Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Augustinusweg 19
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0893.TOP24006H22EAU19-VA01

Regels

 
Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de (gebieds)ontwikkeling op de locatie Augustinusweg 19 en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk 22e van het omgevingsplan van de gemeente Bergen (L). Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk om dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e [of opvolgend] van het omgevingsplan van de gemeente Bergen (L). In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen, moet na het woord ‘Artikel’, na de spatie en direct vóór het artikelnummer ‘22e’ gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct vóór het nummer van de bijlage ‘22e’ gelezen worden

1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Bergen

Dit plan wijzigt het Omgevingsplan Bergen (L) in die zin dat na hoofdstuk 22e van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) een hoofdstuk 22e wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L). In dit artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22e gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22e gelezen worden.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) (activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven en terreinen) met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 (activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan), en afdeling 22.3 (milieubelastende activiteiten) zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Augustinusweg 19, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP24006H22EAU19-VA01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan.

2.2 Aanvullende begrippen

In aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.76 gehanteerd.

2.3 Plan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22E Augustinusweg 19 met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP24006H22EAU19-VA01 van de gemeente Bergen (L).

2.4 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.5 Omgevingsplan gemeente Bergen (L)

Omgevingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet.

2.6 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.7 Aangebouwd bijbehorend bouwwerk

Een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een gebouw, dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.8 Aan-huis-verbonden bedrijf

Het door de bewoner van de (bedrijfs)woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten.

2.9 Aan-huis-verbonden-beroep

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een (bedrijfs)woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

2.10 Afhankelijke woonruimte

Een (aangebouwd) bijbehorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding gehuisvest is.

2.11 Agrarisch bedrijf

een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

2.12 Archeologische waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende archeologische relicten (resten uit het verleden).

2.13 Bebouwing

Één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.14 Bed & Breakfast

Het bieden van recreatief nachtverblijf, kortdurend, in de vorm van logies met ontbijt, in het hoofdgebouw of in één van de bestaande bijbehorende bouwwerken.

2.15 Bedrijf

Elke onderneming of gedeelte van een onderneming, welke een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en als zodanig gericht is op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten; organisatorisch zelfstandige eenheden als hier bedoeld, welke door of vanwege de overheid worden geleid, worden voor de toepassing van deze regels eveneens als bedrijf aangemerkt.
 

2.16 Bestaand

  1. a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan of mag worden gebouwd op grond van een bouwvergunning of omgevingsvergunning.
  2. a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.

2.17 Bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

2.18 Bijbehorende voorziening

Zaken ter ondersteuning van een adequate bedrijfsvoering, zoals een mestbe- en verwerkingsinstallatie voor het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf, luchtwassers, wasplaatsen, weg- en waterbouwkundige voorzieningen danwel energievoorzieningen.

2.19 Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

2.20 Bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.21 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

2.22 Bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

2.23 Bouwwerk, geen gebouw zijnde

Een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is.

2.24 Chalet

Een onderkomen met een lichte constructie welke niet vast op/in de grond gefundeerd is, in zijn geheel of enkele delen kan worden verplaatst en niet als stacaravan aangemerkt kan worden.

2.25 Cultuurhistorische waarde

De aan een bouwwerk en/of gebied of beplanting toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van gronden en gebouwen, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het wegenpatronen of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan: 
  1. de stedenbouwkundige waarden of waarden van de gebouwde (of: bebouwde) omgeving;
  2. de landschapswaarden, natuurlijke waarden, aardkundige waarden of historisch-geografische waarde.

2.26 Detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden van goederen, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren aan personen, die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.27 Erf

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover het TAM-omgevingsplan deze inrichting niet verbiedt.

2.28 Erf- en terreinafscheidingen met een open constructie

Een erf- of terreinafscheiding met een constructie die voor ten minste 80% open is, zoals palen met draad en hekwerken met planken waarbij voldoende ruimte tussen de planken vrij blijft.

2.29 Extensief recreatief medegebruik

Recreatie met weinig dynamiek die nauwelijks druk uitoefent op de omgeving, zoals wandelen, vissen en fietsen, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, bankjes, of een loopbrug;

2.30 Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.31 Gebouwerf

bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt.

2.32 Groenvoorziening

Ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen, erfbeplantingen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren.

2.33 Herbouw

Het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan bebouwing van dezelfde functie als de op te richten bebouwing aanwezig was. 

2.34 Hobbymatig houden van dieren

het niet bedrijfsmatig houden van dieren in een vorm die niet is gericht op productie en dus ook niet op economisch gewin, maar die plaatsvindt voor educatieve of recreatieve doeleinden of uit liefhebberij.

2.35 Hoofdgebouw

Een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.

2.36 Huishouden

Persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan. Bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen.

2.37 Hydrologische neutrale ontwikkeling

Ontwikkeling waarbij maatregelen worden getroffen zodat deze geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding ten opzichte van de uitgangssituatie. Dit betekent in ieder geval dat in de nieuwe situatie geen hemelwater wordt afgevoerd, maar dat dit lokaal wordt geïnfiltreerd en/of gebruikt.

2.38 Inrichtingsplan

Een plan, bestaande uit één of meer kaartbeelden, indien nodig vergezeld van een toelichtende tekst, waarin de landschappelijke inpassing en, voor zover vereist, de ruimtelijke kwaliteitsverbetering zijn vastgelegd in relatie tot de nieuwe bouw- en/of gebruiksmogelijkheden.

2.39 Kampeermiddel

Een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, een chalet of een trekkershut, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

2.40 Kwaliteitscommissie

De commissie (of diens opvolger) belast met de advisering van het bevoegd gezag over de landschappelijke inpassing van (bouw-)activiteiten en compensatie- maatregelen. Een en ander zoals vastgelegd in de 'Verordening Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit Bergen (L)'

2.41 Landschappelijke waarde

De aan een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur. De volgende (landschaps)elementen maken hier in elk gevel deel van uit: houtsingels, houtwallen, laanbeplantingen, oude akkers en monumentale, beeldbepalende bomen.

2.42 Landschappelijke inpassing

Inpassing in het omringende landschap door bij de situering van bebouwing in te spelen op de landschappelijke kenmerken en/of door het gebruik van beplanting die past bij het landschapstype ter plaatse, om de bebouwing minder nadrukkelijk in het landschap te plaatsen.

2.43 Levensloopgeschikte woning

Een woning die geschikt is voor bewoning in alle levensfasen, dus die ook rolstoeltoegankelijk is voor mensen met een lichamelijke beperking, waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, slaapkamer en badkamer met toilet) zich op de begane grond bevinden en waarbij deze leefruimten zowel inpandig als vanuit het aansluitende terrein drempelvrij toegankelijk zijn.

2.44 Locatiegrens

De grens van een locatievlak.

2.45 Locatievlak

Een geometrisch bepaald vlak die is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.46 Mestbassin

Een reservoir of een aarden put bekleed met folie die geheel of gedeeltelijk is ingegraven en wordt omgeven door een grondwal ten behoeve van de opslag van drijfmest;

2.47 Milieucategorie

Een aan een bedrijfsactiviteit toegekende categorie volgens de in de bijlage 1 bij deze regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten.

2.48 Natuurlijke waarden

Waarden in verband met de aanwezigheid van of potentiële mogelijkheden voor bijzondere planten, dieren en leefgemeenschappen in onderlinge samenhang en in samenhang met hun leefomgeving (biotoop) en welke verband houden met zaken als verscheidenheid, zeldzaamheid, natuurlijkheid, ongestoordheid en kenmerkend voor het gebied.

2.49 Nieuwbouw

Het oprichten van bebouwing op een bouwperceel waar op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp TAM-omgevingsplan geen bebouwing van dezelfde functie als de op te richten bebouwing aanwezig was.

2.50 Opslag

Het bewaren van goederen, waaronder agrarische producten, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel.

2.51 Ondergronds bouwwerk

Een (gedeelte van) een bouwwerk, waarvan de bovenkant van de vloer is gelegen op ten minste 1,75 meter beneden peil.

2.52 Ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden

Werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden die onder peil plaatsvinden.

2.53 Onderkomens

Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun bestemming onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, stacaravans, chalets, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van een recreatief buitenverblijf.

2.54 Overkapping

Een overig bouwwerk omsloten door maximaal drie wanden waarvan maximaal één eigen wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport.

2.55 Oude Akker

Agrarische gronden, tenminste sedert de middeleeuwen in gebruik als akker, zowel in combinatie als grote velden of als kleinere kampen; altijd gelegen op de drogere en van nature meest voedselrijke grond.

2.56 Overig bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enig omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

2.57 Paardenbak

Een onoverdekt terrein, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen, al dan niet voorzien van een omheining, bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden.

2.58 Pand

De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

2.59 Peil

  1. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de kruinstrook van die weg;
  2. in andere gevallen en voor overige bouwwerken: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  3. voor stacaravans: de bovenzijde begane grondvloer.

2.60 Permanente bewoning

Bewoning van een ruimte als hoofdverblijf.

2.61 Reëel agrarisch bedrijf

Een agrarisch bedrijf dat nu of op redelijke termijn voldoende werk en inkomen kan opleveren voor één volwaardige arbeidskracht die in duurzaam hoofdberoep aan het bedrijf is verbonden;

2.62 Ruimtelijke kwaliteitsverbetering

Verbetering van de kwaliteit van het buitengebied als tegenprestatie voor een ruimtelijke ontwikkeling, die verder gaat dan een landschappelijke inpassing van die ruimtelijke ontwikkeling, door het treffen van fysieke maatregelen die de stedenbouwkundige, landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en/of recreatieve waarden van het buitengebied versterken, waaronder de aanleg van natuur, de aanleg of het herstel van landschapselementen, de renovatie van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, de sloop van bebouwing en het verwijderen van verharding.

2.63 Schuurkarakter

een bouwstijl waarbij de hoofdvorm, materiaalgebruik en detaillering refereren aan die van traditionele agrarische schuren in het buitengebied van Limburg. Kenmerkend zijn eenvoudige rechthoekige bouwvolumes, kapvormen zoals zadeldaken, kleinschalige en doelmatige gevelopeningen, ingetogen kleurgebruik, en sobere detaillering. Er dient sprake te zijn van een enkelvoudig volume en lage goot zonder toevoegingen zoals dakkapellen waardoor gebouw in zijn architectuur niet als woning herkenbaar zal zijn.

2.64 Seksinrichting

Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, een (raam)prostitutiebedrijf en een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.65 Stacaravan

Een zelfstandig verrijdbaar bouwwerk, bestaande uit een lichte constructie en uit lichte materialen met wielas, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief dag- en/of nachtverblijf, die gedurende meerdere jaren op een kampeerterrein op dezelfde plaats blijft staan en als kampeermiddel valt aan te merken.

2.66 Standplaats

Onder een standplaats wordt verstaan: 
vaste standplaats:
een plaats die op een vaste dag in de week, vaste dagen in de week, of de gehele week zijn aangewezen voor het innemen gedurende het hele jaar. De frequentie van het aantal dagen in de week is ondergeschikt, maar kent wel een minimum van één volledige dag. 
incidentele standplaats:
een plaats op een locatie die voor een vooraf bepaalde duur van maximaal 28 dagen per kalenderjaar op één of meerdere dagen, maximaal 6 aaneengesloten, in de week wordt ingenomen.

2.67 Stedenbouwkundig beeld

Het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaalde beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte.

2.68 Stedenbouwkundige waarde

De aan een gebied toegekende waarde in verband met stedenbouwkundige elementen, zoals situering en infrastructuur, alsmede de ligging van bouwwerken in dat gebied (tot uitdrukking komend in de bouwmassa, hoogtematen, dakvorm en gevelopbouw).

2.69 Teeltondersteunende voorzieningen

Voorzieningen die toegepast worden om de teelt van groente, fruit, bomen of potplanten te bevorderen en te beschermen. Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn: aardbeiteelttafels, afdekfolies, antiworteldoek, boomteelthekken, containervelden, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kas, schaduwhallen en vraatnetten. Onder teeltondersteunende voorzieningen worden geen kassen verstaan;

2.70 Tuin

Niet bebouwde grond, die is ingericht met planten zoals gras, bloemen, struiken en bomen en waarvan de volgende voorzieningen deel kunnen uitmaken: paden, verhardingen, vijvers, sloten en parkeervoorzieningen.

2.71 Veehouderij

Een inrichting bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;

2.72 Voorgevel

  1. de naar de weg gekeerde, en op de weg georiënteerde zijde van een gebouw; 
  2. indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of het openbaar gebied gekeerde gevel: de naar de weg gekeerde gevel die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

2.73 Voorgevelrooilijn

De denkbeeldige lijn die getrokken kan worden langs de voorgevel van het hoofdgebouw.

2.74 Waterbassin

Een voorziening, al dan niet een bouwwerk zijnde, ten behoeve van de opslag of buffering van water;

2.75 Waterhuishoudkundige voorzieningen

Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en/of waterkwaliteit zoals duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, en inlaten.

2.76 Wonen

Het bewonen van een woning door niet meer dan één afzonderlijk huishouden.

2.77 Woning

Een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

2.78 Woonwagen

Een voor bewoning bestemd gebouw, dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 Meetbepalingen

In aanvulling op en, indien van toepassing, in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van het Omgevingsplan gemeente Bergen, gelden de meetbepalingen van Artikel 3:

3.2 afstand tot de zijdelingse perceelgrens

tussen de zijdelingse grenzen van een bouwperceel en enig van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd-)gebouw, waar die afstand het kortst is.

3.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 bouwhoogte van een windmolen

  • horizontale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de 'straal' (=diameter x 0,5) van de rotor.
  • verticale as-turbine: de som van de mastlengte (=ashoogte) en de rotorhoogte  
Ashoogte: de hoogte gemeten vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein.

3.5 dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.6 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de ovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.7 inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.8 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren).

3.9 ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend.

3.10 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.11 ondergeschikte bouwdelen

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. locatiegrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.

2 Specifieke regels over functies

Artikel 4 Agrarisch

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP24006H22EAU19-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch.

4.2 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Agrarisch heeft de volgende functies: 
  1. de uitoefening van een reëel agrarisch bedrijf met bijbehorende voorzieningen;
  2. agrarisch grondgebruik;
  3. beweiden van grasland;
  4. extensief (dag)recreatief medegebruik;
  5. groenvoorzieningen en water;
  6. paden en wegen;
  7. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  8. behoud en herstel van cultuurhistorische waarden, zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 2a opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden;
  9. behoud en herstel van elementen met landschappelijke waarde zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 6 opgenomen Kaart Landschappelijke waarden, waarbij het bepaalde in artikel 14 van toepassing is.

4.3 Gebruiksactiviteit

 
4.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die:
  1. niet ten dienste staat van de in artikel 4.2 genoemde functies van de gronden; en
  2. niet in overeenstemming is met de in artikel 4.3.2 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.
4.3.2 Teeltondersteunende voorzieningen
Teeltondersteunende voorzieningen die geen bouwwerken zijn, zijn buiten het bouwvlak toegestaan.

4.4 Bouwactiviteit

4.4.1 Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in artikel 4.2.
4.4.2 Beoordelingsregels
  1. Bouwwerken buiten het bouwvlak - gebouwen:
Gebouwen zijn niet toegestaan.
  1. Bouwwerken buiten het bouwvlak - bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, gelden de volgende regels: 
  1. bouwwerken ten behoeve van de bewerking en/of verwerking van mest afkomstig van derden zijn niet toegestaan;
  2. teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijn niet toegestaan buiten het bouwvlak;
  3. de maximum bouwhoogte van erfafscheidingen of hekwerken bedraagt 1,5 m met dien verstande dat erfafscheidingen of hekwerken dienen te bestaan uit een open constructie;
  4. de maximum bouwhoogte van andere overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 5 m.
4.4.3 Afwijken van de beoordelingsregels
  1. Tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen
    1. Het bevoegde gezag is bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van artikel 4.4.2 b onder b teneinde tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, in de zin van bouwwerken, buiten het bouwvlak op te richten, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
      1. er is aangetoond dat het redelijkerwijs niet mogelijk is de tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen te realiseren binnen het bouwvlak';
      2. de voorzieningen uitsluitend aanwezig zijn zolang de teelt het vereist met een maximum van 6 maanden;
      3. de landschappelijke waarden, met name in de zin van de karakteristieke openheid van agrarisch gebied met weinig bebouwing, niet onevenredig mogen worden aangetast;
      4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
      5. de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond;
      6. de maximum bouwhoogte van boogkassen bedraagt 4 m.
    2. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning worden voor de toetsing aan dit Omgevingsplan de gegevens en bescheiden verstrekt die voor het bevoegd gezag noodzakelijk zijn om de beoordeling aan de voorwaarden van lid a te kunnen doen.
4.4.4 Maatwerkvoorschriften
Bij maatwerkvoorschrift kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van: 
  1. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit;
  2. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  3. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  4. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
  5. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen.

4.5 Omgevingsplanactiviteit

4.5.1 Paardenbakken
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van het realiseren van een paardenbak buiten het bouwvlak;
  1. De omgevingsvergunning bedoeld onder a wordt alleen verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. per bouwperceel is maximaal één paardenbak toegestaan;
    2. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 30 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden;
    3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van het gebied;
    4. er wordt zorggedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
    5. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
      1. de bouwhoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
      2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.

4.6 Aanlegactiviteit

4.6.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten buiten het bouwvlak uit te (laten) voeren: 
  1. het dempen, graven en vergraven van watergangen en het aanleggen van dammen en bruggen;
  2. het aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m² per agrarisch bedrijfsperceel;
  3. het aanleggen van waterbassins en mestbassins voor zover deze niet zijn aan te merken als bouwwerken;
  4. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de functie gerichte gebruik van de grond.
  5. het ontginnen, bodem verlagen of afgraven, ophogen en/of egaliseren van de bodem, behoudens de aanleg van drinkpoelen;
  6. het vellen en/of rooien van houtgewas of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadigingen van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging.
4.6.2 Uitzondering vergunningplicht
Het in subsubparagraaf 4.6.1 genoemde verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden: 
  1. werkzaamheden, normale onderhoudswerkzaamheden zijnde;
  2. werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis;
  3. werken of werkzaamheden binnen het kader van het normale bodemgebruik;
  4. werken of werkzaamheden, welke op het tijdstip van de inwerkingtreding het plan legaal in uitvoering zijn dan wel krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning of anderszins mogen worden uitgevoerd.
4.6.3 Beoordelingsregel
De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien: 
  1. door de uit te voeren werkzaamheden geen onevenredige schade wordt of kan worden toegebracht aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde dan wel de waterstaatkundige waarde van het gebied;
  2. er tevens vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn;
  3. en voor zover de uit te voeren werkzaamheden plaatsvinden op of in de gronden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 6 opgenomen Kaart Landschappelijke waarden.

Artikel 5 Tuin

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP24006H22EAU19-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin.

5.2 Functieomschrijving Tuin

  
5.2.1 Algemeen
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin heeft de volgende functies:
  1. beplanting zoals gras, bloemen, struiken en bomen; 
  2. paden en verhardingen; 
  3. parkeervoorzieningen;
  4. vijvers en sloten.

5.3 Gebruiksactiviteit

5.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in subsubparagraaf 5.2.1 genoemde functies van de gronden. 

5.4 Bouwactiviteit

 
5.4.1 Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in Functieomschrijving Tuin.
5.4.2 Beoordelingsregels
a. Erfafscheiding
Voor het bouwen van erfafscheidingen, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,2 m.
b. Uitsluiting vergunningvrije bouwwerken
  1. Voor gronden met de gebiedsaanduiding ‘overige zone - uitsluiting vergunningsvrije bouwwerken’ geldt dat zij geen deel uitmaken van een gebouwerf als bedoeld in bijlage l van het Besluit bouwwerken leefomgeving;
  2. Het is verboden deze gronden in te richten of te gebruiken als gebouwerf ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw;
  3. Als gevolg hiervan zijn op deze gronden de vergunningvrije bouwwerken als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving niet toegestaan

Artikel 6 Wonen-2

6.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP24006H22EAU19-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen.

6.2 Functieomschrijving Wonen

6.2.1 Algemeen
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies:
  1. wonen;
  2. aan-huis-verbonden bedrijven met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk;
  3. aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk;
  4. erven en tuinen;
  5. groenvoorzieningen en water;
  6. paden en wegen;
  7. behoud en herstel van cultuurhistorische waarden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 2a bij deze regels opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden en omgeschreven in de bijlage 2b1 en 2b2 bij deze regels opgenomen Tabel Cultuurhistorische waarden.
6.2.2 Nadere detaillering
a. Aantal woningen en soort woningen
 
Per locatievlak dat is aangewezen als Wonen-2 is maximaal één woning toegestaan;
 
b. Aan-huis-verbonden bedrijf
  1. Een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in subsubparagraaf 6.2.1 onder b is een bedrijf uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als Bijlage 1 aan de regels is toegevoegd;
  2. Het maximum oppervlak van een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in subsubparagraaf 6.2.1 onder b bedraagt 60 m² en dient qua aard en uitstraling ondergeschikt te zijn aan het de functie wonen;
c. Hobbymatig houden van dieren
  1. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hobbymatig houden van dieren', is het hobbymatig houden van dieren toegestaan.

6.3 Gebruiksactiviteit

6.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die:
  1. niet ten dienste staat van de in subsubparagraaf 6.2.1 genoemde functies van de gronden, uitgezonderd het hobbymatig houden van dieren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hobbymatig houden van dieren', waarbij het maximaal te houden dieren 4 paarden/pony's bedraagt; en
  2. niet in overeenstemming is met de in subsubparagraaf 6.2.2 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.
 

6.4 Bouwactiviteit

 
6.4.1 Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in Functieomschrijving Wonen .
6.4.2 Beoordelingsregels
a. Woningen
Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:
  1. indien binnen een locatievlak een bouwvlak aanwezig is, mogen woningen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  2. de inhoud van een woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 800 m³, tenzij de inhoud van de bestaande woning reeds groter is in welk geval de bestaande vergunde inhoud als maximum geldt;
  3. de goothoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 6,5 m;
  4. de bouwhoogte van een woning mag niet meer bedragen dan 10 m;
  5. de afstand van de woning tot de zijdelingse perceelgrens dient tenminste 5 meter te bedragen;
  6. de woning moet worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°;    
  7. in geval van herbouw dient het aantal woningen gelijk te blijven en dient de woning op de bestaande locatie binnen het locatievlak te worden teruggebouwd;
b. Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen gelden de volgende regels:
  1. de oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag per woning niet meer bedragen dan 125 m² met dien verstande dat indien sprake is van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 2', de oppervlakte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken maximaal 400 m² mag bedragen;
  2. bijbehorende bouwwerken mogen niet voor de voorgevelrooilijn van de woning worden opgericht;
  3. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  4. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m;
  5. 'de bijbehorende bouwwerken moeten worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 15°;
  6. voor overkappingen gelden de volgende regels:
    1. de gezamenlijke oppervlakte van overkappingen mag, aanvullend op de oppervlakte zoals bepaald onder a en b, niet meer bedragen dan 30 m²;
    2. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan 4;
c. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 2 m;
  3. voor overkappingen gelden de regels zoals opgenomen in artikel 4.4.2 b onder f;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, niet zijnde zonnepanelen, mag niet meer bedragen dan 5 m.
                   
6.4.3 Maatwerkvoorschriften
Bij maatwerkvoorschrift kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van:
  1. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit;
  2. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  3. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  4. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
  5. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen

6.5 Afwijken van beoordelingsregels

6.5.1 Vergroten woning en bijbehorende bouwwerken
1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van subsubparagraaf 6.4.2  sub a en subsubparagraaf 6.4.2  sub b voor het vergroten van de inhoud van een woning en/of het vergroten van de toegestane oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, mits:
  1. het locatievlak dat is aangewezen als 'Wonen' voor ten hoogste 20% wordt bebouwd, tot een absoluut maximum van 1.000 m²
  2. de verruiming van de bouwmogelijkheden aanvaardbaar is uit stedenbouwkundig, landschappelijk, natuurlijk en cultuurhistorisch
  3. sprake is van een goede landschappelijke inpassing en van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering die in verhouding staat tot de verruiming van de bouwmogelijkheden, waarvoor geldt dat:
    • ten behoeve van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitsverbetering een inrichtingsplan wordt opgesteld waarmee burgemeester en wethouders instemmen;
    • het inrichtingsplan dient te voldoen aan het keuzemenu voor ontwerpprincipes cultuurhistorische waarden en landschapselementen zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze regels;
    • burgemeester en wethouders ten behoeve van de beoordeling van het inrichtingsplan advies kunnen inwinnen bij de gemeentelijk adviescommissie omgevingskwaliteit.
  4. de bebouwing zoveel mogelijk wordt geconcentreerd;
  5. de verruiming van de bouwmogelijkheden vanuit milieuhygiënisch oogpunt aanvaardbaar is;
  6. de verruiming van de bouwmogelijkheden niet leidt tot extra belemmeringen voor omliggende (agrarische) bedrijven;
  7. de natuurlijke waarden niet worden aangetast;
  8. sprake is van een hydrologisch neutrale ontwikkeling.
2. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder 1, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid 1.
  
6.5.2 Verplaatsing woning
1. burgemeesters en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van subsubparagraaf 6.4.2 sub a onder i voor het verplaatsen van de locatie van de woning bij herbouw, mits:
  1. dit vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt aanvaardbaar is;
  2. dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke waarden;
  3. er geen extra belemmeringen ontstaan voor omliggende (agrarische) bedrijven;
  4. voldaan wordt aan de bepalingen in het Besluit kwaliteit leefomgeving op het gebied van geluidhinder.
2. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder 1, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid 1.
6.5.3 Zonnepanelen
1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van subsubparagraaf 6.4.2 sub c om het bouwen van zonnepanelen bij de woning toe te staan, mits:
  1. het gaat om grondgebonden zonnepanelen binnen de gebieden die zijn aangemerkt als zone 2 en 3 zoals opgenomen op de in bijlage 4 bij deze regels opgenomen 'geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen' dan wel diens rechtsgeldige opvolger;
  2. wordt aangetoond dat de zonnepanelen niet op het dak kunnen worden geplaatst vanwege de constructie of beschikbare ruimte;
  3. de oppervlakte aan zonnepanelen niet meer bedraagt dan noodzakelijk om in de eigen energiebehoefte te voorzien;
  4. wordt voorzien in een passende landschappelijke inpassing;
  5. er geen hinder ontstaat voor nabijgelegen woningen en het verkeer.
2. Indien de aanvrager in zijn aanvraag een beroep doet op het bepaalde onder 1, overlegt de aanvrager de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor de beoordeling in lid 1.

6.6 Omgevingsplanactiviteit

6.6.1 Aan-huis-verbonden bedrijf en nevenactiviteit
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te oefenen:
  1. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, dan wel een bedrijf dat gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan deze bedrijfsactiviteiten;
  2. een ondergeschikte nevenactiviteit in de zin van een bed & breakfast;
2. De omgevingsvergunning bedoeld onder 1 wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van de gronden niet onevenredig worden aangetast;
  2. een en ander uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
  3. er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn;
  4. het een nevenactiviteit betreft en de woonfunctie de overheersende functie blijft;
  5. geen beperking ontstaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven en woningen;
  6. de oppervlakte die voor alle nevenactiviteiten tezamen wordt benut mag maximaal 30% van het totale oppervlak van de gebouwen bedragen;
  7. er gen sprake is van een grote verkeersaantrekkende werking;
  8. er zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  9. parkeren op eigen terrein plaatsvindt;
  10. geen buitenopslag en/of buitenstalling plaatsvindt;
  11. voor bed & breakfast gelden daarnaast de volgende voorwaarden:
    1. er is geen sprake van zelfstandige ruimten/units met eigen keukenblok;
    2. er is een gemeenschappelijke ruimte beschikbaar voor het nuttigen van het ontbijt;
    3. degene die gebruik maakt van de hoofdfunctie, is ook degene die de bed & breakfast exploiteert;
    4. het aantal kamers bedraagt maximaal 3 en het aantal bedden binnen de voorziening bedraagt maximaal 6;
    5. de maximale oppervlakte van een kamer bedraagt 50 m²;
    6. de bed & breakfast mag worden opgericht in het hoofdgebouw of en bestaand bijbehorend bouwwerk.

Artikel 7 Wonen-3

7.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP24006H22EAU19-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen-3.

7.2 Functieomschrijving Wonen-3

7.2.1 Algemeen
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen-3 heeft de volgende functies:
  1. wonen;
  2. aan-huis-verbonden bedrijven met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk;
  3. aan-huis-verbonden beroepen met de daarbij behorende voorzieningen, in het hoofdgebouw en/of bijbehorend bouwwerk;
  4. erven en tuinen;
  5. groenvoorzieningen en water;
  6. paden en wegen;
  7. behoud en herstel van cultuurhistorische waarden zoals die zijn aangegeven op de in de bijlage 2a bij deze regels opgenomen Kaart Cultuurhistorische waarden en omgeschreven in de bijlagen 2 b1 en b2 bij deze regels opgenomen Tabel Cultuurhistorische waarden.
7.2.2 Nadere detaillering
a. Aantal woningen en soort woningen
  1. Per locatievlak dat is aangewezen als Wonen-3 is maximaal één woning toegestaan;
  2. het een woning met schuurkarakter betreft, zoals ook gedefinieerd in artikel 2; 
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - levensloopgeschikte woning' zijn uitsluitend levensloopgeschikte woningen toegestaan.
b. Aan-huis-verbonden bedrijf
  1. Een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in subsubparagraaf 7.2.1 onder b is een bedrijf uit milieucategorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten die als Bijlage 1 aan de regels is toegevoegd;
  2. Het maximum oppervlak van een aan-huis-verbonden-bedrijf als bedoeld in subsubparagraaf 7.2.1 onder b bedraagt 60 m² en dient qua aard en uitstraling ondergeschikt te zijn aan het de functie wonen. 

7.3 Gebruiksactiviteit

7.3.1 Algemeen
Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die:
  1. niet ten dienste staat van de in subsubparagraaf 7.2.1 genoemde functies van de gronden; en
  2. niet in overeenstemming is met de in subsubparagraaf 7.2.2 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.  

7.4 Bouwactiviteit

 
7.4.1 Algemeen
Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in Functieomschrijving Wonen-3.
7.4.2 Beoordelingsregels
a. Woningen
Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:
  1. de inhoud van een woning, inclusief bijbehorende bouwwerken mag uitsluitend bestaan uit een enkelvoudig volume, waarbij het maximale volume niet meer mag bedragen dan 1.500 m³;
  2. de goothoogte van de woning mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
  3. de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken moet worden afgedekt met een kap met een dakhelling van ten minste 30 graden;
  4. burgemeester en wethouders winnen advies in bij de Kwaliteitscommissie t.b.v. de beoordeling van het bouwplan;
  5. woningen dienen qua uitstraling en materialisering aan te sluiten bij het landschappelijk en stedenbouwkundig inpassingsplan dat is opgenomen als bijlage 5 bij de regels;
  6. in geval van nieuwbouw dient de voorgevel van een woning te worden gebouwd op minimaal 3 m achter de naar de weg gekeerde grens van het locatievlak.
b. Bijbehorende bouwwerken en overkappingen
Op een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen – 3 zijn uitsluitend bijbehorende bouwwerken toegestaan als integraal onderdeel van het hoofdgebouw. Er is sprake van integraal onderdeel van het hoofdgebouw als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. volledig binnen de toegestane bouwmassa van de woning gerealiseerd;
  2. architectonisch en bouwkundig integraal onderdeel uitmakend van het hoofdgebouw;
  3. onder één doorlopende kap en binnen de hoofdvorm van de woning gebouwd; en
  4. niet als afzonderlijke aan-, uit- of aanbouw herkenbaar.
 
c. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 1 m; 
  2. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag niet meer bedragen dan 2 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, niet zijnde zonnepanelen, mag niet meer bedragen dan 5 m.                   
7.4.3 Maatwerkvoorschriften
Bij maatwerkvoorschrift kunnen burgemeester en wethouders nadere eisen stellen ten aanzien van:
  1. tegenprestaties gericht op verbetering van de gebiedskwaliteit;
  2. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  3. de aard, hoogte en situering van erfafscheidingen;
  4. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing;
  5. de aard, situering en oppervlakte van verhardingen.

7.5 Omgevingsplanactiviteit

7.5.1 Aan-huis-verbonden bedrijf en nevenactiviteit
1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te oefenen:
  1. aan-huis-verbonden bedrijven uit milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, dan wel een bedrijf dat gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan deze bedrijfsactiviteiten;
  2. een ondergeschikte nevenactiviteit in de zin van een bed & breakfast;
2. De omgevingsvergunning bedoeld onder 1 wordt alleen verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarde van de gronden niet onevenredig worden aangetast;
  2. een en ander uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is;
  3. er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn;
  4. het een nevenactiviteit betreft en de woonfunctie de overheersende functie blijft;
  5. geen beperking ontstaat van de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven en woningen;
  6. de oppervlakte die voor alle nevenactiviteiten tezamen wordt benut mag maximaal 30% van het totale oppervlak van de gebouwen bedragen;
  7. er gen sprake is van een grote verkeersaantrekkende werking;
  8. er zorg wordt gedragen voor een goede landschappelijke inpassing;
  9. parkeren op eigen terrein plaatsvindt;
  10. geen buitenopslag en/of buitenstalling plaatsvindt;
  11. voor bed & breakfast gelden daarnaast de volgende voorwaarden:
    1. er is geen sprake van zelfstandige ruimten/units met eigen keukenblok;
    2. er is een gemeenschappelijke ruimte beschikbaar voor het nuttigen van het ontbijt;
    3. degene die gebruik maakt van de hoofdfunctie, is ook degene die de bed & breakfast exploiteert;
    4. het aantal kamers bedraagt maximaal 3 en het aantal bedden binnen de voorziening bedraagt maximaal 6;
    5. de maximale oppervlakte van een kamer bedraagt 50 m²;
    6. de bed & breakfast mag worden opgericht in het hoofdgebouw of en bestaand bijbehorend bouwwerk.

3 Algemene regels over functies

Artikel 8 Toepassingsbereik

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0893.TOP24006H22EAU19-VA01.

Artikel 9 Aanvraagvereisten

1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L), zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
  1. het bepaalde in artikel 22.284 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan; en
  2. het bepaalde in artikel 22.286 van het Omgevingsplan gemeente Bergen (L) van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Bouwactiviteit - algemeen

11.1 Ondergronds bouwen - algemeen

11.1.1 Ondergrondse werken en werkzaamheden
Voor het uitvoeren van ondergrondse werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, geen beperkingen.
11.1.2 Ondergrondse bouwwerken
Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. ondergrondse bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; indien geen bouwvlak is opgenomen, dan zijn ondergrondse bouwwerken uitsluitend toegestaan onder het hoofdgebouw;
  2. het oppervlak aan ondergrondse bouwwerken mag niet meer bedragen dan het toegestane oppervlak aan bouwwerken boven peil vermeerderd met 15 m²;
  3. de ondergrondse bouwdiepte van ondergrondse bouwwerken bedraagt maximaal 3,5 meter onder peil, met dien verstande dat een voorziening ten behoeve van de waterhuishouding tot maximaal 6 meter onder peil gebouwd mag worden.
11.1.3 Afwijken
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in subsubparagraaf 11.1.2 onder c voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 6,5 meter onder peil onder de voorwaarden dat:
  1. de waterhuishouding niet wordt verstoord;
  2. geen afbreuk wordt gedaan aan archeologische waarden.
 

11.2 Hydrologisch neutraal bouwen

Het bebouwen van de gronden is slechts toegestaan indien dit geen negatieve hydrologische gevolgen heeft voor de omliggende gronden. De aanleg van een waterhuishoudkundige voorziening dient op eigen terrein plaats te vinden en in stand te worden gehouden.

11.3 Parkeren

11.3.1 Beoordelingsregel parkeren op eigen terrein
  1. Indien uit het gebruik van een bouwwerk een behoefte aan parkeergelegenheid voortvloeit kan alleen een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) worden verleend, indien op het bijbehorende bouwperceel in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.
  2. Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan de Nota Parkeernormen of de nadien gewijzigde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden ten tijde van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L).
11.3.2 Afwijken beoordelingsregel parkeren op terrein
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het Omgevingsplan Bergen (L) te verlenen in afwijking van subsubparagraaf 11.3.1 indien:
  1. er voldoende parkeergelegenheid in het openbaar gebied is, of;
  2. er door andere omstandigheden mede verband houdende met de aard en omvang van de nieuwe functie of het bouwwerk zoals dubbelgebruik, aanwezigheidspercentages en fietsgebruik volstaan kan worden met een lagere norm
  3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    1. De parkeersituatie in de openbare ruimte;
    2. de woon- en leefsituatie.

Artikel 12 Gebruiksactiviteit - algemeen

12.1 Verboden gebruik

Het is in ieder geval verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken ten behoeve van:
  1. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een erotisch (getint) bedrijf of (straat)prostitutie;
  2. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens als coffeeshop;
  3. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte, tenzij dit op grond van de functie is toegestaan;
  4. het opslaan of bergen van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  5. het inpandig of in de openlucht opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  6. het inpandig of in de openlucht opslaan en/of opgeslagen houden van goederen behoudens voor zover inherent is aan het op de functie gerichte gebruik van de grond;
  7. het gebruik en/of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor tijdelijke of permanente bewoning, tenzij dit op grond van de functie is toegestaan;
  8. het innemen van een ligplaats met een vaartuig, waarbij ter plaatse sprake is van horeca-activiteiten, of met een vaartuig dat gebruikt wordt ten behoeve van een seksinrichting of prostitutie.
 

12.2 Landschappelijke inpassing

Voor de hierna genoemde locaties is het gebruik van de toegevoegde bouw- en/of gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het voorheen geldende omgevingsplan, zoals dat gold op de datum van het besluit over het inpassingsplan zoals opgenomen in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, uitsluitend toegestaan onder de voorwaarde dat sprake is van een landschappelijke inpassing en/of van sloop van bebouwing overeenkomstig het inpassingsplan zoals genoemd in de tabel landschappelijke inpassing bij deze regels, waarbij het volgende in acht moet worden genomen:
  1. De inpassing wordt gerealiseerd overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel en wordt vervolgens in stand gehouden;
  2. De sloop vindt plaats overeenkomstig het inpassingsplan en uiterlijk op de datum genoemd in de volgende tabel. 
Tabel landschappelijke inpassing
 
locatie/adres
datum wijzigingsbesluit omgevingsplan
inpassingsplan en/of sloopverplichting
dient te zijn gerealiseerd op
 Augustinusweg 19
 15 september 2026
sloop en/of inpassing dient te geschieden overeenkomstig het inpassingsplan, zoals bij deze regels gevoegd als bijlage 5
 2 jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan

Artikel 13 Afwijken - algemeen

13.1 Algemeen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 met betrekking tot:
  1. de in de regels gegeven (inhouds)maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  2. de regels, en toestaan dat het locatievlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft tot een maximale afmeting van 3 m;
  3. de regels ten aanzien van de dakhelling van de kap van gebouwen, indien het stedenbouwkundig beeld zich hiervoor leent ten behoeve van een bijzonder gebouw;
  4. de regels ten aanzien van de (bouw)hoogte van overige bouwwerken, en toestaan dat de bouwhoogte van overige bouwwerken wordt vergroot:
    1. ten behoeve van de bouw van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot maximaal 65 m boven NAP, onder de voorwaarden dat:
      • deze passen binnen het stedenbouwkundige en landschappelijke beeld ter plaatse;
    2. ten behoeve van speelvoorzieningen, beeldende kunst en dergelijke tot maximaal 10 m;
    3. ten behoeve van de bouw van andere overige bouwwerken tot 8 m;
  5. de situering en de begrenzing van bouwpercelen dan wel locatievlakken of functievlakken indien bij de uitvoering van het plan mocht blijken dat verschuivingen in verband met de ingekomen aanvragen nodig zijn ter uitvoering van een plan, mits de oppervlakte van het betreffende bouwperceel, dan wel bouwvlak, met niet meer dan 10% zal worden gewijzigd.
  6. het gebruiken van bouwwerken en gronden, waarop krachtens de regels van dit omgevingsplan niet mag worden gebouwd, ten behoeve van de realisering van voorzieningen voor duurzame-energieopwekking, zoals passieve, actieve en fotovoltaïsche zonne-energie en kleinschalige windmolens, waarbij geldt dat:
    1. de energieopwekking voor eigen gebruik is;
    2. de voorzieningen voor duurzame-energieopwekking worden opgericht binnen een zone van maximaal 100 m aansluitend aan een agrarisch locatievlak dan wel het functievlak 'Bedrijf', 'Recreatie', 'Sport' of 'Wonen';
    3. de bouwhoogte van windmolens maximaal 15 m mag bedragen;
    4. de bouwhoogte van overige voorzieningen voor duurzame-energieopwekking maximaal 5 m mag bedragen;
    5. grondgebonden zonnepanelen uitsluitend zijn toestaan binnen de gebieden die zijn aangemerkt als zone 2 en 3 zoals opgenomen op de in bijlage 4 bij deze regels opgenomen 'geschiktheidskaart zonne- en windenergie Bergen' dan wel diens rechtsgeldige opvolger;
    6. windmolens dienen te worden uitgeschakeld bij een snelheid van < 6 m/s;
    7. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van de belangen van omwonenden;
    8. er geen onevenredige aantasting plaats mag vinden van landschappelijke, natuurlijke en/ of cultuurhistorische waarden.

4 Overgangsregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken

14.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gedaan.  
14.1.2 Maatwerkvoorschrift
Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eenmalig afwijken van het bepaalde in subsubparagraaf 14.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in subsubparagraaf 14.1.1 met maximaal 10%.
14.1.3 Uitzondering
Het bepaalde in subsubparagraaf 14.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het Omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan.

14.2 Overgangsrecht gebruik

14.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
14.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in subsubparagraaf 14.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
14.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in subsubparagraaf 14.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
14.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in subsubparagraaf 14.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het Omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit plan.