| Plan: | Burgemeester Douvenstraat 2 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0893.BP17003BU2BEG-VA01 |
| COLOFON: | |||
| Betrokken ambtenaar: | Mevr. Bakker | ||
| Projectleider Buro SRO: | Dhr. E. Stevens / www.buro-sro.nl | ||
Aan de Burgemeester Douvenstraat 2 in Bergen (Limburg) is een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning en een aantal bijgebouwen aanwezig. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd en de initiatiefnemer heeft het voornemen om het hoofdgebouw als woning in gebruik te nemen en daarnaast een bedrijf aan huis voor de reparatie van elektronische apparatuur (mobiele telefoons) uit te oefenen in het hoofdgebouw. Hiervoor wenst de initiatiefnemer de bestemming van het perceel te wijzigen naar een woonbestemming.
Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de Burgemeester Douvenstraat 2 aan de rand van de kern Bergen. De locatie maakt onderdeel uit van de kern Bergen en grenst aan het buitengebied. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging plangebied (openstreetmaps.org)
Het bestemmingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. In een bestemmingsplan wordt de bestemming, ofwel de functie van de grond aangewezen. Ook geeft het bestemmingsplan regels over het gebruik van de grond en wat daarop gebouwd mag worden. Omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan gaat vergezeld met een toelichting.
Toelichting
De toelichting wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen:
Omdat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is opgesteld, worden in de toelichting, conform artikel 3.1.6 lid 2 Bro, ten minste neergelegd:
Verbeelding
De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. Door op de verbeelding te kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er gelden. De verbeelding omvat de laatste afspraken over InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.
Planregels
De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en vaak ook op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels wordt aangesloten bij de SVBP 2012.
Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 is vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
In dit hoofdstuk komt het initiatief aan bod. Daartoe wordt eerst inzicht gegeven in de huidige functie(s) en bebouwing in het plangebied. Daarbij wordt mede de relatie met de omgeving betrokken. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied omvat het westelijke deel van het perceel behorende bij Burgemeester Douvenstraat 2 in Bergen, kadastraal bekend als gemeente Bergen, sectie T, nr. 1207. Ten noorden, westen en zuiden liggen voornamelijk woningen. Aan de zuidzijde van het plangebied staat een ongebruikt schoolgebouw en verderop een bedrijfsgebouw. Ten oosten van het plangebied liggen agrarische gronden.
Op navolgende afbeelding is een luchtfoto te zien van de huidige situatie in het plangebied.
Luchtfoto met plangebied rood omcirkeld (PDOK viewer)
In het plangebied staat een karakteristiek hoofdgebouw en drie bijgebouwen. De ruimte tussen de gebouwen in is verhard. Tegen de noordelijke gevel van het hoofdgebouw aan staat een muur van circa 1,5 meter hoog aan de zijde van de weg. Rondom de bebouwing liggen stroken gras en aan de zuidzijde staan enkele bomen. Het hoofdgebouw was voorheen in gebruik ten behoeve van een agrarisch bedrijf en een bedrijfswoning. De bijgebouwen zijn schuren, die ten behoeve van opslag zijn gebruikt. De gebouwen staan in de huidige situatie leeg.
Bijgevoegde foto's geven een impressie van de bebouwing en de terreininrichting.
Aanzicht hoofdgebouw vanaf perceel
Aanzicht hoofdgebouw vanaf Burgemeester Douvenstraat
Aanzicht (te slopen) schuur
Voorliggend plan is erop gericht om het perceel van het voormalige agrarisch bedrijf van een woonbestemming te voorzien. Om de karakteristiek van het boerderij erf te behouden wordt er in de regels een groter oppervlakte aan bijgebouwen toegestaan dan gebruikelijk is bij een woonbestemming binnen stedelijk gebied in de gemeente Bergen. Een van de schuren wordt wel gesloopt. De overige bijgebouwen blijven behouden. Deze oppervlakte aan bijgebouwen is ook passend in relatie tot de grootte van het perceel. Aangezien het plangebied niet in het buitengebied ligt is het terugdringen van bijgebouwen niet urgent. De bebouwing wordt landschappelijk ingepast, zie hiervoor paragraaf 2.2.2. De initiatiefnemer wil daarnaast in het hoofdgebouw een bedrijf aan huis uitoefenen voor de reparatie van elektronische apparatuur (mobiele telefoons). De apparatuur wordt per post verzonden, waardoor er geen extra verkeersbewegingen ontstaan vanwege het bedrijf aan huis. Voor het bedrijf aan huis wordt maximaal een oppervlakte van 60 m² gebruikt. De bijgebouwen worden als bijgebouwen bij de woning gebruikt. Behalve de sloop van de schuur in het noordoosten van het plangebied zijn er geen ontwikkelingen voorzien. Het hoofdgebouw blijft behouden en wordt gebruikt als burgerwoning met daarbij een bedrijf aan huis.
Omdat formeel sprake is van het omvormen van de agrarische bestemming naar de woonbestemming dient een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaats te vinden. De kwaliteitsverbetering op het perceel vindt plaats door de sloop van de schuur in het noordoosten van het plangebied en daarnaast wordt het geheel landschappelijk ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan en bijbehorend beplantingsplan zijn te raadplegen in bijlagen 1 en 2 bij de regels. Aan oostelijke bestaande schuur wordt een dakoverstek gerealiseerd ten behoeve van een nieuwe roestplaats voor een kerkuil. Naast deze schuur worden aansluitend aan het landelijk gebied bessenstruiken (kruisbes, zwarte bes, aalbes, vlierbes, framboos) en een moestuin gerealiseerd. In het zuidoosten van het plangebied wordt een boomgaard van fruit- en/of notenbomen aangeplant. In de noordoostelijke hoek van het plangebied wordt een boomgroep van 3 bomen (eik, walnoot) aangeplant en aan weerszijden van de inrit worden 2 solitaire bomen geplant (linde). Voor alle genoemde elementen van de landschappelijke inpassing is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels bij dit plan (artikel 3.4.2).
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is "duurzame verstedelijking". Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder bestaat uit drie 'treden' die doorlopen moeten worden om te bezien of een ontwikkeling bijdraagt aan duurzame verstedelijking:
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het gehele plangebied ligt in het Besluitsubvlak rivierbed.
Besluitsubvlak rivierbed
In de toelichting (2.4.3) staat het volgende beschreven over de regeling behorende bij het besluitsubvlak rivierbed: 'Dit artikel verwoordt de algemene rivierkundige voorwaarden waaraan toe te laten (bouw)activiteiten in het rivierbed, ongeacht de aard en de omvang daarvan, altijd moeten voldoen. Deze voorwaarden zijn een vertaling van de zorgplicht van de initiatiefnemer van een activiteit in het rivierbed, die is verwoord in artikel 6.15, eerste lid, van het Waterbesluit. Om de belangen waarop deze bepaling ziet, ook via het ruimtelijke spoor te borgen, dienen deze voorwaarden door te werken in het bestemmingsplan. Dit laat overigens onverlet dat het eveneens gewenst is dat rekening wordt gehouden met de in het gebied aanwezige landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
In artikel 2.4.3 van de regels is het volgende opgenomen:
Planspecifiek:
Het bestemmingsplan voorziet in het omzetten van een agrarische bestemming naar een woonbestemming. De voorwaarden van lid 1 worden hieronder toegelicht.
De ontwikkeling is niet in strijd met de voorwaarden voor het Besluitsubvlak rivierbed.
Ladder duurzame verstedelijking
Er worden geen nieuwe woningen gerealiseerd. Het hoofdgebouw waarin een bedrijfswoning aanwezig is, krijgt een (burger)woonbestemming. Er is daarom geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde. Het Rijksbeleid staat uitvoering van dit initiatief niet in de weg.
Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014
Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten het POL 2014, met bijbehorend plan m.e.r., de Omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal Verkeers en- Vervoersprogramma vastgesteld.
In het POL staat kwaliteit centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto ‘meer stad, meer land’, het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen.
Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. Uitbreiding via uitleggebieden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte. Hierbij is aandacht voor huisvesting van bijzondere doelgroepen (woonurgenten) en de aanpak van leegstand.
Er wordt de komende jaren een hausse aan vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing verwacht. Het proces van functieverlies speelt al langere tijd, maar het aanbod van leegstaand vastgoed blijft toenemen en de vraag blijft achterwege. Er wordt naar gestreefd dat de vrijkomende agrarische bebouwing zoveel mogelijk wordt hergebruikt door de land- en tuinbouw, ter voorkoming van verdere verstening in het buitengebied. Maar het is zeker niet te verwachten dat alle leegstand zo kan worden opgelost. In dat geval is sloop (bijvoorbeeld van verouderde stallen, schuren en overige voorzieningen) gewenst, om leegstand, verval en mogelijk ook illegaal gebruik te voorkomen.
Qua natuur is het de ambitie om de biodiversiteit in stand te houden. Dat vraagt om een robuust grensoverschrijdend natuur- en waternetwerk van goede kwaliteit, dat ook de effecten van de klimaatverandering voor flora en fauna kan opvangen. Dat netwerk fungeert bovendien als belangrijke recreatiezone, als drager van de landschappelijke structuur en als een belangrijke pijler onder een goed vestigingsklimaat in Limburg. Daarnaast is het de ambitie dat natuur en natuurbeleid sterk verankerd zijn in de samenleving.
Planspecifiek
Het plangebied ligt op de kaart 'Zonering' in het structuurvisie-gebied 'Overig bebouwd gebied'. Op de bijgevoegde afbeelding is dit te zien. Het 'Overig gebouwd gebied' bestaat uit gemengde woon-/werkgebieden met voorzieningen. De functiewijziging van een agrarisch bedrijf naar wonen past binnen dit gebied. Het POL staat uitvoering van dit initiatief niet in de weg.
Uitsnede kaart 'zonering' POL (ruimtelijkeplannen.nl)
Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bergen' dat op 19 juni 2012 is vastgesteld. Hierna is een uitsnede te zien van de verbeeldingen die voor het plangebied en de omgeving van toepassing zijn.
Uitsnede geldend bestemmingsplan met plangebied rood omlijnd (ruimtelijke plannen)
Op de verbeelding is te zien dat de locatie de bestemming 'Agrarisch' heeft, met daarbinnen twee bouwvlakken. Het zuidelijke bouwvlak is aangeduid met de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. Binnen deze bestemming is de uitoefening van een volwaardig bedrijf toegestaan. Gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. Het gebruik van gebouwen als burgerwoning is niet toegestaan en het bestemmingsplan biedt ook geen wijzigingsmogelijkheden naar een woonbestemming.
Voor het gehele plangebied geldt tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Deze dubbelbestemming staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de aanpassing van de bestemming 'Agrarisch' ter plaatse van het huidige erf naar de bestemming 'Wonen'.
Structuurvisie+ 2014
De gemeenteraad heeft op 1 juli 2014 de Structuurvisie+ 2014 ‘Bouwen aan de toekomst’ gewijzigd vastgesteld. De structuurvisie is volgens de Wet ruimtelijke ordening verplicht voor alle gemeenten, en geeft richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De structuurvisie is niet rechtstreeks bindend. De structuurvisie is de basis voor besluiten die wél bindend zijn, zoals bestemmingsplannen.
De structuurvisie+ 2014 is een actualisatie van de Structuurvisie+ die in 2006 is vastgesteld door de gemeenteraad. In de afgelopen jaren is namelijk veel veranderd. Een aantal projecten uit de vorige structuurvisie zijn gerealiseerd, andere projecten spelen niet meer. Ook zijn er nieuwe projecten in voorbereiding die in 2006 nog niet bekend waren. Daarnaast is in 2010 de Strategische Regiovisie Maasduinen tot stand gekomen. Deze vormt de basis voor het visiedeel van deze structuurvisie.
Planspecifiek
Qua woningbouw is er in de Structuurvisie+ 2014 voor gekozen om dit vooral op inbreidingslocaties (via verdichten en functieverandering) te laten plaatsvinden en gelijktijdig de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Slechts bij uitzondering zal nog overgegaan worden tot het bebouwen van uitleggebieden.
In de structuurvisie worden geen uitspraken gedaan over de transformatie van agrarische bedrijven naar woningen. De omzetting van een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning naar wonen in het plangebied zorgt niet voor een toename van het aantal woningen. De Structuurvisie+ 2014 staat daarmee uitvoering van dit initiatief niet in de weg.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
In dit bestemmingsplan wordt de agrarische bestemming grotendeels aangepast naar een woonbestemming. Om aan te tonen dat dit deel van het perceel geschikt is voor een woonfunctie is een verkennend onderzoek ten aanzien van de bodemkwaliteit uitgevoerd (zie Bijlage 1). Hierin is geconcludeerd dat er slechts sprake is van lichte verontreinigingen, waardoor er geen milieuhygiënische belemmeringen bestaan voor de voorgenomen ontwikkeling. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
Wat betreft het aspect bodem is het initiatief uitvoerbaar.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor beide stoffen bedraagt de grenswaarde 40 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet kent onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
In onderhavig initiatief worden geen woningen toegevoegd, er is immers al een bedrijfswoning aanwezig in het plangebied. De bestemming voor een agrarisch bedrijf wordt wel verwijderd, waardoor slechts de woonfunctie overblijft. Het project draagt 'niet in betekende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit. Ook wordt ter plaatse de grenswaarde met betrekking tot fijnstof en stikstofdioxide niet overschreden.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
In dit bestemmingsplan wordt de bestaande bebouwing met daarin een bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Op de omliggende wegen is een snelheid van 30 km/uur toegestaan. Het plangebied ligt niet binnen zones voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai. Ten aanzien van het aspect geluid is het plan uitvoerbaar.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen danwel buiten de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel. Op 18 december 2007 is door de gemeente Bergen de Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld.
Binnen de in de geurverordening aangeduide gebieden is een andere waarde van toepassing dan de desbetreffende waarde genoemd in artikel 3, eerste lid van de Wet geurhinder en veehouderij. Het betreft de volgende gebieden:
Planspecifiek
In de nabije omgeving van het plangebied liggen de dichtstbijzijnde agrarische bedrijven op circa 110 meter en circa 280 meter. Hiermee wordt voldaan aan de minimale afstand van 100 meter die geldt volgens de Wet geurhinder en veehouderij. Verder liggen er geen agrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied. De achtergrondbelasting bedraagt ter plaatse 0,9 OUE/m3. Voor het plangebied geldt op basis van de ligging binnen de bebouwde kom stedelijk, zoals bepaald in de gemeentelijke geurverordening een waarde van 2,0 Ou/m³. Bij een geurbelasting van 0,9 Ou/m³ in een concentratiegebied is er op basis van de Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij sprake van 2% geurgehinderden. Het RIVM hanteert voor dit percentage geurgehinderden het milieukwaliteitscriterium 'zeer goed'. Dit betekent dat er in de toekomstige situatie sprake zal zijn van een zeer goed woon- en leefklimaat wat betreft het aspect geur.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
In dit bestemmingsplan wordt een bestaand agrarisch bedrijf inclusief bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Er worden geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. De woning is niet gelegen binnen de milieucontouren van milieubelastende functies.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de PR 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
De Maas is een transportroute voor gevaarlijke stoffen die onderdeel is van het Basisnet als ‘binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen’ (de zogeheten ‘zwarte’ categorie). De PR 10-6 van de Maas reikt tot de oevers van de Maas. Het plangebied ligt op circa 600 meter van de oevers van de Maas en dus buiten de PR 10-6-contour.
Voor wat betreft het groepsrisico geldt dat bij de zogeheten ‘zwarte vaarwegen’ in principe een verantwoording nodig is. Bij een bevolkingsdichtheid beneden de 1500 personen per hectare dubbelzijdig en 2250 personen per hectare enkelzijdig is een berekening van het groepsrisico echter niet verplicht. Proefberekeningen hebben namelijk aangetoond dat in die gevallen het groeprisico beneden 0,1x de oriënterende waarde ligt. De bevolkingsdichtheid van Bergen bedraagt circa 302 inwoners per km² en is daarmee aanzienlijk lager dan de genoemde 1500 personen per hectare dubbelzijdig en 2250 personen per hectare enkelzijdig. Het uitvoeren van een groepsrisicoberekening is dus niet verplicht.
Aangezien bestaande agrarische bedrijfsgebouwen met een bedrijfswoning in een burgerwoning worden omgezet, neemt het aantal personen in het plangebied niet toe. Daarnaast is er geen sprake van personen met een verminderde zelfredzaamheid in het plangebied. Er is dus geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico.
Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting of een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Het initiatief is daarmee uitvoerbaar ten aanzien van externe veiligheid.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Gemeentelijk Rioleringsplan Bergen 2007-2012
Het beleid voor hemelwater afkomstig van nieuwbouw in Bergen is als volgt: hemelwater afkomstig van daken en verhardingen dient conform de watertoets op particulier terrein in de bodem te worden geinfiltreerd of –als niet mogelijk- worden gebufferd en vertraagd worden afgevoerd naar een hemelwaterriool of oppervlaktewater.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Planspecifiek
In onderhavig plan wordt de bestaande bebouwing met daarin een bedrijfswoning als burgerwoning bestemd. Er is door de sloop van een schuur sprake van een afname van de oppervlakte aan verharding, waardoor er geen extra maatregelen voor de berging van hemelwater genomen hoeven te worden. In het plangebied en de directe omgeving bevinden zich ook geen watergangen. Wel bevindt de Maas zich op circa 600 meter ten westen van het plangebied. Het plangebied ligt als gevolg hiervan op basis van het Barro in het Besluitsubvlak rivierbed. In paragraaf 3.1 is de voorgenomen ontwikkeling ten opzichte van de ligging in het rivierbed voldoende verantwoord.
Het initiatief wordt uitvoerbaar wordt geacht op het gebied van water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermt. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
Voor het initiatief is een flora en fauna onderzoek uitgevoerd, waarvan het volledige rapport in Bijlage 2 is opgenomen. Hierin is geconcludeerd dat er gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde natuurgebieden, geen belemmeringen bestaan met betrekking tot gebiedsbescherming. In het plangebied bevindt zich een kerkuilennest in de boerderijwoning en een roestplaats van de kerkuil in de schuur die zal worden gesloopt. Het kerkuilennest blijft behouden bij de ontwikkeling. De roestplaats in de schuur gaat wel verloren. Om te voorkomen dat de roestplaats geheel verdwijnt, dient er minstens een half jaar voor het verwijderen van de bestaande roestplaats, een vervangende roestplaats te worden gecreëerd. Er wordt in het plangebied met een overkapping een nieuwe roestplaats voor de kerkuil gerealiseerd. Deze overkapping is onderdeel van het landschappelijk inpassingsplan en daardoor ook voorwaardelijk verplicht. Door naleving van deze maatregel hoeft er geen ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Op het gebied van ecologie is het initiatief daarmee uitvoerbaar.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. In de toekomstige situatie wordt er gebruik gemaakt van de bestaande ontsluiting van het plangebied op de Burgemeester Douvenstraat. Daarnaast wordt er op eigen terrein geparkeerd, waar ruim voldoende parkeergelegenheid voor bewoners en bezoekers aanwezig is. Doordat het agrarische bedrijf is beëindigd en alleen de woonfunctie behouden blijft zal het aantal verkeersbewegingen afnemen. Het initiatief is daarmee uitvoerbaar ten aanzien van verkeer.
In elk ruimtelijk plan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 overgegaan in de Erfgoedwet. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals vergunningen, gaan naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan (en andere ruimtelijke besluiten) opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
In het Landschapsplan van de gemeente Bergen zijn diverse landschapselementen beschreven. Als kenmerkende en in principe te behouden cultuurhistorische landschapselementen kunnen in Bergen de volgende componenten worden genoemd:
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
In Bergen zijn aan de Oude Kerkstraat twee Rijksmonumenten aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot deze Rijksmonumenten geen invloed deze cultuurhistorisch waardevolle elementen. Verder zijn er in de directe omgeving geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig, die beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen ontwikkeling. Het bestaande pand uit het bouwjaar 1958 betreft karakteristieke bebouwing en blijft behouden. Om het beeld van het boerderij erf te behouden blijft een groter aantal bijgebouwen bij de woning toegestaan dan gebruikelijk is in het stedelijk gebied van de gemeente Bergen.
Archeologische waarden
De gemeente Bergen beschikt over eigen archeologiebeleid bestaande uit een beleidskaart en een beleidsnota. Dit beleid is in 2012 vastgesteld door de gemeenteraad. Op basis van de inventarisaties is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Dit model doet een uitspraak over de meest waarschijnlijke locaties voor vindplaatsen van (pre-) historische samenlevingen. Het model vindt haar weerslag in een archeologische verwachtingskaart waarop door middel van vlakken (verwachtingszones) inzicht in de archeologische verwachtingen voor de gemeente wordt gegeven. De verwachtingskaart is vertaald naar de beleidskaart.
Om te onderzoeken of er sprake is van verwachte archeologische waarden, is de Archeologische Beleidskaart geraadpleegd. Bijgevoegd is een uitsnede van de kaart.
Uitsnede Archeologische Beleidskaart.
Op de kaart is te zien dat het plangebied valt in Categorie 4, gebieden van hoge archeologisch verwachting. Hier geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m². De geplande bodemverstoringen beperken zich tot de sloop van de schuur (met poeren fundering) van 220 m², waardoor onder de oppervlakte van de onderzoeksplicht wordt gebleven. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
De uitvoerbaarheid ten aanzien van cultuurhistorie en archeologie is hiermee aangetoond.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Voorliggend initiatief betreft de aanpassing van het bestemmingsplan en een (beperkte) landschappelijke inpassing. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. De landschappelijke inpassing zal worden uitgevoerd op kosten van de initiatiefnemer.
Daarnaast zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen.
Omdat het bestemmingsplan alleen toeziet op de wijziging van een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning naar een woonbestemming, vindt er geen feitelijke verandering plaats. De financieel-economische haalbaarheid van het plan is hiermee voldoende gewaarborgd.
Met dit bestemmingsplan wordt de bestemming 'Agrarisch' deels veranderd naar de bestemming 'Wonen'. Het agrarische bedrijf verdwijnt en de bedrijfswoning wordt in een burgerwoning omgezet. De maatschappelijke impact van dit plan is dan ook zeer beperkt, om die reden heeft er geen consultatie vooraf plaatsgevonden. Het plan is maatschappelijk uitvoerbaar.
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
Met de regels van voorliggend bestemmingsplan is aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan 'Bergen'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
Daarnaast bevat het plan de volgende dubbelbestemming:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk overleg niet toegezonden aan de provincie omdat geen sprake is van een bovenlokaal belang. Er is slechts sprake van een functiewijziging waarbij geen extra bouwmogelijkheden worden geboden. Het plan wordt wel toegezonden aan Rijkswaterstaat, vanwege de ligging in het Rivierbed van de Maas.
Voor dit plan wordt afgezien van inspraak. Het plan is van zeer beperkte omvang en de impact op de omgeving is nihil.
Onderhavig bestemmingsplan heeft van 10 augustus 2017 tot en met 20 september 2017 als ontwerp ter inzage gelegen. Hierop zijn geen zienswijzen ingediend.