direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22r Molenweg 3a
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0879.TAMOPH22r-VS01

Regels

Preambule

Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op het realiseren van één nieuwe woning in aansluiting op de bebouwde kom van Achtmaal op de locatie Molenweg 3a te Achtmaal.

Dit TAM-IMRO omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22r) van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22r van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22r.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22r.' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Achtmaal 3a te Achtmaal waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het gml bestand met identificatienummer NL.IMRO.0879.TAMOPH22r-VS01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
  • 2. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn op de locatie, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • 3. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het eerste lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Begripsbepalingen uit AMvB’s

De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsbesluit, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving en bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in 2.2 een afwijkende begripsomschrijving is opgenomen.

2.2 Aanvullende en afwijkende begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in 2.1, de volgende begripsbepalingen:

bestaand:

  • a. ten aanzien van bouwwerken: een bouwwerk, dat:
  • 1. bestaat of in uitvoering is op het moment dat dit hoofdstuk in werking treedt;
  • 2. na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen waarvoor de bouwaanvraag voor dat tijdstip is ingediend;
  • b. ten aanzien van gebruik: het gebruik van gronden en bouwwerken zoals aanwezig op het moment dat dit hoofdstuk in werking treedt;

huishouden:

een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen. Vaak is een huishouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksbinding of een met een huwelijksverbinding gelijk te stellen samenlevingsverband;

woning:

een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van:

  • één afzonderlijk huishouden; of
  • één huishouden plus maximaal twee individuele personen; of
  • vier individuele personen;

waarbij de volgende woningtypen te onderscheiden zijn:

  • a. vrijstaande woning: een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen, geen gemeenschappelijke wand heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen;
  • b. twee-aaneengebouwde woning:
    • 1. een woning, die deel uitmaakt van een blok van twee als woning aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen (twee-onder-één-kap);
    • 2. een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen één of meerdere gemeenschappelijke wanden heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen (geschakeld);
  • c. aaneengebouwde woning: een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee als woning aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen;
  • d. gestapelde woning: een woning in een woongebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24, de volgende meet- en rekenbepalingen:


de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:

de kortste afstand tussen de (zijdelingse) grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;


de afstand tussen gebouwen:

de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen;


de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;


de breedte van bouwpercelen:

tussen de zijdelingse perceelsscheidingen van het bouwperceel in de naar de zijde van de weg gekeerde perceelsgrens;


de breedte van woningen:

tussen de hoofdzijgevelvlakken in de naar de zijde van de weg gekeerde bouwgrens;


de diepte van gebouwen:

de grootste afstand in meters tussen de buitenwerkse eindgevelvlakken;


de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;


de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;


de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;


lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of hart van scheidsmuren);


Ondergeschikte bouwdelen:

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en bestaande grenzen niet meer bedraagt dan 1 meter.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Regels over functies en activiteiten

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in artikel 6 tot en met 7 aan een locatie toegedeelde functies.

Artikel 6 Agrarisch

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

6.2 Functieomschrijving

De als ‘Agrarisch’ aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. Agrarische bodemexploitatie;
  • b. Water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  • c. Extensief recreatief medegebruik;
  • d. Doeleinden van openbaar nut;
  • e. Bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de onwikkelingsmogelijkheden van de grondgebonden veehouderij en intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding ‘reconstructiewetzone - extensiveringsgebied’;
  • f. Het beschermen van omliggende woonfuncties ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone – spuitvrije zone’;
  • g. Tuinen bij (burger) woningen;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, kavelpaden en sloten.

6.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
6.3.1 Algemeen

Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:

  • a. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder dan 5 m bedragen.

6.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. er mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  • b. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan;
  • c. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan en daarvoor gelden de volgende regels:
    • 1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m.

6.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Regels voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m, behoudens erf- en perceelsafscheidingen, waarvan de bouwhoogte maximaal 1,5 m mag bedragen;
  • b. paardenbakken zijn niet toegestaan;
  • c. sleufsilo's zijn toegestaan onder de voorwaarden dat:

6.4 Specifieke regels voor functies
6.4.1 Verboden gebruik

Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest ten behoeve van enig bedrijf;
  • b. buitenopslag;
  • c. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan;
  • d. het gebruik van de gronden als plaats voor kampeermiddelen;
  • e. het gebruik ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen;
  • f. het bespuiten van gewassen met pesticiden.

Artikel 7 Wonen

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’.

7.2 Functieomschrijving

De als 'Wonen‘ aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. wonen in woningen;
  • b. een beroep of bedrijf aan huis;
  • c. paden, wegen en parkeervoorziening;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
7.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, waarbij geldt dat:
  • 1. Per functievlak is één woning toegestaan;
  • 2. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder bedragen dan 2 m;
  • 3. De goot- en bouwhoogte van de woning mag niet meer bedragen dan respectievelijk 5 en 9 meter;
  • 4. De inhoud van de woning bedraagt maximaal 750 m³;
  • 5. Het is niet toegestaan om hoofdgebouwen te splitsen in meerdere woningen;
  • 6. Vergroting van het hoofdgebouw over twee bouwlagen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;

7.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelegen buiten het bouwvlak gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bedraagt 100 m², mits voldaan wordt aan een bebouwingspercentage van 50% van het bouwperceel;
  • b. de afstand tot een zijdelingse eigendomsgrens met derden mag niet minder dan 3 meter bedragen;
  • c. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter bedragen;
  • d. Vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van tenminste 2 meter achter de voorgevellijn van de woning te worden opgericht.

7.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel mag niet meer bedragen dan 2 meter;
  • b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter;
  • c. De bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • d. De oppervlakte van een carport bedraagt maximaal 30 m² en de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 meter;
  • e. Een paardenbak is niet toegestaan.

 

7.4 Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften
  • a. Ter uitvoering van de functieomschrijving in paragraaf 7.1 zijn de burgemeester en wethouders bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, met inachtneming van het bepaalde in paragraaf 7.2, bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
  • 1. Het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorische waardevolle bebouwing;
  • 2. Het behoud en herstel van waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  • 3. De situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • 4. Voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  • 5. De verkeersveiligheid;
  • 6. De milieusituatie;
  • 7. Landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciale beleid;
  • 8. De gebruiksmogelijkheden binnen andere functies.
  • b. Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld onder a wordt alleen gesteld als dat noodzakelijk is in verband met:
  • 1. De woonsituatie in de directe omgeving;
  • 2. Een verantwoorde en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing en ter waarborging van
  • 3. De ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. Het straat- en bebouwingsbeeld;
  • 5. De verkeers-, sociale- en brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
  • 6. De milieusituatie;
    • a. De gebruiksmogelijkheden in andere functies.
  • c. Het college van burgemeester en wethouders kan een maatwerkvoorschrift stellen of een vergunningvoorschrift aan een omgevingsvergunning verbinden ten aanzien van:
  • 1. Voor het bouwen binnen 5 meter van de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast.
  • 2. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

7.5 Specifieke regels voor functies
7.5.1 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruik van gronden voor seksinrichtingen;
  • b. het gebruik van bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte;
  • c. permanente bewoning van kampeermiddelen of verblijfsrecreatie voorzieningen;
  • d. het gebruik van gronden voor kamperen;
  • e. buitenopslag/opslag van goederen en materialen;
  • f. bijzondere woonvormen;
  • g. ter plaatse van de aanduiding ‘milieuzone - spuitvrije zone' is spuiten van gewassen niet toegestaan;

7.6 Vergunning voor de omgevingsplanactiviteit
7.6.1 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten te verrichten.
  • b. De omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, wordt verleend als:
  • 1. de totale gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de aan huis verbonden beroeps of bedrijfsactiviteit, inclusief opslagruimte, niet meer bedraagt dan 30% van het bruto vloeroppervlak tot een maximum van 50 m2;
  • 2. er geen detailhandel of groothandel plaatsvindt, behoudens een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit ten dienste van de aan huis verbonden beroepsmatige- of bedrijfsmatige activiteit;
  • 3. de activiteit geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
  • 4. geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte optreedt;
  • 5. de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uitsluitend wordt uitgeoefend door de bewoner(s) van het hoofdgebouw.

Artikel 8 Waarde - Attentiegebied ehs

8.1 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Attentiegebied ehs' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de waterhuishoudkundige situatie, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur(waarden).

Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen andere aangewezen dubbelbestemmingen en (gebieds)aanduidingen zijn mede de desbetreffende regels van toepassing.

8.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels.

8.3 Specifieke gebruiksregels

Bij toename van het verhard oppervlak is 'hydrologisch neutraal bouwen' het uitgangspunt. Voor een toename van het verharde oppervlak van 250 m² is een advies van de waterschapsbestuur vereist.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Verbod

Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:

  • c. verzetten van grond van meer dan 100 m³ of op een diepte van meer dan 60 cm onder maaiveld een en ander voorzover geen vergunning vereist is in het kader van de Ontgrondingenwet;
  • d. de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage;
  • e. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen;
  • f. het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/ of verharde oppervlakten van meer dan 100 m².

8.4.2 uitzonderingen op verbod

Het onder artikel 8.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:

  • a. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  • b. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds legaal in uitvoering zijn;
  • c. welke het normaal onderhoud en/ of exploitatie betreffen.

8.4.3 onderzoek

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel artikel 8.4.1 wordt de bevoegde waterbeheerder gehoord.

8.4.4 Afwegingskader

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.4.1 mag alleen worden verleend indien door die werken en/of werkzaamheden of door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de waterhuishoudkundige situatie niet onevenredig wordt of kan worden aangetast.

Hoofdstuk 3 Algemene Regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen

10.1 Ondergronds bouwen

De beoordelingsregels voor het bouwen als bedoeld in artikel 6 tot en met 7 gelden, voor zover van toepassing, ook in geval van ondergronds bouwen en met dien verstande, dat:

  • a. alleen ondergronds mag worden gebouwd waar bovengrondse bebouwing aanwezig is;
  • b. de verticale diepte maximaal 5 meter mag bedragen.

10.2 Afwijkende maten
10.2.1 Goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand

In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand tot enige aangegeven lijn van bouwwerken, die legaal tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de beoordelingsregels voor het bouwen in artikel 6 tot en met 7 is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

10.2.2 Bebouwingspercentage

In die gevallen dat een bestaand bebouwingspercentage, dat legaal tot stand is gekomen, meer bedraagt dan in de beoordelingsregels voor het bouwen in artikel 6 tot en met 7is voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

Artikel 11 Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen

  • a. In afwijking van het bepaalde in de beoordelingsregels voor het bouwen in artikel 6 tot en met 7 wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen ook verleend als:
  • 1. de in beoordelingsregels van artikel 6 tot en met 7 gegeven maten, afmetingen en percentages worden overschreden met niet meer dan 10%;
  • 2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, hoger is dan toegestaan op grond van de beoordelingsregels van artikel 6 tot en met 7, maar niet hoger is dan 10 meter;
  • 3. de bouwhoogte van een kunstwerk, geen gebouw of overkapping zijnde, of een zend-, ontvang- en/of sirenemast hoger is dan toegestaan op grond van de beoordelingsregels van artikel 6 tot en met 7, maar niet hoger is dan 40 meter;
  • 4. de bouwhoogte van een gebouw hoger is dan toegestaan op grond van de beoordelingsregels van artikel 6 tot en met 7, maar de overschrijding wordt veroorzaakt door plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen en de oppervlakte van de plaatselijke verhogingen niet meer dan 50% van de oppervlakte van het gebouw bedraagt.
  • b. Een omgevingsvergunning voor de situaties zoals bedoeld onder a wordt alleen verleend als naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
  • 1. het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld;
  • 2. het woon- en leefklimaat;
  • 3. de waterstaatkundige belangen;
  • 4. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven;
  • 5. de verkeersveiligheid;
  • 6. de sociale veiligheid; en
    • a. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels

Intensieve veehouderij is niet gelegen is ter plaatse van aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied'

Hoofdstuk 4 Overgangsbepalingen

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bepaalde in dit hoofdstuk mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
  • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • a. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het college van burgemeester en wethouders kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.

13.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.