direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan H22o Weimersstraat te Wernhout
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0879.TAMOPH22o-VS01

Regels

Preambule
Dit TAM-IMRO omgevingsplan is gericht op de woningbouwontwikkeling op de locatie Weimerstraat ong. te Zundert. Dit TAM-IMRO omgevingsplan vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22o]) van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22o] van het omgevingsplan van de gemeente Zundert. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22o.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22o.]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Weimersstraat te Wernhout waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het gmlbestand met identificatienummer NL.IMRO.0879.TAMOPH22o-VS01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
  • 2. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn op de locatie, bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • 3. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie,
  • 4. In afwijking van lid 1 geldt voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' hetgeen beschreven in Artikel 13 Spuitvrije zone. Voor het overige blijven de besluiten zoals opgenomen in lid 1 van overeenkomstige toepassing, tenzij anders bepaald in Artikel 13 Spuitvrije zone.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Begripsbepalingen uit AMvB’s

De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het Omgevingsbesluit, bijlage I van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving en bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in 2.2 een afwijkende begripsomschrijving is opgenomen.

2.2 Aanvullende en afwijkende begrippen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in 2.1, de volgende begripsbepalingen:

2.3 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten

beroep:
de uitoefening van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, paramedisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch, consumentenverzorgend of hiermee gelijk te stellen terrein, met behoud van de woonfunctie en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

bedrijf:
het beroepsmatig verlenen van diensten, het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk en het op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor:

  • a. geen sprake is van een vergunningplichtige milieubelastende activiteit;
  • b. waarvan de omvang in een gedeelte van een woning en de daarbij bijbehorende bijgebouwen past;
  • c. de woonfunctie als primaire functie behouden en herkenbaar blijft;
2.4 Aanbouw

Een toevoeging van een afzonderlijke ruimte aan een hoofdgebouw waarmee het in verbinding staat en die qua afmetingen en/of visueel opzicht (onder meer voor wat betreft goothoogte, dakhelling en/of dakvorm), ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

2.5 Aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.6 Archeologische deskundige

Een door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid.

2.7 Archeologisch onderzoek

Onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

2.8 Archeologische waarden

De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen uit oude tijden.

2.9 Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/ of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

2.10 Bestaand
  • a. ten aanzien van bouwwerken: een bouwwerk, dat:
    • 1. bestaat of in uitvoering is op het moment dat dit hoofdstuk in werking treedt;
    • 2. na dat tijdstip is of mag worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen waarvoor de bouwaanvraag voor dat tijdstip is ingediend;
  • b. ten aanzien van gebruik: het gebruik van gronden en bouwwerken zoals aanwezg op het moment dat dit hoofdstuk in werking treedt.
2.11 Bijgebouw

Een gebouw, al dan niet vrijstaand, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zich daarvan door zijn constructie of afmetingen in visueel, functioneel en architectonisch opzicht onderscheidt en dat niet direct in verbinding staat met het hoofdgebouw.

2.12 Bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

2.13 Calamiteit

Een onvermijdelijk, eenmalig, buiten de schuld van de eigenaar en/of gebruiker van het bouwwerk veroorzaakt onheil; van calamiteit is in ieder geval geen sprake bij tenietgaan (mede) door slecht onderhoud.

2.14 Huishouden

Een huishouden bestaat uit één of meer personen die op hetzelfde adres wonen en een economisch-consumptieve eenheid vormen. Vaak is een huishouden gebaseerd op bloedverwantschap en huwelijksbinding of een met een huwelijksverbinding gelijk te stellen samenlevingsverband.

2.15 Ondergronds

Beneden het peil.

2.16 Overkapping

Een bouwwerk zonder eigen wanden, dat aan ten minste een deel van één zijde een gesloten wand kent.

2.17 Peil
  • a. voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.
2.18 Seksinrichting

Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.19 Woning

Een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van:

  • een afzonderlijk huishouden; of
  • een huishouden plus maximaal twee individuele personen; of
  • vier individuele personen;


waarbij de volgende woningtypen te onderscheiden zijn:

  • a. vrijstaande woning: een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen, geen gemeenschappelijke wand heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen;
  • b. twee-aaneengebouwde woning:
    • 1. een woning, die deel uitmaakt van een blok van twee als woning aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen (twee-onder-een-kap);
    • 2. een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen een of meerdere gemeenschappelijke wanden heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen (geschakeld);
    • 3. aaneengebouwde woning: een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee als woning aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen;
    • 4. gestapelde woning: een woning in een woongebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat.

Artikel 3 Meet- en regelbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden, in aanvulling op en in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24, de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 De afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens

De kortste afstand tussen de (zijdelingse) grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op

dat bouwperceel voorkomende bouwwerk.

3.2 De afstand tussen gebouwen

De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van gebouwen.

3.3 De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van kleine bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 De breedte van bouwpercelen

De afstand tussen de zijdelingse perceelsgrenzen in de naar de zijde van de weg gekeerde perceelsgrens.

3.5 De dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

3.6 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.7 De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.8 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.9 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en bestaande grenzen niet meer bedraagt dan 1 meter.

Artikel 4 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de in artikel 6 tot en met artikel 9 aan een locatie toegedeelde functies.

Artikel 6 Groen

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Groen’.

6.2 Functies en gebruik

De als 'Groen' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. plantsoenen, parken, groenstroken en andere groenvoorzieningen;
  • b. fiets- en wandelvoorzieningen;
  • c. evenementen;
  • d. bij deze functie behorende voorzieningen zoals water, speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen.
6.3 Beoordelingsregel voor het bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

6.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

6.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  • a. vlaggenmasten, waarbij de bouwhoogte maximaal 6 meter mag bedragen;
  • b. geluidsschermen en geluidswerende voorzieningen, waarbij de bouwhoogte maximaal 6 meter mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Verkeer’.

7.2 Functies en gebruik

De als 'Verkeer' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder wegen, (fiets)paden en parkeervoorzieningen;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. behoud van landschappelijke en/ of cultuurhistorische waarden in de vorm van wegbeplanting of laanbeplanting;
  • d. evenementen;
  • e. bij deze functie behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water, nutsvoorzieningen, kramen en speelvoorzieningen.
7.3 Beoordelingsregels voor het bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

7.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. er zijn uitsluitend gebouwen toegestaan zoals een kiosk, abri, telefooncel of nutsgebouw;
  • a. de bouwhoogte mag maximaal 3 meter bedragen;
  • b. de bebouwde oppervlakte per gebouw mag maximaal 6 m2 bedragen.
7.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  • a. vlaggenmasten, waarbij de bouwhoogte maximaal 6 meter mag bedragen;
  • b. geluidsschermen en geluidswerende voorzieningen, waarbij de bouwhoogte maximaal 6 meter mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

Artikel 8 Water

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Water’.

8.2 Functies en gebruik

De als 'Water' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. water;
  • b. waterberging;
  • c. retentievoorzieningen;
  • d. waterhuishouding;
  • e. groenvoorzieningen.
8.3 Beoordelingsregels voor het bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

8.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

8.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  • a. uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze functie;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2 meter.

Artikel 9 Wonen

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Wonen’.

9.2 Functies en gebruik

De als 'Wonen' aangewezen locaties hebben de volgende functies:

  • a. wonen in woningen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - bergingen' zijn uitsluitend bergingen ten behoeve van de woningen zoals bedoeld in sub a toegestaan;
  • c. tuinen en erven;
  • d. langzaamverkeersroutes;
  • e. bij deze functie behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen.
9.3 Beoordelingsregels voor het bouwen

De regels in dit artikellid gelden als beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, zoals bedoeld in artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het omgevingsplan, voor zover geen uitzondering op de vergunningplicht geldt op grond van artikel 22.27 of artikel 22.36 van het omgevingsplan.

9.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. het hoofdgebouw mag uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding ‘aaneengebouwd’ uitsluitend aaneengebouwde woningen zijn toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’;
  • c. het is niet toegestaan om hoofdgebouwen te splitsen in meerdere woningen;
  • d. vergroting van het hoofdgebouw over twee bouwlagen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak;
  • e. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden.
9.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelegen buiten het bouwvlak gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte aan aanbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 50% van het gezamenlijke zij- en achtererf bedragen gelegen buiten het bouwvlak, met dien verstande dat de gezamenlijke bebouwingsoppervlakte maximaal 80 m2 bedraagt;
  • b. de goothoogte van aanbouwen en aangebouwde bijgebouwen mag maximaal de hoogte van de 1e bouwlaag van het hoofdgebouw + 0,25 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van aanbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 5 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet wordt overschreden;
  • d. de bouwhoogte van aanbouwen, aangebouwde bijgebouwen en overkappingen gelegen in de
    zijdelingse perceelsgrens bedraagt tot een afstand van 2 meter vanaf de zijdelingse perceelsgrens maximaal 3 meter en voor het overige maximaal 5 meter, waarbij het hoogteverschil overbrugd dient te worden door gebruikmaking van een schuin dakvlak met een dakhelling van maximaal 45 graden, met dien verstande dat de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet wordt overschreden;
  • e. de goot- en bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag respectievelijk maximaal 3 meter en 5 meter bedragen;
  • f. vrijstaande bijgebouwen dienen achter de achtergevel van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan te worden opgericht.
9.3.3 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, mag niet
    meer bedragen dan 3 meter;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen achter de voorgevel mag niet meer bedragen dan 2 meter;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevel mag niet meer bedragen dan 1 meter.
9.4 Maatwerkvoorschriften en vergunningvoorschriften
  • a. Het college van burgemeester en wethouders kan een maatwerkvoorschrift stellen of een vergunningvoorschrift aan een omgevingsvergunning verbinden ten aanzien van:
    • 1. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 2. de situering en afmetingen van bouwpercelen;
    • 3. de aanleg van parkeergelegenheid van voldoende omvang op eigen terrein.
  • b. Een maatwerkvoorschrift of vergunningvoorschrift als bedoeld onder a wordt alleen gesteld als dat noodzakelijk is in verband met:
    • 1. de woonsituatie in de directe omgeving;
    • 2. een verantwoorde en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing en ter waarborging van de ruimtelijke kwaliteit;
    • 3. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 4. de verkeers-, sociale- en brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
    • 5. de milieusituatie;
    • 6. de gebruiksmogelijkheden in andere functies.
9.5 Specifieke regels voor functies
9.5.1 Verboden gebruik

Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruik van gronden voor seksinrichtingen;
  • b. het gebruik van gronden voor grow-, smart- en coffeeshops;
  • c. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte;
  • d. het gebruik van gronden voor bedrijven.
9.5.2 Woningbouwcategorieën

Alle woningen zoals bedoeld in 9.2 dienen als sociale huurwoning in gebruik te worden genomen en voor minimaal 30 jaar in het betreffende segment behouden te blijven, tenzij anders is overeengekomen in specifieke (prestatie-)afspraken.

9.6 Vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit
9.6.1 Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten te verrichten.
  • b. De omgevingsvergunning, zoals bedoeld onder a, wordt verleend als:
    • 1. de totale gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit, inclusief opslagruimte, niet meer bedraagt dan 30% van het bruto vloeroppervlak tot een maximum van 50 m2;
    • 2. er geen detailhandel of groothandel plaatsvindt, behoudens een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit ten dienste van de aan huis verbonden beroepsmatige- of bedrijfsmatige activiteit;
    • 3. de activiteit geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
    • 4. geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte optreedt;
    • 5. de aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit uitsluitend wordt uitgeoefend door de
      bewoner(s) van het hoofdgebouw.

Artikel 10 Waarde - Archeologie 3

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3'.

10.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen locaties hebben, naast de andere daar voorkomende functies, als functie het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden.

10.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
10.3.1 Aanvraagvereisten
  • a. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan, wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
  • b. Het archeologisch rapport, zoals bedoeld onder a, kan achterwege blijven indien het college van en wethouders beschikt over een archeologisch onderzoek die toereikend is voor de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning.
10.3.2 Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken

In aanvulling op hetgeen elders in dit hoofdstuk is bepaald ten aanzien van het bouwen van bouwwerken, gelden de volgende regels:

  • a. op basis van het archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad;
  • c. op basis van archeologische onderzoek blijkt dat door de bouwactiviteiten de archeologische waarden worden verstoord, maar tenminste één van de voorschriften uit 10.3.3 aan de omgevingsvergunning wordt verbonden.
10.3.3 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden:

  • a. het voorschrift tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. het voorschrift tot het doen van opgravingen; of
  • c. het voorschrift de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een archeologisch deskundige met opgravingsbevoegdheid.
10.3.4 Advies

Voordat het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen, wordt advies gevraagd aan een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen archeologische deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA.

10.3.5 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 10.3.1, 10.3.2 en 10.3.4 geldt niet, indien er sprake is van:

  • a. bouwwerken ter vervanging of vernieuwing van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of veranderd;
  • b. bouwwerken met grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m, voor zover bouwwerken met een maximale oppervlakte van 100 m2 worden opgericht of uitgebreid;
  • c. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m2, voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,50 m.
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden
10.4.1 Aanwijzing vergunningplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

Het is ter plaatse van 'Waarde - Archeologie 3' verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden, dieper dan 0,50 m en voor een oppervlakte meer dan 100 m², waartoe wordt gerekend: ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen, verleggen of dempen van sloten en andere waterlopen en het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 0,50 m en voor een oppervlakte meer dan 100 m²;
  • c. het verlagen van het waterpeil.
10.4.2 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor uitvoeren van werken of werkzaamheden, wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

10.4.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 10.4.1, wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. op basis van archeologisch onderzoek blijkt dat door de werken of werkzaamheden de archeologische waarden worden verstoord, maar tenminste één van de voorschriften uit artikel 10.4.4 aan de omgevingsvergunning wordt verbonden.
10.4.4 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 10.4.1, de volgende voorschriften verbinden:

  • a. het voorschrift tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. het voorschrift tot het doen van opgravingen; of
  • c. het voorschrift de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een archeologisch deskundige met opgravingsbevoegdheid.
10.4.5 Advies

Alvorens te besluiten over de omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 10.4.1, vraagt het bevoegd gezag advies aan een door het bevoegd gezag aangewezen archeologisch deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA.

10.4.6 Uitzonderingen

Het verbod, zoals bedoeld in artikel 10.4.1, is niet van toepassing op werken en werkzaamheden indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
  • b. het gaat om de aanleg van drainage ter vervanging van bestaande aanwezige drainage, waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
  • c. op basis van inventariserend en/ of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • d. de werken en werkzaamheden die ten behoeve van een inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;
  • e. de werken en werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de vaststelling van dit hoofdstuk;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning.
  • f. het college van burgemeester en wethouders al beschikken over een archeologisch onderzoek waaruit blijkt dat het uitvoeren van werken en werkzaamheden geen aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft, zoals bedoeld onder artikel 10.4.3.

Artikel 11 Waarde - Archeologie 4

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waarde - Archeologie 4'.

11.2 Functieomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen locaties hebben, naast de andere daar voorkomende functies, als functie het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden.

11.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
11.3.1 Aanvraagvereisten
  • a. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 22.26 van dit omgevingsplan, wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
  • b. Het archeologisch rapport, zoals bedoeld onder a, kan achterwege blijven indien het college van en wethouders beschikt over een archeologisch onderzoek die toereikend is voor de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning.
11.3.2 Beoordelingsregels bouwen van bouwwerken

In aanvulling op hetgeen elders in dit hoofdstuk is bepaald ten aanzien van het bouwen van bouwwerken, gelden de volgende regels:

  • a. op basis van het archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het college van burgemeester en wethouders goedgekeurd rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad;
  • c. op basis van archeologische onderzoek blijkt dat door de bouwactiviteiten de archeologische waarden worden verstoord, maar tenminste één van de voorschriften uit 11.3.3 aan de omgevingsvergunning wordt verbonden.
11.3.3 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning de volgende voorschriften verbinden:

  • a. het voorschrift tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. het voorschrift tot het doen van opgravingen; of
  • c. het voorschrift de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een archeologisch deskundige met opgravingsbevoegdheid.
11.3.4 Advies

Voordat het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verlenen, wordt advies gevraagd aan een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen archeologische deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA.

11.3.5 Uitzonderingen

Het bepaalde in artikel 11.3.1, 11.3.2 en 11.3.4 geldt niet, indien er sprake is van:

  • a. bouwwerken ter vervanging of vernieuwing van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van het bouwwerk niet wordt vergroot of veranderd;
  • b. bouwwerken met grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 m, voor zover bouwwerken met een maximale oppervlakte van 100 m2 worden opgericht of uitgebreid;
  • c. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m2, voor zover bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,50 m.
11.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden
11.4.1 Aanwijzing vergunningplicht voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

Het is ter plaatse van 'Waarde - Archeologie 4' verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. grondwerkzaamheden, dieper dan 0,50 m en voor een oppervlakte meer dan 500 m², waartoe wordt gerekend: ophogen, afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen, verleggen of dempen van sloten en andere waterlopen en het aanleggen van drainage;
  • b. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 0,50 m en voor een oppervlakte meer dan 500 m²;
  • c. het verlagen van het waterpeil.
11.4.2 Aanvraagvereisten

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor uitvoeren van werken of werkzaamheden, wordt een archeologisch rapport verstrekt dat voldoet aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

11.4.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden

De omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 11.4.1, wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. op basis van archeologisch onderzoek blijkt dat door de werken of werkzaamheden de archeologische waarden worden verstoord, maar tenminste één van de voorschriften uit artikel 11.4.4 aan de omgevingsvergunning wordt verbonden.
11.4.4 Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 11.4.1, de volgende voorschriften verbinden:

  • a. het voorschrift tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. het voorschrift tot het doen van opgravingen; of
  • c. het voorschrift de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een archeologisch deskundige met opgravingsbevoegdheid.
11.4.5 Advies

Alvorens te besluiten over de omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 11.4.1, vraagt het bevoegd gezag advies aan een door het bevoegd gezag aangewezen archeologisch deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg conform de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie-KNA.

11.4.6 Uitzonderingen

Het verbod, zoals bedoeld in artikel 11.4.1, is niet van toepassing op werken en werkzaamheden indien:

  • a. het gaat om onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
  • b. het gaat om de aanleg van drainage ter vervanging van bestaande aanwezige drainage, waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte;
  • c. op basis van inventariserend en/ of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  • d. de werken en werkzaamheden die ten behoeve van een inventariserend of definitief archeologisch onderzoek zijn gericht;
  • e. de werken en werkzaamheden:
    • 1. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de vaststelling van dit hoofdstuk;
    • 2. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning.
  • f. het college van burgemeester en wethouders al beschikken over een archeologisch onderzoek waaruit blijkt dat het uitvoeren van werken en werkzaamheden geen aantasting van de archeologische waarden van de gronden tot gevolg heeft, zoals bedoeld onder artikel 11.4.3.

Artikel 12 Waterstaat - Waterlopen

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Waterstaat - Waterlopen'.

12.2 Functieomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen locaties hebben, naast de andere daar voorkomende functies, als functie de bescherming van de nabij gelegen waterloop, in verband met de waterhuishouding.

12.3 Beoordelingsregels voor het bouwen
12.3.1 Beoordelingsregels voor het bouwen van gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.

12.3.2 Beoordelingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijne

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1 m.

Artikel 13 Spuitvrije zone

  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' zijn de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet van overeenkomstige toepassing, zulks met dien verstande dat:
    • 1. op de verbeelding tevens de locatie 'milieuzone - spuitzone' van toepassing is;
    • 2. de regels zijn aangevuld met onderstaand sub b en bij strijdigheid het bepaalde in sub b voorgaat.
  • b. Ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - spuitvrije zone' is het verboden om gewasbestrijdingsmiddelen te gebruiken.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 15 Aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen

15.1 Ondergronds bouwen

De beoordelingsregels voor het bouwen als bedoeld in artikel 6 tot en met 9 gelden, voor zover van toepassing, ook in geval van ondergronds bouwen en met dien verstande, dat:

  • a. alleen ondergronds mag worden gebouwd waar bovengrondse bebouwing aanwezig is;
  • b. de verticale diepte maximaal 5 meter mag bedragen.
15.2 Afwijkende beoordelingsregels voor het bouwen
  • a. In afwijking van het bepaalde in de beoordelingsregels voor het bouwen in artikel 5 tot en met 8 wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen ook verleend als:
    • 1. de in beoordelingsregels van artikel 6 tot en met 9 gegeven maten, afmetingen en percentages worden overschreden met niet meer dan 10%;
    • 2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, hoger is dan toegestaan op grond van de beoordelingsregels van artikel 6 tot en met 9, maar niet hoger is dan 10 meter;
    • 3. de bouwhoogte van een kunstwerk, geen gebouw of overkapping zijnde, of een zend-, ontvang- en/of sirenemast hoger is dan toegestaan op grond van de beoordelingsregels van artikel 6 tot en met 9, maar niet hoger is dan 40 meter;
    • 4. de bouwhoogte van een gebouw hoger is dan toegestaan op grond van de beoordelingsregels van artikel 6 tot en met 9, maar de overschrijding wordt veroorzaakt door plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen en de oppervlakte van de plaatselijke verhogingen niet meer dan 50% van de oppervlakte van het gebouw bedraagt.
  • b. Een omgevingsvergunning voor de situaties zoals bedoeld onder a wordt alleen verleend als naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:
    • 1. het straat-, bebouwings- en landschapsbeeld;
    • 2. het woon- en leefklimaat;
    • 3. de waterstaatkundige belangen;
    • 4. de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven;
    • 5. de verkeersveiligheid;
    • 6. de sociale veiligheid; en
    • 7. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
15.3 Parkeren

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een bouwwerk of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft, zijn de volgende beoordelingsregels van toepassing:

  • a. er dient in voldoende mate in parkeergelegenheid te worden voorzien en in stand te worden gehouden overeenkomstig de normen in de beleidsregels in de 'Nota Parkeernormen 2020', of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s);
  • b. er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a:
    • 1. voor zover toepassing – gelet op het belang waarvoor deze nota tot stand is gebracht – leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard;
    • 2. een en ander dient in een vergunning vastgelegd te zijn.
15.4 Voorwaardelijjke verplichting landschappelijke inpassing

Gebruik van de gronden en gebouwen als bedoeld in Artikel 9 is uitsluitend toegestaan, mits de landschappelijke inpassing en retentievoorzieningen, overeenkomstig het in Bijlage 1 opgenomen landschappelijk inpassingsplan, uiterlijk binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan, is gerealiseerd. De landschappelijke inpassing dient na realisatie duurzaam te worden beheerd en in stand gehouden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bepaalde in dit hoofdstuk mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd,
      mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het college van burgemeester en wethouders kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.
16.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.