| Plan: | Heiveld Milsbeek |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0907.BP22153HEIVELDMIL-VA01 |
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het zuidelijk deel van het nog aanwezige agrarische restperceel centraal in de bebouwde kom van Milsbeek. De betreffende locatie wordt ontwikkeld voor woningbouw. Het nieuwe woonprogramma bestaat uit 77 grondgebonden woningen in een mix van categorieën (huur en koop). Dit bestemmingsplan maakt de beoogde ontwikkeling in juridisch-planologische zin mogelijk. Op 8 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten in principe medewerking te verlenen aan het woningbouwinitiatief.
Voor de ontwikkeling van het gehele plangebied is, voor het grootste deel, gekozen voor een globale eindbestemming. Deze opzet maakt het mogelijk om de definitieve stedenbouwkundige verkaveling van de nieuwe woonbuurt in een later stadium op ondergeschikte onderdelen te wijzigen en – waar nodig - te verfijnen.
Het plangebied is centraal gelegen in de bebouwde kom van de kern Milsbeek. Kadastraal staat het plangebied bekend als gemeente Ottersum, sectie D, nr. 4.692 (deels). Het plangebied heeft een omvang van circa 2,8 ha en wordt begrensd door:
Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding:
Globale ligging plangebied (rode druppel, bron: maps.google.nl)
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kern Milsbeek', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 26 juli 2013. In het bestemmingsplan is het plangebied grotendeels voorzien van de bestemming 'Agrarisch'. Een klein deel aan de zuidzijde van het plangebied heeft al de bestemming 'Wonen'. Daarnaast is het hele plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'.
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
In aanvulling op het geldende bestemmingsplan heeft de gemeenteraad op 4 juni 2018 het paraplubestemmingsplan 'Parkeren Gemeente Gennep - digitaal' vastgesteld. Dit plan zorgt ervoor dat de geldende parkeernormen juridisch planologisch verankerd zijn. De regeling uit dit bestemmingsplan zal in onderhavig bestemmingsplan moeten worden overgenomen.
De beoogde woningbouwontwikkeling is niet passend binnen de bestaande agrarisch bestemming. Ook binnen de bestaande woonbestemming mogen geen woningen worden gerealiseerd omdat ter plaatse een bouwvlak ontbreekt. Vandaar dat de bestemming voor de gronden in het plangebied moet worden herzien om het beoogde woningbouwplan mogelijk te maken.
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen.
Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.
Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.
Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Het plangebied bestaat op dit moment uit een kort gemaaid weiland met aan de zuidzijde een voetpad tussen de Langstraat en de Plateel. Navolgend een impressie van het plangebied:
Impressie plangebied hoek Heiveld - Pottenbakker in zuidwestelijke richting
Impressie plangebied hoek Plateel - Vuurtest in zuidwestelijke richting
Impressie plangebied langs Plateel nr. 2 in zuidwestelijke richting
Impressie bestaand voetpad en groenzone vanaf de Langstraat in noordoostelijke richting
Er is stedenbouwkundig plan gemaakt (= voorbeeldplan) voor de nieuwe woningen in het plangebied. Het woningbouwprogramma in het plangebied bestaat uitsluitend uit grondgebonden woningen in de vorm van rijwoningen (= aaneengebouwd) en twee-onder-één-kap-woningen (=twee-aaneen).
Stedenbouwkundig plan (Bron: buro Waalburg, d.d. 22 maart 2022)
Planconcept
Het plangebied bestaat in de basis uit drie bouwblokken met rondom een wegenstructuur. Aan de noordzijde, ter hoogte van de toegang tot de nieuwe woonwijk vanaf het Heiveld, is voorzien in een hofje.
Het plangebied haakt op vier plekken aan op de bestaande infrastructuur, waarbij de verbinding aan de zuidzijde richting de Langstraat een bestaande langzaamverkeersverbinding betreft. Dit blijft in de toekomstige situatie een verbinding uitsluitend voor langzaamverkeer.
Programma
Het meest recente woningbouwprogramma van in totaal 77 woningen is als volgt verdeeld over de verschillende woningbouwcategorieën:
Van deze woningen zijn 19 woningen voorzien als levensloopbestendige woningen.
De bebouwing heeft een gevarieerd karakter, wat tot uitdrukking komt in maat, schaal en architectuur van de woningen. De nieuwe woningen worden uitgevoerd met een kap (maximaal twee bouwlagen met kap) en oriënteren zich op de straten rondom de bouwblokken of het hofje aan de noordzijde.
Om de nodige flexibiliteit te behouden, is het woningbouwprogramma niet in een keurslijf gegoten. Dat betekent dat binnen de bestemming 'Woongebied' zowel twee-aaneengebouwde als aaneengebouwde woningen kunnen worden gebouwd, met dien verstande dat het aantal nieuwe woningen nooit meer dan 77 mag bedragen (= optelling van alle aanduidingen 'maximum aantal wooneenheden' binnen de bestemming 'Woongebied').
De meest recente stedenbouwkundige uitwerking van het gebied, vormt nadrukkelijk geen blauwdruk. De verkaveling en differentiatie in het woningbouwprogramma is indicatief en kan op onderdelen nog wijzigen.
Klimaatadaptatie en biodiversiteit
Aan de westzijde van het plangebied is voorzien in een groene afscherming richting het nog resterende agrarisch gebied in de kern Milsbeek. Aansluitend hierop is centraal in het plangebied een brede groenzone opgenomen, waar ruimte is voor een speeltoestel en/of een bankje.
Principe doorsnede ter hoogte van brede groenzone centraal in het plangebied
Aan de noordoostzijde van het plangebied, direct ten westen van de bestaande straten Pottenbakker en Vuurtest, is voorzien in groenstrook met daarin een wadi, om te voorzien in de benodigde waterberging voor de verhardingstoename in het plangebied.
Principe doorsnede ter hoogte van straten Pottenbakker en Vuurtest
Tenslotte is ook aan de zuidzijde van het plangebied, langs de langzaamverkeersverbinding tussen de Langstraat en de Plateel, een wat bredere groenzone voorzien.
Beeldkwaliteit
Er is een beeldkwaliteitplan opgesteld voor de nieuwe woningen in het plangebied. Dit plan is als bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Alle woningen worden uitgevoerd in een landelijke architectuurstijl met baksteen als basis en houten accenten, waarbij de architectuur en de materialisatie nader zijn uitgewerkt en er referentiebeelden zijn opgenomen.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.
De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan. De ligging van het plangebied in het waterbergend regime van de Maas wordt in subparagraaf 3.1.2 getoetst.
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing.
In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in een 'radarverstoringsgebied' met een bouwbeperking voor bouwhoogtes van meer dan 90,0 m t.o.v. NAP. Aangezien de bouwhoogte van de beoogde woningen maximaal twee bouwlagen met kap is, blijft de onderhavige woningbouwontwikkeling ruim onder de maximum bouwhoogte uit het Rarro (=regeling behorende bij het Barro). Daarmee is geborgd dat het planvoornemen niet van invloed is op het radarbeeld van een radarstation.
Op grond van het Barro is het hele plangebied daarnaast aangeduid als rivierbed. Dat betekent dat alleen nieuwe bestemmingen aangewezen kunnen worden als er sprake is van een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft. Bovendien mag de bestemming geen feitelijke belemmering vormen voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier. Een bestemming dient daarom zodanig gesitueerd te worden dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is en dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestaande bebouwde gebied van de kern Milsbeek en is geheel binnendijks gelegen, op circa 1.200 m en meer van het stroomvoerend deel van de rivier. Daarmee vormen de beoogde nieuwe woningen geen belemmering voor de afvoercapaciteit, dan wel het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam. In paragraaf 4.8 Waterhuishouding wordt nader ingegaan op het waterbergend vermogen.
Het Barro vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Deze beleidslijn bevat een kader voor het beoordelen van de toelaatbaarheid - vanuit rivierkundig én ruimtelijk oogpunt - van nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren. Het uitgangspunt van de Beleidslijn grote rivieren is het waarborgen van een veilige afvoer en berging van rivierwater, onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden, en het bieden van voldoende ontwikkelingsmogelijkheden voor overheden om te zorgen voor een goede ruimtelijke ordening. De beleidslijn gaat uit van een eigen risico en verantwoordelijkheid ten aanzien van ontstane schade door hoog water voor activiteiten in het rivierbed.
Planspecifiek
Onderhavig plangebied is navolgend weergegeven op het kaartbeeld behorend bij de Beleidslijn Grote Rivieren. Hieruit volgt dat het plangebied is aangewezen als ‘Gedeelte van het rivierbed waar §6 van Hoofdstuk 6 van het Waterbesluit niet van toepassing is (artikel 6.16 van het Waterbesluit)’. Dat het plangebied binnen dit gebied ligt betekent dat fysieke ingrepen zijn vrijgesteld van vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken. Als gevolg van de ligging in het rivierbed kan er wel hoogwater optreden. Bouwen in deze in het rivierbed gesitueerde ‘artikel 6.16-gebieden’ gebeurt net als elders in het rivierbed op eigen risico. Ingeval van hoogwaterschade wordt zowel door het Rijk als de gemeente geen recht op schadevergoeding erkend.
Uitsnede kaart bijlage Waterbesluit met globale aanduiding plangebied (paarse omkadering)
Nieuwe ontwikkelingen t.a.v. status rivierbed
In juni 2020 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat het besluit genomen om de status rivierbed achter de dijken langs de Maas op te heffen. Hierna enkele relevante passages uit de brief:
De minister liet op 30 maart 2021 in een brief aan de Tweede Kamer weten dat tussen Rijk en regio overeenstemming is bereikt over de nadere uitwerking van deze ontwikkelruimte in de Lob van Gennep, waarin onderhavige locatie is gelegen. In de toekomst zijn er daardoor meer mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling in het gebied Lob van Gennep. De status rivierbed komt te vervallen zodra de schop de grond in gaat om de dijk te laten voldoen aan de waterveiligheidsnorm. Dat zal omstreeks 2025 gebeuren. Met het vervallen van de status rivierbed vervalt voor inwoners en bedrijven ook de individuele vergunningplicht voor bouwwerken op grond van de Waterwet. In plaats daarvan komen er randvoorwaarden in het omgevingsplan (het huidige bestemmingsplan). Dit maakt het voor inwoners en ondernemers eenvoudiger om hun woning of bedrijf te realiseren of uit te breiden. Ook komen na het vervallen van de status rivierbed alle gerealiseerde en nog te realiseren bouwwerken in aanmerking voor schadevergoeding volgens de Wet tegemoetkoming schade bij rampen. Het recht op schadevergoeding na een overstroming wordt hiermee voor iedereen gelijk."
De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:
'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'
In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.
Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 12 woningen of meer gezien als stedelijke ontwikkeling.
Planspecifiek
In het Bro is opgenomen wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan; dit betreft ‘een ruimtelijke
ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel,
woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking plaatsgevonden. De rapportage van deze toets is als bijlage 2 bij deze toelichting gevoegd. In deze toets wordt geconcludeerd dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Daarnaast is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling binnen het verzorgingsgebied zowel voorziet in een kwantitatieve behoefte als in een kwalitatieve behoefte. Deze behoefte kan worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied, waarvan het plangebied onderdeel uitmaakt:
Op basis van de ladderonderbouwing wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten van Limburg de 'Provinciale Omgevingsvisie Limburg' vastgesteld. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030 - 2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen.
Op het gebied van wonen en leefomgeving liggen regionaal bepaalde uitdagingen én kansen. Limburg scoort op het punt van besteedbaar inkomen, arbeidsparticipatie, sociale contacten, vertrouwen en gezondheid beduidend slechter dan het Nederlands gemiddelde. Daarom kijkt de provincie met haar beleid voor wonen niet alleen naar de woonbehoefte en de kwaliteit en betaalbaarheid van de woning én de woon- en leefomgeving, maar wordt gekozen voor een bredere aanpak. De provincie heeft de ambitie om de brede welvaart van de Limburger te verbeteren. Daarbij worden kansen gezien om een bijdrage te leveren aan de klimaat-, energie-, verduurzamings-, ruimtelijke- en mobiliteitsopgaven die er voor de woningmarkt en in de bebouwde omgeving liggen.
De provincie wil samen met haar partners een voortreffelijke woon- en leefomgeving realiseren. Een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelfgekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn.
Zodoende faciliteert de provincie flexibiliteit op de woningmarkt én stimuleren zij flexibele woonvormen waardoor aan de veranderende woonwensen en –behoeften van een diversere groep mensen tegemoet gekomen kan worden in zowel de bestaande bouw als nieuwbouw.
Daarnaast laat de provincie de component ‘wonen’ méér zijn dan alleen de spreekwoordelijke stenen. Door in samenhang naar woonopgaves te kijken, legt de provincie op wijk- en buurtniveau de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven (wonen, zorg, welzijn en leefbaarheid) en een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving met gevarieerde woonmilieus. Daarmee wil de provincie verdere segregatie voorkomen en ruimtelijk sturen door te prioriteren op inbreiding (herstructurering/ herbestemming), conform de principes van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Planspecifiek
Wonen is in beginsel alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. De beoogde ontwikkeling sluit hier bij aan en betreft een intensivering van de kern Milsbeek binnen bestaand stedelijk gebied (zie hierna in subparagraaf 3.2.2). Dit past bij de beleidskeuze van de provincie om de ruimte in bestaand bebouwd gebied optimaal te benutten. Verder is het beoogde woningbouwplan in lijn met de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024 (zie subparagraaf 3.3.1).
Provinciale Staten hebben op 12 december 2014 de 'Omgevingsverordening Limburg 2014' vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid juridische binding te geven. Er moet voldaan worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets heeft reeds plaatsgevonden in het kader van het nationale beleid (zie subparagraaf 3.1.4).
Op 17 december 2021 hebben Provinciale Staten van Limburg de nieuwe Omgevingsverordening Limburg vastgesteld. Deze zal pas in werking treden op het moment dat de Omgevingswet ingaat (verwachte inwerkingtredingsdatum: 1 januari 2024). Omdat onderhavig bestemmingsplan in het kader van het overgangsrecht nog onder de Wet ruimtelijke ordening valt (het ontwerp is ter visie gelegd voor 1 januari 2024) is nog getoetst aan de 'oude', maar nog steeds geldende Omgevingsverordening Limburg 2014.
Planspecifiek
Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied niet ligt binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap.
Uit kaart 2 'Duurzame verstedelijking en bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014' blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het 'bebouwd gebied'. Zie navolgende uitsnede:
De Omgevingsvisie zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. Voor de afbakening van ruimtelijke functies binnen het 'bestaand stedelijk gebied', kan worden aangesloten bij de omschrijving in artikel 1.1.1 van het Bro. Het gaat daarbij om een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca en de daarbij behorende openbare en of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur”. Anders gezegd: het gaat dus om bestaand bebouwd gebied van steden en plattelandskernen. Binnen deze gebieden is stedelijke ontwikkeling zondermeer mogelijk.
Overigens is het plangebied ook in de nieuwe Omgevingsverordening, die naar verwachting per 1 januari 2024 in werking treedt, op kaart 10 'Wonen, werken en recreëren' onderdeel van het bestaand stedelijk gebied en voorzien van de aanduiding 'Landelijke kern'.
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
De gemeenteraad heeft de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 - 2024 vastgesteld op 14 september 2020. Het is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo, Venray sturing geven aan de regionale woningmarkt.
De gemeente geeft aan dat het hierin geformuleerde regionale beleid kader is voor de gemeentelijke woonvisie. De regionale woonvisie benadrukt vooral de kwalitatieve aspecten van het woonbeleid, en in het bijzonder de “mismatch” tussen de huidige woningvoorraad (veel eengezinswoningen) en de toekomstige bevolkingssamenstelling (meer kleine huishoudens). Daarnaast is in het kader van het plan in Milsbeek de regionale aandacht voor de leefbaarheid in kleine kernen van belang. De regio kiest er vooral voor om te werken met een kwalitatieve richtlijn. Daarvoor geldt een kwalitatieve toets.
De regio gebruikt weliswaar de provinciale “Progneff”-prognose als (kwantitatieve) referentie maar wil deze niet als absoluut interpreteren, omdat er vele factoren zijn die van invloed zijn op de daadwerkelijke woningbehoefte. Dat betreft met name de migratie.
De regionale visie geeft aan: “(…) voor een aantal regiogemeenten geldt hierbij ook dat de invloed van internationale werknemers die zich hier permanent of voor langere tijd vestigen groter wordt. Wat de effecten hiervan precies zijn voor de langere termijn is niet precies te voorspellen. Het ligt echter voor de hand dat deze effecten op de een of andere manier merkbaar worden op de woningmarkt. Daar moeten we dan op inspelen.
Daarnaast zijn de gevolgen merkbaar van de ‘woningnood’ in de Randstad. Makelaars en ontwikkelaars signaleren een trek vanuit het westen van het land (files, hoge huizenprijzen), naar het oosten (rust, ruimte en betere prijs-kwaliteitverhouding voor woningen). Ook is er sprake van een overloop uit stedelijke gebieden zoals Nijmegen en Eindhoven naar onze regio. (…)Dit alles pleit ervoor om de vraagstukken en opgaven waar we voor staan minder vanuit de aantallen aan te vliegen. Het is veel meer een kwalitatief vraagstuk geworden. Vanuit deze context moet deze nieuwe visie dan ook bezien worden”.
Tenslotte geeft de regio aan dat ook de extramuralisering van de zorg voor extra woningbehoefte zorgt. De regio stelt dat mede als gevolg van genoemde factoren de in het verleden veelal voorspelde bevolkingskrimp zich niet heeft voorgedaan en dat het moment waarop de huishoudensafname in de prognoses optreedt, steeds verder in de tijd opschuift.
Planspecifiek
Op 25 april 2022 heeft een toetsing van het voorliggende plan plaatsgevonden aan de bestuursafspraken in de regio, die tot regionale afstemming heeft geleid. Die toetsing levert het volgende resultaat op:
Het voorliggende woningbouwplan is daarmee in lijn is met het gestelde in de regionale woonvisie en akkoord bevonden.
De gemeenteraad heeft de 'Omgevingsvisie Gennep', vastgesteld op 23 september 2019. Deze visie is opgesteld vooruitlopend op de invoering van de omgevingswet en geeft richting aan het beleid voor de komende tijd. In de Omgevingsvisie zijn vier speerpunten opgenomen:
Belangrijke opgave voor de gemeente Gennep is het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Voor het definiëren van het begrip 'ruimtelijke kwaliteit' hanteert de gemeente de volgende vier waarden:
Bij planvorming moet vanaf het eerste idee tot aan de realisering en het beheer samen gelet worden op de ruimtelijke kwaliteit.
In de Omgevingsvisie wordt ingezet op het realiseren van een woningmarkt, die voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek biedt. Voor een gezonde woningmarkt wil de gemeente werken aan een woningaanbod dat kwalitatief én kwantitatief aansluit op de toekomstige woonbehoefte. Met een divers woningaanbod, om zowel voor ouderen als jongeren voldoende toegankelijke woningen te hebben.
Planspecifiek
Op de speerpuntenkaart is het plangebied aangeduid als onderdeel van de bestaande kern van Milsbeek. Na afronding van de nieuwbouwwijk ‘Zwarteweg e.o.’ (oorspronkelijk 176 woningen) met het plan Draaischijf e.o. (direct ten oosten van het plangebied) bestaande uit 19 intramurale zorgeenheden en 12 grondgebonden woningen, is er geen grotere nieuwbouwwijk meer in ontwikkeling in de kern Milsbeek, waar nieuwe woningen gerealiseerd kunnen worden, om de kern een krachtige woningbouwimpuls te geven.
Er zijn aanvullend op het plan Draaischijf e.o. nog twee locaties waar meer dan 5 woningen worden gerealiseerd worden. Dit betreft de locatie Rijksweg 35 (11 sociale huurappartementen en 7 grondgebonden levensloopbestendige woningen) en de locatie van de voormalige steenfabriek (22 dure vrijstaande grondgebonden woningen). Dit laatste plan betreft een exclusief woonmilieu, dat niet alleen gericht is op de inwoners van Milsbeek, maar als exclusief woonmilieu een meer regionale aantrekkingskracht zal hebben.
De beoogde grondgebonden woningen in het plangebied worden gesitueerd in meerdere bouwblokken zodat het plangebied stedenbouwkundig gezien makkelijk doorkruisbaar is en op zorgvuldige wijze kan worden aangepast aan de westzijde van het bestaande stedelijk weefsel van de wijk Zwarteweg e.o.. Aan de noordzijde wordt gebruik gemaakt van de bestaande verbinding via de Vuurtest en de Pottenbakker richting de straat Heiveld. Richting de Langeweg aan de zuidzijde kan gebruik gemaakt worden van de bestaande langzaamverkeersverbinding.
Daarnaast voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een groot aanbod aan sociale en middeldure rijwoningen (45 woningen, = ruim 58 % van 77 woningen), waaraan momenteel een grote, nog steeds groeiende behoefte bestaat bij zowel starters als senioren. Het aanbod van levensloopbestendige woningen wordt met 19 woningen uitgebreid (= circa 25 % van 77 woningen). Zodoende draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan het behoud en de ontwikkeling van de leefbaarheid in de kern Milsbeek.
Kwaliteitsmenu
De gemeente heeft voor ontwikkelingen in de kernen een regeling, het kwaliteitsmenu. Deze regeling geeft kansen voor ontwikkelingen waarbij de kwaliteit van de leefomgeving in de kernen verbeterd.
Een (particuliere) ontwikkelaar die de kwaliteitsverbeterende maatregel op eigen terrein wil realiseren, kan dit doen mits voldaan wordt aan de algemene voorwaarden voor kwaliteitsverbeteringen:
De kwaliteitsverbetering voor onderhavig plan is geborgd via het sluiten van een anterieure overeenkomst en (deels) via voorwaardelijke verplichtingen en betreft de volgende maatregelen die in het woningbouwplan zelf verwerkt zijn:
Het voorliggende woningbouwplan is daarmee in lijn is met het gestelde in de gemeentelijke Omgevingsvisie.
De gemeenteraad van Gennep heeft de nieuwe woonvisie ‘Samen bouwen we een thuis voor iedereen’ op 7 november 2022 vastgesteld.
De gemeente zet in op de realisatie van toekomstbestendige woonsegmenten die aansluiten bij de huishoudensontwikkeling. De prognoses van de huishoudensontwikkeling laten zien dat de huidige en toekomstige woningvraag leidt tot een groeiopgave van het aantal woningen. Maar de gemeentelijke ambitie is groter. Er is een grote druk op de woningmarkt en een overloop uit omliggende regio’s. Daar wil de gemeente ruimte voor bieden.
De gemeente wil haar woningvoorraad uitbreiden met 370 - 500 woningen tot 2030 en houdt hierbij rekening met minimaal 30% overprogrammering (650 woningen) in verband met mogelijke planuitval c.q. - vertraging. Daarnaast voert de gemeente een onderzoek uit naar de wenselijkheid van een hogere bouwambitie met het oog op het gewenste voorzieningenniveau in de kernen.
De gemeente wil vooral nieuwbouw die inspeelt op de kwalitatieve vraag, woningtypen die nu nog onvoldoende aanwezig zijn en waar de komende jaren behoefte aan blijft. Het accent ligt daarbij op:
Voor grotere bouwlocaties (vanaf circa 15 woningen) hanteert de gemeente een gedifferentieerd bouwprogramma als uitgangspunt, bestaande uit in ieder geval 50 % betaalbare woningen (25 - 30 % sociale huur en 5 - 10 % sociale koop laag tot € 250.000), 15 % middenhuur en koop tot NHG, en daarnaast ook 30 % levensloopbestendige woningen/patiowoningen/bungalows/hofwoningen. Schematisch ziet dat er zo uit:
Planspecifiek
Milsbeek is aantrekkelijk voor gezinnen met kinderen uit Nijmegen (goede school, rustige omgeving, goede bereikbaarheid). Nieuwkomers zullen vooral naar het bestaande woningaanbod kijken. Om daar ruimte in te maken moeten er wooneenheden voor ouderen komen waardoor doorstroming en verjonging wordt gerealiseerd. Daarnaast biedt het aanbod ook te weinig mogelijkheden voor jongeren die in Milsbeek willen blijven wonen. In feite betekent dit, dat er gekeken moet worden voor woningen voor zowel jongeren als ouderen.
Het aantal huishoudens tot en met 30 jaar en boven jaar 60 - stijgt. Accenten voor woningbouw:
Omdat de afstemming over het stedenbouwkundige programma met de gemeente heeft plaatsgevonden voor de vaststelling van de woonvisie uit 2022 (dus nog op basis van de vorige woonvisie) hoeft de voorgenomen woningbouwontwikkeling kwalitatief niet helemaal te passen binnen de verdeling van de woningen over de sociale categorieën uit de woonvisie:
In totaal valt 32,5 % van de woningen in het sociale segment. Daarnaast valt 26 % van de woningen in de middeldure huur/ middeldure koop (tot NHG-grens). In totaal valt daarmee 58,5 % van de woningen in de categorie betaalbaar, ruim meer dan het uitgangspunt van 50 % uit de nieuwe woonvisie.
Ook is er een breed aanbod levensloopbestendige woningen: circa 25 % verdeeld over alle woningcategorieën, waarbij het ook mogelijk is om aanvullend hierop de standaard twee-onder-een-kapwoningen levensloopbestendig uit te voeren.
Wel past het voornemen kwantitatief binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (en daarmee binnen de regionale woonvisie, zie verder subparagraaf 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking). De aantallen wooneenheden voor onderhavig planvoornemen zijn regionaal afgestemd en akkoord bevonden. Bovendien voorziet de ontwikkeling in een behoefte in het grondgebonden (koop)segment, deels geschikt om levensloopbestendige woningen te realiseren.
Het voorliggende woningbouwplan is daarmee in lijn met het gestelde in de gemeentelijke woonvisie.
Op 14 september 2015 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen 2015 vastgesteld. De nota beoogt het vastleggen van de parkeernormen in de gemeente Gennep en het bepalen van een transparant en eenduidig toepassingskader. Aan de hand van de parkeernormen kan de parkeerbehoefte van toekomstige ruimtelijke plannen en -ontwikkelingen berekend worden. Het parkeerbeleid heeft tot doel de bereikbaarheid en leefbaarheid in de gemeente Gennep te waarborgen.
De geldende parkeernormen zijn juridisch planologisch verankerd in het paraplubestemmingsplan 'Parkeren Gemeente Gennep - digitaal'.
Planspecifiek
In subparagraaf 4.1.2 van deze toelichting wordt de voorliggende ontwikkeling getoetst aan de parkeernormen zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen 2015.
De gemeente hecht belang aan een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. De verschijningsvorm van gebouwen is daarbij een belangrijke factor. Daarom heeft de gemeente Gennep welstandbeleid vastgesteld, waarmee de gemeente heeft bepaald in welke gebieden er (strikte) regels voor beeldkwaliteit gelden en in welke gebieden er minder of zelfs geen regels van toepassing zijn. De welstandnota “Visie welstandsbeleid district Noord-Limburg" (juli 2003) is in 2004 vastgesteld. In 2008 is het beleid op enkele onderdelen aangepast, maar de nota uit 2003 is op hoofdlijnen nog steeds actueel.
Planspecifiek
Voor het voorliggende plangebied geldt een regulier welstandsniveau. Dat betekent dat het beleid erop gericht is de thans aanwezige kwaliteiten zoveel mogelijk te handhaven. De beoogde woningbouwplannen worden in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen voorgelegd aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit.
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.
Er is een onderzoek uitgevoerd naar de voertuiggeneratie en de verkeersafwikkeling als gevolg van de beoogde woningbouwontwikkeling in het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 3 bij de toelichting gevoegd.
Voor het bepalen van de voertuiggeneratie is gebruik gemaakt van publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' van het kennisinstituut CROW. In deze publicatie wordt op basis van stedelijkheidsgraad, ligging, type woning en prijssegment de verkeersgeneratie per woning bepaald. Dit betreft het aantal auto-bewegingen per woning op een gemiddelde weekdag.
De gemeente Gennep wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid aangemerkt als een 'niet stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen binnen de zone 'rest bebouwde kom'.
In het meest recente stedenbouwkundig plan (zie paragraaf 2.2) wordt uitgegaan van 77 woningen, verdeeld over de volgende categorieën:
De CROW-publicatie kent een minimum en maximum voertuiggeneratie. Veelal wordt in onderzoeken als deze gebruik gemaakt van de gemiddelde voertuiggeneratie. Er is ‘worst-case’ uitgegaan van de maximum voertuiggeneratie en van minder sociale huurwoningen. Hierdoor zijn er meer voertuigbewegingen in de berekening meegenomen, dan er in de praktijk zullen zijn:
Afwikkeling, wegen
In de huidige planvorming wordt het plangebied aangesloten op de wegen Vuurtest en Plateel. De verwachting is dat het overgrote deel van het verkeer vanuit en richting het plangebied de route door de bestaande wijk zal rijden om zo via de Zwarteweg op de Rijksweg (N271). Vanaf de Rijksweg zelf zal het verkeer zich sterk verdelen. In deze rapportage is daarom gekeken naar de wegen tot aan de N271. Per wegdeel is gekeken naar wegbreedte, functie, huidig verkeer en restcapaciteit. Hieruit komt naar voren dat voor alle wegdelen geldt dat de restcapaciteit op een werkdag ruim boven de 1.000 voertuigen ligt. De ritgeneratie vanuit de planontwikkeling bedraagt minder dan 700 voertuigen per weekdag. Het verkeer ten gevolge van de planontwikkeling kan dus goed afgewikkeld worden op het bestaande wegennet.
Afwikkeling, kruispunten
De intensiteiten in de wijk zelf zijn van dusdanig lage aard dat met de aanwezige inrichting hier geen problemen ontstaan. De twee kruisingen die wel beoordeeld worden zijn de volgende:
Voor beide aansluitingen is een inschatting gemaakt van de stromen:
Conclusie
De verwachte voertuiggeneratie van de planontwikkeling bedraagt minder dan 700 ritten op een gemiddelde werkdag. Deze toename kan zowel op de wegvakken als de kruispunten verwerkt worden.
Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de normen zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Gennep 2015', die gebaseerd zijn op de (inmiddels door CROW-publicatie 381 vervangen) CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. De gemeente Gennep is qua stedelijkheidsgraad aan te merken als 'weinig stedelijk' gebied en het plangebied maakt onderdeel uit van de 'rest bebouwde kom'.
De parkeerkencijfers uit de publicaties van CROW worden weergegeven in de vorm van een bandbreedte. De gemeente Gennep gaat bij het bepalen van de parkeerbehoefte uit van het gemiddelde van deze bandbreedte. Dit komt neer op 2,0 parkeerplaatsen per woning (inclusief bezoekersparkeren), voor reguliere woningen en 1,5 parkeerplaatsen per woning voor levensloopbestendige (senioren)woningen:
| Functie | Aantal | Parkeernorm/ eenheid | Totaal |
| Woonhuis (bewoners en bezoekers) | 58 | 2,0 | 116,0 |
| Levensloopbestendige (senioren)woning (bewoners en bezoekers) | 19 | 1,5 | 28,5 |
| Totaal | 144,5 | ||
Voor de realisatie van de beoogde 77 woningen betekent dit dat er afgerond 145 parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, waarvan 77 x 0,3 = 23,1, afgerond 24 openbaar toegankelijke bezoekersparkeerplaatsen. Aan beide eisen wordt voldaan in de meest recente verkavelingsopzet.
In navolgende tabel is het aantal parkeerplaatsen weergegeven, waarbij alleen de zuidelijk gelegen twee-onder-een-kapwoningen (8 stuks) beschikken over een dubbele parkeerplek op de eigen oprit:
| Type | Aantal | Berekeningsaantal | Subtotaal |
| Openbaar haaks | 70 | 1,0 | 70,0 |
| Openbaar langs | 43 | 1,0 | 43,0 |
| Oprit, enkel | 20 | 1,0 | 20,0 |
| Oprit, dubbel | 8 | 2,0 | 16,0 |
| Totaal | 149,0 | ||
Van de 149 aanwezige parkeerplaatsen, zijn er 113 openbaar toegankelijk.
Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd, dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning verleend kan worden.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan dan ook alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen).
Voor de ontwikkeling van het plangebied is vanwege de functieverandering van agrarisch naar wonen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van het onderzoek is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd.
Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de resultaten van het vooronderzoek van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. Op basis van de in het vooronderzoek verzamelde gegevens is de locatie als grootschalig onverdacht beschouwd. Veld- en laboratoriumwerkzaamheden zijn derhalve uitgevoerd conform de strategie grootschalig onverdacht uit de NEN 5740.
Uit het onderzoek volgt dat aan de oostzijde van het onderzoeksgebied een terrein van circa 420 m² verhard is met menggranulaat. Bij toetsing als bodem is het materiaal licht verontreinigd met minerale olie en PAK’s. Bij toetsing aan de normen voor bouwstoffen is sprake van herbruikbaar materiaal.
De grond uit de bovenlaag (0 - 0,5 m -mv) van het zuidelijke deel van het gebied is licht verontreinigd met PCB’s. De grond uit de bovenlaag van het resterend terrein is, evenals de grond uit de onderlaag (0,5 - 2 m -mv), niet verontreinigd met één van de componenten waarop is onderzocht. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met koper en/of barium.
De hypothese niet-verdachte locatie dient voor de bovengrond formeel te worden verworpen en kan voor de ondergrond en het grondwater worden aangenomen op basis van de onderzoeksresultaten.
Op basis van de onderzoeksresultaten hoeven er geen restricties gesteld te worden aan aan- of verkoop van of aan toekomstige bouwactiviteiten op de onderzoekslocatie.
De lichte verhoging met PCB’s in de bovengrond en zware metalen in het grondwater vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar.
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.
Voor de geluidsgevoelige gebouwen en terreinen die binnen bepaalde afstanden (zones) van de verschillende geluidsbronnen liggen, schrijft de Wgh voor dat een aangewezen bevoegd gezag (meestal Burgemeester en Wethouders) (maatwerk)grenswaarden bepaalt. De terminologie die de wet hiervoor hanteert is: ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. De getalsmatige invulling van deze grenswaarden voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort. Naast grenswaarden op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen, zijn er in de Wgh ook grenswaarden gericht op de bescherming van het akoestische klimaat binnen de bestaande gebouwen.
De grenswaarden moeten bij de aanleg, dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein in acht worden genomen. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of bij een projectbesluit wanneer de betreffende gronden/gebouwen voor een geluidgevoelige functie in een geluidszone zijn gelegen. Onder bepaalde voorwaarden is een hogere geluidsbelasting dan de voorkeursgrenswaarde mogelijk (tot de maximaal toelaatbare geluidsbelasting). Hiervoor moet een “hogere waarde procedure” worden doorlopen door het college van burgemeester en wethouders. Een uitzondering waar toetsing aan de grenswaarden niet hoeft, is wanneer een geluidsgevoelig gebouw een zogenoemde 'dove' gevel heeft. Een 'dove gevel' is een bouwkundige constructie:
Bij ontheffing van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting kan (in het kader van de omgevingsvergunning) een nader akoestisch onderzoek noodzakelijk zijn ten behoeve van het woon- en leefklimaat in de woning. De karakteristieke geluidwering van de gevel moet voor nieuwbouw zodanig zijn dat wordt voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit, zijnde het verschil tussen de geluidsbelasting op de gevel en het gewenste binnenniveau met een minimum van 20 dB.
Wegverkeerslawaai
In de Wgh en het Bgh is de zonering van wegen en het daarbij horende normenstelsel geregeld. Een zone is het akoestisch aandachtsgebied. Volgens de Wgh bevinden zich langs alle wegen wettelijke geluidzones, met uitzondering van woonerven, 30-km/uur-gebieden en wegen waarvan op grond van een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsniveaukaart blijkt dat de geluidsbelasting op 10 m uit de meest nabij gelegen wegas 48 dB of minder bedraagt.
Bij vaststelling van een bestemmingsplan moet voor alle wegen waarvan de zone een overlap met het plangebied kent, een akoestisch onderzoek worden verricht (artikel76 lid 1 Wgh). De breedte van deze zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk), zie navolgende tabel.
Overzicht zonebreedtes (vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg)
De definities van het buitenstedelijk en stedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 van de Wgh. Als buitenstedelijk gebied wordt aangemerkt het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg, die binnen de bebouwde kom ligt. Voor nieuwe woningen bedraagt de wettelijke (voorkeurs)grenswaarde 48 dB.
In het kader van een goed woon- en leefklimaat is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd vanwege de geluidsbelasting van 30 km/uur wegen op de nieuwe woningen in het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd.
Uit resultaten blijkt dat de geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer voor het plangebied geen belemmering vormt voor een goed woon- en leefklimaat. De hoogst berekende waarde is 42 dB na aftrek. Als deze geluidsbelasting wordt vergeleken met de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder (zijnde 48 dB), dan voldoet deze ruimschoots.
Door de verkeersaantrekkende werking van het plan neemt de geluidsbelasting bij de bestaande woningen toe ten opzichte van de huidige situatie en bedraagt in de toekomstige situatie maximaal 45,8 dB. Dit is nog ruimschoots onder de voorkeurswaarde van 48 dB, zodat er ook bij de bestaande woningen in de toekomstige situatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.
Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'
Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een rustige woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.
In de directe omgeving van het plangebied komen vrijwel uitsluitend burgerwoningen voor. Desondanks heeft er een onderzoek naar het aspect milieuzonering plaatsgevonden. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 5 bij de toelichting gevoegd:
Het plangebied valt na de bouw van de woningen aan te duiden als ‘rustige woonwijk’. Het geldende bestemmingsplan 'Kern Milsbeek 2012' staat de bedrijfsfuncties ‘Horeca’, ‘Bedrijf’ en ‘Maatschappelijk’ toe in het bestemmingsplangebied. De overige toegestane functies hebben geen richtafstand en zijn daarom niet onderzocht.
Voor de bovenstaande functies staat in de begeleidende documenten beschreven dat bedrijven tot en met milieucategorie 2 zijn toegestaan. Voor bedrijven in deze milieucategorie, in het gebiedstype rustige woonwijk, geldt een richtafstand van 30 m. Het maatgevend milieuaspect is in alle gevallen ‘geluid’.
Op navolgende afbeelding zijn de richtafstanden van de betreffende milieucategorieën, horend bij de bestemmingen, geprojecteerd op de omgevingskaart. Op deze afbeelding is te zien, dat het plangebied geheel buiten de richtafstanden ligt van de bedrijven in de omgeving:
Projectie richtafstanden (zwarte lijnen) op de omgevingskaart in relatie tot het plangebied
Voor de woningen is in het kader van het aspect ‘milieuzonering’ sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
De paragraaf luchtkwaliteit in de Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als:
Als aannemelijk kan worden gemaakt dat aan één of meerdere van de bovengenoemde criteria wordt voldaan, kan het project zonder toetsing aan de gestelde grenswaarden voor luchtkwaliteit worden uitgevoerd.
In de Ministeriële regeling 'niet in betekenende mate bijdragen' zijn voor verschillende categorieën van projecten grenzen gesteld aan de projectomvang, waaronder een project met zekerheid NIBM bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht.
Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 m van een provinciale weg of 300 m van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. De zones worden afgemeten vanaf de rand van de weg. In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien.
In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van maximaal 77 wooneenheden mogelijk en valt daarmee ruimschoots binnen de NIBM-regeling. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Dit wordt bevestigd door de uitgevoerde berekening met de NIBM-tool (versie 23 april 2022), op basis van het gemiddelde aantal voertuigbewegingen op een weekdag (zie subparagraaf 4.1.1):
Goede ruimtelijke ordening
In het kader van artikel 5.16 Wm zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Op de grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2021 bepaald.
Uit deze kaarten blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m3. De daggemiddelde norm komt overeen met ongeveer 32 µg/m3 jaargemiddeld (Bron: Infomil). Met een waarde onder de 18 µg/m³ wordt bij de nieuwe woningen, ook voor deze daggemiddelde norm voor PM10, ruimschoots aan deze lagere norm voldaan. Dit wordt bevestigd door de resultaten uit de NSL-monitoringstool waarbij ter hoogte van de toetspunten langs de Provinciale Rijksweg N271 (de meest nabij gelegen gemonitorde weg) voor 2021 wat betreft het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 ook sprake is van minder dan 35 overschrijdingsdagen.
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:
| Concentratiegebied | Niet-concentratiegebied | ||
| Binnen bebouwde kom | diercategorieën Rgv | maximaal 3 ouE/m³ | maximaal 2 ouE/m³ |
| andere diercategorieën | minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object | minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object | |
| Buiten bebouwde kom | diercategorieën Rgv | maximaal 14 ouE/m³ | maximaal 8 ouE/m³ |
| andere diercategorieën | minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object | minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object |
Geurnormen Wgv
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie.
Regeling geurhinder en veehouderij
In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:
Activiteitenbesluit milieubeheer
Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).
Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen omliggende agrarische bedrijven en het plangebied al andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven.
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten.
In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas.
Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld.
In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen.
De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording).
Ontwikkeling in relatie tot de omgeving
Een woning is geen risicovolle inrichting. Ook wordt er geen transportroute voor gevaarlijke stoffen of een brandstofleiding mogelijk gemaakt. De ontwikkeling heeft daarom geen invloed op de veiligheid in het gebied.
Omgeving in relatie tot de ontwikkeling
Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied niet in de nabijheid ligt van wegen, spoorwegen of buisleidingen waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden:
Uitsnede provinciale risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)
De meest nabijgelegen transportroute is de rivier de Maas op circa 1,5 km ten zuiden van het plangebied. Het plangebied ligt daarmee ruimschoots buiten het invloedsgebied van deze vaarweg.
Ook liggen de nieuwe woningen met een afstand van circa 1,7 km ruimschoots buiten het invloedsgebied van het noordwestelijk gelegen LPG-tankstation in Plasmolen.
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 ‘Limburgs water in een veranderend klimaat’
Het plangebied ligt in het stroomgebied van het Waterschap Limburg (voormalig waterschap Peel en Maasvallei). Het Waterbeheerplan zet de koers uit voor een toekomstbestendig waterbeheer in Limburg. Het beschrijft:
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Gennep 2020 - 2024
Het verbrede Gemeentelijke Rioleringsplan beschrijft op hoofdlijnen hoe invulling wordt gegeven aan de rioleringszorg. Het betreft een visie en strategie voor de lange termijn. Voor nieuwbouwprojecten hanteert de gemeente het principe dat afvalwater en hemelwater gescheiden moeten worden ingezameld. Hemelwater dient voor zover mogelijk op het eigen terrein verwerkt te worden. In nieuwe situaties is het uitgangspunt dat het hemelwater gescheiden van het afvalwater wordt ingezameld, vastgehouden of afgevoerd. In nieuwe gebieden met een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel (apart riool voor de inzameling en afvoer van hemelwater) moet het hemelwater op het hemelwaterstelsel aangesloten zijn. Het hemelwater wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk geïnfiltreerd op eigen terrein. Hieraan stelt de gemeente onder andere de volgende eisen:
Bestaande situatie
In de huidige situatie is het plangebied geheel onverhard en in gebruik als (intensief beheerd) grasland. De maaiveldhoogte binnen het plangebied bedraagt circa NAP + 11,6 m centraal in het plangebied tot 13,0 m aan de rand van het plangebied. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1 - 2 m beneden maaiveld. De bodem bestaat uit matig grof fo uiterst grof, kalk- en grindhoudend zand.
Oppervlaktewater
In het plangebied is momenteel geen oppervlaktewater aanwezig.
Waterveiligheid
In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig. Als gevolg van de klimaatverandering nemen de overstromingsrisico's toe. Op de waterkaart zijn daarom zogenaamde dijkringgebieden vastgelegd.
Omdat onder andere Milsbeek relatief hoog ligt ten opzichte van NAP zijn langs de Maas geen dijkringgebieden vastgelegd. Op basis van de risicokaart blijkt dan ook dat de kans op overstroming zeer gering is en het plangebied alleen bij buitengewone gebeurtenissen (zoals een dijkdoorbraak) kan overstromen. De overstromingsdiepte bedraagt in dat geval 1 tot 1,5 m.
Om inzichtelijk te maken op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het planvoornemen voor de waterhuishouding (hemelwaterberging en afvalwater), is een waterhuishoudkundige memo opgesteld. De memo is als bijlage 6 bij de toelichting gevoegd.
Toename verhard oppervlak
De uitgangspunten van de toename van het verhard oppervlak is als volgt bepaald op basis van het schetsontwerp zoals opgenomen in paragraaf 2.2:
Binnen het plangebied is op basis van deze uitgangspunten sprake van een totale toename van 1,91 ha verhard oppervlak. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen uitgeefbaar gebied (1,15 ha) en openbaar gebied (0,76 ha).
Hemelwaterberging
Berging en infiltratie vindt als volgt plaats in het plangebied:
Op basis van de berging en ledigingstijdberekening zoals toegevoegd als bijlage 3 van de memo blijkt er te worden voldaan aan de eis van het Waterschap bij een neerslaggebeurtenis met een herhalingstijd van 1:100. Geadviseerd wordt om bij verdere uitwerking van het plan doorlatendheidsmetingen uit te voeren om de exacte doorlatendheid van de bodem vast te stellen. Eventuele wijzigingen in de doorlatendheid van de bodem kunnen van invloed zijn op de berekende waterberging en ledigingstijd.
Afvalwater
Waterkwaliteit
Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede.
Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Soortenbescherming
Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan moet duidelijk zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.
Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.
Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.
De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Gennep is de provincie Limburg het bevoegd gezag voor de Wnb.
Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).
Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook moet gelet worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.
Gebiedsbescherming
De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' moet worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets moeten worden beoordeeld door het bevoegd gezag.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.
In het kader van de herbestemming is een ecologische quickscan uitgevoerd in het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 7 bij de toelichting gevoegd.
Soortenbescherming
Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving.
In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.
Er is een steenuilkast aanwezig in het plangebied. Onbekend is of deze kast nog wordt gebruikt door een steenuil. Nestplaatsen van de steenuil zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien de nestkast nog wordt gebruikt of dat er essentieel leefgebied van deze soort aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Verder maakt het plangebied in potentie onderdeel uit van dassenleefgebied. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soort is een nader soortgericht onderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 8 bij de toevoeging gevoegd. Essentiële elementen van de das, buizerd, roek en steenmarter zijn in het plangebied niet aanwezig. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling, zowel aanleg- als gebruiksfase, zijn op voorhand negatieve effecten op de essentiële elementen derhalve uit te sluiten. Overtredingen van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor deze soorten vinden derhalve niet plaats. Een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet nodig. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met broedende vogels en de zorgplicht.
Als laatste kan de steenmarter verblijven in het plangebied. In Limburg geldt echter ook een vrijstelling van de bescherming in de periode van 15 augustus t/m februari. Als de werkzaamheden starten in deze periode dan hoeft alleen rekening gehouden te worden met de zorgplicht. Als gewenst wordt om wel buiten de vrijstellingsperiode te starten dient de aanwezigheid van de soort onderzocht te worden.
Gebiedsbescherming
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland en/of een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige deel van Natura 2000-gebied ‘Sint Jansberg’ ligt op ongeveer 650 m ten noorden van het plangebied. Mogelijke effecten van de werkzaamheden zitten in verstoring door licht, geluid, trillingen en vermesting door stikstofdepositie. De werkzaamheden en het gebruik hebben mogelijk negatieve gevolgen voor de beschermde gebieden en soorten met betrekking tot stikstofdepositie. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de afschermende werking van de bestaande woningen ten noorden van het plangebied, kan verstoring door licht, geluid en trillingen tijdens het bouwen en gebruiken van de nieuwbouwwoningen worden uitgesloten.
Een nader onderzoek naar de mogelijke effecten van stikstofdepositie wordt geadviseerd. Ten aanzien van de stikstofdepositie naar stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden is daarom een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd naar zowel de aanleg- als de gebruiksfase. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 9 bij de toelichting gevoegd.
Uit de resultaten volgt dat op geen enkel Natura 2000-gebied sprake is van een significante toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Op basis van dit onderzoek zijn daarom significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege het plan op voorhand uit te sluiten.
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt, mits uit de aanvullende onderzoeken geen zaken naar voren komen danwel er ontheffing wordt verleend en er rekening wordt gehouden met voornoemde algemene maatregelen, geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging wordt de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet.
De inwerkingtreding van de Omgevingswet staat gepland voor 2023. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussenliggende periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt.
Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente.
Archeologie
De gemeente Gennep heeft in samenwerking met de gemeenten Mook en Middelaar en Bergen een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. Het doel van deze kaart is om ten behoeve van toekomstige planvorming en planuitvoering inzicht te verschaffen in de aanwezigheid en het karakter van de archeologische en historische resten in de gemeenten. Door aan de verwachte en bekende archeologische en historische resten een concreet beleidsadvies te koppelen, vormt de kaart een eerste praktisch handvat bij de inpassing van de archeologie bij planvorming en uitvoering.
Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft het plangebied de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de beleidskaart:
Uitsnede archeologische beleidskaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)
Indien nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden binnen gronden met deze aanduidingen moet archeologisch onderzoek plaatsvinden bij bouwwerkzaamheden groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm.
Onderhavig plan voorziet in bouwwerkzaamheden die qua omvang de gestelde norm van 2.500 m2 overschrijden en daarom moet in het plangebied in archeologisch onderzoek worden uitgevoerd om de archeologische verwachting te toetsen. Er is daarom een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 10 bij de toelichting gevoegd.
In het plangebied geldt op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek een hoge verwachting voor de perioden: Laat Paleolithicum – Bronstijd en de Romeinse Tijd. Voor de perioden IJzertijd en de Vroege Middeleeuwen geldt echter een middelhoge verwachting, terwijl vanaf de Late Middeleeuwen een lage verwachting geldt.
De hoge verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op een relatief hoger gelegen locatie als onderdeel van een dekzandwelving en landduin. In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast verschillende archeologische waarden aangetroffen uit de periode Laat Paleolithicum – Bronstijd en de Romeinse Tijd. Er zijn vrij weinig waarden bekend uit de IJzertijd en de Vroege Middeleeuwen. Daarnaast bevat het plangebied ook een laagte waardoor het in deze perioden wellicht minder aantrekkelijk was voor eventuele bewoning. Afwezigheid van archeologische vondsten is echter geen uitsluitsel van kans van aantreffen, waardoor voor deze perioden een middelhoge verwachting is toegekend.
Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd geldt een lage verwachting omdat het plangebied voor deze perioden in het buitengebied van Milsbeek heeft gelegen, waardoor het aantreffen van bewoningssporen minder aannemelijk wordt. Bovendien tonen de historische kaarten aan dat het onderdeel was van de hei en heeft er mogelijk zelfs een moeras in het noorden gelegen. Deze natte omstandigheden zullen het gebied niet aantrekkelijk hebben gemaakt voor bewoning. Een bijzonder fenomeen zijn de Staats-Spaanse linies, die gedeeltelijk aangetroffen op circa 300 m ten zuiden van het plangebied in het centrum van Milsbeek en het Kwartier van de Graaf van Hoorne ligt volgens hetzelfde onderzoek nog iets verder richting het zuidoosten. Verwijzingen naar deze tijd kunnen bovendien nog steeds teruggevonden worden op de historische kaarten in benamingen als Kanonkamp en de Schietberg. Aangezien men nog onzeker is hoe de linies precies hebben gelopen, is het mogelijk sporen hiervan aan te treffen, maar de kans is laag door de geringe intactheid.
De archeologische verwachting hangt samen met de intactheid van de archeologische niveaus. Er bestaat echter een onbekendheid over de intactheid van de bodemopbouw waardoor in het gehele plangebied boringen gezet zouden moeten worden om verdere uitspraken over de archeologische verwachting te kunnen doen.
In afwijking van het archeologisch onderzoek geeft de gemeentelijke archeoloog aan dat het plangebied zo goed als helemaal laag is gelegen ten opzichte van vooral het gebied ten noorden en ten zuiden daarvan. Het plangebied maakt deel uit van een langgerekte laagte die waarschijnlijk oorspronkelijk het dal vormde van de Ossenbergsebeek (naar het oosten: Aaldonksebeek en bij Ven-Zelderheide de Spiekerbeek). Bekende vondsten uit de omgeving blijken allemaal van de hogere delen van het landschap afkomstig te zijn. Dat waren immers in het verleden de aantrekkelijk gebieden voor bewoning en ander gebruik door de mens. Om die reden hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden en geeft de gemeente het hele plangebied vrij op het gebied van archeologie.
Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Cultuurhistorie
Om de cultuurhistorische waarden op of nabij het plangebied te beschouwen is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg bekeken. Hieruit blijkt dat er geen hoge cultuurhistorische waarden voorkomen in het plangebied. Daarnaast is het plangebied niet bebouwd, waardoor er geen rijks- of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn in het plangebied. Er komen met het planvoornemen geen cultuurhistorische waarden in het geding.
Het aspect 'cultuurhistorie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.
Het aspect 'leidingen' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling is een controle verzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven in het plangebied. De belangrijkste conclusie is hieronder overgenomen, de volledige rapportage is als bijlage 11 bij de toelichting opgenomen.
Advies
Er zijn meerdere indicaties dat er oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden binnen het onderzoeksgebied: het gebied heeft driemaal in zes maanden tijd onderdeel uitgemaakt van een frontgebied waarbij met name veel geschutmunitie is ingezet. Op kaartmateriaal is militaire aanwezigheid (Duits) ingetekend, op luchtfoto’s zijn diverse verstoringen zichtbaar en er zijn naoorlogse munitievondsten bekend rondom het onderzoeksgebied.
Op basis van het verkennend vooronderzoek kan gesteld worden dat er vervolgonderzoek noodzakelijk is. De voorgenomen werkzaamheden kunnen niet regulier uitgevoerd worden.
In het kader van de uitvoeringswerkzaamheden worden deze aanbevelingen overgenomen. De bevindingen staan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.
Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.
De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:
In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De voorgenomen activiteiten in dit bestemmingsplan liggen ruim onder de plandrempel waarvoor conform het Besluit m.e.r. een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.
In navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het plan weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van voorliggende bestemmingsplan diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor alle, voor dit plan, relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan, blijkt dat het plan beperkte milieueffecten heeft.
Omdat sprake is van een vormvrije m.e.r. dient door het bevoegd gezag en m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen.
| Kenmerken van het plan | |
| Omvang van het project (relatie met drempel D-lijst) | D11.2: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Initiatief: het realiseren van 77 grondgebonden woningen op een inbreidingslocatie in Milsbeek op een oppervlakte van in totaal circa 2,8 ha. De indicatieve drempel van de D-lijst wordt niet overschreden. |
| Cumulatie met andere projecten | Er is geen sprake van cumulatie van milieueffecten met andere projecten |
| Gebruik natuurlijke hulpbronnen | Realisering van de voorgenomen activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. |
| Productie afvalstoffen | Zowel tijdens de aanleg- als de gebruiksfase vindt er geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. Voor wat betreft de afvoer van huishoudelijk afval worden de reguliere procedures en processen gevolgd, waardoor geen sprake is van belangrijke resteffecten die aanleiding zouden geven tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure |
| Verontreiniging en hinder |
Bodem
Op basis van het verkennend bodemonderzoek hoeven er geen restricties gesteld te worden aan toekomstige bouwactiviteiten op de onderzoekslocatie. De lichte verhoging met PCB’s in de bovengrond en zware metalen in het grondwater vormen geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. De aanwezigheid van bovengenoemde componenten vormt, gezien de concentraties, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen bezwaar. Geluid Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai blijkt dat ook bij realisatie van de beoogde ontwikkeling zowel bij de nieuwe woningen als bij de bestaande woningen ruimschoots wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Milieuzonering & geur Het plangebied ligt geheel buiten de richtafstanden van (agrarische) bedrijven in de omgeving. Luchtkwaliteit Het plan draagt niet in betekende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit ter plaatse. De aanwezige achtergrondconcentraties inclusief toename van de voorgenomen activiteiten blijven ruimschoots onder de grenswaarden Externe veiligheid Uit de uitgevoerde risico-inventarisatie is gebleken dat er in de directe omgeving geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen of risicovolle inrichtingen zijn. Waterhuishouding Het planvoornemen voorziet in voldoende bergingsruimte om de toename in verharding te compenseren. Ecologie In de uitgevoerde quickscan Wet natuurbescherming is geconcludeerd dat toename van de stikstofdepositie op nabij gelegen Natura 2000-gebieden op voorhand niet is uit te sluiten. Daarom is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd met als conclusie dat de stikstofdepositie naar aanleiding van het planvoornemen in de gebruiksfase 0,00 mol/ha/j bedraagt. Uit het stikstofdepositieonderzoek voor de gebruiksfase volgt dat de stikstofdepositie voor de bouwfase in het eerste en het tweede jaar voldoet aan de grenswaarde van afgerond 0,00 mol/ha/j. Er is sprake van een kleine afname van de depositie ten opzichte van de referentiesituatie. Er is een steenuilkast aanwezig in het plangebied. Om duidelijkheid te krijgen over daadwerkelijke aanwezigheid van de steenuil in het plangebied wordt nader soortgericht onderzoek uitgevoerd. Verder maakt het plangebied in potentie onderdeel uit van dassenleefgebied. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soort wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd. Archeologie Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting en is vrijgegeven. |
| Risico voor ongevallen | De beoogde ontwikkeling van het gebied zorgt niet voor een toename van risico's in de omgeving. Er worden geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. |
| Plaats van de projecten | |
| Bestaand grondgebruik | Het plangebied bestaat uit een kort gemaaid weiland met aan de zuidzijde een voetpad tussen de Langstraat en de Plateel. Met de nieuwe ontwikkeling komt de functie als weiland te vervallen. |
| Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied | Niet van toepassing |
| Opname vermogen milieu met aandacht voor wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, gebieden waar milieunormen worden overschreden, gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, landschappelijk historisch cultureel of archeologische gebieden van belang. | - Wetlands: niet van toepassing - Kustgebieden: niet van toepassing - Berg- en bosgebieden: niet van toepassing - Reservaten en natuurparken: niet van toepassing - Habitat/richtlijngebieden: niet van toepassing (zie flora en fauna) - Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid. Nee. - Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologische gebieden van belang: niet van toepassing |
| Kenmerken van het potentiële effect | |
| Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen bevolking) | Niet van toepassing |
| Grensoverschrijdend karakter | Niet van toepassing |
| Orde van grootte en complexiteit effect | Niet van toepassing |
| Waarschijnlijkheid effect | Niet van toepassing |
| Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect | Niet van toepassing |
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen.
Begrippen
In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
Bestemmingsomschrijving
Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies.
Bouwregels
In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding.
Afwijken van de bouwregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.
Specifieke gebruiksregels
In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.
Afwijken van de gebruiksregels
In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
Anti-dubbeltelregel
Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen.
Algemene gebruiksregels
Deze regels bevatten een verbodsbepaling ten aanzien van gebruik in strijd met het bestemmingsplan.
Algemene afwijkingsregels
In deze bepaling zijn regels opgenomen ten aanzien van afwijkingsmogelijkheden die voor het hele plangebied gelden en die Burgemeester en wethouders de benodigde flexibiliteit bieden ten aanzien van het bestemmingsplan.
Algemene wijzigingsregels
In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden. Het betreft een geringe wijziging van de bestemmingsgrens.
Overgangsregels
Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet.
Slotregel
Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
Artikel 3 Groen
Deze bestemming is onder andere gericht op de instandhouding van groenvoorzieningen. Bouwen van gebouwen binnen deze bestemming is niet toegestaan. Het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde van beperkte omvang is wel toegestaan. Het uitvoeren van diverse werken c.q. werkzaamheden is op basis van de regels slechts mogelijk nadat daarvoor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden is gekregen.
Artikel 4 Verkeer
Om de bouwvelden wat meer af te bakenen, is er voor gekozen om de in ieder geval de rijlopers en de parkeerplaatsen van de straten in het plangebied binnen deze bestemming te laten vallen. Een deel van de bermen en de trottoirs valt ook binnen deze bestemming, maar vanwege de gewenste flexibiliteit is een deel juist binnen de bestemming 'Woongebied' gelegd (zie hierna). Binnen de bestemming 'Woongebied' is het immers mogelijk om naast woningen ook openbare ruimte te realiseren.
Artikel 5 Woongebied
Deze enkelbestemming is gekozen in het kader van maximale flexibiliteit. Het bouwen van hoofdgebouwen is overal binnen de aangeduide bouwvlakken mogelijk tot het aangeduide maximum aantal woningen. Bijgebouwen mogen ook buiten het bouwvlak worden gerealiseerd, mits (in alle gevallen) vallend binnen het achtererfgebied. Naast woningen mogen de gronden ook gebruikt worden voor groen-, verkeers-, parkeer-, speel-, nuts- en waterhuishoudkundige voorzieningen.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat op grond van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander moet worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, moet een exploitatieplan worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.
Alle kosten die gemaakt moet worden voor het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemers. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee zijn de kosten voor de planontwikkeling anderszins verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet aan de orde. Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Te zijner tijd zullen eventueel ingediende vooroverlegreacties hier, of in een separate nota, van een gemeentelijke reactie worden voorzien.
Inspraak
12 juli 2022
Er heeft op 12 juli 2022 een eerste informatieavond plaatsgevonden in zalencentrum Trefpunt in Milsbeek. In zalencentrum Trefpunt stonden borden opgesteld met informatie over het project en thema’s als duurzaamheid, verkeersontsluiting en architectuur. Betrokkenen vanuit Van de Klok, de gemeente Gennep en de stedenbouwkundige van buro Waalbrug stonden bij de borden om toelichting te geven en vragen te beantwoorden.
De avond in Milsbeek werd drukker bezocht dan verwacht, waardoor vooral aan het begin van de avond het aantal informatieborden niet voldoende bleek. Ook de insteek van de avond – bezoekers individueel spreken en informeren over de plannen – bleek niet volledig helder gecommuniceerd en door de grote opkomst ook niet altijd even goed mogelijk. Dit is als verbeterpunt meegenomen voor een volgende bijeenkomst. Ondanks dat is, via het plakken van geeltjes bij de themaborden, veel input gegeven op de plannen.
1 november 2022
Er heeft op 1 november 2022 een tweede informatieavond plaatsgevonden in zalencentrum Trefpunt in Milsbeek. De informatieavond begon met een toelichting op de plannen vanuit de gemeente Gennep, ontwikkelaar Van de Klok en stedenbouwkundig buro Waalbrug. De aanwezigen hadden de mogelijkheid om vragen te stellen en na afloop van de presentatie de opgestelde themaborden te bekijken.
Een groot deel van de vragen uit het publiek had betrekking op de verkeersontsluiting en -afwikkeling. Er werden onder meer zorgen geuit over veiligheid en de extra verkeersbewegingen door omliggende straten. De gemeente en specialisten van het betrokken verkeersbureau onderzoeken de komende periode nader hoe de ontsluiting zo goed en veilig mogelijk kan worden gerealiseerd. De input die is ontvangen tijdens de 2 informatieavonden wordt hierbij ook meegenomen.
Verder is er input ontvangen op de onderwerpen: betaalbare woningen voor starters met voorrang voor mensen uit Milsbeek, aandacht voor groen in de wijk en de voorkeur voor een landelijke en dorpse architectuurstijl. Het voorgaande is meegenomen in het beeldkwaliteitplan, zie verder Bijlage 1 Beeldkwaliteitplan. Alle opmerkingen worden nader bekeken en gewogen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken heeft met ingang van donderdag 13 april 2023 tot en met woensdag 24 mei 2023 (gedurende zes weken) voor eenieder ter inzage gelegen.
Er is/zijn één (of meerdere) zienswijze(n) ingediend. Deze is/zijn in de nota zienswijzen (zie bijlage 12) van een gemeentelijke reactie voorzien.