Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: TAM-omgevingsplan Pastoor Vranckenlaan 70 te Reuver
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0889.OPPVranckenlaan70-VA01
1 Inleidende bepalingen
 
Artikel 1 Toepassingsbereik
 
1.1 Omgevingsplan gemeente Beesel
Dit plan wijzigt het omgevingsplan gemeente Beesel in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan gemeente Beesel een hoofdstuk 22h wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in dit plan moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22h van het omgevingsplan gemeente Beesel. In de artikelkop van de artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22h gelezen worden. In de kop van de bijlagen moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22h gelezen worden.
 
1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.
 
1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat
De regels in afdeling 22.2 en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
 
1.4 Verwijzing naar verbeelding
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22h Pastoor Vranckenlaan 70 Reuver, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0889.OPPVranckenlaan70-VA01.
 
Artikel 2 Begrippen
 
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
 
2.1 Van toepassing verklaring
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk van het omgevingsplan.
 
2.2 Aanvullende begrippen
In aanvulling op het bepaalde in 2.1 gelden voor de toepassing van dit omgevingsplan de begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.19.
 
2.3 plan
Het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22h Pastoor Vranckenlaan 70 Reuver met identificatienummer NL.IMRO.0889.OPPVranckenlaan70-VA01 van de gemeente Beesel bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0889.OPPVranckenlaan70-VA01 met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.
 
2.4  Begripsbepalingen omgevingsplan van rechtswege
De begripsbepalingen zoals opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege zijn van overeenkomstige toepassing, voor zover deze niet in strijd zijn met de begripsbepalingen uit de Omgevingswet en de Amvb's.
 
2.5 locatievlak
Een geometrisch bepaald vlak dat is aangewezen voor een gebruiksdoel.
Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen
 
In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen.
 
3.1 afstand tot de zijdelingse perceelgrens
deze wordt gemeten vanaf het dichtst bij de perceelsgrens gelegen punt van het gebouw op 1 m boven peil en haaks op de perceelsgrens.
 
3.2 bebouwd oppervlak van een bouwperceel
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken, gemeten buitenwerks en 1 m boven peil.
 
3.3 bebouwingspercentage
het oppervlak dat met bouwwerken mag worden bebouwd. Dit wordt uitgedrukt in procenten van de oppervlakte van het bouwperceel, voor zover dat ligt:
  1. binnen de bestemming;
  2. binnen een in de planregels aangeduid gedeelte van die bestemming.
3.4 bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
 
3.5 breedte, diepte c.q. lengte van een bouwwerk
deze wordt gemeten tussen de buitenwerkse hoofdgevelvlakken en/of de harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren, op 1 m boven peil. De grootste maat bepalend is daarvoor bepalend.
 
3.6 dakhelling
deze wordt gemeten langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
 
3.7 goothoogte van een bouwwerk
deze wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
 
3.8 inhoud van een bouwwerk
deze wordt gemeten tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
 
3.9 oppervlakte van een bouwwerk
deze wordt gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 
2 Specifieke regels over functies
 
Artikel 4 Wonen
 
4.1 Toepassingsbereik
 
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met
identificatienummer NL.IMRO.0889 OPPVranckenlaan70-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel '
Wonen'.
 
4.2 Beschrijving gebruiksdoel
 
Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel 'Wonen' heeft de volgende functies:
  1. wonen in woningen;
  2. aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten;
  3. webwinkels;
  4. tuinen, erven en verhardingen;
  5. parkeervoorzieningen ten dienste van de woning;
  6. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.3 Gebruiksactiviteit - nadere regels
 
4.3.1 Gebruik ten behoeven van aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten
Voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en van aan-huis-gebonden bedrijvigheid in of bij de woning, gelden de volgende bepalingen:
  1. De maximale oppervlakte voor beroeps-/bedrijfsmatig gebruik van de gebouwen mag
    1. voor aan-huis-gebonden beroepen 60 m² per woning zijn;
    2. voor aan-huis-gebonden bedrijvigheid 25 m² per woning zijn.
  2. Aan-huis-gebonden bedrijvigheid is toegestaan wanneer het bedrijven betreft die voorkomen in de categorieën 1 en 2, zoals genoemd de Staat van bedrijfsactiviteiten aan-huis-gebonden bedrijvigheid (Bijlage 1).
  3. Bij aan-huis-gebonden bedrijvigheid zijn erotisch getinte bedrijvigheid, een horecabedrijf of detailhandel niet toegestaan. Beperkte verkoop die verband houdt met, en ondergeschikt is aan de uitgeoefende bedrijfsactiviteit, is wel toegestaan.
  4. Wonen dient ter plaatse de hoofdfunctie te blijven.
  5. Degene die de bedoelde activiteit uitoefent, moet op het zelfde perceel wonen.
  6. Het aan-huis-gebonden beroep/bedrijf mag niet zoveel verkeer aantrekken dat:
    1. de woonomgeving onevenredig wordt belast;
    2. extra verkeersmaatregelen, waaronder parkeervoorzieningen, noodzakelijk zijn, tenzij deze op eigen terrein worden aangelegd.
  7. Bij een aan-huis-gebonden beroep of aan-huis-gebonden bedrijvigheid is één reclame-uiting toegestaan met een afmeting van ten hoogste 0,5 x 1 m..
4.3.2 Gebruik ten behoeve van webwinkel
Voor het gebruik van een webwinkel bij of in de woning gelden de volgende regels:
  1. de maximale oppervlakte voor het gebruik als webwinkel (inclusief opslag van goederen) mag maximaal 25 m² zijn;
  2. uitstalling, bezichtiging, verkoop en afhalen van goederen is niet toegestaan;
  3. wonen ter plaatse moet de hoofdfunctie blijven;
  4. degene die de bedoelde activiteit uitoefent, woont op het zelfde perceel;
  5. de webwinkel mag niet zoveel verkeer aantrekken dat:
    1. de woonomgeving onevenredig wordt belast;
    2. extra verkeersmaatregelen, waaronder parkeervoorzieningen, noodzakelijk zijn, tenzij deze op eigen terrein worden aangelegd;
  6. reclame-uitingen ten behoeve van de webwinkel zijn niet toegestaan.
 
4.4 Gebruiksactiviteit - verboden
 
4.4.1 Algemeen
  1. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet ten dienste staat van de in 4.2 genoemde functies van de gronden.
  2. Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in 4.3 opgenomen nadere regels over het gebruik van gronden en bouwwerken.
4.4.2 Strijdig gebruik
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval gerekend het gebruik voor:
  1. seksinrichtingen;
  2. recreatief nachtverblijf;
  3. opslag buiten het bouwvlak;
  4. opslag-, stort-, of bergplaats van onbruikbare voorwerpen en materialen;
  5. tijdelijke of permanente bewoning van caravans.
4.5 Gebruiksactiviteit - omgevingsplanactiviteit
 
4.5.1 Afwijken gebruiksactiviteit
Met een omgevingsvergunning kan een gebruiksactiviteit worden toegelaten die in strijd is met lid 4.2 voor:
  1. het gebruik van een deel van de woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een bed & breakfast.
  2. het gebruik van een deel van de woning en/of aangebouwde bijbehorende bouwwerken voor kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van een pension.
4.5.2 Beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning genoemd onder 4.5.1 onder a kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    1. de bed and breakfast wordt gerealiseerd in een woning, bestaande uit het hoofdgebouw inclusief eventuele aangebouwde bijbehorende bouwwerken, en niet in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
    2. het gebruik ten behoeve van de bed and breakfast gekoppeld en ondergeschikt moet zijn aan de woonfunctie ter plaatse;
    3. tegelijkertijd aan niet meer dan vier personen bed and breakfast wordt geboden;
    4. de bed and breakfastvoorziening:
      • door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kan functioneren als een zelfstandige woning;
      • geen aparte kookgelegenheid in de voorziening heeft;
      • de cultuurhistorische, monumentale en/of architectonische waarden van de woning niet worden aangetast;
    5. geen onevenredig nadelige gevolgen voor de parkeerbalans ontstaan;
    6. geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden;
    7. geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven;
    8. detailhandel is niet toegestaan;
    9. reclame-uitingen ten behoeve van de bed and breakfast niet zijn toegestaan.
  2. De omgevingsvergunning genoemd onder 4.5.1 onder b kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:
    1. het pension wordt gerealiseerd in een woning, bestaande uit het hoofdgebouw inclusief eventuele aangebouwde bijbehorende bouwwerken, en niet in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk;
    2. het gebruik ten behoeve van een pension gekoppeld en ondergeschikt moet zijn aan de woonfunctie ter plaatse;
    3. er logiesmogelijkheden worden aangeboden voor 5 of meer personen, verdeeld over minimaal 2 en maximaal 10 kamers;
    4. er als nevenactiviteit maaltijden en/of dranken mogen worden verstrekt aan logerende gasten;
    5. de pensionvoorziening:
      • door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet kan functioneren als een zelfstandige woning;
      • geen aparte kookgelegenheid in de voorziening heeft;
      • de cultuurhistorische, monumentale en/of architectonische waarden van de woning niet worden aangetast;
    6. geen onevenredig nadelige gevolgen voor de parkeerbalans ontstaan;
    7. geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden;
    8. geen onevenredige nadelige gevolgen ontstaan voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven;
    9. detailhandel is niet toegestaan;
    10. reclame-uitingen ten behoeve van het pension niet zijn toegestaan.
4.6 Bouwactiviteiten - beoordelingsregels
 
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan van de gemeente Beesel gelden voor een aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken tevens de volgende beoordelingsregels.
 
4.6.1 Algemeen
Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. Bouwwerken moeten worden gebouwd binnen het bouwvlak, met uitzondering van bouwwerken waarvoor in de volgende subleden is aangegeven dat die ook buiten het bouwvlak zijn toegestaan.
  2. Van het bouwperceel mag maximaal 50% worden bebouwd.
  3. De breedte van het bouwperceel moet minimaal 5,4 m zijn.
4.6.2 Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. Nieuwbouw van woningen is niet toegestaan.
  2. Bij nieuwbouw of herbouw van een woning mag de voorgevel van het hoofdgebouw in of maximaal 4 m achter de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd.
  3. Voor grondgebonden woningen geldt dat het hoofdgebouw mag worden gebouwd binnen een denkbeeldig bouwvlak met de volgende minimale en maximale afmetingen:
    1. De goothoogte mag maximaal 6,5 m zijn.
    2. De breedte moet minimaal 5,4 m zijn.
    3. De diepte (exclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken) mag maximaal 14 m zijn.
    4. De inhoud mag (exclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken) mag maximaal 1.000 m3 zijn.
    5. De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens moet minimaal 3 m zijn, tenzij het aaneengebouwde of tegen elkaar gebouwde woningen betreft.
4.6.3 Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, carports en overkappingen, gelden de volgende bepalingen:
  1. De voorgevel moet minimaal 1 m achter de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd.
  2. Vóór de naar de weg gekeerde bouwgrens mag het hoofdgebouw worden uitgebreid dan wel mag per woning één bijbehorend bouwwerk worden aangebouwd, met dien verstande dat:
    1. de naar de weg gekeerde bouwgrens met maximaal 1,5 m wordt overschreden;
    2. over maximaal 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden aangebouwd;
    3. de goothoogte maximaal 3 m mag zijn;
    4. de oppervlakte maximaal 6 m² mag zijn;
  3. Carports en overkappingen mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat:
    1. carports en overkappingen maximaal 1,5 m voor de voorgevelrooilijn mogen worden gebouwd;
    2. carports en overkappingen voor de voorgevelrooilijn geen wanden mogen bevatten.
  4. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken, carports en overkappingen mag, buiten het denkbeeldige bouwvlak voor hoofdgebouwen, zoals bepaald volgens de voorwaarden onder 4.6.2, maximaal zijn:
    1. 55 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 200 m2;
    2. 60 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 300 m2;
    3. 65 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 400 m2;
    4. 70 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 500 m2;
    5. 75 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 600 m2;
    6. 80 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 700 m2;
    7. 85 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 800 m2;
    8. 90 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 900 m2;
    9. 95 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.000 m2;
    10. 100 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.100 m2;
    11. 105 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.200 m2;
    12. 110 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.300 m2;
    13. 115 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.400 m2;
    14. 120 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte tot 1.500 m2;
    15. 125 m2 op bouwpercelen met een oppervlakte groter dan 1.500 m2.
met inachtneming van het bepaalde in 4.6.1 onder b.
  1. De goothoogte mag maximaal 3,5 m zijn.
  2. De bouwhoogte mag maximaal 6 m zijn.
4.6.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. Erfafscheidingen en vlaggenmasten mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd.
  2. De bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevelrooilijn mag maximaal 2 m zijn.
  3. De bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevelrooilijn mag maximaal 1 m zijn, met dien verstande dat de bouwhoogte maximaal 1,8 m mag zijn indien:
  4. de erfafscheiding boven de 0,75 m voor minimaal 90% een open constructie heeft;
    1. de erfafscheiding op een afstand van minimaal 1 m van de openbare weg, niet zijnde een trottoir, wordt gebouwd.
    2. De bouwhoogte van vlaggenmasten mag maximaal 6 m zijn.
  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag maximaal 3 m zijn.
3 Algemene regels over functies
 
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel
 
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 6 Bestaande maatvoering
 
Voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel bestonden of in uitvoering waren, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden krachtens een verleende omgevingsvergunning geldt dat indien de bestaande situering en/of maten afwijken van de ingevolge deze regels toegestane situering en/of maten, de bestaande situering tevens en/of bestaande maten als maximaal toegestaan worden beschouwd.
Artikel 7 Aanvraagvereisten
 
  1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van de gemeente Beesel, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    1. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een aanlegactiviteit in dit plan; en
    2. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit inhoudende een gebruiksactiviteit of een bouwactiviteit in dit plan.
  2. In aanvulling op het bepaalde onder a worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de aan de omgevingsvergunning verbonden beoordelingsregels.
 
4 Regels ter bescherming van waarden en objecten
Artikel 8 Waarde - Archeologie
 
8.1          Voorrangsbepaling
 
De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.
 
8.2          Toepassingsbereik
 
De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0889.OPPVranckenlaan70-VA01 is aangewezen als Waarde – Archeologie .
 
8.3          Functieomschrijving
 
Een locatie die is aangewezen als Waarde – Archeologie  heeft als functie de bescherming van archeologische waarden.
 
8.4          Bouwactiviteit
 
8.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten "overige zone - middelhoge archeologische verwachtingswaarde"
  1. Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - middelhoge archeologische verwachtingswaarde' wordt bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan Beesel, naast de gegevens en bescheiden zoals genoemd in 22.35, een rapport overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld, indien:
    1. het bouwwerk binnen 50 meter van AMK-terreinen van hoge of zeer hoge archeologische waarden en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis wordt gebouwd; of
    2. voor het te bouwen bouwwerk de bodem dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld wordt verstoord; én
    3. het te verstoren oppervlak een oppervlakte groter dan 1.000 m2 heeft.
  2. In afwijking van het gestelde onder a. is het onder a. bedoelde rapport niet noodzakelijk, indien:
    1. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en alleen de bestaande fundering wordt benut en geen grondwerk wordt verricht dieper dan 0,40 meter beneden maaiveld;
    2. indien het een bouwwerk betreft dat voor archeologisch onderzoek noodzakelijk is;
    3. het bevoegd gezag de gronden door het nemen van een selectiebesluit heeft vrijgegeven voor de gevraagde activiteit op basis van archeologisch onderzoek.
8.4.2 Aanvullende beoordelingsregels
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 wordt alleen verleend indien de aanwezige archeologische waarden door de uitvoering niet onevenredig aangetast danwel kunnen niet worden aangetast;
  2. Burgemeester en wethouders kunnen advies inwinnen van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorschriften dienen te worden gesteld.
8.4.3 Aanvullende vergunningsvoorschriften
Indien uit het onder 8.4.1 onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26.
  1. het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn:
    1. alternatieven voor heiwerk;
    2. het niet bouwen van kelders;
    3. het aanbrengen van een beschermende bodemlaag;
    4. andere voorzieningen met het doel om archeologische waarden zo weinig mogelijk te schaden;
  2. het doen van opgravingen door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie;
  3. het begeleiden van de activiteiten of het doen van waarnemingen bij de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden;
  4. het doen van waarnemingen door amateurarcheologen;
8.5          Aanlegactiviteit
 
8.5.1 Vergunningplicht
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten:
  1. Grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), ophogen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
  2. Het verlagen van het waterpeil;
  3. Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  4. Het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  5. Het aanleggen van bos of bomgaard, of het rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  6. Het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen
  7. Het aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur
8.5.2 Uitzondering vergunningplicht
De vergunningplicht als bedoeld in 8.5.1 geldt niet voor aanlegactiviteiten:
  1. Op werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 0,40 meter onder het bestaande maaiveld;
  2. Op werkzaamheden in de bodem tot een maximale oppervlakte van 1.000 m2 ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – middelhoge verwachtingswaarde', mits deze werkzaamheden niet plaatsvinden binnen een straal van 50 meter van AMK-terreinen van hoge of zeer hoge archeologische waarden en/of van vindplaatsen zoals aangegeven in Archis;
  3. Indien het archeologisch erfgoed zodanig zal worden behandeld dat conservering in de bodem is gewaarborgd;
  4. Indien de activiteiten het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
  5. Indien objectief wordt aangetoond dat de bodem al zodanig is verstoord door in het verleden uitgevoerde werkzaamheden dat geen sprake meer is van archeologische verwachtingswaarde.
8.5.3 Aanvullende aanvraagvereisten
  1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt een rapport overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
8.5.4 Beoordelingseisen
  1. De omgevingsvergunning als bedoeld in 8.5.1 wordt alleen verleend indien de aanwezige archeologische waarden door de uitvoering niet onevenredig aangetast danwel kunnen niet worden aangetast;
  2. Burgemeester en wethouders kunnen advies inwinnen van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorschriften dienen te worden gesteld.
8.6          Vergunningvoorschriften
 
Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in 8.5.1 in ieder geval de volgende voorschriften verbinden:
  1. Het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden. Dit kunnen bijvoorbeeld zijn:
    1. alternatieven voor heiwerk;
    2. het niet bouwen van kelders;
    3. het aanbrengen van een beschermende bodemlaag;
    4. andere voorzieningen met het doel om archeologische waarden zo weinig mogelijk te schaden;
  2. Het doen van opgravingen door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB) en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. 
5 Overgangsregels
 
Artikel 9 Overgangsrecht
 
9.1          Overgangsrecht bouwwerken
 
9.1.1 Algemeen
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
9.1.2 Afwijkingen bij omgevingsvergunning
Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 9.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 9.1.1 met maximaal 10 %.
 
9.1.3 Uitzondering
Het bepaalde in 9.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan.
  
9.2          Overgangsrecht gebruik
 
9.2.1 Algemeen
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
 
9.2.2 Strijdig gebruik
Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 9.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
 
9.2.3 Onderbroken gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in 9.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
 
9.2.4 Uitzondering
Het bepaalde in 9.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.