn. Hiermee wordt buiten de aangegeven richtafstand gebleven. Doordat ook geen looppad is gesitueerd op kortere afstand van de plangrens, kan worden aangenomen dat in de toekomst de graven niet op een kortere afstand van het plangebied worden gerealiseerd.
Kerk
In de nabijheid van de nieuwe woningen is de kerk van Eind gelegen. De afstand tussen beide functies is minder dan de VNG richtafstand van 30 meter die geldt voor het aspect geluid. Bronnen van geluid zijn de bezoekers en het luiden van de klokken. Deze bronnen (ingang en klok) zijn gelegen op een afstand van meer dan 30 meter (ca. 50 meter). De ingang van de kerk is gelegen aan de St. Gerardusstraat, het kerkgebouw fungeert als afscherming voor geluid afkomstig van bezoekers. Hinder afkomstig van bezoekers zal redelijkerwijze daarom niet optreden bij de nieuwe woningen.
De optredende geluidsniveaus afkomstig van het luiden van de kerkklok zijn niet nader in beeld gebracht, verwachting is echter dat de optredende maximale geluidsniveaus bij de nieuwe woningen hoger zullen zijn 70 dB(A) etmaalwaarde. Dit betekent dat de klok duidelijk hoorbaar zal zijn en het luiden ervan ook kan leiden tot hinder. In de onmiddellijke nabijheid van de kerkklok zijn thans ook woningen gelegen, er zijn geen klachten bekend over het luiden van de kerkklok. Gelet op bovenstaande en de bijzondere functie van het luiden van de kerkklok wordt het niet bezwaarlijk gevonden het nieuwe woongebied daar te ontwikkelen.
Het nieuwe woongebied zal ook niet leiden tot extra beperkingen voor de kerk. Gelet op de religieuze functie van het luiden is dit geluid uitgezonderd van toetsing in het Activiteitenbesluit, ook heeft de gemeente geen bijzonder regels gesteld hieromtrent in de APV.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.
Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit:
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening.
Kernbegrippen
In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal:
Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.
| Bron | Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico |
| Inrichtingen (Bevi) | Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. |
| Buisleidingen (Bevb) | Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. |
| Transportroutes (Bevt) | Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer: 1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of 2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of 3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden. Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden. |
Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.
De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten ten opzichte van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart.
UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND
Inrichtingen
Er liggen geen Bevi-inrichtingen op korte afstand van het plangebied.
Buisleidingen
Er liggen geen buisleiding die onder het Bevb vallen op korte afstand van het plangebied.
Transportroutes
Er liggen geen transportroutes die onder het Bevt vallen op korte afstand van het plangebied.
Omdat het plangebied niet binnen de invloedsgebieden van de risicovolle activiteiten liggen is er geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk.
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
Om de uitvoerbaarheid van het plan ten aanzien van het aspect 'geurhinder veehouderijen'
aan te tonen heeft Econsultancy uit Swalmen een onderzoek geurhinder veehouderijen
uitgevoerd: rapport "Onderzoek geurhinder veehouderijen Klumpenstraat te Nederweert-
Eind" (16 april 2021, 12737.006). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 2.
Op 8 juni 2021 is het raadsbesluit genomen ten behoeve van de regels omtrent de omgekeerde werking van het woon- en leefklimaat. Hieruit volgt dat gevoelige objecten in alle dorpskernen niet meer hoeven te worden getoetst aan de geurnormen. Het plangebied bevindt zich in het centrum van Nederweert-Eind en wordt reeds omgeven door bestaande geurgevoelige objecten die dichterbij de omliggende veehouderijen liggen dan de nieuwbouwwoningen. Daardoor zal er geen sprake zijn van aantasting van de huidige rechten van de omliggende veehouderijen in de omgeving.
De achtergrondbelasting (cumulatieve geurbelasting) is berekend door Econsultancy en deze varieert ter plaatse van het plangebied van 6,4 tot 6,7 ouE/m³. Het percentage geurhinder binnen een concentratiegebied I blijft beperkt tot 9,2%. Op basis van het percentage geurgehinderden kan gesteld worden dat de milieukwaliteit ten gevolge van de gezamenlijke veehouderijen goed zal zijn (zie onderstaande tabel).
Wat betreft de voorgrondbelasting concludeert Ecoconsultancy dat de drie relevante veehouderijen (Hulsen 1, Eind 12 en Houtseweg 12) een overschrijding van de geurnorm veroorzaken van de gestelde 1,5 ouE/m³ in de kernen. Deze varieert van 1,7 ouE/m³ tot en met 3,1 ouE/m³. De kans op geurhinder wordt geschat tussen 5-10% hinderpercentage, wat als goed wordt beoordeeld voor de milieukwaliteit.
Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan
geen beperkingen gelden. De veehouderijen in de omgeving van het plan zullen, met de
realisatie van de nieuwbouwwoningen, niet (verder) beperkt worden in hun huidige of
toekomstige bedrijfsvoering. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen
wordt tevens aanvaardbaar geacht.
[Tabel 1] Uit het rapport gebiedsvisie geurhinder en veehouderij Nederweert
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
Het plan omvat nieuwe geluidgevoelige objecten.
Verkeerslawaai
Officieel ligt het plangebied ligt binnen de onderzoekszone (200 meter) van de Visdijk. De afstand tot de weg bedraagt hemelsbreed circa 165 meter. Tussen het plangebied en de Visdijk zijn de woonstraten Sleutenweg en Sint Gerardusstraat gelegen. De afschermende werking van dze woningen zorgt ervoor dat er toch een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied kan worden gerealiseerd.
Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is geen akoestisch onderzoek nodig.
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen. Onderhavig plan omvat 7 woningen en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.
Goed woon- en leefklimaat
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op.
De monitoringstool die in het kader van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is opgesteld, geeft de volgende jaargemiddelden voor de relevante stoffen ter plaatse van het meest relevante meetpunt 'Steutenweg, Nederweert; 226734'.
| categorie | grenswaarde | 2019 | 2020 | 2030 | ||
| jaargemiddelde concentratie NO2 | 40 µg/m³ | 15,4 | 14,6 | 10,1 | ||
| jaargemiddelde concentratie PM10 | 40 µg/m³ | 18,7 | 19,0 | 15,8 | ||
| jaargemiddelde concentratie PM2.5 | 25 µg/m³ | 10,9 | 11,5 | 8,8 | ||
| overschrijdingsdagen per jaar- gemiddelde concentratie PM10 | 35 | 6,7 | 6,9 | 6,0 | ||
Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat aan alle grenswaarden wordt voldaan. Er is daarmee sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.
Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.
Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen. De Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 - die bedoeld is bij de nieuwvestiging of verandering van veehouderijen - biedt een stappenplan dat ook deels geschikt is voor de beoordeling van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van veehouderijen.
Endotoxinen
Endotoxines zijn celwandresten van dode bacteriën. Endotoxines kunnen een verhoogde gevoeligheid voor longontsteking veroorzaken. In gebieden met veel veehouderijen worden verhoogde concentraties van endotoxinen aangetroffen. Er is echter nog weinig bekend over de precieze wijze van uitstoot van endotoxinen uit stallen. In het tweede VGO onderzoek kwam naar voren dat dieren met een lage of onbekende fijn stof factor wel een relevante bijdrage aan endotoxine concentraties kunnen leveren. Endotoxines zijn een onderdeel van een breder verband van bio-aerosolen die van veehouderijen afkomstig kunnen zijn. Er is nu een toetsingskader endotoxines (aansluiting wordt gezocht bij de provincie Noord-Brabant), er is nog geen toetsingskader voor bio-aerosolen. Dit is wel in ontwikkeling. Als dit toetsingskader bestaat kan dit opgenomen worden in dit beleid.
Analyse
Volgens de gemeentelijke Beleidsregel omgekeerde werking – woon- en leefklimaat, 3e herziening zijn endotoxinen geen toetsingskader bij het toevoegen van burgerwoningen. Bij plattelandswoningen is dit wel het geval, omdat plattelandswoningen onder meer zeer dicht bij veehouderijen liggen. Van een dergelijke omstandigheid is bij deze woningen in de kern Nederweert-Eind geen sprake.
Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.
Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een gezonde leefomgeving ten aanzien van geitenhouderijen.
Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.
Analyse
Het planvoornemen leidt tot het toevoegen van 7 woningen waar personen gedurende langere tijd verblijven. Binnen 50 meter rondom het plangebied zijn geen kwekerijen aanwezig of kunnen kwekerijen worden ontwikkeld. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.
De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.
Analyse
Het plan leidt tot het toevoegen van 7 woningen waar kinderen gedurende langere tijd verblijven. Desalniettemin wordt opgemerkt dat er sprake is van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 2.000 meter, en dat het schadelijke magneetveld zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uitstrekt. Er is geen nader onderzoek nodig.
Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, of waarvoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.
De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren tot de in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage genoemde ontwikkelingen (categorie D11.2). Echter blijft onderhavig initiatief ruim onder de drempelwaarde van 2000 woningen (enkel 7). Er is derhalve geen nadere m.e.r.-beoordeling nodig.
Gelet op de resultaten van de hiervoor reeds uitgevoerde milieuanalyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.
Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
Het plangebied ligt in een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een vrijstelling voor onderzoek bij bodemingrepen tot 40 cm onder maaiveld over een oppervlakte van minder dan 250 m².
Het initiatief overschrijdt deze grenzen. Om het aspect 'archeologie' inzichtelijk te maken heeft Geonius uit Geleen een archeologisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Archeologisch onderzoek Klumpenstraat ong. te Nederweert-Eind" (29 september 2021, AA210018.R01.v0.2.ARG283). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 3.
Geonius concludeert dat indien de geplande ingrepen zullen reiken tot de onverstoorde C-horizont de kans bestaat dat hierbij archeologische waarden zullen worden verstoord. Indien hiervan sprake is wordt aanbevolen om in het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren door middel van een 'Inventariserend Veldonderzoek' door middel van Proefsleuven (IVO-P) met als doel te achterhalen of zich in het plangebied
archeologische waarden bevinden. Ten behoeve van het uitvoeren van het IVO-P dient een Programma van Eisen (PvE) worden opgesteld dat ter goedkeuring dient worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.
De opdrachtgever zal op advies van het archeologisch bureau proefsleuven graven voorafgaand aan de bouw.
Ondanks een zorgvuldig onderzoek kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Verstorende effecten
Gezien de aard en omvang van het plan en de afstand tot Natuurnetwerk Nederland kan worden geconcludeerd dat het plan geen verstorende effecten heeft op gebieden behorende tot Natuurnetwerk Nederland.
Stikstofdepositie
Bijlage 4 bevat het stikstofdepositie-onderzoek (8 juni 2021, 2019-09CRE) waarin zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn beoordeeld. Daaruit volgt dat het plan geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden.
Soortenbescherming
Bij ontwikkeling van het initiatief kunnen natuurwaarden in het gebied verstoord worden. Geonius uit Geleen heeft een ecologische quickscan uitgevoerd om de effecten van het project op beschermde soorten te bepalen: rapport "Ecologische quickscan Klumpenstraat, Nederweert-Eind" (7 juni 2021, EA200063.R01v1.1). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 5.
Geonius concludeert dat:
Vogels
Het plangebied bevat mogelijk een nest- of rustplaats voor de steenuil. Indien de boom met de potentiële nest-/rustplaats behouden blijft, is van een overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2 Wnb geen sprake. Als verder buiten het broedseizoen van de steenuil wordt gewerkt (februari t/m juli), is verstoring op deze soort uit te sluiten. Alsvorenstaande maatregelen niet mogelijk zijn, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar het voorkomen van de steenuil.
Verder worden mogelijk broedende huismussen verstoord, die in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, als tijdens het broedseizoen van deze soort wordt gewerkt (maart t/m augustus). Door buiten deze periode te werken zijn negatieve effecten uit te sluiten voor de huismus en tevens voor algemene broedvogels met een tijdelijk nest als koolmees, merel of houtduif. Indien toch tijdens het broedseizoen gewerkt gaat worden, dient vooraf met een ecologisch deskundige te worden afgestemd hoe voorkomen kan worden dat negatieve effecten op huismussen of andere broedvogels optreden.
Vleermuizen
Binnen het plangebied bevindt zich een mogelijke verblijfplaats van gewone dwergvleermuis. Door de boom met deze verblijfplaats te behouden en geen bouwverlichting toe te passen zijn negatieve effecten te voorkomen. Anders dient aanvullend onderzoek naar deze soort te worden uitgevoerd.
Aanvullend ecologisch onderzoek
Naar aanleiding van bovenstaande conclusies heeft Geonius uit Geleen een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd, rapport: ''Inspectie steenuil en vleermuis Klumpenstraat te Nederweert-Eind'' (15 juli 2021, EB200063.RO1v1.0). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 5.
Geonius concludeert dat de werkzaamheden niet leiden tot een aantasting van verblijfplaats of essentieel leefgebied van vleermuissoorten of de steenuil. Het verwijderen van de betreffende bomen en overige beplanting binnen het perceel is niet in overtreding met de Wet Natuurbescherming. Er zijn geen andere handelingen noodzakelijk om de voorgenomen werkzaamheden conform de Wet Natuurbescherming uit te kunnen voeren.
Hierbij dient wel het algemene broedseizoen in acht te worden genomen. Verwijden van vegetatie uitvoeren in de periode 1 september tot 1 maart om daarmee de kans op aanwezigheid van broedende algemeen beschermde vogelsoorten te voorkomen.
Overige soorten
Er zijn geen beschermde of bedreigde vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen of ongewervelden in of nabij het plangebied aanwezig of te verwachten. Negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. Alleen soorten als de egel of het konijn zijn te verwachten binnen het plangebied, die zijn vrijgesteld van toetsing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht, wat inhoudt dat een initiatiefnemer verantwoordt dient om te gaan met deze dieren en ze niet opzettelijk verwond of gedood mogen worden tijdens werkzaamheden.
Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.
Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Er is derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming.
Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan.
De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets. De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).
Infiltratiecapaciteit
Om de infiltratiecapaciteit van de bodem te bepalen is door Geonius tijdens het opstellen van de watertoets een geotechnisch grondonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage 7 bijgevoegd.
Geonius concludeert dat op basis van de milieukundige boringen de grondwaterstand is aangetroffen op 2,7 m -maaiveld (NAP +28,7 m).
Oppervlaktewater
Er is in de huidige situatie geen oppervlaktewater in de buurt.
Waterschapsbelangen
Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.
Riolering
In de huidige situatie is in de directe omgeving een hoofdriolering aanwezig. Voor de toekomstige situatie wordt iedere kavel voorzien van en vuilwateraansluiting. Het plangebied vraagt geen extra zorg met betrekking tot wateroverlast / water-op-straat vanuit het rioolstelsel.
Het plangebied is ter plaatse van de nieuwe woning thans onverhard en onbebouwd. Als gevolg van de bouw van 7 woningen zal de bebouwing/verharding toenemen met circa 1.080 m² (inrit + (woning * 1,5)).
Uitgaande van de door de gemeente gehanteerde rekenregel bedraagt de benodigde bergingscapaciteit voor het project 32,4 m³ (= 1.080 x 0.03). Dit kan binnen het plangebied
gerealiseerd worden door infiltratie in de bodem voor iedere kavel deels apart op eigendom. Een nadere uitwerking van de waterberging zal bij de omgevingsvergunning voor het bouwen worden gevoegd.
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).
In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend bestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.
Daarnaast heeft de initiatiefnemer een planschaderisicoanalyse uitgevoerd. Deze is bijgevoegd in bijlage 8.
De gemeente heeft geen gronden in het plangebied in eigendom. Alle kosten en risico's van de planontwikkeling, -voorbereiding en -uitvoering zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke grondexploitatie wordt dus niet belast door voorliggend ruimtelijk plan. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is hiermee aangetoond.
De initiatiefnemer heeft op 15 september 2021 een omgevingsdialoog gehouden, zie de presentatie bijgevoegd als bijlage 9. Een verslag van het gevoerde omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage 10 van de toelichting. In het verslag zijn alle gestelde vragen en antwoorden terug te lezen. De presentatie is nadien verzonden naar de omwonenden die niet aanwezig konden zijn.
Aanwezigen waren de ontwikkelende partij met de initiatiefnemer, Gemeente Nederweert, Parochie commissie Nederweert Eind, één koppel omwonenden en 6 koppels geïnteresseerde partijen. Afmeldingen zijn ontvangen van één koppel van de geïnteresseerden en één koppel van de omwonenden.
Het ontwerpbestemmingsplan ‘Klumpenstraat Nederweert-Eind’ wordt conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg gezonden naar de betreffende personen en instanties. Als gevolg van het bepaalde in artikel 3.8. van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerp bestemmingsplan van 1 december 2021 t/m 11 januari 2022 ter inzage gelegen. Gedurende de periode van inzage van het ontwerp bestemmingsplan heeft iedereen de gelegenheid gekregen zijn zienswijzen naar voren te brengen. Er zijn geen zienswijzen ontvangen.
De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan op 8 maart 2022 ongewijzigd vastgesteld.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht op welke wijze het plan juridisch is vertaald. Deze juridische vertaling is bindend.
Het bestemmingsplan bestaat uit:
De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen.
De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.
De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
Het bestemmingsplan voldoet aan de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.
De indeling van de planregels is als volgt.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Hoofdstuk 4 Overgangsregels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen (artikel 1)
In dit artikel zijn de begrippen die in de planregels worden gehanteerd gedefinieerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.
Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Wonen (artikel 3 )
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor half-vrijstaande en vrijstaande woonhuizen en daarbij behorende bouwwerken al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep en bijbehorende voorzieningen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd.
Waarde - Archeologie 2 (hoog) (artikel 4)
Het gehele plangebied heeft een hoge archeologische verwachtingswaarde. Derhalve is
binnen het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2 (hoog)' van
toepassing, die de verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek legt op
ontwikkelingen waarbij de bodemingreep meer dan 40 centimeter over een oppervlak van 250 m² bedraagt.
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Anti-dubbeltelregel (artikel 5)
In dit artikel is bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor bouwen hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Algemene bouwregels (artikel 6)
In dit artikel is de regeling met betrekking tot het afkoppelen van het hemelwater opgenomen.
Algemene afwijkingsregels (artikel
7
)
In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Deze afwijkingen betreffen onder meer het overschrijden van de maximaal toegestane maten, afmetingen en percentages.
Overige regels (artikel
8
)
In dit artikel wordt verwezen naar de wijze waarop de parkeergelegenheid is vastgesteld.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht (artikel 9)
Voor volgens de regels afwijkende bestaande bebouwing is voor de omvang, het onderhoud en de herbouw een overgangsregel opgenomen. Dit artikel bevat tevens een overgangsregel ten aanzien van het voortzetten van bestaand gebruik dat in strijd met het bestemmingsplan is.
Slotregel (artikel 10)
Hier wordt vermeld onder welke naam de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.