Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Gebleektendijk 8 te Nederweert-Eind
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0946.BPGebleektendijk8-VA01

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:
het bestemmingsplan ‘Gebleektendijk 8 te Nederweert-Eind’ van de gemeente Nederweert.
 
1.2 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
 
1.3 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
 
1.4 aan huis gebonden bedrijf:
een dienstverlenende ambachtelijke bedrijvigheid, die in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en die een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
 
1.5 aan huis gebonden beroep:
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is.
 
1.6 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
 
1.7 bedrijfswoning:
een woning, in of bij een bedrijf, bestemd voor (het gezin van) een persoon wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.
 
1.8 bedrijfsgebouw
Een voor de bedrijfsvoering te gebruiken bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.9 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak.
 
1.10 bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en bijlagen.
 
1.11 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
 
1.12 bestaand:
zoals bestond ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan.
 
1.13 bijgebouw:
een vrijstaand dan wel aangebouwd gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen niet als hoofdgebouw kan worden aangemerkt.
 
1.14 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
 
1.15 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak.
 
1.16 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
 
1.17 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel.
 
1.18 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
 
1.19 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
 
1.20 burgerwoning:
een woning, niet zijnde een bedrijfswoning.
 
1.21 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
 
1.22 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
 
1.23 grondverzet- en loonwerkbedrijf:
een bedrijf, dat overwegend gericht is op het verlenen van diensten, het verrichten van werkzaamheden aan particulieren of bedrijven, in de vorm van  cultuurtechnische werkzaamheden, loonwerk en grondverzet.
 
1.24 hoofdgebouw:
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
 
1.25 milieuhygiënische uitvoerbaarheid:
indien geen sprake is van een onaanvaardbare milieusituatie, beoordeeld aan de hand van op dat moment van kracht zijnde regelgeving en bestaande milieukwaliteit op het gebied van bodem, geur, geluid en luchtkwaliteit. De milieuhygiënische uitvoerbaarheid houdt bovendien in dat bij de ontwikkeling wordt getoetst of de natuur- en milieukwaliteit voldoet aan vigerende regelgeving.
 
1.26 milieukwaliteit:
Hierbij gaat het om alle aspecten die de milieusituatie kunnen beïnvloeden, zoals geur en ammoniak, waterhuishouding en ecologische waarden.
 
1.27 nevenactiviteiten:
een activiteit die naar ruimtebeslag, inkomensvergaring en arbeidsintensiteit ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit (agrarisch bedrijf) ter plekke, zoals een speeltuin, kinderopvang, boerengolf, educatieve doeleinden.
 
1.28 nieuwvestiging:
het vestigen van een bedrijf, waaronder begrepen zowel vestiging op een bestaand als een nieuw bouwvlak.
 
1.29 normale onderhoudswerkzaamheden:
werkzaamheden die ter plaatse regelmatig terugkeren, teneinde tot een goed beheer van de gronden te komen. Hieronder vallen niet de incidentele ingrepen in bijvoorbeeld de cultuurtechnische situatie of werkzaamheden die een onherstelbare aantasting betekenen van de aan een gebied toegekende waarde.
 
1.30 omschakeling:
omzetten van een bedrijfstype in een ander bedrijfstype.
 
1.31 onbebouwde deel van de bouwkavel:
dat deel van de agrarische bouwkavel waarop containervelden, tijdelijke hoge boogkassen, tijdelijke regenkappen en lage boogkassen opgericht dienen te worden.
 
1.32 peil:
voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst:
de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
in andere gevallen:
de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
 
1.33 recreatief medegebruik:
vorm van recreatie waarvoor geen specifieke inrichting van het gebied noodzakelijk is, doch kan worden volstaan met de voorzieningen die reeds ten behoeve van de hoofdfunctie aanwezig zijn en ondergeschikte voorzieningen zoals wegbewijzeringsbordjes, picknickbanken en draaihekjes.
 
1.34 verbeelding:
de verbeelding behorend bij dit plan met idn-nummer NL.IMRO.0946.BPGebleektendijk8-VA01.
 
1.35 voorgevelrooilijn:
een virtuele lijn die samenvalt met de bestaande voorgevel van de woning, alsmede zich uitstrekt tot maximaal 10 m. ter weerszijden van die voorgevel.
 
1.36 watergang:
natuurlijk of kunstmatig kanaal waarlangs water vervoerd kan worden.
 
1.37 waterstaat:
toestand van het oppervlakte- en grondwater.
 
1.38 Wetgevingszone - wijzigingsgebied:
de nieuwe terminologie volgens de 'Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012' voor de onder de 'Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012' gehanteerde term 'wro-zone - wijzigingsgebied'; voor zover in dit plan de term 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' wordt gehanteerd, wordt hieronder ook begrepen de term 'wro-zone - wijzigingsgebied' en vice versa.
 
1.39 woning:
een complex van ruimten, krachtens zijn indeling geschikt en bestemd voor de huisvesting van één huishouden, met de daarbij behorende niet voor bewoning bestemde bergingen, stallingsruimten alsmede kantoor- en/of praktijkruimten, welke in de woning worden opgericht dan wel daaraan worden aangebouwd.
 
1.40 woonunit:
een gebouw bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
 
2.1 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
2.2 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
2.3 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Kelders worden hierbij buiten beschouwing gelaten.
 
2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
 
2.6 de hoogte van een windturbine:
vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.
 
2.7 de rooilijn (langs de rijksweg):
de 50 en 100 meter rooilijn wordt gemeten vanuit de dichtst bijgelegen rijbaan van de (rijks)weg, waarbij de toe- en afrit ook als rijbaan beschouwd worden.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. agrarisch grondgebruik;
met de daarbij behorende:
b.  groenvoorzieningen;
c.  voorzieningen van algemeen nut;
d.  waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen;
e.  (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen binnen het bouwvlak.
 
3.2 Bouwregels
3.2.1 Algemeen
Er zijn geen gebouwen en overkappingen binnen deze bestemming toegelaten.
 
3.2.2 Overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde
Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:
a.  erf- en terreinafscheidingen, uitsluitend in de vorm van transparante (draad)omheiningen en/of (draad)erfafscheidingen, met een maximale bouwhoogte van 2 meter worden gebouwd;
 
3.3 Nadere eisen
a.  Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
1.  bebouwing;
2.  verhardingen;
b.  Deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
1.  de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
2.  stedenbouwkundige kwaliteit;
3.  het straat- en bebouwingsbeeld;
4.  de milieusituatie;
5.  de verkeersveiligheid;
6.  de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
7.  de sociale veiligheid;
8.  de externe veiligheid;
9.  de hemelwaterproblematiek.
c.  Voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van agrarische ontwikkelingen, dient bij de aspecten natuurlijke en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 10.5 in acht te worden genomen.
 
3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Strijdig gebruik
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 3.1, meer in het bijzonder:
a.  het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterreinen of kleinschalige campings - behoudens het bepaalde in , alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten';
b.  het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering voor zover gelegen binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – buitenopslag’;
c.  het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
d.  het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
e.  het gebruik van gronden en opstallen voor mestbewerking/-verwerking als nevenactiviteit ten behoeve van meerdere bedrijven is niet toegestaan, met dien verstande dat mestbewerking/-verwerking als nevenactiviteit voor het eigen agrarisch bedrijf wel is toegestaan;
f.  het gebruik van de bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
g.  het gebruik van bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
h.  het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten;
i. als gebruik overeenkomstig de bestemming wordt gerekend het gebruik van leegstaande gebouwen voor statische opslag, zonder dat er handels- of bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.
 3.4.2 Voorwaardelijke bepaling
a.  De volgende regels gelden als voorwaardelijke bepaling:
-  Het agrarisch bedrijf mag niet in werking zijn als een derde zonder band met het bedrijf in de woning woont;
-  De woning mag niet bewoond worden door een derde zonder band met het bedrijf, als het agrarisch bedrijf in werking is;
-  De woning mag niet bewoond worden als de bedrijfsbebouwing niet gesloopt is nadat het agrarisch bedrijf een jaar niet meer in werking is;
-  De woning mag niet bewoond worden als het agrarisch bedrijf niet binnen 10 jaar na inwerkingtreding van dit plan al een aaneengesloten jaar niet in werking is;
-  De woning mag niet bewoond worden en het bedrijf mag niet in werking zijn, tenzij uiterlijk binnen een half jaar na bouw van de woning het landschappelijk inpassings- en infiltratieplan uitgevoerd is en daarna zowel kwantitatief als kwalitatief in stand wordt gehouden. Mochten wijzigingen van het beplantings- en infiltratieplan gewenst zijn dan kan dit, indien getuigend van een goede ruimtelijke ordening, per besluit gewijzigd worden door het college van burgemeester en wethouders onder dezelfde aanplant- en instandhoudingsverplichting;
b.  Onder beplantingsplan wordt in deze planregels verstaan de ‘Inpassingsplan Gebleektendijk 8 te Nederweert-Eind’ gedateerd op 6-7-2018 (bijlage 1 bij de regels).

3.5 Wijzigingsbevoegdheid
3.5.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in:
a.  de aanduiding bedrijf wijzigen in de bestemming ‘wonen’, onder de voorwaarden dat:
1.  ter plaatse alle bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
2.  geen sprake is van een Ruimte-voor-Ruimte woning;
3.  de regels in artikel 3.2.3 in acht genomen worden;
4.  het aantal woningen niet mag toenemen;
5.  geen belemmeringen optreden voor omliggende agrarische bedrijven;
6.  de milieuhygiënische uitvoerbaarheid is gewaarborgd, met name wat betreft de aspecten geur en geluid;
7.  uit een ingesteld bodemonderzoek is gebleken dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik;
8.  sprake dient te zijn van een goede landschappelijke inpassing;
9.  op grond van het bepaalde in artikel 10.5 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
10. een planschade verhaalovereenkomst met de gemeente dient te worden aangegaan;

3.5.2 Aanvullend afwegingskader
Een in artikel 3.5.1 genoemde wijziging kan bovendien slechts worden vastgesteld mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a.  de milieusituatie;
b.  de verkeersveiligheid en infrastructuur;
c.  de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
d.  de sociale veiligheid;
e.  de waarden en functies die het plan beoogt te beschermen;
f.  het straat- en bebouwingsbeeld.

Artikel 4 Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.  wonen;
met de daarbij behorende:
b.  erf, tuin en parkeervoorzieningen;
c. overige bijbehorende voorzieningen;
d.  waterhuishoudingkundige- en groenvoorzieningen.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen
Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend ten behoeve van de in artikel 4.1 genoemde bestemming worden gebouwd:
a.  hoofdgebouwen in de vorm van (nieuwe) woningen;
b.  bijbehorende bouwwerken en overkappingen;
c.  bouwwerken, geen gebouw zijnde.
Voor de bouwwerken in of op de gronden met de aanduiding ‘wonen’, gelden de volgende eisen:
 1.  woningen, inclusief bijgebouwen:
dakhelling     min. 12°; deze eis geldt niet voor bijgebouwen
inhoud (woning, inclusief alle aangebouwde bijbehorende bijgebouwen zowel binnen als buiten het vlak met de aanduiding 'Wonen')maximaal 1.100 m³ dan wel de bestaande inhoud  
Vrijstaande bijbehorende bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding ‘bijgebouwen’ en aanvullend op de woning met aangebouwde bijbehorende bouwwerkenMaximale inhoud: 2.000m3
Maximale oppervlakte bijgebouw:550m2
afstand tot zijdelingse perceelsgrens voor woning én bijgebouwenmin. 5 m dan wel de bestaande afstand   
afstand tot hart van de weg     bestaande afstand
goothoogte vrijstaande bijgebouwen     max. 3,20 m.
bouwhoogte vrijstaande bijgebouwen     max. 5,50 m
Dakhelling vrijstaande bijgebouwen Minimaal 12 graden
afstand tot woning voor vrijstaande bijgebouwen     max. 20 m. uit dichtstbijzijnde gevel   
Afstand tot zijdelingse perceelgrens Min. 5 meter
Overige bepaling bouw vrijstaand bijgebouw Voorafgaand aan de bouw van het vrijstaande bijgebouw dient de agrarische bedrijfsbebouwing eerst gesloopt te zijn

2.  bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitsluitend binnen een afstand van maximaal 50 m. achter de voorgevelrooilijn:
bouwhoogte erfafscheidingen     max. 2 m.; erfafscheidingen zijn ook vóór de voorgevelrooilijn toegestaan tot een bouwhoogte van max. 1 m.  
bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde max. 6 m.   
oppervlaktemax. 30 m²  
   
3.  nieuwbouw van woningen is toegestaan met dien verstande dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan 1;
4.  vervangende nieuwbouw is toegestaan.
 
4.3 Nadere eisen
a.  Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:
1.  bebouwing;
2.  verhardingen;
b.  Deze nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld met het oog op:
1.  de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van het gebied;
2.  stedenbouwkundige kwaliteit;
3.  het straat- en bebouwingsbeeld;
4.  de milieusituatie;
5.  de verkeersveiligheid;
6.  de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
7.  de sociale veiligheid;
8.  de externe veiligheid;
9.  de hemelwaterproblematiek.
c.  Voor zover sprake is van bebouwing en verhardingen in het kader van agrarische ontwikkelingen, dient bij de aspecten natuurlijke en/of landschappelijke waarden, stedenbouwkundige kwaliteit en hemelwaterproblematiek in ieder geval het bepaalde in artikel 10.5 in acht te worden genomen.
 
4.4 Afwijken van de bouwregels
4.4.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van:
a.  het bepaalde in 4.2 en een vergroting van de inhoud van een burger- of bedrijfswoning, inclusief bijgebouwen, tot 1.200 m³, indien het perceel niet groter is dan 1.000 m² en tot 1.400 m³, indien het perceel groter is dan 1.000 m² toestaan, onder de voorwaarden dat:
1.  sprake is van een samenhangend geheel, waarbij de woning tezamen met de uitbreiding een eenheid dient te vormen;
2.  de uitbreiding planologisch aanvaardbaar is;
3.  de uitbreiding niet voor/aan de voorgevel van de woning plaatsvindt;
4.  de uitbreiding niet zodanig is dat woningsplitsing via eenvoudige bouwkundige ingrepen mogelijk wordt;
5.  op grond van het bepaalde in artikel 10.5 inzicht wordt geboden in de wijze waarop een afdoende kwaliteitsbijdrage wordt geleverd;
 
4.4.1 Aanvullend afwegingskader
Een in artikel 4.4.1 genoemde afwijking kan bovendien slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a. het straat- en bebouwingsbeeld;
b. de verkeersveiligheid;
c. de sociale veiligheid;
d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
 
4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Strijdig gebruik
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden en opstallen anders dan het toegestane gebruik op grond van het bepaalde in artikel 3.1, meer in het bijzonder:
a.  het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens stacaravans of het permanent plaatsen van caravans op kampeerterreinen of kleinschalige campings - behoudens het bepaalde in , alsmede caravans of woonunits ten behoeve van de bewoning door arbeidsmigranten';
b.  het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale bedrijfsvoering voor zover gelegen binnen de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – buitenopslag’;
c.  het gebruik van gronden en opstallen voor detailhandel, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
d.  het gebruik van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten, anders dan toegestaan op grond van de in dit plan opgenomen regels;
e.  het gebruik van gronden en opstallen voor mestbewerking/-verwerking als nevenactiviteit ten behoeve van meerdere bedrijven is niet toegestaan, met dien verstande dat mestbewerking/-verwerking als nevenactiviteit voor het eigen agrarisch bedrijf wel is toegestaan;
f.  het gebruik van de bebouwing voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten;
g.  het gebruik van bedrijfsgebouwen (stallen) en bijgebouwen ten behoeve van (zelfstandige) bewoning;
h.  het gebruik van de gronden voor de beoefening van lawaaisporten;
i. als gebruik overeenkomstig de bestemming wordt gerekend het gebruik van leegstaande gebouwen voor statische opslag, zonder dat er handels- of bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.
 
4.5.2 Voorwaardelijke bepaling
a.  De volgende regels gelden als voorwaardelijke bepaling:
-  Het agrarisch bedrijf mag niet in werking zijn als een derde zonder band met het bedrijf in de woning woont;
-  De woning mag niet bewoond worden door een derde zonder band met het bedrijf, als het agrarisch bedrijf in werking is;
-  De woning mag niet bewoond worden als de bedrijfsbebouwing niet gesloopt is nadat het agrarisch bedrijf een jaar niet meer in werking is;
-  De woning mag niet bewoond worden als het agrarisch bedrijf niet binnen 10 jaar na inwerkingtreding van dit plan al een aaneengesloten jaar niet in werking is;
-  De woning mag niet bewoond worden en het bedrijf mag niet in werking zijn, tenzij uiterlijk binnen een half jaar na bouw van de woning het landschappelijk inpassings- en infiltratieplan uitgevoerd is en daarna zowel kwantitatief als kwalitatief in stand wordt gehouden. Mochten wijzigingen van het beplantings- en infiltratieplan gewenst zijn dan kan dit, indien getuigend van een goede ruimtelijke ordening, per besluit gewijzigd worden door het college van burgemeester en wethouders onder dezelfde aanplant- en instandhoudingsverplichting;
b.  Onder beplantingsplan wordt in deze planregels verstaan de ‘Inpassingsplan Gebleektendijk 8 te Nederweert-Eind’ gedateerd op 6-7-2018 (bijlage 1 bij de regels).

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
 
5.2 Bouwregels
Op de tot Waarde - Archeologie bestemde gronden is het niet toegestaan te bouwen, met uitzondering van:
a.  verbouw en/of nieuwbouw van bestaande gebouwen, voor zover bij de bouw de bestaande oppervlakte van een gebouw niet wordt vergroot of ruimtelijk gewijzigd en voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,4 meter ten opzicht van het maaiveld;
b.  de bouw van een bijgebouw van, of uitbreiding van een bestaand hoofdgebouw met een bruto-oppervlak van de bodemingreep van ten hoogste 250m2;
c.  bouwwerken ten dienste van de in lid 4.1 genoemde doeleinden en ten dienste van een overige aan deze gronden toegekende bestemming, voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,40 meter ten opzichte van het maaiveld.
 
5.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de plaats, de fundering en de afmetingen van bouwwerken, voor zover die worden gebouwd op, of binnen een afstand van 25 meter tot gebieden die op de verbeelding zijn aangeduid als Waarde - Archeologie, zulks ter voorkoming van onevenredige aantasting van het zicht op en de landschappelijke inpassing van het betreffende waardevolle terrein, maar ook omdat de exacte begrenzing van archeologische terreinen niet in alle gevallen vaststaat.
 
5.4 Afwijken van de bouwregels
5.4.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken met een omgevingsvergunning van het bepaalde in 4.2 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen bestemming(en).
 
5.4.2 Afwegingskader
Een in 5.4.1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend mits:
a.  uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
b.  uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodige zeker is gesteld.
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de afwijking de volgende verplichtingen worden verbonden:
1.  de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
2.  de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
3.  de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden.
 
5.5 Omgevingsvergunning voor de activiteit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
5.5.1 Algemeen
In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren over een oppervlakte van 250 m2 of meer::
a.  het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,4 meter onder maaiveld, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
b.  het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en het rooien van diepwortelende beplanting waarbij stobben worden verwijderd;
c.  het ophogen en egaliseren van gronden;
d.  het verlagen van het waterpeil;
e.  het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
f.  het graven, verbreden en verdiepen van sloten, vijvers, zwembaden en andere wateren;
g.  het omzetten van gras- of akkerland in teelt waarbij grond wordt afgevoerd, waartoe gerekend worden boomteelt en graszodenteelt;
h.  het aanbrengen van ondergrondse transportleidingen en de daarmee verbandhoudende constructies;
i.  het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen, waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,4 meter.
 
5.5.2 Uitzonderingen op verbod
Het in 5.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
a.  in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een ter zake deskundige;
b.  waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan;
c.  het normaal onderhoud en beheer betreffen.
 
5.5.3 Afwegingskader
Een 5.5.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien:
a.  uit gemeentelijk archeologisch beleid blijkt dat geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is, of
b.  uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld en zo nodig zeker is gesteld. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de vergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
1.  de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
2.  de verplichting tot het doen uitvoeren van opgravingen;
3.  de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In dit geval worden aan de vergunning voorschriften verbonden omtrent de gevolgen van vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden
In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:
a.  de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
b.  de verplichting tot het doen van opgravingen;
c.  de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
 
5.5.4 Strafregel
Overtreding van het verbod in 5.5.1 is een strafbaar feit.
 
5.6 Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de verbeelding van het plan zodanig te wijzigen dat het bestemmingsvlak:
a.  naar ligging wordt verschoven, dan wel
b.  naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel
c.  van de verbeelding wordt verwijderd,
voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beëindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.

Artikel 6 Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden

6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en herstel van de natte milieuomstandigheden in de natuurgebieden de Groote Peel, Sarsven/de Banen, De Zoom en de Groote Moost.
 
6.2 Bouwregels
6.2.1 Algemeen
Op de voor Waarde - Bufferzone hydrologisch gevoelige gebieden aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
 
6.2.2 Uitzonderingen op verbod
Het bepaalde in 6.2.1 is niet van toepassing op:
a.  bouwprojecten met een grondbeslag van niet meer dan 100 m²;
b.  activiteiten waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is;
c.  bouwprojecten waarvoor een reguliere bouwvergunning is verleend en waarvoor advies is ingewonnen bij het Waterschap Limburg;
d.  binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.
 
6.3 Afwijking van de bouwregels
6.3.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken met omgevingsvergunning van het bepaalde in 6.2.1 en toestaan dat wordt gebouwd ten dienste van en conform de overige voor deze gronden aangewezen bestemming(en) .
 
6.3.2 Afwegingskader
Een in 6.3.1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien daartegen uit hoofde van de bescherming van de natte milieuomstandigheden in de in 6.1 genoemde natuurgebieden geen bezwaar bestaat, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.
 
6.4 Omgevingsvergunning voor de activiteit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden
6.4.1 Algemeen
Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van Burgemeester en wethouders de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:
a.  het afgraven, egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur;
b.  het diepploegen of diepwoelen dieper dan 30 cm;
c.  het aanbrengen van verhardingen en/of verharde oppervlakten anders dan een bouwwerk;
d.  het verrichten van grondroeractiviteiten, zoals het aanbrengen van rioleringen, kabels leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
e.  het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van waterlopen.
 
6.4.2 Uitzonderingen op verbod
Het in 6.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:
a.  die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
b.  die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
c.  ten dienste van de in 19.2.2 genoemde (bouw)werkzaamheden;
d.  binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken.
 
6.4.3 Afwegingskader
Een in 6.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken of werkzaamheden of door de direct of indirect te verwachten gevolgen daarvan geen bezwaar of nadeel ontstaat voor de bescherming van natte milieuomstandigheden, hetgeen blijkt uit een integrale gemeentelijke afweging, waarbij expliciet de natuurwaarden van het hydrologisch gevoelig gebied worden betrokken.
 
6.4.4 Strafregel
Overtreding van het verbod in 6.4.1 is een strafbaar feit.

3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.1 Geoorloofd gebruik
Onder een gebruik, strijdig met de bestemming, wordt niet verstaan:
a.  het gebruiken of het laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van (jaarlijks) terugkerende evenementen en activiteiten - waaronder mede begrepen (groeps)kamperen - met een maximum van 3 keer per jaar per perceel en met een duur van minder dan 15 dagen per evenement, inclusief op- en afbouwen, Wanneer vergunningen zijn vereist als gevolg van een wettelijk voorschrift, dan dienen deze te zijn verleend. De in de vorige zin opgenomen uitzondering op het strijdig gebruik geldt niet voor gronden en bouwwerken gelegen binnen een afstand van 2 km uit Natura2000 gebieden of gelegen in de bestemming Natuur of gelegen binnen een stiltegebied.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

9.1 Afwijkingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van:
a.  de planregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
b.  de planregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein, mits de structuur van het plan niet wordt aangepast, de belangen van derden in redelijkheid niet worden geschaad en de afwijking gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
c.  de planregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat de bouwhoogte van kunstwerken en van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot, waarbij voor een vergroting tot meer dan 30 m. overleg dient plaats te vinden met Defensie in het kader van de veiligheid voor vliegverkeer binnen laagvlieggebieden;
d.  het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen;
e.  de voorgeschreven maten met maximaal 10%, mits niet elders in deze planregels wordt voorzien in een afwijking van de maatvoeringsregels.
 
9.2 Afwegingskader
Een in 9.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
a.  het straat- en bebouwingsbeeld;
b.  de milieusituatie;
c.  de verkeersveiligheid;
d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
e.  de sociale veiligheid;
f.  de externe veiligheid.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

10.1 Wijzigingsbevoegdheid
10.1.1 Algemeen
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:
a.  nadere aanduidingen met betrekking tot de functie van de verbeelding verwijderen;
b.  bestemmingsgrenzen met max. 5 m. verschuiven.
 
10.1.2 Afwegingskader
Ter beoordeling van de toelaatbaarheid van de in 10.1.1 a, b en c genoemde wijzigingsregels vindt een evenredige belangenafweging plaats, waarbij betrokken worden:
a.  de mate waarin waarden, die het plan beoogt te beschermen, kunnen worden geschaad;
b.  de mate waarin de belangen van gebruikers en/of eigenaren van de aanliggende gronden worden geschaad;
c.  de mate waarin de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische-, de waterhuishoudkundige-, de archeologische-, de ecologische-, de verkeerstechnische toelaatbaarheid en de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond.
10.2 Algemene sloopregeling
10.2.1 Algemeen
In de volgende omstandigheden wordt naast hetgeen reeds conform de overige regels wordt vereist, tevens een sloopregeling voorgeschreven:
a.  het via wijziging splitsen van woningen;
b.  de afwijkingsregels en wijzigingsregels waarin op basis van artikel 10.5 de kwaliteitregel Ruimtelijke kwaliteit via het instrumenten kwaliteitbijdrage is voorgeschreven.
 
10.2.2 Voorwaarden sloopverplichting
a.  Voor zover sloop is voorgeschreven ingevolge 10.2.1 onder a moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:
1.  het slopen van de overige gebouwen binnen het betreffende bouwvlak, voor zover deze het ingevolge de regels bij de betreffende woning toegestane inhoudsmaat voor de woning inclusief bijgebouwen overschrijden;
2.  sloop van monumenten niet is toegestaan.
b.  Voor zover sloop is voorgeschreven ingevolge 10.2.1 onder b moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:
1.  er dient ten minste het dubbele oppervlak aan bestaande gebouwen binnen het betreffende bouwvlak te worden gesloopt in vergelijk met de nieuw op te richten bebouwing.
2.  de gebouwen mogen niet betrokken zijn geweest bij de ruimte-voor-ruimte-regeling, Regeling Beëindiging Veehouderijtakken of een andere regeling waarvoor een sloopvergoeding wordt ontvangen.
 
10.2.3 Aanvullend afwegingskader
a.  Deze sloopregeling is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp van dit plan, doch zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.
b.  De onder 10.2.1 bedoelde sloop van bestaande gebouwen mag ook inhouden de sloop van bestaande gebouwen elders in het plangebied, met dien verstande dat de bestemming van het bouwperceel waar gesloopt wordt, gewijzigd wordt in de gebiedsbestemming, danwel de aanduiding wonen met inachtneming van de wijzigingsbevoegdheid.

Artikel 11 Overige regels

11.1 Afstand bebouwing tot (spoor-)wegen en kanalen
11.1.1 Algemeen
Het is verboden nieuwe bebouwing te situeren binnen een afstand van:
a.  30 m. uit het hart van de weg langs gebiedsontsluitingswegen, met dien verstande dat voor:
1.  de Booldersdijk ter westzijde een afstand van 20 m. geldt en ter oostzijde een afstand van 25 m.;
2.  de Hoofdstraat een afstand van 20 m. geldt;
3.  de Klaarstraat, voorzover noord-zuid lopend, een afstand van 20 m. geldt;
4.  de Meijelsdijk, voorzover gelegen ter oosten van Ospel, een afstand van 25 m. geldt;
5.  de Wetering (Rijksweg noord) aan de oostzijde een afstand van 50 m. geldt;
6.  de Rijksweg A2 een afstand van 100 m. geldt, toe- en afritten meegerekend;
b.  15 m. uit het hart van erftoegangswegen en onverharde wegen;
c.  20 m. uit spoorwegen, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf;
d.  20 m. vanaf de overlijn van kanalen.
 
11.1.2 Afwijkingsmogelijkheden
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken met een omgevingsvergunning van het bepaalde in:
a.  11.1.1 onder a sub 6. teneinde de afstand van bebouwing tot de Rijksweg A2 te verkleinen tot 50 m. Hiertoe dient de wegbeheerder te worden gehoord;
b.  11.1.1 onder c. teneinde de afstand van bebouwing tot spoorwegen te verkleinen. Hiertoe dient de spoorwegbeheerder te worden gehoord.
11.2 Boringsvrije zone
Ter plaatse van de gronden met de aanduiding Boringsvrije zone mogen geen activiteiten worden ontplooit die strijdig zijn met de bescherming van de bodem en grondwater voor de openbare drinkwatervoorziening. Het gaat om activiteiten in de vorm van boringen en roeren van grond die dieper reiken dan 80 meter onder maaiveld.
11.3 Verhouding tussen bestemmingen
Waar een enkelbestemming samenvalt met een dubbelbestemming geldt primair het bepaalde ten
aanzien van de dubbelbestemming.
Waar dubbelbestemmingen samenvallen gelden:
1.  in de tweede plaats de regels van de dubbelbestemming Waarde – Archeologie.
11.4 Ruimtelijke kwaliteit
11.4.1 Kwaliteitsverbetering
Het bestemmingsplan maakt middels afwijkingsregels en wijzigingsregels nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk. Om verzekerd te zijn van kwaliteitsverbetering worden instrumenten ingezet die erop gericht zijn om de ontwikkelingen te combineren met die benodigde kwaliteitsverbetering.
De ruimtelijke kwaliteit via het instrument kwaliteitsbijdrage geldt voor niet-agrarische ontwikkelingen in het buitengebied. Voor zover het betreft:
a.  ontwikkelingen buiten het bouwvlak;
b.  een meer ingrijpende uitbreiding van niet-agrarische bedrijven/recreatiebedrijven;
c.  het toevoegen van nevenactiviteiten.
 
11.4.2 Algemeen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd medewerking te verlenen aan de in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen afwijkings- en wijzigingsregels, onder de voorwaarde, dat naast de reeds genoemde voorwaarden, tevens wordt voldaan aan de bepalingen omtrent het leveren van een kwaliteitsbijdrage, waarbij het gaat om de volgende doelstellingen en bijdragen.
Binnen de bestemming Agrarisch is de kwaliteitsdoelstelling gericht op het versterken van de aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige structuur/identiteit.
Deze doelstelling kan worden door het inzetten van één of meer van de volgende maatregelen:
a.  er dient sprake te zijn van een inpassing van de nieuwe bebouwing/verharding op basis van een inpassingsplan, waarbij een en ander is afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke inpassing en ruimtelijke inpassing);
b.  versterking omliggende openbare ruimte;
c.  realiseren of versterken van landschappelijke waarden zoals beschreven in bestaande provinciale beleidskaders;
d.  behoud en herstel cultuurhistorisch waardevolle panden;
e.  vervangende nieuwbouw met hogere kwaliteit;
f.  inpassende beplanting
11.5 Werking wettelijke regelingen
De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
12.2 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Lid 11.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
12.3 Afwijken
Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig met een omgevingsvergunning afwijken van lid 12.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 12.1 met maximaal 10 %.
 
12.3a. Afwijken ten behoeve van bijgebouwen.
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken lid 12.1 teneinde bij het slopen van bijgebouwen op eigen terrein, voor zover die bijgebouwen onder het overgangsrecht vallen tot een oppervlakte van 50% van die bijgebouwen terug te bouwen, waarbij de gezamenlijke inhoud van de bijgebouwen niet meer dan 2.000 m3 mag bedragen.
12.4 Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
12.5 Strijdig gebruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 10.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
12.6 Verboden gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in het lid 12.4, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
12.7 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik
Lid 12.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregels van dat plan.

Artikel 13 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als de regels van het bestemmingsplan ‘Gebleektendijk 8 te Nederweert-Eind’ van de gemeente Nederweert.