| Plan: | SUPERLOCAL |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0928.BPSuperCircEst-Vg01 |
Sinds 2014 wordt er onder andere door de gemeente Kerkrade en Woningcorporatie HEEMwonen gewerkt aan het project SUPERLOCAL. Dit is de overkoepelende naam voor de gebiedsontwikkeling rondom de drie hoogbouwgalerijgalerijflats, gelegen aan de Ursulastraat, Jonkerbergstraat en Voorterstraat in de wijk Bleijerheide. Het betreft een herstructureringslocatie waar de oorspronkelijke 400 woningen worden gesloopt. Daarvan blijven er ongeveer 160 van over. Er wordt dus een aanzienlijk deel aan woningen van de Kerkraadse woningvoorraad onttrokken. Het is de bedoeling om de nieuwe woningen in een kwalitatief hoogwaardige en duurzame woonomgeving terug te bouwen. Daarnaast is het de bedoeling om zoveel mogelijk materialen die vrij zijn gekomen bij de sloop van de galerijflats te hergebruiken. Deze herstructurering is afgestemd met Parkstad Limburg en past perfect binnen de beleidskaders van de in 2017 vastgestelde Regionale Woonvisie, tevens gemeentelijke woonvisie. In het plangebied is ondertussen een expogebouw gerealiseerd dat fungeert als informatiecentrum en volledig is opgetrokken uit hergebruikte materialen.
Ook wordt een gesloten waterkringloop gerealiseerd, bestaande uit een decentrale watervoorziening waarbij het de ambitie is om inpandig diverse waterbesparende voorzieningen te realiseren en in de openbare ruimte regenwater op te vangen, te zuiveren en als drinkwater terug te leveren. Ook is het de bedoeling dat afvalwater lokaal wordt ingezameld, zodat het kan worden hergebruikt, in bijvoorbeeld een lokale autowasplaats en wasserette, alvorens het geïnfiltreerd wordt.
Impressie het Expogebouw (rechts) dat volledig is opgetrokken uit hergebruikte materialen. Op de linker foto is een element te zien dat uit een van de galerijgalerijflats is gehaald.
Deze gewenste ontwikkeling is niet geheel mogelijk binnen de regels van het geldende bestemmingsplan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Deze toelichting maakt onderdeel uit van dit bestemmingsplan en bevat een nadere onderbouwing waarom de gewenste ontwikkelingen passend zijn in de omgeving. Naast deze toelichting omvat dit bestemmingsplan regels en een digitale verbeelding, opgesteld conform SVBP2012 en IMRO2012. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die de Wro en de gemeente Kerkrade stellen ten aanzien van bestemmingsplannen.
Het plangebied bevindt zich in de zuidwestrand van de Kerkraadse wijk Bleijerheide vlakbij de Duits - Nederlandse grens. Het plangebied grenst in het noorden, met de klok mee, aan de Vroenstraat, wijkzorgcentrum Vroenhof en de Ursulastraat. De volledige westelijke grens wordt eveneens gevormd door de Ursulastraat. De zuidgrens wordt gevormd door gemeenschapshuis het Patronaat, de Bergstraat en de Voorterstraat. De zuid- en noordgrens van het plangebied lopen richting het westen taps naar elkaar toe zoals goed te zien is op de nu volgende afbeelding. De exacte begrenzing volgt uit de tot dit plan behorende verbeelding.
Luchtfoto met globaal rood omlijnd het plangebied
Uitsnede van het geldende bestemmingsplan met rood omlijnd het globale plangebied
Op het gehele plangebied is momenteel het bestemmingsplan 'Kerkrade Zuid' van toepassing. Dit plan is vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2013. Op het plangebied zijn de volgende (dubbel) bestemmingen van toepassing:
Daarnaast is ook de 'Gebiedsaanduiding wro-zone - wijzigingsgebied 1' van toepassing op het plangebied waarbinnen de realisatie van nieuwe woningen in afwijking van de bestaande galerijflat reeds is toegestaan. Tot slot zijn er meerdere bouwvlakken voorzien met een maatvoering waarbinnen maximaal 11 bouwlagen zijn toegestaan. De gewenste ontwikkelingen zijn niet geheel mogelijk op basis van het huidige planologische - juridische regime omdat onder andere de bouwvlakken gesitueerd zijn op de locaties van de reeds gesloopte galerijgalerijflats en woningen worden voorzien op gronden die nu nog de bestemming 'Groen' hebben. Daarnaast voorziet dit bestemmingsplan in het 'wegebestemmen' van de gesloopte flats.
Het bestemmingsplan 'Kerkrade Zuid' moet overigens worden gelezen in samenhang met het bestemmingsplan 'Parapluplan stedelijk gebied', dat de regels van het bestemmingsplan Kerkrade-Zuid op onderdelen wijzigt.
Na dit inleidende hoofdstuk, wordt in hoofdstuk 2 een globale impressie gegeven van het planvoornemen. Vervolgens wordt er in hoofdstuk 3 ingegaan op de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. In hoofdstuk 4 komen de milieu-, water- en omgevingsaspecten aan bod. Hoofdstuk 5 bevat de toelichting op de juridische planopzet en de planregels. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op respectievelijk de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen en komt ten slotte in hoofdstuk 7 de procedure aan bod.
In 2014 zijn de doelstellingen van dit planvoornemen door Woningcorporatie HEEMwonen en de gemeente Kerkrade vastgelegd in het SUPERLOCAL - projectplan. Dit plan is ingezonden in het kader van de IBA - Parkstad (Internationale Bau Ausstellung) als open oproep en benoemd tot IBA - kandidaatproject. Daarnaast zijn op basis van dit projectplan twee Europese subsidies verkregen: een subsidie in het kader van Urban Innovative Actions (UIA - SCE) en een subsidie in het kader van LIFE subsidie. Het project bestaat uit 4 ontwikkelingslagen:
Op onderstaande afbeelding is goed te zien wat de huidige staat van het plangebied is. Van de 4 oorspronkelijke galerijflats zijn er ondertussen twee gesloopt. Dit betreffen de meest westelijke en de meest noordelijke flat. De meest zuidelijke flat bijft (grotendeels) behouden en wordt toekomstbestendig gemaakt (reeds onherroepelijke omgevingsvergunning voor verleend). Zoals te zien is op onderstaande afbeelding dient er nog 1 flat gesloopt te worden, dit betreft de meest oostelijke flat van de twee nog bestaande galerijflats.
Impressie van de huidige staat van het plangebied, de meest zuidelijke flat zal behouden blijven en de meest oostelijk flat zal nog worden gesloopt.
Het gehele plangebied kenmerkt zich naast de bebouwing vooral door het groene karakter. Tijdens de realisatie van de 4 galerijflats in de jaren 60, is het plangebied destijds parkachtig ingericht. Deze opzet is nog altijd zo en dit groene karakter zorgt voor een kwalitatief goede en natuurlijke woonomgeving. Door het gebied lopen verschillende wandelpaden die worden gebruikt door bewoners uit het plangebied zelf, als door mensen die in de directe omgeving wonen. Binnen de toekomstige plannen, zoals globaal uiteengezet in paragraaf 2.3, wordt er gebruik gemaakt van deze bestaande aanwezige kwaliteiten.
Impressie van de voormalige situatie: een groen en open plangebied met daarin 4 galerijgalerijflats gesitueerd
Ten opzichte van een traditionele herstructureringsontwikkeling zijn voor dit plan een aantal extra ambities geformuleerd met als doel om de waarden en kwaliteiten die op deze locatie aanwezig zijn te behouden. Deze ambities kunnen als volgt beschreven worden:
Stedenbouwkundig plan
Voor de gewenste herontwikkeling van het plangebied is een stedenbouwkundig plan opgesteld dat uitgaat van de sloop van de flats aan de Ursulastraat en de Jonkerbergstraat en het behoud van de flat aan de Voorterstraat. Deze laatste flat wordt deels gesloopt en vervolgens deels teruggebouwd. Daarnaast worden op een aantal locaties grondgebonden woningen in het sociale huur segment alsook in de vrije sector gerealiseerd. De groene parkachtige ruimte in het plangebied blijft behouden en wordt waar mogelijk vergroot. Een uitgangspunt dat ook voortkomt uit de de Stadsdeelvisie Kerkrade Oost.
In dit stedenbouwkundig plan is voor ieder onderdeel en in overleg met alle betrokken partners ruimte gereserveerd. Exacte locaties van de nieuwe woningen, typologie en exacte aantallen zijn echter nog niet bekend en op dat punt is dan ook flexibiliteit gewenst. Voor wat betreft de te realiseren grondgebonden woningen wordt in dit plan 40 woningen als uitgangspunt aangehouden. Om flexibiliteit te behouden is het maximum aantal te realiseren woningen binnen het plangebied (160 woningen) vrij te verdelen, mits de bouwregels worden gerespecteerd. Het stedenbouwkundig plan is dan ook slechts een richtinggevend kader, dat in dit bestemmingsplan wordt vertaald naar een bestemmingsplan dat op onderdelen voldoende ruimte biedt om het experimentele karakter te faciliteren en waarin ruimtelijke en juridische barrières voor ontwikkelingen die nog onvoldoende concreet zijn moeten worden voorkomen. Dit voorliggende bestemmingsplan is als zodanig opgesteld.
Het concept stedenbouwkundig plan
Het voornoemde stedenbouwkundig plan behelst verschillende 'projectlagen' zoals benoemd in paragraaf 2.1. Deze lagen zijn op onderdelen al verder uitgewerkt en nu volgend per 'laag' weergegeven. De genoemde ontwikkelingen en verdere uitwerkingen in dit gehele hoofdstuk kunnen nog op onderdelen wijzigen, maar dit hoofdstuk wel een sterke impressie geven van de richting die men voorstaat. De regels zijn, in combinatie met de bijbehorende verbeelding, zodanig opgesteld dat de gewenste ruimte voor wijzigingen wordt geboden, zonder dat daarbij de ruimtelijke inpasbaarheid en aanvaardbaarheid verloren gaat.
Ontwikkeling en realisatie expogebouw - IBA - laag
Samen met de verschillende partners is reeds een expogebouw ontworpen en gerealiseerd. In dit gebouw kan een ieder kennismaken met de verschillende plannen. Alle voor dit gebouw toegepaste materialen zijn afkomstig uit de gesloopte flat aan de Ursulastraat. Het gebouw is begin 2018 opgeleverd en dient als experiment om te bezien welke materialen men op welke wijze kan hergebruiken. In het kader van deze IBA-laag worden eveneens de mogelijkheden onderzocht van het hergebruiken van bestaande materialen in de openbare ruimte.
Impressie van het expogebouw
UIA Urban Innovative Actions - UIA - laag
Er is voor deze herstructureringsopgave subsidie verkregen om realisatie van een aantal experimentele onderdelen mogelijk te maken. De subsidie in het kader van Urban Innovative Actions (UIA) is in samenwerking eveneens tot stand gekomen door een samenwerking tussen verschillende partners. Onderstaande afbeelding laat kort en bondig zien wat deze subsidie mogelijk maakt. Samengevat gaat het om een breed scala aan circulaire experimenten: van materiaal tot mensen.
Impressie van de verschillende experimenten
Het eerste experiment dat in het kader van de UIA - subsidie gerealiseerd wordt zijn circa 4 proefwoningen die worden gebouwd met de materialen die vrijkomen bij de sloop van de flat aan de Jonkerbergstraat. De woningen worden op het bouwvlak van de inmiddels gesloopte flat aan de Ursulastraat gepositioneerd en passen daarmee binnen de kaders van het bestemmingsplan Kerkrade Zuid. Ook de infrastructuur die nodig is voor deze woningen zal uit bestaande aanwezige materialen worden gerealiseerd.
Impressie van de proefwoningen
Gesloten waterkringloop - LIFE - laag
Binnen het SUPERLOCAL - project wordt samen met verschillende partners gewerkt aan de ontwikkeling van een gesloten waterkringloop. Een decentrale watervoorziening waarbij het de ambitie is om inpandig diverse waterbesparende voorzieningen te realiseren en in de openbare ruimte regenwater op te vangen, te zuiveren en als drinkwater terug te leveren. Ook is het de bedoeling dat afvalwater lokaal wordt ingezameld, zodat het kan worden hergebruikt, in bijvoorbeeld een lokale autowasplaats en wasserette, alvorens het geïnfiltreerd wordt.
Impressie van de gesloten waterkringloop
Basisontwikkelingen
Ontwikkeling Voorterstraat
Gebaseerd op de stedenbouwkundige visie van dit project heeft HEEMwonen besloten om de ontwikkeling van de galerijflat aan de Voorterstraat op te starten. De bestaande flat bestaat uit een beganegrond laag met garages en bergingen en daar bovenop 10 woonlagen. Het is de bedoeling dat deze flat wordt gerenoveerd waarbij twee woonlagen worden toegevoegd en op de kopse kant aan de westzijde een aantal woningen worden toegevoegd. Als uitgangspunt geldt dat 113 appartementen gebouwd die voor de primaire doelgroep van HEEMwonen zijn bedoeld: sociale huurwoningen. Zoals eerder aangegeven is echter flexibiliteit gewenst, waardoor dit aantal beperkt kan toe of afnemen, mits het totale aantal woningen binnen het plangebied de 160 niet overstijgt en de bouwregels worden gerespecteerd. De flat krijgt daarnaast een zogenoemde “sociale plint”, een ruimte voor de bewoners om bijeenkomsten te organiseren en waar allerlei sociale voorzieningen in gehuisvest kunnen worden die bijdragen aan het versterken van de sociale cohesie.
Impressie van de flat na voltooiing van de beoogde herstructurering
Ontwikkeling grondgebonden woningen
Bij de ontwikkeling van de 4 grondgebonden UIA-proefwoningen, zoals hiervoor al omschreven, wordt gekeken of het mogelijk is om twee woningtypes een aantal keren in het gebied te dupliceren. Daarmee hoopt HEEMwonen de gewenste woningdifferentiatie binnen het sociale huursegment in het gebied te realiseren. In totaal biedt het bestemmingsplan ruimte voor 160 woningen, waarvan er circa 40 als grondgebonden woning worden uitgevoerd. Dat is inclusief de hierna bedoelde vrije sector woningen.
Ontwikkeling vrije sector woningen
Op een drietal locaties in het plangebied worden in opdracht van de gemeente Kerkrade woningen in de vrije sector ontwikkeld. Met deze woningen wordt de woningdifferentiatie in het plangebied verder vergroot. Dit vindt mede plaats op nadrukkelijk verzoek van omwonenden en past uitstekend binnen de beleidskaders van de in 2017 vastgestelde Regionale Woonvisie. In totaal biedt het bestemmingsplan ruimte voor circa 40 grondgebonden woningen. Dat is inclusief de hiervoor bedoelde UIA-proefwoningen.
Verkeer en parkeren
De gemeente Kerkrade heeft onderzoek en tellingen gedaan om te komen tot realistische parkeernormen voor het plangebied. Hieruit zijn de nu volgende punten / normen naar voren gekomen:
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In dit hoofdstuk worden de voor het planvoornemen relevante beleidsdocumenten, op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau, toegelicht.
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie vormt het Rijksbeleid ten aanzien van ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit. Met deze structuurvisie wordt de onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' reeds ingezette decentralisatie verder doorgezet. Dit houdt in dat verantwoordelijkheden worden overgedragen aan provincies en gemeenten. Deze overheden kunnen met hun regionale kennis en onderlinge samenwerkingsverbanden opgaven zelf integraal, doeltreffend en met kwaliteit aanpakken.
In de Structuurvisie zijn vervolgens een drietal doelen voor Nederland in 2040 geformuleerd:
Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor het besluitgebied zijn als volgt:
Op basis van de doelstellingen uit de structuurvisie zijn 13 nationale belangen benoemd. Geen van die nationale belangen raken, gezien de aard en de omvang, direct het planvoornemen. Dit neemt niet weg dat het planvoornemen wel raakvlakken heeft met de 3 voornoemde nationale belangen. Er is namelijk sprake van het verbeteren van de milieukwaliteit omdat het aantal woningen drastisch wordt teruggedrongen en er meer nog ruimte komt voor groen. Daarnaast heeft men de ambitie om een gesloten watersysteem aan te leggen, wat eveneens inspeelt op het creëren van een duurzame watervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling. Tot slot wordt, met het doorlopen van deze bestemmingsplanprocedure, gehoor gegeven aan de eis om een zorgvuldige afweging te maken en transparante besluitvorming toe te passen.
Conclusie
Het planvoornemen past, voor zover er sprake is van relevantie, binnen de uitgangspunten uit de SVIR. De SVIR vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte genoemd, bevat regels ter bescherming van nationale belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en wordt met het Barro juridisch verankerd. Verdere uitwerking heeft voorts plaatsgevonden in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). In totaal gaat het om dertien nationale belangen.
De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische Hoofdstructuur (EHS), erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.
Conclusie
Het planvoornemen raakt geen nationale belangen die het Barro beoogt te beschermen. De bepalingen in het Barro vormen dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
Ingevolge artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking.
Alvorens te toetsen aan de hiervoor bedoelde ladder, dient te worden vastgesteld of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit begrip is in artikel 1.1.1 Bro gedefinieerd als 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit de tot dusver gevormde jurisprudentie ten aanzien van dit begrip blijkt dat de omvang van de ontwikkeling een rol speelt. Is sprake van een kleinschalige ontwikkeling, dan kan weliswaar sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling, maar kan een dergelijke ontwikkeling als te kleinschalig worden aangemerkt om te worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro. Dit bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling om maximaal 160 woningen mogelijk te maken in een gebied waar, in de oorspronkelijke situatie, 400 woningen hebben gestaan. Hierbij verandert deels echter de bebouwingstypologie en situering. Er is daarom sprake van een stedelijke ontwikkeling.
Actuele behoefte
Binnen het plangebied waren tot voor kort in totaal 400 verouderde huurwoningen gesitueerd bestaande uit vier galerijflats. Een deel van deze woningen (2 galerijflats à 100 woningen) is ondertussen gesloopt, een derde galerijflat moet nog worden gesloopt. Eén van de vier oorspronkelijke galerijflats zal worden gerenoveerd, waarna deze flat 113 woningen omvat. De verouderde huurwoningen voldeden kwalitatief niet meer aan de behoeften van de huidige woningmarkt. Met dit nieuwe bestemmingsplan worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt die weer in de kwalitatieve behoefte voorzien. Speciaal element hierbij is het sterke duurzame en circulaire karakter van de ontwikkeling. Het hergebruik van zoveel mogelijk materialen, duurzaam en circulair bouwen en de ambitie om een gesloten watersysteem te realiseren spelen in op een steeds sterker wordende maatschappelijke behoefte waarbij steeds meer mensen bewuster gaan leven en rekening willen houden met de gevolgen voor het milieu en daarmee toekomstige generaties.
Daarnaast neemt het aantal woningen per saldo niet toe maar juist af van 400 naar maximaal 160 woningen. De woningvoorraad daalt daarmee binnen het plangebied met minimaal 240 woningen. Dit levert een sterke bijdrage aan de opgave voor de gemeente Kerkrade en de rest van de regio om zowel de plancapaciteit als het feitelijk aantal woningen te verminderen en kwalitatief beter aan te laten sluiten bij de vraag. Bovendien wordt hiermee invulling gegeven aan de uit de Stadsdeelvisie Kerkrade Oost I blijkende gewenste verdunning en verandering van woningtypologieën in dit deel van Kerkrade. Op de verschillende regionale en gemeentelijke opgaven op het gebied van woningbouwbeleid wordt dieper ingegaan in de paragrafen 3.4.2, 3.4.3, 3.4.4, 3.4.5 en 3.5.2
Binnen bestaand stedelijk gebied
Het plangebied is gelegen binnen het stedelijk gebied van Kerkrade, in de wijk Bleijerheide. Het betreft een herstructureringsproject, waarbij verouderde huurwoningen die kwalitatief niet meer voldoen aan de actuele behoefte worden vervangen door een aanzienlijk lager aantal woningen op dezelfde locatie. Het plan sluit dus goed aan bij de uitgangspunten van de ladder waarbij herstructurering binnen bestaand stedelijk gebied gaat voor nieuw ruimtebeslag.
Conclusie
Gezien het feit dat de ontwikkeling zowel kwantitatief als kwalitatief inspeelt op de actuele (regionale) behoefte en plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Op 12 december 2014 is het POL2014 vastgesteld door Provinciale Staten. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden en heeft de functie structuurvisie, provinciaal milieubeleidsplan, regionaal waterplan en provinciaal verkeer- en vervoersplan.
In het POL 2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Over deze uitdagingen wordt de dialoog aangegaan met de regio's. Kwaliteit en uitnodigen staat daarbij centraal.
De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Er zullen per regio visies gemaakt worden waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijze zijn uitgewerkt resulterend in concrete uitvoeringsafspraken. Voor sommige thema's gaat het ook om gezamenlijke programmering. Die vormen de basis voor bestuursovereenkomsten tussen regiogemeenten en Provincie. De Provincie borgt de uitvoering van die afspraken met voorzorgbepalingen in de Omgevingsverordening.
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, onderscheiden we in dit POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Het plangebied is gelegen binnen het bebouwd gebied van Kerkrade in de wijk Bleijerheide en is aangeduid als 'Overig bebouwd gebied'. Deze aanduiding wordt toegekend aan gemengde woon- en werkgebieden die niet zijn aan te merken als 'Bedrijventerrein' of 'Stedelijk centrum'. De opgaven voor het 'Overig bebouwd gebied' zijn de transformatie van de bestaande (regionale) woonvoorraad, een goede bereikbaarheid, balans voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en de kwaliteit leefomgeving.
Ligging van het plangebied binnen 'overig bebouwd gebied'
Transformatie regionale woningvoorraad
Ten aanzien van wonen is de ambitie van de provincie Limburg een voortreffelijk woon- en leefklimaat te bieden waar mensen zich prettig voelen. De Limburgse woningmarkt voorziet daarbij in voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, met voldoende mogelijkheden voor doorstroming, is toekomstbestendig en kan flexibel inspelen op (veranderende) woonwensen. Dat vraagt zowel kwalitatief als kwantitatief om bewustwording van de nieuwe werkelijkheid. Sinds 2017 daalt de totale woningbehoefte in Zuid - Limburg, wat onder andere in Parkstad Limburg, waar Kerkrade deel vanuit maakt, al goed voelbaar is.
De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer, hetgeen verder vorm moet worden gegeven in regionale structuurvisies voor de drie regio's Noord-, Midden- en Zuid - Limburg, zie hieromtrent ook paragraaf 3.4 en 3.5. Dynamisch voorraadbeheer betekent in elk geval dat woningtoevoegingen enkel mogelijk zijn indien daadwerkelijk kwaliteit wordt toegevoegd en de ontwikkeling gepaard gaat met het schrappen van slechte voorraad binnen de regio. In voornoemde visies dient invulling te worden gegeven aan de gezamenlijke ambities en opgaven voor de betreffende regio, waarbij een en ander concreet wordt gemaakt in programma's, waarbij ten minste wordt ingegaan op de volgende onderdelen:
Indien deze aanpak op regionaal niveau niet tot het gewenste resultaat leidt, dan heeft de Provincie de intentie om gebruik te maken van de bevoegdheid om via instrumenten die de Wet ruimtelijke ordening haar geeft te sturen. Zo nodig kan het provinciebestuur een juridische binding bereiken door het stellen van algemene regels in een verordening, waarmee aan gemeentebesturen juridisch bindende normen kunnen worden opgelegd.
Transformatie van de woningvoorraad kan ook vorm krijgen door de aanpak van de kwaliteit van bestaande woningen in de vorm van verduurzaming, het verhogen van de flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden en het levensloopbestendig maken van woningen. Indien dat geen opties zijn, dan kan op een gegeven moment niet meer worden voorkomen dat woningen moeten worden vervangen door sloop.
Bij alle voornoemde vormen van aanpak geldt dat de plancapaciteit in totaal dient te worden teruggedrongen tot realistische proporties.
Als gevolg van deze ontwikkeling neemt het aantal woningen binnen het plangebied sterk af met in totaal (minimaal) 240 woningen. Aangezien de woningbehoefte in Zuid - Limburg reeds vanaf 2017 daalt, is het terugdringen van het aantal woningen in overeenstemming met hetgeen wordt beoogd ten aanzien van de transformatie van de regionale woningvoorraad. Daarnaast dient bouwen voor de juiste doelgroep te geschieden en is het bieden van voldoende huurwoningen een aandachtspunt. Nieuwe woningen dienen voorts aanpasbare en levensloopbestendige woningen te zijn. Met het planvoornemen wordt vorm gegeven aan de beoogde transformatie van de regionale woningvoorraad. Daarnaast is er aandacht voor duurzaam en circulair bouwen wat eveneens sterk bijdraagt aan een kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad.
Conclusie
Gezien het voorgaande past het planvoornemen binnen de uitgangspunten uit het POL. Het POL vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
Gelijktijdig met de vaststelling van het POL2014 is door Provinciale Staten de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld, die nadien nog enkele malen is gewijzigd. Deze verordening voorziet in de borging van provinciale belangen die voortvloeien uit het POL en in de juridische borging van de eerder met de Limburgse gemeenten gemaakte bestuursafspraken over c.q. de regionale structuurvisies voor de thema's wonen, detailhandel, kantoren, bedrijventerreinen en vrijetijdseconomie in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Voor het plangebied zijn de navolgende ontwerpen uit de verordening van belang.
Artikel 2.4.2 Wonen
In de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan, zoals een bestemmingsplan, voor een gebied gelegen in de regio Zuid - Limburg niet mag voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen en/of aan de bestaande planvoorraad woningen, tenzij het plan voldoet aan de vastgestelde Structuurvisie Wonen Zuid - Limburg. In de toelichting op het plan dient te worden verwoord hoe een woningbouwplan zich verhoudt tot de afspraken die zijn vastgelegd in de Structuurvisie en hoe het plan bijdraagt aan de regionale opgave, gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen.
Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van maximaal 160 moderne, kwalitatief hoogwaardige en duurzame en circulaire (huur) woningen. Deze woningen komen in de plaats voor 400 incourante huurwoningen. Het planvoornemen betreft een herstructurering binnen het bestaand stedelijk gebied van Kerkrade. Op de toetsing aan de Structuurvisie Wonen Zuid - Limburg en overig relevant woonbeleid wordt ingegaan in de paragrafen 3.4 en 3.5.
Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is ook nogmaals geborgd dat in geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient te worden getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals neergelegd in artikel 3.1.6, lid 2 Bro. Daarbij dient tevens te worden ingegaan op de mogelijkheden voor herbenutting van leegstaande monumenten of beeldbepalende gebouwen. In paragraaf 3.2.3 is reeds ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking zoals die is geborgd in artikel 3.1.6., lid 2 Bro en daarin is onderbouwd dat daaraan wordt voldaan. De extra trede die door de provincie Limburg is toegevoegd betreft de afweging of het plan kan worden gerealiseerd door herbenutting van leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen. Binnen of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen monumentale of beeldbepalende panden aanwezig die leegstaand zijn en aan voornoemde uitgangspunten kunnen voldoen.
Conclusie
Aan een toetsing aan de Structuurvisie Wonen Zuid - Limburg en de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt voldaan in respectievelijk de paragrafen 3.4.2 en 3.2.3. Eveneens is er aan ander relevant woonbeleid getoetst in dit bestemmingsplan. Het planvoornemen past daarmee binnen de uitgangspunten zoals gesteld in de Omgevingsverordening Limburg.
In 2009 is de intergemeentelijke structuurvisie 'Ruimte voor park en stad' vastgesteld. De structuurvisie bevat het kader voor de door de regiogemeenten gezamenlijk nagestreefde duurzame economische structuurversterking van de regio voor de periode tot 2030, als antwoord op onder meer de bestaande en voorziene sociale problematiek en demografische ontwikkelingen. De bevolkingskrimp die zich binnen de regio voordoet wordt daarbij gezien als kans om de kwaliteit van de woon-, werk- en leefomgeving duurzaam te versterken. In de periode tot 2030 wordt ingezet op de volgende kwaliteiten:
Deze ambities moeten daarbij vooral worden gezien als een aanzet om samen met betrokken partijen te komen tot kansrijke ideeën, welke vervolgens concreet kunnen worden uitgewerkt. De visie maakt onderscheid in een tweetal structuurdragers, te weten de ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit en de economisch - maatschappelijke ontwikkeling, welke vervolgens zijn uitgewerkt in een viertal hoofdthema's:
Het planvoornemen heeft hoofdzakelijk betrekking op het thema ´Wonen´. Voor dit thema heeft sinds 2009 verdere uitwerking plaatsgevonden in regionale nota's als de regionale woningbouwprogrammeringen, een herstructureringsvisie en een regionale woonstrategie welke allen aan bod zullen komen in het vervolgd van dit hoofdstuk. Uitwerking op gemeentelijk niveau heeft vervolgens plaatsgevonden in onder meer stadsdeelvisies, waaronder de Stadsdeelvisie Kerkrade Noord en Oost II, welke stadsdeelvisie vervolgens is uitgewerkt in bijbehorende Uitvoeringsplan 2015 - 2016 waarover meer in paragraaf 3.5 De lijn is duidelijk:
Het planvoornemen past binnen de hiervoor geschetste lijn die als een rode draad door de diverse beleidsdocumenten loopt die betrekking hebben op woningbouw. Binnen het plangebied daalt de feitelijke woningvoorraad en de planvoorraad met 240 woningen, waardoor de overcapaciteit aan woningen wordt teruggedrongen en er geen netto toevoeging aan de bestaande voorraad wordt gedaan. Daarnaast is het door het duurzame en circulaire karakter van deze ontwikkeling en het feit dat er meer gedifferentieerd zal worden gebouwd, sprake van de gewenste kwaliteit.
Conclusie
Het planvoornemen sluit goed aan op de uitgangspunten uit de Intergemeentelijke structuurvisie Parkstad Limburg. De structuurvisie vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen.
Deze regionale structuurvisie (SVWZL) is op 28 september 2016 door de gemeenteraad van Kerkrade vastgesteld. De SVWZL is opgesteld door de 18 Zuid - Limburgse gemeenten (Beek, Brunssum, Eijsden - Margraten, Gulpen - Wittem, Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Maastricht, Meerssen, Nuth-Onderbanken-Schinnen (nu Beekdaelen), Simpelveld, Sittard - Geleen, Stein, Vaals, Valkenburg aan de Geul en Voerendaal). Deze visie verwoordt de gezamenlijke aanpak van de Zuid - Limburgse gemeenten om te komen tot een excellent woon- en leefklimaat in Zuid - Limburg door een goed functionerende woningmarkt met aantrekkelijke, elkaar aanvullende woonmilieus. Dit is een voorwaarde voor het benutten van de economische potentie van de regio, een ambitie die Zuid - Limburg hoog in het vaandel heeft. De driedelige opgave die de structuurvisie bevat is:
Om invulling te kunnen geven aan deze opgaven zijn een dertiental beleidsafspraken gemaakt. Zo is onder meer afgesproken dat in een subregionale woningmarktprogrammering de toevoegingen en onttrekkingen op basis van de transformatieopgave per gemeente worden vastgelegd, wordt voorzien in het schrappen van harde plancapaciteit aan met name de randen van steden en kernen en in te zetten op herinvulling van cultuurhistorisch waardevol bestaand vastgoed. Tevens is voorzien in een compensatieregeling voor het toevoegen van nieuwe woningen. De transformatieopgave per gemeente staat centraal in de ontwikkeling van de woningvoorraad. De transformatieopgave wordt bepaald door de combinatie van de leegstand in de woningvoorraad (minus een frictieleegstand van 2%) en de huishoudensontwikkeling. Daarnaast wordt er ingezet op het terugdringen van illegale kamerverhuur en op passende alternatieven voor kwetsbare groepen die behoefte hebben aan goedkope woonruimte.
Het planvoornemen voorziet in de sloop van 400 verouderde huurwoningen om daarvoor in de plaats maximaal 160 nieuwe woningen te realiseren, welke naast huurwoningen ook zullen bestaan uit vrije sector koopwoningen. Het aantal woningen binnen het plangebied neemt dus fors af. Zoals uit paragraaf 3.4.5 en 3.5.2 van deze toelichting blijkt, past de ontwikkeling binnen de subregionale afspraken en zijn de woningen in de (sub)regionale woningbouwprogrammering 220 woningen opgenomen voor dit project. Het project past daarom binnen de betreffende programmering.
Conclusie
Het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie Wonen Zuid - Limburg. Zowel de planvoorraad als de feitelijke woningvoorraad neemt fors af. Er vindt verdunning plaats en de nieuwe woningen sluiten kwalitatief (weer) goed aan bij de huidige woonwensen van woningzoekenden.
De Herstructureringsvisie geeft de kwantitatieve uitwerking van het regionale woonbeleid weer. De visie is vastgesteld door de Parkstad Raad in december 2009. In de Herstructureringsvisie wordt de noodzaak van het onttrekken van woningen aan de woningvoorraad nader onderstreept. Voor de periode 2010 - 2020 wordt duidelijk waar en op welke wijze de kwantitatieve en kwalitatieve veranderingsopgave plaats moet vinden, uitgedrukt in cijfers. Per gemeente is een transformatieopgave (de zogenaamde ‘envelop’) vastgesteld. Deze opgave wordt regelmatig gemonitord om te bekijken of het ingezette beleid haar vruchten afwerpt. Deze enveloppen bestaan uit een kwantitatieve en een kwalitatieve transformatieopgave (onttrekkingen ten gevolge van bevolkingsdaling en bouwplannen en vervangingsopgave.
De laatste berekening dateert uit 2017. Hieruit blijkt dat de woningvoorraad in Kerkrade in totaal met 1.110 woningen zou moeten afnemen in de periode 2017 - 2020. Voor de periode 2017 - 2030 betreft dit een aantal van 2.570 woningen. De transformatieopgave is gebaseerd op de bevolkingsontwikkeling en het leegstandspercentage. Dit aantal is exclusief de toevoeging van nieuwbouwwoningen die reeds op de Regionale Woningmarktprogrammering staan aangegeven. Met overzichtskaarten is aangegeven waar de herstructureringsopgave gerealiseerd moet worden, waarbij onderscheid is gemaakt in drie typen gebieden:
In de Structuurvisie 2010 - 2020 is het plangebied aangeduid als 'ontwikklingsgebied - pilot'. Met dit planvoornemen wordt invulling gegeven aan een verdunning door transformatie, waarmee een kwaliteitsslag wordt geleverd naar moderne, duurzame en circulaire nieuwbouw na sloop van in totaal 3 verouderde galerijflats en het verbouwen van een vierde galerijflat. Hierbij wordt het aantal woningen binnen het plangebied sterk teruggebracht van 400 naar maximaal 160. Per saldo voorziet deze herstructurering dus in een afname van zowel de plancapaciteit als de feitelijke woningvoorraad met 240 woningen.
Conclusie
Het planvoornemen betreft een verdere uitwerking van de Herstructureringsvisie en draagt daar gezien het voorgaande aan bij.
In december 2012 heeft de Parkstadraad de ‘Regionale Woonstrategie 2012 – 2020; Kiezen voor Parkstad’ vastgesteld. De Woonstrategie schetst de keuzes die gemaakt worden om de uitvoering van de herstructurering die inmiddels in volle gang is, verder vorm te geven. Tevens wordt alle betrokken partijen – bewoners, corporaties, marktpartijen en overheden – gevraagd om samen te blijven werken aan een duurzaam vitaal Parkstad. Met vaststelling van de woonstrategie kiest Parkstad in de periode tot 2020 voor een aantal thema's waar de focus op zal liggen, te weten:
De aanpak zal per thema verschillend van aard zijn. Parkstad heeft hierin een sturende en faciliterende rol, maar zonder bijdragen van haar partners kunnen de voorgenomen activiteiten niet worden uitgewerkt.
Het planvoornemen voorziet in het terugbrengen van het aantal woningen binnen het plangebied van 400 naar maximaal 160. Per saldo voorziet deze herstructurering dus in een afname van zowel de feitelijke woningvoorraad als de plancapaciteit met 240 woningen. Er is dus sprake van het gericht terugbrengen van het volume en de plancapaciteit. Daarnaast wordt de doorstroming op de woningmarkt gestimuleerd omdat er differentiatie plaatsvindt voor de huidige (incourante) appartementen in galerijflats komen grondgebonden en gestapelde woningen terug in het sociale huursegment, in combinatie met vrije sector woningen.
Conclusie
Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten uit de Regionale woonstrategie.
Sinds 2009 gemeente Kerkrade samen met de andere gemeenten in de Stadsregio Parkstad Limburg met een Regionale Woningmarktprogrammering. De meest actuele versie is vastgesteld op 21 maart 2019: de Regionale Woningmarktprogrammering 2019-2022.Met deze programmering spreken de gemeenten in Parkstad Limburg uit, rekening te houden met elkaars belangen en gezamenlijk te werken aan en te streven naar een evenwichtige woningmarkt.
De gemeenten geven met deze regionale woningmarktprogrammering aan welke woningbouwprojecten het best aansluiten bij de huidige marktomstandigheden en hoe in de toekomst met nieuw toe te voegen woningbouwprojecten wordt omgegaan. Hiermee wordt beoogd om de regio Parkstad een aantrekkelijke woonregio te maken.
De kwaliteit van de bestaande woningvoorraad staat onder druk. In delen van de regio is sprake van een kwalitatieve en kwantitatieve mismatch. Tegelijkertijd heeft de regio Parkstad een goede basis voor marktstructurering van de woningmarkt. Bij de totstandkoming van de Regionale Woningmarktprogrammering 2019-2022 is meer dan in het verleden aandacht geweest voor de kwalitatieve kenmerken van plannen en locaties. Het doel is om te komen tot een gewenste programmering aansluitend bij de huidige en toekomstige kwalitatieve vraag en waar dat wenselijk is volume terug te brengen.
De programmering geeft inzicht in de woningbehoefte voor komende 10 jaar o.a. gebaseerd op de doelgroepen die krimpen en groeien gekoppeld aan product-markt-combinaties. Vervolgens is gekeken aan welke type woningen behoefte is en van welke type woningen overschotten ontstaan. De Regionale Woningmarktprogrammering geeft eveneens per gemeente een planlijst met per project het aantal toevoegingen en onttrekkingen.
Het is een instrument die ervoor zorgt dat de planvoorraad zo goed mogelijk aansluit bij de marktsituatie en waaraan plannen kunnen worden toegevoegd die van toegevoegde waarde zijn op het functioneren van de gemeentelijke en regionale woningmarkt en die bijdragen aan de doorstroming in de bestaande voorraad.
Een nieuw initiatief kan op verzoek van het college van Burgemeester en Wethouders aan de Bestuurscommissie Wonen en Herstructurering van de Stadsregio Parkstad Limburg, worden toegevoegd aan de Regionale woningmarktprogrammering. Het nieuwe initiatief wordt kwalitatieve en kwantitatief afgewogen. Daarbij dient tevens te worden voldaan aan de compensatiesystematiek zoals is vastgelegd in de Structuurvisie Wonen Zuid-Limburg.
Met dit bestemmingsplan wordt de plancapaciteit en het feitelijk aantal woningen binnen het plangebied teruggebracht van 400 naar maximaal 160. Het plan is opgenomen in de programmering voor 220 woningen, waarmee het bestemmingsplan past binnen de programmering.
Conclusie
Het planvoornemen is opgenomen in en voldoet aan de Regionale Woningmarktprogramering.
Op 30 maart 2011 is de structuurvisie 'Kerkrade 2010 - 2020' vastgesteld door de gemeenteraad en dit betreft een gemeentelijk strategisch beleidsdocument, waarin op hoofdlijnen de afwegingen en keuzes voor de periode 2010 - 2020 zijn beschreven voor de thema's: landschap en groen, toerisme, recreatie en cultuur, verkeer, voorzieningen, werken en wonen. Het is een richtinggevend document waarin duidelijk wordt welk sociaal, economisch en ruimtelijk beleid de gemeente nastreeft. De visie schetst een beeld van Kerkrade, van haar ontstaan en van de wijze waarop de gemeente samen met inwoners en andere partijen de komende jaren aan de slag wil gaan. De ambitie van Kerkrade is om een Europese en gastvrije stad te zijn die weliswaar kleiner is 'gegroeid' voor wat betreft het aantal inwoners, maar waarbij dat niet ten koste is gegaan van de kwaliteit van leven, wonen en werken.
Ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder een transformatieopgave zoals dit planvoornemen, zijn uitgewerkt in stadsdeelvisies voor de wijken West, Oost (I en II) en Noord, die daarna juridisch worden vastgelegd in bestemmingsplannen. Het plangebied maakt onderdeel uit van de stadsdeelvisie Kerkrade Oost I. Ten aanzien van het thema ´Wonen´ is de ambitie een passende woningvoorraad te bieden in een aantrekkelijke woonomgeving. Voor dit planvoornemen zijn de volgende beleidskaders van toepassing:
Het planvoornemen voorziet in een verdere uitwerking van een in de structuurvisie / stadsdeelvisie als ontwikkelingsgebied bestempeld gebied. Naast het feit dat hier verdunning plaatsvindt zal het gehele gebied een transformatie ondergaan waarbij ook het openbaar groen zal worden versterkt. Dit zal de kwaliteit binnen het plangebied en daarmee de leefbaarheid in het plangebied ten goede komen.
Conclusie
Het planvoornemen betreft een verdere uitwerking van de structuuvise / stadsdeelvisie en past daarmee vanzelfsprekend binnen de uitgangspunten in de visie.
Deze Woonvisie is op 19 april 2017 door de gemeenteraad van Kerkrade vastgesteld. Het doel van deze Woonvisie is richting geven aan de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt: het in balans brengen van vraag en aanbod (zowel kwalitatief als kwantitatief), zodat rekening wordt gehouden met de veranderende bevolkingsontwikkeling en veranderende woonwensen. Daarnaast geeft de Woonvisie invulling aan de nieuwe samenwerking tussen gemeente, woningcorporaties en huurdersorganisaties, ingegeven door de herziene Woningwet.
Uit de visie volgt dat de gemeente Kerkrade een grote opgave kent om de woningmarkt gezond te maken. Er is veel sprake van leegstaande woningen en het aantal huishoudens neemt de komende jaren af. Daardoor is er in de toekomt minder behoefte aan woningen. De bestaande woningvoorraad moet worden aangepast op deze ontwikkelingen, zodat vraag en aanbod op elkaar aansluiten. Er is echter wel sprake van een kleine toevoeging aan de vraag naar sociale huurwoningen op korte termijn. Op de lange termijn zal de vraag naar sociale huur echter afnemen. De vraag naar levensloopgeschikte sociale huurwoningen zal wel toenemen. Dit heeft te maken met de kwalitatieve verschuiving van de vraag. Het aantal senioren (met zorgvraag) neemt toe, terwijl het aantal jonge huurders afneemt.
In alle gemeenten binnen de regio Parkstad zullen sociale huurwoningen beschikbaar moeten zijn, zodat mensen met een laag inkomen overal in de regio terecht kunnen. Voor de komende vijf jaar wordt ingezet op een samenwerking met de woningcorporaties om in te spelen op de extra woningvraag in de sociale huursector, waarbij rekening zal worden willen gehouden met de afnemende behoefte in de jaren daarna.
Voor Kerkrade geldt dat in de periode 2016 - 2021 sprake is van een beperkte groei in de vraag naar sociale huurwoningen. Na 2021 neemt deze vraag sterk af. Woningcorporaties worden daarom gevraagd in hun voorraadbeleid rekening te houden met zowel de groei als afname op termijn. De transformatieopgave laat zien dat er de komende jaren nog een beschreiden groei valt te verwachten in de vraag naar (met name levensloopgeschikte) huurwoningen. Uitbreiding van de sociale huurvoorraad dient bij voorkeur via herbestemming van leegstaand vastgoed te geschieden binnen de regelgeving van de Structuurvisie Wonen Zuid - Limburg.
Het planvoornemen speelt in op zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte op de Kerkraadse woningmarkt door de sloop van 400 sociale huurwoningen, het realiseren van maximaal 160 nieuwe woningen waarbij er keuze is uit een gedifferentieerder woonmilieu.
Conclusie
Het planvoornemen past binnen de uitgangspunten uit de Regionale woonvisie (tevens lokale visie).
Als vigerend lokaal beleid ten aanzien van verkeer geldt het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP), in januari 2018 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit GVVP is gericht op een integrale afstemming tussen alle facetten op het gebied van verkeer en vervoer, waardoor een optimale harmonie tussen mens, voertuig en weg ontstaat. Dit houdt onder andere het volgende in:
Dit GVVP is onder andere gebaseerd op het regionale verkeersbeleid, opgenomen in het in 2011 geactualiseerde Regionaal Verkeer en Vervoersplan (RVVP). Eén van de onderdelen in dit RVVP is een actieplan met een jaarlijks programma verkeerseducatie. Binnen de projecten die in dit actieplan zijn opgenomen, wordt samengewerkt met onder andere het Regionaal Overleg Verkeersveiligheid Limburg (ROVL), Veilig Verkeer Nederland (VVN), de politie en de scholen.
In het GVVP en binnen het aspect parkeren, is opgenomen dat de gemeente Kerkrade zelf de regie houdt over zowel het parkeren op straat als in de parkeergarages. Daarbij wordt het aanbod afgestemd op de vraag, de zogenaamde parkeerbehoefte. Bij nieuwe ontwikkelingen dient de parkeerbehoefte op eigen terrein c.q. binnen de grenzen van het plangebied opgevangen te worden. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen is daarbij afhankelijk van de soort en de omvang van de functie(s) die binnen het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met het gebied waarin de ontwikkeling is gelegen en de eventuele mogelijkheden om parkeerplaatsen dubbel te gebruiken. Daarbij sluit de gemeente aan bij de normen en richtlijnen van het CROW.
Conclusie
Voor dit plan heeft de gemeente specifieke parkeernormen opgesteld welke aan bod komen in paragraaf 2.3. Deze normen sluiten aan op de normen en uitgangspunten uit het GVVP. In de regels is geborgd dat in de vergunningfase wordt getoetst aan de geldende parkeernormen.
In dit hoofdstuk komen de diverse sectorale aspecten aan bod die van invloed zijn op het bestemmingsplan. Het betreft hier veelal zones die van toepassing zijn of milieuvoorwaarden waaraan voldaan dient te worden. De ruimtelijk relevante regelingen dienen doorvertaald te worden naar de verbeelding en de regels.
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan moet op basis van artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening worden onderzocht of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Het uitgangspunt is dat een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico mag opleveren voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Bij overige ruimtelijke besluiten is ook een inzicht in de bodemkwaliteit nodig op basis van artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht.
Door Aelmans Eco is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd, dat als Bijlage 1 is opgenomen bij deze toelichting. Hoewel uit het onderzoek blijkt dat zowel in de bovengrond als ondergrond (plaatselijk) verhoogde concentraties van o.a. kobalt, kwik en nikkel zijn aangetroffen, is geen sprake van overschrijdingen van de bodemindex of interventiewaarden. Asbestverdachte materialen zijn tijdens het bodemonderzoek niet zintuiglijk aangetoond. De conclusie van het onderzoek is dat de bodemkwaliteit binnen het plangebied geen belemmering vormt voor de beoogde planontwikkeling en dat geen nader onderzoek noodzakelijk is, met uitzondering van het door middel van een aantal extra boringen nader in beeld brengen van de omvang van een mijnsteenspot (zie afbeelding). Deze mijnsteenlaag is echter analytisch niet sterk verontreiniging en vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Daarnaast is in verband met werkzaamheden binnen het plangebied ten tijde van de uitvoering van het onderzoek en vanwege het feit dat één flat nog niet is gesloopt, een deel van de boringen nog niet uitgeveoerd. Op dat punt wordt het onderzoek gedurende de bestemmingsplanprocedure nog nader aangevuld. Het betreft de boringen 11 t/m 20, 27 t/m 30, 131 en 141 (zie afbeelding).
Aanduiding boorpunten en mijsteenspot
Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voornoemde geluidsbronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan.
Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan of een herziening daarvan dient op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) een onderzoek naar verkeerslawaai te worden ingesteld. Hierbij moeten de in de wet aangegeven, binnen de zones langs de wegen geldende, waarden in acht worden genomen. Alle wegen hebben een geluidzone, met uitzondering van wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. Voor nieuw op te richten geluidsgevoelige bebouwing binnen de wettelijke geluidzones dient nader bepaald te worden of de wettelijke grenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Ook in geval van de aanleg van een nieuwe weg of een reconstructie van een weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden.
Het plangebied is geheel, dan wel gedeeltelijk gelegen binnen de zone van de Voorterstraat, Sint Antoniusstraat, Bleijderheiderstraat en het Doctor Ackensplein. In het kader van de geode ruimtelijke ordening wordt ook gekeken naar de geluidsbelasting op het gebied vanwege de 30 km/uurwegen Vroenstraat, Ursulastraat en Bergstraat.
Onderzoek
Door Tritium Advies is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, dat als Bijlage 2 is opgenomen bij deze toelichting. Uit dat onderzoek blijkt dat de richtwaarde voor de 30 km/uurwegen Vroenstraat en Bergstraat geldt dat de richtwaarde van 48 dB op geen enkel toetspunt wordt overschreden. Voor de 30 km/uur weg Ursulastraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de richtwaarde van 48 dB met maximaal 6 dB overschrijdt.
Voor de gezoneerde wegen Sint Antoniusstraat, Bleijerheiderstraat en Doctor Ackensplein geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt.
Voor de Voorterstraat geldt dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor nieuwbouw in stedelijk gebied wordt nergens overschreden. Derhalve is het mogelijk om een beschikking hogere waarde aan te vragen bij de gemeente indien de toepassing van overdrachts- of bronmaatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend is dan wel overwegende bezwaren ontmoet.
Het aanleggen van een geluidwal of geluidscherm (overdrachtsmaatregelen) gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer tot de voorkeursgrenswaarde ontmoet in de onderhavige situatie overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard, aangezien zo'n scherm om doelmatig te zijn, zo'n 9 meter hoog zal moeten zijn. Een scherm van een dergelijke hoogte, over een lengte van circa 90 meter is stedenbouwkundig c.q. landschappelijk niet inpasbaar.
Het vergroten van de afstand tussen geluidbron en ontvanger is ook niet doeltreffend in onderhavige situatie. De afstand van de bouwplannen tot de wegas van de Voorterstraat bedraagt reeds circa 32 meter. Een verdubbeling van deze afstand levert slechts een reductie van 3 dB op en bovendien is het vergroten van deze afstand niet haalbaar binnen de stedenbouwkundige kaders voor het plan.
Voor het toepassen van stiller wegdek (bronmaatregel) geldt dat de voorkeurgrenswaarde dan nog altijd wordt overschreden. Deze geluidreducerende maatregel is derhalve niet doeltreffend. Bovendien stuit het toepassen van een stiller wegdek op overwegende bezwaren van financiële aard.
Hogere grenswaarden
Gezien het voorgaande is gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een ontwerp-hogere waardebesluit ter inzage gelegd conform artikel 110a, lid 5 van de Wet geluidhinder en lopen beide procedures verder parallel.
Aangezien in onderhavige situatie sprake is van een procedure hogere waarde, is voor de woningen een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels nodig. Bij de toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Dit onderzoek vindt plaats in het kader van de voor de nieuw te realiseren woningen noodzakelijke omgevingsvergunning.
Overigens blijkt uit de rekenresultaten dat alle woningen over tenminste één geluidluwe gevel zullen beschikken.
De Wet geluidhinder voorziet in zonering van industrieterreinen waarop zogenaamde grote lawaaimakers kunnen worden gevestigd om te voorzien in een ruimtelijke scheiding tussen deze industrieterreinen enerzijds en woningen en andere voor geluid gevoelige bestemmingen anderzijds. Een rond een in het kader van de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein vastgestelde zone dient te worden vastgelegd in het bestemmingsplan. Indien een nieuw bestemmingsplan voorziet in vestigingsmogelijkheden voor inrichtingen die de vaststelling van een dergelijke zone vereisen, dan dient de betreffende zone gelijktijdig daarmee te worden vastgelegd in het betreffende bestemmingsplan.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een gezoneerd industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder. Daarnaast is het plangebied ook niet gelegen binnen een zone van een gezoneerd industrieterrein. Overigens is het plangebied ook niet gelegen in de buurt van een spoorweg.
Conclusie
Het aspect industrielawaai vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.
Nederland kan vooralsnog niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof. Voor een aantal functies (onder andere woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan indien de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.
De NIBM - grens voor woningbouwlocaties is als volgt bepaald: 3% criterium . 1.500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg en . 3000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkwaardige verkeersverdeling. Dit houdt in dat de totale ontwikkeling van het planvoornemen (maximaal 160 woningen) ver onder de grens van 1.500 woningen blijft. Daarnaast daalt met het planvoornemen het aantal woningen met minimaal 240 woningen. De verkeersaantrekkende werking van het plangebied neemt daarmee af. Dit betekent dat op basis van het besluit luchtkwaliteit het planvoornemen niet in betekenende mate bijdraagt aan aantasting van de luchtkwaliteit. Het komt de luchtkwaliteit zelfs ten goede. Het is dan ook niet noodzakelijk om een onderzoek uit te voeren naar de gevolgen van het planvoornemen ten aanzien van de luchtkwaliteit.
Het bestemmingsplan voorziet niet in mogelijkheden voor nieuwe gevoelige bestemmingen binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg. Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Het bevoegd gezag dient bij ruimtelijke planvorming rekening te houden met het aspect externe veiligheid. Hierbij dient te worden onderzocht in hoeverre er sprake is van aanvaardbare dan wel onaanvaardbare risico's voor de diverse bestemmingen binnen het plangebied. De aandacht gaat hierbij uit naar het plaatsgebonden risico waarvoor een harde norm geldt, als ook naar het groepsrisico waarvoor een zogenaamde oriëntatiewaarde geldt. Indien binnen of in de nabijheid van een plangebied risicodragende activiteiten plaatsvinden is een nader onderzoek noodzakelijk. Een nader onderzoek heeft betrekking op zowel stationaire objecten (bedrijven) als ook op dynamische objecten (transport gevaarlijke stoffen). Voor onderhavig plangebied is voor beide aspecten nader onderzocht in hoeverre er een onacceptabele overschrijding van risiconormen aan de orde is.
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van maximaal 160 nieuwe woningen waar er eerder binnen het plangebied 400 gesitueerd waren. In het kader van de externe veiligheid heeft een nader onderzoek plaatsgevonden naar mogelijke risicobronnen.
Uitsnede van de risicokaart waarop het plangebied geel is omcirkelt
Ten noorden van het plangebied op een afstand van ruim 450 meter is langs de Domaniale Mijnstraat een benzinestation met LPG-installatie gelegen. Iets meer naar het westen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg (N299/N300). Deze weg bevindt zich op ruim 1 kilometer afstand van het plangebied. Ten noorden van deze weg is een leiding van de Gasunie gelegen op ruim 1,1 kilometer afstand van het plangebied.
Toetsing plaatsgebonden Risico (PR)
Voor de N299/N300 en de aanwezige gasleiding is geen risicozone voor het plaatsgebonden risico vastgesteld. In dit kader vormen de N299/N300 en de aanwezige aardgasleiding geen belemmering voor het planvoornemen. Voor het benzinestation geldt dat er sprake is van een plaatsgebonden risicocontour van 40 meter. Het plangebied is echter op een dusdanige afstand gelegen (ruim 450 meter) dat deze contour niet belemmerend is voor het planvoornemen.
Toetsing Groepsrisico GR
De gasleiding kent - met een diameter van 12 inch en een ontwerpdruk van 40 bar - een invloedsgebied (1%letaliteitsgrens) van 140 meter. Daarmee ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van deze leiding. Ook het invloedsgebied van de N299/N300 reikt niet tot aan het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico is dus niet noodzakelijk. Voor het benzinestation met LPG installatie geldt een invloedsgebied van 150 meter. Dit reikt daarom ook niet tot aan het plangebied.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige objecten, zoals woningen. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Een algemeen geaccepteerde uitgave om te kunnen beoordelen of een bepaalde functie inpasbaar is op de beoogde locatie is de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” (VNG, 2009).
Rondom het plangebied zijn verschillende voorzieningen gesitueerd welke zijn aangegeven op onderstaande afbeelding. Het betreft met de klok mee het wijkzorgcentrum Vroenhof in het noorden, een cafetaria langs de Ursulastraat, een gemeenschapshuis grenzend aan de uiterste zuid - oost hoek van het plangebied en een scouting en voetbalclub in het zuiden. Al deze voorzieningen kunnen op basis van de hiervoor bedoelde VNG-brochure worden aangemerkt als voorzieningen van maximaal milieucategorie 3.1:
| Omschrijving | Betreft / vergelijkbaar met | milieucategorie met richtafstand | Afstand tot geprojecteerde woningen |
| Sportcomplex KVC Oranje |
Veldsportcomplex met verlichting | 3.1 | 50 meter | > 50 meter |
| Scouting St Willibrord |
Buurt- en clubhuizen | 2 | 30 meter | > 30 meter |
| Patronaat |
Buurt- en clubhuizen (café,bar) |
2 | 30 meter 1 | 10 meter |
< 30 meter |
| Wijkzorgcentrum Vroenhof |
Verpleeghuis | 2 | 30 meter | < 30 meter |
| Cafetaria Bleijerheide | Restaurant, cafetaria | 1 | 10 meter | > 10 meter |
| Café A Jen Kirch |
café, bar | 1 | 10 meter |
> 10 meter |
Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving waarop de verschillende voorzieningen zijn aangeduid
Conclusie
Gezien voorgaande tabel wordt aan nagenoeg alle richtafstanden voldaan. Een deel van de woningen kan worden gerealiseerd binnen 30 meter van wijkzorgcentrum Vroenhof. De bepalende factor voor die afstand is geluid. Voor de overige apsecten bedraagt de richtafstand 10 meter, waaraan wordt voldaan. Gezien de functie van dit complex (hoofdzakelijk wonen met activiteiten gericht op dagbesteding) is de ruimtelijke uitstraling beperkt. De afstand tussen dit complex en het meest nabijgelegen bouwvlak binnen de bestemming Wonen (circa 15 meter) wordt voldoende geacht om ter plaatse van de betreffende nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat te realiseren.
Ook aan de richtafstanden tussen het Patronaat en de daarnaast geprojecteerde woningen, zoals opgenomen in de hiervoor opgenomen tabel wordt niet voldaan. Deze woningen zullen echter zodanig worden ontworpen dat ze als geluidswal fungeren, waarbij deze woningen de overige woningen afschermen voor geluid afkomstig van het Patronaat en waarbij het binnenniveau in de woningen in de wal overeenkomstig het Bouwbesluit 2012 wordt gegarandeerd. Op die wijze wordt voorkomen dat het Patronaat wordt belemmerd in de bedrijfsvoering en kan in de woningen een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.
In de Wet natuurbescherming is de soortbeschermingsregeling uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd. In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Dit betekent dat op voorhand moet worden onderzocht of het plan van invloed is op dergelijke soorten en of redelijkerwijs niet reeds kan worden gesteld dat een eventuele benodigde ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet kan worden verkregen. Ook dient rekening te worden gehouden met gebieden die worden beschermd via de Wet natuurbescherming, waarin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden zijn opgenomen als Natura 2000-gebieden. Daarnaast kan een plan van invloed zijn op het Natuur Netwerk Nederland (NNN).
Het dichtstbijzijnde Natura 2000 - gebied is op Duits grondgebied gelegen op circa 5 kilometer afstand. Het betreft het gebied 'Wurmtal nördlicher Herzogenrath'. Gezien de aard en omvang van het planvoornemen (afname aantal woningen van 400 naar maximaal 160), de afstand tot voornoemde gebieden en het gebruik van de tussenliggende gronden, kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de planvorming geen (significant) negatieve effecten zal hebben op dit of enig ander Natura 2000 - gebied. Het planvoornemen voorziet in een sterke afname van woningen binnen het plangebied, eventuele negatieve effecten op Natura 2000 - gebieden nemen in dit geval juist eerder af. Een verdere beoordeling van de invloed van het planvoornemen op deze gebieden kan derhalve achterwege blijven. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij - principe'. Het plan is niet gelegen binnen het NNN, wel maken de bossen ten zuiden van de voetbalvereniging en de scouting welke zich beiden net ten zuiden van het plangebied bevinden onderdeel uit van het NNN. Het planvoornemen heeft hier echter geen negatieve invloed op, dit komt onder andere door de afschermende werking van de tussengelegen complexen en gronden van de scouting en de voetbalvereniging. Daarnaast behelst het planvoornemen een afname van het aantal woningen en een versterking van de bestaande groenstructuren. Hiermee komt het planvoornemen eerder ten goede aan de natuur, het bestaande groen en de groene omgeving ten zuiden van het plangebied.
De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan.
Onderzoek
Ten behoeve van de 3 te slopen c.q. reeds gesloopte flats en de daarvoor benodigde omgevingsvergunning (slopen) is in een eerder stadium reeds onderzoek verricht door Econsultancy en vervolgens is een projectplan opgesteld door bureau Verbeek op basis waarvan vervolgens een ontheffing is verkregen op basis van (destijds nog) de Flora en faunawet (ontheffing FF/75C/2016/0612). Het onderzoek in het kader van dit bestemmingsplan is daarom toegepitst om de onbebouwde gronden rondom de flats.
Dit onderzoek is verricht door Bureau Verbeek en de betreffende rapportage is als Bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Hierna worden de conclusies kort samengevat weergegeven.
Zorgplicht
Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
Conclusie
Op basis van de bevindingen en de conclusies van Bureau Verbeek kan worden gesteld dat het bepaalde in de Wet natuurbescherming geen belemmering vormt voor het planvoornemen, mits bij de uitvoering de geadviseerde maatregelen en perioden voor uitvoering in acht worden genomen. Er is geen ontheffing nodig op basis van de Wet natuurbescherming.
Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundig relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets gebruikt om de beoogde gebruiksfuncties en waterbelangen op elkaar af te stemmen.
Uitgangspunten van het waterschap Limburg met betrekking tot het waterbeheer zijn onder andere:
Binnen het plangebied is in de huidige situatie geen oppervlaktewater aanwezig. Ook is het plangebied niet gelegen in een beschermingszone, zoals bijvoorbeeld een grondwaterbeschermingsgebied.
Zoals reeds in paragraaf 2.3 van deze toelichting is aangegeven, neemt water een belangrijke plaats in binnen het project. Samen met Waterleidingmaatschappij Limburg (WML) en het Waterschapsbedrijf Limburg (WBL) wordt voorzien in een gesloten waterkringloop. Het betreft een decentrale watervoorziening waarbij het de ambitie is om inpandig diverse waterbesparende voorzieningen te realiseren en in de openbare ruimte regenwater op te vangen, te zuiveren en als drinkwater terug te leveren. Ook is het de bedoeling dat afvalwater (zogenoemd grijs water) lokaal wordt ingezameld, zodat het kan worden hergebruikt, in bijvoorbeeld een lokale autowasplaats en wasserette, alvorens het geïnfiltreerd wordt. Ook het zwart water van de woningen binnen het plangebied wordt ter plekke ingezameld, versneden en vergist. Geurhinder wordt daarbij voorkomen door toepassing van geurfilters.
Het hemelwater dat afkomstig is van de binnen het plangebied te realiseren en te behouden woningen en de binnen het plangebied aan te leggen en te behouden oppervlakteverhardingen (totale oppervlakte ca 10.500 m2) wordt binnen het plangebied opgevangen, gezuiverd en teruggeleverd als drinkwater. De opvang vindt plaats in een ondergrondse berging van 250m3, waarmee dan de eerste 25 mm aan neerslag kan worden opgevangen. Is die voorziening gevuld, dan komt het hemelwater terecht in het zogenoemde 'waterplein' in het midden van het plangebied. Beide voorzieningen samen kunnen daarmee voorzien in de berging van 60 mm aan neerslag. Een dergelijk bui wordt ook gehanteerd bij stresstesten ten aanzien van wateroverlast.
De ruimtelijke effecten van de voorzieningen zijn relatief beperkt. Bovengronds worden een aantal bouwwerken met een hoogte van maximaal 5 meter en een gezamenlijk ruimebeslag van circa 50 m2 gerealiseerd.
De zwartwatervergistingsinstallatie komt in een bouwwerk te staan met een oppervlakte van circa 35 m2 en een hoogte van circa 6 meter. De ruimtelijke effecten daarvan zijn daarmee ook relatief beperkt,
Het grijs water wordt onder vrij verval in een verzamelput met vetvanger verzameld, waarna het water door een helofytenfilter wordt gevoerd. Naast deze voorzieningen wordt een effluentbuffer gerealiseerd als voorraadvat voor de watervraag van de wasserette en wasstraat.
De verdere uitwerking van de exacte uitvoering van de genoemde voorzieningen zal plaatsvinden door het Waterschapsbedrijf Limburg en Waterleiding Maatschappij Limburg.
Het plan voldoet aan de uitgangspunten aan de uitgangspunten voor duurzaam stedelijk waterbeheer en aan de richtlijnen voor het dimensioneren van waterhuishoudkundige voorzieningen.
Ingevolge het Besluit m.e.r. wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen.
Voorziet een bestemmingsplan in een activiteit als genoemd in kolom 1 van lijst C en is het bestemmingsplan voor die activiteit genoemd in kolom 4, dan is sprake van een m.e.r.-plicht. Voorziet een bestemmingsplan in een activiteit als genoemd in kolom 1 van lijst B en is het bestemmingsplan voor die activiteit genoemd in kolom 4, dan is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht.
De toetsing in het kader van de vormvrije - m.e.r. beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG - richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:
Gezien de aard van de ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt (woningbouw) en de activiteiten die worden genoemd in de C-lijst in de bijlage bij het Besluit m.e.r., is geen sprake van een merplicht. Wel is in de D-lijst de volgende categorie (D11.2) opgenomen:
In dit geval is (mogelijk) sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r., aangezien het bestemmingsplan ruimte biedt voor het realiseren van nieuwe woningen. Hoewel de drempelwaarden als genoemd in kolom 2 niet worden overschreden, wordt het bestemmingsplan wel genoemd in kolom 4, waardoor een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. Aangezien in dit geval de gemeente Kerkrade zelf (mede) initiatiefnemer is tot het opstellen van dit bestemmingsplan, is er geen aanmeldnotitie van een initiatiefnemer beschikbaar als bedoeld in artikel 7.16 van de Wet milieubeheer. De gemeenteraad of het college van burgemeester en wethouders dient in dit geval op grond van artikel 7.19 Wet milieubeheer ambtshalve te besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld.
Burgemeester en wethouders hebben op basis van de daarvoor opgestelde notitie, voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan besloten geen milieu-effectrapport op te (laten) stellen.
Op 16 januari 1992 is te Valletta het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed tot stand gekomen (Verdrag van Malta). Op nationaal niveau is dit verdrag vervolgens vertaald, met name door de Monumentenwet 1988 te herzien. De wijzigingswet die daarin heeft voorzien, de zogenaamde Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), is op 1 september 2007 in werking getreden. De Wamz is gestoeld op dezelfde uitgangspunten als het Verdrag van Malta (primair een behoud van archeologische resten in de bodem (in situ), vroegtijdig rekening houden met het aspect archeologie bij ruimtelijke ontwikkelingen en het principe de 'verstoorder betaalt'). Als gevolg van de herziene Monumentenwet 1988 hebben gemeenten een kerntaak bij de uitvoering van de archeologische monumentenzorg. Archeologie is een verplicht onderdeel geworden van ieder bestemmingsplan. Hiermee is archeologie voortaan een onlosmakelijk onderdeel van het ruimtelijk beleid.
Bij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, of bij afwijkingen op bestaande plannen, dient de gemeente aan te geven welke archeologische waarden er in de bodem verwacht worden en hoe men met deze waarden om zal gaan. Op basis hiervan kunnen gemeenten bij de verlening van omgevingsvergunningen eisen stellen met betrekking tot het aspect archeologie.
Voor de regio Parkstad Limburg is een archeologische verwachtingskaart opgesteld, welke door de raad van de gemeente Kerkrade is vastgesteld op 26 juni 2013.
Uitsnede Archeologische verwachtings- en beleidskaart Limburg
Uit de archeologische verwachtingskaart blijkt dat het grootste gedeelte van het plangebied behoord tot waardecategorie 4: gebieden met een middelhoge verwachtingswaarde. Binnen deze categorie geldt een onderzoeksplicht voor ingrepen met een minimale oppervlakte van 2.500 m2 en een verstoringsdiepte van 40 cm. Een kleiner, westelijk, deel van het plangebied behoord tot waardecategorie 5: gebieden met een lage verwachtingswaarde. Binnen deze categorie geldt een onderzoeksplicht voor ingrepen met een minimale oppervlakte van 10.000 m2 en een verstoringsdiepte van 40 cm.
Dit bestemmingsplan biedt een bepaalde flexibiliteit, waardoor het niet opportuun is in de planvormingsfase al archeologisch onderzoek te doen. Om die reden wordt conform het actueel gemeentelijk beleid voorzien in dubbelbestemmingen, waarmee wordt geborgd dat in de vergunningfase zo nodig alsnog onderzoek plaatsvindt.
Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Limburg zijn ten aanzien van de historische geografie de cultuurhistorische elementen en het cultuurlandschap weergegeven.
Uitsnede plangebied op de provinciale kaart cultuurhistorie
Het plangebied is gelegen in een gebied waar geen sprake is van cultuurhistorische waarden. Binnen het plangebied zijn geen Rijks- en/of gemeentelijke monumenten aanwezig. Ook worden er geen historische patronen of elementen verstoord door het planvoornemen. Met het planvoornemen komen derhalve geen cultuurhistorische waarden in het gedrang.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Het wettelijk kader voor de inhoud en de vaststellingsprocedure van een bestemmingsplan wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). De Wro, het Bro en de Rsro bevatten regels ten aanzien van de (digitale) vormgeving, inhoud en raadpleegbaarheid van bestemmingsplannen, met als doel bestemmingsplannen uniform vergelijkbaar en uitwisselbaar te maken.
Een bestemmingsplan bestaat in elk geval uit een verbeelding (kaart) en planregels, die samen het juridisch deel van het bestemmingsplan vormen. Daarnaast gaat het bestemmingsplan vergezeld van een toelichting, die voorziet in de motivatie en onderbouwing van en de toelichting op de keuzes die zijn gemaakt om te komen tot de verbeelding en regels. Een bestemmingsplan kan ook bijlagen bevatten. Indien de bijlagen een relatie hebben met de regels worden ze opgenomen als bijlage bij de regels, zoals bijvoorbeeld een Staat van bedrijfsactiviteiten. Indien de bijlagen bijdragen aan de onderbouwing c.q. motivatie van het plan worden ze opgenomen als bijlage bij de toelichting, zoals rapporten van onderzoeken die ten behoeve van het plan zijn uitgevoerd.
Bij het opstellen van de verbeelding en regels van het bestemmingsplan is voldaan aan het bepaalde in de Wro, Bro en de Rsro. Voor het overige is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke standaarden en plansystematiek. De structuur van het plan is zodanig dat de kaart de primaire informatie geeft over de van toepassing zijnde bestemming. In de regels kan vervolgens worden teruggelezen welke gebruiks- en bouwmogelijkheden voor de betreffende bestemming gelden. Behalve bestemmingen kan de verbeelding onder meer aanduidingen en maatvoeringsvlakken bevatten om binnen een bestemming te kunnen voorzien in maatwerk voor een bepaalde locatie. In dat geval zijn steeds ook regels verbonden aan deze aanduidingen en maatvoeringsvlakken.
De regels zijn conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), welke als bijlage onderdeel uitmaakt van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) opgebouwd en bevatten allereerst begripsomschrijvingen en meetvoorschriften om respectievelijk interpretatie- en meetverschillen uit te sluiten (hoofdstuk 1). Vervolgens zijn in hoofdstuk 2 de regels voor de afzonderlijke bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen, waarbij voor elke bestemming is voorzien in een apart artikel. Voor zover behoefte bestaat aan het opnemen van regels die niet zijn gebonden aan een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele dan wel een gedeelte van het plangebied, dan zijn de betreffende regels opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels. Indien de betreffende regels betrekking hebben op slechts een gedeelte van het plangebied, dan wordt dat op de verbeelding aangegeven door middel van een zogenoemde gebiedsaanduiding.
De bestemmingsregels zijn in beginsel steeds op dezelfde manier opgebouwd:
Hoe gronden met een bepaalde bestemming mogen worden gebruikt is primair beschreven in de bestemmingsomschrijving. Eventuele aanvullingen of uitzonderingen zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels. De bouwregels bevatten de regels ten aanzien van de mogelijkheden om gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op te richten. Zowel ten aanzien van gebruik als bouwen geldt dat binnen een bepaalde marge kan worden voorzien in mogelijkheden om af te wijken van de bouw- en gebruiksregels. Deze mogelijkheden zijn opgenomen onder respectievelijk 'Afwijken van de bouwregels' en 'Afwijken van de gebruiksregels'.
Voor zover gewenst kan in de regels voor een bestemming worden voorzien in een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden. Deze vergunningstelsels dienen dan veelal ter bescherming van binnen de bestemming voorkomende waarden of ter bescherming van bijvoorbeeld ondergrondse leidingen. Indien gewenst kan ook worden voorzien in een bevoegdheid om een bestemming geheel dan wel gedeeltelijk te wijzigingen in een andere bestemming. Dergelijke bevoegdheden worden opgenomen onder het kopje 'Wijzigingsbevoegdheid'.
Naast voornoemde veel voorkomende onderdelen van bestemmingsregels kan worden voorzien in een vergunningstelsel voor het slopen van bebouwing en specifieke procedureregels.
Hierna volgt per bestemming een beschrijving van de opgenomen regels:
Groen
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen in de vorm van parken, plantsoenen, houtopstanden en groenstroken, water- en vijverpartijen, hondenuitlaatplaatsen, verhardingen ten behoeve van ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, fiets- en wandelpaden, voorzieningen voor het vasthouden (infiltratie), bergen en afvoeren van hemelwater en openbare nutsvoorzieningen.
Ten aanzien van bouwwerken ten dienste van het openbaar nut geldt dat de bouwhoogte en oppervlakte maximaal respectievelijk 3 meter en 25 m2 mag bedragen, met uitzondering van verlichtingsarmaturen, die maximaal 8 meter hoog mogen zijn.
Voor de te realiseren bodempassage en de daarvoor benodigde gebouwen en bouwwerken worden specifieke bouwregels opgenomen. De opgenomen maximale bouwhoogtes en maximale oppervlaktes bieden enerzijds voldoende ruimte voor de noodzakelijke voorzieningen, maar borgen anderzijds dat het groene karakter gewaarborgd blijft.
Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter, met uitzondering van erfafscheidingen, antennes en vlaggenmasten.
Daarnaast kan middels een omgevingsvergunning onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van een groter(e) oppervlak en/of hoogte.
Verkeer - Parkeerterrein
De voor 'Verkeer - Parkeerterrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen voor het vasthouden (infiltratie), bergen en afvoeren van hemelwater.
Voor het bouwen van gebouwen geldt als uitgangpunt dat de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen en de oppervlakte van een gebouw niet meer mag bedragen dan 25 m2. Er is daarnaast voorzien in een specifieke regeling voor een tweelaags parkeerdek van maximaal 4 meter hoog en een oppervlakte van maximaal 1.500 m2.
Ten aanzien van bouwwerken ten dienste van het openbaar nut geldt dat de bouwhoogte en oppervlakte maximaal respectievelijk 3 meter en 25 m2 mag bedragen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en voor verlichting, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen.
Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter, met uitzondering van antennes en vlaggenmasten en terreinafscheidingen.
Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van een groter(e) oppervlak en/of bouwhoogte.
Wonen
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en aan huis verbonden beroepen, met de daarbij behorende voorzieningen zoals onder andere tuinen, erven, terreinen, parkeervoorzieningen, verhardingen. In het gebouw met gestapelde woningen zijn op de begane grondlaag sociale voorzieningen toegestaan.
Voor het bouwen van woningen geldt dat woningen uitsluitend mogen worden gebouwd ter plaatse van het op de verbeelding aangeduide bouwvlak, waarbij de voorgevel dient te zijn georiënteerd richting openbaar toegankelijk gebied. Daarnaast geldt dat slechts grondgebonden eengezinswoningen mogen worden gebouwd, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld', waar gestapelde woningen zijn toegestaan. Het aantal woningen dat mag worden gebouwd niet vastgelegd per bouwvlak, maar voor het gehele plangebied. Daarmee wordt flexibiliteit geboden. Het aantal woningen per bouwvlak wordt wel begrensd door de afmetingen van dat bouwvlak en de overige bouwregels die gelden voor het bouwen van woningen. Het maximaal aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan 2, tenzij anders is aangegeven op de verbeelding.
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - walwoningen' is vanwege de (te verwachten) geluidsuitstraling van het naastgelegen gemeenschapshuis voorzien in een extra regel ten aanzien van het aspect geluid. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor een woning dient door middel van een bouwkundig akoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de karakteristieke gevelwering van de gevels van die woning (als bedoeld in NEN 5077) tenminste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van de naastgelegen gemeenschapshuis (Ursulastraat 232) en 33 dB (binnenniveau).
Ten aanzien van bijgebouwen geldt dat deze mogen worden opgericht, vrijstaand van, dan wel aangebouwd aan het hoofdgebouw, met dien verstande dat de bijgebouwen op minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn dienen te worden gebouwd, de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen en de bouwhoogte maximaal 6 meter mag bedragen. Het gezamenlijk oppervlak van bijgebouwen mag niet meer dan 70 m2 per bouwperceel bedragen, met dien verstande dat het bebouwingspercentage van het bouwperceel niet meer dan 50% mag bedragen.
Voor bouwwerken ten dienste van het openbaar nut geldt dat de bouwhoogte en oppervlakte maximaal 3 meter, respectievelijk 25 m2 mag bedragen, met uitzondering van voorzieningen ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer en voor verlichting, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 meter mag bedragen.
Voor bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter, met uitzondering van antennes en vlaggenmasten en terreinafscheidingen.
Door middel van een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van de voorgevel, maatvoering, diepte, een groter bijgebouw, bouwwerken ten dienste van openbaar nut en terreinafscheidingen.
Daarnaast kan middels een omgevingsvergunning onder voorwaarden worden afgeweken van de gebruiksregels ten aanzien ambachtelijke c.q. consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten en bed- and breakfastvoorziening.
Woningsplitsing, kamerbewoning en woningomzetting is expliciet aangemerkt als strijdig gebruik, met dien evrstande dat woningsplitsing wel is toegestaan voor zover het maximum aantal toegelaten woningen binnen het plangebied nog niet is bereikt.
Waarde – Archeologie 4 en 5
Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden. Het bevoegd gezag heeft de bevoegdheid om voorwaarden aan omgevingsvergunningen te verbinden en een onderzoeksrapportage te verlangen. Om verstoring door andere werken- of werkzaamheden te voorkomen is een vergunningstelsel opgenomen voor werken, geen bouwwerk zijnde en voor werkzaamheden. Daarbij gelden de volgende ondergrenzen:
| Bestemming | Ondergrens oppervlakte ingreep | Ondergrens verstoringsdiepte ingreep |
| Waarde - Archeologie 4 | > 2.500 m2 | > 40 cm |
| Waarde - Archeologie 5 | > 10.000 m2 | > 40 cm |
De ondergrenzen ten aanzien van de oppervlakte en de verstoringsdiepte van de ingreep gelden cumulatief. Dat houdt in dat slechts beperkingen gelden indien beide ondergrenzen worden overschreden. Indien slechts één van beide ondergrenzen wordt overschreden gelden geen beperkingen.
Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publiekrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan (in dit geval een bestemmingsplan) of besluit waarop het betrekking heeft. In welke gevallen kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan is eveneens vastgelegd in de Wro c.q. het Bro.
Een deel van het project wordt gerealiseerd door HEEMWonen en voor een deel van de te realiseren woningen worden door de gemeente Kerkrade zelf kavels uitgegeven. Ten behoeve van het project is een sluitende gemeentelijke gebiedsexploitatie opgesteld. Onderdeel daarvan is ook een bijdrage van HEEMWonen aan de grondexploitatie, hetgeen is overeengekomen in een projectontwikkelingsovereenkomst, die wordt aangemerkt als een anterieure overeenkomst in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.
Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voldoende is verzekerd en het verhaal van de daarmee gepaard gaande kosten – voor zover aan de orde – overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening (Grondexploitatiewet) is geborgd door middel van een anterieure overeenkomst.
Dit bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
Dit bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:
Voorbereiding
Ontwerp
Vaststelling
Beroep
Volgens artikel 3.1.1 van het Bro dient de gemeente bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met een aantal instanties voor zover die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of ze zijn belast met de behartiging van belangen die in een plan in het geding zijn. Het voorontwerp van dit bestemmingsplan is op 1 februari 2019 aangeboden aan de betrokken instanties, in het kader van het vooroverleg. Naar aanleiding daarvan zijn twee reacties ontvangen.
De provincie Limburg laten weten geen aanleiding te zien om opmerkingen te maken ten aanzien van het bestemmingsplan.
Het Waterschap Limburg prijst de innovatieve wijze waarop met water wordt omgegaan binnen het plan en heeft enkele verhelderende vragen gesteld. Op basis daarvan isde beschrijving van de wijze waarop met water wordt omgegaan ook verduidelijkt.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 26 september 2019. gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen tegen het plan ingediend. Wel is aanleiding gezien in het bestemmingsplan enkele ambtshalve aanpassingen aan te brengen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan. Deze wijzigingen zijn beschreven in het raadsbesluit.