direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bedrijventerrein De Brem - bedrijfsbestemming
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Hierbij is het verplicht dat bestemmingsplannen elke 10 jaar dienen te worden geactualiseerd.

Voor het bedrijventerrein De Brem geldt een bestemmingsplan dat dateert uit 2007. Sinds 2007 is binnen dit plangebied nog slechts één bedrijfskavel verkocht; dit is voor de eigenaar van het terrein reden om over te gaan tot een optimalisatie van het plan en is gezocht naar geïnteresseerde bedrijven. Inmiddels is één kavel in ontwikkeling gebracht; deze bedrijfskavel heeft een omvang van circa 10 ha waarvan circa 7,5 ha bebouwd zal worden. Het nieuwe bestemmingsplan, dat een deel van het vigerende bestemmingsplan bedrijventerrein De Brem beslaat, gaat uit van (enkele) grote kavels in plaats van meerdere kleine kavels. Het uitgeefbare gebied heeft een omvang van ruim 30 ha. Het als 'bedrijf' te bestemmen terrein zal qua oppervlakte iets ruimer zijn dan op basis van het vigerende bestemmingsplan het geval is. Ook de bebouwingsregeling zal aangepast worden aan de actualiteit. Omliggende gronden waarvan het gebruik in meerdere of mindere mate wijzigt, worden eveneens meegenomen in onderhavig bestemmingsplan. Hierbij betreft het gronden waarover de ontsluiting van de bedrijven is gelegen en gronden welke noodzakelijk zijn voor hemelwaterinfiltratie en landschappelijke inpassing.

Voor de bedrijven op bedrijventerrein De Brem wordt onderhavig nieuw bestemmingsplan opgesteld, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het nieuwe planologische regime van bedrijventerreinen Hoogveld, De Groote Heeze en De Grens. Hierdoor wordt een actuele en uniforme regeling verkregen waardoor vergelijkbare bedrijven binnen één gemeente ook vergelijkbare mogelijkheden krijgen.

Onderhavig bestemmingsplan zorgt voor een actueel kader voor de (niet-agrarische) bedrijven op het bedrijventerrein De Brem.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied is zeer strategisch gelegen in de zuidoosthoek van knooppunt Gennep (aansluiting N 271 op autosnelweg A77).

Het plangebied is plaatselijk bekend als bedrijventerrein De Brem te Heijen. Dit plangebied beslaat een oppervlakte van in totaal circa 80 ha.

Op onderstaande luchtfoto (afbeelding 1) is de ligging van de locatie weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0002.jpg"

Afbeelding 1: Ligging plangebied

De topografische perceelsgrenzen zijn op onderstaande afbeelding 2 weergegeven, waarbij de globale omvang van het plangebied in rode lijnen is aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0003.jpg"

Afbeelding 2: perceelsgrens plangebied in omgeving

1.3 Voorgaand bestemmingsplan

Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Regionaal Bedrijventerrein De Brem’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Gennep vastgesteld op 26 juni 2007 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Limburg op 12 februari 2008.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0004.jpg"

Afbeelding 3: Verbeelding vigerende bestemmingsplan De Brem

1.4 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en onderhavige toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. De toelichting is als volgt opgebouwd:

  • in hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie in het plangebied beschreven;
  • in hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het ruimtelijke beleidskader dat van toepassing is op het bestemmingsplan;
  • in hoofdstuk 4 komen de relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod;
  • in hoofdstuk 5 volgt de beschrijving van het juridische deel van het plan;
  • in hoofdstuk 6 komt de economische uitvoerbaarheid aan bod;
  • in hoofdstuk 7 tenslotte worden de resultaten uit overleg en inspraak besproken en behandeld.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

In dit hoofdstuk wordt de feitelijke situatie van het plangebied beschreven. Er wordt ingegaan op de aanwezige ruimtelijk-functionele structuur van het plangebied en omgeving.

2.1 Ruimtelijke structuren

2.1.1 Ruimtelijke hoofdstructuur, stedenbouw en landschap

Het plangebied kenmerkt zich grotendeels door agrarische bedrijvigheid. Er is aan de Beekweg één agrarisch bedrijf gelegen en ook een burgerwoning.

De onbebouwde gronden betreffen agrarische cultuurgronden, landschapselementen, waterlopen en ontsluitingsstructuren. De ontsluitingsstructuur gaat nu nog aan de noordzijde om de bedrijfsbestemming heen; in het westen doorkruist de ontsluiting het tot Natuur bestemde gebied.

In de omgeving van het plangebied bevinden zich twee verblijfsrecreatieve voorzieningen. Enerzijds is dit 'Center Parc het Heijderbos', ten noorden van de A77 en anderzijds 'Camping Hoeve de Schaaf', gelegen tussen het plangebied en de Schaafsebosweg in.

Op 2 juli 2015 is er een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsgebouw aan de Brem 1, gevolgd door een uitbreiding van dit gebouw welke vergund is op 20 september 2016. De uitbreiding van dit gebouw is nog niet gerealiseerd. Op deze bedrijfskavel zal na nog een volgende uitbreiding een bedrijfsgebouw gerealiseerd worden van uiteindelijk circa 7,5 ha groot en met bijbehorende parkeerplaatsen en terreinverhardingen. Sinds 2007 zijn binnen het plangebied op deze ene kavel na, geen bedrijfskavels meer verkocht; dit is nu reden om over te gaan tot een optimalisatie van het plan, zodat niet voor elke uitbreiding van het reeds aanwezige bedrijf een buitenplanse afwijkingsprocedure behoeft te worden gevolgd. Het nieuwe plan gaat uit van (enkele) grote kavels in plaats van meerdere kleine kavels. Het uitgeefbare gebied heeft een omvang van ruim 30 ha.

2.1.2 Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Beekweg/Langeven/Brem op de Karrevenseweg en De Grens, welke aansluit op de N271. Door de aanleg van de A73 en A77 heeft de weg nog slechts een gebiedsontsluitingsfunctie. Het knooppunt Gennep met de aansluiting van de N271 op de A77 (oost-westverbinding) bevindt zich op nog geen 500 meter ten noorden van kruising De Grens-N271.

Met het openbaar vervoer (bus) is het plangebied te bereiken tot aan de kruising N271 en De Grens. Hier stopt gemiddeld elk uur buslijn 22 in de richtingen Boxmeer en Siebengewald. Een stukje verderop, aan de Hoofdstraat, is de bushalte voor lijn 83 in de richting van Nijmegen CS, welke ongeveer 2x per uur vertrekt.

De bereikbaarheid van het plangebied is hiermee goed te noemen.

De bestaande wegen welke binnen het plangebied zijn gelegen, zullen een verkeersbestemming krijgen. Daar waar nu nog geen ontsluiting is gelegen, doch deze wel noodzakelijk is voor de bereikbaarheid van de binnen de bedrijfsbestemming nieuw te realiseren bedrijven, zal deze ontsluiting binnen de bedrijfsbestemming gebracht worden, waardoor de gewenste flexibiliteit bewerkstelligd wordt.

Op het bedrijventerrein De Brem zullen zich voornamelijk logistieke bedrijven vestigen, welke zich kenmerken door een in tijd zeer geconcentreerde en beperkte verkeersaantrekking. Een goede interne en externe verkeersstructuur dient een soepele verkeersafwikkeling te bewerkstelligen. De verkeerstoename als gevolg van de realisatie van de bedrijfsbestemmingen is in bp 2007 als 'licht' beschouwd. De verkeerstoename is weer afhankelijk van uitbreidingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan.

RA Infra heeft in opdracht van initiatiefnemer een verkeersstudie uitgevoerd (rapport 16150.1 D14 mem01-2 dhe d.d. 17 mei 2017). In deze studie is geconcludeerd dat de verkeerseffecten van de functionelere indeling van bedrijventerrein De Brem moeilijk zijn te kwantificeren waardoor opnieuw naar het totaal is gekeken.

'Bij volledige ontwikkeling van bedrijventerrein De Brem bedraagt de totale verkeerstoename maximaal ongeveer 3.100 mvt/etmaal ten opzichte van de huidige situatie. Het vigerende bestemmingsplan staat deze verkeerstoename voor een belangrijk deel al toe. Voor de verdere beoordeling is het totaal opnieuw beoordeeld.

Voor deze ontwikkeling is ook een nieuwe verbindingsweg voorzien tussen het bestaande bedrijventerrein De Grens en het nieuwe bedrijventerrein De Brem. Deze directe route betreft dan ook de hoofdontsluiting van De Brem.

De voorziene verkeerstoename bij volledige ontwikkeling leidt niet tot knelpunten met betrekking tot de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid. Aandachtspunt is mogelijk de aansluiting op de provinciale weg N271. Het kruispunt is onderdeel van een provinciale studie waarin is geconcludeerd dat een rotonde voor de verkeersafwikkeling haalbaar is wanneer deze als turborotonde wordt uitgevoerd of wordt voorzien van de gewenste bypass(es).'

De integrale rapportage van deze verkeersstudie is als bijlage bij de planstukken gevoegd.

Parkeren dient altijd op eigen terrein plaats te vinden. Hiertoe moeten voldoende parkeerplekken worden ingericht. Ook in de mogelijkheden voor laden en lossen wordt op eigen terrein voorzien. De openbare ruimte mag hiertoe niet gebruikt worden, om een soepele doorstroming van het verkeer te bewerkstelligen. In het parkeerbeleidsplan 2016 (door de gemeenteraad vastgesteld op 18 juli 2016) staan beleidsdoelstellingen en een toekomstvisie voor het parkeren in Gennep op hoofdlijnen. Tevens is er in het plan rekening gehouden met een aantal concrete ruimtelijke ontwikkelingen. Met het Parkeerbeleidsplan wil de gemeente de versnippering tegengaan van het parkeerbeleid van de afgelopen jaren. Ook wilde de gemeente de diverse parkeerbeleidsstukken actualiseren en op elkaar afstemmen. In het parkeerbeleidsplan zijn parkeernormen (Nota parkeernormen Gennep 2015) opgenomen, waarvan de voor bedrijventerrein De Brem de belangrijkste hieronder worden weergegeven:

soort bedrijf   parkeernorm   per   voorbeeld  
Arbeidsextensieve/
bezoekersextensieve bedrijven  
1,1 parkeerplaats   100 m² bvo   Loods, opslag, groothandel,
transportbedrijf  
Arbeidsintensieve/
bezoekersextensieve bedrijven  
2,4 parkeerplaats   100 m² bvo   Industrie, werkplaats  

2.1.3 Groen en water

Het plangebied wordt grotendeels omzoomd door waterlopen. Aan de noordwestzijde van het plangebied is de Kleefsebeek gelegen, die richting het westen afwatert en uitmondt in de Maas. De beek betreft een primair oppervlaktewater. In verband met de ontwikkeling van het bedrijventerrein en de daarvoor benodigde noordelijk waterbergingslocatie is het nodig dat de huidige loop van de beek richting het noorden wordt verlegd. Hiervoor heeft het waterschap op 25 april 2012 een watervergunning verleend.

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich meerdere landschappelijke elementen. Aan de westzijde van het plangebied is dat een bosje, gelegen tussen de Brem en de Karrevenseweg. Door dit bosje stroomt de Kleefsebeek en liggen de ontsluitingswegen van het bedrijventerrein de Brem.

Aan de oostzijde ligt, eveneens buiten het plangebied, het Lange Ven. Dit water maakt onderdeel uit van een vlechtende patroon van oude geulen dat op veel plaatsen nog zichtbaar is, maar welke deels met latere rivierafzettingen of met veen zijn opgevuld.

Het Lange Ven en omgeving maakt deel uit van Natura 2000-gebied de Maasduinen. Ter bescherming van dit waardevolle natuurgebied is een aansluitend deel gelegen binnen het plangebied beschermd door toekenning in het POL 2014 van de aanduidingen Bronsgroene landschapszone en Zilvergroene natuurzone, waarop nader ingegaan wordt in de volgende paragraaf.

De wegen binnen het plangebied zijn veelal voorzien van laanbeplanting.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vastgesteld op 13 maart 2012.

Het Rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Bij nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed. Deze aspecten worden (zijn) in de paragrafen 5.8, 5.6 en 5.9 behandeld.

3.1.2 Ladder duurzame verstedelijking

Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, voor wat betreft ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’. In art. 3.16 Bro, lid 2 is het volgende bepaald:

“De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.”

Afweging ladder duurzame verstedelijking

In casu is er sprake van een voornamelijk conserverend bestemmingsplan, waarbij de oppervlakte aan bedrijfsbestemming beperkt zal worden uitgebreid. De uitbreiding ten opzichte van het bestaande bedrijventerrein heeft te maken met een functioneler gebruik van de gronden door de huidige ontwikkelaar. Hierdoor is er weliswaar sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 Bro, doch de behoefte is zeer concreet gelegen in de zelfrealisatie van de bedrijfsbestemming.

De uitbreiding van de als bedrijventerrein te bestemmen gronden op bedrijventerrein de Brem bedraagt aan de noordoostzijde 5032,7 m2 en ter plaatse van de voorheen als zodanig bestemde watergangen 8855 m2; door deze gronden te bestemmen als 'bedrijventerrein', wordt de ontwikkelaar bij de invulling van deze bestemming niet gehinderd door watergangen en niet praktische overhoeken, terwijl er verder geen belangen worden geschaad door dee herverdeling van bestemmingen. De hemelwaterproblematief is afdoende onderzocht en ook verkeerskundig zijn er geen belangen die worden geschaad.

Binnen de gemeente Gennep bedraagt de oppervlakte aan bedrijventerreinen 120 ha, waarvan nog 10 ha terstond uitgeefbaar is. De oppervlaktetoename aan bedrijventerreinen zal circa 1 ha bedragen.

Door de praktischere en vrijere verkaveling van bedrijfspercelen welke het gevolg is van de beperkte uitbreiding, blijkt dat de bedrijfskavels makkelijker verkocht worden. De restcapaciteit zal derhalve kortdurend stijgen waarna deze weer snel zal afnemen door een voorspoediger verkoop van de zo ontstane bedrijfskavels.

Deze aanname wordt bevestigd door de ontwikkeling door Arvato, hetgeen heeft geresulteerd in een flinke afname van de restcapaciteit.

Nu de eigen behoefte van de ontwikkelaar is aangetoond, moet bekeken worden of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen het bestaand stedelijk gebied.


In casu vindt de zeer beperkte uitbreiding geheel in, dan wel strak tegen het bestaand stedelijk gebied (bedrijventerrein) aan. De gekozen uitbreidingsrichting (tussen de grens van het bestaande bedrijfsbestemming en de A77 is) ligt zeer in de rede. De andere zijden van het bedrijventerrein liggen namelijk ingeklemd tussen een camping en een agrarisch bedrijf, waarachter het Maasduinengebied is gelegen. Door de afronding van het bedrijventerrein zoals nu gewenst, in de richting van de autosnelweg, kan een betere verkaveling bewerkstelligd worden. Een betere locatie kan niet gevonden worden, nu het de herverkaveling van een bestaand bedrijventerrein betreft.


Hierbij is dus sprake van een herstructurering van min of meer bestaande situatie/bestemming binnen het bedrijventerrein de Brem.

De ontsluiting van bedrijventerrein de Brem zal feitelijk geheel ongewijzigd blijven. De wegenstructuur, voorzover gelegen binnen het plangebied, zoals deze nu reeds in gebruik is, zal positief worden bestemd. De aansluitingen op de lokale en regionale wegenstructuur blijft eveneens gelijk.

Intern zal de wegenstructuur vrijgelaten worden en dient aan te sluiten op de ontwikkeling van het bedrijventerrein. In beginsel is de interne ontsluiting als volgt voorzien:

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0005.jpg"
  Figuur 6: interne ontsluitingsstructuur bedrijventerrein de Brem

Hiermee wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.3 Besluit en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro en Rarro)

In het Barro zijn een aantal onderwerpen opgenomen waarvoor het rijk uit het oogpunt van de nationale belangen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ruimtelijke regels stelt:

  • rond rijksvaarwegen wordt ruimte geborgd voor de veiligheid van scheepvaart;
  • rond de Maastakken wordt ruimte gereserveerd voor toekomstige rivierverruiming;
  • rond verschillende hoofdwegen en op enkele locaties wordt ruimte gereserveerd voor toekomstige uitbreiding van het hoofdwegennet en hoofdspoorwegennet;
  • op verschillende locaties wordt ruimte gereserveerd voor (kern)energiecentrales en zones onder hoogspanningsverbindingen worden gevrijwaard;
  • de provincies wordt opgedragen de ecologische hoofdstructuur te beschermen;
  • primaire waterkeringen buiten het kustfundament krijgen ruimtelijke bescherming;
  • in het IJsselmeer wordt verstedelijkingsruimte beperkt mogelijk gemaakt;
  • het erfgoed van de Stelling van Amsterdam, de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Romeinse Limes worden ruimtelijk beschermd;
  • rond militaire radarposten worden voorwaarden gesteld aan windmolens en hoge bebouwing.

Voor een aantal van de genoemde Barro-onderwerpen, waaronder de uitbreiding van het hoofdwegennet, het hoofdspoorwegennet en de militaire radars, geldt dat de regels worden uitgewerkt in de Rarro.

Op onderhavig project werken geen van de in het Barro genoemde rijksbelangen rechtstreeks door.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 is het nieuwe provinciaal omgevingsplan Limburg vastgesteld. Belangrijke principes in dit nieuwe omgevingsbeleid zijn:

  • 1. Kwaliteit. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.
  • 2. Algemene principes voor duurzame verstedelijking. De ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.
  • 3. Uitnodigen. De manier waarop de provincie samen met de partners het voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De Provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen.

Voor wat betreft de projectlocatie geeft het POL 2014 aan dat de omgeving getypeerd kan worden als 'bedrijventerrein' en 'buitengebied'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0006.jpg"

Figuur 7: uitsnede uit Pol 2014, kaart 1 (zonering Limburg)

De toets aan het provinciale beleid is relevant voorzover het de uitbreiding van het bedrijventerrein betreft.

In het POL 2014, waarin de focus ligt op het aanbod en kwaliteit van werklocaties (bedrijventerreinen, kantoren en andere werkplekken) en (inter)nationale infrastructuur, is gesteld dat Limburg voldoende bedrijventerreinen heeft en dat groei vooral lijkt te zitten in onder andere de logistieke sector. De kwalitatieve opgave is des te belangrijker. De centrale opgave is: een groei in kwaliteit zonder dat de kwantiteit toeneemt, daarbij meer schaarste creërend, met ruimte voor maatwerk.

Hoewel de oppervlakte en daarmee de kwantiteit van het bedrijventerrein zeer marginaal toeneemt met circa 1% is de bedoeling van deze uitbreiding gelegen in kwaliteitswinst. Door rechte lijnen aan te houden in de begrenzing van het bedrijventerrein, is een praktischer verkaveling mogelijk, hetgeen voordelen biedt voor vestiging van de grotere, logistieke bedrijven. De verkoopbaarheid van de bedrijfskavels krijgt als gevolg hiervan een impuls en daar waar een nieuw bedrijf zich wil vestigen, volgen er snel meer.

De toename van het uitgeefbaar bedrijfsoppervlak is dermate beperkt van omvang dat dit aspect er niet toe leidt dat er sprake is van een strijdigheid met het provinciale gedachtengoed met betrekking tot (logistieke) bedrijventerreinen.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Bestemmingsplan ‘Regionaal Bedrijventerrein De Brem’

Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Regionaal Bedrijventerrein De Brem’. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad van Gennep vastgesteld op 26 juni 2007 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Limburg op 12 februari 2008.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0007.jpg"

Afbeelding 8: Verbeelding vigerende bestemmingsplan

 

Hoofdstuk 4 Projectbeschrijving

Voor het bedrijventerrein De Brem geldt een bestemmingsplan dat dateert uit 2007. Sinds 2007 is binnen dit plangebied nog slechts één bedrijfskavel verkocht; dit is voor de eigenaar van het terrein reden om over te gaan tot een optimalisatie van het plan en is gezocht naar geïnteresseerde bedrijven. Inmiddels is één kavel in ontwikkeling gebracht; deze bedrijfskavel heeft een omvang van circa 5,5 ha waarvan circa 3 ha bebouwd zal worden. Het nieuwe bestemmingsplan plan gaat uit van (enkele) grote kavels in plaats van meerdere kleine kavels. Het uitgeefbare gebied heeft een omvang van ruim 29 ha. Het als 'bedrijf' te bestemmen terrein zal qua oppervlakte iets ruimer zijn dan op basis van het vigerende bestemmingsplan het geval is. Ook de bebouwingsregeling zal aangepast worden aan de actualiteit. Verder betreft het een plan met een voornamelijk conserverend karakter.

Voor bedrijventerrein De Brem wordt daarom een nieuw bestemmingsplan opgesteld, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het nieuwe planologische regime van bedrijventerreinen Hoogveld, De Groote Heeze en De Grens. Hierdoor wordt een actuele en uniforme regeling verkregen waardoor vergelijkbare gebieden binnen één gemeente ook vergelijkbare mogelijkheden krijgen.

Op onderstaande figuur is schetsmatig, binnen het als bedrijf te bestemmen gedeelte van het plangebied, weergegeven hoe het gebied globaal ontsloten zal gaan worden en wat de situering gaat worden van de (geluids)wal welke een fysieke scheiding gaat vormen tussen het bedrijventerrein en de aangrenzende camping de Schaaf.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0008.jpg"

Figuur 10: ontwikkeling binnen plangebied

De aanpassingen ten opzichte van de vigerende bestemmingen hebben samengevat betrekking op het volgende:

  • kleine uitbreiding bestemming 'Bedrijf' in noord-westhoek van het plangebied en aan zuidzijde van De Brem
  • verruiming bouwhoogte van bedrijfsgebouwen tot maximaal 15 meter, respectievelijk 12 meter (zuidelijke rand); de bouwhoogte aan de noordoostelijke rand blijft ongewijzigd.
  • positief bestemmen van de feitelijk reeds lange tijd bestaande en als zodanig in gebruik zijnde ontsluitingswegen door de bestemming 'Natuur'
  • schrappen van de mogelijkheid om ter plaatse van de bestemming 'Natuur' de aangrenzende camping uit te breiden
  • ter plaatse van de te realiseren (geluids)wal zal een passende bestemming 'Groen' worden toegekend welke recht doet aan het gebruik van de gronden

 

Hoofdstuk 5 Milieu-planologische aspecten

5.1 Milieu Effect Rapport

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is.

Op het bedrijventerrein De Brem zijn of worden thans geen m.e.r.-plichtige activiteiten toegelaten. Voorliggend plan valt niet onder de in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten. Bijlage D van het Besluit m.e.r. bepaalt dat een m.e.r beoordelingsplicht geldt voor plannen voor de aanleg, uitbreiding of wijziging van bedrijventerreinen van 75 ha of groter.

Onderhavig bedrijventerrein De Brem heeft een oppervlakte van circa 30 ha, waardoor het bestemmingsplan niet MER-plichtig is.

5.2 Bodem- en grondwaterkwaliteit

De gemeente Gennep heeft op basis van de beschikbare actuele bodemgegevens in samenwerking met de buurgemeenten Bergen en Mook & Middelaar een Nota bodembeleid Regio Maasduinen d.d. 28 november 2011 en bijbehorende Regionale bodemkwaliteitskaart (BKK) d.d. 9 december 2011 laten opstellen en op 24 april 2012 bestuurlijk vastgesteld. De BKK bestaat uit een ontgravings- en toepassingskaart.

De ontgravingskaart geeft de gemiddelde diffuse bodemkwaliteit van de vaste bodem weer. Verdachte locaties en saneringslocaties maken geen onderdeel uit van deze ontgravingskaart. In de geldende ontgravingskaart voldoet de gemiddelde diffuse bodemkwaliteit in het plangebied aan de Achtergrondwaarden.

Daarnaast heeft de gemeente Gennep een Bodemfunctieklassenkaart (Bfk) gemeente Gennep d.d. 4 maart 2010 vastgesteld. Met deze kaart wordt het beheersgebied van de gemeente Gennep ingedeeld in deelgebieden met de bodemfunctieklassen Wonen en of Industrie. De niet ingedeelde deelgebieden vallen onder de bodemgebruiksfunctie natuur/ landbouw, waarvoor de Achtergrondwaarden als bodemkwaliteit gelden. Voor de bodemfunctieklassen Wonen en Industrie gelden de bodemkwaliteitsklassen Maximale Waarden Wonen respectievelijk Maximale Waarden Industrie.

De Nota beleid en de BKK in samenhang met de Bfk, bevatten de kaders voor het duurzaam beheer van de bodem, waaronder het hergebruik van vrijkomende grond, het beschermen van de bodem bij bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten en het uitvoeren van bodemsaneringen binnen het beheersgebied van de gemeente Gennep, en dus ook het onderliggend plangebied.

In de geldende Bfk is het plangebied ter plaatse van de bestemmingen bedrijven (voorzover gelegen ten zuiden van de Kleefsebeek) en verkeer ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Voor de groen- en waterbestemming gelden de Achtergrondwaarden als bodemkwaliteit.

Het bestemmingsplan staat slechts in beperkte mate nieuwe milieuhindergevoelige functies toe, en legt voornamelijk de bestaande situatie vast. In het kader van dit bestemmingsplan is dan ook alleen voor de uitbreiding van de bedrijfsbestemming ten noorden van de Kleefsebeek een verdere beschouwing noodzakelijk. Vanwege het feit echter dat de gronden waarop de uitbreiding van de bedrijfsbestemming ziet, vooralsnog slechts voor parkeren ten behoeve van het bedrijf Arvato gebruikt zal worden, is hiervoor op dit moment geen bodemonderzoek noodzakelijk.

Bij eventueel toekomstige bouwactiviteiten, die binnen de beheerskaders van dit bestemmingsplan mogelijk zijn, wordt via de bouwverordening in het kader van de omgevingsvergunning zorg gedragen voor een goede bodemkwaliteit.

5.3 Geluidhinder

De Wet geluidhinder (Wgh) is van toepassing op woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen (onder meer onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen) en geluidsgevoelige terreinen (onder meer woonwagenstandplaatsen). Uit art. 74 Wgh vloeit voort dat in principe alle wegen voorzien zijn van een geluidzone, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt. De zonebreedte is afhankelijk van het gebied (stedelijk of buitenstedelijk) en het aantal rijstroken. Binnen de zones moet een akoestisch onderzoek worden verricht. De voorkeursgrenswaarde voor woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en terreinen bedraagt in die zone op de buitengevel 48 dB (art. 82 Wgh).

Wegverkeerslawaai

In de Wet geluidhinder zijn ter beperking van verkeerslawaai, zones langs wegen aangegeven die beschouwd worden als aandachtsgebieden voor geluidhinder. De breedte van de zone is afhankelijk van de capaciteit van de weg en de aard van de omgeving. De breedte van de zone dient daarom voor iedere situatie bepaald te worden. Het streven is erop gericht dat er buiten de zone in het algemeen geen geluidniveaus voorkomen van meer dan de voorkeurwaarde 48 dB. Een uitzondering betreft wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/ uur. Voor deze wegen hoeft in principe geen zone te worden bepaald en wordt er van uitgegaan dat de wettelijke voorkeurswaarde wordt behaald. Een nadere akoestische toetsing ten behoeve van ruimtelijke plannen en/ of vergunningen is dan vanuit juridisch oogpunt niet nodig.

Het bedrijventerrein De Brem ligt deels binnen de geluidszone van de A77.

Het bestemmingsplan staat echter geen nieuwe geluidsgevoelige functies toe, maar legt voornamelijk de bestaande situatie vast. Nieuwe wegen ter ontsluiting van de nieuw te realiseren bedrijven, worden allen binnen de bedrijfsbestemming gerealiseerd. Binnen de geluidszone van deze nieuwe ontsluitingen vallen geen gevoelige functies. In het kader van dit bestemmingsplan hoeft dan ook geen akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd te worden.

Op het bedrijventerrein De Brem zullen zich voornamelijk logistieke bedrijven vestigen, welke zich kenmerken door een in tijd zeer geconcentreerde en beperkte verkeersaantrekking. Een goede interne en externe verkeersstructuur dient een soepele verkeersafwikkeling te bewerkstelligen. De verkeerstoename als gevolg van de relatief zeer beperkte uitbreiding van de bedrijfsbestemming (kleiner dan 1,6% ten opzichte van het bestaande deel) en bouwhoogten in is in vergelijking met de bedrijfsbestemming in het bestemmingsplan uit 2007 als 'niet-substantieel' te beschouwen. Als gevolg van onderhavige bestemmingsplanactualisatie zal hierdoor ook het wegverkeerslawaai niet substantieel wijzigen.

Industrielawaai

Het bedrijventerrein De Brem is een niet-gezoneerd bedrijventerrein. Het bestemmingsplan staat, afgezien van de beperkte uitbreiding in de westhoek, geen nieuwe milieuhindergevoelige functies toe, maar legt voornamelijk de bestaande situatie vast. In het kader van dit bestemmingsplan hoeft dan ook geen akoestisch onderzoek naar industrielawaai uitgevoerd te worden.

Het aspect geluid heeft geen verdere consequenties voor het plangebied.

5.4 Luchtkwaliteit

5.4.1 Kleine en grote projecten

De regels inzake luchtkwaliteit kennen het onderscheid tussen 'kleine' en grote' projecten. Kleine projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in het Besluit “Niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)”.

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing.

5.4.2 Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Dit is een Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 31 oktober 2007, nr. DJZ2007004707, houdende regels omtrent de aanwijzing van categorieën van gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer (Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)).

Het gaat hierbij om de volgende categorieën:

  • a. inrichtingen
  • b. infrastructuur
  • c. kantoorlocaties
  • d. woningbouwlocaties

Het bestemmingsplan staat slechts in beperkte mate uitbreiding van de bedrijfsbestemming toe. De uitbreiding van de bedrijfsbestemming beslaat een oppervlakte van ongeveer 1,4 ha, waarvan 0,5 ha slechts voor parkeren ten behoeve van het bedrijf Arvato gebruikt zal worden, en hierdoor in de basis geen verkeersbewegingen veroorzaakt.

Het plan valt met de uitbreiding van een bedrijventerrein niet onder een beschreven categorie in de Regeling NIBM. Via de NIBM-rekentool is een worst-case berekening gemaakt, gebaseerd op de verkeersgeneratie van een distributieterrein zoals genoemd in de Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie van het CROW, waaruit blijkt dat bij een toename van het dagelijkse aantal voertuigbewegingen van 240 (waarvan 25% vrachtwagens) nog altijd sprake is van 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0009.jpg"

Figuur 11: worst-case berekening luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor het project.

5.5 Externe veiligheid

5.5.1 Risicovolle inrichtingen (Bevi)

De veiligheid rond bedrijven wordt gereguleerd in de vigerende milieuvergunning (of een geldende Algemene Maatregel van Bestuur) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi heeft iedere risicovolle inrichting een veiligheidszone gekregen. Dit heet de plaatsgebonden risicocontour (PR-contour). Binnen deze contour mogen nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen, scholen, ziekenhuizen, grootschalige kantoren, hotels, winkelcentra, campings) of beperkt kwetsbare objecten (zoals verspreid liggende woningen, bedrijfswoningen dan wel bedrijfsgebouwen van derden, kleinere kantoren, hotels en winkels, sporthallen, zwembaden) niet of niet zonder meer worden opgericht. Het Bevi gaat uit van een PR-contour 10-6 /jr.

Bij het nemen van een planologische besluit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan) moet het bevoegd gezag deze contour in acht nemen voor kwetsbare objecten. Hierbij geldt de PR-contour 10-6/jr. als grenswaarde. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de contour als richtwaarde, d.w.z. in principe moet PR 10-6/jr. aangehouden worden, maar er mag gemotiveerd van worden afgeweken.

Naast het plaatsgebonden risico kent het Bevi ook het groepsgebonden risico (GR). Het groepsgebonden risico geeft aan wat de kans is op een ongeval met ten minste 10, 100 of 1000 dodelijke slachtoffers in de omgeving van de beschouwde bron.

Bedrijfsgebouwen zijn te kwalificeren als beperkt kwetsbare objecten. Volgens de Risicokaart van de provincie Limburg liggen in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen waarbij de PR-contour 10-6/jr. tot aan het plangebied strekt. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied voor GR dan wel een binnen een PR-contour 10-6/jr. van enige risicovolle inrichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0010.jpg"

Figuur 12: uitsnede uit risicokaart Limburg

Het aspect externe veiligheid inrichtingen staat derhalve niet aan het project in de weg.

5.5.2 Vervoer gevaarlijke stoffen

Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Daarmee wordt de opdracht aan het bevoegd gezag voor ruimtelijke besluiten nadrukkelijk vastgelegd om rekening te houden met de risico's van transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor.

In het basisnet is de omvang voor de verschillende transportmodaliteiten vastgelegd.

Risicovol transport over de weg

De dichtstbijzijnde wegen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt is de rijksweg weg N271 en de autosnelweg A77.

Op de A77 komt vervoer van gevaarlijke stoffen voor. Volgens de Eindrapportage Basisnet Weg is de veiligheidszone 0 meter en is er geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Op basis van het Betv dient in de toelichting bij een bestemmingsplan of in de ruimtelijke onderbouwing bij een omgevingsvergunning, indien dit betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, tevens het groepsrisico te worden verantwoord.

Net als in het vigerende bestemmingsplan het geval is, is in onderhavig bestemmingsplan binnen een zone van 50 meter uit de weg een bouwverbod opgenomen. Tussen 50 en 100 meter is bebouwing pas toegestaan na positief advies van de wegbeheerder. Aangezien de uitbreiding van de bedrijfsbestemming net buiten 100 meter afstand van de A77 plaatsvindt, heeft onderhavig bestemmingsplan niet tot gevolg dat er binnen 200 meter van de A77 meer personen aanwezig kunnen zijn dan op basis van het vigerende bestemmingsplan en is er hierdoor geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk cq neemt het groepsrisico niet toe.

Over de Rijksweg N271 vindt geen risicovol transport plaats, met uitzondering van bevoorrading van het lpg-tankstation op bedrijventerrein de Grens.

Risicovol transport over water

De dichtstbijzijnde vaarweg is de Maas, die de grens vormt van de gemeente. Uit het Basisnet Water blijkt dat de Maas buiten de oevers geen plaatsgebonden risicocontour heeft van 10-6 en dat Gennep geen (mogelijk) aandachtspunt vormt voor het groepsrisico.

Risicovol transport over spoor

De dichtstbijgelegen spoorlijn is het baanvak Nijmegen-Venlo. Deze is op een zodanige afstand gelegen dat die geen rol speelt in het kader van de externe veiligheid.

5.6 Milieuzonering

Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woongebieden. Om milieuzonering hanteerbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de Staat van bedrijfsactiviteiten zoals die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering'.

5.6.1 Bedrijven en Milieuzonering; Staat van bedrijfsactiviteiten

De indeling van de bedrijven c.q. bedrijfsactiviteiten is vastgelegd een Staat van bedrijfsactiviteiten die is opgenomen in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering', van maart 2009. In deze Staat worden bedrijfsactiviteiten ingedeeld in een zestal categorieën met toenemende potentiële milieuemissies. Per bedrijfsactiviteit is voor elk ruimtelijk relevante milieucomponent (geur, stof, geluid en gevaar) een richtafstand aangegeven die in beginsel moet worden aangehouden tussen een bedrijf en milieugevoelige objecten (woningen) om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden.

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kortere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype 'gemengd gebied', dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. In zo'n geval is het ruimtelijk aanvaardbaar dat de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd.

5.6.2 Invloed milieuhinder op het plangebied

In onderhavig bestemmingsplan is, op basis van onder meer de gemeentelijke uitgangspunten en het geldende bestemmingsplan Regionaal Bedrijventerrein De Brem 2007, bepaald dat bedrijven in de categorieën 2, 3.1 en 3.2 rechtstreeks toelaatbaar zijn in het plangebied, voor zover deze bedrijven voorkomen op de bijgevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Het beleid met betrekking tot categorie 1-bedrijven is erop gericht om deze bedrijvigheid niet toe te staan op bedrijventerreinen. Dergelijke lichte bedrijvigheid is immers, gezien de beperkte hinder, goed inpasbaar in gebieden met functiemenging of woongebieden en past minder goed op een bedrijventerrein zoals De Brem.

Nu de toegestane milieucategorie op bedrijventerrein De Brem gelijk blijft aan de toegestane categorie op basis van het vigerende bestemmingsplan, ondervinden omliggende gevoelige functies geen nadelige gevolgen.

Ter plaatse van de uitbreiding van de bedrijfsbestemming in de westhoek, bevinden zich ook geen gevoelige functies binnen een straal van 100 meter.

Milieuzonering staat derhalve niet aan de ontwikkeling in de weg.

Echter, aan de (zuidoost) zijde, waar het plangebied grenst aan camping De Schaaf zal de mogelijkheid worden opgenomen om groen, water (hemelwaterinfiltratie) en een (geluid-)wal te realiseren, waardoor een buffer tussen het bedrijventerrein aan de ene kant en verblijfsrecreatie aan de andere kant wordt gecreëerd. Hoewel de afstand tussen beide functies ruim 100 meter bedraagt, is er formeel sprake van een voldoende ruimtelijke scheiding, doch dit staat er niet aan in de weg dat door een wal met fraaie beplanting beide functies op een aanvaardbaardere wijze naast elkaar gelegen kunnen zijn; visuele hinder (cq minder fraai uitzicht) voor campinggasten wordt hierdoor voorkomen.

5.7 Ecologie

5.7.1 Natuur en landschap

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming (Wn) ingegaan. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora en Faunawet.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen alle bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken. Verder gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd, landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee en tenslotte alle 164 aangewezen Natura 2000-gebieden.

Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

In de nieuwe Wet natuurbescherming blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten komt wel te vervallen. Provincies kunnen ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het NNN of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap.

Het plangebied grenst aan het NNN (voorheen de Ecologische HoofdStructuur (EHS) en Natura 2000-gebied De Maasduinen genoemd).

Door de werking van de Maas en de Rijn zijn er terrassen ontstaan, die nu nog zichtbaar zijn in het landschap. Extra reliëf is ontstaan door de werking van de wind. In de laag gelegen delen heeft zich veen gevormd, al dan niet bedekt met een dunne laag dekzand. Vennen (waaronder ook Het Lange Ven) zijn ontstaan in de laagtes boven ondoorlatende leemlagen. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit de rivierdalen, vormen het karakteristieke landschap van de Hamert en de rest van de Maasduinen. In het begin van de vorige eeuw zijn er op grote delen van deze 'Looierheide' eenvormige bossen aangelegd die mijnhout moesten leveren. Door de geïsoleerde ligging van de Maasduinen tussen de Maas en de Duitse grens is het gebied niet intensief ontwikkeld. Mede hierdoor is de ecologisch belangrijke overgang van hoog- naar laagterras in het stroomdal in stand gebleven. Her en der bleven grotere en kleine stukken heide en stuifzand gespaard, waarvan de Berger Heide en de Hamert de grootste gebieden zijn. In de open heide liggen veel vennen, waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn. De overgangen van vennen naar natte heide zijn geleidelijk.

Op onderstaande afbeelding is het plangebied te zien ten opzichte van het rood en groen gemarkeerde NNN.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0011.jpg"

Figuur 13: Natura 2000-gebied ten opzichte van plangebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0012.jpg"

Figuur 14: EHS ten opzichte van plangebied

Op basis van de effectenindicator ‘Natura 2000 – ecologische randvoorwaarden en storende factoren’ blijkt dat onderstaande verstorende effecten als gevolg van 'bedrijventerrein' kunnen voorkomen:

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0013.jpg"

1 Oppervlakteverlies (afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen)

Het verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied. Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting.

In casu neemt de oppervlakte welke beschikbaar is als leefgebied voor soorten of habitattypen niet af; het plangebied en zeker de bedrijfsbestemming liggen buiten de begrenzing van de Maasduinen.

2 Versnippering (door het uiteenvallen van het leefgebied van soorten)

Versnippering treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek.

Doordat onder 1 is geconstateerd dat er geen sprake is van oppervlakteverlies, kan er evenmin sprake zijn van versnippering.

7 Verontreiniging

Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht.

De oppervlakte van de bedrijfsbestemming wordt in relatief beperkte mate uitgebreid. Deze uitbreiding is gelegen nabij de A77, dus van de Maasduinen af gericht. De categorie inrichtingen welke zullen worden toegestaan binnen de te actualiseren bedrijfsbestemming blijf ongewijzigd.

Er kan derhalve geconcludeerd worden dat, in vergelijking met de vigerende bestemmingen, er geen sprake zal zijn van significant toenemende verontreinigingen welke hun effecten zouden kunnen hebben op de beschermde soorten of habitattypen in de Maasduinen.

8 Verdroging

Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden dan gewenst en/of in afnemende kwel. De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype.

Doordat het areaal aan uitgeefbare bedrijfskavel slechts in beperkte mate toeneemt in vergelijking met het vigerende planologische regime én vanwege het feit dat het bestemmingsplan verplicht om hemelwater dat op het verharde oppervlak valt ter plaatse te infiltreren, is er van een kans op verdroging geen sprake.

13 Verstoring door geluid

Diersoorten kunnen verstoord worden door onnatuurlijke geluidsbronnen: permanent zoals geluid van wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid.

Ook hier geldt dat het areaal aan uitgeefbare bedrijfskavel slechts in relatief beperkte mate toeneemt in vergelijking met het vigerende planologische regime en de uitbreiding is gelegen nabij de A77, dus van de Maasduinen af gericht.

14 Verstoring door licht

Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden.

De kunstmatige verplichting op het bedrijventerrein beperkt zich tot straatverlichting, verlichting voor de veiligheid om de bedrijfsbebouwing heen en verlichting van voertuigen.

In vergelijking tot het vigerende planologische regime is de toename van potentieel verlichte objecten te verwaarlozen en zeker niet significant te noemen.

15 Verstoring door trilling

Trillingen in bodem en water kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend.

Slechts de bever en de oeverzwaluw zijn gevoelig voor trillingen.

Op basis van de waarnemingen van het afgelopen kalanderjaar (april 2015- april 2016) (geraadpleegd via Vogelarchief Limburg en www.waarnemingen.nl) zijn er geen bevers of oeverzwaluwen aangetroffen.

Door de beperkte uitbreiding van het areaal bedrijfsbestemming zal er dus ook geen verstoring als gevolg van trilling kunnen plaatsvinden.

16 Optische verstoring

Verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem en soms leidt tot vluchtgedrag van dieren.

Net als voor de meeste andere bovenbeschreven vormen van verstoring is ook voor wat betreft de optische verstoring het effect van de beperkte uitbreiding van het bedrijventerrein en het verruimen van de bouwmogelijkheden in hoogte gezien (van 12 naar 15, respectievelijk van 6 en 9 naar 12 meter) zodanig klein dat er, de landschappelijke inpassing in aanmerking nemend, geen sprake zal zijn van een significante optische verstoring.

17 Verstoring door mechanische effecten

Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. Deze verstoring valt vaak samen met verstoring door geluid, licht en trilling.

De conclusie sluit derhalve ook aan op de verstoringen als beschreven onder 13, 14 en 15.

Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit is schadelijk voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten. Daarom heeft het Rijk het initiatief genomen om deze stikstofproblemen aan te pakken. In de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) werken overheden en maatschappelijke partners samen om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. In 2014 heeft een actualisatie van de effectenindicator plaatsgevonden aan de PAS, voor wat betreft de storende factoren vermesting en verzuring en van de indeling van de gevoeligheid voor storende factoren. Daarbij is ervoor gekozen om de definitie van de storende factor vermesting en de storende factor verzuring aan te passen, waarmee informatie over stikstofgevoeligheid voor de effectenindicator Natura 2000 en de PAS gelijk wordt getrokken. Rijk, provincies en natuurorganisaties nemen maatregelen om de natuur te herstellen, door bijvoorbeeld stikstofrijke grondlagen te verwijderen. Agrarische ondernemers nemen maatregelen in hun bedrijfsvoering, zoals mest aanwenden met weinig stikstofverliezen en het gebruik van aangepast voer. Door deze combinatie van maatregelen ontstaat er ruimte voor nieuwe economische activiteiten.

Gezien het grotendeels conserverende karakter van onderhavig bestemmingsplan, de relatief zeer beperkte uitbreiding van de oppervlakte aan bedrijfsbestemming (welke overigens volgens de effectenindicator geen effect heeft op de stikstofdepositie op de Maasduinen) en de relatief beperkte uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming, afgezet tegen het vigerende planologische regime, kan gesteld worden dat significante negatieve effecten op Natura 2000-gebied de Maasduinen kunnen worden uitgesloten.

5.7.2 Flora en fauna

In artikel 3.1 Wn wordt direct een link gelegd met de Vogelrichtliijn. Alle vogels die beschermd zijn op grond van artikel 1 Vogelrichtlijn vallen onder het beschermingsregime van de artikel 3.1 Wn, voor zover deze vogels van nature in Nederland voorkomen. Artikel 3.1 eerste lid Wn ziet op het verbod om vogels te doden of vangen. De verboden in de Wn zijn vrijwel letterlijk overgenomen uit de artikelen 5 en 6 Vogelrichtlijn. Net als de in de Vogelrichtlijn zijn de verboden beperkt tot opzettelijke handelingen.

Het beschermingsregime voor vogels is iets versoepeld ten opzichte van het systeem onder de Flora en faunawet. Het verbod op het opzettelijk verstoren van vogels is beperkt tot verstoringen die van “wezenlijke invloed” zijn op de staat van instandhouding van de soort. Onder wezenlijke invloed wordt verstaan: “een wezenlijke negatieve invloed op een beschermde soort”. Of daar sprake van is hangt af van de populatie van de diersoort. Hoe zeldzamer de soort hoe groter de kans dat naar bijvoorbeeld een lokale populatie moet worden gekeken. Daarnaast is van belang of de populatie een negatief effect zelf teniet kan doen, bijvoorbeeld of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn naar een volwaardig leefgebied elders.

Als een populatie het effect niet zelf teniet kan doen is de kans groter dat het effect als wezenlijke invloed kan worden aangemerkt.

Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is.

De wet voorziet in ruime mogelijkheden voor het verlenen van vrijstellingen, ook voor vogels en strikt beschermde soorten. Bij het verlenen van de vrijstelling moet aan dezelfde voorwaarden worden voldaan als bij het verlenen van de vroegere ontheffing.

Een ontheffing van een verbod ex artikel 3.1 Wn kan slechts worden verleend indien:

  • er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is;
  • er geen sprake is van verslechtering van de staat van instandhouding van de soort;
  • en er een limitatief opgesomde ontheffingsgrond aan de ontheffing ten grondslag kan worden gelegd.

Quickscan flora en fauna

Het plangebied is op dit moment niet intensief bebouwd (agrarische bedrijf en burgerwoning). De om het agrarische bedrijf gelegen gronden worden gemaaid, geploegd en anderszins bewerkt. Verder is het bedrijventerrein nu in ontwikkeling gebracht.

Door het toegestane gebruik van het plangebied en de omgeving daarvan, de verstoring die hierdoor plaatsvindt (bedrijfsmatige activiteiten, agrarische grondbewerking, verkeer en parkeren) en overige menselijke activiteiten, vormt het plangebied e.o. in het algemeen geen geschikte en veillige biotoop voor streng- en overige beschermde zoogdieren, (broed)vogels, amfibieën en reptielen.

Gelet hierop vormt onderhavig bestemmingsplan geen relevante wijziging op de verstoring van eventueel aanwezige beschermde broedvogelsoorten en plantensoorten in vergelijking met het vigerende bestemmingsplan. In de nabijheid van het plangebied zijn overigens ook voldoende uitwijkmogelijkheden voor eventueel aanwezige dieren.

Op basis van de natuurgegevens van de provincie Limburg, het Vogelarchief Limburg en www.waarnemingen.nl blijkt dat aan de randen van het plangebied wel beschermde planten- en diersoorten voorkomen. Met name langs de Brem welke de zuidzijde van het plangebied grotendeels begrenst, is dit het geval.

Daarom is er door Ecoresult in 2017 een onderzoek gedaan naar de manier waarop deze diersoorten beschermd kunnen worden dan wel maatregelen kunnen worden genomen om aantasting van hun leefgebied te compenseren. Onderstaand zijn de bevindingen en aanbevelingen weergegeven:

Vleermuizen

Op 5 september en 26 september 2017 zijn veldbezoeken uitgevoerd om zijdelings vliegroute en verblijfplaatsen van vleermuizen te onderzoeken. Tijdens de veldbezoeken bleek dat circa 9 á 10 gewone dwergvleermuizen en 2 laatvliegers gebruik maken van de oude bomenlaan naast de Brem om van west naar oost te vliegen. Dit geeft aan dat naar verwachting een of meerdere verblijfplaatsen aanwezig zijn richting het westen van de onderzoekslocatie. De vleermuizen maken gebruik van de aanwezige lijnelementen om de foerageergebieden te bereiken welke naar verwachting gelegen zijn in de Maasduinen ten oosten/zuidoosten van de onderzoekslocatie. Later op de avond zijn ook waarnemingen gedaan van typische bossoorten als ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis die het gebied gebruiken als foerageergebied en als vliegroute. Tijdens de veldbezoeken zijn geen duidelijke aanwijzingen aangetroffen dat deze individuen in deze periode gebruik maken van de te kappen bomen met holtes als verblijfplaats.

Das

Op 25 oktober 2017 is een veldbezoek uitgevoerd om de looproutes van de bekende dassenburcht grenzend aan het te ontwikkelen gebied in kaart te brengen. De hoofdwissel van de dassenburcht loopt in noordwestelijke richting door de houtwal welke aangrenzend gelegen is aan het bestaande bedrijventerrein de Grens (zie onderstaande figuur). Dit geeft een sterke indicatie dat het gebied ten westen van het te ontwikkelen gebied een belangrijke functie heeft voor de bestaande dassenburcht. Om op korte termijn meer inzicht te krijgen in hoeveel dassen er op dit moment gebruik maken van de omgeving heeft een cameravallenonderzoek plaats gevonden tussen 25 oktober en 1 november. Er zijn twee camera's geplaatst om in kaart te brengen hoeveel dassen de wissel richting het bedrijventerrein gebruiken in de desbetreffende periode. Uit het onderzoek is gebleken dat de wissel elke nacht in gebruik is door verschillende individuen van de das. Op basis van de opnames is met zekerheid vast te stellen dat op het moment 3-5 dassen gebruik maken van het plangebied en van het westelijk gelegen natuurgebied. Dit wijst erop dat de verbindingszone tussen de twee natuurgebieden op het huidige moment van essentieel belang is voor de das.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0014.jpg"

Figuur 14a: Luchtfoto met de aangetroffen dassenwissels in het plangebied en directe omgeving (wissels in groen weergegeven)

Conclusies op basis van de eerste onderzoeksresultaten

Vleermuizen

Op basis van de eerste resultaten vormt de bomenrij naast de openbare weg de Brem een essentiële vliegroute van vleermuizen om van west naar oost te bewegen en andersom. Tevens wordt het plangebied langs de bosranden en bomenrijen ook gebruikt door diverse bossoorten welke extra gevoelig zijn voor verlichting. Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd om een corridor voor vleermuizen te realiseren welke de bosgebieden ten westen en ten oosten met elkaar verbinden. Deze corridor dient functioneel te zijn alvorens de huidige verbindingen worden verwijderd.

Das

De bosschage aan de zuidwestzijde van het plangebied vormt een essentiële verbinding tussen de twee natuurgebieden voor de das. Uit de eerste resultaten is gebleken dat de hoofdroute van de das het plangebied doorkruist. Het wordt dan ook geadviseerd om een corridor te realiseren welke de twee bosgebieden ten westen en ten oosten met elkaar verbinden. Deze corridor dient functioneel te zijn alvorens de huidige verbindingen worden verwijderd.

Natuurnetwerk

Aan beide zijden van het te realiseren bedrijventerrein zijn natuurgebieden aanwezig welke onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Het bosgebied ten westen van de onderzoekslocatie maakt onderdeel uit van het Limburgse Goudgroene natuurzone en het bosgebied ten oosten van de onderzoekslocatie maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied de Maasduinen en het Natuurnetwerk. Dit zijn gebieden welke ingericht zijn om te dienen als een samenhangend netwerk van natuurgebieden binnen Nederland zodat planten en dieren zich makkelijker kunnen verspreiden. Op het huidige moment fungeert het groen aan de zuidwestzijde van het toekomstige bedrijventerrein als verbindingszone tussen twee bosgebieden. Tijdens het cameravallenonderzoek is reeds aangetoond dat reeën, vossen en dassen gebruik maken van deze verbindingszone. Indien de verbindingszone verdwijnt door de voorgenomen plannen zal het bosgebied ten westen van de Brem geïsoleerd komen te liggen. Dit houdt in dat het Natuurnetwerk versnipperd zal raken en naar verwachting een overtreding van de Wet natuurbescherming veroorzaken. In het kader hiervan wordt geadviseerd om een functionele verbindingszone te creëren tussen de twee natuurgebieden.


Om op voorhand de functionaliteit van de (te verwachten) beschermde soorten, functies en aantallen in het gebied te kunnen garanderen wordt het benodigd geacht om een ecologische verbindingszone of groene corridor te creëren welke het plangebied doorkruist. Vanwege het plan om een fietsroute aan te leggen over het bedrijventerrein wordt geadviseerd om de aangrenzende ruimte in te richten als groene verbindingszone. Het is hierbij van belang dat de verbindingszone te allen tijde donker is. In onderstaande figuur wordt een voorbeeldschets weergegeven van een mogelijke inrichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0015.jpg" Figuur 14b: Inrichtingsschets ecologische corridor met zijdelings een ingericht fietspad en zandpad.

Indien de ontwikkeling van een functionele ecologische verbindingszone of groene corridor niet mogelijk blijkt te zijn kan de functionaliteit van de beschermde soorten, functies en aantallen in het gebied niet op voorhand worden gegarandeerd.

Econsultancy heeft in opdracht van gemeente Gennep op 22 september 2018 een aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd. Naar aanleiding van de resultaten van de Natuurtoets die Ecoresult in 2017 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd is aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde broedvogels, vleermuizen, das, eekhoorn en steenmarter uitgevoerd,waarin het onderstaande is geconstateerd:

Functie onderzoekslocatie

De onderzoekslocatie maakt onderdeel uit van het essentiële leefgebied van de das met de functie van vluchtpijp, doorlooproute en foerageergebied. Daarnaast is op de onderzoekslocatie een vliegroute met zijdelingse foerageerfunctie voor diverse soorten vleermuizen aanwezig. De beschermde functies hebben voornamelijk betrekking op de zuidelijke zone van de onderzoekslocatie waar een houtwal en een eikenlaan naast de Brem zijn gelegen. Deze groene zone vormt op het huidige moment een essentiële verbindingszone tussen twee natuurgebieden aan weerszijden van het toekomstige bedrijventerrein. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat onder andere vleermuizen, das, ree, vos, steenmarter, bunzing, egel, konijn, eikenpage en diverse muizensoorten hiervan gebruik maken.

Conclusie 

Aangezien de initiatiefnemer op het moment van het schrijven van het onderhavige onderzoeksrapport nog geen duidelijkheid heeft over de exacte ontwikkelingen binnen het plangebied met de functieaanduiding "specifieke vorm van groen – groene corridor" zijn er twee conclusies mogelijk als gevolg van de aangetroffen functies.

Scenario 1: bestaande lijnvormige elementen (houtwal en bomenlaan naast de brem) blijven behouden

- Functies van beschermde fauna kunnen mogelijk ingepast worden in de planvorming. Maatregelen om dit te borgen dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. Indien alle beschermde functies behouden kunnen blijven is geen ontheffing op de Wet natuurbescherming benodigd.

- De compensatiegebieden moeten op korte termijn functioneel ingericht worden. Dit dient in overleg met een ter zake kundige op het gebied van de das plaats te vinden. Het mitigatieplan voor de das, opgesteld door Ecoresult (2017), dient hiervoor als leidraad gebruikt te worden. Indien niet aan de gestelde maatregelen (of vergelijkbaar) kan worden voldaan dient mogelijk ontheffing te worden aangevraagd.

Scenario 2: Huidige lijnvormige groene elementen verdwijnen en een nieuwe ecologische corridor wordt aangelegd.

- Ontheffing benodigd voor het verwijderen van een vluchtpijp van de das en het aantasten van een essentiële vliegroute van vleermuizen en looproute/foerageergebied van de das waardoor de functionaliteit van de verblijfplaatsen in het geding komt.

- De benodigde maatregelen dienen in een activiteitenplan vastgelegd te worden en ter goedkeuring voorgelegd te worden bij het bevoegd gezag.

- Kapwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden nadat een functionerende alternatieve looproute voor de das en vliegroute voor de vleermuizen is ingericht en hiervoor ontheffing is verkregen.

- Compensatiegebieden moeten op korte termijn functioneel ingericht worden. Dit dient in overleg met een ter zake kundige op het gebied van de das plaats te vinden. Het dassenmitigatieplan van Ecoresult (2017) dient hiervoor als leidraad gebruikt te worden. Indien niet aan de gestelde maatregelen (of verge-lijkbaar) kan worden voldaan dient mogelijk ontheffing te worden aangevraagd. '

De rapportage van Econsultancy is integraal als bijlage aan de planstukken toegevoegd.

Gelet op de aanpassing van de zuidelijke plangrens komen de wissel en de vluchtpijp voor de das, alsmede de verblijfplaats van de bunzing alsnog buiten het plangebied van dit bestemmingsplan te vallen. Dit betekent dat voornoemd ecologisch werkprotocol in het kader van dit bestemmingsplan zal moeten worden toegespitst op de bescherming van de vleermuis.

Ingevolge de Wet natuurbescherming dient initiatiefnemer voorgaande scenario’s in acht te nemen en conform de rapportage van Econsultancy op korte termijn uit te voeren.

In de planregels is een aanlegvergunningstelsel opgenomen welke ziet op het behoud van dan wel realisatie van een nieuwe corridor voor vleermuizen, dassen en overige dieren.

Ten overvloede wordt gewezen op de algemene zorgplicht welke in artikel 3.5 van de Wn is opgenomen.

Door (graaf)werkzaamheden buiten de periode van maart tot augustus te starten, is de kans op verstoring van broedende vogels het kleinst. Ook buiten deze periode mogen broedende vogels niet worden verstoord en moet gewacht worden tot het broeden voorbij is en de jongen zijn uitgevlogen.

In geval van aanleg- en bouwwerkzaamheden binnen het plangebied zal deze zorgplicht in acht worden genomen.

5.8 Waterhuishouding

5.8.1 Waterbeleid

Vanuit het Europese beleid vormen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), het Europees Milieu- en natuurbeleid en het Verdrag van Malta de belangrijkste beleidsstukken. Op Rijksniveau zijn dit met name de Vierde Nota Waterhuishouding (NW4) en het Waterbeleid 21e eeuw: Anders omgaan met water (WB21).

De Vierde Nota Waterhuishouding beschrijft de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de waterhuishouding. Hoofddoelstelling van beleid is 'het hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land en het instandhouden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd'. Voor de verschillende watersystemen is specifiek beleid ontwikkeld.

Naar aanleiding van de wateroverlast in het afgelopen decennium heeft de Commissie Waterbeheer 21e eeuw een advies geschreven over de toekomstige inrichting van het watersysteem in Nederland, inclusief de relatie met de ruimtelijke inrichting. Op basis van de principes: 'anders omgaan met waterbeheer', 'ruimte voor water' en 'meervoudig ruimtegebruik' heeft de commissie een aantal aanbevelingen gedaan, waarvan de belangrijkste zijn:

  • introductie van de trits 'vasthouden-bergen-(gedoseerd) afvoeren;
  • watertoets;
  • stroomgebiedsbenadering.

5.8.2 Waterhuishoudkundige gevolgen van plan

Op 11 juni 2015 is door Grontmij een waterparagraaf opgesteld; primair bedoeld om de wijze van infiltratie van het hemelwater in verbandmet de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw te onderbouwen en secundair is hierbij een doorkijk gemaakt naar het gehele bedrijventerrein De Brem. De integrale waterparagraaf is als bijlage opgenomen bij dit bestemmingsplan. Onderstaand worden de belangrijkste aspecten uit de waterparagraaf aangehaald:

Gescheiden behandeling

Conform de uitgangspunten vindt de hemelwaterbehandeling gescheiden plaats van de afvalwaterafvoer. Dit betekent dat binnen het plangebied twee afvoersystemen komen te liggen: één voor het hemelwater, dat afstroomt van de daken en terreinverhardingen, en één voor het afvalwater, dat vrijkomt bij de bedrijven.

Vasthouden, bergen en/of afvoeren hemelwater

Gezien de goede infiltratiemogelijkheden wordt het hemelwater in de bodem geïnfiltreerd en indirect afgevoerd naar het oppervlaktewater van de Kleefse beek. Voor het infiltreren en bergen van het hemelwater, dat afstroomt van het verharde oppervlak van het totale bedrijventerrein, zijn twee waterbergingslocaties aangewezen (zie onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0016.jpg"

Figuur 15: afwatering

Aandachtspunt vormen de eventueel aanwezige leem-/veenlagen. Indien een dergelijke laag binnen 1,0 m minus de bodem van de bergingslocaties voorkomt, dient deze verwijderd of verbeterd te worden.

Bergen van hemelwater

Binnen het bedrijventerrein neemt het verhard oppervlak feitelijk met circa 30 ha toe. Dit bestaat uit circa 29 ha uitgeefbaar gebied, waarvoor een verhardingspercentage van 100% is aangehouden, en circa 1 ha aan nieuwe ontsluitingswegen. Met dit verhard oppervlak komt de benodigde statische berging tijdens de bui T=10 uit op 13.200 m3 (30 ha x 44 mm). Tijdens de bui T=100 gaat het om 25.200 m3 (30 ha x 84 mm).

In onderstaande tabel zijn de specificaties van de waterbergingslocaties uiteengezet en is de beschikbare berging per locatie bepaald. De totaal beschikbare berging, zonder infiltratie, is 17.150 m3 tijdens de bui T=10 en 35.050 m3 tijdens de bui T=100.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0017.jpg"

Omdat de infiltratie in de bodem niet is meegerekend komt de uiteindelijke berging hoger uit dan bij eerstgenoemde globale berekening. Echter deze infiltratie is vooralsnog niet meegerekend, gezien dit voor de gedetailleerde uitwerking van de locaties nog ruimte geeft voor het aanbrengen van eventuele glooiingen en flauwere taluds dan 1:3.

Met de bepaalde beschikbare berging is in beide waterbergingslocaties afdoende ruimte beschikbaar voor het opvangen van de benodigde berging. Vooral bij de zuidelijke bergingslocatie is een flink overschot aanwezig. Omdat deze hoger ligt dan de noordelijke locatie is het niet mogelijk om deze in te zetten voor afwatering van het noordelijk deel van het gebied. Als blijkt dat een bedrijf zich vestigt op de waterscheiding van het noordelijke en zuidelijke deel, is het eventueel toch mogelijk meer verharding richting het zuiden te laten afwateren.

Gezien de waterdoorlatendheid van de bodem van circa 1,65 m/d lopen de bergingslocaties na volledige vulling binnen 24 uur leeg, mits de eventueel aanwezige slecht doorlatende leem-/veenlagen worden verwijderd of verbeterd. Ondanks dat de bergingslocaties volledig met behulp van infiltratie leeg kunnen lopen en een bui T=100 volledig past binnen de locaties, heeft het de voorkeur om de locaties te voorzien van een vertraagde afvoer en noodoverloop richting de Kleefse beek.

Op 25 april 2012 heeft het waterschap een watervergunning verleend voor het verleggen van de Kleefse beek, strak langs de wegen Brem en Langeven. Hierdoor wordt de ruimte om het hemelwater afkomstig van het noordelijke deel van het plangebied op een praktischer wijze bruikbaar.

Vervuiling 

Gezien het een bedrijventerrein betreft is het van de parkeerplaatsen, wegen en terreinverhardingen afstromende hemelwater potentieel verontreinigd. Het van de daken afstromende water kan worden gezien als schoon.

Conform de beslisboom "Afkoppelen van regenwater" wordt voor de zuivering van het afstromende hemelwater een bodemfilter gebruikt. Daarnaast wordt de vervuiling van het hemelwater zoveel mogelijk beperkt.

De twee droogvallende waterbergingslocaties, waar het hemelwater infiltreert in de bodem, kunnen worden gezien als een bodemfilter. In de organische stof- en lutumhoudende toplaag vindt de binding van de verontreinigingen plaats.

Afvoer afvalwater

De afvalwaterafvoer van de kavels dient met behulp van een rioolleiding aan de wegzijde van de kavels te worden aangeboden. In de wegen komt een afvalwaterafvoerriool, ofwel droogweerafvoerriool (DWA-riool) te liggen, die richting het westen gaat afwateren. Aan de westzijde van het bedrijventerrein wordt het DWA-riool aangesloten op de bestaande DWA-riolering van de gemeente Gennep. De precieze ligging en maatvoering van de riolering en het aansluitpunt op de bestaande riolering dienen later nader te worden uitgewerkt.

5.8.3 Overleg waterschap

Om het bedrijventerrein en de daarbinnen te ontwikkelen bouwplannen te kunnen realiseren is het in ieder geval nodig om een watervergunning aan te vragen bij het waterschap indien:

  • De uitbreiding van het verhard oppervlak meer dan 2.000 m2 bedraagt.
  • Eventuele nieuwe aansluitingen (vertraagde afvoer/noodoverloop) op de Kleefse beek worden aangebracht.

Deze vergunning is, zoals in de vorige subparagraaf beschreven, reeds verleend.

5.9 Archeologie

Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Dit vloeit voort uit het Europese Verdrag van Valetta (1992) inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed en de Wet op de archeologische monumentenzorg.

Op 27 juli 2010 heeft de gemeenteraad de “Erfgoedverordening 2010 Gemeente Gennep ” vastgesteld, waarin het gemeentelijke archeologie beleid is verdisconteerd. Op basis van inventarisaties was in 2009 een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld.

Op de archeologische beleidskaart (zie onderstaand) is het plangebied aangeduid als 'waarde - archeologie 4'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0018.jpg"

Figuur 16: uitsnede archeologische beleidskaart

In figuur 6 is de tabel opgenomen waarin per gebied en verstoring wordt weergegeven of en welk onderzoek noodzakelijk is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0019.jpg"

Figuur 17: tabel archeologische onderzoeksverplichtingen

In 2004 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd door Oranjewoud. Verder onderzoek bleek noodzakelijk. In januari 2010 heeft ADC ArcheoProjecten in opdracht van de gemeente Gennep een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uitgevoerd (projectnummer 2195). Tijdens dit proefsleuvenonderzoek zijn 42 putten aangelegd waarin slechts 46 grondsporen werden aangetroffen. Het onderzoeksgebied is verdeeld in vier deelgebieden (A, B1, C en D1). Er zijn drie vindplaatsen aan te wijzen in het onderzoeksgebied. De vindplaats in deelgebied D1 is waarschijnlijk een nederzetting of huisplaats uit de IJzertijd. In deelgebied A is er eveneens sprake van een nederzetting of huisplaats, maar dan uit de Midden Bronstijd. In deelgebied C (valt overigens buiten het onderhavige plangebied) is sprake van een grafveld met een nederzetting of huisplaats uit de Vroege IJzertijd. De meest in het oog springende vondst bij het proefsleuvenonderzoek is de crematiekuil in put 43 in deelgebied C . Het graf is aan de hand van het erin aangetroffen schaaltje te dateren in de Vroege IJzertijd.

Op onderstaande afbeelding zijn de nader te onderzoeken locaties omcirkeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0020.jpg"

Figuur 18: nader te onderzoeken locaties

Op basis van de hoge waardering van deze vindplaatsen, worden deze als behoudenswaardig aangemerkt. Dit houdt in dat de vindplaatsen in situ behouden moeten worden. Als behoud in situ niet mogelijk is, wordt geadviseerd de vindplaatsen nader te onderzoeken voordat begonnen wordt aan de herinrichting van het plangebied. Bij een dergelijk onderzoek zal eerst vastgesteld moeten worden hoe groot de vindplaatsen precies zijn. Dit kan onderzocht worden door enkele langere proefsleuven te graven vanuit de reeds gegraven putten in diverse richtingen. De locatie voor sleuven en de onderzoeksvragen dienen bepaald te worden in een Programma van Eisen voor het vervolgonderzoek. Inmiddels is ter plaatse van deelgebied C het vervolgonderzoek in gang gezet, en zal, in afwachting van de resultaten hiervan, een dubbelbestemming Waarde - Archeologie over betreffend deel van het plangebied worden gelegd. Op die wijze worden de mogelijk in het gebied voorkomende waarden voldoende beschermd.

In het gebied waarvan de deelgebied A en D deel van uitmaakt, heeft een jaar of 3 geleden een flinke grondroering plaatsgevonden, niet wetend dat het gebied een hoge archeologische verwachtingswaarde had; immers, de plankaart en de regels van het vigerende bestemmingsplan bepalen hierover niets.

Op onderstaande afbeeldingen is te zien hoe de grond is geroerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.BP18083BTBREMBDR-VA01_0021.jpg"

Figuur 18a: reeds verstoorde bodem

Ter plaatse van de blauwe pijl is in het wegtracé de bovenlaag circa 80-100 cm verwijderd en de onderlaag ca 50-80 cm los geweest en (opnieuw) verdicht.

Ter plaatse van de rode pijl is de wal te zien, waaronder tot circa 4 meter zand eruit is gehaald om binnen het plangebied te hergebruiken.

Dit heeft tot gevolg dat in deze deelgebieden geen archeologische waarden meer te vinden zijn.

Het is niet geheel uit te sluiten dat buiten het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Op de uitvoerder van grondwerk in het plangebied rust de plicht om archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid.

5.10 Kabels, leidingen en straalpaden

5.10.1 Gas-, olie-, brandstof- of watertransportleidingen en hoogspanningskabels

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor buisleidingen; exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn en gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplannen opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen.

In de omgeving van het plangebied liggen geen leidingen welke impact kunnen hebben op het plangebied.

5.10.2 Obstakelbeheer- en radarverstoringsgebied

Het plangebied bevindt zich niet binnen een straalpad van telecomvoorzieningen. Wel ligt het plangebied in het radarverstoringsgebied dat hoort bij de radar die staat op vliegbasis Volkel. Objecten hoger dan 65 meter boven NAP binnen een straal van 28 km van het radarstation kunnen aanleiding geven tot verstoring van het radarbeeld en zijn derhalve in beginsel niet toegestaan. Gelet op de via de planregels toegestane bouwhoogte en en de hoogteligging van het plangebied, zullen de "objecten" niet boven 65 meter boven NAP uitkomen en vormt het plan geen belemmering voor de radarverbinding.

Gelet op het bovenstaande mag worden gesteld dat met het onderhavige bestemmingsplan de belangen van defensie niet worden geschaad.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Algemeen

Het bestemmingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. De nadere juridische invulling is gedetailleerd geregeld. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen:

  • plantoelichting
  • planregels;
  • verbeelding.

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Waar dat noodzakelijk was , is afgeweken van de standaard en is het plan specifiek toegesneden op de feitelijke situatie in het onderhavige plangebied. De plansystematiek voldoet aan de volgende RO-standaarden 2012:

  • Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012;
  • PraktijkRichtlijn BestemmingsPlannen (PRBP) 2012;
  • Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI) 2012.

6.2 Planmethodiek

Er is, volgens de Wro, gekozen voor een analoge en digitale verbeelding van het plan. Aan de bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld die direct inzichtelijk maken welke ontwikkelingen zijn toegestaan. Verbeelding en regels bieden een directe bouwtitel voor bebouwing en gebruik.

6.3 Verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.

Opgemerkt wordt nog dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen, immers de wijze van raadplegen is ook verschillend. Inhoudelijk zijn geen verschillen te vinden.

6.4 Planregels

De planregels zijn ondergebracht in inleidende regels, in bestemmingsregels, in algemene regels en in overgangs- en slotregels.

De Inleidende regels (hoofdstuk 1) bestaan uit begrippen en de wijze van meten, teneinde te voorkomen dat discussie ontstaat over de interpretatie van de regels. In de Begrippen (artikel 1) wordt een omschrijving gegeven van de in de regels gehanteerde begrippen. Als gebruikte begrippen niet in deze lijst voorkomen, dan geldt de uitleg/interpretatie conform het dagelijks taalgebruik.

In het artikel over de "Wijze van meten" (artikel 2) worden de te gebruiken meetmethodes vastgelegd.

Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de doeleindenomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Indien er sprake zou kunnen zijn van conflicterende belangen, is er een nadere detaillering van de doeleinden opgenomen waarin wordt vermeld welke doeleinden prevaleren. Vervolgens wordt in de bebouwingsregeling aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven dat gronden en opstallen niet in strijd met de bestemming mogen worden gebruikt. Voor de duidelijkheid is in een aantal situaties aangegeven die in ieder geval in strijd met de bestemming worden geacht.

Bestemmingen:

  • Bedrijventerrein

De bestaande bestemming 'Bedrijf' wordt geactualiseerd en zal zoveel mogelijk aansluiten op de planregels van de overige bedrijventerreinen in Gennep, met name op bestemmingsplan De Grens. Bedrijven in de categorie 2 t/m 3.2 zijn hier toegestaan, een en ander zoals genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Risicovolle en geluidszoneringsplichtige inrichtingen zijn zonder meer uitgesloten. De bestemming wordt globaal van aard zodat hier ook de ontsluitingswegen, groen en water binnen geregeld worden. De bouwhoogte mag 15 meter bedragen en het maximale bebouwingspercentage wordt 80%.

  • Groen

Deze bestemming heeft betrekking op nieuw groen, hemelwaterinfiltratievoorzieningen, de aanleg van een talud.

  • Verkeer

Bestaande wegen worden als zodanig bestemd, ook waar deze voorheen binnen de bestemming Natuur waren gelegen.

  • Water

Deze bestemming geldt voor de Kleefse beek, zoals deze inmiddels is verlegd.

  • Dubbelbestemming Waarde - Archeologie

Deze dubbelbestemming beschremt de mogelijk aanwezige archeologische waarden, zolang deze niet afdoende zijn onderzocht.

In de Algemene regels (hoofdstuk 3) zijn opgenomen de Anti-dubbeltelbepaling, de algemene bouwregels, de algemene ontheffingsregels, de algemene wijzigingsregels, de algemene procedureregels voor wijzigingen, ontheffingen en nadere eisen en de overige regels.

In dit hoofdstuk worden beide vrijwaringszones langs de A77 geregeld. Het betreft een zone van 0-50 meter uit het hart van de weg, waarbinnen in het geheel niet gebouwd mag worden en een zone van 50-100 meter waarbinnen middels een afwijkingsbevoegdheid slechts gebouwd mag worden nadat een positief advies is ingewonnen bij de wegbeheerder omtrent de aanvaardbaarheid daarvan in relatie tot de belangen van een goede en veilige afwikkeling van het verkeer.

In de Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4) zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen.

Omdat onderhavig bestemmingsplan slechts een partiële herziening inhoudt, zijn in de regels ook slechts de gewijzigde bepalingen opgenomen.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid, kostenverhaal en planschade

De realisatie van delen van het plan voorzover dit ontwikkelingsgericht is, geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Verder zijn de gronden die de bedrijfsbestemming beslaan eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden.

Kostenverhaal is geregeld in een tussen de gemeente Gennep en de initiatiefnemer af te sluiten overeenkomst, waarin ook het planschadeverhaal wordt opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Gennep komt maar voor rekening van de initiatiefnemer.

Hoofdstuk 8 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1 Bekendmaking ex artikel 1.3.1. Bro

Het voornemen tot voorbereiding van het bestemmingsplan is op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het wettelijk overleg zal onder meer overleg plaatsvinden met Waterschap Limburg en de provincie Limburg. De resultaten hiervan zullen te zijner tijd hieronder opgenomen worden.

8.3 Procedure ontwerp-bestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken, van 25 april tot en met 6 juni 2018, voor een ieder ter inzage. Gedurende deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. De zienswijzennota is als separaat document opgesteld en de daarin aangegeven aanpassingen aan het (ontwerp-)bestemmingsplan zijn in onderhavige plan verwerkt.