het bestemmingsplan "Partiële herziening Buitengebied 1998 Postbaan 77" van de gemeente Woensdrecht;
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO. 0873.BP048xHERZx07-VGO1
b. is pdf van de plankaart, NL.IMRO.0873.BP048xHERZx07-VGO1.pdf
c. is het IMRO bestand, NL.IMRO.0873.BP048xHERZx07-VGO1.gml
1.4 AAB:
Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, voor advies inzake volwaardigheid, continuïteit en
noodzaak in verband met een agrarisch bedrijf;
1.5 aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels
regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.6 aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.7 aangebouwd bijgebouw
een met een overlap van minimaal 1,2 meter aan het hoofdgebouw, geheel of gedeeltelijk, verbonden
bijgebouw; anders is sprake van een vrijstaand bijgebouw;
1.9 abiotische waarden:
het geheel van waarden in verband met het abiotisch milieu (= niet levende natuur), in de vorm van
aardkundige en/of hydrologische kenmerken, zowel op zichzelf als in relatie tot de aanwezigheid of
nabijheid van (ontwikkelingsmogelijkheden voor) een waardevol biotisch milieu (= levende natuur,
gevormd door organismen en leefgemeenschappen);
1.10 afhankelijke woonruimte:
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte
van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gewenst is;
1.11 agrarisch bedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen
(houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren;
1.12 agrarisch bedrijfsgebouw:
een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf;
1.13 agrarische bedrijfswoning:
een woning, krachtens het plan toegestaan binnen een agrarisch bouwvlak, en slechts bedoeld voor
(het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de agrarische
bedrijfsvoering noodzakelijk is;
1.14 agrarisch-technisch hulpbedrijf:
een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van het
telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige
methoden, met uitzondering van mestbewerking.
Voorbeelden van agrarisch-technische hulpbedrijven zijn: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslagen
mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen),
veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven;
1.15 agrarisch verwant bedrijf
een bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische
bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van
andere landbouwkundige methoden.
Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn: dierenasiels, dierenklinieken,
groencomposteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, stalhouderijen, instellingen voor
agrarisch praktijkonderwijs, proefbedrijven, volkstuinen;
1.16 agrarisch bedrijf, hobbymatig:
een agrarisch bedrijf met een economische omvang van minder dan 10 Nge(Nederlandse grootteeenheden);
1.17 archeologische verwachtingswaarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied
voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden;
1.18 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.19 bebouwingsconcentratie:
een kernrandzone, bebouwingslint of een bebouwingscluster;
1.20 bebouwingspercentage:
een op de verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft
dat maximaal mag worden bebouwd;
1.21 bedrijf:
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken,
opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten,
aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;
1.22 bedrijfsgebouw:
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;
1.23 bedrijfswoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden
van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein
noodzakelijk is;
1.24 beroep aan huis
een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in
overwegende mate de woonfunctie behoudt, en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die
met de woonfunctie in overeenstemming is;
1.25 beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte:
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q.
een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en
administratieruimten en dergelijke;
1.26 bestaande situatie:
t.a.v. bebouwing
bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan of in
uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde
bouwvergunning;
t.a.v. gebruik
het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het
bestemmingsplan;
1.27 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
1.28 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.29 bijbehorende bouwwerken, gebouwen zijnde:
aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en vrijstaande bijgebouwen.
1.30 bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
erf- en perceelsafscheidingen, carports, overkappingen etc.
1.31 bijgebouw:
een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw op een bouwperceel, dat door de vorm
onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is
aan het hoofdgebouw;
1.32 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een
bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een
standplaats;
1.33 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
1.34 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende
bebouwing is toegelaten;
1.35 bouwperceelsgrens:
een grens van een bouwperceel;
1.36 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde
gebouwen en bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;
1.37 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij
indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.38 chalet
een gebouw, gericht op recreatieve bewoning, dat niet geschikt is om regelmatig te worden vervoerd
en dat geen stacaravan is;
1.39 cultuurhistorische waarde:
de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en
door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft
gemaakt, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het
sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur;
1.40 dagrecreatie:
recreatieve activiteit die plaats vindt binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na
zonsondergang;
1.41 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en
leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of
aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder
grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt;
1.42 ecologische verbindingszone:
zone die dienst doet als migratieroute voor planten en dieren tussen verschillende natuurgebieden.
Aanleg van verbindingszones heeft als doel barrières tussen deze gebieden op te heffen. De zone
moet zowel in kwalitatief als in kwantitatief opzicht zijn ingericht en beheerd volgens de eisen van de
doelsoorten;
1.43 erfbeplanting:
al dan niet afschermende (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of
bouwperceel van een agrarisch bedrijf, een niet-agrarisch bedrijf of een woning;
1.44 extensieve recreatie:
extensieve vormen van dagrecreatie, zoals wandelen, fietsen, paardrijden of kanoën;
1.45 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt;
1.46 gevellijn:
de denkbeeldige lijn, die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen
c.q. bouwgrenzen;
1.47 geluidzoneringsplichtige inrichtingen:
een inrichting, bij welke ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een
bestemmingsplan een zone moet worden vastgesteld;
1.48 geomorfologische waarde:
de waarde van de samenhang van de verschijningsvorm van het aardoppervlak met de wijze van zijn
ontstaan;
1.49 glastuinbouwbedrijf
een specifieke vorm van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf waarbij de productie geheel of
overwegend plaatsvindt in kassen en/of hoge tunnels, welke ter plaatse (overwegend) permanent
aanwezig zijn;
1.50 groothandel:
het bedrijfmatig te koop aan bieden, verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers,
instellingen, danwel aan personen ter aanwending in een ander bedrijf;
1.51 grondgebonden agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of overwegend afhankelijk is van het
voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende open grondonbebouwde grond; Daaronder
wordt ook begrepen grond met kassen of tunnels, lage tunnels of andere teeltvoorzieningen,
voor zover deze allen tijdelijke teeltondersteunend zijn;
1.52 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering
een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt;
1.53 hartlijn:
het midden van de leiding;
1.54 HK/MC
Heemkunde Kring (HK), zoals Boerderijcommissie van stichting Brabants Heem, of de gemeentelijke
monumentencommissie (MC) voor advies inzake de monumentale, cultuurhistorische,
landschappelijke en/of architectonische waarden;
1.55 hoofdgebouw:
een gebouw dat, in architectonisch opzicht als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan
worden aangemerkt;
1.56 horeca
het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig
exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf, waaronder
bed & breakfast, discotheek, feestzaal en partyboerderij, te onderscheiden in:
horeca van categorie 1:
een horecabedrijf, dat qua exploitatievorm aansluit bij winkelvoorzieningen en waar naast
overwegend niet ter plaatse bereide kleinere etenswaren en in hoofdzaak alcoholvrije drank worden
verstrekt.
horeca van categorie 2:
een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van maaltijden of
etenswaren die ter plaatse genuttigd plegen te worden. Daaronder worden begrepen:
cafetaria/snackbar, fastfood en broodjeszaken/lunchroom, konditorei, ijssalon/ijswinkel koffie en/of
theeschenkerij, afhaal-centrum, eetwinkels, restaurant;
horeca van categorie 3:
een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van (alcoholische)
dranken voor consumptie ter plaatse, alsmede het verstrekken van maaltijden of etenswaren die ter
plaatse genuttigd plegen te worden, alsmede (in sommige gevallen) de gelegenheid biedt tot dansen;
Daaronder worden begrepen: café, bar, grand-café, eetcafé, danscafé, pubs, juice- en healthbar;
horeca van categorie 4:
een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak en
ontspanning (niet zijnde een recreatieve voorziening) en/of het geven van gelegenheid tot de
dansbeoefening, al dan niet met levende muziek en al dan niet met de verstrekking van dranken en
kleine etenswaren:
Daaronder worden begrepen: discotheek/dancing, nacht-café en een zalencentrum (met
nachtvergunning);
horeca van categorie 5:
een inrichting die geheel of in overwegende mate is gericht op het verstrekken van nachtverblijf.
Daaronder worden begrepen: hotel, motel, pension en overige logiesverstrekkers;
1.57 horecabedrijf:
een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt
en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een
vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;
1.58 huishouden
een verzameling van één of meer personen die één woonruimte bewoont en daar zichzelf voorziet, of
door derden wordt voorzien, in de dagelijkse levensbehoeften;
1.59 intensieve veehouderij:
een bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is gericht op het
houden van dieren, zoals rundveemesterij (exclusief vetweiderij), varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of
pelsdierhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te
stellen bedrijfsvormen;
1.60 inwoning:
het bewonen van een woonruimte die deel uitmaakt van een woonruimte die door een ander
huishouden in gebruik is genomen, met dien verstande dat dit slechts toegestaan is in het
hoofdgebouw, dan wel in een aan het hoofdgebouw aangebouwd bijgebouw en waarbij
woningsplitsing en/of kamerbewoning niet toegestaan is;
1.61 kamerbewoning
het gebruik van een hoofdgebouw of met het hoofdgebouw verbonden bijgebouw door meer dan twee
onzelfstandige huishoudens;
1.62 kampeermiddel:
a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan,
b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan,
voorzover geen bouwwerk zijnde,één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
1.63 kas:
een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander
lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen of planten;
1.64 kassen, hoge tunnels:
gebouwen en/of bouwwerken, met een hoogte tot maximaal 4 meter, waarvan de wanden en het dak
of de bedekking voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, die dienen tot het
kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, groenten, bloemen,
bloembollen, planten of bomen alsmede, in voorkomende gevallen, tot bescherming van de omgeving
en/of bodem tegen milieubelastende stoffen;
1.65 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit
de in de bij de planregels behorende "Staat van bedrijven" (Bedrijvenlijst ontleend aan de brochure
Bedrijven en Milieuzonering VNG) genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en de invloed op de
omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woning
met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
1.66 kunstwerken:
een civieltechnische constructie of installatie in de infrastructuur die een of meer functies vervult zoals
onderdoorgangen, duikers, overkluizingen;
1.67 lage tunnels:
bouwwerken of andere werken, met een hoogte van maximaal 1,5 meter, overwegend voorzien van
een bedekking van lichtdoorlatend of ander beschermend materiaal die dienen tot het kweken,
trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, groenten, bloemen, bloembollen,
planten of bomen alsmede, in voorkomende gevallen, tot bescherming van de omgeving en/of bodem
tegen milieubelastende stoffen;
1.68 landschappelijke waarde / landschapswaarden:
bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object in de zin van aantrekkelijkheid,
herkenbaaheid/identiteit en diversiteit bestaande uit aardkundige, cultuurhistorische en visueelruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang;
1.69 maatschappelijk:
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen,
voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van
openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten behoeve van deze
voorzieningen;
1.70 manege:
een bedrijf voor het beoefenen van de paardensport alsmede voor het stallen van paarden en pony's;
1.71 mantelzorg:
het bieden van zorg aan een ieder die aantoonbaar hulpbehoevend is op het fysieke, psychische
en/of sociaal vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband;
1.72 midicamping:
een kleinschalige camping (met maximaal 40 kampeermiddelen, stacaravans uitgesloten), waaraan in
het verlengde van het agrarisch bedrijf een dagrecreatieve voorziening kan zijn voorzien (zoals
bijvoorbeeld een kaas- of geitenboerderij), een en ander als nevenactiviteit bij een functionerend
agrarisch bedrijf;
1.73 minicamping
een kleinschalige camping (met maximaal 25 kampeermiddelen, stacaravans uitgesloten), waaraan in
het verlengde van het agrarisch bedrijf een dagrecreatieve voorziening kan zijn voorzien (zoals
bijvoorbeeld een kaas- of geitenboerderij), een en ander als nevenactiviteit bij een functionerend
agrarisch bedrijf;
1.74 nevenactiviteit:
activiteiten waarvoor een gedeelte van de vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen als zodanig mag
worden gebruikt en die uitgevoerd worden naast het eigenlijke beroep of de hoofdactiviteit, ze zijn
ondergeschikt aan de primair toegekende functie (vaak agrarisch);
1.75 natuurlijke waarde:
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige biotopen bijzondere flora en
fauna, ecologische samenhangen en structuren;
1.76 niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering:
een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt;
1.77 omschakeling agrarisch bedrijf:
het geheel dan wel in overwegende mate overstappen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar
een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf of andersom, waarbij het overstappen van een
grondgebonden bedrijf naar een niet-grondgebonden bedrijf wordt aangemerkt als intensivering;
1.78 ondergeschikte activiteit:
een activiteit van zeer beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij
wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als
hoofdfunctie herkenbaar blijft;
1.79 ondergeschikte functie:
functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte tot een maximum van 400 m
2
van het
bedrijfsgebouw als zodanig mag worden gebruikt;
1.80 overkapping:
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, omsloten door maximaal één wand en voorzien van een
gesloten dak, waaronder begrepen een carport;
1.81 paardenfokkerij:
het fokken van paarden, zoals hengstenstations, opfokbedrijven en paarden- en ponyfokbedrijven;
1.82 paardenhouderij:
een bedrijf voor het stallen van paarden en pony's alsmede gebruik van paarden ten behoeve van
recreatie en sport;
1.83 parkeervoorziening
verhardingen en voorzieningen voor het op het maaiveld parkeren van voertuigen;
1.84 peil:
a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst:
de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst:
de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
c. indien in of op het water wordt gebouwd:
het Nieuw Amsterdams Peil (of andere plaatselijk aan te houden water peil);
1.85 perceelgrens:
een grenslijn tussen bouwpercelen onderling;
1.86 permanente bewoning:
bewoning door eenzelfde persoon of groep van personen, terwijl elders niet daadwerkelijk over een
hoofdverblijf wordt beschikt;
1.87 prostitutie:
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
vergoeding;
1.88 recreatief medegebruik:
een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming
waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;
1.89 recreatieve bewoning:
de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie;
1.90 recreatiewoning:
een gebouw bestemd voor verblijfsrecreatie ten dienste van een huishouden dat zijn hoofdverblijf
elders heeft;
1.91 schuilgelegenheid:
overdekte ruimte, aan maximaal drie zijden omsloten door wanden, waarvan dieren gebruik moeten
kunnen maken in geval van weidegang, met als doel bescherming tegen extreme
weersomstandigheden in zowel zomer als winter. In de schuilgelegenheid is geen opslag toegestaan;
1.92 seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij
bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische
aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.93 stacaravan:
een caravan, die als een gebouw valt aan te merken.
1.94 standplaats:
een kavel, bestemd voor het plaatsen van een woonwagen, waarop voorzieningen aanwezig zijn die
op het leidingnet van de openbare nutsbedrijven, andere instellingen of van gemeenten kunnen
worden aangesloten;
1.95 statische opslag (binnenopslag):
de binnenopslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, niet bestemd voor
handel, zoals (seizoens)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke;
1.96 teeltfolies:
uitgespreide folies dienend, als afdek- en/of ondermateriaal, ter bescherming voor vollegrondsteelten
alsmede, in voorkomende gevallen, tot bescherming van de omgeving en/of bodem tegen
milieubelastende stoffen;
1.97 teeltondersteunende voorzieningen:
een voorziening in, op of boven de grond die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten wordt
gebruikt om de volgende doelen na te streven:
-
verbetering van de productie, onder meer door teeltvervroeging en –verlating, terugdringing van
onkruidgroei en beperking van vraatschade;
-
verbetering van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen;
bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen van
onkruidbestrijding, effectief omgaan met water);
Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn:
aardbeiteelttafels, afdekfolies, anti-worteldoek, boomteelthekken, hagelnetten, insectengaas,
plastic tunnels, ondersteunende kassen, schaduwhallen en vraatnetten;
1.98 tijdelijk (teelt)ondersteunend:
het tijdelijk, gedurende maximaal 6 maanden per jaar (afhankelijk van de teelt), bouwen en/of
aanbrengen van kassen, hoge tunnels, lage tunnels, andere teeltvoorzieningen of teeltfolies ter
ondersteuning van fruitteelt, groenteteelt, bloementeelt, bloembollenteelt, plantenteelt en/of
bomenteelt;
1.99 tuin:
de gronden van een bouwperceel behorende bij een woning;
1.100 veldschuur:
een vrij in het open veld staande schuur, die wordt gebruikt voor het onderbrengen van vee tegen
weersinvloeden en/of voor de opslag van agrarische producten en/ of voor de opslag van agrarische
werktuigen;
1.101 verblijfsrecreatie:
vormen van recreatie die mede gericht zijn op verstrekken van nachtverblijf;
1.102 verbrede landbouw:
het ontplooien van activiteiten op een agrarisch bouwblok, die ruimtelijk inpasbaar zijn en verbonden
zijn aan de bestaande en te behouden agrarische bedrijfsvoering;
1.103 volwaardig agrarisch bedrijf:
een agrarisch bedrijf dat de arbeidsomvang heeft van tenminste één volledige arbeidskracht en
waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd,
dat wil zeggen in zowel bedrijfs-economisch opzicht als op milieuhygiënisch verantwoorde wijze;
1.104 voorzieningen van algemeen nut:
voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het
telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;
1.105 vrijstaand bijgebouw
een van het hoofdgebouw losstaand bijgebouw;
1.106 woning:
een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.