direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Koekoek 38, Siebengewald
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Aan de Koekoek 38 is jarenlang een agrarisch bedrijf actief geweest. Van een agrarische bedrijfsvoering is echter geen sprake meer. De eigenaar van het perceel, hierna initiatiefnemer, woont in de aanwezige bedrijfswoning. Daarnaast is een deel van de schuren in gebruik als opslaglocatie voor het stallen van caravans. De planologische rechten die op de locatie rusten refereren echter nog naar de situatie dat er sprake was van agrarische bedrijfsactiviteiten. Het voornemen is dan ook om de planologische rechten passend te maken naar het huidig en toekomstig functiegebruik van de planlocatie. Het plan is om een deel van de gronden te wijzigen naar de functie Wonen, de vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf niet meer toe te staan en een deel van de bestaande schuren ook in de toekomst te gebruiken als opslaglocatie voor caravans.

De gemeente Bergen heeft op 5 december 2018 het door de initiatiefnemer ingediende principeverzoek ten aanzien van de ontwikkeling positief beoordeeld. De ontwikkeling past echter niet in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2018'. Omdat het initiatief wel passend is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Koekoek 38 in het buitengebied van Siebengewald. Het perceel bevindt zich op circa 2 km ten oosten van de kern Siebengewald en op circa 3,3 km ten oosten van de Duitse grens. De directe omgeving van het plangebied betreft een agrarisch gebied. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied en de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0002.png"

Ligging plangebied (bron: openstreetmaps.org)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018' van gemeente Bergen, dat is vastgesteld op 17 september 2018. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0003.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied (ruimtelijke plannen)

Ter plaatse van het plangebied is de enkelbestemming 'Agrarisch' van toepassing. Binnen deze bestemming ligt een agrarisch bouwvlak, aangeduid met de dikke zwarte lijn. De gronden rondom het bouwvlak zijn voorzien van de functieaanduiding 'erf', aangeduid met de blauwe gestippelde lijn. De lichte zwarte omkadering betreft de kadastrale grens van het perceel Koekoek 38. De buitenste grens van het kadastrale perceel en de functieaanduiding 'erf' vormen tezamen het plangebied, zoals hierna weergegeven omkaderd door een rode lijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0004.png"

Uitsnede geldend bestemmingsplan met plangebied rood omkaderd (ruimtelijke plannen)

In de regels van de bestemming 'Agrarisch' is in artikel 3.8.2 'Wonen' een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt om de bestemming 'Agrarisch' binnen het bestaande bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding 'erf' om te zetten naar de bestemming 'Wonen'. Voorliggend plan staat echter naast het wonen ook de bestaande caravanstalling in de bestaande schuren toe, waardoor het volledige initiatief niet mogelijk gemaakt kan worden door middel van een wijzigingsplan. Om het voorgenomen initiatief mogelijk te maken is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld. Daarnaast is een landschappelijke inpassing gemaakt voor het gehele kadastrale perceel voor een goede inpassing in de omgeving.

1.4 Opbouw bestemmingsplan

Het bestemmingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. Met de bestemming wordt geregeld wat de functie van de grond is. Ook geeft het bestemmingsplan aan wat er gebouwd mag worden, waarvoor de gebouwen gebruikt mogen worden en is het een toetsingskader voor omgevingsvergunningen. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en deze toelichting en is opgesteld volgens de laatste afspraken over de RO Standaarden 2012.

Verbeelding

De verbeelding, een kaart, laat tot op perceelsniveau zien welke bestemmingen er gelden. Met aanduidingen kan meer informatie worden gegeven over wat is toegestaan, bijvoorbeeld met bouwvlakken of maatvoeringen.


Planregels

De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden.


Opzet van de toelichting

In deze toelichting is het volgende opgenomen:

  • een beschrijving van de bestaande situatie en van het voorgenomen initiatief (hoofdstuk 2);
  • een samenvatting van het relevante Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid (hoofdstuk 3);
  • in hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het plan getoetst op grond van het geldende beleid en de relevante milieuwetgeving. Ook wordt beschreven op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
  • hoofdstuk 5 geeft de verantwoording van de keuze van bestemmingen en wat er met de bestemmingen wordt beoogd;
  • het verslag van de procedure (hoofdstuk 6): de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

De toelichting voldoet hiermee aan de eisen die worden gesteld in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Bij de voorbereiding van dit plan is het niet nodig om een milieueffectrapport, als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer, op te stellen. In hoofdstuk 4 is beschreven op welke wijze rekening is gehouden met aanwezige waarden van de gronden, de effecten op het aangrenzende gebied en de wijze waarop milieukwaliteitseisen (volgens hoofdstuk 5 Wet milieubeheer) bij het plan zijn betrokken.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Koekoek 38, in het buitengebied ten westen van Siebengewald. De Koekoek is een rustige zijweg van de Nieuweweg, één van de toegangswegen naar Siebengewald. De omgeving heeft een overwegend agrarische karakter. Tussen de agrarische bedrijven in liggen her en der burgerwoningen en kleine bedrijven. Niet ver ten westen van de planlocatie ligt op loopafstand het Nationaal park De Maasduinen.

Het plangebied wordt volledig omringd door landbouwgrond. Direct naast de oostelijke perceelsgrens loopt een watergang die wordt begeleidt door een groene singel. Binnen het plangebied was jarenlang een agrarisch bedrijf actief. In de loop der tijd hebben er verschillende (agrarische) bedrijfsactiviteiten plaatsgevonden. Zo was in het verleden achtereenvolgens sprake van een intensieve veehouderij en een akkerbouwbedrijf.

De bestaande gebouwen op het erf bestaan uit een bedrijfswoning (omvang ca. 100 m²), een schuur die dienst heeft gedaan als ligboxstal (omvang ca. 580 m²) en een loods (omvang 300 m²). Deze drie gebouwen staan geclusterd in het midden van het erf. Verder richting het westen staat nog een opzichzelfstaand, vervallen, schuurtje met een omvang van 62 m². De voormalige ligboxenstal is opgedeeld uit twee afzonderlijke ruimtes. Een deel van de schuur en loods doen in de huidige situatie dienst als opslaglocatie voor het stallen van caravans.

De overige delen van het plangebied zijn erg groen ingericht en beschikken over enkele waardevolle landschapselementen, te weten de bestaande houtsingel en bosjes, de laanbeplanting langs de oprit, bestaande hagen langs de woning en langs de Koekoek en de boomgaard aan de westkant van het plangebied. Rondom de woning ligt daarnaast een fraai onderhouden tuin. Al deze elementen samen vormen het groene karakter van deze plek. Zie voor een nadere onderbouwing de toets aan het Landschapsplan gemeente Bergen in paragraaf 3.3.2. Navolgende afbeeldingen geven een indruk van de bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0005.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: google maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0006.png"

Aanzicht op de bestaande bedrijfswoning. Wat opvalt is het vele groen rondom de woning (bron: funda.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0007.png"

Aanzicht op het bebouwingscluster, midden op het erf (bron: funda.nl)

2.2 Toekomstige situatie

Voorliggend plan heeft nagenoeg geen gevolgen voor de fysieke inrichting van de planlocatie in de toekomstige situatie. Het aantal woningen neemt niet toe. Wel heeft het plan een functiewijzing naar Wonen tot gevolg waarmee de planologische rechten beter aansluiten op het huidige en toekomstige functiegebruik.

De gronden rondom de bestaande bebouwing, zowel de schuren als de woning, krijgen in de toekomst een woonfunctie. Dit plan heeft als gevolg dat het agrarisch bouwvlak en de erfaanduiding komen te vervallen. Het is na vaststelling van voorliggend bestemmingsplan niet meer mogelijk agrarische bedrijfsactiviteiten op het perceel uit te voeren.

Het kleine, vervallen, schuurtje aan de westkant zal worden gesloopt. De totale omvang van de bebouwing binnen het plangebied komt daarmee uit op 980 m². Een deel van de schuren is in de bestaande situatie in gebruik als opslaglocatie voor caravans. Dit bestaande gebruik wordt in de toekomst voortgezet.

Zoals reeds aangegeven beschikt het plangebied over enkele waardevolle landschapselementen. Het landschappelijk inpassingsplan uit bijlage 2 van de regels heeft deze elementen inzichtelijk gemaakt. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van dit plan. In de regels is voorwaardelijk verplicht gesteld dat de nieuwe woonfunctie in de toekomst als zodanig gebruikt mogen worden mits de landschapselementen in de toekomst voor het plangebied behouden blijven. Het parkeren zal plaatsvinden op eigen terrein. Ontsluiting van het erf vindt plaats middels een inrit. In paragraaf 4.4 wordt het aspect verkeer en parkeren nader besproken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0008.png"

Uitsnede van het landschappelijk inpassingsplan (bron: Buro SRO)

Conclusie

Het bestaande functiegebruik van een deel van de schuren als caravanstalling blijkt een goede manier om leegstand van voormalige agrarische bebouwing te voorkomen. Door het huidige gebruik planologisch vast te leggen is dit gebruik ook voor de toekomst gewaarborgd. Tevens wordt het initiatief aangegrepen om bestaande landschapselementen voor zowel de planlocatie als voor de omgeving in de toekomst te behouden en te borgen. Dit komt de ruimtelijke kwaliteit voor de lange termijn ten goede.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.

Ladder duurzame verstedelijking

Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De locatie van voorliggend initiatief ligt buiten het bestaand stedelijk gebied. Met het voorliggend plan worden geen woningen toegevoegd en daarnaast dusdanig kleinschalig van aard, waardoor er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Een toets aan de Ladder duurzame verstedelijking is niet van toepassing.

3.2 Provinciaal beleid

Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het POL 2014, met bijbehorend plan m.e.r., de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers en- Vervoersprogramma vastgesteld.

In het POL staat kwaliteit centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.

Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. Uitbreiding via uitleggebieden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte. Hierbij is aandacht voor huisvesting van bijzondere doelgroepen (woonurgenten) en de aanpak van leegstand.

Er wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. Het proces van functieverlies speelt al langere tijd, maar het aanbod van leegstaand vastgoed blijft toenemen en de vraag blijft achterwege. Er wordt naar gestreefd dat de vrijkomende agrarische bebouwing zoveel mogelijk wordt hergebruikt door de land- en tuinbouw, ter voorkoming van verdere verstening in het buitengebied. Maar het is zeker niet te verwachten dat alle leegstand zo kan worden opgelost. In dat geval is sloop (bijvoorbeeld van verouderde stallen, schuren en overige voorzieningen) gewenst, om leegstand, verval en mogelijk ook illegaal gebruik te voorkomen.

Qua natuur is het de ambitie om de biodiversiteit in stand te houden. Dat vraagt om een robuust grensoverschrijdend natuur- en waternetwerk van goede kwaliteit, dat ook de effecten van de klimaatverandering voor flora en fauna kan opvangen. Dat netwerk fungeert bovendien als belangrijke recreatiezone, als drager van de landschappelijke structuur en als een belangrijke pijler onder een goed vestigingsklimaat in Limburg. Daarnaast is het de ambitie dat natuur en natuurbeleid sterk verankerd zijn in de samenleving.

Planspecifiek

Het POL2014 besteedt aandacht aan vrijkomende agrarische bebouwing. Belangrijkste doel is zoveel mogelijk vrijkomende bebouwing her te gebruiken door land- en tuinbouw, en als dat niet lukt, door alternatieve economische activiteiten. Voorwaarde is dan wel dat de activiteit dient te passen binnen het dynamisch voorraarbeheer, anders gezegd: er dient sprake te zijn van verantwoorde herbenutting. Dit is het geval bij voorliggend initiatief. Een deel van de bestaande schuren wordt gebruikt als opslaglocatie voor caravans. Deze activiteit is al gaande en blijkt economisch rendabel. Voor de planlocatie is daarmee een functie gevonden die voorkomt dat voormalige bedrijfsgebouwen leeg komen te staan.

De verantwoordelijkheid van de uitvoering van het Limburg Kwaliteitsmenu (LKM) heeft de provincie inmiddels overgedragen aan de gemeenten. De gemeente Bergen heeft het beleid van het LKM door vertaald in de structuurvisie en het landschapsplan, welke in de volgende paragraaf 3.3 aan bod komen.

In de provinciale verordening worden concrete regels gesteld aan nieuwe ontwikkelingen als het gaat om het toevoegen van woningen. In artikel 2.4.2. 'Wonen' is opgenomen dat in de regio Noord-Limburg, waar het plangebied binnen ligt, er geen nieuwe woningen aan de bestaande voorraad mogen worden toegevoegd. Voorliggend initiatief sluit hierop aan. De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, er komen geen nieuwe woningen bij.

De ontwikkeling is daarmee passend binnen het provinciaal beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie+ 2014

De gemeenteraad heeft op 1 juli 2014 de Structuurvisie+ 2014 'Bouwen aan de toekomst' gewijzigd vastgesteld. De structuurvisie is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht voor alle gemeenten, en geeft richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie is niet rechtstreeks bindend. De structuurvisie is de basis voor besluiten die wél bindend zijn, zoals bestemmingsplannen.

De structuurvisie+ 2014 is een actualisatie van de Structuurvisie+ die in 2006 is vastgesteld door de gemeenteraad. In de afgelopen jaren is namelijk veel veranderd. Een aantal projecten uit de vorige structuurvisie zijn gerealiseerd, andere projecten spelen niet meer. Ook zijn er nieuwe projecten in voorbereiding die in 2006 nog niet bekend waren. Daarnaast is in 2010 de Strategische Regiovisie Maasduinen tot stand gekomen. Deze vormt de basis voor het visiedeel van deze structuurvisie.

Er zijn vier speerpunten van beleid:

  • Investeren in exclusieve woonprogramma's en behoud van voorzieningen;
  • Ontwikkelen van bijzondere zorgcomplexen en zorgconcepten;
  • Ontwikkelen van bijzonder toeristisch-recreatief product;
  • Investeren in duurzame landbouw.

Planspecifiek

De planlocatie ligt in de zone 'Agrarisch gebied langs de Duitse grens'. Dit gebied kent minder aanleiding voor hoog dynamische ontwikkelingen, maar ontwikkelingen zijn hier niet uitgesloten op de lange termijn. De visie stelt geen nadere eisen aan functieverandering van agrarisch naar wonen binnen dit gebied. Het initiatief past daarmee binnen de gemeentelijke structuurvisie.

De Structuurvisie+ 2014 staat de ontwikkeling van het initiatief niet in de weg.

3.3.2 Landschapsplan gemeente Bergen

In 2013 heeft de gemeente Bergen het 'Landschapsplan gemeente Bergen, Verkenning van het landschap, afwegingskader landschappelijke inpassing' gepubliceerd. Het meer dan 11.000 hectare grote, langgerekte buitengebied van de gemeente Bergen in noord-Limburg kent een aantal kenmerkende landschappelijke kwaliteiten. Het Maasdal, de rivierduinen en de verschillende grote en kleinere landbouwgebieden zijn de belangrijke beelddragers. Het concreet benoemen en herkennen van de bouwstenen van deze landschappen, met name groene en cultuurhistorische elementen, vormt de basis van een verantwoorde omgang ermee. In het landschapsplan wordt een samenvattend overzicht gegeven van de ontstaansgeschiedenis van het gebied, wordt kort ingegaan op het [regionaal] landschapsbeleid; en wordt een compleet overzicht gegeven van de thans aanwezige landschapselementen.

In het tweede deel wordt aan de hand van een aantal voorbeelden nader ingegaan op het aspect van bebouwing in het buitengebied en de landschappelijke inpassing daarvan. Hiermee wordt gepoogd een leidraad op te stellen voor de bewoners en gebruikers van het buitengebied om zodoende de kwaliteiten van het gebied te behouden en mogelijk verder te ontwikkelen.

Planspecifiek

De planlocatie ligt binnen het gebied de 'Leege Heide'. Dit gebied laat zich typeren als een gebied met grootschalige landbouwontginningen met een grootmazig stelsel van lanen van zomereik, oude ontginningen en gehuchten bij Siebengewald. In het gebied is relatief veel sprake van vrijkomende agrarische bebouwing, maar kent verder weinig landschappelijke veranderingen.

Op de kaart staan de waardevolle landschappelijke en cultuurhistorische elementen weergegeven. Hierna is een uitsnede opgenomen van deze kaart:

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0009.png"

Uitsnede kaart Landschappelijke en cultuurhistorische elementen gemeente Bergen (L)

Op de kaart is te zien dat langs de Koekoek een eenzijdige laan aanwezig is. Daarnaast loopt er langs de westelijke perceelsgrens een houtsingel en langs de oostelijke perceelsgrens een houtwal met cultuurhistorische betekenis. Deze elementen worden met de planontwikkeling behouden en zijn hierom opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 2 van de regels). Voor een verdere borging van de aanwezige landschappelijke elementen zijn de aanwezige bosjes, de laanbeplanting langs de oprit, de bestaande hagen langs de woning en de boomgaard die aan de westkant van het plangebied opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan. In de regels van dit plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waaraan is gewaarborgd dat deze landschapselementen ook in de toekomst voor het plangebied behouden moeten blijven. De typische gebiedseigen beplanting is daarmee voor de toekomst behouden, dit komt zowel de kwaliteit van het plangebied als ook de omgeving ten goede.

Het initiatief past binnen het gemeentelijk landschapsplan.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

Een deel van het plangebied verandert van functie van Agrarisch naar de bodemgevoelige functie Wonen. Om te kunnen bepalen of de bodemkwaliteit aansluit op het toekomstig functiegebruik is een verkennend bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd.

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740

Op de onderzoekslocatie zijn drie deellocaties onderzocht.

  • Deellocatie A1: voormalige bovengrondse dieseltank. In het opgeboorde materiaal ter plaatse van de eerste deellocatie zijn zintuiglijk geen verontreinigingen aangetroffen. In de verdachte bovengrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is in combinatie met deellocatie B (zie hierna) onderzocht. In het grondwater zijn analytisch geen verontreinigingen geconstateerd. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie ter plaatse van deellocatie A1 als "plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd, is voor deze deellocatie verworpen.
  • Deellocatie A2: tweede locatie voormalige dieseltank. In het opgeboorde materiaal ter plaatse van de tweede deellocatie is zintuiglijk een volledig puinhoudende laag aangetroffen (traject 0,0-0,6m -mv). De bodem is analytisch niet verontreinigd. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie ter plaatse van deellocatie A2 als "plaatselijk verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen.
  • Deellocatie B: overig deel van de onderzoekslocatie. Ter plaatse van de derde deellocatie is de bovengrond zintuigelijk zwak tot matig baksteenhoudend, plaatselijk is de bovengrond zwak tot matig betonhoudend en volledig puinhoudend. In de bovengrond zijn analytisch lichte verontreinigingen met kobalt, minerale olie en PAK geconstateerd. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Hoogstwaarschijnlijk zijn deze lichte verontreinigingen te relateren aan het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen in de bovengrond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan barium en cadmium geconstateerd. Deze metaalverontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk, te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Op basis van de periode waarin de puinverharding op de onderzoeklocatie is gerealiseerd (voor 1945), acht Econsultancy dat er géén kans is op het aantreffen van noemenswaardige asbestgehaltes. Aanvullend onderzoek naar de parameter asbest ter plaatse van deze puinverharding wordt derhalve ook niet noodzakelijk geacht. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie ter plaatse van deellocatie B als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie bevestigd.

Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707

Ter plaatse van de inspoelzone rondom de schuur ten noorden van de woning is in de bovengrond analytisch hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest geconstateerd. De vastgestelde gehalten overschrijden de waarde voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek (0,5*interventiewaarde) niet. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat gelet op de aard en mate van verontreiniging, er géén reden bestaat voor nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingswijziging van de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. Het verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek is weergegeven in bijlage 1.


De uitvoerbaarheid van het initiatief voor bodem is hiermee aangetoond.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor beide stoffen bedraagt de grenswaarde 40 µg/m3. Voor PM2,5 (fijner fijnstof) bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3. In Nederland wordt daar al aan voldaan.

De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub, en

10 microgram per kuub voor PM2,5 welke lager liggen dan de wettelijke grenswaarden. Pas als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit een goede motivering worden gesproken over acceptabele concentraties en een goed woon- een leefklimaat.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Het initiatief betreft een functiewijziging naar wonen. Er worden geen nieuwe woningen aan het plangebied toegevoegd en ook aan het bestaande functiegebruik van een deel van de schuren als opslaglocatie verandert niets. Het plan voorziet niet in de toename van het aantal verkeersbewegingen.

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 715603 (het meest nabijgelegen punt, aan de A57 op ca. 3 km van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 (stikstofdioxide)   PM10 (Fijn stof)   PM2,5(Fijn stof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2016 (µg/m3)   17,2 µg/m3   18,0 µg/m3   11,3 µg/m3
 
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  
Te verwachten waarden 2030   8,5 µg/m3   15,0 µg/m3   8,8 µg/m3  
Te verwachten overschrijdingsdagen (2030)   -   6,0   -  

Uit de tabel blijkt dat ter plaatse de grenswaarde met betrekking tot fijnstof en stikstofdioxide niet worden overschreden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Bijdrage initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Er worden geen nieuwe woningen aan het plangebied toegevoegd. Het aantal verkeersbewegingen neemt door het plan niet toe. Te concluderen valt dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Voorliggend plan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk. De bestaande bedrijfswoning verandert naar een burgerwoning. De woning is in de huidige situatie al een geluidsgevoelig object en hoeft daarom niet opnieuw getoetst te worden.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen danwel buiten de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel. Op 18 december 2007 is door de gemeente Bergen de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld.

Binnen de in de geurverordening aangeduide gebieden is een andere waarde van toepassing dan de desbetreffende waarde genoemd in artikel 3, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij. Het betreft de volgende gebieden:

  • Bebouwde kom stedelijk: 2,0 Ou/m³
  • Cluster Groote Horst: 3,0 Ou/m³
  • Overige buurtschappen en clusters in het buitengebied: 7,0 Ou/m³
  • Uitbreiding Jozefstraat: 5,0 Ou/m³
  • Uitbreiding Siebengewald-Zuid: 9,0 Ou/m³
  • Ruimte voor Ruimte locatie Ericaweg: 6,0 Ou/m³
  • Grote campings: 14,0 Ou/m³
  • Landbouwontwikkelingsgebied (Log) deelgebied I: 20,0 Ou/m³

Planspecifiek

In de bestaande situatie is er al een bedrijfswoning binnen het plangebied aanwezig. Voorliggend plan maakt geen nieuwe woning mogelijk. De bestaande bedrijfswoning is al een geurgevoelig object en hoeft daarom niet opnieuw getoetst te worden. Binnen het plangebied was in het verleden een intensieve veehouderij aanwezig, deze is echter niet meer actief. De locatie heeft daarmee ook geen mogelijk negatief effect meer op geurgevoelige objecten in de omgeving.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

In- en uitwaartse zonering

Uitwaartse zonering gaat uit van de milieubelastende functie (een bedrijf of bedrijventerrein) met als doel milieugevoelige functies uit de omgeving te weren. Bij inwaartse zonering wordt vanuit de milieugevoelige functie (bijvoorbeeld een woongebied) een bufferzone gecreëerd.

Planspecifiek

Ten opzichte van de bestaande situatie verandert er feitelijk niets door dit plan. De bestaande bedrijfswoning is al een gevoelig object waardoor er al rekening moet worden gehouden met deze woning door omliggende bedrijven.

Een deel van de schuren is reeds in gebruik als opslaglocatie voor caravans. Een caravanstalling komt niet voor in de publicatie Bedrijven en milieuzonering van de VNG. Het initiatief is wat betreft bedrijvigheid en richtafstand (geur, stof, geluid en gevaar) vergelijkbaar met 'Autoparkeerterreinen, parkeergarages (SBI-2008: 5221)'. Deze bedrijven zijn aangemerkt als een bedrijf vallende onder categorie 2 kennen een hindercirkel van 30 meter. De dichtstbijzijnde woning ligt op ca. 150 m vanaf het plangebied waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de minimale richtafstand. Bovendien ondervindt die woning in de bestaande situatie al geen hinder van de bedrijfsvoering.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (> 1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Bijgevoegd een screenshot van de website 'risicokaart.nl'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0010.png"

Uitsnede van de risicokaart, waarbij het plangebied is aangegeven met de zwarte pijl (bron: risicokaart.nl)

In de omgeving van het plangebied liggen een aantal intensieve veehouderijen. Op de betreffende erven staan propaantanks (LPG). Aan deze bronnen zijn plaatsgebonden risicocontouren opgenomen van 15 m. Gelet op de afstand van het plangebied tot aan de dichtstbijzijnde intensieve veehouderij (550 m) vormen deze bronnen geen gevaar voor voorliggend initiatief.

Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect externe veiligheid.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen

Het beleid voor hemelwater afkomstig van nieuwbouw in Bergen volgt het beleid van het Waterschap: hemelwater afkomstig van daken en verhardingen dient conform de watertoets op particulier terrein in de bodem te worden geïnfiltreerd of –als niet mogelijk- worden gebufferd en vertraagd worden afgevoerd naar een hemelwaterriool of oppervlaktewater.

Het plangebied valt in het werkgebied van Waterschap Limburg. In het werkgebied van het voormalige waterschap Peel en Maasvallei geldt in landelijk gebied een vrijstelling van compensatie van de toename van verhard oppervlak als het totaal aaneengesloten oppervlak verharding niet meer bedraagt dan 5.000 m².

Planspecifiek

Voorliggend plan betreft enkel een functiewijziging van Agrarisch naar Wonen. Er vinden geen bouw- of sloopwerkzaamheden plaats, afgezien van een het kleine schuurtje ter plaatse van de boomgaard te westen van de woonbestemming. Aan de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse verandert niets.

Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op circa 600 m. afstand van het Natura 2000-gebied Maasduiden. Voorliggend plan voorziet niet in extra woningen en/of een toename van verkeersbewegingen. Als gevolg van de ontwikkeling is er geen sprake van negatieve effecten op het Natura 2000-gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0011.png"

Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied Maasduinen

Soortenbescherming

Door het plan zijn geen bouw- en/of grootschalige sloopwerkzaamheden plaats. Enkel een klein schuurtje (omvang 60 m²) zonder spouw zal worden gesloopt. Van het kappen of verwijderen van bomen of ander groen is geen sprake. Het is daarom redelijkerwijs niet aannemelijk dat dit plan gevolgen heeft voor eventuele beschermde soorten binnen het plangebied.

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Ten opzichte van de bestaande situatie verandert er feitelijk niets in de toekomstige situatie. De verkeersaantrekkende werking neemt door het plan niet toe.

De bestaande woning betreft een vrijstaande woning in het buitengebied waarvoor, op basis van de vekeersgegevens van het CROW, een norm geldt van maximaal 3 benodigde parkeerplaats. Rondom de woning is op eigen terrein voldoende ruimte aanwezig om te voldoen aan deze norm.

Het initiatief is daarmee uitvoerbaar ten aanzien van verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

In het Landschapsplan van de gemeente Bergen zijn diverse landschapselementen beschreven. Als kenmerkende en in principe te behouden cultuurhistorische landschapselementen kunnen in Bergen de volgende componenten worden genoemd:

  • elementen uit de archeologie, zoals Celtic fields en oude nederzettingen;
  • de begrenzingen van velden en kampen;
  • oude ontginnings- en perceelsgrenzen;
  • oude wegtracé's, veldwegen en dergelijke;
  • bomen die al relatief oud zijn; bijvoorbeeld meer dan 100 jaar;
  • veldkruisen en kleine kapellen.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

Het gebied ten westen van Siebengewald behoort tot het grootschalige landbouwgebied (LOG). Desondanks zijn er opmerkelijk veel, ook vanuit cultuurhistorisch oogpunt, beplantingselementen aanwezig, zoals ook al opgenomen en uiteengezet in paragraaf 3.3.2. Deze elementen betreffen uitsluitend weg- of erfbeplanting, typisch zijn o.a. de eenzijdige bomenlanen, houtwallen, natte weiden langs en bij oude ontginningen. Ook liggen verspreidt op particuliere gronden ter eigen gebruik enkele boomgaarden (een boomgaard wordt in dit gebied ook wel een 'bongerd' genoemd). In de bestaande situatie zijn in de directe omgeving alsook binnen het plangebied al bepalende landschapselementen aanwezig. Zo wordt de Koekoek begeleid door een enkele bomenrij (eik). Binnen het plangebied staan op en rondom de perceelsgrenzen veel bomen. Rondom de woning en langs de Koekoek staan lage hagen. In de westelijk hoek van het plangebied is een boomgaard aangelegd met verschillende soorten fruitbomen. Vanwege de hoge kwaliteit van de aanwezige landschapselementen voorziet dit plan niet in dat er nog meer elementen worden aangebracht. Wel is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld (zie bijlage 2 van de regels) waarin de meest waardevolle bestaande elementen in kaart zijn gebracht. In de regels van dit plan is voorwaardelijk verplicht gesteld dat deze elementen in de toekomst voor het plangebied behouden moeten blijven.

Archeologische waarden

Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de gemeentelijke archeologische waarden kaart. Het plangebied ligt binnen de groene cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0893.BP19001KO38BUI-VA01_0012.png"

Uitsnede archeologische waardenkaart (bron: gemeente Bergen)

Voorliggend plan heeft geen bodemwerkzaamheden tot gevolg. Op voorgaande afbeelding is te zien dat de gronden binnen het plangebied vallen binnen categorie '6', wat betekent dat er sprake is van een lage archeologische verwachting. Deze gronden kennen geen onderzoeksplicht.

De uitvoerbaarheid ten aanzien van cultuurhistorie en archeologie is hiermee aangetoond.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Met de regels van voorliggend bestemmingsplan is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018', vastgesteld op 17 september 2018. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Agrarisch', waarbij uitvoer van dit plan tot gevolg heeft dat het bestaande agrarische bouwvlak en de functieaanduiding 'erf' verdwijnen. Het is niet meer mogelijk om in de toekomst een agrarisch bedrijf te starten op het perceel.
  • 'Tuin'. De gronden rond de woonbestemming betreft de bestemming 'Tuin' en zijn bestemd voor beplanting, paden en verhardingen, parkeervoorzieningen en vijvers en sloten. Binnen deze gronden is het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken niet toegestaan.
  • 'Wonen'. De gronden op en rondom de schuren en de woning krijgen door dit plan de bestemming 'Wonen'. Binnen de woonbestemming is de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - caravanstalling' opgenomen.

Verder is in dit plan een voorwaardelijke verplichting opgenomen die regelt dat de woonfunctie als ook het gebruik van de bestaande bebouwing als opslaglocatie ook in de toekomst als zodanig gebruikt mogen worden, onder voorwaarden dat de bestaande landschapselementen en erfinrichting behouden blijft en een bestaande schuur gesloopt wordt zoals opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 2 van de regels).

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Vanwege de omvang en inhoud van het plan is er geen vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro gevoerd.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Voorliggend plan voorziet in het bestendigen van het huidige gebruik van het plangebied. Hierdoor, en mede vanwege de omvang, is er geen formele inspraakprocedure gehouden voor dit initiatief.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van donderdag 4 juli tot en met woensdag 14 augustus 2019 voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er geen zienswijzen tegen het plan ingediend.