| Plan: | Drakenrijk 2017 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0889.BPDrakenrijk-VA01 |
Op 17 maart 2008 heeft de gemeenteraad van Beesel het bestemmingsplan 'Drakenrijk' vastgesteld voor een gebied ten zuiden van de kern Reuver en ten noorden van de Rijksweg A73. Nadat een deel van het plangebied is ontgrond wordt ter plaatse een natuur -en recreatiepark gerealiseerd.
In artikel 3.1 van de Wro is bepaald dat de bestemming van gronden binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw wordt vastgesteld. Omdat de periode van tien jaar binnenkort verloopt is de gemeente Beesel voornemens een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor het gebied Drakenrijk. Uitgangspunt is dat een conserverend bestemmingsplan wordt opgesteld, waarin de in 2008 vastgestelde rechten en verplichtingen worden overgenomen.
In dit bestemmingsplan wordt een actuele juridisch-planologische regeling voor de ontwikkelingen binnen het plangebied vastgelegd. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding voor de locatie en bijbehorende regels. Deze toelichting vergezelt het plan.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Beesel, ten zuiden van de kern Reuver en ten oosten van de kern Beesel. Ten westen van het plangebied is de provinciale weg N271 gelegen, alsmede de spoorlijn Venlo - Roermond. Ten zuiden van het plangebied is de Rijksweg A73 gelegen. De omgeving van het plangebied is grotendeels agrarisch grondgebruik, behoudens een deel van de gronden ten noorden van het plangebied. Hier grenst het plangebied aan de Bergerhofweg. Direct ten noorden daarvan is het bedrijventerrein Roversheide gelegen.
|
| Afbeelding 1. Topgrafische kaart met aanduiding ligging plangebied (rode stippellijn) |
Nagenoeg het gehele plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan 'Drakenrijk', vastgesteld door de gemeenteraad van Beesel op 17 maart 2008, nr. 9 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Limburg bij besluit van 11 november 2008, nr. 2008/43532. De eco-voorzieningen door de N271 kunnen in het onderhavge bestemmingsplan alleen worden geregeld door dit deel van die weg toe te voegen aan het bestemmingsplan. Dit deel van de N271 is op dit moment geregeld in het bestemmingsplan 'Buitengebied'.
|
|
| Afbeelding 2. Uitsnede plankaart bestemmingsplan 'Drakenrijk' |
In het geldende bestemmingsplan 'Drakenrijk' zijn de volgende bestemmingen opgenomen:
In dit hoofdstuk is de ligging en begrenzing van het plangebied beschreven en is ingegaan op het geldende bestemmingsplan 'Drakenrijk'. Hoofdstuk 2 bevat de gebiedsbeschrijving. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid verwoord die betrekking hebben op onderhavig initiatief. Hoofdstuk 4 beschrijft de toetsing aan milieu- en overige onderzoeksaspecten op deze locatie. Hoofdstuk 5 bevat de planbeschrijving en in hoofdstuk 6 worden de planstukken beschreven. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid (overleg en inspraak, alsmede op de wettelijke procedure.
(Bron: toelichting bestemmingsplan 'Drakenrijk', Groen-Planning Maastricht BV)
Het plangebied bevindt zich op de overgang van de hogere naar de lagere zandgronden. Oorspronkelijk lagen hier overgangsbegroeiingen. Ten oosten van het gebied lag een moerasgebied dat ter plaatse van het plangebied door de drainerende werking van de Maas overging in minder natte gronden met opgaand bos. Tot in de 20e eeuw is de overgangszone bebost geweest, mogelijk vanwege de beperkte landbouwkundige mogelijkheden.
|
| Afbeelding 3. Landschap rond 1900 met aanduiding ligging plangebied (rode lijn) |
In het zuiden van het plangebied is nog een restant van deze bebossing aanwezig, in de vorm van een naaldbos. Het gebied heeft vooral een open karakter met akkers en grasland, afgewisseld met erfbeplanting rond gebouwen, boomkwekerijen en lijnvormige beplantingen.
Bij de ontginning van het plangebied en de wijde omgeving is een planmatige wegenstructuur aangebracht die in hoofdzaak van zuidwest naar noordoost loopt, evenwijdig aan de Maas en de in het naburige Duitsland gelegen steilrand van het hoogterras. De cultuurhistorische waarden binnen het plangebied zijn beperkt. Het gebied is nooit intensief in gebruik geweest. Het wegenpatroon kan als cultuurhistorisch element worden aangemerkt. Ook de ontginningsgeschiedenis is duidelijk uit het landschap leesbaar. De provinciale weg is in landschappelijk opzicht een belangrijk gegeven. Ter plaatse van het huidige Jagershuis stond rond 1840 al een boerderij en de ontginningsboerderij Bergerhof is weergegeven op de kaart van rond 1900. Beide gebouwen zijn juist buiten het plangebied gelegen.
Ook ten oosten van het plangebied liggen diverse ontginningsboerderijen in de veenontginning aan de voet van het Hoogterras die namen dragen als Theresiahoeve, St. Lambertushoeve en St. Annahoeve.
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Beesel. ten zuiden van de kern Reuver en ten oosten van de kern Beesel. Het gebied is grotendeels begrensd door bestaande infrastructuur: de Rijksweg A73 en de afrit daarvan aan de zuidoostzijde, de provinciale weg N271 en de Drakenrijkstraat aan de westzijde, de Bergerhofweg aan de noordzijde en de Drakenrijkstraat, Welkensvenweg en de Klokweg aan oost- en noordoostzijde.
|
| Afbeelding 4. Luchtfoto plangebied (rode stippellijn) |
Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit een recreatieplas (strandbad) in het midden van het gebied. Aan de zuidkant van het plangebied is een natuurgebied gelegen. De daar tussenin gelegen gronden zijn in gebruik voor de winning van grondstoffen /zandveredelingsinstallatie. Het gebied ten oosten van de provinciale weg N271 is in gebruik voor agrarische doeleinden en delfstofwinning. Het noordelijke deel van het plangebied bestaat uit een manege met bijbehorende gronden, alsmede een tennisbanencomplex.
|
| Afbeelding 5. Zandveredelingsinstallatie, gezien vanaf de provinciale weg N271 |
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In deze Structuurvisie staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om zelf oplossingen te creëren. Het Rijk richt zich met name op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen.
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende bestaande nota's, zoals de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de agenda Landschap en de agenda Vitaal platteland.
Het Rijk zet zich voor wat betreft het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. In de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu worden drie hoofddoelen genoemd om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):
Voor de drie rijksdoelen worden de onderwerpen van nationaal belang benoemd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig plangebied zijn als volgt:
Afweging Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In de nationale Structuurvisie Ondergrond (Strong) is vastgelegd dat de winning van bouwgrondstoffen voor Nederland van nationaal belang is. Het plangebied omvat een reeds jaren geleden in gang gezette ontwikkeling waarvoor reeds een ontgrondingsvergunning is verleend en eerder een bestemmingsplan is vastgesteld voor de realisering van een dagrecreatieve voorziening. Mede in dat kader spelen er geen nationale belangen in het plangebied. In het plangebied is verder geen sprake van specifieke natuurlijke of cultuurhistorische waarden waarmee in de planvorming rekening gehouden moet worden.
Zoals elders uit deze toelichting blijkt, bestaan er verder ook vanuit milieuhygiënisch oogpunt, zoals geluid en externe veiligheid, geen belemmeringen in het gebied. De nationale belangen zijn dan ook niet in het geding als gevolg van onderhavig nieuw bestemmingsplan.
Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.
Onderwerpen waarvoor het rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken.
In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuur Netwerk Nederland (NNN), de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer. Ook is het onderwerp duurzame verstedelijking in de regelgeving opgenomen.
Afweging Barro
Op dit bestemmingsplan zijn geen van de belangen uit het Barro van toepassing.
De Rarro is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In het Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Beesel.
Afweging Rarro
Aangezien het bestemmingsplan geen bebouwing hoger dan 114 meter toestaat, vormt dit geen belemmering voor het radarverstoringsgebied.
Artikel 3.1.6 van het Bro bevat een motiveringsplicht opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied
In dit geval is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het betreft een reeds eerder in gang gezette ontwikkeling die in eerste instantie bestaat/bestond uit de winning van grondstoffen en daarna het gefaseerd realiseren van een dagrecreatief terrein. Grote delen van deze ontwikkeling zijn reeds gerealiseerd. Met het onderhavige bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen geboden die niet nu al mogelijk zijn volgens het geldende bestemmingsplan. De Ladder voor duurzame verstedelijking is op dit plan derhalve niet van toepassing.
In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen:
In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: 'op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben'.
Ten behoeve van het geldende bestemmingsplan is een MER opgesteld. In dit rapport is de achtergrond en het doel van Drakenrijk beschreven en zijn de randvoorwaarden benoemd die voor een economisch levensvatbaar recreatiepark noodzakelijk zijn. Het MER beschrijft de (destijds) bestaande toestand en de ontwikkeling die zonder Drakenrijk zou plaatsvinden. Dit is de referentiesituatie waarmee de effecten van Drakenrijk zijn vergeleken.
Voorts is het voorgenomen natuur -en recreatiepark en de daarmee samenhangende bouwgrondstoffenwinning beschreven. Hierbij is onderscheid gemaakt in de voorgenomen activiteit en een zogenaamd meest milieuvriendelijk alternatief. In het meest milieuvriendelijke alternatief zijn de maatregelen beschreven om de positieve effecten op het milieu zoveel mogelijk te versterken en de negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken.
De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plichtigheid van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 4.1.5.
De Wet natuurbescherming voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Deze wet is op 1 januari 2017 in werking getreden.
Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet.
Het doel van de Wet Natuurbescherming is drieledig:
Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer.
De tot 1 januari 2017 geldende Natuurbeschermingswet was een vertaling van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn naar nationale regelgeving. De Natuurbeschermingswet regelde de bescherming van Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten. Deze wettelijke bescherming is echter anders dan de bescherming van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Die bescherming verloopt immers via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via natuurwetgeving.
In de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden, is de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde gebleven. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan de EHS / het NNN of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of –landschap.
|
| Afbeelding 6. Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden. |
Op een afstand van ca. 3,7 km ten zuiden van het plangebied is het Natura 2000-gebied Swalmdal gelegen. Op een afstand van ca. 1,5 km ten oosten van het plangebied is op Duits grondgebied het Vogelschutzgebied 'Schwalm-, Nette- Platte mi Grenzwald u. Meinweg' gelegen. Op ca. 2,6 km ten oosten van het plangebied is als onderdeel van dit Vogelrichtlijngebied het Natura 2000-gebied 'Wälder und Heiden bei Brüggen-Bracht' gelegen.
Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de 'Effectenindicator Natura 2000'. De effectenindicator geeft generieke informatie over mogelijke effecten van de activiteit. Uit de effectenindicator kan niet op voorhand worden afgeleid of een activiteit schadelijk is.
De activiteit recreatie komt niet voor in de effectenindicator. Wel komt de activiteit 'landrecreatie' voor. Hieronder wordt echter iets anders verstaan dan de dagrecreatie zoals die plaatsvindt binnen het plangebied. Bij 'landrecreatie' wordt gedoeld op manieren waarop men in de natuur zelf recreëert. Er zijn vele vormen zoals wandelen, fietsen, paardrijden en mountainbiken, maar ook eenmalige recreatievormen zoals manifestaties en (vuurwerk)evenementen.
De effecten van de dagrecreatieve mogelijkheden binnen het plangebied zijn echter min of meer vergelijkbaar met woningbouw. Deze activiteit heeft vele tijdelijke en permanente gevolgen op natuur. Meest duidelijk is het verlies aan oppervlakte: waar woningen staan is geen natuur mogelijk. Door de aanleg kunnen ook migratieroutes verbroken worden of treedt versnippering op van een netwerk van natuurgebieden. In de aanlegfase is verder vooral sprake van verstoring door geluid, licht, trillingen etc. Vaak wordt een gebied (tijdelijk) ontwaterd om bouwwerkzaamheden te vergemakkelijken Ook moet rekening worden gehouden met negatieve effecten door bouwverkeer (verontreiniging). Als de woningen eenmaal in gebruik worden genomen, is er naast een permanente verandering in licht- en geluidsbelasting ook sprake van nevenactiviteiten zoals toenemende recreatie en toenemend wegverkeer, hetgeen een hogere druk legt op de aanwezige natuurwaarden.
|
| Afbeelding 7. Effecten van woningbouw op Natura 2000-gebied Swalmdal |
Oppervlakteverlies leidt tot een afname van beschikbaar oppervlak van leefgebied voor soorten en/of habitattypen. Dit is in dit geval niet aan de orde, aangezien het plangebied niet is gelegen binnen het Natura 2000-gebied.
Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Ook dit is in dit geval niet aan de orde.
Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Behoudens stikstofdepositie als gevolg van verkeersbewegingen is er geen sprake van verontreiniging.
Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Gelet op de afstand tot het Natura 2000-gebied hebben de realisering van het recreatieterrein en de daaraan voorafgaande ontgronding geen negatieve invloed op de grondwaterstand in het Swalmdal.
Verstoring door geluid betreft verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid van wegverkeer danwel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. De afstand van het plangebied tot het Swalmdal is zodanig dat geluid vanuit de inrichting en vanwege wegverkeer door bezoekers, niet waarneembaar is in het Swalmdal.
Verstoring door licht heeft betrekking op verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc, en in dit geval dus een grootschalig recreatieterrein.
Van verstoring door trilling is sprake als er sprake is van trillingen in bodem en water, als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Ook deze potentiële verstoring is in dit geval niet aan de orde, gelet op de afstand van het plamngebied tot de natuurgebieden.
Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Deze aspecten doent zich niet voor, aangezien de realisering van het recreatieterrein niet leidt tot mensen/voorwerpen in het Swalmdal.
Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Ook deze effecten zijn door de afstand tot het plangebied niet aan de orde.
Naast recreatie is binnen het plangebied ook sprake van ontgronding. De effecten van ontgrondingen van oppervlaktedelfstoffen kunnen tijdelijk en permanent van aard zijn. Er zijn effecten op het abiotische en biotische milieu. Naast ruimtebeslag kan er sprake zijn van verandering in bodem en waterhuishouding, verstoring, en emissie van stoffen naar lucht, bodem of water.
|
| Afbeelding 8. Effecten van zand- en grindwinning |
Met uitzondering van de effecten onder 9. en onder 12. zijn alle mogelijke effecten reeds besproken bij de activiteit woningbouw. De daarbij genoemde conclusies gelden ook voor de activiteit zand- en grondwinning.
Vernatting manifesteert zich in hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel veroorzaakt door menselijk handelen. Dit effect zal zich niet voordoen, gelet op de grote afstand ten opzichte van het plangebied.
Van verandering dynamiek substraat is sprake als er een verandering optreedt in de bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen, bijvoorbeeld door aanslibbing of verstuiving. Ook hiervan is geen sprake. De ontgronding vindt plaats op een zodanig grote afstand van het plangebied dat deze geen effecten heeft op de bodemdichtheid en/of -samenstelling in het Swalmdal.
Ook buitenlandse Natura 2000-gebieden vallen onder de reikwijdte van de wet.
Bij het opstellen van een bestemmingsplan beziet de gemeenteraad in de zogenoemde ‘voortoets’of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Dit is het geval indien de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan – al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden. Indien deze gevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient ingevolge artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming voorafgaand aan de vaststelling van een plan een passende beoordeling te worden uitgevoerd van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. In afwijking daarvan hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.
Het betreft een reeds jaren geleden in gang gezette ontwikkeling waarvoor reeds een ontgrondingsvergunning is verleend en eerder een bestemmingsplan is vastgesteld voor de realisering van een dagrecreatieve voorziening. Omdat sprake is van een conserverend plan is een voortoets niet noodzakelijk.
Op 27 mei 2008 is voor het plangebied door Groen-Planning Maastricht BV een flora en fauna onderzoek uitgevoerd.In het rapport is aangegeven dat voor een aantal beschemde soorten een ontheffing ingevolge de toen geldende Flora en faunawet noodzakelijk was. De benodigde ontheffing is verleend en de mitigerende maatregelen zijn uitgevoerd.
Het betreft een reeds jaren geleden in gang gezette ontwikkeling waarvoor reeds een ontgrondingsvergunning is verleend en eerder een bestemmingsplan is vastgesteld voor de realisering van een dagrecreatieve voorziening. Omdat sprake is van een conserverend plan is een nieuw flora en faunaonderzoek niet noodzakelijk.
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met het Nationaal Waterplan 2016-2021 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij wordt gestreefd naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan 2016-2021 dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.
Afweging Nationaal Waterplan
Zoals blijkt uit de navolgende paragrafen, alsmede paragraaf 4.6 van deze toelichting, geldt duurzaam waterbeheer als uitgangspunt voor de nieuwbouw.
De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven, betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat toegelaten wordt dat rivieren bij hoge waterstanden gecontroleerd buiten hun oevers treden, op plekken waar daar ruimte voor is gemaakt. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.
Vasthouden, bergen, afvoeren
De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een strategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk wordt afgevoerd, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.
Afweging duurzaam waterbeheer 21e eeuw
De sfeer van het park wordt gevormd middels een parkachtige uitstraling met veel water, groen en natuur. Het waterelement van het park wordt hoofdzakelijk gevormd door een gerealiseerde/te realiseren kleine en grote plas met bijbehorende strandvoorzieningen en ligweiden. Het water in de plas dient minimaal zwemwaterkwaliteit te zijn. In het centrum komen de entreegebouwen, een overdekte speeltuin, en sanitaire voorzieningen. Aan de randen worden de parkeervoorzieningen geprojecteerd. Het ontgraven van de plassen wordt in 4 fasen in een periode van ca. 10 jaar uitgevoerd. Door de gefaseerde uitvoering worden de geohydrologisch effecten tijdens de uitvoering geminimaliseerd en is er de mogelijkheid tot het bufferen van tijdelijke wateroverschot. De Klokbeek wordt verlegd.
De westoever van de hoofdplas zal worden ingericht ten behoeve van biotopen voor aan water gebonden natuurwaarden. In de eindfase zal het verharde oppervlak toegenomen zijn met ca. 1 ha. bebouwing, ca. 3 ha. verhard parkeerterrein en ca. 3 ha. halfverhard parkeerterrein. Door aan de oostzijde van de plassen een moeilijk doorlatende toplaag aan te leggen en door gemanaged waterniveau in de kleine plas, wordt het geohydrologisch effect in de eindsituatie geminimaliseerd.
In het kader van duurzaam waterbeheer wordt getracht zoveel mogelijk hemelwater af te koppelen van het rioolstelsel. Binnen het plangebied wordt gestreefd naar een 100% afkoppeling van hemelwater. Zowel het dakwater als het overige hemelwater zal plaatselijk via bodempassage in de ondergrond infiltreren en uitzijgen naar de waterplas.
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet is een achttal wetten samengevoegd tot één wet. Het Waterbesluit is de uitwerking bij algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving.
Wat betreft de oppervlaktewaterlichamen geeft het Waterbesluit een grondslag om de grenzen hiervan in de Waterregeling vast te leggen en een grondslag voor de grenzen van de gebieden die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken (vergelijkbaar met het voormalige Besluit rijksrivieren op grond van art. 2a Wbr).
Afweging Waterwet 2009
De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling vormen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
Op 12 december 2014 hebben Provinciale Staten van Limburg als onderdeel van een integrale omgevingsvisie het POL 2014 'Voor de kwaliteit van Limburg' vastgesteld. Op 16 januari 2015 is het POL 2014 in werking getreden.
De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, worden in het POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.
Binnen het bebouwd gebied worden de volgende zones onderscheiden:
In het landelijk gebied gaat het om de zones:
Het plangebied is grotendeels gelegen binnen de zone buitengebied. Het natuurgebied aan de zuidkant van het plangebied is gelegen binnen de Goudgroene natuurzone.
|
| Afbeelding 9. Uitsnede POL-kaart Integrale zonering Limburg met globale aanduiding ligging plangebied (rode stippellijn) |
Voor de zone Buitengebied gelden de volgende doelstellingen:
Onder de Goudgroene natuurzone vallen gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter)nationale betekenis. Het accent ligt in dit gebied op:
De opgave is het realiseren van een robuust en duurzaam in stand te houden netwerk van natuurgebieden als basis voor behoud en herstel van de voor Limburg kenmerkende flora, fauna en habitats, met name in de goudgroene en zilvergroene natuurzone. Daartoe moeten ook randvoorwaarden op het gebied van milieu en water worden gerealiseerd en worden cultuurhistorische waarden volwaardig meegewogen, beschermd en waar mogelijk versterkt.
Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied verbonden zijn, waaronder de vrijetijdseconomie.
Afweging POL 2014.
Omdat sprake is van een reeds jaren geleden ingezette ontwikkeling en omdat met de eindsituatie van dit plan een kwalitatieve impuls wordt gegeven aan het voorzieningenniveau op het gebied van vrijetijdseconomie, past het onderhavige plan binnen de doelstellingen van het POL 2014.
Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld en in werking getreden. De verordening is daarna nog enkele malen op onderdelen gewijzigd. Op 30 december 2016 is een geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Limburg 2014 gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl. Deze geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Limburg 2014 geeft de situatie weer op basis van de integratie van respectievelijk:
De voorheen geldende Omgevingsverordening Limburg was een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. De Omgevingsverordening Limburg is op 1 januari 2011 in werking getreden. De Omgevingsverordening is opnieuw gewijzigd, vanwege de vaststelling van POL 2014, waarin is bepaald dat er een nieuw hoofdstuk Ruimte aan de Omgevingsverordening wordt toegevoegd. Dat hoofdstuk Ruimte is gericht op de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen. Behalve de toevoeging van het hoofdstuk Ruimte zijn in de Omgevingsverordening Limburg 2014 ook de verordeningen Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document. Tenslotte is van de gelegenheid gebruik gemaakt om diverse technische aanpassingen en verbeteringen in de overige onderdelen aan te brengen.
De Omgevingsverordening bevat regels over diverse onderwerpen, zoals de aanwijzing van milieubeschermingsgebieden.
Op grond van artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 houdt een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking). Tevens dienen de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen te worden onderzocht. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan beide aspecten.
Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.
In artikel 2.4.6 (Vrijetijdseconomie) is vastgelegd dat een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg, niet voorziet in de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad vrijetijdseconomie alsmede aan de bestaande planvoorraad vrijetijdseconomie anders dan in overeenstemming met de thematische principes zoals beschreven in het POL2014 en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg. De toelichting bij het ruimtelijke plan bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan de genoemde bepaling.
In de Omgevingsverordening Limburg 2014 is voor de spoorlijn Venlo - Roermond de aanduiding 'Reserveringszones langs spoorwegen' opgenomen. Een ruimtelijk plan voor gronden die zijn gelegen binnen die resveringszone dient de aanduiding ‘reserveringszone’ op te nemen, grenzend aan de buitenste kantstreep van de bestaande weg of gerekend vanuit het hart van het bestaande spoor van respectievelijk een provinciale weg of een spoorweg. De breedte van een reserveringszone wordt gemeten vanaf de buitenste kantstreep of vanuit het hart van het bestaande spoor en bedraagt 15 meter aan weerszijden.
Afweging Omgevingsverordening Limburg 2014.
Voor wat betreft de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.1.4.
Het plangebied is niet gelegen binnen de reserveringszone van de nabijgelegen spoorlijn Venlo - Roermond
Het plangebied ligt niet binnen overige milieubeschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap, behoudens een deel van het plangebied dat is gelegen binnen de Goudgroene natuurzone. Voor dit deel van het plangebied blijft de bestemming 'Natuur' echter gehandhaafd, waardoor er geen sprake is van aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied.
Het onderhavige bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan. Ten opzichte van het geldende bestemmingsplan is er geen sprake van een toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie. Vanuit het hoofdstuk Ruimte zijn er ook overigens geen rechtstreeks doorwerkende regels die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014.
In april 2016 hebben de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten in Noord-Limburg en Gedeputeerde Staten van Limburg de 'Bestuursafspraken POL-uitwerkingen Noord-Limburg' ondertekend.
In de bestuursovereenkomst is vastgelegd dat:
Specifieke voor dagrecreatie zijn onder andere de volgende uitgangspunten vastgelegd:
In het najaar van 2017 is een 1e actualisatie van de bestuursafspraken opgedteld ten behoeve van raadsconsultaties in december 2017. Voor dagrecreatie zijn hierin de volgende afspraken vastgelegd:
De bestuursafspraken zien vooral op nieuwe initiatieven. In dit geval is sprake van een conserverend bestemmingsplan waarin geen sprake is van nieuwe initiatieven. De bestuursafspraken zien dan ook niet op het onderhavige bestemmingsplan en vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Als uitvloeisel van de in par. 3.3.1 genoemde bestuursafspraken is in het najaar van 2017 het 'Actieprogramma vrijetijdseconomie Noord-Limburg 2018-2025' gepresenteerd. Als kern van de opgave in de vrijetijdseconomie in Noord-Limburg wordt genoemd dat er een focus moet komen op familierecreatie dat op het niveau van de 21e eeuw wordt ingevuld. Nieuwe recreatieve initiatieven worden getoetst aan de POL-uitwerking vrijetijdseconomie en aan het actieprogramma. In dit geval is geen sprake van een nieuw initiatief maar betreft het een conserverend bestemmingsplan voor een bestaande ontwikkeling. Het actieprogramma vormt derhalve gene belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Met de structuurvisie (vastgesteld d.d. 12 september 2011) legt de gemeente de visie en de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid vast, gebiedsdekkend voor de gemeente Beesel. Dat bevordert de samenhang tussen diverse ontwikkelingen en maakt duidelijk vanuit welke visie concrete ruimtelijke plannen (kunnen) worden ontwikkeld. Het bevat de ambities van de gemeente op velerlei gebieden zoals wonen en werken, bereikbaarheid, natuur en landschap, agrarische activiteiten, recreatie en toerisme, leefbaarheid, water en duurzaamheid.
|
| Afbeelding 10. Uitsnede uit kaart Structuurvisie Beesel. Zonering ruimtelijke ontwikkelingen met een deel van de bijbehorende legenda en met aanduiding ligging plangebied (rode lijn) |
Het streefbeeld voor het buitengebied bestaat uit een groene buffer tussen de stedelijke gebieden van Roermond en Venlo. Het is meer nog dan nu een aantrekkelijk gebied om te recreëren. Natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten zijn versterkt en meer beleefbaar gemaakt. De prachtige groene omgeving zorgt voor een aantrekkelijk woonklimaat in Beesel. Het buitengebied van Beesel is vitaal. Naast agrarische activiteiten vindt er kleinschalige bedrijvigheid plaats in de vrijgekomen agrarische bebouwing, waaronder activiteiten in de zorg en recreatie.
Volgens de structuurvisiekaart Zonering ruimtelijke ontwikkelingen ligt het plangebied binnen gebied dat is aangewezen voor dag- en verblijfsrecreatie en voor mogelijke uitbreiding daarvan, voor bos en natuur en voor water.
In het streefbeeld voor het buitengebied heeft Drakenrijk een aan het park gerelateerde vorm van verblijfsrecreatie toegevoegd aan haar programma. Tussen de vier belangrijkste publiekstrekkers de Lommerbergen, Drakenrijk, het veer en de kernen van Reuver en Beesel bevinden zich recreatieve snelwegen, waarover recreanten veilig en mooi kunnen pendelen tussen de recreatieve hotspots. Uitgangspunt daarbij is dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande infrastructuur.
De beoogde ontwikkeling past binnen de beleidskaders in de structuurvisie, aangezien daarin expliciet rekening is gehouden met de ontwikkeling binnen het plangebied tot het recreatiepark Drakenrijk.
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van bouwlocaties, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemmingen. Bij de daadwerkelijke invulling van nieuwe bouwmogelijkheden dient de kwaliteit van de bodem door middel van een bodemonderzoek, opgesteld volgens de daarvoor geldende normen, te worden onderzocht.
In het kader van de voorbereiding van het geldende bestemmingsplan 'Drakenrijk' zijn reeds de noodzakelijke onderzoeken uitgevoerd. De conclusie van die onderzoeken is dat in geen van de deelgebieden de streefwaarde van de onderzochte parameters werden overschreden, maar dat in het grondwater licht verhoogde gehalten aan cadmium, nikkel arseen en chroom waren aangetroffen. In zowel de boven- als de ondergrond overschreed geen van de onderzochte parameters de bodemgebruikswaarde voor wonen en intensief gebruikt openbaar groen. Er waren dan ook geen bezwaren tegen de destijds voorgenomen bestemmingswijziging.
Na de vaststelling van het bestemmingsplan zijn binnen het plangebied geen andere activiteiten uitgevoerd dan datgene wat al mogelijk is op grond van het geldende bestemmingsplan en waarmee destijds in de onderzoeken rekening is gehouden.
Voor wat betreft de bodem- en grondwaterkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de realisering van de beoogde functies binnen het plangebied.
Akoestisch onderzoek is noodzakelijk indien nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen worden toegestaan binnen de onderzoekszone van spoorwegen en van de wegen waarvoor een maximumsnelheid van 50 km-uur of meer geldt. Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden.
Binnen het plangebied worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt.
In de toelichting van het geldende bestemmingsplan zijn de effecten beschreven op het gebied van geluidhinder. Daarbij is onderscheid gemaakt in de volgende bronnen.
Destijds is geconcludeerd dat in en nabij het plangebied woningen zijn gelegen waarop de geluidbelasting voor kortere of langere tijd hoger zal zijn dan de grenswaarde van 50 dB(A). Het gaat om woningen aan de Rijksweg, de Heideweg, de Drakenrijkstraat en de Klokweg. Voor deze woningen zijn maatregelen genomen, zoals tijdelijke grondwallen en aankoop van woningen, danwel functiewijziging naar bedrijfswoning.
Woningen aan de Muiterdijk ten zuiden van het plangebied, de Bergerhofweg ten noorden van het plangebied en de buurt ten zuiden van de Heerweg zouden kortere of langere tijd worden belast met een geluidsdruk tussen de 40 dB(A) en 50 dB(A). Aangegeven werd dat het niet mogelijk was om de installaties zo uit te voeren of te lokaliseren dat er nooit een gevelbelasting hoger dan 45 dB(A) optreedt.
Vrachtauto’s met bestemming verwerkingsinstallatie zorgen voor een toename van het geluid op de wegen waar ze gebruik van maken. De hoogste geluidbelasting doet zich voor bij de woning aan de Rijksweg die het dichtste op de wegas ligt: 52 dB(A) op de gevel. Dit geluidsniveau ligt boven de voorkeursgrenswaarde, maar ligt ruim binnen de maximale grenswaarde van 65 dB(A) voor wegverkeerslawaai. Deze woning wordt belast ongeacht de locatie van de verwerkingsinrichting. Rond 2008 zou de situatie voor deze woning veranderen.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de continuering van de zandwinning en voor de continuering en uitbreiding van de dagrecreatieve activiteiten.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het 'Besluit transportroutes externe veiligheid'), vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Groepsrisico
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
In het Bevi is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangevenhoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
(Beperkt) kwetsbare objecten
Er moet getoetst worden aan het Bevi, het Bevb en het Bevt wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants.
Risicovolle activiteiten
In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plangebied sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan.
Kwetsbare objecten.
De volgende functies zijn of zullen in het plangebied gerealiseerd worden:
Inrichtingen.
Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico's van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enz.
De gemeente Beesel heeft haar beleid over externe veiligheid in 2011 vastgelegd in de beleidsvisie externe veiligheid en bijbehorende veiligheidskaart.
|
| Afbeelding 11. Uitsnede Veiligheidskaart gemeente Beesel met aanduiding ligging plangebied (zwarte stippellijn) |
Relevante risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn:
Buisleidingen.
Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb), welke op 1 januari 2011 in werking zijn getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
Ten westen van het plangebied is een aardgasleiding gelegen. Het plangebied ligt echter buiten de op de gemeentelijke veiligheidskaart aangegeven toetsingsafstand voor buisleidingen.
Vervoer over de weg.
Transport van gevaarlijke stoffen over de weg die niet hun bron of bestemming in de gemeente hebben, gaat volgens de gemeentelijke beleidsvisie nagenoeg uitsluitend over de A73. De volgende transporten van gevaarlijke stoffen vinden plaats in de gemeente (excl. stukgoed):
De gemeente beschikt niet over een door de gemeenteraad vastgestelde gemeentelijk routeringstelsel voor het transport van gevaarlijke stoffen.
Door Royal Haskoning zijn in 2011 ten behoeve van de beleidsvisie risicoberekeningen uitgevoerd ten aanzien van de A73 voor de toenmalige situatie (2007) en voor de toekomstige situatie (2020). Voor de toekomstige situatie is destijds uitgegaan van de prognoses van Rijkswaterstaat ten aanzien van de transportintensiteiten. Daarnaast zijn behalve de toenmalige persoonsdichtheden (wonen, werken plus overig), de persoonsdichtheden van het Drakenrijk toegevoegd. Uit de rekenresultaten blijkt dat de A73 ter hoogte van de gemeente Beesel voor de toekomstige situatie (2020) geen PR 10-6 contour heeft. De PR 10-7 en 10-8 contouren voor 2020 zijn respectievelijk 30 meter en 106 meter. Het groepsrisico blijft zowel in de huidige als in de toekomstige situatie ruim onder de oriëntatiewaarde.
Vervoer per spoor.
Uit de resultaten in he kader van de gemeentelijke beleidsvisie blijkt dat de spoorweg Venlo-Roermond ter hoogte van de gemeente Beesel voor de huidige en toekomstige situatie (2020) geen PR 10-6 contour heeft. Dit betekent dat er ook geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contouren aanwezig kunnen zijn en dus wordt voldaan aan de grens- en richtwaarde voor het PR. De PR 10-7 en 10-8 contouren voor 2020 zijn maximaal (in het geval van bonte treinen) respectievelijk 15 meter en 91 meter. Het groepsrisico blijft onder de oriëntatiewaarde. In het destijds als toekomstig aangemerkte scenario met bonte treinen blijft het groepsrisico net onder de oriëntatiewaarde.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering in het kader van onderhavig bestemmingsplan.
Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid:
In 2008 is ten behoeve van het op dit moment geldende bestemmingsplan 'Drakenrijk' onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor luchtkwaliteit. Daarbij is getoetst aan de hand van de normen zoals opgenomen in de Wet luchtkwaliteit. Daarin is vastgelegd dat het bij de toetsing gaat om twee stoffen: stikstofdioxide en fijnstof.
In het onderzoek is destijds geconcludeerd dat bij de uitvoering van de werkzaamheden (uitvoeringsfase) wordt voldaan aan de normen van de Wet luchtkwaliteit en tevens dat op grond van de luchtkwaliteit aan de recreatie geen beperkingen hoven te worden gesteld.
In de eindsituatie gaat het om de effecten op de luchtkwaliteit als gevolg van het verkeer. Daarbij is destijds uitgegaan van de verkeersprognoses ten aanzien van de N271 en de Rijksweg 73-Zuid inclusief de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het initiatief na voltooing. Uit de analyse bleek dat de jaargemiddelde concentratie fijnstof niet boven de normen van de Wet luchtkwaliteit uitkomt. Ook het aantal overschrijdingsdagen komt niet uit boven de norm. De norm voor stikstofdioxide wordt op één plaats overschreden namelijk op de plaats waar de N 271 en de Rijksweg73–Zuid elkaar kruisen. De geconstateerde overschrijding is een overschatting omdat dit wegvak destijds als een kruising was gemodelleerd en niet als een viaduct zoals gerealiseerd.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de recreatieve voorzieningen. Volgens de kaarten van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) op de Atlas voor de Leefomgeving bedraagt de concentratie PM2,5 ter plaatse in 2015 10-11 µg/m³ en de concentratie PM10 18-19 µg/m³.
De concentratie NO2 ter plaatse bedraagt in 2015 16-18 µg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 en PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de beoogde ontwikkelingen. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Ook in de toekomst zal de locatie dus niet bezwaarlijk zijn in het kader van de luchtkwaliteit.
Het betreft een conserverend bestemmingsplan waarin geen nieuwe bouw- en/of gebruiksmogelijkheden worden toegestaan ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Het plan leidt dan ook niet tot een toename van stikstofdioxide en/of van fijn stof. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor de te vestigen functies. Het plan is dan ook niet bezwaarlijk in het kader van de luchtkwaliteit.
In bijlage C van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd.
Een bestemmingsplan waarin de activiteit zandwinning is opgenomen, is in categorie C 16.1 aangewezen als m.e.r.-plichtig (ontginning dan wel wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem), in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare.
Daarnaast is een plan m.e.r.-plichtig indien een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar par. 3.1.6.
In bijlage D van het besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en
besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd.
Een bestemmingsplan voor de activiteit 'themapark' is m.e.r.-beoordelingsplichtig (categorie D10 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage), in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van meer dan 25 ha.
Omdat de oppervlakte van het plangebied ruim 80 ha. bedraagt en daarmee de ondergrens/drempelwaarde voor m.e.r. (activiteit zandwinning) en voor m.e.r.-beoordeling (onderdeel themapark) wordt overschreden, is voor het onderhavige bestemmingsplan een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk.
In het kader van de procedure voor vaststelling van het geldende bestemmingsplan is al eerder een milieueffectrapportage uitgevoerd. Aangezien het onderhavige bestemmingsplan een conserverend plan betreft waarin geen nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden worden geboden, zijn de conclusies uit dat MER nog voldoende actueel en kan dat MER worden beschouwd als het MER ten behoeve van het onderhavige bestemingsplan.
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving.
Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. De (indicatieve) lijst 'Bedrijven en Milieuzonering 2009', uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse gemeenten, geeft weer wat de richtafstanden zijn voor milieubelastende activiteiten. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen.
De richtafstanden in de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype, zoals rustig buitengebied. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien onder andere de aanwezige functiemenging al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Volgens de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' dienen ten opzichte van milieugevoelige functies (zoals woningen), richtafstanden te worden aangehouden voor:
Binnen deze afstanden zijn woningen van derden gelegen. Dit betekent dat niet kan worden volstaan met een toets aan de VNG-brochure. Om die reden is ten behoeve van het geldende bestemingsplan eerder een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hiervoor wordt verwezen naar par. 4.1.2.2.
Een deel van het plangebied is gelegen binnen de geurzone van het potgrondbedrijf aan de Rijksweg 2a. De hiervoor in het geldende bestemmingsplan opgenomen milieuhindercirkel is in het onderhavige plan opgenomen middels de gebiedsaanduiding 'milieuzone - geurzone'. Voor het bedrijf is inmiddels een nieuwe omgevingsvergunning milieu van kracht en die wijkt qua geuroverlast niet af van de eerder verleende milieuvergunning, op basis waarvan de miklieuhindercirkel op de plankaart van het geldende bestemmingsplan is opgenomen.
De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
De Wet Natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden en de Beschermde natuurmonumenten. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Nature 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.
Conclusie gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming
Hiervoor wordt verwezen naar par. 3.1.6.2
De provinciale groenstructuur bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones) zijn ruimtelijk vastgelegd in het POL welke is vastgesteld op 12 december 2014. De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
Conclusie gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
Hiervoor wordt verwezen naar par. 3.2.1
Soortenbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming, heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten.
Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde 'algemene zorgplicht' (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onder de Wet Natuurbescherming vanaf 1 januari 2017 naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten uit 'bijlage A en B' van de Wet Natuurbescherming (Wnb-andere soorten), de door de betreffende provincie gekozen soorten uit het besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, de soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en met alle in Europa inheemse vogels vanwege de Vogelrichtlijn(Wnb-hrl).
Op de 'Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten ('categorie 1-4 soorten') zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Tenslotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen ('categorie 5-soorten').
Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er passende maatregelen getroffen kunnen worden om de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust en verblijfplaats te garanderen.
Conclusie soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming.
Hiervoor wordt verwezen naar par. 3.1.6.3.
In het kader van de voorbereiding van het geldende bestemmingsplan Drakenrijk is een inventariserend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn boringen door het hele plangebied uitgevoerd. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Destijds is dan ook geconcludeerd dat het plangebied een lage archeologische verwachting heeft en dat nader onderzoek niet nodig is.
Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg is de binnen het plangebied gelegen boerderij aan de Klokweg 1 opgenomen in het Monumenten Inventarisatie Programma (MIP). Het object is van belang omdat het een specimen van een bouwtraditie (traditionalisme) betreft. In het geldende bestemmingsplan zijn voor dit gebouw echter geen specifieke aanduidingen opgenomen ter bescherming van de karakteristiek van het pand. Omdat sprake is van een conserverend bestemmingsplan bestaat er geen aanleiding om hiervoor nu wel een regeling op te nemen.
Volgens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan en volgens de Risicokaart zijn er in het plangebied geen kabels en leidingen gelegen die een belemmering vormen voor de realisering van de plannen. Het plangebied is gelegen buiten de toetsingsafstand voor externe veiligheid van de ten westen gelegen aardgasleiding.
Er is derhalve geen sprake van kabels en/of leidingen die een belemmering vormen voor de realisering van het recreatiepark.
De verkeersaantrekkende werking als gevolg van de uitbreiding is onderzocht op basis van de normen in de publicatie ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van het CROW (publicatie 317). Voor een gemiddeld pretpark/ attractiepark (met een bezoekersaantal van 550.000 bezoekers per jaar) wordt uitgegaan van gemiddeld 702,2 verkeersbewegingen per dag.
In het in 2007 opgestelde MER-rapport is aangegeven dat de initiatiefnemers uiteindelijke rekening houden met de volgende bezoekersaantallen en capaciteiten.
|
| Tabel bezoekesraantallen MER-Rapport 2007 |
Uit de tabel blijkt dat in het MER in 2007 al rekening is gehouden met méér verkeersbewegingen dan momenteel volgens de CROW-normen wenselijk wordt geacht. In 2007 is al geconcludeerd dat met de verwachte aantallen verkeersbewegingen geen knelpunten ontstaan die niet zijn op te lossen middels het treffen van maatregelen/voorzieningen. Met de gereedkoming van de rijksweg A-73 Zuid met een op- en afrit direct nabij het plangebied, is bovendien de bereikbaarheid van het attractiepark aanzienlijk verbeterd. Vanuit een oogpunt van verkeer en verkeersveiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen.
In de in par. 4.5.1 genoemde CROW-normen worden globale parkeerkencijfers genoemd voor een attractiepark, namelijk 4-12 parkeerplaatsen per ha. netto terrein. Het terrein heeft een oppervlakte van ca. 59 ha. Dit zou een parkeercapaciteit betekenen van 236-708 parkeerplaatsen.
In het in 2007 opgestelde MER is aangegeven dat in de eindsituatie een bewaakte, betaalde en halfverharde parkeervoorziening met een oppervlak van circa 1,5 hectare in gebruik zal zijn. Omdat dit terrein landschappelijk wordt ingepast, kan niet worden uitgegaan van ruimte-efficiënt parkeren. De capaciteit van het terrein bedraagt dan circa 500 plaatsen. Op zeer drukke dagen wordt aanvullende parkeergelegenheid geboden op een niet specifiek voor dit doel ingericht perceel naast de parkeervoorziening. Het totale oppervlak van de reguliere en de reserve parkeervoorziening samen is circa 3,7 hectare. Dit is ruim voldoende om op de drukste dag van het jaar in de parkeerbehoefte te voorzien. Ook rekening houdend met het ervaringsfeit dat parkeren op een niet specifiek daartoe ingerichte voorziening nooit ruimte-efficiënt zal zijn. De parkeervoorziening wordt gefaseerd aangelegd, naar aanleiding van de ontwikkeling van de parkeerbehoefte.
Met de eerder beoogde parkeercapaciteit wordt voldaan aan het globale parkeerkencijfers zoals aangegeven in de CROW-normen.
De laatste jaren heeft het waterbeleid een wezenlijk andere oriëntatie gekregen, namelijk van reageren naar anticiperen. In ruimtelijke plannen dient steeds meer aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid (kwantitatieve en kwalitatieve eigenschappen) en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk.
Vanuit Rijks- en provinciaal beleid wordt steeds meer nadruk gelegd op duurzaam waterbeheer in de bebouwde omgeving. Vernieuwing in het provinciaal waterbeheer wordt gestalte gegeven door onder andere een (grensoverschrijdende) stroomgebiedbenadering, een brongerichte aanpak, het solidariteitsprincipe (niet afwentelen) en het vooraf betrekken van water bij ruimtelijke ontwikkelingen en afwegingen.
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met het Nationaal Waterplan 2016-2021 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij wordt gestreefd naar een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan 2016-2021 dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.
De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven, betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Dat betekent bijvoorbeeld dat toegelaten wordt dat rivieren bij hoge waterstanden gecontroleerd buiten hun oevers treden, op plekken waar daar ruimte voor is gemaakt. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.
Het principe van vasthouden, bergen en afvoeren is van belang. De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een strategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk wordt afgevoerd, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet is een achttal wetten samengevoegd tot één wet. Het Waterbesluit is de uitwerking bij algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving.
Wat betreft de oppervlaktewaterlichamen geeft het Waterbesluit een grondslag om de grenzen hiervan in de Waterregeling vast te leggen en een grondslag voor de grenzen van de gebieden die zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor het gebruik van waterstaatswerken (vergelijkbaar met het voormalige Besluit rijksrivieren op grond van art. 2a Wbr).
Uit de kaarten behorende bij de Beleidslijn grote rivieren, blijkt dat het plangebied geheel gelegen is buiten het (stroomvoerend deel van het) rivierbed van de Maas.
De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemel- en afvalwater en de waterkering.
Op basis van de Omgevingsverordening 2014 ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied of een waterwingebied.
Binnen het plangebied lopen blijkens de Legger van het Waterschap Limburg delen van de primaire watergangen Klokbeek en Schelkensbeek.
|
| Afbeelding 12. Uitsnede Legger waterschap Limburg |
In de uit 2007 daterende plannen is reeds aangegeven dat de Klokbeek zal worden verlegd. Daarmee vormen de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied geen belemmeringen voor het fbehoud en het functioneren van de beide watergangen.
In of in de nabijheid van het plangebied komt voor het overige van nature geen oppervlaktewater voor. Als gevolg van de in uitvoering zijnde ontgronding zijn inmiddels wel enkele plassen ontstaan die voor een deel al in gebruik zijn als recreatief water.
Het afvalwater is aangesloten op een vuilwaterriool in de vorm van een bestaande drukriolering. De capaciteit hiervan is afgestemd op de aanwezige huishoudens in de omgeving, echter niet op de behoefte van een recreatief park. Bij de realistatie van nieuwe bouwwerken dient er vermoedelijk een capaciteitsverhoging plaats te vinden. In de regels is derhalve vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend kan worden verleend indien wordt aangetoond dat er voldoende capaciteit aanwezig is voor afvoer van afvalwater.
Bron: toelichting geldend bestemmingsplan 'Drakenrijk'
De sfeer van het attractiepark wordt gevormd door een parkachtige uitstraling met veel water, groen en natuur. Het waterelement van het park wordt hoofdzakelijk gevormd door een te realiseren kleine en grote plas met bijbehorende strandvoorzieningen en ligweiden. In het centrum zijn/komen de entreegebouwen, een overdekte speeltuin, en sanitaire voorzieningen. Aan de randen worden de parkeervoorzieningen geprojecteerd. Het ontgraven van de plassen is/wordt in 4 fasen itgevoerd. Door de gefaseerde uitvoering worden de geohydrologisch effecten tijdens de uitvoering geminimaliseerd en is er de mogelijkheid tot het bufferen van tijdelijke wateroverschot.
De westoever van de hoofdplas zal worden ingericht ten behoeve van biotopen voor aan water gebonden natuurwaarden. In de eindfase is het verharde oppervlak toegenomen zijn met ca. 1 ha. bebouwing, ca. 3 ha. verhard parkeerterrein en ca. 3 ha. halfverhard parkeerterrein.
In 2007 is reeds aangegeven dat aan de oostzijde van de plassen een moeilijk doorlatende toplaag zal worden aangelegd en dat door gemanaged waterniveau in de kleine plas, het geohydrologisch effect in de eindsituatie wordt geminimaliseerd.
In het kader van duurzaam waterbeheer wordt getracht zoveel mogelijk hemelwater af te koppelen van het rioolstelsel. Bij het afkoppelen van hemelwater is de “beslisboom verantwoord afkoppelen van regenwater” van toepassing. In de beslisboom wordt de voorkeursvolgorde hergebruik, infiltratie, afvoer naar oppervlaktewater, afvoer naar RWZI gehanteerd. Om verspreiding van diffuse verontreinigingen te voorkomen dient het gebruik van uitlogende materialen voorkomen te worden.
Binnen het plangebied wordt gestreefd naar een 100% afkoppeling van hemelwater. Zowel het dakwater als het overige hemelwater zal plaatselijk via bodempassage in de ondergrond infiltreren en uitzijgen naar de waterplas.
Voorliggend bestemmingsplan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan het waterschap Limburg. Voorafgaand aan de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan heeft eveneens overleg plaatsgevonden met het (toenmalige) Waterschap Noord-Limburg. Het waterschap heeft destijds geadviseerd dat de aanleg van een bodempassage of andere vorm van voorbehandeling vanwege de gewenste waterkwaliteit wenselijk wordt geacht, met name voor het hemelwater afkomstig van het parkeerterrein. De intensief te gebruiken parkeerterreinen dienen derhalve voorzien te worden van een waterdoorlatende verharding met zuiverende werking. Ter plaatse van extensief te gebruiken delen kan hierin volstaan worden met een halfverharding.
Het onderhavige bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan, waarin geen nieuwe ontwikkelingen worden meegenomen die niet ook al juridisch-planologisch zijn geregeld in het geldende bestemmingsplan.
Reeds in de toelichting van het geldende bestemmingsplan is aangegeven dat het natuur- en recreatiepark toe groeit naar een situatie waarin het volgende aanwezig is:
Nieuwe ontwikkelingen zijn momenteel niet voorzien. Als deze zich aandienen zal hiervoor een aparte juridisch-planologische procedure worden doorlopen als het gaat om voorzieningen/ontwikkelingen waarmee in dit bestemmingsplan nog geen rekening is gehouden.
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De regels en verbeelding zijn opgesteld op basis van de landelijk geldende standaarden (SVBP 2012).
De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen aanduidingen zijn aangegeven, waaraan in de regels voorwaarden zijn verbonden. De opgenomen verklaring is niet juridisch bindend en is op de verbeelding opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding.
Alle bestemmingen en aanduidingen zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Het geldende bestemmingsplan is echter nog een analoog bestemmingsplan dat niet voldoet aan de voorschriften volgens de SVBP 2012. Dit betekent dat de systematiek van bestemmen afwijkt van het geldende bestemmingsplan, maar dat inhoudelijk alle bestemmingen en aanduidingen wel terugkomen in het onderhavige plan.
De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:
De inleidende regels behelzen de begrippen en de wijze van meten.
In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn.
Wijze van meten (artikel 2)
Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden.
De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:
Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.
De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving.
In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel.
De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten.
Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht.
| Bestemming / artikel | Toelichting | |
|
Agrarisch
(artikel 3) |
Deze bestemming is opgenomen voor een deel van het perceel aan de Klokweg 1. In het geldende bestemmingslan is dit perceelsgedeelte bestemd tot 'Agrarisch gebied A'. De gronden zijn bestemd voor duurzaam agrarisch grondgebruik, agrarisch bedrijfsmatig- en/of hobbymatig gebruik en behoud, ontwikkeling en versterking van de agrarische waarden en de aanwezige landschappelijke- en cultuurhistorische waarden. |
|
|
Agrarisch - Grondgebonden
(artikel 4) |
Deze bestemming is met een bouwvlak opgenomen voor de bedrijfslocatie aan de Klokweg 1. Het bouwvlak is 1 op 1 overgenomen van de bestemming 'Agrarisch bouwblok AB' in het geldende bestemmingsplan. De gronden zijn bestemd voor agrarisch grondgebruik en voor agrarische bedrijfsdoeleinden, in de vorm van een overwegend grondgebonden bedrijf, waaronder tevens wordt begrepen be- en/of verwerking van producten of grondstoffen uit de agrarische sector tot halffabrikaten of eindproducten. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor dienstverlening aan vormen van dagrecreatie, waaronder kleinschalige horeca en voor wonen in een bedrijfswoning; |
|
|
Bos
(artikel 5 |
Deze bestemming is opgenomen voor een bestaand bosperceeltje in de hoek Welkensvenweg - Klokweg. Dit perceel is daarmee bestemd voor: | |
| - - - - - - - - - |
bos; behoud van de aldaar voorkomende ecologische, cultuurhistorische en milieuwaarden; verbetering van het milieu voor de natuurlijke levensgemeenschappen; houtproductie; kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals boomhutten en voorzieningen ten behoeve van boomkroonwandelingen in de vorm van een boomkroonpad; recreatief medegebruik; ontsluitingspaden. |
|
|
Groen
(artikel 6) |
Deze bestemming is opgenomen voor een groenstrook die het plangebied aan de westzijde afschermt van de gronden aa de Rijksweg N271, alsmede voor een groenstrook langs een deel van de (te verleggen) Klokbeek. De gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen met bijbehorende voorzieningen |
|
|
Natuur
(artikel 7) |
De natuurbestemming is opgenomen voor het zuidelijke deel van het plangebied, nabij de afrit van de A-73. Dit deel van het plangebied is in het POL 2014 aangeduid als 'Goudgroene natuurzone'. Overeenkomstig het geldende bestemmingsplan is ook een klein perceelsgedeelte ten oosten van de Drakenrijkstraat (toegangsweg naar het centrale gebouw) bestemd tot 'Natuur'. De gronden zijn bestemd voor behoud en/of herstel van de aldaar voorkomende danwel daaraan eigen natuurwetenschappelijke, landschapsecologische- en/of landschappelijke waarden inclusief waterlopen, voor behoud en/of herstel van extensieve dagrecreatieve waarden, en voor dagrecreatieve voorzieningen, uitsluitend ten behoeve van boomhutten en ten behoeve van boomkroonwandelingen in de vorm van een boomkroonpad. |
|
|
Recreatie
(artikel 8) |
De bestemming 'Recreatie' is opgenomen voor het grootste deel van het plangebied. Deze gronden zijn bestemd voor: | |
| - - - - - - - - - - - - - - - |
dagrecreatieve voorzieningen, waaronder begrepen al dan niet overdekte attracties, horeca, dagstrand, detailhandel, al dan niet overdekte spel- en speelvoorzieningen; centrale voorzieningen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - centrale voorzieningen'; een manege, ter plaatse van de aanduiding 'manege'; evenemententerrein, inclusief de daarbij behorende tijdelijke bouwwerken zoals tenten, stellages en podia; speelterreinen; tennisvelden, ter plaatse van de aanduiding 'tennisbaan'; een zandveredelingsbedrijf met een zandveredelingsinstallatie met bijbehorende opslag en werken, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zandveredeling'; ecovoorzieningen zoals wildpassages, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - ecovoorziening'; geluidwallen; landschappelijk groen; speelheuvels; water; watergangen; wonen in een bedrijfswoning, alsmede ter plaatse van bestaande woningen; uitoefening van een beroep of bedrijf aan huis |
|
|
Verkeer
(artikel 9) |
De bestemming 'Verkeer' is opgenomen voor een deel van de Klokweg, alsmede voor een deel van de toegangsweg vanaf de rotonde Hovergelei - Rijksweg - Heideweg. Ten opzichte van het geldende bestemmingslan is een deel van de Rijksweg toegevoegd aan het onderavige bestemmingsplan, teneinde de reeds eerder geplande ecovoorzieningen juridisch-planologisch te kunnen regelen. |
|
|
Water
(artikel 10) |
Deze bestemming is opgenomen voor het deel van de (te verleggen) Klokbeek dat is gelegen binnen het plangebied. De gronden zijn bestemd voor waterberging, wateraanvoer en/of -afvoer, waterhuishouding, behoud en ontwikkeling van ecologische waarden van natuurlijk oppervlaktewater in de vorm van plassen, vennen en beken, primaire en secundaire waterlopen en daarbij behorende oevervoorzieningen, kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden en beheer- en onderhoudsstroken; | |
|
Waterstaat - Beschermingszone
watergang
(artikel 11) |
Deze dubbelbestemming is opgenomen op een strook ter breedte van 5 meter aan weerszijden van de watergang (Klokbeek). De gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de waterloop. |
|
In de algemene regels is een aantal standaardbepalingen opgenomen te weten, de antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels, algemene procedureregels en overige regels.
|
Anti-dubbeltelregel
(Artikel 12) |
In de anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. | |
|
Algemene bouwregels
(Artikel 13) |
In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen ten aanzien van ondergrondse werken en werkzaamheden en ondergrondse bouwwerken. Tevens zijn regels opgenomen over bestaande afstanden en maten. In dit artikel zijn ook de regels over parkeren binnen het plangebied opgenomen, met een verwijzing naar de parkeernormen in het 'Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2012-2015' | |
|
Algemene gebruiksregels
(Artikel 14) |
In de algemene gebruiksregels is aangegeven wat onder strijdig gebruik van het bestemmingsplan wordt verstaan. Tevens zijn regels opgenomen voor beroep en bedrijf aan huis, voor caravanstalling en kleinschalig kamperen binnen de agrarische bestemming en voor verkoop van zelfvoortgebrachte of streekeigen producten binnen de bestemming 'Agrarisch - Grondgebonden'. |
|
|
Algemene aanduidingsregels
(Artikel 15) |
In deze bepaling zijn overeenkomstig het geldende bestemmingsplan diverse algemene aanduidingen opgenomen. De plandelen waarvoor de aanduidingen zijn opgenomen komen overeen met de aanduidingen in het geldende bestemmingsplan, maar zijn wel anders genoemd om te kunnen voldoen aan de voorschriften in de SVBP2012. De volgende gebiedsaanduidingen zijn in het plan opgenomen: | |
|
geluidzone - industrie 1
(lid 15.1) en geluidzone - industrie 2 (lid 15.2) |
De gronden binnen deze aanduidingen zijn tevens bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting op nieuwe geluidgevoelige bebouwing als gevolg van industrielawaai vanwege de zandveredelingsinstallatie | |
|
geluidzone - weg
(lid 15.3) |
Deze aanduiding is opgenomen ter voorkoming van de realisering van geluidgevoelige functies binnen de wettelijke geluidzone van de A-73 | |
|
milieuzone - geurzone
(lid 15.4) |
Deze zone is opgenomen ter voorkoming van de realisering van geurgevoelige objecten binnen de geurzone van het potgrondbedrijf aan de Rijksweg 2a. | |
|
overige zone - doorgraving
voor ontgronding
toegestaan
(lid 15.5) |
Ter plaatse van deze aanduiding is het doorgraven van locale infrastructuur ten behoeve van het ontgronden van gronden toegestaan. Het betreft twee zones in de Klokweg en in de Welkensvenweg | |
|
overige zone -
landschappelijk groen
(lid 15.6) |
Deze aanduiding is overeenkomstig het geldende bestemmingsplan opgenomen op een strook langs de A-73. Binnen deze gronden is het verboden om gronden te gebruiken, anders dan voor landschappelijke voorzieningen ter afscherming van wegen, aansluitingen, kruisingen en bijkomende werken in het landschap. | |
|
overige zone -
ontgronding
(lid 15.7) |
Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden mede bestemd voor de winning van oppervlaktedelfstoffen. | |
|
vrijwaringszone - weg 1
(lid 15.8) en vrijwaringszone - weg 2 (lid 15.9) |
Dit zijn de bebouwingsvrije zones langs de A-73. Het betreft een zone van van 50 meter uit de as van de meest nabijgelegen rijstrook, waarbinnen niet mag worden gebouwd, en een zone van 50 - 100 meter, waarbinnen eventueel (na afwijking van het bestemmingsplan) kan worden gebouwd, na overleg met de wegbeheerder. | |
|
wetgevingzone -
afwijkingsgebied
(lid 15.10) |
Binnen deze zone kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het plan ten behoeve van het uitbreiden van de gronden waarvoor de aanduiding 'overige zone - ontgronding' is opgenomen, mits voor de uitvoering van de ontgronding door de provincie Limburg een vergunning is verleend op grond van de Ontgrondingenwet. | |
|
Algemene afwijkingsregels
(Artikel 16) |
In deze bepaling is aan het bevoegd gezag de mogelijkheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. | |
|
Algemene wijzigingsregels
(Artikel 17) |
In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de mogelijkheid te geven om de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen. | |
|
Algemene procedureregels
(Artikel 18) |
In dit artikel zijn procedureregels opgenomen voor het stellen van nadere eisen. Voor alle andere flexibiliteitsbepalingen (wijzigingen, afwijkingen en sloop- en 'aanleg'omgevingsvergunningen, zijn de procedureregels opgenomen in de Wet (Wro en Wabo) | |
|
Overige regels
(Artikel 19) |
In de overige regels is bepaald dat wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., waarnaar in het plan wordt verwezen, dienen te worden gelezen, zoals deze luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. | |
Dit hoofdstuk is het sluitstuk van de regels en bevat alle bepalingen die nog niet elders ondergebracht zijn. De regels zijn algemeen van aard en gelden in principe voor alle bestemmingen.
In het 'Overgangsrecht' (artikel 20) wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht.
Als laatste is de 'Slotregel' (artikel 21) opgenomen. Deze regel bevat de titel van het plan.
Op grond van de Wet ruimtelijke ordening rust op de gemeente de verplichting tot het verhaal van kosten die tot de grondexploitatie behoren op basis van een exploitatieplan. De gemeente kan hiervan afzien in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen, of indien:
Ingevolge artikel 9.1.20 van de Invoeringswet Wro blijft de vaststelling van een exploitatieplan achterwege voor zover op grond van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 10 of 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een bouwvergunning had kunnen worden verleend voor een bouwplan dat na 1 juli 2008 is aangewezen krachtens artikel 6.12, eerste lid, van de Wro, en bij de herziening van dat bestemmingsplan na dat tijdstip geen andere bestemmingsregeling is vastgesteld.
In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 9.1.20 van de Invoeringswet (Kamerstukken II 2008/2009, 31 750, nr. 8, blz. 5 en 6) is vermeld dat het niet redelijk is kosten voor onderzoek en planvorming te verhalen op al bestaande en gehandhaafde bouwtitels. Daarom is in de Invoeringswet een overgangsrechtelijke bepaling opgenomen, die de bestaande bouwtitels uitzondert van toepassing van het verplichte kostenverhaal via de artikelen 6.12 tot en met 6.22 van de Wro. Indien bouwmogelijkheden in een bestemmingsplan op grond van de Wro worden gewijzigd of uitgebreid, is wel het nieuwe regime van toepassing.
Aangezien het geldende bestemmingsplan een bestemmingsplan is als bedoeld in artikel 10 van de voorheen geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening, is kostenverhaal niet aan de orde.
Op grond van het bepaalde in artikel 6.1 Wro kennen burgemeester en wethouders aan degene die schade leidt als gevolg van de inwerkingtreding van onder andere een bestemmingsplan een tegemoetkoming toe voor zover de schade niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.
Het onderhavige bestemmingsplan is een conserverend bestemmingsplan, waarin geen sprake is van nieuwe ontwikkelingen op grond waarvan derden aanspraak kunnen maken op tegemoetkoming in planschade.
Een eerste vereiste voor een goede handhaving is een handhaafbaar bestemmingsplan. Bij het ontwikkelen van de regels is aangesloten bij de plansystematiek van het bestemmingsplan 'Buitengebied Beesel'. In dat plan is gekozen voor een zo helder mogelijke juridische methodiek. Deze methodiek is met het onderhavige bestemmingsplan niet gewijzigd.
De regels zijn zo geredigeerd, dat deze in de toetsingspraktijk hanteerbaar zijn. De regels bevatten duidelijke normen die niet voor verschillende uitleg vatbaar zijn en die tevens actueel en controleerbaar zijn.
Het bestemmingsplan bevat een juridisch toetsingskader voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Om deze kwaliteit voor de planperiode te kunnen garanderen is vereist, dat in de praktijk de planregels strikt worden toegepast en gehandhaafd.
Voordat het plan op grond van artikel 3.8 Wro in procedure is gebracht, is het plan ter advies aan verschillende instanties aangeboden.
De resultaten van het overleg zijn in onderstaande paragraaf opgenomen.
Het concept bestemmingsplan is ten behoeve van het overleg volgens artikel 3.1.1 Bro toegezonden aan onder andere de provincie Limburg.
De provincie Limburg heeft per mail aangegeven dat het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen. De beoordeling van het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien het plan op deze wijze wordt voortgezet, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen.
Rijkswaterstaat Zuid-Nederland heeft per mail aangegeven dat het plan is beoordeeld op de beheerdersaspecten, zoals deze door Rijkswaterstaat Zuid-Nederland worden behartigd. Het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.
De facultatieve inspraakmogelijkheid wordt overgeslagen. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd omdat voorafgaande inspraak wordt gezien als een dubbeling van procedures. Gedurende de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan krijgen burgers, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.
De wettelijke procedure volgens de Wet ruimtelijke ordening ziet er als volgt uit:
Het ontwerp bestemmingsplan 'Drakenrijk 2017' heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wro vanaf 15 februari 2018 zes weken ter inzage gelegen. Er zijn twee zienswijzen ontvangen. Éém zienswijze is ingetrokken. De overgebleven ziensiwjze en de beantwoording daarvan en enkele ambtshalve wijzigingen staan in de Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen (bijlage 1 bij deze toelichting).
Het bestemmingsplan is op 4 juni 2018 door de gemeenteraad vastgesteld.