| Plan: | TAM-omgevingsplan H22c De Tuinderij fase 4, Zundert |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0879.TAMOPH22c-VS01 |
In het gebied dat is gelegen tussen de Veldstraat, de Prinsenstraat en de Beeklaan (N638) te Zundert herrijst de nieuwbouwwijk De Tuinderij, die gefaseerd wordt ontwikkeld. Voor fase 4 van de ontwikkeling is projectontwikkelaar Maas-Jacobs voornemens om 54 nieuwbouwwoningen te realiseren ter plaatse van de grotendeels onbebouwde gronden die zijn gelegen ten oosten van de Boomgaard.
Het woningbouwplan past niet binnen de regels van het (tijdelijk) omgevingsplan van de gemeente Zundert. Om het initiatief mogelijk te maken wordt daarom een uitgebreide ruimtelijke procedure doorlopen voor het wijzigen van het omgevingsplan. Met onderhavig TAM-omgevingsplan worden ter plaatse van het plangebied nieuwe ruimtelijk-planologische kaders geboden ten behoeve van de realisatie van het planvoornemen.
Het plangebied maakt deel uit van de in ontwikkeling zijnde nieuwbouwwijk 'De Tuinderij' welke is gelegen in het middengebied tussen de Veldstraat, de Prinsenstraat en de Beeklaan aan de noordwestzijde van de kern Zundert. Het plangebied bestaat grotendeels uit de onbebouwde agrarische gronden van een voormalige boomkwekerij en heeft een omvang van bijna 1,6 hectare.
Figuur 1.1 Locatie en begrenzing plangebied
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (per 1 januari 2024) beschikt iedere gemeente in Nederland over een omgevingsplan van rechtswege. Het omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit:
Het nieuwe deel van het omgevingsplan is in eerste instantie nog leeg, met uitzondering van eventuele voorbereidingsbesluiten op basis van het overgangsrecht. De regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan komen tot stand door bestaande regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar het nieuwe deel. Daarnaast neemt de gemeente in het nieuwe deel nieuwe regels op voor ruimtelijke ontwikkelingen en beleid. Gemeenten hebben tot 1 januari 2032 de tijd om het nieuwe deel van het omgevingsplan te wijzigen en vast te stellen.
Ter plaatse van het plangebied bestaat het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Zundert uit de volgende plannen:
'Omgevingsplan gemeente Zundert'
Het 'Omgevingsplan gemeente Zundert' bestaat vooralsnog hoofdzakelijk uit de bruidsschat, die is opgenomen in hoofdstuk 22 en enkele voorbereidingsbesluiten van het Rijk en de provincie. Totdat de gemeente het tijdelijk omgevingsplan ter plaatse van het plangebied heeft gewijzigd of een nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld, blijven de (voormalige) bestemmingsplannen van toepassing op het plangebied.
'Bestemmingsplan Buitengebied Zundert'
Op grond van het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied Zundert' zijn de gronden binnen het plangebied aangewezen met de bestemming 'Agrarisch'. Met uitzondering van een permanente corso-opslagruimte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk – corsobouwplaats' is het bouwen van gebouwen niet toegestaan binnen deze bestemming. Het in gebruik nemen van de als 'Agrarisch' bestemde gronden voor de functie wonen is eveneens niet toegestaan. Het voornemen om binnen het plangebied een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken is derhalve in strijd met de geldende bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied Zundert'.
Ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden zijn de gronden binnen het plangebied aangewezen met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Binnen deze dubbelbestemming is het bouwen van bouwwerken met grondwerkzaamheden dieper dan 0,50 meter onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 500 m2 niet toegestaan zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. In het kader van onderhavige ontwikkeling zal daarom een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. De nadere beschouwing van het aspect archeologie is te vinden in hoofdstuk 4 van voorliggende ruimtelijke motivering.
'tweede herziening bestemmingsplan Buitengebied Zundert'
Met de vaststelling van dit bestemmingsplan is het perceel ZDT02-K-2141 en een deel van het perceel ZDT02-K-2140 gewijzigd naar de bestemming 'Wonen'. Met uitzondering van vervangende nieuwbouw, is nieuwbouw en het toevoegen van woningen niet toegestaan binnen het bestemmingsvlak. Onderhavige ontwikkeling is daarmee ook in strijd met dit bestemmingsplan.
'Woongebieden Zundert'
Ter plaatse van de percelen ZDT02-K-10521, 10522 en 8614 is het bestemmingsplan 'Woongebieden Zundert' van toepassing. Hoewel de gronden grotendeels zijn aangewezen met de bestemming 'Wonen' zijn er geen bouwvlakken aanwezig waarbinnen woningen gebouwd mogen worden. Het voornemen om ter plaatse van deze gronden woningen te bouwen is dan ook in strijd met dit bestemmingsplan.
Voorliggende ruimtelijke motivering is als volgt opgebouwd.
In hoofdstuk 1 wordt het initiatief toegelicht. Hierin komen de aanleiding, de locatie en de begrenzing van het plangebied aan bod. Ook wordt gekeken hoe het plan past binnen het geldende omgevingsplan.
Hoofdstuk 2 beschrijft de ruimtelijke ontwikkeling zelf. Daarbij wordt ingegaan op zowel de huidige situatie als de gewenste toekomstige inrichting van het gebied.
In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de relevante omgevingsaspecten besproken, zoals milieu, geluid en gezondheid.
De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan komen aan de orde in hoofdstuk 5 en 6. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 een samenvattende conclusie gegeven.
Het plangebied omvat grotendeels perceel 2140, dat in het verleden in gebruik was als boomkwekerij. Momenteel is dit perceel niet langer in agrarisch gebruik en het bestaat hoofdzakelijk uit onbebouwd grasland. Te midden van het plangebied bevindt zich op perceel ZDT02-P-2141 een vrijstaande woning aan de Veldstraat 38. Deze woning blijft in de huidige staat behouden en maakt dan ook geen deel uit van het plangebied. De loods en tuinbouwkas die zijn gelegen binnen de percelen ZDT02-K-10521 en ZDT02-K-10518 zullen geamoveerd worden om daarmee ruimte te maken voor woningbouw.
Figuur 2.1 Luchtfoto bestaande situatie plangebied
Figuur 2.2 Aanzicht plangebied vanaf de Boomgaard (bron: Google Street View, april 2023)
Fase 4 sluit aan op zowel fase 1, 2 als 3 van De Tuinderij én op de bestaande kern van Zundert aan de Veldstraat. Met de ontwikkeling van fase 4 sluit de nieuwbouwwijk logisch aan op de bestaande kern en vindt een geleidelijke overgang van bestaande naar nieuwe woningbouw plaats.
Figuur 2.3 Verkavelingsplan fase 4 van De Tuinderij (bron: Schoenmakers, d.d. 26 september 2025)
In de beoogde nieuwe situatie zullen binnen het plangebied in totaal 54 woningen aanwezig die zijn te verdelen in de volgende woningtypologieën:
De stedenbouwkundige opzet en architectuur is in lijn met de vorige fasen van De Tuinderij. Ten aanzien van de verkaveling is rekening gehouden met de 30-40-30 regeling, te weten 30% sociaal, 40% betaalbaar en 30% dure segment.
In het kader van duurzaamheid zullen de woningen voldoen aan de laatste eisen op het gebied van energiezuinigheid. Om dit te behalen worden de woningen onder andere voorzien van zonnepanelen (afhankelijk van de BENG-berekening), hoogwaardige isolatie, vloerverwarming, een warmtepomp en een gebalanceerd ventilatiesysteem met warmteterugwinning. De woningen zijn uiteraard volledig gasloos.
Ten behoeve van parkeren wordt uitgegaan van de parkeernormen zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen 2020' van de gemeente Zundert. Uit de onderstaande tabel blijkt dat ten behoeve van onderhavig planvoornemen minimaal 103,2 parkeerplaatsen aangelegd moeten worden.
Om te voorkomen dat er in de toekomst alsnog sprake is van een parkeertekort dient, conform de parkeernota, ruimte gereserveerd te worden in het plangebied voor de aanleg van aanvullende parkeerplaatsen. De gereserveerde ruimte wordt in eerste instantie groen ingericht maar kan, zodra er sprake is van een parkeertekort, worden omgezet naar parkeerplaatsen. Voor de aanvullende parkeerplaatsen geldt een parkeernorm van 0,4 pp per woning bovenop de reguliere parkeernorm. De totale parkeerbehoefte voor dit plan, inclusief (54 x 0,4 =) 21,6 aanvullende parkeerplaatsen, bedraagt 124,8 parkeerplaatsen.
Met onderhavig planvoornemen zal worden voldaan aan de parkeerbehoefte. Over het gehele plangebied zullen openbaar toegankelijke parkeervoorzieningen worden aangelegd in de vorm van parkeerkoffers, haaks parkeervakken en langs parkeervakken. Daarnaast zullen de vrijstaande woningen en de twee-onder-één-kapwoningen worden uitgerust met een eigen oprit, waarop ruimte is voor het parkeren van ten minste één auto, en in sommige gevallen twee auto's. In het openbaar gebied wordt in het groen ruimte gereserveerd voor de aanleg van aanvullende parkeerplaatsen.
Tabel 2.1 Berekening parkeerbehoefte
Voor de ontsluiting van het plangebied zal gebruik worden gemaakt van de twee nieuwe ontsluitingswegen die aansluiten op de Prinsenstraat aan de zuidzijde van De Tuinderij en aan de Veldstraat aan de oostzijde van De Tuinderij. Deze twee ontsluitingswegen zijn in eerdere fasen van De Tuinderij al mogelijk gemaakt. Met onderhavig plan wordt niet voorzien in de aanleg van nieuwe ontsluitingswegen, wél zal met dit plan een nieuwe langzaamverkeerverbinding worden aangelegd vanuit de Tuinderij naar de Veldstraat.
Huidige verkeersintensiteiten
Het plangebied zal worden ontsloten via de Boomgaard die vanaf de Prinsenstraat de nieuwbouwwijk doorkruist en richting het noordoosten aansluit op de Veldstraat. De Veldstraat is een erftoegangsweg 'ETW, type I' met een geldende maximumsnelheid van 30 km/u en een verkeersintensiteit van circa 2.250 motorvoertuigen per etmaal (inclusief fase 1, 2 en 3 van De Tuinderij). De Prinsenstraat is een gebiedsontsluitingsweg met een wettelijk vastgestelde maximum snelheid van 50 km/u en is gedeeltelijk voorzien van vrijliggende fietspaden en deels van aanliggende fietspaden. De Prinsenstraat heeft daarnaast diverse erfaansluitingen naar woningen en bedrijven. De huidige intensiteit op de Prinsenstraat bedraagt circa 12.250 mvt/etmaal.
Verkeersgeneratie planontwikkeling (fase 4)
Voor de berekening van de verkeersgeneratie van het plangebied zijn de verkeerskencijfers gehanteerd uit de CROW-publicatie 744. Uitgaande van de stedelijkheidsklasse 'weinig stedelijk gebied' en de ligging binnen het gebiedstype 'rest bebouwde kom' zijn in de onderstaande tabel de gemiddelde en maximale verkeersgeneratie van het plangebied berekend.
Tabel 2.2 Berekening verkeersgeneratie plangebied
Verkeersstructuur en verdeling verkeer
De gehele gebiedsontwikkeling van De Tuinderij krijgt twee ontsluitingen: aan de zuidzijde op de Prinsenstraat en aan de oostzijde op de Veldstraat. De ontsluiting aan de Prinsenstraat wordt met een uitritconstructie vormgegeven, waarbij verkeer vanuit de wijk voorrang moet verlenen aan doorgaand verkeer. De ontsluiting op de Veldstraat wordt vormgegeven als een gelijkwaardige kruising in de 30 km/u zone met voorrang voor verkeer van rechts. Voor beide kruisingen geldt dat het verkeer naar verwachting met voldoende kwaliteit kan worden afgewikkeld in het toekomstjaar 2031. De intensiteiten van de aangrenzende wegen zijn hierbij gebaseerd op het geluidsonderzoek (gebaseerd op telcijfers en prognosecijfers uit het gemeentelijke verkeer- en vervoersmodel, met jaarlijkse groei van 1% inclusief verplaatsingen vanuit het plangebied).
De oostelijke ontsluiting (Veldstraat) zal naar verwachting een derde van de totale verkeersgeneratie van De Tuinderij ontsluiten. De overige twee derde van de verkeersgeneratie zal naar verwachting worden ontsloten op de zuidelijke ontsluiting aan de Prinsenstraat. Vanaf de Veldstraat zal waarschijnlijk een deel van het verkeer via de Prinsenstraat naar hun bestemming rijden, waardoor een deel van de verkeersbewegingen ook met aanleg van de ontsluiting Veldstraat alsnog op de Prinsenstraat terecht zal komen.
De verwachte intensiteiten op de Prinsenstraat en Veldstraat, en bijbehorende gewenste maximale intensiteit zijn weergegeven in onderstaande tabel. De gewenste maximale intensiteit is gebaseerd op het GVVP van de gemeente Zundert. De verhouding tussen de huidige en nieuwe intensiteit en de gewenste maximale intensiteit is eveneens weergegeven.
Tabel 2.3 Verkeersintensiteiten inclusief ontwikkeling fase 4 van De Tuinderij
Verkeersafwikkeling in relatie tot weginrichting
Het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan (GVVP) van de gemeente Zundert geeft als bandbreedte voor de gewenste maximale intensiteit op een gebiedsontsluitingsweg (Prinsenstraat) binnen de bebouwde kom 5.000 – 10.000 motorvoertuigen/etmaal. Deze grenswaarde in het GVVP wordt in zowel de autonome situatie als de plansituatie in 2019 al overschreden. De verkeersdruk op de Prinsenstraat is voornamelijk ontstaan door de aanleg van de Beeklaan en het instellen van eenrichtingsverkeer in de Molenstraat in het centrum van Zundert. Daarbij komt dat vanuit de Duurzaam Veilig-richtlijnen (SWOV/CROW) vaak als vuistregel een grenswaarde van circa 15.000 motorvoertuigen per etmaal wordt gehanteerd. De exacte grens voor de drukte van een weg is niet te bepalen en is grotendeels afhankelijk van de weginrichting.
De Prinsenstraat beschikt tussen de nieuwe toegang tot het woongebied en de rotonde Prinsenstraat-N638 over een profiel 2x1 met een doorgetrokken asstreep. Dit betekent dat voertuigen elkaar niet in mogen halen. Parallel aan de Prinsenstraat zijn vrijliggende fietspaden aangelegd. Fietsers op de rijbaan zorgen dus niet voor een beperking van de capaciteit van de Prinsenstraat. Er zijn op dit traject geen parkeervoorzieningen aanliggend aan de weg aangebracht, waardoor deze geen beperkend effect op de verkeerskundige doorstroming hebben.
De Veldstraat is gecategoriseerd als een erftoegangsweg type II (30 km/u). In de nieuwe situatie rijden daar circa 2.370 motorvoertuigen/etmaal. Dit past ruim binnen de bijbehorende grenswaarden (4.000 motorvoertuigen/etmaal) van het GVVP van de gemeente Zundert.
Conclusie verkeer
De verkeersintensiteiten op de Prinsenstraat zitten boven de bandbreedte die de gemeente hanteert. Deze verkeersdrukte is met name ontstaan door heroriëntering van verkeer na de aanleg van de randweg en het instellen van eenrichtingsverkeer in de Molenstraat in het centrum van Zundert.
Inclusief onderhavige ontwikkeling van fase 4, blijft de intensiteit wel onder de bandbreedte die vanuit Duurzaam Veilig-richtlijnen doorgaans wordt gehanteerd. Bovendien komt het extra verkeer de weg op bij het deel tussen de kern van Zundert en de randweg. Op dit wegvak heeft de Prinsenstraat de grootste wegcapaciteit (vrijliggende fietspaden, geen parkeervoorzieningen en doorgetrokken asstreep). Daardoor kan gesteld worden dat het extra verkeer geen problemen zal opleveren voor de verkeerskundige doorstroming.
De ontsluiting via de Veldweg zal naar verwachting geen verkeersproblemen opleveren, aangezien de totale verkeersintensiteit ruim onder de maximale bandbreedte van de gemeente Zundert ligt.
In dit hoofdstuk wordt het beleidskader dat relevant is voor de activiteit toegelicht en wordt de activiteit hieraan getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds beleid van hogere overheden waar lagere overheden rekening mee moeten houden of gemotiveerd van kunnen afwijken en anderzijds instructieregels van hogere overheden in omgevingsverordening en het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl).
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die er zijn. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave.
Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers.
De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden om te bouwen aan een mooier en sterker Nederland.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Toetsing en conclusie
De NOVI is gericht op rijksniveau en van een zodanig hoog abstractieniveau dat er geen concrete beleidskaders voor de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied afgeleid kunnen worden. De ontwikkeling van een duurzame woonwijk zoals binnen onderhavig plangebied past goed binnen de omschreven nationale belangen.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.
Het Bkl is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit (Ob) regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.
De Omgevingswet gaat over beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Er zijn vijf typen maatschappelijke opgaven op het terrein van de fysieke leefomgeving waarvoor het Rijk regels stelt:
In artikel 5.129g van het Bkl is de Ladder voor duurzame verstedelijking (kortweg 'Ladder') opgenomen. De Ladder is een instructieregel die verplicht is voor ruimtelijke plannen waarbij een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' planologisch mogelijk wordt gemaakt. Het doel van de Ladder is het nastreven van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Dit betekent dat de behoefte aan deze nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden aangetoond én dat voor ontwikkelingen buiten het bestaand stedelijk gebied gemotiveerd moet worden waarom deze niet binnen het bestaand stedelijk gebied kunnen worden ontwikkeld.
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Het hier voornoemde artikel legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. In 'beginsel' is een plan met meer dan 11 woningen een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens 'in beginsel' 500 m2. Bij toevoeging van een gebouw ligt de ondergrens 'in beginsel' eveneens bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2.
De Laddertoets geldt alleen voor 'nieuwe' stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw of groter beslag op de ruimte. Van belang is dus in hoeverre het plan:
Toetsing
Onderhavig planvoornemen bestaat uit de ontwikkeling van 54 woningen en daarmee ook een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling.
Om de woningbehoefte in de provincie Noord-Brabant te bepalen, is de provincie verdeeld in diverse regio's. Per regio wordt minimaal één keer per bestuursperiode van Gedeputeerde Staten van de provincie een woningbehoefteprognose opgesteld. Die behoefte wordt opgesteld gedurende een bestuurlijk overleg (het zogenoemde Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO)) tussen de gemeenten in een regio. Zundert maakt samen met de gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Drimmelen en Geertruidenberg deel uit van de subregio Breda en omstreken. Deze subregio maakt weer deel uit van de regio West-Brabant (valt samen met het COROP-gebied). Via de RRO's geven de Brabantse gemeenten jaarlijks inzicht in hun woningbouwplannen. Hiertoe actualiseren de gemeenten jaarlijks hun 'overzicht woningbouwcapaciteiten per gemeente.
In het landelijk gebied van de subregio Breda en omstreken mogen krachtens de woningbouwprognose in de periode tot en met 2040 in totaal nog 2.930 woningen worden gebouwd. Die woningen moeten dus verdeeld worden over de gemeenten Alphen-Chaam, Baarle-Nassau, Drimmelen, Geertruidenberg en Zundert.
Met betrekking tot de ontwikkeling van De Tuinderij fase 4 kan gesteld worden dat deze regionaal is afgestemd en goedgekeurd in het intergemeentelijke Regionaal Ruimtelijk Overleg West Brabant. De planvorming bestaat uit de ontwikkeling van woningen in diverse categorieën en uit onderzoek blijkt dat de behoefte aan woningen in de kern Zundert significant aantoonbaar is.
In het kader van de regionale afstemming is in het bestuurlijk overleg van 23 november 2020 een toelichting gegeven op de gewenste ontwikkeling binnen onderhavig plangebied. Op basis van de toelichting en de daaraan ten grondslag liggende stukken heeft de stuurgroep een positief standpunt ingenomen ten aanzien van de uitbreidingslocaties 'Tuinderij fase 3 en 4'.
Ten aanzien van een zorgvuldig ruimtegebruik worden nieuwe stedelijke ontwikkelingen bij voorkeur gerealiseerd op locaties binnen het bestaand stedelijk gebied. Onderhavig plangebied is gelegen binnen het stedelijk gebied van de gemeente Zundert en is daarmee ook geschikt als ontwikkellocatie.
Conclusie
Op basis van de bovenstaande beoordeling is aangetoond dat sprake is van een behoefte aan onderhavige ontwikkeling en wordt voldaan aan een zorgvuldig ruimtegebruik.
Militaire en civiele radarstations zorgen voor de beveiliging van het nationale luchtruim. Ze zorgen ook voor de veilige afhandeling van het militaire verkeer en het burgerluchtverkeer. Hoge bouwwerken en windturbines in gebieden rond een radarstation kunnen het radarbeeld verstoren. De gemeente kan daarom in het omgevingsplan geen bouwwerken en windturbines toelaten, die de maximaal toegelaten hoogte overschrijden. De toegestane maximale bouwhoogte van bouwwerken ten aanzien van radarstations is geregeld in artikel 5.155 van het Bkl:
Toetsing en conclusie
De locatie van het plangebied is niet gelegen binnen een straal van 15 kilometer van een radarstation. Onderdeel a. (van artikel 5.155 lid 1 Bkl) is dan ook niet van toepassing en er worden dan ook geen beperkingen gelegd op de hoogte van bouwwerken ten aanzien van het radarbeeld. Het voornemen voorziet daarnaast ook niet in de ontwikkeling van windturbines. Onderdeel b. is dan eveneens niet van toepassing.
De Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant alvast een provinciale Omgevingsvisie gemaakt welke op 14 december 2018 is vastgesteld.
De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De basisopgave voor de provincie is: 'werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit'. Hierbij heeft de provincie als doel gesteld voor de middellange termijn, 2030: Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Voor de lange termijn, 2050, wil men een goede leefomgevingskwaliteit hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald.
Om de basisopgave te behalen heeft men vier hoofdopgaven verwoord:
Toetsing en conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de ambities van de Brabantse Omgevingsvisie. Binnen de ontwikkeling van het plangebied is aandacht voor energietransitie (de woningen worden gasloos gerealiseerd) en klimaatadaptatie.
Alle provinciale regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving, staan bij elkaar in de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant (TAM-OV). De TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant bestaat uit:
Toetsing en conclusie (Stedelijk gebied)
Onderhavig plangebied is gelegen binnen het Stedelijk gebied. In artikel 5.55 van de TAM-OV is bepaald dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen mogelijk gemaakt kan worden op een locatie binnen het Stedelijk gebied, indien de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken en het een duurzame stedelijke ontwikkeling betreft. Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als:
De beoogde ontwikkeling past binnen de kaders van de TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant als zijnde een duurzame stedelijke ontwikkeling binnen het Stedelijk gebied. Het plan betreft de vierde ontwikkelfase van de nieuwbouwwijk De Tuinderij aan de noordrand van Zundert waarbij 54 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Qua aard en omvang betreft het een nieuwe stedelijke ontwikkeling, door de ligging van het plangebied binnen het stedelijk gebied wordt er voldaan aan een zorgvuldig ruimtegebruik (zie paragraaf 3.1.2.1.). Ten aanzien van duurzame energie worden de woningen gasloos uitgevoerd en voorzien van energiezuinige installaties. In het stedenbouwkundig plan van De Tuinderij is ingezet als een ruim opgezette woonwijk met veel ruimte voor groen en minder verharding. Hierdoor kan hittestress worden tegengegaan en kan het hemelwater binnen de wijk worden opgevangen.
Het voornemen past binnen de kaders van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Ten aanzien van de een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) worden in hoofdstuk 4 van voorliggende ruimtelijke motivering de relevante milieu- en omgevingsaspecten in beschouwing genomen.
De gemeente Zundert staat voor diverse uitdagingen die goed voorbereid moeten worden. In samenwerking met de betrokkenen willen we deze uitdagingen graag aanpakken. Een belangrijke stap hierbij is de ontwikkeling van de Omgevingsvisie. In deze visie worden alle ambities en hoofdlijnen vastgelegd en worden nieuwe uitdagingen op de agenda gezet. De belangrijkste thema's zijn:
De gemeente Zundert ambieert levendige dorpskernen met genoeg woningen. Een florerende boomteelt en zacht fruit sector, waar innovatie voorop staat. En genieten van waardevolle natuurgebieden. In de omgevingsvisie is een gebiedsgericht deel op genomen. Het gebiedsgerichte deel behandelt zeven deelgebieden. In de omgevingsvisie zijn voor de vijf dorpskernen, de bedrijventerreinen en het buitengebied de grootste opgaven benoemd voor de ontwikkeling van deze gebieden. De grootste opgaven voor de kern Zundert betreffen:
Op de IDeekaart Zundert die is opgenomen in de omgevingsvisie is de locatie van onderhavig plangebied aangewezen als ontwikkellocatie van bekende woningbouwplannen en voor het benutten van De Tuinderij als uitleglocatie voor grondgebonden woningbouw.
Figuur 3.1 IDeekaart Zundert
Toetsing en conclusie
De Tuinderij is in de Omgevingsvisie Zundert opgenomen als uitleglocatie voor grondgebonden woningbouw. De beoogde woningbouwontwikkeling binnen onderhavig plangebied maakt deel uit van De Tuinderij en geeft daarmee ook toepassing aan de gebiedsgerichte opgaven uit de Omgevingsvisie Zundert.
In maart 2016 heeft de gemeenteraad de Woonvisie Zundert 1.0 vastgesteld. In de Woonvisie 1.0 is voor de periode 2015-2018 de volkshuisvestelijke lijn uitgezet. Om de lokale gevolgen van de Herzieningswet, de nieuwe Woningwet, beleidsmatig te waarborgen zijn de ervaringen uit 2016 in de ronde van juni 2017 aan de gemeenteraad teruggekoppeld waarna in de zomer van 2017 de Woonvisie Zundert 2.0 is vastgesteld. In 2019 is een woningbehoefteonderzoek uitgevoerd wat heeft geleid tot de nieuwe Woonvisie Zundert 2021-2025.
De Woonvisie gaat door op de eerder ingeslagen weg en speelt in op ontwikkelingen in de samenleving. De nieuwe Woonvisie voor Zundert is er op gericht te kunnen voorzien in de woningbehoefte van Zundertenaren in elke kern. Voldoende betaalbaar aanbod (voor starters), doorstromingsmogelijkheden voor ouderen, middenhuur, levensloopgeschiktheid en verduurzaming zijn kernthema's. Tot 2030 is er een huishoudenstoename van circa 760 huishoudens te verwachten. Het is belangrijk om woningen toe te voegen die complementair zijn aan de huidige voorraad, en de doorstroming bevorderen binnen kernen, zodat alle huishoudens zoveel mogelijk naar wens kunnen wonen en starters een kans krijgen op de woningmarkt.
Conclusie
Met de woningbouw binnen onderhavig plangebied wordt voorzien in de realisatie van 54 nieuwe woningen. Deze woningen zullen worden gerealiseerd in marktconforme prijsklassen en typologieën, vraaggericht vanuit de Zundertse woonconsument. Er is sprake van lokaal maatwerk in een gedifferentieerd programma. Het plan is regionaal afgestemd en goedgekeurd en voldoet daarmee aan de Woonvisie.
In het bestuursakkoord van 2018-2022 van mei 2018 heeft de gemeente Zundert de wens uitgesproken om haar Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan van 2010 te actualiseren. Dit heeft in 2020 geresulteerd in het nieuwe GVVP van de gemeente Zundert (2020-2030). In het GVVP staat de 'hoe-vraag' centraal: hoe draagt het gemeentelijk mobiliteitsbeleid bij aan het realiseren van de ambities van de gemeente Zundert?'. Deze ambities en speerpunten komen voort uit de Mobiliteitsvisie Zundert van 3 maart 2020.
In het GVVP is de Prinsenstraat aangewezen als een hoofdweg binnen de bebouwde kom waarop een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt. Ten zuidwesten van het plangebied kruist de Prinsenstraat de Beeklaan en krijgt de Prinsenstraat het karakter van een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom waarop een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur geldt. De Beeklaan is ook gecategoriseerd als een hoofdweg buiten de bebouwde kom waarop een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur geldt. De Prinsenstraat is daarnaast aangewezen als regionale hoofdroute voor fietsverkeer. De Veldstraat is een erftoegangsweg met een geldende maximumsnelheid van 30 km/uur. In het Meerjaren Uitvoerings Programma is opgenomen dat de Veldstraat wordt heringericht.
Conclusie
De gebiedsontwikkeling De Tuinderij, waar onderhavig plangebied deel van uitmaakt, wordt in het zuiden ontsloten via het deel van de Prinsenstraat dat binnen de bebouwde kom ligt en ten oosten via de Veldstraat. Op die manier zijn de snelheidsverschillen tussen het verkeer uit het plangebied en het verkeer op de Prinsenstraat en Veldstraat beperkter dan wanneer de ontsluiting van het plangebied via de Beeklaan plaats zou vinden, dat bevordert de doorstroming. Ook de regionale hoofdroute voor fietsers blijft daarbij intact. Dit betekent dat de bouw van woningen in het plangebied past in het beleid zoals dat in het GVVP is geformuleerd.
In het GVVP is beschreven dat het aspect parkeren een integraal onderdeel moet zijn van ruimtelijke ontwikkelingen. Bij nieuwe ontwikkelingen toetst de gemeente Zundert met behulp van een parkeerbalans of er na realisatie van een ontwikkeling voldoende parkeerplaatsen zijn. De toetsing aan de parkeerbalans is opgenomen in hoofdstuk 2 van voorliggende ruimtelijke motivering. Uit die toetsing blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in voldoende parkeerplaatsen.
In de gemeentelijke welstandsnota zijn beleidsregels opgenomen over welstandscriteria opgenomen. Daarbij gaat het om algemene welstandscriteria, gebiedsgerichte ontwikkelingskaders, specifieke objectgerichte welstandscriteria en sneltoetscriteria. De welstandscriteria hebben betrekking op de plaatsing van woningen/aanbouwen/ bijgebouwen, de vorm en maatvoering en ten slotte op de architectuurtypering, kleurstelling en het materiaalgebruik.
In de huidige vorm is het plangebied in de Welstandsnota omschreven als agrarisch gebied waarvoor welstandsniveau 2 geldt. Dergelijke gebieden vragen om een zorgvuldige overweging van nieuwe bouwkundige ingrepen en extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit.
Figuur 3.2 Uitsnede kaart welstandsnota (plangebied aangeduid met gele cirkel)
Conclusie
In het kader van welstand wordt voor de ontwikkeling van fase 4 van De Tuinderij een apart beeldkwaliteitsplan uitgewerkt. Middels de vaststelling van dit beeldkwaliteitsplan worden de welstandsnormen van de gemeente Zundert gewaarborgd.
Ten aanzien van de beoogde ontwikkeling van het plangebied dient aangetoond te worden dat de (milieuhychiënische) bodemkwaliteit geschikt is voor het gewenste gebruik. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
Verkennend bodemonderzoek
In januari en februari 2022 is door Wematech Bodem Adviseurs een verkennend bodemonderzoek uitgevevoerd ter plaatse van het perceel aan de Veldstraat 38-46 in Zundert. Het doel van het onderzoek im het verkrijgen van inzicht inde actuele bodemkwaliteit ter plaatse en op basis daarvan te beoordelen of de bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de eigendomsoverdracht. Het onderzoeksrapport is toegevoegd in Bijlage 1 van de bijlagen van de motivering.
Overig terrein
Ter plaatse van het onverdachte terreindeel zijn op basis van zintuiglijke beoordeling sporen baksteen aangetroffen in de bovengrond, tot plaatselijk 100 tot 150 cm-mv. Ter plaatse van de oprit Veldstraat naar nummer 38 zijn ter plaatse van boring 05 van 30-60 cm-mv laagjes puin met matige bijmenging baksteen aangetroffen. Ter plaatse van boring 201, ter plaatse van de voormalige bebouwing, zijn sporen baksteen aangetroffen in het traject van 0-70 cm-mv.
De bovengrond ter plaatse van de kas (MM01) is licht verontreinigd met som DDD, som DDE, som drins, som heptachloorepoxide en som chloordaan en matig verontreinigd met som DDT. Na uitsplitsing van dit mengmonster blijkt de bovengrond ter plaatse van boring 02 licht verontreinigd met som DDD. Som DDE, som drins en som chloordaan en ter plaatse van boring 03 is de bovengrond licht verontreinigd met som DDD, som DDE, som heptachloorepoxide en som chloordaan en matig verontreinigd met som DDT en som drins.
De humeuze bovengrond ter plaatse van de bebouwing (MM02) is licht verontreinigd met lood, PAK, som DDD, som DDE, som drins, som heptachloorepoxide en som chloordaan.
Het mengmonster van de humeuze bovengrond aan de zuidzijde van de tuin/kwekerij (MM03) is licht verontreinigd met lood en som drins en het mengmonster van de humeuze bovengrond aan de noordzijde (MM04) is licht verontreinigd met som drins.
De ondergrond ter plaatse van de kwekerij/tuin (MM04) is niet verontreinigd, evenals de leemlaag die zich in de ondergrond bevindt (MM07).
De ondergrond nabij de bebouwing (MM06) is licht verontreinigd met lood.
Het worst-case monster van de puin en baksteenhoudende laag in de oprit (boring 05) is licht verontreinigd met lood.
De grond onder de funderingslaag ter plaatse van het erf van nummer 38 (boring 30) is niet verontreinigd.
Het grondwater is plaatselijk (peilbuis 3) licht verontreinigd met barium. Voor het overige is het grondwater niet verontreinigd.
Voor de bovengrond geldt dat deze plaatselijk (MM04) voldoet aan de klasse industrie voor toe te passen grond. Voor het overige is de bovengrond niet toepasbaar.
De ondergrond voldoet, indicatief, aan klasse achtergrondwaarde. Wel geldt op basis van de gemeten PFAS gehalten voor de bovengrond een beperking ten aanzien van het toepassen van de grond in grondwaterbeschermingsgebieden (gebiedstoets) en plaatselijk (MM03) ook een beperking ten aanzien van het toepassen in een oppervlaktewaterlichaam. Voor de ondergrond geldt alleen voor MM06 een beperking ten aanzien van het toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden (gebiedstoets).
Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek inclusief PFAS). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden.
Loods
Op basis van zintuiglijke beoordeling zijn ter plaatse van de loods en het met klinkers verharde terrein ernaast sporen baksteen aangetroffen van 30-130 cm-mv bij boring 107 en ter plaatse van boring 110 zijn in het traject van 40-100 cm-mv sporen baksteen aangetroffen.
Ter plaatse van de gevel van de loods zijn bij de boringen 101 en 103 olie-waterreacties aangetroffen in de laag 130-140 cm-mv respectievelijk 150-320 cm-mv.
De bovengrond ter plaatse van de loods (MM101) is niet verontreinigd. De matige zinkverontreiniging uit het nulsituatie onderzoek van 2003 wordt niet bevestigd.
De zintuiglijk met olie verontreinigde bodemlaag ter plaatse van boring 101 (140-160 cm-mv) is licht verontreinigd met ethylbenzeen en som xylenen en matig verontreinigd met minerale olie.
Het grondwater ter plaatse van de loods (peilbuis 101) is licht verontreinigd met ethylbenzeen, som xylenen en naftaleen en matig verontreinigd met minerale olie.
De bovengrond van het voormalig opslagterrein rond de loods (MM102) is niet verontreinigd.
Het grondwater ter plaatse van het voormalig opslagterrein rond de loods (peilbuis 107) is licht verontreinigd met som xylenen.
De oorzaak van de aangetroffen olieverontreiniging nabij de voormalige locatie van opslag gevaarlijke stoffen is niet bekend. Er zou sprake kunnen zijn van een nieuw geval van verontreiniging. Het is wel opvallend dat de verontreiniging zich uitsluitend in de ondergrond bevindt. Mogelijk is onder de loods een bron van verontreiniging aanwezig. Aanvullend onderzoek zal dit moeten uitsluiten.
Puinhoudende grond oprit
Zowel zintuiglijk als analytisch is in de grond met bijmengingen onder de oprit geen asbest aangetoond.
Druppellijn
Ter plaatse van de druppellijn is een gewogen gehalte asbest aangetoond van 5206 mg/kg d.s. De grond is niet verontreinigd met PCB.
Omdat voor asbest geen volumecriterium geldt kan worden geconcludeerd dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Om vast te stellen wat de omvang van deze verontreiniging is, dient een nader onderzoek plaats te vinden. Tevens dient te worden opgemerkt dat, in verband met het aantreffen van niet hechtgebonden asbest, aannemelijk is dat op deze locatie sprake is van zogenaamde onaanvaardbare risico’s buiten in verband met de verwachte aanwezigheid van respirabele vezels op locatie.
Toetsing hypothese
Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" voor het overig terrein verworpen te worden. Voor de loods achter nummer 34 geldt dat de hypothese verdachte locatie geaccepteerd kan worden.
Voor de druppellijn geldt dat de hypothese "verdacht op het voorkomen van asbest" kan worden geaccepteerd. De hypothese "verdacht op het voorkomen van asbest" voor de puinhoudende grond in de oprit van de Veldstraat naar nummer 38 kan worden verworpen.
Algemeen
Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat voor de locatie aangeduid als ‘overig terrein’ geldt dat binnen de huidige functieklasse en binnen een eventuele herontwikkeling naar wonen wellicht gebruiksbeperkingen gelden. De bovengrond van het terrein is, ondanks slechts lichte verontreinigingen, niet of beperkt toepasbaar.
Wel geldt ter plaatse van de druppellijn een gebruiksbeperking in verband met de aanwezigheid van asbest in niet hechtgebonden vorm met mogelijk respirabele vezels in de bovengrond. Er is bij onderhavig bodemonderzoek geen locatiespecifieke risicobeoordeling uitgevoerd, hoogstwaarschijnlijk is echter sprake van 'onaanvaardbare risico's, buiten' waardoor sprake is van een spoedeisend ernstig geval van bodemverontreiniging.
Ter plaatse van de loods geldt dat, tot is vastgesteld of ter plaatse daadwerkelijk sprake is van een nieuw geval van verontreiniging, geen grondroerende werkzaamheden mogen plaatsvinden om verspreiding dan wel illegaal saneren van de eventuele verontreiniging te voorkomen.
De verkregen resultaten geven aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek naar de aangetroffen verontreiniging in grond en grondwater ter plaatse van de loods, om vast te stellen of ter plaatse sprake is van een nieuw geval van bodemverontreiniging. Tevens dient ter plaatse van de druppellijn middels een nader onderzoek de omvang van de verontreiniging met asbest in de grond te worden vastgesteld, voorafgaand aan de sanering.
Advies
Geadviseerd wordt om de omvang van de asbestverontreiniging ter plaatse van de druppellijn vast te stellen middels een nader onderzoek (inclusief onderzoek naar de blootstellingsrisico’s). Afhankelijk van de resultaten van het nader onderzoek dient de verontreiniging met asbest gesaneerd te worden.
Tevens wordt geadviseerd middels een nader onderzoek ter plaatse van de loods de oorzaak en omvang van de bodemverontreiniging met minerale olie(producten) nader in beeld te brengen. Ingeval sprake is van een nieuw geval van verontreiniging geldt de zorgplicht ingevolge de Wbb. Voor de overige locatie geldt dat de verkregen resultaten wellicht een belemmering kunnen vormen voor de eigendomsoverdracht en eventuele bouwplannen ter plaatse. Derhalve wordt geadviseerd rekening te houden met de resultaten van onderhavig onderzoek.
Geadviseerd wordt een exemplaar van het rapport en eventuele rapportages van aanvullend onderzoek bij de notariële akte van eigendomsoverdracht te voegen.
Verkennend en aanvullend bodemonderzoek
Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is ter plaatse van het plangebied een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd door Wematech Bodem Adviseurs. Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor de beoogde ontwikkeling. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd in Bijlage 2 van de ruimtelijke motivering, hieronder volgt een samenvatting met de belangrijkste onderzoeksresultaten.
Het veldwerk is uitgevoerd in september 2024 en mei 2025. Bij de uitgevoerde grondboringen zijn op basis van zintuiglijke beoordeling zwakke bijmengingen met baksteen aangetroffen ter plaatse van boring 24. Voor het overige zijn geen relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen.
Geconcludeerd kan worden dat in de bovengrond op de locatie geen verhoogde gehalten uit het standaardpakket voor landbodem zijn aangetoond. Op basis van de gemeten gehalten OCB voldoet de bovengrond ter plaatse van de zuidoostzijde van de locatie (MMA1 en de individuele grondmonsters A102, A103, A104, A105, A106, A107 en A108) aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse matig verontreinigd. De bovengrond aan de zuidwestzijde van de locatie (MMA2) en noordoostzijde van de locatie (MMA4) voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse industrie. De bovengrond aan de noordzijde van de locatie (MMA3) voldoet aan de kwaliteitseisen voor kwaliteitsklasse wonen.
De resultaten van onderhavig onderzoek komen grotendeels overeen met de resultaten uit het onderzoek van 2022.
Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek inclusief PFAS). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden.
Toetsing hypothese
Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese 'niet verdachte locatie' formeel gezien verworpen te worden. De resultaten geven echter geen aanleiding voor nader onderzoek.
Algemeen
Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grondmonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat op basis van vastgestelde kwaliteitsklassen voor de bovengrond, met name voor MMA1, strikt formeel niet wordt voldaan aan de eisen zoals gesteld in het gemeentelijke omgevingsplan. De verkregen resultaten geven, mede gelet op artikel 22.30 uit de bruidsschat, geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek dan wel tot het nemen van maatregelen.
Nader onderzoek asbest in bodem 'druppellijn' Veldstraat Zundert
In september 2024 en mei 2025 heeft Wematech Bodem Adviseurs gefaseerd een nader onderzoek asbest in bodem uitgevoerd ter plaatse van de druppellijn aan de Veldstraat in Zundert. Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele inzicht in de concentratie asbest in de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of deze asbestconcentratie aanleiding voor aanvullende maatregenen c.q. een belemmering kan opleveren voor de voorgenomen graafwerkzaamheden. De onderzoeksresultaten zijn samengevoegd in een rapportage die is opgenomen in Bijlage 3.
Uit de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat de grond, direct onder de druppellijn, tot een diepte van 0,7 meter onder het maaiveld sterk verontreinigd is met asbest. Opo een afstand van circa 1,5 meter vanaf de druppellijn is een minimale asbestconcentratie (2,12 mg/kg ds) aangetroffen.
De grond is over een oppervlakte van 20 m2 tot een diepte van 0,7 meter onder het maaiveld sterk verontreinigd. De oorzaak van deze verontreiniging is de verwering van de asbesthoudende golfplatden op het dak van de schuur van het aangrenzende perceel. Zonder melding aan en instemming van het bevoegd gezag, mogen geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden in de sterk verontreinigde grond.
Conclusie
De aangetoonde sterke verontreiniging met asbest vormt een belemmering voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Voorafgaand de uitvoering van het plan zal de verontreinigde grond dan ook gesaneerd worden conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd plan van aanpak. Ter voorkoming van herbesmetting zal ook de bron van de verontreiniging worden verwijderd.
Bij nieuwe ontwikkelingen of bouwplannen dient het waterbelang meegewogen te worden zodat water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en wordt beschermd. Concreet betekent dit dat onder andere onderzocht moet worden hoe op een duurzame wijze kan worden omgegaan met water. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Bij de weging van het waterbelang vormen de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening de basis.
Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen is voor deze situatie navolgende rapportage ‘watertoets’ opgesteld. Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect en het weging van het waterbelang zoals dat in de Omgevingswet is opgenomen. In de rapportage van de watertoets zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plan gegeven. De volledige rapportage van de watertoets is toegevoegd in Bijlage 4 van de ruimtelijke motivering, hieronder volgt een samenvatting.
Waterbeleid
Rijksoverheid
Nationaal Water Programma 2022 - 2027
De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan.
Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland.
Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie
De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema’s beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om ‘klimaat adaptief’ te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben.
Met klimaat adaptief wordt bedoeld: het klimaat veerkrachtig en robuust inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaat robuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.
Waterschap Brabantse Delta
Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5)
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) ‘Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving’. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar.
Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Waterschap De Dommel/Brabantse Delta/Aa en Maas met de ‘watertransitie’; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het gronden oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie:
Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO)
Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater:
Waterschapsverordening
De waterschapsverordening, voorheen de keur, is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de waterschapsverordening van toepassing.
In de waterschapsverordening van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 2.2, vijfde lid: ‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning water te lozen in of te onttrekken aan een oppervlaktewaterlichaam’). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel ‘Hydrologische uitgangspunten bij de regels Waterschapsverordening voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het verbod uit artikel 2.2 van de waterschapsverordening is van toepassing tenzij:
Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften:
Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m2 of groter is, wordt vanuit het waterschap compenserende maatregelen geëist.
Wanneer er sprake is van een plan met een toename van verhard oppervlak groter dan 10.000 m2 komt men in het vergunningentraject terecht en wordt er samen met initiatiefnemer en de gemeente bekeken hoe er compensatie kan plaatsvinden.
Gemeente Zundert
De gemeente Zundert zorgt ervoor dat het huishoudelijk afvalwater veilig wordt ingezameld en afgevoerd naar de zuivering. Ook zorgt de gemeente voor het regenwater en het grondwater in de gemeente. Doordat het klimaat verandert komen meer extremen voor in het weer dan vroeger: heftigere buien en langere perioden van droogte. Er zijn daarom extra maatregelen in het riool en in het hele watersysteem nodig om te zorgen dat er niet teveel schade wordt veroorzaakt.
Om meer aansluiting te vinden bij aanpalende beleidsplannen heeft de gemeente recent een Water- en rioleringsplan (WRP) opgesteld. Samen met gebiedspartners wil de gemeente zorgdragen voor een vooruitstrevend en robuust watersysteem. Er worden eisen gesteld aan nieuwe rioolaansluitingen en er wordt een aanvullende eis gesteld aan de berging van hemelwater. Bij nieuwe projecten is een waterberging van 40 mm regenwater op eigen terrein benodigd. Dit wordt berekend op basis van het totaal aangebracht nieuw verhard oppervlak (in m2). Daar waar technisch mogelijk is, moet het overige regenwater oppervlakkig worden afgevoerd.
Toekomstige ontwikkeling
Waterbergingsopgave
Als gevolg van deze ontwikkeling zal het netto verhard oppervlak binnen het plangebied toenemen met 6.983 m2. Conform het beleid van het waterschap Brabantse Delta is ten aanzien van de ontwikkeling en het af te koppelen verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van ca. 419 m3 (6.983 m2 x 60 mm / 1000). Deze vereiste berging is hoger dan de eisen gesteld vanuit de gemeente Zundert. Hiermee wordt dus ook voldaan aan de vereiste berging van de gemeente.
In het plangebied is een B-watergang gelegen. De noordwestzijde van de watergang valt niet binnen het plangebied en de demping van deze watergang is eerder een vergunning voor verleend. De zuidwestzijde zal in stand worden gehouden om afwatering van hemelwater naar naburige percelen te voorkomen. Voor het deel aan de zuid/zuidoost zijde, wat haaks door het plangebied loopt, zal wellicht nog een vergunning moeten worden aangevraagd.
Waterhuishouding
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Hemelwater
Algemeen
Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de planlocatie verwerkt.
Compensatie
In overeenstemming met het waterschap zijn de B-watergangen rondom de planlocatie aangewezen als toekomstige wadi’s. Daarnaast zal een wadi worden gerealiseerd tussen de woonblokken. Hiermee kan een berging van 315 m3 worden gerealiseerd. De restopgave van 104 m3 wordt zo veel mogelijk opgevangen door een aantal alternatieve bergingsvoorziening. De voorzieningen bestaan onder andere uit 600 m2 sedumdaken, versmallen van wegen en trottoirs, en het verdiepen van de wadi’s. Hiermee kan 92,7 m3 worden gerealiseerd. Dit betekent dat er nog een resterende waterberging van 11,3 m3 (104 - 92,7) gerealiseerd dient te worden. Deze waterberging zal verder in het planvoornemen worden uitgewerkt.
Calamiteit
Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij 60 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan overtollig water overstorten op de omliggende oppervlaktewateren of hemelwaterriool. Het is mogelijk dat er bij een extreme bui tijdelijk een water-op-straat situatie ontstaat. Afstroming van hemelwater richting gebouwen en/of aangrenzende percelen dient te worden voorkomen.
Kwaliteit
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Waterschapsverordening
Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden.
Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht:
Riolering
Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden.
Conclusie
Op basis van de rapportage van de watertoets kan geconcludeerd worden dat de weging van het waterbelang voldoende in meegenomen in onderhavige ontwikkeling.
Het Bkl beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidbelastingen. In het Bkl zijn daarom standaardwaarden en grenswaarden opgenomen voor geluid van wegen en industrieterreinen op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. Een geluidgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
Geluidaandachtsgebieden
Met uitzondering van wegen met een etmaalintensiteit kleiner dan 1.000 motorvoertuigen, beschikt elke weg over een geluidaandachtsgebied. De omvang van het aandachtsgebied wordt bepaald door geluidproductieplafonds (gpp) of de basisgeluidemissie (bge). Dergelijke wettelijk vastgelegde informatie is opgenomen in de Centrale Voorziening Geluidsgegevens (CVGG). Voor het oprichten van een geluidgevoelig gebouw binnen een geluidaandachtsgebied is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek noodzakelijk en wordt de standaardwaarde in acht genomen.
De gemeente Zundert heeft nog geen geluidaandachtsgebieden voor haar gemeentewegen vastgesteld. Zodoende gelden de vaste afstanden uit artikel 17.5 van de Omgevingsregeling. In dit artikel is bepaald dat het geluidaandachtsgebied van gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen bestaat uit het gebied dat zich aan weerszijden van de as van de weg uitstrekt tot de volgende afstand, gemeten vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf:
Voor de provinciale wegen zijn nog geen geluidproductieplafonds vastgesteld, derhalve zijn voor deze wegen de Wet geluidhinder en het Reken- en meetvoorschrift 2012 nog van toepassing (Aanvullingswet geluid, artikel 3.5).
Normen verkeerslawaai
Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidbronsoort op een geluidgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. Om de hoeveelheid geluid uit te drukken is gebruik gemaakt van Lden (Level Day-Evening-Night). Dit is een maat om uit te rekenen hoeveel geluid (dB) er gemiddeld per etmaal aanwezig is.
| Geluidsbron | Standaardwaarde | Grenswaarde |
| Provinciale- en rijkswegen | 50 Lden | 65 Lden |
| Gemeente- en waterschapswegen | 53 Lden | 70 Lden |
| Lokale- en hoofdspoorwegen | 55 Lden | 70 Lden |
Tabel 4.2 Standaard- en grenswaarden geluid op een geluidgevoelig gebouw (bron: Bkl)
Een overschrijding van de standaardwaarde is na afweging van geluidsreducerende maatregelen toegestaan tot de grenswaarde. Indien op basis van overwegende bezwaren de geluidsbelasting op het geluidsgevoelige gebouw onvoldoende of niet kan worden gereduceerd tot aan de standaardwaarde, kan het college van burgemeester en wethouders een hogere geluidbelasting toestaan. In dat geval dient middels een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructies uitgevoerd te worden.
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Ten behoeve van onderhavig plan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de buitengevels van de nieuwe woningen als gevolg van het wegverkeerslawaai van de omliggende gemeentewegen en de N638. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd in Bijlage 5, hieronder volgt een samenvatting van de onderzoeksresultaten.
Het geluid op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 53 Lden als gevolg van de gemeentewegen en ten hoogste 42 dB als gevolg van de N638. Aan de standaardwaarde van de geluidbronsoort gemeentewegen en de toelaatbare geluidbelasting van 48 dB voor de N638 wordt voldaan. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan.
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
Bij het wijzigen of afwijken van een omgevingsplan moet rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Artikel 5.80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en verzorgingshuizen. Om te kijken of onderzoek naar trillinghinder noodzakelijk is, wordt aangesloten bij de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
Ten behoeve van het oprichten van trillinggevoelige gebouwen binnen een zone van 100 meter tot één of meerdere spoortracés wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren. Aan de hand van deze quickscan kan worden vastgesteld of mogelijk sprake is van trillinghinder. Zo ja, dan is een nader onderzoek met trilling metingen nodig en dienen eventueel maatregelen getroffen te worden ter voorkoming van trillinghinder.
Voor trillinggevoelige gebouwen binnen een zone van 100 tot 250 meter van spoortracés zal een afweging gemaakt moeten worden of het uitvoeren van een onderzoek naar trillinghinder noodzakelijk is. Dit kan het geval zijn wanneer reeds sprake is van klachten door trillinghinder op grotere afstand dan 100 meter van het spoor. Ook de plaatselijke bodemopbouw en/of treinbeeld kunnen leiden tot trillinghinder. Zo kan een combinatie van zwaar treinverkeer en een stijve zandlaag of zandpakket leiden tot trillinghinder op meer dan 100 meter van het spoor.
Voor het oprichten van trillinggevoelige gebouwen op een grotere afstand van 250 meter van spoortracés is het aspect trillingen niet relevant en het uitvoeren van een onderzoek naar trillinghinder derhalve ook niet noodzakelijk.
Beoordeling en conclusie
Het plangebied is gelegen op meer dan 250 meter van spoortracés. Op deze afstand wordt het aspect trillingen niet relevant geacht voor het oprichten van trillinggevoelige gebouwen.
Per 1 januari 2024 is de voormalige Wet natuurbescherming (Wnb) opgegaan in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluitnatuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna.
Ecologische quickscan
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een ecologische quickscan uitgevoerd met als doel om in te schatten of er binnen het plangebied planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de natuurbescherming onder de Omgevingswet een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden als gevolg van dit plan. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd in Bijlage 6 van de ruimtelijke motivering, hieronder volgen de onderzoeksresultaten.
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt ruim buiten de invloedsfeer van Natura 2000-gebieden voor alle mogelijk effecten met uitzondering van verrijkende effecten ten gevolge van stikstofdepositie. Gezien de afstand en de aard en duur van de werkzaamheden worden kansen op negatieve effecten van stikstofuitstoot en depositie op daarvoor gevoelige habitattypen en de leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen als nihil ingeschat. Om hier rechtszekerheid over te krijgen is door een stikstofberekening (AERIUS-berekening) uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn te vinden in paragraaf 4.6.
De ingreep vindt niet plaats in het NNB. Daarnaast zijn negatieve effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB ten gevolge van externe werking uitgesloten. Hierdoor is een vergunning of nadere toetsing in de vorm van een Nee-tenzij-toets niet noodzakelijk.
Op de natuurkaart van de provincie is het plangebied niet aangemerkt als bijzonder landschap in de zin van de Omgevingswet.
Bij de ingreep worden geen bomen gekapt welke vallen onder beschermde houtopstanden uit de Omgevingswet. Alle bomen welke nog aanwezig zijn betreffen erfbeplantingen ne beplantingen in tuinen. Hierdoor is het niet noodzakelijk voorafgaand aan de kap de bomen melding van te doen bij de provincie (art 11,125 Bal) en is er geen sprake van de herplantplicht (art 11.129 Bal).
Soortbescherming
Vogels
In de te verbouwen kapel, het te slopen bijgebouw van het kassencomplex en de mogelijk te slopen loods zijn mogelijk jaarrond beschermde nesten van de huismus aanwezig. Bij de ingreep gaan deze vaste rust- en verblijfplaatsen mogelijk verloren als zij aanwezig zijn. Door de nieuwe inrichting van het plangebied kan daarnaast het functioneel leefgebied van deze vogels zodanig aangetast worden dat het gebied niet langer meer geschikt is voor deze soorten. Daarnaast kunnen huismussen worden verstoord, gedood en verwond wanneer deze vaste rust- en verblijfplaatsen hebben in het plangebied. Het is daarom noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren naar de huismus om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 5 welke mogelijk binnen de verstoringszone broeden, zoals ekster, koolmees en pimpelmees, zijn voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig in de directe omgeving van het plangebied.
Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Omgevingswet, artikel 5.1 lid 2 en artikel 11.34 Bal. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meeste vogelsoorten van maart tot en met augustus.
Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het in dat geval aan te raden het afval dat vrijkomt in het plangebied (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken. Het is voor de voorgenomen ingreep niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland gekomen zijn.
Vleermuizen
De aanwezigheid van essentieel foerageergebied of vaste vliegroutes van vleermuizen is uitgesloten op basis van dit onderzoek. In de kapel en het bijgebouw van het kassencomplex kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Bij de sloop en renovatie van de gebouwen gaan deze verblijfplaatsen mogelijk verloren als ze aanwezig zijn. Daarnaast kunnen vleermuizen worden verstoord, gedood of verwond als zij aanwezig zijn tijdens de werkzaamheden. Dat kan leiden tot overtreding van de Omgevingswet.
Voorafgaand aan de ingreep dient daarom een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden.
Marterachtigen
Kleine marterachtigen Op plaatsen met dichte begroeiing zijn mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn, wezel) aanwezig. Daarnaast gebruiken de dieren dit gebied mogelijk om te jagen. Door de ingreep gaat dit leefgebied vrijwel geheel verloren als het aanwezig is. De ingreep leidt daarmee mogelijk tot overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van kleine marterachtigen. Daarom is het noodzakelijk een nader onderzoek uit te voeren.
Alpenwatersalamander
Het is niet uitgesloten dat de sloten in het plangebied voortplantingswateren vormen voor de Alpenwatersalamander. In dat geval vormt het omliggende terrein landhabitat van deze soort. Dit wordt aangetast ten gevolge van de ingreep. Daarom dient nader onderzoek naar de Alpenwatersalamander uitgevoerd te worden om overtreding van de Omgevingswet te voorkomen.
Overige soorten
Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het plangebied niet te verwachten. De ingrepen leiden dan ook niet tot overtreding van de Omgevingswet voor deze soorten.
Rode lijstsoorten
Doordat uit het plangebied geen Rode-lijstsoorten bekend zijn worden op basis van het uitgevoerde onderzoek ook geen negatieve effecten op Rode-lijstsoorten verwacht. Wettelijk gezien geldt voor Rode lijstsoorten geen bijzondere bescherming anders dan de specifieke zorgplicht. Mochten er toch rode lijstsoorten aanwezig zijn, dan vallen deze ook onder de specifieke zorgplicht zoals opgenomen onder de volgende paragraaf.
Specifieke zorgplicht
In de Omgevingswet is een specifieke zorgplicht opgenomen. In het Bal is een specifieke zorgplicht opgenomen voor onder meer alle 'flora- en fauna-activiteiten' die vrijwel alle ruimtelijke activiteiten betreft (art. 11.27 Bal). Kern van de zorgplichtbepaling voor flora- en fauna-activiteiten is dat als er sprake is van nadelige gevolgen op in het wild voorkomende soorten, deze, indien redelijkerwijs kan worden gevergd, moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan worden gemaakt. Dit geldt voor alle in het wild voorkomende planten en dieren, ongeacht of ze ook daadwerkelijk als beschermd zijn aangewezen in de Omgevingswet.
De wijze waarop invulling gegeven moet worden aan de specifieke zorgplicht is op dit moment nog niet duidelijk. De wijze waarop deze is geformuleerd in de Omgevingswet laat veel ruimte voor verschil in interpretatie. De provincies hebben nog niet ingevuld hoe hiermee omgegaan dient te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen zoals de voorgenomen ingreep.
Het is de verantwoordelijk van de initiatiefnemer om af te wegen welke maatregelen hij in het kader van de specifieke zorgplicht neemt. Ondanks dat de provincie geen helder beleid heeft geformuleerd is de specifieke zorgplicht niet vrijblijvend. Deze is zelfs bestuurs- en strafrechtelijk handhaafbaar. Daarom raden wij aan vooraf een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin vastgelegd wordt op welke wijze aantoonbaar invulling gegeven wordt aan de specifieke zorgplicht.
Nader soorten onderzoek
Naar aanleiding van de resultaten van de ecologische quickscan is een nader soortenonderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van huismussen, kleine marterachtigen, vleermuizen en Alpenwatersalemanders. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd als Bijlage 7.
Huismussen
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied en de verstoringszone van de ingreep de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten of andere beschermde gebiedsfuncties van de huismus kan worden uitgesloten. Deze zijn tijdens de onderzoeksrondes niet aangetroffen.
Vleermuizen
Het plangebied en de directe omgeving fungeert als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Gezien het lage aantal dieren dat hier aanwezig was om te jagen en de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving, is er geen sprake van een essentieel foerageergebied.
Binnen het plangebied en de verstoringszonevan de ingreep zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aangestroffen. Deze zijn daarmee redelijkerwijs uitgesloten.
Gedurende het onderzoek werden geen essentiële vliegroutes van vleermuizen waargenomen binnen het onderzoeksgebied of de verstoringszone van de werkzaamheden.
Kleine marterachtigen
De aanwezigheid van beschermde gebiedsfuncties van kleine marterachtigen binnen het plangebied kan worden uitgesloten. Tijdens het onderzoek zijn geen vaste rust- en verblijfplaatsen of functioneel leefgebied aangetroffen.
Alpenwatersalamanders
Tijdens de inventarisaties werden geen Alpenwatersalamanders of andere strikt beschermde amfibieën aangetroffen in het onderzoeksgebied. Bij het eerste veldbezoek in april stonden alle sloten volledig droog. Ook in juni was dit nog het geval. Ook in de directe omgeving van het onderzoeksgebied werden geen geschikte voortplantingswateren waargenomen. Daarmee is de aanwezigheid van Alpenwatersalamanders in het gebied redelijkerwijs uitgesloten.
Conclusie ecologie
Binnen het onderzoeksgebied en de verstoringszone van de werkzaamheden zijn geen beschermde functies voor huismussen, vleermuizen, kleine marterachtigen en Alpenwatersalamanders aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling leidt dan ook niet tot overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van deze soorten. Het is dan ook niet noodzakelijk een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan te vragen of maatregelen te treffen om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen.
Een ontwikkeling mag niet leiden tot een significant verstorend effect op de soorten waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen. De juridische basis zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald.
Het grootste gedeelte van de Nederlandse natuurgebieden heeft te lijden onder verzuring, vermesting en verdroging. Hierdoor gaan kwetsbare en vaak bijzondere planten- en diersoorten achteruit en maken plaats voor meer algemene soorten. Een teveel aan stikstof, in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak, is hier voor een groot deel debet aan.
Voor wat betreft stikstofdepositie dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Met behulp van een rekenprogramma (Aerius Calculator) moet worden bepaald of een plan een bijdrage (>0,00 mol N/ha/jaar) aan stikstofdepositie veroorzaakt ter plaatse van Natura 2000-gebieden.
Indien een bijdrage van 0,00 mol N/ha/jaar wordt berekend, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een bijdrage en daarmee het initiatief niet tot significante negatieve effecten kan leiden.
Beoordeling
Ten behoeve van onderhavig plan is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd van zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase. De volledige berekeningen en bijbehorende rapportage is aan voorliggende ruimtelijke motivering toegevoegd als Bijlage 8.
Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat zowel gedurende de aanlegfase als de gebruiksfase van het plan de stikstofbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Hierdoor zal het initiatief niet tot significante negatieve effecten leiden ter plaatse van de Natura 2000-gebieden.
Conclusie
Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie gelden er geen belemmeringen voor de uitvoering van onderhavig plan.
Met het instrument milieuzonering wordt een ruimtelijk kader vastgesteld voor de toelaatbaarheid van bedrijven in relatie tot woningen en andere milieugevoelige functies.
In oktober 2024 heeft de VNG de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' uitgebracht, die de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 vervangt.
De nieuwe handreiking richt zich echter primair op bedrijventerreinen en werkt met concrete milieuwaarden voor geur en geluid, in plaats van met richtafstanden. Omdat deze systematiek nog niet is toegepast in het omgevingsplan van de gemeente Zundert, wordt voor dit plan nog steeds getoetst aan de richtafstandenlijst uit de VNG-publicatie 2009. Deze lijst geeft per type bedrijf een indicatieve richtafstand tot milieugevoelige functies, waarmee de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat kan worden beoordeeld. Wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied' kunnen er kleinere richtafstanden aangehouden worden voor de zones.
Tabel 4.3 Richtafstanden Bedrijven en milieuzonering 2009 (bron: VNG)
Beoordeling
Het plangebied ligt binnen de kern Zundert. In de directe omgeving bevinden zich voornamelijk woonbestemmingen, waardoor kan worden uitgegaan van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’.
Ten noorden van het plangebied, aan De Brug 13-23, bevindt zich het JeeKaaCee-gebouw. Dit gebouw heeft een maatschappelijke bestemming en wordt momenteel gebruikt door onder andere een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang en peuteropvang. Op basis van de VNG-publicatie geldt voor kinderopvang een richtafstand van 30 meter ten opzichte van geluidgevoelige functies binnen het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Het plangebied ligt op ruim 190 meter afstand van de maatschappelijke bestemming, waarmee ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan.
Binnen de maatschappelijke bestemming zijn daarnaast ook andere functies toegestaan, zoals educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen voor sport en sportieve recreatie en voorzieningen voor openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze functies. Gezien de ruime afstand tussen het plangebied en deze maatschappelijke voorziening is ook van deze functies geen onevenredige milieuhinder te verwachten
Ten noordoosten van het plangebied, aan de Veldstraat 14, bevindt zich een bedrijf. Dit gebouw heeft een woonbestemming, maar de volgende activiteiten vallen nog onder het overgangsrecht: het repareren van auto’s, de bedrijfsmatige in- en verkoop van autobanden en het bedrijfsmatig stallen van voertuigen, zoals vastgelegd in de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 oktober 2017 (zaaknummer 16/8289). Voor deze bedrijfsactiviteiten geldt een richtafstand van 30 meter tot geluidgevoelige functies binnen het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. De afstand tussen het plangebied en Veldstraat 14 bedraagt circa 95 meter, waarmee ruimschoots aan de richtafstand wordt voldaan.
Veldstraat 40
Op het perceel Veldstraat 40 is het bedrijf Wilpac gevestigd. De activiteiten bestaan uit de verkoop van klassieke Volvo en Saab-onderdelen, schaalmodellen en autoaccessoires grotendeels via een webshop. Planologisch is het perceel aangewezen met de functie ‘Wonen’, maar de bewoner beschikt over een vergunning om ter plaatse dit bedrijf te voeren. De bedrijfsvoering vindt hoofdzakelijk plaats in de woning en de bijbehorende bijgebouwen. Bezoek op locatie is uitsluitend mogelijk op afspraak, terwijl het bedrijf op woensdag, zaterdag en zondag gesloten is.
In de bestaande situatie wordt het perceel aan de Veldstraat 40 aan beide zijden reeds begrensd door woonpercelen. De bedrijfsactiviteiten vinden dus al plaats binnen een overwegend woonomgeving, waarbij de ondernemer in zijn bedrijfsvoering rekening houdt met het woon- en leefklimaat van de direct aangrenzende woningen. De afstand tussen deze bestaande woningen en de bedrijfsactiviteiten is bovendien vergelijkbaar met de afstand tot de nieuwe woningen binnen het plangebied. Voor zover bekend ervaren de omwonenden geen onevenredige hinder van de huidige bedrijfsvoering, en andersom levert de nabijheid van deze woningen geen beperkingen op voor het bedrijf.
In het kader van dit plan heeft aanvullend overleg plaatsgevonden met de eigenaar over de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten. Hieruit is gebleken dat de activiteiten kleinschalig zijn, slechts beperkt verkeer en bezoekers genereren en geen relevante geluid- of geurbelasting veroorzaken richting de omgeving.
Gelet op de bestaande situering, de aard van de activiteiten en de ruimtelijke context kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van milieuhinder of beperkingen voor de ontwikkeling van nieuwe woningen binnen het plangebied. Evenmin zal de woningbouw leiden tot beperkingen voor de huidige bedrijfsactiviteiten. De bestaande situatie en de voorgenomen ontwikkeling zijn daarmee in milieuhygiënisch opzicht goed inpasbaar.
Conclusie
Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van onevenredige geur- of geluidhinder als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van omliggende niet-woonfuncties. De woningbouwontwikkeling binnen het plangebied vormt eveneens geen belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende niet-woonfuncties. Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Geur afkomstig van veehouderijen kan hinder veroorzaken en invloed hebben op de kwaliteit van de leefomgeving. Binnen de Omgevingswet geldt dat bij het toedelen van functies aan locaties een evenwichtige afweging moet worden gemaakt tussen bescherming van de leefomgeving en de ruimte voor economische activiteiten. Daarbij wordt bij geurgevoelige functies, zoals woningen, beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of omliggende veehouderijen niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering (omgekeerde werking).
De landelijke kaders voor geurhinder door veehouderijen zijn vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.92 Bkl is bepaald dat bij het opstellen of wijzigen van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met geur afkomstig van activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
Gemeenten moeten in het nieuwe deel van het omgevingsplan zelf geurrels opnemen. Daarbij worden de standaardwaarden en -afstanden uit het Bkl als uitgangspunt genomen, warvan mag worden afgeweken tot de grenswaarden en -afstanden.
De gemeente Zundert heeft nog geen nieuwe geurregels vastgesteld. Voor deze ontwikkeling gelden dan ook de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan, die zijn opgenomen in de bruidsschat en de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Zundert 2012'.
De bruidsschat bevat de geurregelgeving voor het houden van landbouwhuisdieren, opgenomen in paragraaf 22.3.6 'Geur' van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Deze regels sluiten grotendeels aan bij de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en hanteren in de basis dezelfde systematiek. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen:
Voor de toepassing van vaste afstanden wordt onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het stedelijk gebied.
Deze afstanden hebben een dubbele werking:
Beoordeling
De Kernregistratie Dierverblijven (KRD) bevat informatie uit Gelderland, Limburg, Noord-Brabant en Twente met daarin de omgevingsvergunningen en meldingen van veehouderijbedrijven. Aan de hand van de webapplicatie van de KRD zijn de volgende veehouderijen geïnventariseerd in de omgeving van het plangebied.
| Inventarisatie veehouderijen | |||
| Nr. | Adres | Landbouwdieren met geuremissiefactor | Afstand tot plangebied |
| 1. | Rucphenseweg 1, Klein Zundert | Nee | 520 meter |
| 2. | Rucphenseweg 6, Klein Zundert | Nee | 600 meter |
Tabel 4.4 Inventarisatie veehouderijen nabij het plangebied (bron: KRD)
Uit de inventarisatie blijkt dat zich in de omgeving geen veehouderijen bevinden met landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor. De beoordeling van geurhinder vindt daarom plaats op basis van de vaste afstanden uit de bruidsschat (paragraaf 22.3.6 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan).
Voor geurgevoelige gebouwen binnen het stedelijk gebied geldt een vaste afstand van 100 meter tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en de gevel van het geurgevoelige object.
De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich op een afstand van circa 520 meter van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de minimaal aan te houden afstand. Op basis hiervan is uitgesloten dat ter plaatse sprake is van een onevenredige geurbelasting.
Daarnaast is getoetst aan de planologische werking (de zogenoemde omgekeerde werking). Door de ruime afstand tot de aanwezige veehouderijen worden deze niet beperkt in hun bestaande of toekomstige bedrijfsvoering.
De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) heeft op de kaart 'Achtergrondbelasting geur' voor heel Noord-Brabant de achtergrondbelasting geur bepaalt. De kaart geeft een indicatie van het woon- en leefklimaat als gevolg van geurhinder van alle veehouderijen samen (achtergrondbelasting). Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Wanneer uit deze kaart blijkt dat er sprake is van een overbelaste situatie, is een gedetailleerde achtergrondberekening nodig.
Figuur 4.1 Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur maart 2025 (bron: Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant)
Op de kaart van de achtergrondbelasting is te zien dat ter plaatse van het plangebied de achtergrondbelasting minder bedraagt dan 3 ouE/m3. Dit komt overeen met de kwalificatie van een zeer goed woon- en leefklimaat. Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een overbelaste situatie waardoor een aanvullende berekening van de achtergrondbelasting niet noodzakelijk is. De achtergrondbelasting is zo laag dat niet te verwachten is dat er op basis van de voorgrondbelasting van een afzonderlijke veehouderij belemmeringen optreden. Als gevolg van het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor in veehouderijen, wordt ter plaatse van het plangebied geen geurhinder verwacht.
Conclusie
Gelet op voorgaande beoordeling kan geconcludeerd worden dat het ter plaatse van het plangebied geen sprake is van geurhinder als gevolg van het houden van landbouwhuisdieren in veehouderijen.
Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönosen. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken (bekend gemaakt vanuit Ministeries, RIVM, Gezondheidsraad of GGD) maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.
Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden", kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn:
Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico's kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden.
In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu. Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt ('het stappenplan') om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0.
In het stappenplan zijn aspecten meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen. In het stappenplan wordt onder andere getoetst aan de aspecten geur en fijnstof. Daarnaast wordt er aan de hierboven benoemde afstanden getoetst of er binnen deze afstanden bepaalde veehouderijen zijn gelegen.
Beoordeling en conclusie
Binnen een straal van 1 kilometer vanaf het plangebied zijn geen pluimveehouderijen aanwezig. De dichtstbijzijnde pluimveehouderij is gelegen aan de Rucphenseweg 24 te Klein Zundert op een afstand van ruim 2,2 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Geitenhouderijen zijn tevens niet aanwezig binnen een straal van 2 kilometer vanaf het plangebied.
De beoogde ontwikkeling van de woningen binnen het plangebied kan niet worden gezien als een ontwikkeling die bijdraagt aan de verslechtering van het bestaande gezondheidsklimaat. Het aspect gezondheid en veehouderijen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
De Erfgoedwet en de Omgevingswet zorgen samen voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed in Nederland. Het Europees beleid is verankerd in de Nederlandse wetgeving. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Onder cultureel erfgoed vallen: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen het behoud van archeologisch erfgoed in de bodem en de bescherming van cultureel erfgoed en landschap verplicht moet worden meegewogen in de besluitvorming. Als voor het aspect archeologie behoud in de bodem niet mogelijk is, moet het bodemarchief met zorg worden ontsloten via archeologisch onderzoek. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn in artikel 5.130 beginselen geformuleerd voor de bescherming van cultureel erfgoed. Deze beginselen gaan over de omgang met gemeentelijke monumenten (beschermd via het omgevingsplan), archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast staan in afdeling 8.8 van het Bkl regels voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteiten en voor het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie is doorgaans vastgelegd op een archeologische beleidskaart en een cultuurhistorische waardenkaart. Deze waarden en verwachtingen zijn in veel gevallen doorvertaald naar archeologische en cultuurhistorische functieaanduidingen in het omgevingsplan.
Bij cultuurhistorische waarden aangaande gebouwd erfgoed gaat het over de positieve waardering van bouwsporen, objecten, patronen, structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop Nederland beleefd, ingericht en gebruikt wordt.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant dient in het kader van de bescherming van waardevolle cultuurhistorische elementen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Op deze kaart staan de bepalende cultuurhistorische elementen afgebeeld.
Beoordeling
Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant zijn binnen het plangebied geen objecten van cultuurhistorische waarden aanwezig. De beoogde woningbouwontwikkeling binnen het plangebied zal dan ook niet leiden tot een aantasting van deze waarden.
Figuur 4.2 Uitsnede CHW provincie Noord-Brabant (plangebied is blauw omlijnd)
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied.
Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale wet, de Erfgoedwet. De onderdelen die betrekking hebben tot de omgang met archeologische waarden in de fysieke leefomgeving zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet overgaan in deze wet.
Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Ter plaatse van het plangebied geldt een archeologische onderzoeksplicht. Ten behoeve van dit plan is dan ook een archeologisch onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of er archeologische waarden aanwezig kunnen zijn binnen het plangebied en om te bepalen of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd in Bijlage 9 van de ruimtelijke motivering.
Bureauonderzoek
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op de noordelijke flank van de Vroeg-Pleistocene terrasrug van de Formatie van Stramproy. Gedurende het Weichselien zijn er dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel afgezet op de terrasrug. Ten noorden van het plangebied ligt het beekdal van de Kleine Beek. Gedurende de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is er een plaggendek ontwikkeld binnen het plangebied. Uit eerder archeologische onderzoeken die zijn uitgevoerd in de omgeving van het plangebied blijkt dat dit gebied al sinds de Bronstijd bewoond is. Ook zijn er archeologische waarden aangetroffen uit het (Late) Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Zowel op basis van de landschappelijke positie als de aanwezige archeologische waarden in de omgeving van het plangebied geldt er een hoge archeologische verwachting voor alle perioden. De mogelijk aanwezige archeologische waarden uit de perioden (Late) Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen worden onder het plaggendek, in de top van de dekzandafzettingen of terrasrug van de Formatie van Stramproy verwacht. De mogelijke archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen ook aanwezig zijn in het plaggendek.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een plaggendek van 40 tot 145 cm dik met daaronder dekzandafzettingen. Binnen 5 boringen zijn de terrasresten van de Formatie van Stramproy aangetroffen onder het dekzand. Binnen de meeste boringen bestaat de bodemopbouw uit een A/C-profiel en ligt het plaggendek direct op de C-horizont in het dekzand. Enkel binnen twee boringen gezet in het noordwestelijke deel van het plangebied is er (de onderkant van) de B-horizont van de oorspronkelijke veldpodzolgrond aanwezig op 60 à 110 cm -mv (8,3 à 9,1 M NAP) in de top van de dekzandafzettingen. Omdat er binnen 2 boringen wel nog (de onderkant) van de B-horizont is aangetroffen, zijn de dekzandafzettingen waarschijnlijk maar beperkt opgenomen in het plaggendek en merendeels intact aanwezig.
Conclusie
Het plaggendek is niet recentelijk verstoord. Daarom blijft de hoge archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd gelden. Door de beperkte verstoringen van de top van de dekzandafzettingen zullen de mogelijk aanwezige archeologische vondsten- en ondiepe sporenlaag zijn (deels) opgenomen in het plaggendek. De diepe sporenlaag, zoals paalkuilen of waterputten, kan nog wel intact aanwezig in de dekzandafzettingen en de onderliggende terrasrest van de Formatie van Stramproy. De hoge archeologische verwachting vanaf het (Late) Paleolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen blijft daarom ook gelden.
Gezien de in dit onderzoek opgestelde hoge archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode.
Conclusie
In de regels van dit TAM-omgevingsplan en op de bijbehorende verbeelding is de bescherming van de hoge archeologische verwachtingswaarde geborgd door middel van de aanduiding 'Waarde - Archeologie'. Op grond van deze aanduiding dient voorafgaand aan de aanlegfase een nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd, waarin kan worden aangetoond dat archeologische waarden niet worden verstoord.
Projecten moeten worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Deze verplichting geldt niet voor projecten die geen tot weinig luchtverontreinigingen veroorzaken. Het plan draagt dan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtvervuiling waardoor toetsing aan de rijksomgevingswaarden niet noodzakelijk is.
Beoordeling
Niet in betekenende mate (NIBM)
Op grond van artikel 5.54 lid b. onder 1° van het Bkl behoren woningbouwplannen met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg tot de standaardgevallen die aan te wijzen zijn als NIBM-projecten. In onderhavige ontwikkeling wordt voorzien in de bouw van 55 grondgebonden woningen. Gezien de relatief beperkte aard en omvang is dit plan daarom aan te wijzen als zijnde een NIBM-project. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden is niet noodzakelijk.
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) van het RIVM is daartoe bepaald wat de totale concentraties zijn van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5) nabij het plangebied. De toetsresultaten ter plaatse van de dichtstbijzijnde toetspunten aan de Prinsenstraat en de Beeklaan, alsmede de bijbehorende grenswaarden, zijn weergegeven in de onderstaande tabel.
Tabel 4.6 Gegevens Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (bron: CIMLK)
Ter plaatse van het plangebied blijven de concentraties van de maatgevende stoffen voor de luchtkwaliteit ruim onder de grenswaarden. Derhalve kan ter plaatse van het plangebied worden gesproken van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit.
Aan de hand van de Schone lucht Kaarten van het RIVM is de blootstelling aan luchtverontreiniging ter plaatse van het plangebied in kaart gebracht. Ter plaatse van het plangebied worden de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM2,5) en fijnstof (PM10) overschreden. Omdat de grenswaarden niet worden overschreden kan wel geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van de luchtkwaliteit.
Figuur 4.3 Uitsneden Schone Lucht Kaarten (bron: Atlas Leefomgeving, RIVM)
Conclusie
Uit bovenstaande beoordeling blijkt dat het plan 'niet in betekende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de rijksomgevingswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Tevens kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
Omgevingsveiligheid is gericht op het bereiken en in stand houden van een veilige fysieke leefomgeving. Ten aanzien van omgevingsveiligheid zijn in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels opgenomen met als doel de kans te beperken dat mensen die in de omgeving van een activiteit met veiligheidsrisico's verblijven door een ongeval met die activiteiten. Onder activiteiten met veiligheidsrisico's worden onder andere verstaan:
Bij de realisatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen in de nabijheid van risicovolle activiteiten moet rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit is een maat voor de kans dat iemand op een bepaalde plaats in de omgeving van een activiteit met veiligheidsrisico's overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij die activiteit of door een ongeval met een windturbine. De overlijdenskans van die persoon mag in beginsel niet meer dan één op de miljoen per jaar zijn.
Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. Dit wordt verplicht in de situatie dat de gemeente een zeer kwetsbaar gebouw wil toewijzen binnen een aandachtsgebied of wanneer het brandaandachtsgebied langs een basisnetroute nu een PAG kent. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Bestaande gebouwen, die niet verbouwd of vervangen worden, hoeven niet te voldoen aan deze aanvullende bouweisen.
Gifwolkaandachtsgebieden kunnen niet als voorschriftengebied worden aangewezen. Om toch te komen tot passende bescherming tegen gifwolken gelden (voor nieuwbouw) generieke bouweisen zoals het meest geschikte ventilatiesysteem, zoals we deze nu kennen vanuit het Bouwbesluit 2012. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Als de voorschriftengebieden (nog) niet in het omgevingsplan zijn aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen, met uitzondering van zeer kwetsbare gebouwen. Hiernaast gelden de aanvullende bouweisen niet voor bestaande gebouwen binnen het voorschriftengebied en gedeelten van het bouwwerk die buiten het voorschriftengebied zijn gelegen.
Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen.
Beoordeling
Op de onderstaande uitsnede van de kaart van het Ministerie van IenW is te zien dat er binnen het plangebied en de nabije omgeving (< 200 meter) geen activiteiten met externe veiligheidsrisico's aanwezig zijn. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen een brand-, explosie- of gifwolkaandachtsgebied.
Figuur 4.4 Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten (bron: Ministerie IenW)
Conclusie
Ter plaatse van het plangebied gelden geen belemmeringen wat betreft omgevingsveiligheid. Een nader onderzoek is niet benodigd. Het aspect omgevingsveiligheid staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
In een mer-beoordeling kijkt het bevoegd gezag of een plan of project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. In de tabel van Bijlage V van het Omgevingsbesluit is aangegeven voor welke projecten en de daarvoor benodigde besluiten een project-mer-(beoordelings)plicht geldt.
In kolom 1 zijn onder J11 stedelijke ontwikkelingsprojecten met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen aangewezen als projecten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. Op basis van kolom 2 geldt voor een stedelijk ontwikkelingsproject geen mer-plicht. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject is wel sprake van een mer-beoordelingsplicht (zie kolom 3).
Uitgaande van kolom 4 geldt de mer-beoordelingsplicht voor het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. In de gevallen waarbij een stedelijk ontwikkelingsproject mogelijk wordt gemaakt middels het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, is in artikel 11.8, derde lid van het Omgevingsbesluit bepaalt dat die omgevingsvergunning wordt aangemerkt als het besluit waarvoor de mer-beoordelingsplicht geldt.
Ten behoeve van de mer-beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria uit Bijlage III van de Europese mer-richtlijn (2011/92/EU). De drie hoofdcriteria zijn:
Tabel 4.7 Onderdeel J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit
Beoordeling en conclusie
Onderhavig plan betreft een stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in kolom 1 onder J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit en is daarmee m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor deze ontwikkeling is een m.e.r.-beoordeling opgesteld waarbij wordt ingegaan op de hoofdcriteria uit Bijlage III van de Europese mer-richtlijn. De m.e.r. beoordeling is toegevoegd in Bijlage 10. Op basis van de m.e.r-beoordeling wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet zal leiden tot noemenswaardige negatieve effecten op het milieu of de omgeving.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente.
Ten behoeve van dit plan wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en de gemeente. In deze overeenkomst is het kostenverhaal opgenomen. De kosten die het bestuursorgaan maakt voor bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen bouwactiviteiten of activiteiten met het oog op het gebruik op grond van een nieuw toegedeelde functie verricht worden op grond van artikel 3.11 van de Omgevingswet verhaalt op de initiatiefnemer.
In titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een wettelijke regeling opgenomen voor nadeelcompensatie. Artikel 4:126 regelt het recht op nadeelcompensatie. Het artikel bepaalt in het eerste lid: indien een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kent het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe. Schade zal niet door het bestuursorgaan worden vergoed en blijft voor rekening van de aanvragen voor zover hij/zij:
Het gaat hierbij niet alleen om schade veroorzaakt door besluiten waaronder ook beleidsregels en algemeen verbindende voorschriften vallen, maar ook om schade veroorzaakt door feitelijke handelingen. Hiermee worden alle geschillen over rechtmatig overheidsoptreden geconcentreerd bij de bestuursrechter.
In de Omgevingswet is een specifiek op het omgevingsrecht toegesneden nadeelcompensatieregeling opgenomen die enkele aanvullende regels bevat ten opzichte van de algemene regeling over nadeelcompensatie van titel 4.5 van de Awb. In artikel 15.1 en 15.4 van de Omgevingswet is een limitatieve opsomming van schadeoorzaken opgenomen. Als een schadeoorzaak binnen het omgevingsrecht hier niet onder valt, kan niet alsnog via de Awb om schadevergoeding worden verzocht.
Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Derden (waaronder omwonenden) moeten in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorbereiding van beleids- en besluitvorming. Met het tijdig uitvoeren van een participatieproces kunnen overheden en initiatiefnemers op tijd belangen, meningen en creativiteit vanuit de omgeving op tafel krijgen.
Voor dit plan is invulling gegeven aan participatie, conform de eisen uit de Omgevingswet en de participatieleidraad van de gemeente Zundert. Omwonenden en andere belanghebbenden zijn tijdig geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld om hun mening te geven over het plan. Dit is onder meer gebeurd via een informatieavond op 11 februari 2025, waar ruim 130 mensen aanwezig waren. Daarnaast zijn ook schriftelijke reacties verzameld.
Naar aanleiding van de informatieavond en de schriftelijke reacties is het plan op een aantal onderdelen gewijzigd. Op 3 november 2025 heeft vervolgens een tweede informatieavond plaatsgevonden om de geïnteresserden en belanghebbenden te informeren over de doorgevoerde aanpassingen van het plan.
Een uitgebreid verslag van het participatieproces, inclusief een samenvatting van de opgehaalde reacties, is opgenomen in Bijlage 11 van de motivering.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026 voor een ieder ter inzage gelegen. De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota van Zienswijzen, deze is bijgevoegd in Bijlage 12.
In het gebied dat is gelegen tussen de Veldstraat, de Prinsenstraat en de Beeklaan (N638) te Zundert herrijst de nieuwbouwwijk De Tuinderij, die gefaseerd wordt ontwikkeld. Voor fase 4 van de ontwikkeling is projectontwikkelaar Maas-Jacobs voornemens om 55 nieuwbouwwoningen te realiseren ter plaatse van de grotendeels onbebouwde gronden die zijn gelegen ten oosten van de Boomgaard.
Het woningbouwplan past niet binnen de regels van het (tijdelijk) omgevingsplan van de gemeente Zundert. Om het initiatief mogelijk te maken wordt daarom een uitgebreide ruimtelijke procedure doorlopen voor het wijzigen van het omgevingsplan.
In voorliggende ruimtelijke motivering is aangetoond dat het plan planologisch aanvaardbaar is en dat er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.