Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Hoofdstuk 22S Teelebeekstraat ong. Milsbeek
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0907.TI22STeelebsongMIL-VA01

Regels

 
Preambule
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de ontwikkeling op de locatie ‘Teelebeekstraat ong. Milsbeek’ en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22S) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Gennep. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
 
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel)
moet als volgt worden gelezen:
  • Regels: Hoofdstuk 22S Teelebeekstraat ong. Milsbeek van het Omgevingsplan Gemeente Gennep
  • Hoofdstukken: Paragrafen van Hoofdstuk 22S Teelebeekstraat ong. Milsbeek van het Omgevingsplan Gemeente Gennep
  • Artikelen: Artikel 22S.[X] van Omgevingsplan Gemeente Gennep
  • Bijlage: bijlage 22S.a.
 
1 Algemene bepalingen (22S.1)
 
Artikel 1 Begripsbepalingen
 
1.1 Artikel 1.1 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing voor dit hoofdstuk 22S.
1.2 In aanvulling op artikel 1.1, dan wel in afwijking daarvan gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk 22S de volgende begripsbepalingen:
  1. Plan: Omgevingsplan van de gemeente Gennep.
  2. Aan huis verbonden bedrijf: een bedrijf dat in een (gedeelte van) of bij een woonruimte wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door maximaal twee personen waaronder de gebruik(st)er van de woonruimte; hieronder worden tevens internet(web)winkels begrepen
  3. Aan huis verbonden beroep: een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, vastgesteldtechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woonruimte wordt uitgeoefend door maximaal twee personen waaronder de gebruik(st)er, waarbij de woonruimte in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met dien verstande dat er geen detailhandel is toegestaan met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis verbonden beroep.
  4. Ander bouwwerk met een dak: een bouwwerk dat is voorzien van een dak en dat niet is aan te merken als hoofdgebouw of als bijgebouw.
  5. Bed & breakfast: een activiteit ondergeschikt aan een woning die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is.
  6. Beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken: beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet en tot het moment dat die beleidsregels zijn vastgesteld wordt daaronder mede verstaan de gemeentelijke welstandsnota als bedoeld in artikel 4.114, lid 1 Invoeringswet Omgevingswet.
  7. Bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het oorspronkelijk hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het oorspronkelijk hoofdgebouw.
  8. Bouwgrens: de grens van een bouwvlak.
  9. Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels in dit Hoofdstuk 22S een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
  10. Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
  11. Hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de functie die aan een perceel is toegekend in dit Hoofdstuk 22S en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
  12. Huishouden: één of meer personen die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.
  13. Hoofdgebouw: een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
  14. Oorspronkelijk hoofdgebouw: het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd.
  15. Onzelfstandige woonruimte: woonruimte in een gebouw die niet zelfstandig door een huishouden kan worden bewoond, omdat men afhankelijk is van een of meer wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. Tot de wezenlijke voorzieningen behoren de natte cel, toiletruimte en opstelplaats voor een keuken.
  16. Voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.
  17. Voorgevelrooilijn: de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.
  18. Zelfstandige woonruimte: Een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor en gelet op de aanwezigheid van alle wezenlijke voorzieningen geschikt is voor de huisvesting van één huishouden.
 
Artikel 2 Toepassingsbereik
 
  1. De regels in dit hoofdstuk 22S zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22S Teelebeekstraat ong. Milsbeek waarvan de geometrische planobjecten zijn vervat in het gml-bestand NL.IMRO.0907.TI22STeelebsongMIL-VA01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
  2. De besluiten als bedoeld in artikel 22.1 onder a van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22S Teelebeekstraat ong. Milsbeek, zover het regels betreft die zijn opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m van de Invoeringswet Omgevingswet.
  3. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22S Teelebeekstraat ong. Milsbeek, niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22S van dit plan.
 
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan wordt bij het bouwen van bouwwerken op de volgende wijze gemeten:
  1. bouwhoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen;
  2. goothoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  3. dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak;
  4. oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; en
  5. straatpeil:
    1. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; en
    2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
 
Artikel 4 Anti-dubbeltelbepaling
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 5 Normadressaat
 
Aan de regels in dit Hoofdstuk 22S wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
2 Inhoudelijke regels - Functies en gebruiksactiviteiten (22S.2)
 
Artikel 6 Algemeen
 
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.
Artikel 7 Agrarisch
 
7.1 Toepassingsbereik
 
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarische gebruik op de op de verbeelding voor Agrarisch aangewezen locaties.
 
7.2 Doelen
 
De regels die in ditHoofdstuk 22S zijn gesteld voor de voor Agrarisch aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:
  1. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  2. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  3. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  4. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  5. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  6. het beheren van watersystemen;
  7. het gebruiken van bouwwerken;
  8. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden;
  9. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;
  10. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing;
  11. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied;
  12. het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap;
7.3 Toegestane functies
 
Op de voor Agrarisch aangewezen locaties is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
  1. landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting zoals opgenomen in de tekening in bijlage 22S.a Landschapsplan
  2. hobbymatig houden van dieren;
  3. extensieve (dag)recreatie;
  4. wegen en paden;
  5. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  6. met ontsluitings- en parkeervoorzieningen.
Artikel 8 Wonen
 
8.1 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen op de op de verbeelding voor Wonen aangewezen locaties.
 
8.2 Doelen
De regels die in dit Hoofdstuk 22S zijn gesteld voor de voor Wonen aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:
  1. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  2. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  3. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  4. het behoud van cultureel erfgoed;
  5. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  6. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  7. het beheren van watersystemen;
  8. het gebruiken van bouwwerken;
  9. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden;
  10. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;
  11. het bieden van voldoende woonruimte;
  12. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing;
  13. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied;
8.3 Toegestane functies
Op de voor Wonen aangewezen locaties is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor wonen in een woonruimte en de daarbij behorende tuinen en erven en uitsluitend overeenkomstig dit artikel 8.
 
8.4 Algemene regels toegestaan gebruik – wonen in een woonruimte
Het gebruik van gronden en gebouwen voor wonen op een voor Wonen aangewezen locatie als bedoeld in artikel 8.3 is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
  1. in een woonruimte woont niet meer dan één huishouden;
  2. gebruik ten behoeve van onzelfstandige woonruimte is niet toegestaan;
  3. het aantal zelfstandige woonruimten op de voor ‘Wonen’ aangewezen locatie mag niet meer bedragen dan door middel van de aanduiding ‘maximum wooneenheden’ is aangegeven.
8.5 Algemene regels toegestaan gebruik – aan huis verbonden beroep
Het gebruik van gronden en gebouwen op een voor Wonen aangewezen locatie als bedoeld in artikel 8.3 voor een aan huis verbonden beroep is toegestaan onder de volgende voorwaarden:
  1. de oppervlakte van de woning en bijgebouwen die wordt gebruikt voor het aan huis verbonden beroep bedraagt maximaal 50m2;
  2. het onbebouwde deel van het perceel mag niet worden gebruikt voor het aan huis verbonden beroep, met uitzondering van parkeren.
8.6 Algemene regels toegestaan gebruik – erven en tuinen
  1. De functie van het bij een woonruimte behorend erf volgt het gebruik van de woonruimte, waarbij geldt dat het erf mag worden ingericht en gebruikt op een wijze die als een normale inrichting en gebruik van het eigen erf wordt beschouwd;
  2. Onder het toegestaan gebruik als bedoeld in lid 1 wordt ieder geval begrepen: parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en verhardingen tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.
  3. Onder het toegestaan gebruik als bedoeld in lid 1 wordt ieder geval niet begrepen het gebruik als stand- of ligplaats voor kampeermiddelen.
8.7 Algemene regels strijdig gebruik
Het is verboden een bijgebouw bij een woonruimte als zelfstandige of onzelfstandig woonruimte te gebruiken, anders dan op basis van een daarvoor verleende vergunning of anders dan toegelaten op basis van artikel 22.36 van dit omgevingsplan.
 
8.8 Omgevingsvergunningplicht aan huis verbonden bedrijf
Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor Wonen aangewezen locatie als bedoeld in artikel 8.3 gronden en bouwwerken te gebruiken voor een aan huis verbonden bedrijf.
 
8.9 Omgevingsvergunningplicht bed & breakfast
Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor Wonen aangewezen locatie als bedoeld in artikel 8.3 gronden en bouwwerken te gebruiken voor recreatieve nevenactiviteiten in de vorm van bed & breakfast.
 
8.10 Beoordelingsregels aan huis verbonden bedrijf
Het bevoegd gezag verleent de vergunning als bedoeld in artikel 8.6.2 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. het onbebouwde gedeelte van het perceel wordt gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden bedrijf, met uitzondering van parkeren;
  2. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning, met inbegrip van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen, wordt gebruikt voor de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf;
  3. er is geen sprake is van een duurzame ontwrichting van de bestaande distributieve voorzieningen of een ernstige verstoring van de verzorgingsstructuur;
  4. er is geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  5. er vindt geen detailhandel plaats, behalve als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van het aan huis gebonden bedrijf;
  6. er vinden uitsluitend bedrijfsactiviteiten plaats, die zijn opgenomen in categorie 1 of 2 van de als bijlage 1 bij de regels in dit hoofdstuk 22S opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  7. de woonfunctie blijft gehandhaafd;
  8. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
8.11 Beoordelingsregels bed & breakfast
Het bevoegd gezag verleent de vergunning als bedoeld in artikel 8.6.3 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de activiteit vindt plaats binnen de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing;
  2. het bruto vloeroppervlak ten behoeve van bed & breakfast bedraagt maximaal 120 m², waarbij de maximale oppervlakte per slaapverblijf 30 m² mag bedragen;
  3. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
  4. het aantal slaapplaatsen bedraagt maximaal 7.
8.12 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen
  1. De aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.3 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van dit artikel 8.
  2. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan de aan de van toepassing zijnde beoordelingsregels wordt voldaan.
 
Artikel 9 Groen
 
9.1 Toepassingsbereik
Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van groen op de op de verbeelding voor Groen aangewezen locaties.
 
9.2 Doelen
De regels die in dit Hoofdstuk 22S zijn gesteld voor de voor Groen aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:
  1. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  2. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  3. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  4. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  5. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  6. het beheren van watersystemen;
  7. het gebruiken van bouwwerken;
  8. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden;
  9. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;
  10. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing;
  11. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied;
  12. het beschermen en waar mogelijk vergroten van de openheid van het landschap;
 
9.3 Toegestane functies
Op de voor Groen aangewezen locaties is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:
  1. Groenvoorzieningen, bermen en beplanting;
  2. Water en voorzieningen voor waterhuishouding;
  3. Nutsvoorzieningen;
  4. Waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  5. Landschappelijke inpassing, conform het inpassingsplan zoals behorend bij dit TAM plan;
  6. in- en opritten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm groen - inritten’;
9.4 Algemene regels strijdig gebruik
Tot een met de functie strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor parkeren.
Artikel 10 Waarde - Archeologie 4
 
10.1 Voorrangsregeling
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in artikelen 8 en 9.
 
10.2 Doelen
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 4.
 
10.3 Functieomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere daar voorkomende functies, mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.
 
10.4 Bouwactiviteit
 
10.4.1 Omgevingsvergunning
Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen dient de aanvrager van een omgevingsvergunning, voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 50 centimeter, of voor bouwwerken die zich bevinden binnen een vindplaats, zoals aangeduid met de gebiedsaanduiding 'vindplaats', een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.
 
10.4.2 Voorwaarden
Indien uit het in artikel 10.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
  1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
10.4.3 Bouwverbod
Indien uit het in artikel 10.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in artikel genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd.
 
10.5 Omgevingsvergunningen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
 
10.5.1 Andere-werken
  1. Het is verboden voor de 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de volgende andere-werken uit te voeren of te laten uitvoeren:
  2. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt of wanneer er zich een vindplaats bevindt, zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats';
  3. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt of wanneer er zich een vindplaats bevindt, zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats';
  4. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 30 m² of meer bedraagt of wanneer er zich een vindplaats bevindt; zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats';
  5. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
  6. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 meter bedraagt of wanneer er zich een vindplaats bevindt, zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats';
  7. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter of wanneer er zich een vindplaats bevindt, zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats';
  8. het rooien van bos of boomgaard. waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter of wanneer er zich een vindplaats bevindt, zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats';
  9. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter of wanneer er zich een vindplaats bevindt, zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats';
  10. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 centimeter of wanneer er zich een vindplaats bevindt, zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats';
  11. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 50 centimeter waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 2.500 m² of meer bedraagt of wanneer er zich een vindplaats bevindt, zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats'.
10.5.2 Uitzonderingen
Het in lid 10.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op andere-werken welke:
  1. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  2. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
10.5.3 Toelaatbaarheid
  1. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 10.5.1 genoemde andere-werken dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze andere-werken niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.
  2. Voor zover de in artikel genoemde andere-werken dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze andere-werken kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning één van de volgende voorschriften wordt verbonden:
    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. de verplichting tot het doen van opgravingen,
    3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  3. De vergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.
10.6 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
 
10.6.1 Verbod
Het is verboden voor de 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor de activiteit 'slopen', de aanwezige bouwwerken te slopen indien de oppervlakte groter is dan 2.500 m² en de diepte meer dan 50 cm bedraagt gemeten vanaf 30 cm boven het maaiveld of wanneer de bouwwerken zich bevinden binnen een vindplaats, zoals aangeduid middels de gebiedsaanduiding 'vindplaats'.
 
10.6.2 Voorwaarden
Aan de omgevingsvergunning kan in ieder geval de voorwaarde worden gesteld dat de sloop wordt begeleid door een gekwalificeerd deskundige.
 
10.6.3 Meldingsplicht
Indien tijdens de begeleiding van de sloopwerken vondsten van zeer hoge waarden worden aangetroffen, wordt hiervan terstond melding gemaakt bij burgemeester en wethouders die in het belang van de archeologische monumentenzorg aanvullende voorschriften kunnen verbinden aan de omgevingsvergunning.
 
10.6.4 Toelaatbaarheid
De vergunning kan niet worden verleend indien blijkt dat de sloop een onevenredige aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft.
 
3 Bouwactiviteiten (22S.3)
 
Artikel 11 Algemeen
 
11.1 Toepassingsbereik
Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken op een voor ‘Wonen’ en ‘Groen’ aangewezen locatie.
 
11.2 Bouwen ten behoeve van gebruik
Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van het op grond van paragraaf 22S.3 ter plaatse toegelaten gebruik.
 
11.3 Toegelaten bouwactiviteiten
Uitsluitend de volgende bouwwerken mogen worden gebouwd op voor een op grond van paragraaf 22S.2 ter plaatse toegelaten gebruik:
  1. bouwwerken als bedoeld in deze paragraaf 22S.3;
  2. bouwwerken als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden;
  3. bouwwerken als bedoeld paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan, voor zover wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden.
11.4 Bestaande bouwwerken
In aanvulling op artikel 22.40 van dit omgevingsplan is voor het in stand houden van een bestaand bouwwerk geen omgevingsvergunning vereist, mits het een feitelijk bestaand bouwwerk betreft dat is gebouwd:
  1. overeenkomstig een daarvoor verleende omgevingsvergunning;
  2. overeenkomstig algemene regels als opgenomen in dit plan;
  3. overeenkomstig algemene regels, zoals die golden ten tijde van het bouwen van het bouwwerk en, hetgeen ook kan worden aangetoond;
  4. vóór 1945, hetgeen ook kan worden aangetoond.
11.5 Algemene regels– ondergronds bouwen
Voor zover op een locatie op grond van deze paragraaf (paragraaf 22S.3) gebouwen mogen worden gebouwd, mogen gebouwen tevens ondergronds worden gebouwd tot een verticale bouwdiepte van maximaal 4 meter.
 
11.6 Algemene regels – parkeervoorzieningen
  1. Bij het bouwen van een bouwwerk dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
  2. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub 1, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor afwijking zoals genoemd in de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
11.7 Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.35 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van deze paragraaf 22S.3.
Artikel 12 Gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op voor groen aangewezen gronden
 
12.1 Toepassingsbereik
Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op een voor Groen aangewezen locatie.
 
12.2 Bouwverbod gebouwen
Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
 
12.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal:
  1. lichtmasten 6,0 m;
  2. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 3,0 m.
 
Artikel 13 Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde op de voor agrarisch aangewezen gronden
 
13.1 Toepassingsbereik
Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde op een voor Agrarisch  aangewezen locatie.
 
13.2  Bouwverbod gebouwen
Gebouwen mogen niet worden gebouwd.
 
13.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal:
  1. Erf, en terrein afscheidingen maximaal 1 meter.
Artikel 14 Hoofdgebouwen ten behoeve van woonruimte
 
14.1 Toepassingsbereik
  1. Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een hoofdgebouw voor een woonfunctie op een voor Wonen aangewezen locatie.
  2. Voor zover het een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak betreft zoals bedoeld in artikel 15 is daarop niet dit artikel, maar artikel 15 van toepassing.
14.2 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
In afwijking van artikel 22.26 van dit omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw voor een woonfunctie te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor Wonen aangewezen locatie.
 
14.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  1. De vergunningplicht als bedoeld in artikel 14.2 is niet van toepassing indien de voorgenomen bouwactiviteit is genoemd in:
    1. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden;
    2. paragraaf 22.2.7.2 van dit omgevingsplan en wordt voldaan aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden; of
    3. paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan en wordt voldaan aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden.
  2. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in de genoemde paragrafen wordt verwezen naar artikel 22.26, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 14.2 van dit Hoofdstuk 22S.
  3. Artikel 22.23 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
14.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.3 wordt alleen verleend indien:
  1. het gebouw wordt gebouwd op gronden die zijn aangewezen als bouwvlak;
  2. de bebouwingstypologie van het gebouw betreft:
    1. vrijstaand, ter plaatse van de aanduiding vrijstaand;
  3. de voorgevel van het gebouw in een naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak wordt gebouwd, dan wel op maximaal 4 meter achter die grens;
  4. er wordt voldaan aan de volgende minimale afstand(en) tot de zijdelingse perceelsgrenzen:
    1. 2,5 meter aan beide zijden, ter plaatse van de aanduiding vrijstaand;
  5. de diepte van het gebouw:
    1. maximaal 12 meter bedraagt, indien de afstand van de voorste bouwgrens tot de achter bouwperceelsgrens niet meer dan 22 meter bedraagt;
    2. maximaal 12 meter + de afstand boven de 22 meter bedraagt, indien de afstand de voorste bouwgrens tot de achterste bouwperceelgrens wel meer dan 22 meter bedraagt, maar in totaal niet meer dan 15 meter. Indien deze bepaling onder b strijdig is met het bepaalde onder lid 1, is het bepaalde onder b leidend waarbij alsdan de grens van het bouwvlak aan de achterzijde van de woning mag worden overschreden;
  6. De diepte van het gebouw niet minder bedraagt dan:
    1. 6 meter, ter plaatse van de aanduiding vrijstaand;
  7. de goothoogte van het gebouw voldoet aan de ter plaatse van de aanduiding maximum goothoogte (m) opgegeven goothoogte;
  8. de bouwhoogte van het gebouw voldoet aan de ter plaatse van de aanduiding maximum bouwhoogte (m) opgegeven bouwhoogte;
  9. het uiterlijk of de plaatsing van het gebouw, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  10. In afwijking van het bepaalde onder 9 verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.
14.5 Aanvullende beoordelingsregel bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie
Artikel 22.29 sub c, 22.30 en 22.31 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing.
 
Artikel 15 Bijgebouwen
 
15.1 Toepassingsbereik
Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bijgebouw of een ander bouwwerk met een dak op een voor Wonen aangewezen locatie.
 
15.2 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
In afwijking van artikel 22.26 van dit omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bijgebouw of een ander bouwwerk met een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor Wonen aangewezen locatie.
 
15.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  1. In aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 15.2 niet van toepassing indien een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak voldoet aan lid 4 van dit artikel.
  2. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.26, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 15.2 van dit Hoofdstuk 22S.
  3. Artikel 22.23 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
  4. De uitzondering op de vergunningplicht als bedoeld in lid 1 geldt indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. het bijgebouw of ander bouwwerk met een dak staat op de grond;
    2. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw of een vrijstaand ander bouwwerk met een dak bedraagt maximaal 3 meter, de goothoogte van een aangebouwd bijgebouw of ander aangebouwd bouwwerk met een dak bedraagt maximaal 3,3 meter;
    3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande andere bouwwerken met een dak in ieder geval wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;
    4. de dakhelling bedraagt maximaal 55°;
    5. de gezamenlijke oppervlakte van bijbouwen en andere bouwwerken met een dak op een bouwperceel bedraagt niet meer dan is weergegeven in onderstaande tabel:
  
Oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw
Maximale gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen en andere bouwwerken met een dak op een bouwperceel
Kleiner dan of gelijk aan 100 m2
50% van de oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw
Groter dan 100 m2 en kleiner dan 300 m2
50 m2 vermeerderd met 20% van de oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw
Groter dan of gelijk aan 300 m2
90 m2 vermeerderd met 10% van de oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw, tot een maximum van 150 m2
 
  1. Een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt gebouwd op een afstand van minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.
  2. Een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt niet gebouwd aan de naar het openbaar gebied gekeerde zijkant van het hoofdgebouw.
  3. Een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt niet gebouwd binnen 1 meter van het openbaar toegankelijk gebied.
  4. Voor zover het bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt voorzien van een buitenruimte, is deze op de grond gelegen.
  5. Het bijgebouw of ander bouwwerk met een dak ligt aan of bij een hoofdgebouw, niet zijnde:
    1. een woonwagen;
    2. een tijdelijk bouwwerk;
    3. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf
15.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15.2 wordt alleen verleend indien:
    1. de bouwhoogte maximaal 5,5 meter bedraagt;
    2. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en andere bouwwerken met een dak op het bouwperceel niet meer bedraagt dan 150 m2;
    3. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    4. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    5. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    6. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  2. in afwijking van het bepaalde in lid 1 onder f verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.
Artikel 16 Bouwwerken zonder dak
 
16.1 Toepassingsbereik
Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bouwwerk zonder dak op een voor Wonen aangewezen locatie.
 
16.2 Aanwijzing vergunningsplichtige gevallen
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk zonder een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor Wonen aangewezen locatie.
 
16.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  1. In aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 16.2 niet van toepassing indien een bouwwerk zonder een dak te bouwen voldoet aan het bepaalde in artikel 16.4 dan wel 16.5.
  2. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.26, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 16.2 van dit Hoofdstuk 22S.
  3. Artikel 22.23 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
16.4 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht erf- en perceel afscheidingen
De vergunningplicht als bedoeld in artikel 16.2 is niet van toepassing voor een erf- of perceel afscheiding die voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1. de erf- of perceel afscheiding is hoger dan 1 meter, maar niet hoger dan 2 meter;
  2. de erf- of perceel afscheiding staat op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat;
  3. de erf- of perceel afscheiding wordt gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw;
16.5 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht overige bouwwerken zonder dak
  1. De vergunningplicht als bedoeld in artikel 16.2 is niet van toepassing voor een ander bouwwerk zonder dak, niet zijnde een erf- of perceelafscheiding, dan bedoeld in artikel 16.3, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter.
  2. In afwijking van lid 2 is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 16.2 ook niet van toepassing voor een ander bouwwerk zonder een dak, niet zijnde een erf- of perceelafscheiding, dan bedoeld in artikel 16.3, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan:
    1. 6 meter, indien het een lichtmast op een erf of perceel betreft;
    2. 5 meter, indien het een speelvoorziening of kunstwerk betreft.
16.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 16.2 wordt alleen verleend indien:
    1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter;
    2. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    3. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    4. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    5. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 onder e verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.
4 Overige regels (22S.4)
Artikel 17 Gebodsbepaling in stand houden parkeervoorzieningen
 
Indien in het kader van een vergunningplicht als opgenomen in dit Hoofdstuk 22S dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, dient de betreffende parkeervoorziening als aangegeven in de aanvraag en vervolgens is vergund na de aanleg duurzaam in stand te worden gehouden.
Artikel 18 Gebodsbepaling gebruik en in stand houden landschappelijk inpassingsplan
 
18.1 Gebruik
Op de locatie ‘specifieke vorm van wonen – landschappelijke inpassing 1’ wordt een gebouw voor een woonfunctie niet eerder in gebruik genomen dan nadat de landschappelijke inpassing is gerealiseerd overeenkomstig de wijze zoals aangegeven in bijlage 22S.a.
 
18.2 Instandhouding
Op de locaties ‘specifieke vorm van wonen – landschappelijke inpassing 1’ en ‘specifieke vorm van groen – landschappelijke inpassing 1’ wordt de landschappelijke inpassing in stand gehouden overeenkomstig de wijze zoals aangegeven in bijlage 22S.a.