| Plan: | Oude Kerkstraat 32 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0893.BP18002OU32BEG-VA01 |
Het Waterschap Limburg heeft in het kader van het dijkversterkingsproject 'Eiland van Bergen - Aijen' het agrarische bedrijf aan de Oude Kerkstraat 32 te Bergen aangekocht ten behoeve van de dijkversterking. De primaire waterkeringen, die Limburg beschermen tegen hoogwater, voldoen op een aantal locaties niet aan de wettelijke norm voor dijkveiligheid. Waterschap Limburg is momenteel bezig om de waterkeringen in zijn beheersgebied te versterken, zodat deze wel aan de veiligheidsnorm voldoen. Op dit moment hebben de waterkeringen een beschermingsniveau van rond de 1/50ste per jaar. Sinds 2005 zijn de Maaskaden (waterkeringen langs de Maas) onder de Waterwet aangewezen als “primaire waterkering” of “dijkring”. Het binnen de Waterwet vereiste beschermingsniveau binnen de dijkringgebieden langs de Maas bedraagt 1/250ste per jaar. Om aan het vereiste beschermingsniveau te voldoen moeten verschillende waterkeringen worden versterkt. Zo ook dijkring 59 met de waterkering die Bergen en Aijen beschermt. Naast de versterking wordt ter hoogte van het plangebied gelegen aan de Oude Kerkstraat 32 ook de waterkering verplaatst.
De agrarisch bedrijfsbebouwing die behoort tot het agrarische bedrijf is inmiddels gesloopt, waardoor in de nieuwe situatie sprake zal zijn van een vermindering van het aantal m² bebouwing in het stroomvoerend rivierbed. De bijbehorende bedrijfswoning komt door de ontwikkeling buitendijks te liggen en het voornemen is dan ook om deze woning ook te slopen en binnendijks een bouwkavel te realiseren.
Het planvoornemen betreft het weg bestemmen van de huidige waterkering en de agrarische bedrijfslocatie / bedrijfsbestemming waarbij de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing inmiddels gesloopt is. Door de verplaatsing van de waterkering dient de bestaande bedrijfswoning te worden gesloopt en zal de realisatie van een nieuwe burgerwoning op een vervangende locatie planologisch-juridisch mogelijk worden gemaakt. Ten behoeve van de te realiseren woning wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse versterkt door de reeds verwijderde agrarische bebouwing (ontstening), de versterking van de nabijgelegen houtsingel en de te verwijderen dennenbomen die zich in de houtsingel bevinden. De nieuwe woonbestemming zal, in verband met regulier onderhoud van de houtsingel, op ongeveer 3 meter afstand komen te liggen. De nieuwe woning moet, rekening houdend met de bouwregels, 5 meter uit de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd. Tevens wordt door de verplaatsing van de waterkering de nieuwe ligging van de waterkering middels voorliggend bestemmingsplan positief bestemd.
Het Waterschap Limburg heeft het voormalige agrarische bedrijf aan de Oude Kerkstraat 32 te Bergen aangekocht ten behoeve van de dijkaanleg in het kader van het dijkversterkingsproject 'Eiland van Bergen'. De voormalige agrarisch bedrijfsbebouwing (incl. bedrijfswoning) is inmiddels gesloopt, waardoor sprake is van een perceel dat enkel bestaat uit grasland en een tweetal bomenrijen.
Om de verplaatsing van de waterkering en de realisatie van een burgerwoning juridisch-planologisch mogelijk te maken dient het vigerend bestemmingsplan voor deze locatie te worden herzien. De te realiseren woning wordt bestemd als 'Wonen'. Daarnaast worden de dubbelbestemmingen ten behoeve de waterkering(en) met bijbehorende beschermingszones zodanig verschoven zodat het dijkversterkingsproject planologisch-juridisch mogelijk wordt gemaakt.
Het plangebied ligt in het buitengebied, op korte afstand in noordelijke richting gelegen van de kern Bergen. De locatie ligt aan de Oude Kerkstraat en is de laatste bebouwing van het noordelijke bebouwingslint van de Bergen. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Bergen sectie T, perceelnummers 1953, 1817, 2455, 3123 (deels), 3124 (deels), 2111 (deels), 2112 (deels), 2113 (deels), 2594, 2591 (deels), 2612 (deels), 2613, 2616, 2618, 2621 (deels), 3117, 3118, 3118, 3119, 3120 (deels), 3121 en 3122 (deels).
|
| Uitsnede kaart planviewer (kadastrale percelen) met de ligging van het plangebied |
|
| Luchtfoto met ligging plangebied |
Het plangebied voor de locatie Oude Kerkstraat 32 te Bergen is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied 2018 dat op 6 februari 2018 is vastgesteld. In dit bestemmingsplan wordt de locatie bestemd met de bestemming 'Agrarisch met waarden' en kent de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3 en 4', 'Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed' en 'Waterstaat - Waterkering'. Tevens is er een gebiedsaanduiding 'overige zone - schuilgelegenheden uitgesloten' opgenomen. Tot slot is er een bouwvlak en zijn de functieaanduidingen 'erf' en 'nutsvoorziening' opgenomen.
|
| Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2018' |
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
Het planvoornemen past niet binnen de regels behorende bij deze bestemming, aangezien wonen alleen is toegestaan in de bestaande bedrijfswoning gerelateerd aan het voormalige agrarische bedrijf. Het planvoornemen is tweeledig, namelijk enerzijds het weg bestemmen van het agrarisch bedrijf in combinatie met het positief bestemmen van de nieuwe waterkering met bijbehorende beschermingszone en anderzijds het planologisch-juridisch mogelijk maken van de bouwkavel van de beoogde woning (binnendijks). Om het planvoornemen planologisch-juridisch mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk.
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld in lijn met het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018'.
Het bestemmingsplan 'Oude Kerkstraat 32' voorziet in de benodigde ruimtelijke onderbouwing, voor de bestemmingswijziging van de bestemming 'Agrarisch met waarden' , naar de bestemmingen 'Agrarisch met waarden' en 'Wonen', in de vorm van een toelichting.
Aan bod komen onder andere de volgende onderwerpen:
Naast deze toelichting omvat dit bestemmingsplan 'Oude Kerkstraat 32' regels en een verbeelding, opgesteld conform RO Standaarden 2012 en de plansystematiek van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018'. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de gemeente Bergen stellen ten aanzien van bestemmingsplannen.
Na dit inleidende hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de relevante beleidskaders van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente in hoofdstuk 2. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving van de huidige situatie en het uiteindelijke planvoornemen gegeven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de waterparagraaf. In hoofdstuk 6 wordt aangegeven hoe het planvoornemen is verwoord in de planregels (juridische planopzet). Tot slot wordt in hoofdstuk 6 en 7 ingegaan op respectievelijk de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het planvoornemen en de procedure.
Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waar binnen gemeenten kunnen opereren. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor het plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Hierna worden in het kort de voornaamste zaken uit het voor het plangebied relevante nationale en provinciale beleid weergegeven, aangevuld met het van toepassing zijnde beleid van de gemeente Bergen.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft het kabinet een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De structuurvisie benoemt 13 onderwerpen van nationaal ruimtelijk belang. Het merendeel van die onderwerpen betreft specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol, de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.
Een onderwerp dat niet aan bepaalde gebieden gebonden is, is duurzame verstedelijking. Voor dit onderwerp introduceerde het Rijk de 'ladder voor duurzame verstedelijking' waarmee zorgvuldig ruimtegebruik door optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en het voorkomen van overprogrammering worden nagestreefd. Provincies en gemeenten dienen in hun ruimtelijke besluiten te motiveren of een nieuwe stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte voorziet. Als dat het geval is dient gekeken te worden of deze in bestaand stedelijk gebied past (inbreiding). Pas als dat niet het geval is komt uitbreiding in beeld onder voorwaarde van een optimale ontsluiting door verschillende vervoersmodaliteiten.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee het SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aaanvullend verankerd.
In de structuurvisie worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Het plangebied is gelegen in gebieden waar onderwerpen van nationaal belang uit de SVIR van toepassing zijn en van waaruit de Barro rechtstreeks regels worden gesteld aan de ruimtelijke ordening. Voor onderhavig planvoornemen is het onderwerp 'Grote rivieren' (kaart 4 van het Barro) van toepassing. De doorwerking van de Beleidsregels grote rivieren (Bgr) vindt in het spoor van de ruimtelijke ordening plaats middels het Barro.
|
| Uitsnede kaart 4 'Grote rivieren' uit het Barro met de locatie van het nieuwe bouwkavel (blauwe locatietag) |
Het gehele plangebied is op grond van de kaarten behorende bij het Barro gelegen in het stroomvoerend deel van het rivierbed. Op grond van artikel 2.4.3. (rivierbed) van het Besluit dient een toets te worden verricht aan de gestelde regels en dient in het bestemmingsplan te worden vastgelegd hoe effecten op de waterstand worden gecompenseerd. Om aan te tonen dat er met het planvoornemen geen negatieve effecten op de waterstand en het stroomvoerend deel van het rivierbed zullen ontstaan is een notitie opgesteld door Agtersloot hydraulisch advies (Prioritaire dijkversterkingen WL – Perceel 1 Dijkring 59, perceel Oude Kerkstraat 32 te Bergen, P0121.7, d.d. 15 maart 2019) welke is bijgevoegd als Bijlage 1.
Uit deze notitie blijkt het volgende:
In het kader van dijkversterking dijkring 59 (Bergen – Aijen) is een dijkverlegging voorzien op het perceel Oude Kerkstraat 32 te Bergen. Hiervoor is de oorspronkelijke boerderij, bestaande uit een woning en opstallen (totaal circa 2.000 m² bebouwd oppervlakte) gesaneerd. Op hetzelfde perceel maar dan binnen de nieuwe dijkring is een nieuw bouwvlak voorzien met een woning en schuren waarvan het totale oppervlak niet meer dan 400 m² mag bedragen.
Het nieuwe bouwvlak is planologisch gekoppeld aan de sanering van de oorspronkelijke boerderij ten behoeve van de dijkverlegging. In zijn totaliteit is dan sprake van twee keer winst voor de Maas. De eerste keer doordat als gevolg van de dijkverlegging fysiek meer ruimte voor de Maas komt; in totaal komt een gebied van circa 10.000 m² buitendijks te liggen. De tweede keer doordat het bebouwd oppervlak in stroomvoerend gebied afneemt met tenminste 1.600 m².
In de oorspronkelijke aanvraag van het projectplan Waterwet was het nieuwe bouwvlak niet meegenomen. Hierdoor bestaat de kans dat er een juridisch bezwaar komt tegen het nieuwe bouwvlak aangezien dit bouwvlak in het stroomvoerend deel van de Maas ligt. Vanuit hydraulisch oogpunt heeft dit bouwvlak (en de maximaal mogelijke bebouwing van 400 m²) geen significante invloed op het stroombeeld. In een 1/1250 situatie bedragen de stroomsnelheden ter plekke van het bouwvlak minder dan 0,05 m/s waardoor hier aanwezige obstakels geen opstuwende werking zullen hebben. Omdat er sprake is van een ingreep in het stroomvoerend deel van de Maas is volumecompensatie voor de bebouwing niet verplicht. Vanuit hydraulisch oogpunt is er dan ook geen bezwaar tegen het bouwvlak en de bebouwing.
Voor zover er al sprake is van negatieve effecten zijn deze effecten van tijdelijke aard. Sinds 2017 hoeven de waterkeringen langs Maas niet meer overstroombaar te zijn en als gevolg daarvan zullen de binnendijkse gebieden ook niet meer worden beschouwd als onderdeel van het riviersysteem. Deze verandering van status van binnendijkse gebieden zal gelden voor alle dijkringen en dus ook voor dijkring 59. Dit betekent dat op termijn geen sprake meer zal zijn van een negatief hydraulisch effect van het binnendijkse bouwkavel.
Derhalve is er voor dit plangebied vanuit het rijksbeleid geen sprake van beperkingen. Tevens is de ladder voor duurzame verstedelijking beschouwd. Dit is opgenomen in paragraaf 2.3.
Het ruimtelijk beleid van de provincie is verwoord in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014). Het POL2014 heeft de status van een structuurvisie. De centrale ambitie in het POL richt zich op een voortreffelijk grensoverschrijdend leef- en vestigingsklimaat, dat eraan bijdraagt dat burgers en bedrijven kiezen voor Limburg: om er naar toe te gaan en vooral ook om hier te blijven. In het POL2014 wordt onder andere gestreefd naar herbenutting van vrijkomende agrarische bebouwing, eventueel voor andere functies, mits dit past binnen het dynamisch voorraadbeheer voor de betreffende functie. Het POL2014 richt zich voorts met name op de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat, waarbij kwaliteit centraal staat. Daarbij zijn er regionale verschillen tussen Noord-, Midden- en Zuid-Limburg, die vragen om een regionaal verschillende beleidsuitwerking. Het POL2014 richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Daarbij worden gemeenten uitgenodigd om een flink aantal vraagstukken, waaronder land- en tuinbouw, in regionaal verband verder uit te werken.
In plaats van de negen perspectieven uit het POL 2006, gaat het POL2014 uit van zeven type zones, waarvan 4 type zones voor het buitengebied, te weten bronsgroene landschapszone, buitengebied, goudgroene natuurzone en zilvergroene natuurzone. Daarnaast gelden 3 type zones voor het bebouwd gebied, te weten: bedrijventerrein, overig bebouwd gebied en stedelijk centrum.
|
| Uitsnede POL2014 met plangebied rood omcirkeld |
Voor het plangebied is de zone 'Bronsgroene landschapszone' van toepassing. Hieronder wordt verstaan beekdalen én gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf.
De 'Bronsgroene zone' omvat ook het winterbed van de Maas. Hierbij worden de volgende accenten gelegd:
Daarbij speelt het stimuleren van de aanleg van natuur- en landschapselementen (bijvoorbeeld via subsidieregelingen als Groenblauwe diensten en prestatieafspraken met agrarische collectieven) een belangrijke rol.
Met het planvoornemen wordt een agrarisch bedrijf wegbestemd waarbij de woonfunctie wordt verplaatst en zodoende meer aansluit op het bestaande lint. De voormalige bedrijfsbebouwing is inmiddels gesloopt en ingericht als agrarisch gebied en is zodoende 'teruggegeven' aan het buitengebied. Tevens wordt de waterkering verlegd ten behoeve van de dijkversterking, waarmee het beschermingsniveau wordt gewaarborgd en er meer ruimte aan de rivier wordt gegeven. Met het planvoornemen wordt de (nieuwe) woning binnendijks tegen het lint (bestaande bebouwing) aan gerealiseerd. Gezien de aanwezige landschapselementen in combinatie met de agrarische uitstraling van het gebied bestaat niet de verwachting dat dit gebied ingezet gaat worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Met het beoogde planvoornemen wordt ingespeeld op behoud en verbetering van het landschap door de agrarische bebouwing te verwijderen en het agrarische perceel weg te bestemmen zodat deze gronden weer 'teruggegeven' worden aan het buitengebied. Hierdoor ontstaat een verbetering waarmee de waarden van het bronsgroene landschap niet worden aangetast. Daarnaast wordt de aanwezige houtsingel daarbij enerzijds ontdaan van niet inheemse soorten (dennenbomen) en waar nodig versterkt met inheems soorten. Hiermee wordt voldaan aan het provinciaal beleid.
De omgevingsverordening Limburg is gelijktijdig met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 op 12 december vastgesteld en op 16 januari 2015 inwerking getreden. In 2014 is de Omgevingsverordening opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk 'Ruimte' aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk 'Ruimte' is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld.
Het POL 2014 zet sterk in op het zoveel mogelijk concentreren van nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied. In de omgevingsverordening komt dit tot uiting in de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2). Daarin wordt gesteld dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening houdt met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Daarbij worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leeg staande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3 van de omgevingsverordening onderzocht.
De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop hieraan invulling is gegeven. Een uitwerking van de ladder duurzame verstedelijking is in paragraaf 2.3 opgenomen.
Op basis van de omgevingsverordening is het gebied gelegen in extensiveringsgebied veehouderij en uitsluitingsgebied windturbines. Dit laatste houdt in dat ter plaatse geen windturbines geplaatst mogen worden. Het planvoornemen voorziet hier ook niet in. De voormalige intensieve veehouderij is komen te vervallen en wordt middels voorliggend bestemmingsplan niet opnieuw toegestaan cq mogelijk gemaakt.
Er zijn voor het planvoornemen derhalve geen belemmeringen. Geconcludeerd wordt dat de Omgevingsverordening Limburg 2014 geen beperkingen oplegt aan de uitvoering van het planvoornemen.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake zijn van zorgvuldig ruimtegebruik en overprogrammering worden voorkomen. Door middel van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (kortweg: duurzaamheidsladder) vindt een toetsing plaats.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. Deze Ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zodat de ruimte in stedelijke gebieden optimaal wordt benut. De Ladder is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid Bro). Kern van de Ladder is dat de stedelijke ontwikkeling op een locatie pas doorgang kan vinden als op regionaal niveau is aangetoond dat er daadwerkelijk een actuele behoefte aan is en dat de beschikbare ruimte in het stedelijk gebied optimaal wordt benut. Van belang daarbij is of elders in de regio een soortgelijke ontwikkeling is gepland die reeds in de behoefte kan voorzien. In juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn losgelaten. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt nu als volgt:
“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.”
De eerste en de tweede trede zijn samengevoegd en de derde trede is vervallen. De uitgebreide motivering is beperkt tot 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' buiten het bestaand stedelijk gebied. Tevens is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door het begrip 'behoefte' en wordt een nieuw onderdeel toegevoegd waarmee het mogelijk wordt een dubbele Laddertoets bij flexibele planvorming te voorkomen. De Ladder-onderbouwing zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied, maar ook met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte, én voor de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Hierna volgt een toetsing van onderhavig planvoornemen aan de nieuwe Ladder.
In de handreiking voor de duurzaamheidsladder is geen ondergrens bepaald wat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' is. Op basis van jurisprudentie blijkt inmiddels dat één of enkele woningen (maximaal 10 woningen) niet gezien worden als een ontwikkeling.
In dit geval betreft het, het planologisch-juridisch weg bestemmen van het voormalig agrarische bedrijf en het verleggen respectievelijk verplaatsen van de waterkering en van de voormalige bedrijfswoning als burgerwoning binnen het perceel, waardoor de ladder niet verder hoeft te worden onderbouwd.
Het Waterschap Limburg waarin op 1 januari 2017 de waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas zijn gefuseerd, heeft als opgave te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon drinkwater.
Waterschap Limburg is momenteel bezig om de waterkeringen in zijn beheersgebied te versterken, zodat deze aan de veiligheidsnorm voldoen. Op dit moment hebben de waterkeringen een beschermingsniveau van rond de 1/50ste per jaar. Dit houdt in dat er een kans bestaat dat eens in de 50 jaar de dijk geen bescherming kan bieden en het achtergelegen land onderwater komt te staan. Sinds 2005 zijn de Maaskaden (waterkeringen langs de Maas) onder de Waterwet aangewezen als “primaire waterkering” of “dijkring”. Het binnen de Waterwet vereiste beschermingsniveau binnen de dijkringgebieden langs de Maas bedraagt 1/250ste per jaar. Om aan het vereiste beschermingsniveau te voldoen moeten verschillende waterkeringen worden versterkt. Zo ook dijkring 59 met de waterkering die Bergen en Aijen beschermt. Naast de versterking van de gele dijkring wordt ter hoogte van het plangebied, gelegen aan de Oude Kerkstraat 32, ook de waterkering verplaatst.
Het (voormalige) waterschap Peel en Maasvallei heeft in 2016 het projectplan Waterwet Bergen-Aijen (dijkring 59) ten behoeve van de dijkversterking Bergen-Aijen opgesteld. Het projectplan is door het dagelijks bestuur van Waterschap Peel en Maasvallei op 7 juni 2016 vastgesteld.
In het projectplan is reeds opgenomen dat tussen dijkpaal 59.031 en dijkpaal 59.033, ter plaatse van perceel Oude Kerkstraat 32 te Bergen, wordt afgeweken van het tracé van de bestaande waterkering en waarbij de nieuwe dijk circa 80 m naar binnen komt te liggen. Door op deze locatie voor een alternatief tracé te kiezen hoeven enkele kabels en leidingen niet te worden verplaatst. Dit levert een kostenbesparing op. Bovendien zorgt de dijkteruglegging voor meer ruimte voor de rivier. Voor de aanleg van de dijk met het ingraven van klei buitendijks zijn de stallen van Oude Kerkstraat 32 gesloopt. Onderstaande afbeelding laat de ligging van het nieuwe tracé zien en de bijhorende werkzaamheden.
|
| Bovenaanzicht dijkvak 59d bij dijkverlegging (tussen DP 50.031 en DP 50.033) |
Alle bestaande dijkovergangen worden opnieuw aangelegd met flauwere hellingspercentages en wegbreedten als in de bestaande situatie. Het ruimtebeslag van de overgangen zal dan ook groter zijn dan in de huidige situatie.
De bestaande ontsluiting van de buitendijks gelegen agrarische percelen worden opnieuw aangebracht waarbij gelijke hellingspercentages worden aangehouden. De af- en oprit wordt qua richting zoveel mogelijk met de stroomrichting van de Maas aangelegd om extra opstuwing te voorkomen en wordt voorzien van halfverharding.
Voorliggende bestemmingsplan maakt de dijkversterking en verplaatsing ter plaatse van het plangebied planologisch-juridisch mogelijk. In Hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op het waterschapsbeleid.
De 'Structuurvisie+ 2014, Bouwen aan de toekomst van de gemeente Bergen', is een ruimtelijk beleidsdocument met als hoofddoel het versterken van de leefbaarheid en de vitaliteit van de gemeente Bergen (L.).
Bij de ruimtelijke uitwerking van dit hoofddoel is een aantal keuzes gemaakt. De hoofdkeuze is het zoneren van het gebied uitgaande van de natuurlijk aanwezige zonering. Omdat binnen de gemeente hoogdynamische ruimteclaims, zoals wonen en recreatie, en laagdynamische ruimteclaims, zoals natuur en water, elkaar op veel plekken overlappen, moet ingrijpend worden gezoneerd. Door te scheiden wat moet en te verweven wat kan, worden er kansen gecreëerd voor zowel hoog- als laagdynamische ontwikkelingen. Voor de gewenste hoogdynamische ontwikkelingen moet ruimte worden vrijgemaakt. Dit kan worden gerealiseerd door tussen de van nature laagdynamische zones (Maasdal en Maasduinen) een hoogdynamische zone aan te wijzen. Door bij de zonering uit te gaan van de natuurlijke aanwezige zonering, schept deze duidelijkheid voor de lange termijn.
Omdat een ontwikkeling in het buitengebied niet mag leiden tot een verslechtering van de omgevingskwaliteit dient bij de planvorming aandacht te worden besteed aan kwalitatieve investering op basis van het LKM (Limburgs Kwaliteitsmenu). Om tot een goed integraal plan te komen dat recht doet aan de aanwezige kwaliteiten en structuren, en waar mogelijk versterkt, dient gekeken te worden vanuit de benodigde / gewenste kwaliteitsmaatregelen.
Het LKM van de provincie heeft zijn uitwerking naar lokaal niveau gekregen in de structuurvisie. Het doel van het hierin opgenomen kwaliteitsmenu is het bieden van een instrument om noodzakelijke en/of wenselijke ontwikkelingen in het buitengebied te kunnen combineren met kwaliteitsverbetering.
Voor bouwen in het buitengebied van de provincie Limburg geldt specifiek beleid, te weten de provinciale beleidsregel ‘Limburgs Kwaliteitsmenu’ (LKM). Kort door de bocht impliceert dit beleid dat voor iedere ‘rode ontwikkeling’ (bebouwing) in het buitengebied een ‘groene tegenprestatie’ (natuur) dient te worden geleverd. De te leveren tegenprestatie kan op diverse manieren worden geleverd. Bijvoorbeeld door het zelf realiseren van nieuwe landschappelijke beplantingen (natuur), het slopen van opstallen of het storten van een financiële bijdrage in een ‘groenfonds’.
Het planvoornemen betreft het weg bestemmen van de huidige waterkering en de agrarische bedrijfslocatie / bedrijfsbestemming waarbij de bestaande agrarische opstallen inmiddels gesloopt zijn. Door de verplaatsing van de waterkering dient de bestaande bedrijfswoning te worden gesloopt en zal de realisatie van een nieuwe burgerwoning op een vervangende locatie planologisch-juridisch mogelijk worden gemaakt. Tevens wordt door de verplaatsing van de waterkering de nieuwe ligging van de waterkering middels voorliggend bestemmingsplan positief bestemd. In het kader van het planvoornemen is de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing reeds gesloopt. Met de verdere uitwerking van het planvoornemen wordt nu ook de bestaande bedrijfswoning gesloopt (wegnemen rode ontwikkeling) en wordt daarvoor in de plaats een nieuwe woning en bijbehorende woonbestemming mogelijk gemaakt (rode ontwikkeling). Deze nieuwe woning komt daarbij naast de bestaande bebouwing aan de Oude Kerkstraat in de kern Bergen (binnen de waterkering) te liggen, waardoor het onderdeel gaat uitmaken van het aaneengesloten bebouwingslint. Hierdoor is er geen sprake van de oprichting van een solitaire woning in het buitengebied. Daarnaast wordt, middels een voorwaardelijk verplichting, de naastgelegen houtsingel in standgehouden en versterkt met inheemse soorten en worden de aanwezige dennenbomen verwijderd. Nieuwe toevoeging van bebouwing is in dit geval niet aan de orde (rood voor rood) en derhalve is het LKM op basis van bovenstaande niet van toepassing.
De gronden die buitendijks komen te liggen blijven hun agrarisch functie behouden en worden daarmee 'teruggegeven' aan het buitengebied. De dijkversterking vormt hiervoor de aanleiding en geldt hierbij als uitgangspunt. Er treedt geen verslechtering van de omgevingskwaliteit op. De bedrijfswoning wordt wegbestemd en er zal in ruil een bouwkavel voor een burgerwoning mogelijk gemaakt worden, die zal aansluiten aan het bestaande lint. Ten behoeve van de te realiseren woning wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse versterkt doordat de agrarische bebouwing reeds verwijderd is (ontstening). Hierdoor is de solitaire bebouwing temidden van het landschap verdwenen en is dit stuk grond 'teruggegeven' aan het buitengebied.
Hiermee wordt voldaan aan de wens om kwaliteitsmaatregelen te nemen en past het voornemen binnen het beleid uit de structuurvisie en het LKM.
Het plangebied is gelegen in het zogenoemde Middenterras. Dit is een overgangslandschap tussen de Maas en de Maasduinen. Vanouds was dit een vestigingsplaats waardoor er dorpen en boerderijen zijn gelegen, een verbindende weg (N271) aanwezig is en waardoor er veel relatief kleinschalige en soms grotere akkercomplexen omzoomd met (voormalig) eikenhakhout aanwezig zijn. Het gebied wordt gekenmerkt door een zeer hoge dynamiek en toont vaak wat rommelig aan. Als gewenste landschapsstructuur wordt opgemerkt dat dorpen en bedrijvigheid als organische uitbreiding van een bestaand dorp moet worden ontwikkeld.
Het Landschapsplan is opgesteld voor het buitengebied van de gemeente Bergen. Lintbebouwing en dorpskernen zijn daarbij niet onderzocht. Zoals hiervoor echter al is aangegeven dient in onderhavig geval qua structuur te worden aangesloten bij de omgeving.
Dit deel van de Rijksweg kent geen landschapsstructuur. Het is zeer rommelig van aard. Er is behoefte aan een opwaardering van de omgeving en om het gebied een kwalitatieve impuls te geven. De Rijksweg wordt daarbij gezien als de visitekaartje van de gemeente Bergen.
De verwijderde agrarische bebouwing en de te verwijderen bedrijfswoning dragen nadrukkelijk bij aan het opwaarderen van het gebied en het geven van een kwalitatieve impuls. De bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt en het plangebied wordt heringericht door het verplaatsen van de dijk in het kader van het dijkversterkingsproject en realiseren van een woonkavel in combinatie met een landschappelijke inpassing. De reeds gesloopte agrarische bebouwing en de te slopen bedrijfswoning zorgen tevens voor een kwaliteitsverbetering van het landschap ter plaatse.
In dit hoofdstuk wordt het planvoornemen beschreven. Hierbij wordt aandacht besteed aan de beoogde gebruiksverandering van de Oude Kerkstraat 32. Hier bevond zich voormalige agrarische bebouwing, waarin voorheen een intensieve veehouderij was gevestigd. De wens is om het perceel, als gevolg van de dijkversterking, in bestemming te veranderen naar 'Wonen en 'Agrarisch met waarden'. Onderstaand staat weergegeven hoe het perceel nu in gebruik is en hoe dat het na het doorlopen van de bestemmingsplanprocedure eruit zal komen te zien.
Het Waterschap Limburg heeft het voormalige agrarische bedrijf aan de Oude Kerkstraat 32 te Bergen aangekocht ten behoeve van de dijkaanleg in het kader van het dijkversterkingsproject 'Eiland van Bergen'. De voormalige agrarisch bedrijfsbebouwing (blauw) en bijbehorende verharding (groen) zijn inmiddels respectievelijk gesloopt en verwijderd en de bestaande bedrijfswoning (rood) zal gesloopt gaan worden. In navolgend kaartje is dit inzichtelijk gemaakt.
|
| Verwijderde bebouwing cq. verharding en nog te slopen bedrijfswoning |
Hierdoor is sprake van een vermindering van het aantal m² bebouwing/verharding (± 2500 m²) in het stroomvoerend rivierbed. Het totale plangebied is daarmee agrarisch.
Het plangebied wordt in de huidige situatie nog doorsneden door de bestaande waterkering. De locatie waar de nieuwe burgerwoning wordt gerealiseerd is nu in gebruik als weiland.
In de toekomstige situatie zal de gehele dijkring (59) worden versterkt en opgehoogd, waarmee het beoogde beschermingsniveau wordt gewaarborgd. Het doel hiervan is om mensen binnen de dijkring veiligheid te bieden en te beschermen tegen hoog water. Daarnaast zal ter hoogte van het plangebied, de dijk worden verplaatst en komt de dijk geheel binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' te liggen. Tussen dijkpaal 59.031 en dijkpaal 59.033, ter plaatse van het plangebied, wordt afgeweken van het tracé van de bestaande waterkering en komt de nieuwe dijk circa 80 m naar binnen te liggen. Door op deze locatie voor een alternatief tracé te kiezen hoeven enkele kabels en leidingen niet te worden verplaatst. Dit levert een kostenbesparing op. Bovendien zorgt de dijkteruglegging voor meer ruimte voor de rivier.
De nieuw te bouwen woning op het bouwkavel komt ten zuiden van de dijk te liggen (zie navolgende afbeelding) net buiten de (indicatieve) beschermingszone waarmee de woning aansluit bij de bestaande lintbebouwing. Het bouwkavel krijgt een oppervlakte van circa 1500 m² (25 x 60 meter) en komt geheel binnen de bestemming 'Wonen' te liggen. De ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt door de reeds verwijderde agrarische bebouwing (ontstening) en de te verwijderen dennenbomen, die zich in de nabijgelegen houtsingel bevinden. De nieuwe woonbestemming zal, in verband met regulier onderhoud van de houtsingel, op ongeveer 3 meter afstand komen te liggen. De nieuwe woning moet, rekening houdend met de bouwregels, 5 meter uit de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd. Hierdoor wordt er een fysieke afstand van 8 meter tussen de nieuwe woning en de houtsingel gewaarborgd.
|
| Situatie perceel (rood gemarkeerd) t.o.v. de waterkering |
Onderdeel van het planvoornemen is het mogelijk maken van een nieuwe woning ten zuiden van de nieuwe waterkering (binnendijks). Deze woning wordt aansluitend aan de bestaande lintbebouwing gesitueerd. Als voorwaarde voor de ontwikkeling dient de woning landschappelijk ingepast te worden. Daarnaast dient de bestaande houtsingel ten zuiden van de beoogde woning behouden te blijven en waar nodig versterkt. De huidige dennenbomen die zich in de houtsingel bevinden dienen gerooid te worden. Het behoud en versterking van de houtsingel en het verwijderen van de dennenbomen worden geborgd middels een landschappelijk inpassingsplan welke als voorwaardelijke verplichting is opgenomen in de regels. Het landschappelijk inpassingsplan is opgenomen als Bijlage 2.
|
| Bestaande houtsingel met halverwege de te verwijderen dennenbomen en op de achtergrond de solitaire boom |
|
| Landschappelijke inpassing |
In de inrichtingsschets in voorgaande figuur is aangegeven waar de woonkavel met de beoogde woning komt te liggen en hoe zich die verhoudt tot de bestaande houtsingel. De houtsingel wordt waar nodig versterkt met gebiedseigen beplanting. Hiervoor worden de volgende soorten het meest geschikt geacht:
De dennenbomen dienen nog verwijderd te worden en het is niet duidelijk in welke mate de dennenbomen zich in de bestaande houtsingel bevinden. Bij het behoud en versterking van de houtsingel dient in ieder geval rekening te worden gehouden met het 1 op 1 vervangen van de dennenbomen middels gebiedseigen beplanting. Hiermee wordt aangesloten bij het landschapsbeleid van de gemeente Bergen.
Milieubeleid wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van milieubeleid naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk aandachtspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor milieudoelstellingen nodig. Deze milieudoelstellingen worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen.
Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten verplicht om in de toelichting een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen.
Met dit bestemmingsplan wordt de huidige waterkering en de agrarische bedrijfslocatie / bedrijfsbestemming weg bestemd en wordt er een woning mogelijk gemaakt middels de bestemming 'Wonen'. Vanwege de bestemmingswijziging naar 'Wonen' is het noodzakelijk om te onderzoeken of de bodemkwaliteit van voldoende kwaliteit is voor de boogde functie.
In dat kader is een historisch bodemonderzoek (Econsultancy, rapportnummer 5771.001, 9 juli 2018) uitgevoerd ter plaatse van het plangebied te Bergen. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 3.
De aanleiding voor het historisch bodemonderzoek is de aanleg van een dijk, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Het historisch bodemonderzoek heeft tot doel te bepalen of er aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740, door middel van een archiefonderzoek, een interview met de eigenaar/gebruiker en een terreininspectie. Het vooronderzoek is verricht conform de NEN 5725:2009 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek". De onderzoekslocatie valt onder het beheer van Rijkswaterstaat in de zone “droge oevergebieden”, daarom is hier formeel gezien sprake van waterbodem. Echter, gelet op de binnendijkse situering, het gebruik van de locatie en de toekomstige situatie, wordt de locatie als bodem aangemerkt en deze als dusdanig onderzocht.
Conclusie
Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Uit het vooronderzoek blijkt dat er op een deel van de onderzoekslocatie, het erf, sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met het historisch gebruik van de onderzoekslocatie. Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK, minerale olie en mogelijk asbest.
Uit het vooronderzoek blijkt dat er op het overig deel van de onderzoekslocatie, de akker en de nieuwbouwlocatie, geen sprake is van bodembelasting, anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Op de locatie worden geen verontreinigende stoffen verwacht in gehalten boven de landelijk of regionaal geldende achtergrondwaarde voor grond en/of de streefwaarde voor grondwater. Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondgehalten als voor "antropogene" achtergrondgehalten, waarvan de oorzaak niet eenduidig is aan te wijzen. Wel ligt de locatie in het oude stroomgebied van de Maas. Dit betekent dat in de toplaag van de bodem mogelijk verontreinigd slib is afgezet.
De bodem ter plaatse van de akker is tijdens de dijkversterkingswerkzaamheden geroerd dan wel afgedekt met zand/grind. Daarnaast dient ten behoeve van het planvoornemen het maaiveld ter plaatse van de nieuwbouwlocatie met ten minste 1 meter te worden opgehoogd in verband met mogelijke toekomstige dijkverhogingen en/of versterkingen. Derhalve zal op zowel de akker als de nieuwbouwlocatie in het toekomstig plan niet worden gegraven in de oorspronkelijke bodem.
Op basis van het vooronderzoek is een aantal deellocaties geïdentificeerd. In onderstaande tabel zijn de onderzoeksstrategieën die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties weergegeven.
Tevens is in december 2013 door Rijkswaterstaat aan Royal HaskoningDHV te Maastricht Airport opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Oude Kerkstraat 32 te Bergen, in het kader van een verkoop. De te verkopen locatie betreft de percelen met het kadastrale kenmerk gemeente Bergen, sectie T, nummer 1 953, 1 957, 2455 en 1817.
Naar aanleiding van de verkregen onderzoeksresultaten is geconcludeerd dat de verhoogde concentratie aan minerale bij boring 801a, beduidend hoger is dan het oliegehalte dat is aangetroffen in het mengmonster bij de tank in 1996. De interventiewaarde wordt niet benaderd.
ln het grondwater zijn geen verhoogde gehaltes aan minerale olie aangetroffen. Op basis van de gemeten concentraties in de grond en het grondwater is het risico van verspreiding van de verontreiniging gering. Bij een onveranderd gebruik van de locatie, zal de verontreiniging niet leiden tot een saneringsplicht. Het betreft geen ernstig geval van bodemverontreiniging.
De opstallen, oude mestkelders en verhardingen van het agrarisch bedrijf zijn gesaneerd, waardoor van verontreinigde grond ter plaatse geen sprake meer zal zijn. Met de gemeente Bergen, als bevoegd gezag, zijn er destijds specifieke afspraken gemaakt over de sanering van de oude mestkelders.
lndien het gebruik van de locatie wijzigt of de bovengrondse tank wordt verwijderd, wordt geadviseerd om de horizontale omvang van de verontreiniging met minerale olie aanvullend vast te leggen en de verontreiniging middels een ontgraving te verwijderen.
Advies
In het kader van de bestemmingsplanwijziging adviseert Econsultancy het verdachte erf en het toekomstige woonperceel te onderzoeken cf. de NEN 5740 / NEN 5707 (aangevuld met parameters uit de NEN 5720) en het overig terrein te onderzoeken cf. de NEN 5720 (als waterbodem) om vast te stellen of er mogelijke antropogene bodembelasting heeft plaatsgevonden en om de mate van verontreinigd slib vast te stellen. Op basis hiervan kan worden uitgesloten of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de functiewijzigingen (zowel getoetst als bodem en als waterbodem). Indien voormalige belasting als gevolg van verontreinigd slib heeft plaatsgevonden zal in afstemming met Rijkswaterstaat (al dan niet gemandateerd aan gemeente of Provincie, indien formeel sprake is van landbodem) een plan van aanpak voor de voorgenomen werkzaamheden dienen te worden ingediend.
Tevens adviseert Econsultancy om, indien mogelijk, de aangetroffen puin- en groendepots, alsmede de aanwezige funderingen voorafgaand aan eventueel bodemonderzoek te verwijderen.
Aangezien er in de oorspronkelijke bodem ter plaatse van de akker en de nieuwbouwlocatie niet gegraven zal worden en de grond ter plaatse van de nieuwbouwlocatie met een meter zal worden opgehoogd wordt vooralsnog geadviseerd verkennend bodemonderzoek achterwege te laten. Indien zal worden gegraven in de oorspronkelijke bodem ter plaatse van de akker en nieuwbouwlocatie zal alsnog verkennend bodemonderzoek noodzakelijk zijn (onderzoeksstrategie “onverdacht”).
Bij het vaststellen van geluidbelasting voor geluidsgevoelige functies zoals 'wonen' dient op grond van de Wet geluidhinder iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf is gelegen of voor de weg een maximumsnelheid geldt van 30 km/h.
De wegen die worden meegenomen in het onderzoek bevatten een zone waarbinnen akoestisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. De grootte van de zone waarin dit onderzoek gehouden moet worden is afhankelijk van het aantal rijstroken, de definitie van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk), de maximum snelheid en het aantal voertuigen. Een buitenstedelijk gebied is gelegen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom, voor zover liggend in de zone van een autoweg of autosnelweg. Al het andere is binnenstedelijk gebied.
De voorkeursgrenswaarde voor geluidhinder op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen ligt op 48 dB, vastgelegd in de Wet geluidhinder. Onder voorwaarden kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld door de gemeente.
In het kader van de voorgenomen realisatie van een nieuwbouwwoning aan de Oude Kerkstraat te Bergen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (Econsultancy, rapportnummer: 277.001, d.d. 26 oktober 2017) uitgevoerd. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4.
Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een akoestisch onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De geluidgevoelige bestemming is gelegen in de geluidszone van de Oude Kerkstraat. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt tevens het nabijgelegen 30 km/uur gedeelte van de Oude Kerkstraat in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader.
Voor het plangebied is nog geen bouwvlak voor de te realiseren woning vastgesteld. Voor het akoestisch onderzoek is derhalve als worstcase scenario een toetspunt ter hoogte van de perceelsgrens gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 4.21. Alle resultaten zijn inclusief een aftrek conform artikel 110g van de Wet geluidhinder weergegeven, tenzij expliciet anders vermeld.
Conclusie
De geluidsbelasting op de perceelsgrens bedraagt maximaal 47 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen beperkingen voor de realisatie van de woning.
In hoofdstuk 5 (artikel 5.16), van de Wet milieubeheer is de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit vastgelegd. Een bestemmingsplan mag ingevolge deze regelgeving vastgesteld worden indien er sprake is van één van de volgende gevallen:
Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in betekende mate' is vastgelegd in het 'Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Voor ontwikkelingen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeft niet te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.
Met dit bestemmingsplan wordt de huidige waterkering en de agrarische bedrijfslocatie / bedrijfsbestemming weg bestemd en wordt er één woning mogelijk gemaakt middels de bestemming 'Wonen'. Door het afnemen van het intensieve karakter van de planologische mogelijkheden op deze locatie, zal er sprake zijn van een verbetering van de luchtkwaliteit als gevolg van het beëindigen van het agrarisch bedrijf. Daarnaast neemt ook de verkeersaantrekkende werking af omdat de agrarische bedrijfsactiviteiten worden beëindigd en alleen sprake is van bestemmingsverkeer voor één woning.
Buiten het feit dat dit project op basis van het aantal woningen NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit is het daarnaast van belang dat er wordt aangetoond dat er ter plaatse van het plangebied geen sprake is van luchtverontreiniging welke de NSL doelstellingen overschrijden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn om die reden, middels de NSL-monitoringstool, de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de Oude Kerkstraat geen gegevens/rekenpunten bekend. Echter zijn wel aan de Staaiweg aan de overzijde van de Maas de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In de volgende afbeelding zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2016.
|
| Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2016 (NSL-monitoringstool) |
Uit de afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van de rekenpunten nabij het plangebied de jaargemiddelde grenswaarde van 40 ìg/m3 (voor NO3 en PM10) en 25 ìg/m3 (voor PM2,5) niet overschrijden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering en is aanvullend onderzoek ten aanzien van luchtkwaliteit niet noodzakelijk.
De Wet milieubeheer zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast kunnen veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer.
In de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" is een indicatieve richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Alle bedrijven die in de buurt van de planlocatie liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een hinderafstand. Met het omzetten van bestemming 'Agrarisch met waarden', waar een intensieve veehouderij was toegestaan, naar de bestemmingen 'Wonen' en 'Agrarisch met waarden' ontstaat voor de omgeving een betere milieusituatie.
Met dit plan wordt ook de bestaande bedrijfswoning verplaatst en omgezet naar een reguliere burgerwoning. Voor een burgerwoning geldt een strengere afstandseis ten opzichte van andere bedrijven, dan bij een bedrijfswoning. Ter beoordeling of de omzetting gevolgen heeft voor omliggende bedrijven, is gekeken naar de invloed op bedrijven in de directe omgeving. In de nabijheid van het plangebied (< 500 meter) zijn geen bedrijven gevestigd waar de woning van invloed op kan zijn. Op ruim 800 meter ligt onder andere een zorgboerderij ('De Vlammert'), een rundvee- en paardenhouderijbedrijf aan de Staaiweg 25 te Vierlingsbeek en op iets minder dan 1 km ligt het bedrijventerrein 'De Flammert'.
Conclusie
De woning ligt daarmee niet binnen de richtafstanden van de hier gevestigde bedrijven en vormt daarmee geen belemmering voor deze bedrijven.
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
In de landelijke regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met:
Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken:
Bij de ruimtelijke planvorming moet rekening worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en risicovol transport. Daarbij gaat het om de risico's verbonden aan 'risicovolle inrichtingen', waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het 'vervoer van gevaarlijke stoffen' via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het uitgangspunt van wet- en regelgeving en beleid ten aanzien van externe veiligheid is scheiding van kwetsbare functies en risicobronnen, waarmee men het volgende wil bereiken:
Voor de eerste doelstelling is het begrip plaatsgebonden risico (PR) van belang. De norm voor het plaatsgebonden risico is 10-6, die als een contour om een risicovolle inrichting en aan weerszijden langs een transportroute of buisleiding ligt. Binnen die contour zijn ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI) geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Voor beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het BEVI geldt die norm als richtwaarde. Een soortgelijke normstelling en systematiek geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen.
Bij de realisatie van de tweede doelstelling staat het begrip groepsrisico (GR) centraal. Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar wel een oriënterende waarde, die als ijkpunt geldt bij het zoeken naar maatschappelijk aanvaardbare grenzen.
Op grond van artikel 13 BEVI dient het bevoegd gezag bij nieuwe ruimtelijke plannen die nieuwe (kwetsbare) objecten mogelijk maken een verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Een soortgelijke regeling geldt voor transport van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en binnenwateren en via buisleidingen op basis van respectievelijk het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (BEVB).
Met behulp van de risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de in de omgeving van het plangebied aanwezige bronnen. In onderstaand figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Het plangebied is rood omcirkeld.
|
| Uitsnede risicokaart externe veiligheid. |
Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat zich in of nabij het plangebied geen risicobronnen bevinden en het plangebied niet valt binnen een invloedsgebied van een risicobron.
In de nabijheid van het plangebied vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats over de Rijksweg N271 Echt - Maasbracht - Roermond - Venlo, de Kerkstraat/Maasweg en rivier de Maas. De Rijksweg is onderzocht in het kader van het opstellen van het Basisnet Weg (Regeling Basisnet). Uit de inventarisatie blijkt dat het plaatsgebonden risico ten allen tijde lager is dan de grenswaarde 10-6/jaar. Tevens is er geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Het invloedsgebied van de N271 is niet over het plangebied gelegen. Omdat het plan op meer dan 200 meter tot de weg is gelegen, hoeft geen onderzoek te worden uitgevoerd.
De N271 ligt op circa 900 meter van het plangebied. Het invloedsgebied van de N271 is 200 meter. Op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transport moet het groepsrisico worden verantwoord in de toelichting van het bestemmingsplan. Er kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico waarin ingegaan wordt op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de N271 en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de N271 een ramp voordoet. Ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid dient de Veiligheidsregio Limburg-Noord (VRLN) om advies te worden gevraagd. Dit advies komt verderop in deze paragraaf aan bod.
De Maas bevindt zich op ongeveer 400 meter van het plangebied. Op 1 januari 2010 is het Besluit tot wijziging van de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (gelet op de invoering van het Basisnet) in werking getreden. Op basis van het ‘Definitief ontwerp Basisnet Water’ blijkt dat over de Maas vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De Maas ter hoogte van Bergen behoort tot de categorie ‘binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen’ (de zogeheten ‘zwarte’ categorie). Dit zijn alle verbindingen tussen chemische clusters, met achterland en noord-zuid verbindingen. Dit zijn tevens vaarwegen waar regelmatig vervoer van brandbare vloeistoffen plaatsvindt.
De plaatsgebonden risicocontour komt volgens ‘Definitief ontwerp Basisnet Water’ bij de zogeheten ‘zwarte routes’ naar verwachting niet verder dan de oevers. Het plangebied is dus buiten de plaatsgebonden risicocontour gelegen.
Voor wat betreft plasbrandaandachtsgebieden geldt dat bij vrijstromende rivieren de begrenzing van de vaarweg gedefinieerd wordt als de ‘oeverlijnen’. Deze hebben een overschrijdingsfrequentie van circa 50 dagen per jaar. Buiten de oeverlijnen geldt een zone van 25 meter als plasbrandaandachtsgebied. Het plangebied ligt op meer dan 25 meter (te weten circa 400 meter) en dus buiten het planbrandaandachtsgebied.
Voor wat betreft het groepsrisico geldt dat bij de zogeheten ‘zwarte vaarwegen’ in principe een verantwoording nodig is. Bij een bevolkingsdichtheid beneden de 1500 personen per hectare dubbelzijdig en 2250 personen per hectare enkelzijdig is een berekening van het groepsrisico echter niet verplicht. Proefberekeningen hebben namelijk aangetoond dat in die gevallen het groeprisico beneden 0,1x de oriënterende waarde ligt. Het betreft hier agrarisch gebied waar de nieuwe woning gerealiseerd wordt. De bevolkingsdichtheid is naar verwachting aanzienlijk lager dan de genoemde 1500 personen per hectare dubbelzijdig en 2250 personen per hectare enkelzijdig. Het uitvoeren van een groepsrisicoberekening is dus niet noodzakelijk.
Er zijn geen (buis)leidingen, behoudens de rioolleiding, in de directe omgeving van het plangebied aanwezig en er vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over nabij gelegen wegen plaats.
Ten aanzien van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord en om advies gevraagd. De veiligheidsregio heeft gereageerd per brief (zie Bijlage 5) en het volgende advies gegeven:
Conclusie
Het planvoornemen wordt niet beïnvloed door externe veiligheidsaspecten.
In of direct nabij het plangebied ligt een leiding die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische beschermd is. Het betreft een rioolleiding en vormt geen belemmering voor het planvoornemen. De reguliere leidingen voor gas, water en elektra dan wel overige voorzieningen (telefonie/glasvezel, cai) zijn aanwezig binnen het bestaande straatprofiel van de Oude Kerkstraat. De nieuw te realiseren woning wordt hierop aangesloten. Dit heeft verder geen planologisch-juridische consequenties.
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder veehouderijen (Wgv) in werking getreden. In deze wet zijn normen opgenomen die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een milieuvergunning aan bedrijven waarin vee wordt gehouden. Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van (agrarische) bedrijven een nieuw geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) wordt gesitueerd of uitgebreid, dient de wet te worden getoetst (de zogenaamde 'omgekeerde werking'. Een veehouderij mag wettelijk een geurbelasting veroorzaken op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom van maximaal 3 OUE/m3 (odour units per kubiek meters) en op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom van maximaal 14 OUE/m3
Daarnaast gelden voor dieren waarvoor in de ministeriële regeling geen geuremissiefactor is opgenomen een minimaal aan te houden afstand tussen het dierenverblijf en een woning van derden. De gemeenteraad mag bij verordening andere normen of afstanden dan wettelijke normen en afstanden vaststellen, rekening houdend met de gewenste ruimtelijke inrichting van een gebied, zogenaamd gebiedsgericht beleid en rekening houdend met een goed leefklimaat. De raad besluit dan om veehouderijen meer uitbreidingsmogelijkheden te bieden, of daarentegen juist in de nabijheid van veehouderijen meer ruimte te creëren voor ontwikkeling van woningen, recreatie of andere functies.
In 2007 is door de gemeente de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. Hierin zijn de volgende geurnormen opgenomen:
| Deelgebied | Geurnorm [OUE/m3(P98)] |
| Bebouwde kom stedelijk | 2,0 |
| Cluster Groote Horst | 3,0 |
| Overige buurtschappen en clusters buitengebied | 7,0 |
| Uitbreiding Jozefstraat | 5,0 |
| Uitbreiding Siebengewald Zuid | 9,0 |
| Ruimte voor Ruimte locatie Ericaweg | 6,0 |
| Grote campings | 14,0 |
| LOG deelgebied I | 20,0 |
Het plangebied behoort in de hiervoor genoemde tabel in de categorie 'Overige buurtschappen en clusters buitengebied' waardoor er een geurnorm van 7,0 OUE/m³ geldt voor het plangebied. Het agrarische bedrijf dat op deze locatie gelegen was is inmiddels beëindigd en geamoveerd. De intensieve veehouderij is hiermee komen te vervallen, waardoor er een kwaliteitsverbetering ontstaat voor de (directe) omgeving. Wel wordt er een nieuwe geurgevoelig object gerealiseerd in de vorm van een burgerwoning, ter vervanging van de voormalige bedrijfswoning en wordt deze woning tevens verplaatst zodat de woning binnendijks komt te liggen en deze aansluit bij de lintbebouwing.
|
| Uitsnede geursituatiekaart 2017 (Gemeente Bergen, Antea Group) |
Op basis van de geursituatiekaart 2017 in de Plan-MER die als bijlage bij het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018' door Antea Group is opgesteld, blijkt dat de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied (rood omcirkeld) tussen de 0 en 3 OUE/m³ ligt en daarmee een zeer goed leefklimaat kent. Deze waarden liggen ver beneden de geurnorm van 7,0 OUE/m³ die geldt ter plaatse van het plangebied. De voorgrondbelasting zal in dit geval niet hoger zijn dan de achtergrondbelasting, aangezien er zich in de directe omgeving geen intensieve veehouderijen bevinden. Zoals in paragraaf 4.5 al is benoemd is het dichtstbij gelegen bedrijf een zorgboerderij op ruim 800 meter afstand.
Het plangebied is niet gelegen in een stiltegebied en ook niet in een bodem-, milieu- of grondwaterbeschermingsgebied.
Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden.
Op basis van de Wet Natuurbescherming moet bij alle geplande ruimtelijke ingrepen nagegaan worden of er schade wordt toegebracht aan beschermde dier- en plantensoorten. Tevens is in deze wet ook de zorgplicht opgenomen. Dit houdt in dat iedereen 'voldoende zorg' in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (en dus niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving.
Voor ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt in twee gevallen een vrijstelling wanneer sprake is van beschermde diersoorten in het plangebied:
Gebiedsbescherming
De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning.
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Maasduinen, bevindt zich op circa 2 kilometer afstand ten oosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Het planvoornemen zal, gezien de afstand (± 2 km), tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en nieuwbouw) en de tussenliggende infrastructuur, niet tot externe effecten leiden. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.
Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'.
Het plangebied ligt in de bronsgroene zone, maar maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland, op circa 100 meter afstand. Doordat dit gebied buitendijks is gelegen, vormt de dijk een barrière tussen het planvoornemen en dit natuurgebied. De nieuwe woning zal ten opzichte van de oude bedrijfswoning niet dichter bij het natuurgebied komen te liggen. Doordat de dijk een natuurlijke barrière vormt zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Soortenbescherming
De bescherming van dier- en plantensoorten is eveneens in de Wet natuurbescherming geregeld. In deze wet zijn drie beschermingsregimes opgenomen: voor vogels in de zin van de Vogelrichtlijn, voor dier- en plantensoorten uit de Habitatrichtlijn en voor overige soorten. Kort gezegd is het verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren. Hun voortplantings- en rustplaatsen mogen niet (opzettelijk) worden beschadigd of vernield. Verder is het verboden beschermde plantensoorten te vernielen. Onder voorwaarden is ontheffing van de verbodsbepalingen mogelijk. Het bevoegd gezag voor het verlenen van een ontheffing zijn gedeputeerde staten van de provincie. Als eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, dan haakt de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming daarbij aan.
Het Waterschap Limburg heeft het voormalige agrarische bedrijf aan de Oude Kerkstraat 32 te Bergen aangekocht ten behoeve van de dijkaanleg in het kader van het dijkversterkingsproject 'Eiland van Bergen'. De voormalige agrarisch bedrijfsbebouwing (incl. bedrijfswoning) is inmiddels gesloopt en het Waterschap is begonnen met de versterking van de dijk. Hierdoor is er sprake van een perceel dat enkel bestaat uit grasland en akkerland. De bomen en begroeiing ter plaatse van de voormalige agrarische bebouwing zijn gerooid. Direct buiten het plangebied bevindt zich een bomenrij welke een natuurlijke grens vormt tussen het buitengebied en het huidige bebouwingslint. Deze bomenrij is beschermd via de gemeentelijke landschapskaart en aanlegvergunning (zie par. 4.11.2. De nieuw te realiseren woning zal aan de noordkant van deze bomenrij gebouwd worden. De boomsingel wordt ter plaatse versterkt met inheemse soorten en tevens worden de bestaande dennenbomen verwijderd. De woning zal, ook gezien de minimale afstand tot de houtsingel van 3 meter, geen belemmering vormen voor eventuele aanwezige diersoorten.
Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WaMZ) legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. Zo verplicht de WaMZ om bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij afwijking daarvan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van regels in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van omgevingsvergunningen in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Binnen het kader van de Erfgoedwet (juli 2016), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992, is men verplicht bij ontwikkelingen voorafgaand archeologisch onderzoek uit te voeren.
De gemeente Bergen (L.) beschikt over eigen archeologiebeleid bestaande uit een beleidskaart en een beleidsnota. Dit beleid is in 2012 vastgesteld door de gemeenteraad. Op basis van de inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Dit model doet een uitspraak over de meest waarschijnlijke locaties voor vindplaatsen van (pre-) historische samenlevingen. Het model vindt haar weerslag in een archeologische verwachtingskaart waarop door middel van vlakken (verwachtingszones) inzicht in de archeologische verwachtingen voor de gemeente wordt gegeven. De verwachtingskaart is vertaald naar de beleidskaart.
Op basis van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is het plangebied gelegen binnen een zone met een middelhoge en hoge archeologische verwachtingswaarde. Deze zones zijn in het bestemmingsplan vertaald naar de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Voor beide dubbelbestemming geldt dat een archeologisch onderzoek dient plaats te vinden bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2.
Archeologisch onderzoek
In het voorjaar van 2013 is als onderdeel van de ‘Planstudie prioritaire dijkversterkingen Waterschap Peel en Maasvallei’ een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan werd vastgesteld, dat de dijkring ‘Eiland van Bergen’ een hoog terrasrestant vormt, omringd door oude stroomgeulen. Voor het terrasrestant geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen (bewoningssporen) uit alle archeologische perioden. In de lagere geulen worden geen bewoningssporen verwacht, maar kunnen wel resten voorkomen gerelateerd aan de natte context (overgangen en afvaldumps) uit de periode Mesolithicum t/m Nieuwe tijd. Geadviseerd werd om een verkennend booronderzoek uit te voeren om deze archeologische verwachting te toetsen. Als gevolg hiervan werd door de Bevoegde Overheid – de Gemeente Bergen – besloten om een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren in de zones die het meest kansrijk waren.
Om meer inzicht te krijgen in de diepte van potentiele archeologische niveaus en de mate van bodemverstoring is in het voorjaar van 2014 op basis van een apart Plan van Aanpak een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn vertaald in archeologische verwachtingszones (zie navolgend figuur). In deze zones worden hetzij (perifere) nederzettingsresten verwacht in de verbruinigshorizont, hetzij aan de natte context gerelateerde resten verwacht in (humeuze) geulvullingen. Overal waar een hoge archeologische verwachting geldt en de geplande ingrepen dieper reiken dan het archeologisch niveau waarin archeologische resten verwacht worden, is sprake van een bedreiging voor eventuele archeologische resten.
|
| Uitsnede archeologische verwachtingenkaart met blauw omcirkeld het plangebied |
Op basis van deze kaart is te zien dat ter hoogte van het plangebied (grijs vlak) de bodem tot onder het archeologisch niveau is verstoord. De gronden die zijn verstoord en een lage verwachtingswaarde kennen zijn later vrijgegeven. Nader onderzoek ter hoogte van deze gronden is dan ook niet benodigd.
Vervolgonderzoek
Van 4 tot en met 14 september 2017 werd in het kader van de Prioritaire Dijkversterkingen te Bergen en Aijen een archeologisch vooronderzoek (proefsleuvenonderzoek) uitgevoerd, conform het door de gemeente Bergen goedgekeurde PvE (nummer 2703.001, d.d. 2 juni 2017). Op basis van het proefsleuvenonderzoek zijn alleen in proefsleuf 67 (crematiegraf uit de IJzertijd) en in de proefsleuven 72 tot en met 76 (gebruiksaardewerk en keramiek uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en Middeleeuwen) archeologisch relevante sporen in associatie met vondsten aangetroffen.
Na overleg met het bevoegd gezag is besloten tot doorstart naar opgraving in twee zones rondom de werkputten WP 67, WP 74, WP 75 en WP 76. Het doel van dit nader archeologisch onderzoek, dat van 2 tot en met 9 oktober 2017 werd uitgevoerd, was om de bodemopbouw en de potentiële archeologische leef- en vondstniveaus goed te onderzoeken en indien mogelijk de inhoudelijke en fysieke kwaliteit (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering) van de archeologische resten te bepalen. Het onderzoek is uitgevoerd conform het oplegblad Programma van Eisen (PvE nummer 2703.001, d.d. 19 september 2017).
De voorlopige resultaten van het archeologisch onderzoek zijn beschreven in Rapportage Archeologische Opgraving Bergen-Aijen te Bergen-Aijen in de gemeente Bergen (Rapportnummer 2703.004, d.d. 10 november 2017).
|
|
Uitsnede kaart met de zones die reeds werden vrijgegeven na het booronderzoek en de zones met proefsleuvenonderzoek met blauw omcirkeld het plangebied |
Conclusie
Naar aanleiding van het proefsleuvenonderzoek (conform PVE nummer 2703.001, d.d. 2 juni 2017) en de aanvullende opgraving (conform oplegblad PvE nummer 2703.001, d.d. 19 september 2017) is geadviseerd om het gehele plangebied voor de realisatie van de Prioritaire Dijkversterkingen te Bergen en Aijen vrij te geven op basis van de resultaten van het onderzoek, zoals beschreven in Rapportage Archeologische Opgraving Bergen-Aijen te Bergen-Aijen in de gemeente Bergen (Rapportnummer 2703.004, d.d. 10 november 2017, inclusief toelichting op kaart).
Dit bestemmingsplan heeft als doel om de huidige waterkering te verleggen, de agrarische bedrijfslocatie / bedrijfsbestemming weg te bestemmen en een burgerwoning mogelijk te maken. De bebouwing van het voormalige agrarische bedrijf is inmiddels gesloopt. Op de nog te slopen bedrijfswoning na is het plangebied volledig onbebouwd. De nieuwe woning komt in het zuiden van het plangebied te liggen binnen de bestemming 'Wonen' en mag binnen het gehele bestemmingsvlak, rekening houdend met de bouwregels, gebouwd worden. Binnen het bestemmingsvlak 'Wonen' gelden zowel Waarde 3 (638 m²) en Waarde 4 (862 m²). Voor beide dubbelbestemmingen geldt een onderzoeksplicht wanneer de verstoringsdiepte dieper dan 40 cm is én het verstoringsoppervlak groter is dan 250 m².
De bodem ter plaatse van de akker is tijdens de dijkversterkingswerkzaamheden geroerd dan wel afgedekt met zand/grind. Daarnaast dient ten behoeve van het planvoornemen het maaiveld ter plaatse van de nieuwbouwlocatie met ten minste 1 meter te worden opgehoogd in verband met mogelijke toekomstige dijkverhogingen en /of versterkingen. Ondanks deze ontwikkelingen en maatregelen is niet duidelijk hoeveel m² aan bebouwing gerealiseerd gaat worden en ook niet welke bouwmethodes worden toegepast. Om mogelijke archeologische waarden toch te beschermen worden in voorliggend bestemmingsplan de beide dubbelbestemmingen (Waarde - Archeologie 3 en Waarde - Archeologie 4) opgenomen. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek voor voorliggend bestemmingsplan is derhalve niet noodzakelijk.
De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve opgenomen dat het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen moet worden nagestreefd. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de nota Belvedère, met als uitgangspunt 'behoud door ontwikkeling'.
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke besluiten) opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
|
| Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Limburg |
|
| Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Bergen |
|
| Uitsnede landschappelijke waardenkaart gemeente Bergen |
In het Landschapsplan van de gemeente Bergen (L.) zijn diverse landschapselementen beschreven. Als kenmerkende en in principe te behouden cultuurhistorische landschapselementen kunnen in Bergen de volgende componenten worden genoemd:
Conclusie
De agrarische bebouwing is inmiddels gesloopt en daarmee is geen cultuurhistorische bebouwing verloren gegaan. Op het perceel bevindt zich ook geen bebouwing met cultuurhistorische waarden. Aan de Oude Kerkstraat in Bergen zijn twee Rijksmonumenten aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot deze Rijksmonumenten geen negatieve invloed op deze cultuurhistorisch waardevolle elementen. Wel is er in de directe omgeving een cultuurhistorisch waardevolle element aanwezig, in de vorm van een houtsingel welke beschermd is.
De werkzaamheden ten behoeve van het planvoornemen doorlopen een andere volgorde dan normaal. Met het planvoornemen wordt in eerste instantie de dijk verlegd, waarvoor de agrarische bebouwing verwijderd dient te worden (en dit ook al is gebeurd) en wordt daarna pas de woning verplaatst door de oude bedrijfswoning te slopen en een nieuwe burgerwoning te realiseren. Hierbij is geanticipeerd op de benodigde ruimtelijke kwaliteitsvereiste en wordt hieraan voldaan door de reeds verwijderde agrarische bebouwing (ontstening), de versterking van de bestaande houtsingel met inheemse soorten en tevens de te verwijderen dennenbomen die zich in de houtsingel bevinden. Deze houtsingel dient te worden behouden en om die reden zal de nieuwe woonbestemming, in verband met regulier onderhoud van de houtsingel, op ongeveer 3 meter afstand komen te liggen. Tevens dient de nieuwe woning, rekening houdend met de bouwregels, 5 meter uit de zijdelingse perceelgrens te worden gebouwd. Aanvullend hierop zijn ook bijgebouwen uitgesloten binnen 5 meter van de zuidelijke zijdelingsperceelsgrens. Hierdoor zal dit cultuurhistorisch element niet nadelig beïnvloed worden door de voorgenomen ontwikkeling.
Dit bestemmingsplan voorziet in het verplaatsen van de huidige waterkering, het weg bestemmen van de agrarische bedrijfslocatie en het realiseren van een burgerwoning. De agrarische bedrijfsbebouwing is inmiddels gesloopt en is geen m.e.r.-plichtige activiteit conform de c- en d-lijst behorend tot het Besluit milieueffectrapportage. Door de verplaatsing van de waterkering dient de bestaande bedrijfswoning te worden gesloopt en zal de realisatie van een nieuwe burgerwoning op een vervangende locatie planologisch-juridisch mogelijk worden gemaakt. De bouw van één woning is niet m.e.r.-plichtig. Daarnaast is er geen sprake van het toevoegen van een woning maar enkel het vervangen van een (bedrijfs)woning.
Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieueffecten optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Voor het planvoornemen is dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.
Het beleid ten aanzien van het aspect water komt in diverse beleidsdocumenten terug op verschillende schaalniveaus. Zo is er op zowel nationaal als provinciaal niveau een waterplan van kracht, dat uiteindelijk geland is in een waterbeheerplan van het verantwoordelijke waterschap, in dit geval Waterschap Limburg.
Het waterbeleid van het Waterschap Limburg is neergelegd in het 'Waterbeheersplan 2016-2021 Water in beweging'. Het waterschap Limburg geeft met het Waterbeheersplan aan hoe zij de waterkeringen en regionale watersystemen op orde willen brengen en houden. Het Waterbeheersplan is gebaseerd op Europese, nationale en provinciale regelgeving, zoals de Kaderrichtlijn Water KRW). Het Waterbeheersplan bouwt voort op de KRW-doelen die zijn opgenomen in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 van de provincie Limburg.
De drie hoofdthema's van het waterbeheerplan zijn:
Daarnaast beschikt het waterschap over een keur, zijnde een set regels met betrekking tot oppervlaktewater of waterkering die in beheer van het waterschap is. Onderscheid wordt gemaakt in gedoogplichten, gebodsbepalingen en verbodsbepalingen. Het grondgebied ter plaatse van een watergang of direct grenzend daaraan kent een aantal beperkingen. Daarnaast zijn eigenaren en/of gebruikers verplicht een aantal activiteiten en werkzaamheden op hun terrein toe te staan die samenhangen met het beheer en onderhoud van het waterstaatswerk.
In het kader van het beleid van het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt.
Vanuit het waterschap gelden daarbij de volgende uitgangspunten:
Het waterschap hanteert de algemene regel dat voor compenserende waterhuiskundige maatregelen bij de afkoppeling van hemelwater geen vergunning op grond van de Keur nodig is, wanneer het aan te brengen verhard oppervlak niet meer bedraagt dan 2.000 m2 in stedelijk gebied en niet meer dan 5.000 m2 in overige gebieden.
|
| Legger Waterschap Limburg (Noord) met het plangebied zwart omcirkeld |
In de nabijheid van het plangebied zijn geen primaire waterlopen gelegen. De dichtstbijzijnde primaire watergangen zijn de Heijense Leigraaf en de Eckeltsebeek en liggen op een afstand van respectievelijk circa 500 m ten westen en circa 700 m ten zuiden van het plangebied.
Het plangebied is in gebruik geweest als agrarisch bedrijf. Op het perceel is alle voormalige agrarische bebouwing inmiddels gesloopt. De grond rondom deze voormalige bebouwing bestaat grotendeels uit (straat)verharding. De overige gronden zijn open graslanden en opgaand groen langs delen van de perceelsgrens. Tevens bevindt zich in het plangebied de bestaande waterkering, die verlegd wordt. Deze waterkering bestaat eveneens uit grasland met opgaand groen.
Door het planvoornemen zal geen sprake zijn van verandering in de afvoer van schoon- en vuil water. Als gevolg van het planvoornemen neemt het verhard oppervlak af. Door deze afname is berging van het hemelwater niet aan de orde. Het vuilwater van de nieuw te realiseren woning dient door middel van een gescheiden/gemengd rioolstelsel te worden aangesloten op het omliggende gescheiden/gemengde rioolstelsel van de gemeente Bergen (L.). In overleg met de gemeente Bergen (L.) zal de exacte aansluit locatie(s) afgestemd dienen te worden. De verdere uitwerking hiervan dient in samenspraak met de gemeente Bergen (L.) te worden uitgevoerd.
In de toekomstige situatie zal ter hoogte van de voormalige agrarische bebouwing de dijk worden versterkt waarmee het beoogde beschermingsniveau wordt gewaarborgd. Met de reeds gesloopte agrarische bebouwing, de verwijderde verharding en de te slopen bedrijfswoning zal de hoeveelheid bebouwing op het perceel met circa 675 m2 (45 meter x 15 meter) afnemen. Hierdoor kan er meer hemelwater rechtstreeks in de bodem infiltreren dan in de bestaande situatie. Dit levert een verbeterde waterhuishouding op.
Het doel van de watertoets is om water een uitgesproken en inhoudelijk betere plaats te geven bij het opstellen en beoordelen van alle waterhuishoudkundige relevante plannen. De watertoets vraagt niet alleen om een beschrijving van de waterhuishoudkundige situatie en de invloed die de voorgestane ruimtelijke ontwikkelingen hebben, maar ook een vroegtijdig overleg met waterbeheerders.
De afname van het verhard oppervlak van gebouwen binnen het plangebied bedraagt naar verwachting circa 675 m2. De planlocatie is niet gelegen in het stedelijk gebied. Hierdoor geldt er een grens van 5.000 m2 waarboven compenserende maatregelen nodig zijn. Er is voor de beoogde functiewijziging en sloop van een gedeelte van de bestaande opstallen geen vergunning nodig in het kader van de Keur, aangezien juist door de afname van het verhard oppervlak, het aan te brengen verhard oppervlak van 5.000 m2 niet overschrijden.
Gelet op de afname van het verhard oppervlak binnen het plangebied, zal geen sprake zijn van een overschrijding van 5.000 m2 aan toe te voegen verhard oppervlak. Hierdoor is het niet noodzakelijk om het planvoornemen voor te leggen aan het watertoetsloket van het Limburg.
Tot slot wordt voorliggend plan opgesteld in opdracht van het Waterschap Limburg, om het beschermingsniveau te waarborgen door middel van de dijkversterking in het kader van het dijkversterkingsproject. Het bevoegd gezag (waterschap) gaat akkoord indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Het begrip Profiel van Vrije Ruimte is gedefinieerd als: het gebied dat nodig is om toekomstige verbeteringen aan de waterkering te kunnen realiseren. Met het opnemen van een Profiel van Vrije Ruimte wordt beoogd ontwikkelingen te voorkomen die het realiseren van de voorgenomen verbetering onmogelijk maken of slechts mogelijk te maken zijn via verwijdering of aanpassing van werken met grote financiële consequenties. Het Profiel van Vrije Ruimte staat onafhankelijk van de in de legger vastgestelde kernzone en beschermingszones van de waterkering.
Ontgravingen dieper dan bedoeld voor de realisatie van de woning zijn om die reden dan ook uitgesloten binnen de bestemming 'Wonen'.
Bovenstaande voorwaarden zullen in de planregels (Waarde - Waterkering) worden gewaarborgd. Indien aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, zal er op basis van de huidige beleidsregels geen reden zijn om nieuwbouw op het perceel niet te vergunnen.
Op basis van de Wet ruimtelijke ordening, bepaalt een viertal zaken de opzet en inrichting van de bestemmingsplanregels, te weten:
Op 6 februari 2018 is een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Bergen (L.) vastgesteld. Bij de bestemmingsregeling van dit plan is aangesloten bij de regeling uit het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018'.
De structuur van het plan is zodanig dat de verbeelding de primaire informatie geeft over waar en hoe gebouwd mag worden. Bij het raadplegen van het bestemmingsplan dient dan ook eerst naar de verbeelding gekeken te worden. Vervolgens kan in de regels teruggelezen worden welk gebruik en welke bouwmogelijkheden zijn toegestaan.
Op de verbeelding zijn aangegeven:
De regels zijn conform de SVBP 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
(Wabo) als volgt opgebouwd:
Hierna zijn de binnen het plangebied gelegen bestemmingen afzonderlijk opgenomen. Daarbij wordt ingegaan op de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen de desbetreffende bestemming.
Deze gronden zijn bestemd voor onder andere behoud en herstel van de aan het gebied eigen zijnde landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden en tevens agrarisch grondgebruik. Gebouwen zijn niet toegestaan binnen deze bestemming. In de regels zijn verder nadere bepalingen opgenomen voor gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Deze gronden zijn bestemd voor onder andere wegen, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen. Gebouwen zijn niet toegestaan, alleen ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' zijn gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen toegestaan. In de regels zijn verder nadere bepalingen opgenomen voor gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Deze gronden zijn bestemd voor onder andere wonen. Binnen het bestemmingsvlak is maximaal één woning toegestaan. In de regels zijn verder nadere bepalingen opgenomen voor gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, het beheer en het onderhoud van een rioolleiding. In de regels zijn verder nadere bepalingen opgenomen voor gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. In de regels zijn verder nadere bepalingen opgenomen voor gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. In de regels zijn verder nadere bepalingen opgenomen voor gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), in eerste instantie bestemd voor bescherming en behoud van de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed. In de regels zijn verder nadere bepalingen opgenomen voor gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering. In de regels zijn verder nadere bepalingen opgenomen voor gebouwen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 rust op de gemeente op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet de verplichting tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren waarmee niet gecontracteerd is. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5. van het Bro) zoals grondverwervingskosten, plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. moeten dan verhaald worden door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan, wijzigingsplan of projectbesluit moet worden vastgesteld.
De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van één of meer woningen, bouw van één of meer hoofdgebouwen, bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2).
Dit bestemmingsplan is opgesteld als planologisch-regime voor de bestemmingswijziging van een voormalig agrarisch bedrijf naar de bestemming 'Agrarisch met waarden' en 'Wonen'. Er is geen sprake van een concreet bouwplan, maar enkel van een bestemmingswijziging welke een bouwplan mogelijk maakt. Met het Waterschap Limburg wordt een anterieure overeenkomst aangegaan waarin onder meer afspraken zijn vastgelegd over het voldoen van eventuele planschade. Voor de gemeente Bergen (L.) zelf zijn geen kosten aan het planvoornemen verbonden.
Omdat het verhaal van de kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden met deze overeenkomst(en) anderszins verzekerd is (zijn), is het maken van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro niet nodig.
In de toekomstige situatie zal middels ter hoogte van de voormalige agrarische bebouwing de dijk worden versterkt waarmee het beoogde beschermingsniveau wordt gewaarborgd. Met het planvoornemen wordt derhalve een algemeen maatschappelijk belang gediend in verband met de beoogde dijkversterking. Tevens draagt het planvoornemen bij aan de omgevingskwaliteit door de sloop van voormalig agrarische gebouwen en het beëindigen van de intensieve veehouderij ter plaatse. Ten behoeve van de te realiseren woning wordt de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse versterkt door de reeds verwijderde agrarische bebouwing (ontstening), de versterking van de bestaande houtsingel en de te verwijderen dennenbomen die zich in de houtsingel bevinden. Verwacht wordt dat er tegen het plan dan ook geen overwegende bezwaren zullen bestaan.
Het bestemmingsplan wordt conform de gebruikelijke procedure gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze termijn kan een ieder reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen.
Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. De bestemmingswijziging betekent, na een afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied.
In het kader van het ontwerp is het voor een ieder mogelijk om zijn/haar zienswijze (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. Na vaststelling van het bestemmingsplan kunnen belanghebbenden beroep aantekenen bij de Raad van State. Hiervoor dient in de fase van het ontwerp een zienswijze te zijn ingediend of dient het plan ten opzichte van het ontwerp te zijn gewijzigd. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen, wordt daarvan steeds melding gemaakt. Uiteindelijk besluit de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien nodig, over het plan in zijn onherroepelijke vorm.
Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Oude Kerkstraat 32'.
Instanties die blijkens hun werkterrein, belangen vertegenwoordigen of bevoegdheden krachtens de Wro hebben, worden bij de totstandkoming van bestemmingsplannen betrokken bij het overleg conform artikel 3.1.1. Bro. In het kader van dit vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan gezonden naar:
Naar aanleiding van voornoemde verzoeken om advies in het kader van het vooroverleg is er één reactie ontvangen van hiervoor genoemde instantie. Deze reactie heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 3 januari tot en met 13 februari 2019, gedurende zes weken, ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er is één zienswijze ingediend. Deze is samengevat en beantwoord in de Nota van Zienswijzen, die als Bijlage 6 bij deze toelichting is opgenomen. Deze zienswijze heeft tot aanpassing van het bestemmingsplan geleid.
Het bestemmingsplan is ten opzichte van het ontwerp dan ook gewijzigd vastgesteld in de raadsvergadering van 2 juli 2019.