direct naar inhoud van Artikel 14 Maatschappelijk
Plan: Buitengebied
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0905.bpbuitengebied-VA01

Artikel 14 Maatschappelijk

14.1 Bestemmingsomschrijving

14.1.1 De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke doeleinden van religieuze, educatieve, sociaal-medische en culturele aard, alsmede voor doeleinden van lijkbezorging (uitvaartcentrum, crematorium) en de daarbij behorende voorzieningen.

14.1.2 Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de op de plankaart aangewezen dubbelbestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtname van de voorrangsregels uit artikel 44.

14.2 Bouwregels

14.2.1 Algemeen

Op de tot 'maatschappelijk' bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • gebouwen, geen woning zijnde, ten behoeve van het in 14.1.1 toegestane gebruik,

en de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde, welke qua aard en afmetingen bij deze bestemming passen, met dien verstande, dat:

  • a. gebouwen uitsluitend in het bouwvlak mogen worden gebouwd;
  • b. het bouwvlak geheel mag worden bebouwd;
  • c. de goothoogte van gebouwen, geen woning zijnde, ten hoogste 3.50 m mag bedragen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximale goothoogte' waar de goothoogte ten hoogste de aangeduide hoogte mag bedragen;
  • d. de dakhelling ten hoogste 60° mag bedragen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'plat dak', waar alleen een plat dak is toegestaan (dakhelling 0°);
  • e. de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde ten hoogste 4.00 m mag bedragen, met uitzondering van:
  • de hoogte van erfafscheidingen, die ten hoogste 2.50 m mag bedragen;
  • de hoogte van voorzieningen voor verlichting, die ten hoogste 6.50 m mag bedragen;
  • de hoogte van vlaggenmasten, die ten hoogste 10.00 m mag bedragen;

14.2.2 Bestaande bebouwing

Het onder 14.2.1 bepaalde geldt niet voor bestaande, in het verleden op legale wijze tot stand gekomen bebouwing, welke in de bestaande situering, vorm en omvang mag worden gehandhaafd.

14.3 Nadere eisen

14.3.1 Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van:

  • de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing;
  • de aard, hoogte en de situering van erfafscheidingen;
  • voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;

een en ander op basis van een landschappelijk inpassingsplan (en/of stedenbouwkundig ontwerp) en indachtig de regels zoals deze gesteld zijn in de POL-uitwerking BOM+.

14.3.2 de 14.3.1 genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:

  • indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke inpassing, of
  • ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden, of
  • ter verbetering van de gebiedskwaliteit.
14.4 Ontheffing van de bouwregels

14.4.1 Ontheffing voor kunstwerken, voorwerpen betreffende de beeldende kunsten, speelvoorzieningen

Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen ten behoeve van het oprichten van kunstwerken, voorwerpen betreffende de beeldende kunsten, speelvoorzieningen en daarmee vergelijkbare voorzieningen met een grotere hoogte dan 4.00 m , mits:

  • deze qua aard en omvang in de omgeving passen;
  • bij speelvoorzieningen de bodem, blijkens bodemonderzoek vooraf, niet zodanig verontreinigd is, dat bezwaren bestaan tegen de realisering ervan,

met dien verstande dat:

  • a. de hoogte ten hoogste 6.00 m mag bedragen.

14.4.2 Procedure ontheffing

Burgemeester en Wethouders volgen bij het verlenen van ontheffing de in artikel 42 gegeven procedure.

14.5 Specifieke gebruiksregels

14.5.1 Gebruiksregels van de grond

Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 38 wordt tenminste verstaan het gebruik van de grond voor en/of als:

  • a. standplaats of ligplaats voor onderkomens en/of kampeermiddelen;
  • b. staanplaats voor wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel;
  • c. het opslaan van meststoffen, waaronder het opslaan van mest in mestzakken;
  • d. opslag, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.

14.5.2 Gebruiksregels van opstallen

Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 38 wordt tenminste verstaan het gebruik van opstallen voor:

  • a. woondoeleinden;
  • b. detailhandel, anders dan inherent en van ondergeschikte betekenis aan het toegelaten gebruik;
  • c. ambachtelijke en/of industriële doeleinden;
  • d. horecadoeleinden, anders dan inherent en ondergeschikt aan het toegelaten gebruik;
  • e. opslagdoeleinden, anders dan inherent aan het toegelaten gebruik.