| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22L [Ceresweg 4] |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0893.TOP25007H22LCE4-VA01 |
De initiatiefnemers en eigenaren van het woonperceel aan de Ceresweg 4 in Bergen L. willen graag een nieuwe landelijke kapschuur realiseren op een stuk agrarische grond direct achter hun woonperceel. In ruil hiervoor komt de onbenutte bouwmogelijkheid voor de bouw van een landbouwschuur net ten zuidoosten van hun woonperceel te vervallen. In feite betreft dit de verplaatsing van een al bestaande bouwmogelijkheid naar een meer passende locatie, in de buurt van al bestaande bebouwing, waardoor in grotere mate invulling wordt gegeven aan het principe van concentratie van bebouwing.
Om de verplaatsing van de bouwmogelijkheid van de schuur mogelijk te maken naar een locatie direct achter hun woonperceel en tegelijkertijd de bouwmogelijkheid op de oude locatie weg te kunnen bestemmen, zal het omgevingsplan gemeente Bergen (L) voor de gronden in het plangebied moeten worden gewijzigd. Gedurende de overgangsfase zal een wijziging van het omgevingsplan verlopen middels de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) ofwel een TAM-omgevingsplan.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Bergen L., niet ver van de Duitse grens, en staat kadastraal bekend als gemeente Bergen Limburg, sectie P, nr. 522, 523 en 592 (deels). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 6.400 m² en wordt globaal gezien begrensd door:
Er is voor gekozen om het hele woonperceel van de initiatiefnemer binnen de plangrens op te nemen, zodat het hele perceel binnen één ruimtelijk plan valt.
Navolgende afbeeldingen tonen globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit TAM-omgevingsplan.
Globale ligging plangebied in groter verband (rode druppel, bron: maps.google.nl)
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Voor de gronden in het plangebied geldt het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan gemeente Bergen (L), in werking getreden op 1 januari 2024. Dit tijdelijke deel van het omgevingsplan omvat het voormalig bestemmingsplan 'Buitengebied 2018 (inclusief 1e herziening)', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 13 december 2022. In het bestemmingsplan is het grootste deel van het plangebied voorzien van de functie 'Wonen (artikel 27)'. Binnen het aanwezige bestemmingsvlak mag maximaal 1 woning gebouwd worden. Aan de zuidwestzijde is een groot deel van het plangebied voorzien van de functie 'Tuin (artikel 24)'.
Daarnaast is het plangebied ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - landbouwschuur' voorzien van de functie 'Agrarisch met waarden (artikel 5)'. In de begrippenlijst (artikel 1) is een landbouwschuur gedefinieerd als 'een gebouw waarin opslag ten behoeve van het omliggende agrarisch gebruik plaats vindt en geen sprake is van het houden van dieren'. In artikel 5.2.1 is opgenomen aan welke maatvoering een landbouwschuur moet voldoen:
Tenslotte is het hele plangebied voorzien van de gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 5 (artikel 35)'.
Uitsnede tijdelijk omgevingsplan met globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
Om de verplaatsing van de bouwmogelijkheid van de schuur mogelijk te maken wordt in de onderhavige motivering wordt onderbouwd dat sprake is van een ruimtelijk aanvaardbare situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
Het TAM-omgevingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de functies in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde functies zijn opgenomen. Het TAM-omgevingsplan gaat vergezeld van een motivering waarin de achtergronden van het TAM-omgevingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het TAM-omgevingsplan. In de motivering worden de keuzes die in het TAM-omgevingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De motivering kan globaal opgedeeld worden in vier delen.
Inleiding en gebiedsvisie
In hoofdstuk 1 zijn de aanleiding en het kader voor de planafwijking beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied.
Verantwoording
Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet.
Juridische planbeschrijving
In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid
Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op het kostenverhaal en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
In de huidige situatie is de beoogde locatie van de landelijke kapschuur achter de woning aan de Ceresweg 4 een braakliggend stuk agrarische grond (kadastraal perceel 592), dat regelmatig wordt gemaaid. In de huidige situatie is sprake van circa 155 m² aan aangebouwde bijbehorende bouwwerken (=oostelijk deel huidige woning: zie bebouwing met rode dakpannen vanaf het smalle tussenstuk in oostelijke richting op navolgende afbeelding).
Vogelperspectief bestaande situatie plangebied
Impressie plangebied vanaf noordoostelijke hoek woonperceel
Impressie plangebied vanaf zuidoostelijke hoek woonperceel
Op navolgende afbeelding is de beoogde locatie van de landelijke kapschuur aangegeven:
Om de oppervlakte van de functie 'Wonen' gelijk te houden wordt aan de noordoostzijde een klein deel van het plangebied voorzien van de functie 'Tuin'. Op navolgende afbeelding is dit schematisch weergegeven:
Op navolgende afbeelding is het beoogde bouwplan weergegeven met de bijbehorende maatvoering van de landelijke kapschuur met een voetprint van circa 18 x 22 = 396 m²:
Daarnaast wordt de uitbreiding van het woonperceel rondom de landelijke kapschuur landschappelijk ingepast conform navolgende inpassingstekening, waarbij aansluiting is gezocht bij de al aanwezige elementen. Naast het handhaven van de al bestaande elementen, wordt de bestaande haag langs de Ceresweg doorgetrokken, worden enkele fruitbomen aangeplant en wordt de weide wordt ingezaaid met een bloem- en kruidenrijk grasmengsel:
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven.
De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:
Planspecifiek
De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
Op 1 oktober 2021 hebben de Provinciale Staten van Limburg de 'Provinciale Omgevingsvisie Limburg' vastgesteld. De Omgevingsvisie is een strategische en lange termijn (2030 - 2050) visie op de fysieke leefomgeving en beschrijft onderwerpen zoals wonen, infrastructuur, milieu, water, natuur, landschap, bodem, ruimtelijke economie, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. Daarnaast worden ook de aspecten gezondheid, veiligheid en een gezonde leefomgeving in de Omgevingsvisie meegenomen.
Hoofdopgaven
In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:
Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:
Limburgse principes en algemene zonering
Bij (nieuwe) ontwikkelingen kiest de provincie voor maatwerk en daarbij wordt rekening gehouden met het karakter en de mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. De afweging vindt plaats op basis van de onderstaande Limburgse principes:
Het toekomstbeeld voor Limburg kan worden gevangen in een indicatieve zonering (landelijke gebieden, bebouwde gebieden en infrastructuren). Die zonering bouwt voort op de ‘tijdloze’ karakteristiek van de ondergrond; de geomorfologie en het watersysteem en de typering en ontwikkeling van het ruimtegebruik in deelgebieden binnen Limburg in de afgelopen decennia.
Planspecifiek
Het plangebied is gelegen in de groenblauwe mantel. Dit gebied omvat onder andere de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle beekdalen. De gebieden van de groenblauwe mantel hebben vaak een functie als buffer rond en verbindingszones tussen bestaande natuurgebieden, zoals het Natura 2000-gebied 'Maasduinen'. Dit betreft gebieden met overwegend (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinschalige landschapselementen en waterlopen.
In dit geval is sprake van het verplaatsen van een al bestaande bouwmogelijkheid voor een landbouwschuur van maximaal 400 m² binnen de groenblauwe mantel naar een meer passende locatie binnen de groenblauwe mantel, dichterbij de al bestaande bebouwing, waardoor op een betere wijze invulling wordt gegeven aan het principe van concentratie van bebouwing. Per saldo is daarom sprake van een verbetering van de kwaliteit van de groenblauwe mantel.
Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt bovendien voorzien in een landschappelijke kwaliteitsverbetering door middel van een robuuste landschappelijke inpassing rondom de landelijke kapschuur.
De beperkte wijziging van een deel van de functie van het plangebied van 'Agrarisch met waarden' naar 'Wonen' maakt, in combinatie met het 'wegbestemmen' van de landbouwschuur met een maximum oppervlakte van 400 m², dat er geen sprake is van het mogelijk maken van nieuwe activiteiten, danwel wijziging van bestaande activiteiten, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.
De Omgevingsverordening is op 1 januari 2024 in werking getreden en vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Limburg. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.
Planspecifiek
In de Omgevingsverordening maakt het plangebied onderdeel uit van het gebied dat op de kaart 7 'Landschap' is aangeduid als 'groenblauwe mantel'. Feitelijk betreft het de voormalige 'bronsgroene landschapszone'.
De toelichting bij de Omgevingsverordening zegt hier over: "De beschermingsregimes van de huidige Zilvergroene natuurzone en de huidige Bronsgroene landschapszone komen in de omgevingsverordening sterk overeen. Ook in gebruik van deze gebieden (veelal agrarisch, grondgebonden landbouw) is weinig verschil (dit in tegenstelling tot de Goudgroene natuurzone waar het natuurbelang prevaleert). Het enige wat er verandert is dat ook voor de (voormalige) bronsgroene natuurzone inzichtelijk moet worden gemaakt wat de betekenis van een ontwikkeling in een 'plangebied' is voor de natuurwaarden in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. Dit wordt in de vigerende verordening ook gevraagd voor de Zilvergroene natuurzone. Belangrijk is ons te realiseren dat dit niet meer is dan een motiveringsplicht en geen gebodsbepaling. De verwachting is dat deze motiveringsplicht in veel situaties weinig extra inspanning (motivering) vergt omdat verbindings- of bufferfuncties niet geraakt worden. De samenvoeging van de twee zones sluit aan bij de wens tot harmonisatie van de naamgeving van natuurzoneringen vanuit de Omgevingswet."
Dit betekent dat er bij de Omgevingsverordening op dezelfde wijze wordt omgegaan met de voormalige bronsgroene landschapszone.
Artikel 7.6 Instructieregels kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel
De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de groenblauwe mantel beschrijft:
Ad a., b., en c.
Het deel van het plangebied waar de schuur in de toekomstige situatie is voorzien, betreft in de bestaande situatie een braakliggend stuk agrarische grond (kadastraal perceel 592), dat regelmatig wordt gemaaid. Doordat de vegetatie in het plangebied kort wordt gehouden heeft het plangebied in de bestaande situatie geen specifieke ecologische waarde. In de toekomstige situatie vindt er juist een verbetering plaats van deze ecologische waarden door het toepassen van een bloem- en kruidenrijk grasmengsel in de weide ten zuidoosten van het woonperceel, direct aangrenzend aan het Natura 2000-gebied (zie landschappelijke inpassingstekening in paragraaf 2.2 en zoals voorwaardelijk verplicht in de regels).
Kijkend naar de ligging van het plangebied ten opzichte van het aangrenzende Natura 2000-gebied (zuid) en het nabijgelegen Natuurnetwerk Limburg (even verderop in noordwestelijke richting), blijkt dat de beoogde locatie van de schuur geen onderdeel is van een ecologische verbindingszone maar juist aan de rand, net buiten, een zone met natuurgebieden is gelegen (zie navolgende afbeelding uit de Omgevingsverordening Limburg). Tussen de beoogde locatie van de schuur en het Natuurnetwerk Limburg liggen juist gronden met de functie 'Tuin' en 'Wonen'. De dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone bevindt zich iets meer ten noorden, ten noorden van de Baalsedijk, en loopt vanuit het gebied rondom de Beekheuvel richting landgoed Bleijenbeek.
Aanvullende (Cultuur)historische en landschappelijke motivering
Inleiding
Op de locatie aan de Ceresweg 4 in de gemeente Bergen wordt een nieuwe landbouwschuur van circa 400 m² gerealiseerd ter vervanging van een voormalige landbouwloods van circa 800 m², die in het verleden (circa 2009) door brand verloren is gegaan. Het betreft het verplaatsen van de onbenutte bouwmogelijkheid voor de bouw van een landbouwschuur net ten zuidoosten van het woonperceel Ceresweg 4 (qua bouwmogelijkheid gemaximeerd in het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Bergen L. op 400 m²) naar een meer passende locatie. Dit omdat de beoogde locatie dichter in de buurt van een bestaand woonerf Ceresweg 4 ligt (dat een ensemble vormt met het woonperceel Ceresweg 2), waardoor in grotere mate invulling wordt gegeven aan het principe van concentratie van bebouwing.
Navolgend een luchtfoto uit 2005. Hieruit blijkt dat Ceresweg 4 nog een grote loods/stal heeft, hier werden vroeger koeien gehouden. Deze is in 2009 (na de brand) gesloopt (zie luchtfoto uit 2015):
Navolgend een luchtfoto uit 2015:
(Cultuur)historische en landschappelijke context
Landschappelijke ontwikkeling
Het plangebied ligt in het overgangsgebied tussen de landschappelijke eenheden Leege Heide en Ceres. Het gebied Ceres is een grootschalige jonge ontginning uit het begin van de 20e eeuw. Kenmerkend zijn: rechte verkavelingsstructuren, opgaande beplanting langs de grens en incidentele singelbeplantingen. In het landschapsplan (2013) van de gemeente Bergen L. staat hier over in relatie tot het plangebied:
Hoogteligging
Raadpleging van het Actueel Hoogtebestand Nederland laat zien dat de maaiveld hoogte ter plaatse van het plangebied en de oorspronkelijke locatie van de schuur ongeveer gelijk is, terwijl het aangrenzende natuurgebied ten zuiden beduidend hoger ligt (20 à 23 m +NAP).
Historische ontwikkeling van het erf
Op basis van Topo Tijdreis (zie bijlage 1) blijkt dat het gebied in 1900 nog niet was ontgonnen. In 1929 komt de ontginning op gang en vanaf 1938 zijn meerdere boerderijen zichtbaar. De woning aan de Ceresweg 4 is in 1947 herbouwd, die aan Ceresweg 2 is in 1969 gebouwd als tweede bedrijfswoning.
De oude loods, zichtbaar op kaarten vanaf 1957 tot 1998 en op luchtfoto's tot 2005, maakte langdurig deel uit van het agrarisch erf. Deze loods is in 2009 gesloopt nadat deze was afgebrand.
Beoordeling nieuwe schuur in relatie tot (cultuur)historie & landschap
De nieuwe schuur van 400 m² is aanzienlijk kleiner dan de oorspronkelijke loods van 800 m² van voor de brand in 2009. Deze kleinere oppervlakte past beter bij de historische schaal en de verplaatsing van de bestaande bouwmogelijkheid voor een landbouwschuur uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Bergen L in westelijke richting versterkt het open karakter van het landschap aan de zijde van de Ceresweg. Dit omdat de beoogde locatie dichter in de buurt van een bestaand woonerf Ceresweg 4 ligt (dat een ensemble vormt met het woonperceel Ceresweg 2), waardoor in grotere mate invulling wordt gegeven aan het principe van concentratie van bebouwing. De beoogde locatie sluit bovendien aan bij het langdurige agrarische gebruik van het erf en past binnen de uitgangspunten van het Landschapsplan gemeente Bergen (2013).
Conclusie
De nieuwbouw vormt een cultuurhistorisch verantwoorde voortzetting van het erf. Het bouwvolume is gehalveerd, de historische/ landschappelijke structuur blijft herkenbaar en de ontwikkeling versterkt door de gewijzigde positie (ten opzichte van datgene wat nu planologisch is toegestaan in het (tijdelijke deel van het) omgevingsplan gemeente Bergen L.) het karakteristieke open landschap van de Ceresontginning. De gemeente ziet de gewijzigde positie als een verbetering ten opzichte van wat nu planologisch is toegestaan.
Ad d.
Het plangebied heeft geen specifieke waarde voor het bieden van ruimte voor water en is niet gelegen in een laagte of beekdal. Uit de kaart van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) blijkt juist dat het plangebied circa 1,0 m hoger ligt dan het omliggende agrarische gebied ten noorden en oosten van de Ceresweg en meer dan 1,5 m hoger dan het noordwestelijk gelegen deel van het Natuurnetwerk Limburg.
Ad e.
Zie onder a t/m c
Ad f. en g.
Bovendien is in dit geval sprake van het verplaatsen van een al bestaande bouwmogelijkheid voor een landbouwschuur van maximaal 400 m² binnen de groenblauwe mantel naar een meer passende locatie binnen de groenblauwe mantel, dichterbij de al bestaande bebouwing op het woonperceel aan de Ceresweg 4. Hierdoor wordt op een betere wijze invulling wordt gegeven aan het principe van concentratie van bebouwing. Per saldo is daarmee sprake van een verbetering van de kwaliteit van de groenblauwe mantel. De locatie waar de nieuwe kapschuur van circa 396 m² is voorzien wordt onderdeel van het woonperceel, waarbij duidelijk te zien is dat ten zuiden van deze locatie een grondwal aanwezig is, die het achterliggende natuurgebied (Natura 2000-gebied & Nationaal Park De Maasduinen) van het woonperceel afschermt. Los hiervan heeft de kapschuur zelf ook een afschermende werking richting dit natuurgebied.
Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt bovendien voorzien in een landschappelijke kwaliteitsverbetering door middel van een robuuste landschappelijke inpassing rondom de landelijke kapschuur.
De beperkte wijziging van een deel van de functie van het plangebied van 'Agrarisch met waarden' naar 'Wonen' maakt, in combinatie met het 'wegbestemmen' van de landbouwschuur met een maximum oppervlakte van 400 m², dat er geen sprake is van het mogelijk maken van nieuwe activiteiten, danwel wijziging van bestaande activiteiten, die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
In de afgelopen jaren is ook in de gemeente Bergen veel veranderd op het gebied van onder andere bevolkingsopbouw, duurzaamheid en economie. Daarom heeft de gemeenteraad op 23 april 2019 de Omgevingsvisie Bergen 2030 vastgesteld. Deze visie bepaalt in welke richting de gemeente zich wil ontwikkelen.
De Omgevingsvisie heeft betrekking op het hele grondgebied van de gemeente Bergen, met uitzondering van het gebied Wells Meer. Concrete aanvragen van overheden, organisaties, ondernemers en burgers toetst Gemeente Bergen voortaan aan de tien navolgende uitgangspunten van deze visie:
Planspecifiek
Uit de visiekaart blijkt dat het plangebied is aangemerkt als 'primair agrarisch landschap' en dat het gebied is aangemerkt als agrarisch landschap met kwaliteiten (= functie 'Agrarisch met waarden' zoals nu opgenomen in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan).
In aansluiting op uitgangspunt 5 'versterken natuurwaarden en biodiversiteit' wordt in de gebieden die zijn aangewezen als ‘Agrarisch landschap met kwaliteiten’ ingezet op het verzachten van de randen van Nationaal Park De Maasduinen. De grootste mogelijkheden voor het versterken van de biodiversiteit liggen echter in het verduurzamen van de landbouw in het algemeen, in combinatie met het inzetten op bloemrijke akkerranden en het herstellen van landschappelijke elementen. Dit betekent een kleinschaliger landschapsbeeld, met meer ruimte voor groene verbindingen.
In dit geval is sprake van het verplaatsen van een al bestaande bouwmogelijkheid voor een landbouwschuur van maximaal 400 m² binnen de groenblauwe mantel naar een meer passende locatie binnen de groenblauwe mantel, dichterbij de al bestaande bebouwing op het woonperceel aan de Ceresweg 4. Hierdoor wordt op een betere wijze invulling wordt gegeven aan het principe van concentratie van bebouwing. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling van het plangebied wordt bovendien voorzien in een landschappelijke kwaliteitsverbetering door middel van een robuuste landschappelijke inpassing rondom de landelijke kapschuur.
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.
Omdat er geen extra woningen mogelijk gemaakt worden in het plangebied (het betreft alleen het verplaatsen van een onbenutte bouwmogelijkheid voor een landbouwschuur naar een andere locatie nabij een bestaande woning), er daarom geen sprake is van het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw en er dus ook geen extra verkeersbewegingen worden gegenereerd en er geen toename is van de parkeerbehoefte worden deze aspecten niet nader besproken in dit hoofdstuk.
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat bodem onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van de bodem (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). Daarnaast gelden er instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die gemeenten in het omgevingsplan moeten verwerken. Het Bkl bepaalt voor bodem dat in het omgevingsplan:
Bodemgevoelige gebouwen
Een bodemgevoelig gebouw wordt in het Bkl omschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een gebouw wordt verstaan een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bodemgevoelige locaties
Een bodemgevoelige locatie is op basis van het Bkl in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
De gemeente kan in het omgevingsplan aanvullende locaties aanwijzen als bodemgevoelige locatie, zoals kinderspeelplaatsen of moestuinen. In de gemeente zijn dergelijke locaties vooralsnog niet aangewezen.
Omgevingsplan
Een omgevingsplan bevat dus waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die per gebied of per gebruiksfunctie kunnen verschillen. Het uitgangspunt voor deze waardes zijn de interventiewaardes bodemkwaliteit, uit bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze waardes zijn wetenschappelijk onderbouwd en behoeven geen verdere motivering. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde bevatten dan de interventiewaardes, mits gemotiveerd en de waarden niet hoger zijn dan het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR humaan, bijlage Vb Bkl). Ook mag niet leiden tot overschrijding van de toelaatbare concentraties in lucht (TCL) en geurdrempels (bijlage XIIIb Bkl).
Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Om te kunnen beoordelen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het omgevingsplan is overschreden, is voorafgaand onderzoek naar de gesteldheid van de bodem nodig. Ingeval van een overschrijding van de waarden, is in het omgevingsplan opgenomen welke sanerende of beschermende maatregelen nodig zijn.
In het verleden is de bodem van het deel van het plangebied waar de landelijke kapschuur wordt gerealiseerd al gesaneerd en opgeruimd na een brand. Daarom hoeft er geen nieuw onderzoek plaats te vinden naar de kwaliteit van de bodem.
Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.
Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'
Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig.
Er is geen sprake van niet-agrarische bedrijven en andere niet-woonfuncties in de directe omgeving met een hindercontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen omliggende bedrijven en het plangebied al andere gevoelige (woon)functies gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende niet-agrarische bedrijven en andere niet-woonfuncties. Daarnaast is de vrijstaande kapschuur bij een woning geen geluid- en/of geurgevoelig gebouw.
Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat lucht onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van lucht (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).
De rijksoverheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied.
Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties.
De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 Bkl. Deze gaan over:
Omdat het slechts gaat om het realiseren van een extra bijgebouw, zonder dat er extra woningen worden gerealiseerd, heeft de beoogde ontwikkeling geen effect op de luchtkwaliteit.
Om na te gaan wat de (verwachte) situatie van de luchtkwaliteit in het plangebied is bij monitoringsronde 2024, in de monitoringsjaren 2023 en 2030 gebruik gemaakt van de monitoring van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In navolgende tabel is de luchtkwaliteit op het meest nabij gelegen rekenpunt (nr. 51350696_18767). Dit betreft een receptor veehouderij op de hoek van de Baalsedijk en de Gochsedijk:
| 2023 (µg/m³) | 2030 (µg/m³) | ||
| PM10 | 14,2 | 12,6 | |
Uit de tabel valt om te maken dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor PM10) niet wordt overschreden. Het plan voegt daar ook geen in betekenende mate verslechtering aan toe.
De daggemiddelde norm van 50 µg/m³ voor PM10 mag maximaal 35 dagen per jaar overschreden worden en is voor PM10 belangrijker dan de jaargemiddelde norm van 40 µg/m3. Uit het CIMLK blijkt dat er sprake is van 6,0 overschrijdingsdagen in 2022 en 6,1 overschrijdingsdagen in 2030, waarmee ruimschoots aan de norm wordt voldaan.
Voor NO2 en PM2,5 ligt het dichtstbijzijnde rekenpunt (50052969_15987819) op de N271:
| 2023 (µg/m³) | 2030 (µg/m³) | ||
| NO2 | 11,7 | 10,6 | |
| PM2,5 | 8,0 | 6,7 | |
Uit de tabel valt om te maken dat de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2) en 25 µg/m³ (voor PM2,5) niet wordt overschreden. Het plan voegt daar ook geen in betekenende mate verslechtering aan toe.
Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het Bkl bevat een instructieregel dat zorg gedragen dient te worden dat geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.
Geurgevoelige gebouwen
De volgende gebouwen worden als 'geurgevoelige gebouwen' aangemerkt:
Geurveroorzakende activiteiten
Voor 'geurveroorzakende activiteiten' wordt onderscheid gemaakt in:
Er is geen sprake van agrarische bedrijven in de directe omgeving met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen omliggende agrarische bedrijven en het plangebied al andere gevoelige (woon)functies gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Daarnaast is de kapschuur, in casu een vrijstaand bijbehorend bouwwerk, geen geurgevoelig gebouw.
De dichtstbijzijnde agrarische bedrijfslocatie aan de Ceresweg 7 is daarnaast een voormalige agrarische bedrijfslocatie (niet zijnde een intensieve veehouderij) die op dit moment in gebruik is voor de opvang van vluchttelingen op een afstand van circa 100 m tot het deel van het plangebied waar de landelijke kapschuur wordt gerealiseerd.
Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in:
Plaatsgebonden risico
Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6-contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden.
Groepsrisico: aandachtsgebieden
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden voor branden, explosies en gifwolken.
Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen.
Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (lichtblauwe omcirkeling, bron: www.risicokaart.nl)
Locatiegebonden risicobronnen
Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een locatiegebonden risicobron.
Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding
Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een aardgastransportleiding.
Vervoer van gevaarlijke stoffen
Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van een transportroute voor gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water.
Groepsrisico: aandachtsgebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen een brand -, explosie - of gifwolk aandachtsgebied.
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk.
Beleid Waterschap
Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022, het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) 2020 – 2025, het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 van Waterschap Limburg, de Omgevingsverordening Limburg (2021), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:
Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.
Gemeentelijk beleid
Door de gevolgen van klimaatveranderingen wordt de gemeente Bergen kwetsbaarder voor verdroging, extreme hitte en extreme neerslag. In 2020 is het GRP Bergen (L) 2020 - 2025 vastgesteld waarin staat dat in de gemeente Bergen een natuurlijk en klimaatbestendig watersysteem willen creëren. Regenwater vasthouden en een impuls zijn belangrijke uitgangspunten hierbij. Dit beleid is ook verankerd in de gemeentelijke 'Verordening Fysieke leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022'. Om wateroverlast door extreme neerslag te voorkomen en verdroging tegen te gaan is het van belang dat zowel op particulier terrein als in openbaar gebied voldoende waterberging wordt gerealiseerd. In de verordening zijn hiervoor concrete regels opgenomen.
Huidige situatie
Bestaande situatie bebouwing en verhard oppervlak
In de bestaande situatie is het hele plangebied onverhard.
Ligging van beschermingszones, reserveringsgebieden
Zoals het omgevingsplan gemeente Bergen (L) en de Omgevingsverordening Limburg aantonen, ligt het plangebied niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone.
Huidige verwerking hemelwater
In de huidige situatie valt het hemelwater op de beoogde locatie van de landelijke kapschuur in het onverharde plangebied en kan het water direct in de bodem infiltreren.
Volgens de indicatieve kaarten van het Waterschap Limburg is de doorlatendheid voor hemelwater ter plaatse zeer goed, met 1,5 tot 10,0 m per dag.
Huidige verwerking afvalwater en waterkwaliteit
Er vindt geen verwerken van afvalwater plaats in de huidige situatie op de beoogde locatie van de landelijke kapschuur.
Aanwezig oppervlaktewater
Er is geen oppervlaktewater aanwezig in het plangebied.
Grondwaterstanden en maaiveldhoogte
Op basis van de kaarten behorende bij de landelijke bodemkaart (Bron: https://bodemdata.nl/basiskaarten) is het plangebied aangewezen als 'Leek-/woudeerdgronden; lichte zavel'. De actuele grondwaterstand is niet te achterhalen via het grondwatermonitoringsnet dat beschikbaar is via https://www.broloket.nl/ondergrondgegevens.
Volgens de klimaateffectatlas (https://www.klimaateffectatlas.nl/nl/kaartviewer) ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand op de beoogde locatie van de landelijke kapschuur op 1,5 à 2 m onder het huidige maaiveld.
De bestaande maaiveldhoogte ligt volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) op circa 17,1 m +NAP.
Toekomstige situatie en waterbergingsopgave
Planbeschrijving
In paragraaf 2.2 is de beoogde locatie en oppervlakte weergegeven van de landelijke kapschuur.
Ontwerp nieuw watersysteem
Hemelwater
Wat betreft hemelwater streeft de gemeente Bergen ernaar om bij nieuwbouw en herstructurering regenwater volledig af te koppelen en zoveel mogelijk binnen het plangebied te verwerken conform de Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 en het gemeentelijk rioleringsplan 2020 – 2025.
Het plangebied zal zelfvoorzienend moeten zijn qua waterberging. Dit betekent dat op eigen terrein in extra ruimte voor waterberging zal moeten worden voorzien. De exacte grootte van de voorziening hangt af van de oppervlakte die verhard gaat worden. Gezien de forse grootte van het bestaande woonperceel is hier ruimte genoeg voor op eigen terrein. De hemelwaterafvoer van de daken van nieuwe gebouwen en overkappingen moet worden afgekoppeld op eigen terrein met een voorziening van 60 liter per vierkante meter verhard oppervlak. Dit is via een voorwaardelijke verplichting vastgelegd (zie sublid 6.4.2 onder d van de regels).
Gezien de hoeveelheid extra verhard oppervlak als gevolg van de landelijke kapschuur zal de initiatiefnemer op eigen terrein een infiltratievoorziening moeten realiseren met een capaciteit van 39,6 m³ (396 m² x 100 mm) conform de maatgevende bergingseis van het waterschap van 100 mm. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een wadi of een zaksloot van circa 26,5 m lang, 2,0 m breed en 0,75 m diep. Hiervoor is ruimschoots voldoende ruimte op het eigen perceel aanwezig.
Afvalwater
Indien er riolering wordt aangelegd in de kapschuur, dat een bijgebouw is bij de op hetzelfde perceel aanwezige woning, dan zal dit moeten worden aangesloten op de riolering van deze woning.
Grondwater
De beoogde ontwikkeling is niet van wezenlijke invloed op de grondwaterstand in het plangebied.
Waterkwaliteit en beheer
Het hemelwater dat terecht komt op de bebouwing en verharding wordt beschouwd als schoon wanneer geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt worden. Daarom mogen er uitsluitend niet-uitlogende bouwmaterialen voor het bouwen van de landelijke kapschuur worden gebruikt.
Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow).
Zorgplicht
De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (artikel11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn. Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten.
Soortenbescherming
Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.
De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Gebiedsbescherming
Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:
Stikstofdepositie
Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).
Gebiedsbescherming
Het plangebied heeft geen status in het kader van de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebied (Vogel- of Habitatrichtlijngebieden). Het dichtstbijzijnde gebied dat onder de bescherming van de Wet natuurbescherming valt is het Natura 2000-gebied 'Maasduinen', circa 20 m ten zuiden van het plangebied. De voorliggende ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden en heeft ook geen significant verstorend effect op de soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. De oude locatie van de landbouwschuur (zie paragraaf 1.3) ligt namelijk nog dichterbij het Natura 2000-gebied (op circa 10 m) dan de verplaatste schuur in de toekomstige situatie. Daarnaast neemt de bebouwde oppervlakte ook niet toe (ten opzichte van wat planologisch al is toegestaan) waardoor er geen effect is op de waterhuishouding. Los hiervan betreft de schuur een bijgebouw bij een woning, die niet zorgt voor extra verstoring door geluid (er mogen immers geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden). Wat betreft licht zal ervoor gezorgd worden dat er geen lampen aan de zuidzijde van de kapschuur komen en er ook verder geen lampen gericht worden op het Natura 2000-gebied. Los hiervan is ten zuiden van deze locatie een grondwal aanwezig, die het achterliggende natuurgebied van het woonperceel afschermt, en heeft de kapschuur natuurlijk zelf ook een afschermende werking richting dit natuurgebied.
Daarnaast is het plangebied ook niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) gelegen. Omdat er, als gevolg van de voorgenomen plannen, geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren gaat, is er geen verdere toetsing aan de wet- en regelgeving omtrent het NNN nodig.
Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie als gevolg van het realiseren van een landelijke kapschuur zijn niet op voorhand uitgesloten. De aanlegfase, bestaande uit het bouwen van het houten bijgebouw, zal niet langer dan 1 jaar duren. Hierbij moet worden vermeld dat de opdrachtgever een eigen timmermansbedrijf heeft genaamd 'De Tuinhuizenman'. De materialen voor het houten bijgebouw worden voorbereid op de zaak en vervolgens met eigen vervoer getransporteerd naar het plangebied. Op locatie wordt vervolgens alles gemonteerd met elektrisch handgereedschap. De fundering is al gegraven en het grondvlak waar het houten bijgebouw komt te staan is al bouwrijp gemaakt, hier komt de betonplaat op te liggen. Dit alles heeft als gevolg dat er geen grote machines of vrachtwagens aan te pas komen, anders dan een betonwagen om beton te storten. De stikstoftoename als gevolg van deze betonwagen wordt echter gemitigeerd omdat deze uitgevoerd gaat worden door een emissieloze betonmixer.
In de gebruiksfase treedt geen wijziging op, omdat het aantal woningen in het plangebied niet toeneemt.
Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling.
Soortenbescherming
In de huidige situatie bestaat de beoogde locatie van de landelijke kapschuur uit een braakliggend stuk agrarische grond (kadastraal perceel 592), dat regelmatig wordt gemaaid. Gezien het huidige gebruik met relatief kort gehouden begroeiing, kan gesteld worden dat ter plaatse geen beschermde soorten aanwezig zijn waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Er gelden zodoende geen belemmeringen vanuit de Omgevingswet.
Vanwege de bestaande situatie, alsmede de toekomstige inrichting, wordt het uitvoeren van een veldonderzoek niet noodzakelijk geacht. Het verder onderzoeken van aanwezige flora- en fauna wordt in dit kader namelijk niet effectief bevonden. Er bevinden zich ook geen bomen en struiken in het plangebied die gerooid moeten worden.
Verder geldt voor alle soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, een zogenaamde 'algemene zorgplicht'. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden, zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er ontheffing of vrijstelling is verleend.
In het kader van de Omgevingswet zijn er, met inachtneming van de zorgplicht en broed- en nestperiode, geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow).
De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen.
Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Archeologie
Op de verbeelding van het tijdelijke omgevingsplan is het plangebied voorzien van een archeologische gebiedsaanwijzing 'Waarde - Archeologie 5'.
Uit de bijbehorende juridische regels blijkt dat er geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden in het plangebied, omdat de nieuwe landelijke kapschuur een bouwwerk betreft met een bruto oppervlakte van minder dan 400 m² die ruimschoots kleiner is dan 2.500 m², waarbij de verstoringsdiepte meer dan 40 cm onder maaiveld mag zijn.
Cultuurhistorie
Het plangebied betreft braakliggende bouwgrond. Raadpleging van de kaarten met cultuurhistorische en landschappelijke waarden leert dat er geen te beschermen cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden voor in het plangebied in het plangebied voorkomen. Er is daarmee als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen sprake van aantasting van cultuurhistorische en landschappelijke waarden.
De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
In (de directe omgeving) van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het TAM-omgevingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen en leegstand van vastgoed te voorkomen is de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: Ladder) onder de Omgevingswet gecontinueerd en als instructieregel opgenomen in artikel 5.129g Bkl. Deze regel bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. De behoefte aan die nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarmee worden aangetoond. Alleen wanneer het gaat om een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling moet de Laddertoets worden uitgevoerd.
Voor ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan komen. In artikel 5.129g Bkl staat dat het stedelijk gebied ook het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied bevat. Door deze formulering is dat stedelijk gebied hetzelfde gebied als onder het Besluit ruimtelijke ordening.
Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is.
De voorliggende ontwikkeling maakt in planologische zin geen extra woningen mogelijk. Gelet hierop is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel m.e.r.-plichtig is, zijn artikel 16.36, lid 3 en 4 en artikel 16.43 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde m.e.r.-beoordeling 2 mogelijke resultaten:
Project m.e.r.-beoordeling
Uit artikel 16.43, vierde lid aanhef en onder b blijkt bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een onderdeel van een omgevingsplan als een te nemen besluit voor een project wordt aangemerkt.
In het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen:
Plan m.e.r.-beoordeling
Er zijn 3 situaties waarin een plan-m.e.r.-beoordeling aan de orde kan komen:
Het onderhavige TAM-omgevingsplan is kaderstellend voor een project uit bijlage V Omgevingsbesluit, te weten J11: een stedelijk ontwikkelingsproject. In de derde kolom staat dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een dergelijk stedelijk ontwikkelingsproject een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt op basis van artikel 16.43, lid 1, aanhef en onder b van de Ow. Het onderhavige plan betreft een kleine wijziging van het omgevingsplan gemeente Bergen (L) en heeft gezien de aard en beperkte omvang geen betrekking op een stedelijk ontwikkelingsproject. Het betreft alleen het verplaatsen van een al bestaande onbenutte bouwmogelijkheid voor een bijgebouw uit het tijdelijke omgevingsplan naar een locatie nabij een bestaande woning.
Op grond van het gestelde in Hoofdstuk 4 Aspecten fysiek leefomgeving en milieu van deze motivering kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling, gelet op de aard, omvang en ligging, geen aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit TAM-omgevingsplan te kunnen nemen.
Het TAM-omgevingsplan reguleert het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het plan biedt het gemeentebestuur een basis voor handhaving, indien op een bepaalde locatie activiteiten plaatsvinden die strijdig zijn met het omgevingsplan en zodoende uit ruimtelijk oogpunt onwenselijk worden geacht.
Onderhavig TAM-omgevingsplan vormt een wijziging van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). Woningbouw op deze locatie past niet in het van het tijdelijk omgevingsplan onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018, 1e herziening', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.
Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan gemeente Bergen (L) wordt het als hoofdstuk 22L toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als onderdeel van het omgevingsplan gemeente Bergen (L) gelezen te worden.
In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit omgevingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.
In deze paragraaf wordt uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe deze uiteindelijk zijn vormgegeven. De regels zijn onderverdeeld in 5 hoofdstukken.
Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan gemeente Bergen (L). Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling in het plangebied. Daarom worden in de regels alleen bepalingen opgenomen die specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling in het plangebied.
Hoofdstuk 2: Regels over functies
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor de specifieke locatie. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan (in ieder geval onder de motorkap) nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op www.ruimtelijkeplannen.nl.
Voor onderhavig TAM-omgevingsplan voor het plangebied is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het bestemmingsplan voor het buitengebied en het hiervan afgeleide handboek voor TAM-omgevingsplannen.
Hoofdstuk 3: Algemene regels over functies
In dit hoofdstuk zijn algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zitten bijvoorbeeld algemene bouw- en functieregels in die gelden voor het gehele grondgebied van de ontwikkellocatie.
Hoofdstuk 4: Regels ter bescherming van waarden en objecten
De regels voor de gebiedsaanwijzingen die betrekking hebben op de kaart met cultuurhistorische waarden (inclusief de bijbehorende tabellen), de kaart met landschappelijke waarden en de gebiedsaanwijzingen op het gebied van archeologie (= voormalige archeologische dubbelbestemmingen).
Hoofdstuk 5: Overgangsregels
In dit hoofdstuk is onder meer aangegeven dat de bestaande bouwwerken dan wel vergunde rechten tot het oprichten van een bouwwerk worden gerespecteerd, ook al wijken deze af van het onderhavige TAM-omgevingsplan. Deze bouwwerken mogen gedeeltelijk worden vernieuwd en veranderd. Het is dus niet toegestaan om een bouwwerk af te breken en geheel te vernieuwen. Evenmin is het toegestaan om het bouwwerk geleidelijk aan helemaal te vernieuwen. In geval het bouwwerk door een calamiteit verloren is gegaan, mag wel tot gehele nieuwbouw worden overgegaan, mits de omgevingsvergunning voor het bouwen binnen een termijn van twee jaren na de calamiteit is aangevraagd. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels en bepalen dat bestaande afwijkingen mogen worden vergroot voor een uitbreiding van de bebouwing met maximaal 10%. Illegale bouwwerken zijn expliciet uitgesloten van het overgangsrecht.
Voor gebruik van gronden en opstallen is eveneens bepaald dat het gebruik dat strijdig is met het onderhavige plan, mag worden gecontinueerd. Verandering van het gebruik is niet toegestaan, tenzij de afwijking naar haar aard en omvang wordt verkleind. Indien gebruik voor een periode van langer dan 1 jaar wordt onderbroken, mag dit gebruik niet meer worden hervat. Een uitzondering wordt gemaakt voor het gebruik dat reeds strijdig was met het voor het onderhavige omgevingsplan ter plekke van kracht zijnde plan. Het overgangsrecht is op deze situaties niet van toepassing.
Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het voorbeeld TAM-omgevingsplan dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat er op de verbeelding wel 'bestemmingen' zijn te zien, en dat specifieke functies als zijnde 'functieaanduidingen' worden benoemd. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt. Voor meer info, zie: https://docs.geostandaarden.nl/ro/HRTAMomplan/.
Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat aan hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een hoofdstuk 22L wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22L van het omgevingsplan gemeente Bergen (L).
Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke omgevingsplan (zie artikel 1.2 en 1.3).
Op de verbeelding is de grens van het plangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende functies met verschillende kleuren weergegeven. Daarnaast zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen.
Artikel 4 Agrarisch met waarden
De voormalige locatie met daarop de onbenutte mogelijkheid voor realisatie van een landbouwschuur houdt deze bestaande agrarische functie. Alleen de aanduiding van de landbouwschuur ter plaatse komt te vervallen.
Artikel 5 Tuin
De gronden aan de westzijde van het plangebied zijn voorzien van deze functie. Deze functie is 1-op-1 overgenomen uit het geldende ruimtelijke plan. Daarnaast is aan de noordoostzijde van het woonperceel een deel van de functie 'Wonen' vervallen. Dit deel is even groot is als het deel dat er aan de zuidzijde bijkomt. Omdat dit deel in de praktijk wel in gebruik is als tuin, heeft het ook deze functie gekregen.
Artikel 6 Wonen
Binnen deze functie is één grondgebonden woning toegestaan. Aanvullend op de bestaande bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken, wordt ook de landelijke kapschuur mogelijk gemaakt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 10' (zie artikel 6.4.2 onderdeel b 'bijbehorende bouwwerken onder g). Dit dus in ruil voor het laten vervallen van de mogelijkheid om een landbouwschuur te realiseren binnen de agrarische functie.
Bouwmogelijkheden
Gebouwen moeten worden opgericht in het aangegeven bouwvlak. De maximum bouwhoogte van het hoofdgebouw is aangegeven op de verbeelding. Ten behoeve van de woonfunctie mogen op de percelen, naast hoofdgebouwen, tevens aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden gebouwd. Omdat de percelen in omvang kunnen variëren wordt de oppervlakte van aan- en uitbouwen gerelateerd aan het oppervlak van het perceel.
Erfafscheidingen
Erf- en terreinafscheidingen zijn -met uitzondering van enkele uitzonderingen- aan de wegzijde toegestaan tot een maximum bouwhoogte van 1,0 m. Voor het overige zijn deze toegestaan tot een bouwhoogte van 2,0 m.
Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van het TAM-omgevingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Daarnaast is een overeenkomst afgesloten waarin de afwikkeling van eventuele verzoeken tot nadeelcompensatie is geregeld. De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om dit initiatief mogelijk te maken. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en is aangetoond dat het TAM-omgevingsplan voor de gemeente economisch uitvoerbaar is.
Zienswijzen
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van woensdag 15 oktober t/m dinsdag 25 november 2025 (gedurende 6 weken) ter inzage gelegen. Er zijn tijdens deze periode geen zienswijzen ingediend.
Wel is er op 15 oktober 2025 een informele reactie met vragen van de provincie Limburg ontvangen op het gebied van stikstof, ecologie en landschap. Deze vragen zijn beantwoord en hebben geleid tot ambtshalve wijzigingen in subparagraaf 3.2.2 'Omgevingsverordening Limburg', paragraaf 4.6 'Waterhuishouding' en paragraaf 4.7 'Ecologie'.