direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Dit bestemmingsplan bestaat uit twee percelen waar ontwikkelingen plaatsvinden. Het betreft de percelen Winterdijk 2 en 3 in Sprang-Capelle. Hieronder is per perceel het voornemen uitgewerkt.

Winterdijk 2
Ter plaatse van het perceel Winterdijk 2 was tot voor kort een paardenhouderij gevestigd. De gemeente Waalwijk heeft dit perceel met bijhorende bebouwing opgekocht en de paardenhouderij ter plaatse beëindigd. Hiervoor in de plaats wordt op dit perceel een burgerwoning gerealiseerd.

Winterdijk 3
Het perceel Winterdijk 3 is een voormalig woonperceel. Het perceel is door de gemeente Waalwijk opgekocht en de woning ter plaatse is verwijderd. De gemeente heeft het voornemen om het perceel in te richten als pleisterplaats van waaruit bezoekers/recreanten het naastgelegen wandelpad van het natuurgebied Westelijke Langstraat kunnen bereiken. De pleisterplaats wordt zodanig ingericht dat hier een beperkt aantal auto's kan parkeren, bezoekers hun fiets kunnen stallen en er wordt een bord geplaatst met de wandelroute.

Op basis van de ter plaatse geldende beheersverordening 'Natte natuurparel, Eerste Zeine' zijn de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk. Om de ontwikkelingen mogelijk te maken is een herziening van de beheersverordening plaatse noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet in deze noodzakelijke herziening.

1.2 Plangebied

Het plangebied omvat de percelen Winterdijk 2 en Winterdijk 3 in Sprang-Capelle. Op onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven. Het plangebied ligt ten zuidwesten van de afrit Waalwijk langs de rijksweg A59. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door het natuurgebied Westelijke Langstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0001.png"

Luchtfoto met ligging van het plangebied (rood omlijnd)

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle gelden de volgende ruimtelijke plannen:

  • Beheersverordening 'Natte natuurparel, Eerste Zeine (incl. kamerbewoning)', vastgesteld op 4 juli 2019.

Winterdijk 2
In de beheersverordening valt het perceel Winterdijk 2 in deelgebied 2.4. Dit deelgebied omvat het voormalig geldende bestemmingsplan 'Buitengebied herziening 1991' van de voormalige gemeente Sprang-Capelle. Hierin is het plangebied Winterdijk 2 als 'Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden' bestemd. Er is een aanduiding opgenomen voor een agrarisch bouwperceel.

Op de onderstaande afbeelding is de beheersverordening met daarop het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0002.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0003.png"

Kaart van de vigerende beheersverordening inclusief het plangebied

Winterdijk 3
In de beheersverordening valt het perceel Winterdijk 3 in deelgebied 2.7. Dit deelgebied omvat het voormalig geldende bestemmingsplan 'Landgoed Driessen'. Het perceel heeft de bestemming 'Woondoeleinden' met de nadere aanduiding 'erf'. het zuidelijke deel van het perceel valt in de bestemming 'Natuurgebied' met de nadere aanduiding voor een kade en een voetpad.

Op de onderstaande afbeelding is de kaart uit de beheersverordening weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0005.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0006.png"

Kaart van de vigerende beheersverordening - Winterdijk 3. Plangebied rood omlijnd

1.4 Proces en leeswijzer

Het bestemmingsplan Winterdijk 2 en 3 Sprang-Capelle wordt opgesteld, zoals bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij zijn de procedurele aspecten in afdeling 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing.

Het bestemmingsplan bestaat uit een geometrische plaatsbepaling, regels en voorliggende toelichting. De bestemmingen van de gronden zijn opgenomen in de geometrische plaatsbepaling. De verbeelding geeft een visualisatie van deze geometrische plaatsbepaling. Door middel van kleuren, arceringen en coderingen zijn daarbij de bestemmingen aangegeven. De materiële inhoud van de bestemmingen is opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt ingegaan op de achtergronden van het plan. De toelichting geeft een beschrijving van het plan en gaat in op het verrichtte onderzoek.

Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige en toekomstige situatie. Er wordt eerst aandacht geschonken aan de ruimtelijke en functionele structuur, waarna vervolgens de toekomstige situatie wordt beschreven. Hoofdstuk 3 behandelt het relevante beleid van de hogere overheden en gemeente, inclusief de beleidsuitgangspunten die voortvloeien uit het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 gaat in op de diverse omgevingsaspecten, zoals natuur, geluid, externe veiligheid, e.d. In Hoofdstuk 5 wordt een juridische toelichting gegeven op de regels van het bestemmingsplan. Daarnaast is verslag gedaan van inspraak en overleg en de zienswijzeprocedure in Hoofdstuk 6. In dit hoofdstuk is ook de economische uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Bestaande en toekomstige situatie

2.1 Ruimtelijke structuur

Het plangebied ligt in een agrarisch gebied dat wordt gekenmerkt door noord-zuid gerichte verkaveling. Het ligt in een gebied met kleigronden. De percelen zijn grootschalig met nauwelijks perceels- en laanbeplanting. De omgeving aan de zuidzijde van het plangebied zijn in gebruik als natuurgebied (Westelijke Langstraat). Het natuurgebied kent eenzelfde soort verkaveling als de noordelijk gelegen agrarische percelen, en is onder andere toegankelijk via de Winterdijk.

2.2 Functionele structuur

In deze paragraaf is per perceel de huidige functionele structuur uitgewerkt.

Winterdijk 2
Het perceel Winterdijk 2 is tot voor kort in gebruik geweest als agrarisch bedrijf waar een paardenhouderij was gevestigd. Op het perceel is een bedrijfswoning aanwezig met daarbij verschillende opstallen ten behoeve van de paardenhouderij.

Het perceel wordt aan de noordzijde afgebakend door enkele agrarische percelen. Ten noorden van deze percelen, op circa 250 meter afstand van het perceel bevindt zich de rijksweg A59. De zuidzijde van het perceel wordt afgebakend door de Winterdijk met daaraan een bomenrij, en ten zuiden van de Winterdijk het natuurgebied Westelijke Langstraat.

Op onderstaande afbeelding is een impressie van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0007.png"

Plangebied Winterdijk 2 (Bron Google maps)

Winterdijk 3
Het perceel Winterdijk 3 ligt momenteel braak. Op het perceel was eerder een burgerwoning aanwezig, deze woning is inmiddels van het perceel verwijderd. Het perceel wordt aan de noordzijde afgebakend door de Winterdijk met daarlangs een bomenrij, en ten zuiden het natuurgebied Westelijke Langstraat.

Op onderstaande afbeelding is een impressie van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0008.png"

Plangebied Winterdijk 3 (bron Google maps)

2.3 Toekomstige situatie

In deze paragraaf is per perceel de toekomstige situatie uitgewerkt.

Winterdijk 2
De paardenhouderij ter plaatse van Winterdijk 2 is recentelijk gestaakt. In de plaats hiervoor wordt de huidige bedrijfswoning als burgerwoning bestemd. De fysieke situatie ter plaatse wijzigt als gevolg van deze ontwikkeling nauwelijks. Wel wordt de overtollige bedrijfsbebouwing gesloopt. Hiermee wordt een verbetering van de landschappelijke kwaliteit ter plaatse gerealiseerd.

Winterdijk 3
Het perceel Winterdijk 3 wordt getransformeerd naar een natuurlijke maar sober en doelmatig ingerichte pleisterplaats als ingang van het natuurgebied Westelijke Langstraat. Hierdoor wordt invulling gegeven aan de in de beleidsvisie 'Verhaal van de Westelijke Langstraat' geformuleerde ambitie om de aanwezige waarden beleefbaar te maken.

Een van de ambities van het Verhaal van de Westelijke Langstraat is om de aanwezige waarden beleefbaar te maken door recreatieve wandel- en fietsroutes langs de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. Het braakliggende perceel grond ligt, gezien de nabijheid van wandel- en fietspaden, op een uitstekende locatie voor een pleisterplaats met parkeervoorzieningen voor mensen van buiten Waalwijk. Op deze pleisterplaats kunnen mensen op een verkeersveilige manier de auto parkeren om van daaruit het gebied wandelend en fietsend te verkennen. Daarnaast kunnen mensen hier, in de directe nabijheid van wandel- en fietspaden, pauzeren en rustig van de aanwezige natuurlijke en cultuurhistorische waarden (Meerdijk, slagenlandschap, Wielen etc.) genieten. Hiermee wordt, op een verkeersveilige manier, een bijdrage geleverd aan het beleefbaar maken van het natuurgebied Westelijke Langstraat.

Hoofdstuk 3 Beleid

Dit hoofdstuk omvat de beschrijving van relevante ruimtelijke beleidsdocumenten van hogere overheden, de regio en de gemeente. Per document zijn de hoofdlijnen opgenomen voor zover van belang voor dit bedrijventerrein. Tevens bevat dit hoofdstuk een beschrijving van de relevante gemeentelijke ruimtelijke beleidsdocumenten en de gemeentelijke beleidskeuzes ten aanzien van het bedrijventerrein. Het sectorale beleid is beschreven in Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020)

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI, 2020), geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en ontwikkelingen van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI wordt ingegaan op urgente opgaven die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Deze opgaven omvatten onder andere klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Het uitgangspunt in de aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

Nationale belangen en vier prioriteiten
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Er zijn 21 nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Nationale belangen zijn de inhoudelijke belangen bij de fysieke leefomgeving waarbij het Rijk een rol voor zichzelf ziet en waarvoor het kabinet in politieke zin aanspreekbaar is. De behartiging van de nationale belangen en de realisatie van de daaruit voortvloeiende beleidsdoelen en opgaven gebeurt niet alleen door het Rijk.

Er zijn vier prioriteiten waar het Rijk op wil sturen en richting geven:

Prioriteit 1: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

Prioriteit 2: Duurzaam economisch groeipotentieel

Prioriteit 3: Sterke en gezonde steden en regio's

Prioriteit 4: Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Afwegingsprincipes
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Uitvoering
De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, waarin staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.

Situatie plangebied
De NOVI doet geen uitspraken over het plangebied of over dit initiatief. De NOVI staat dit initiatief daarmee niet in de weg.

3.1.2 Duurzaamheidsladder (artikel 3.1.6 lid 2 Bro)

Ten aanzien van de ladder voor duurzame verstedelijking is in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen (juli 2017): De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het gaat hier met name om 'een goede ruimtelijke ordening' (zie ook 201608869/1/R3, 28 juni 2017). De elementen "actuele" en "regionale behoefte" zijn komen te vervallen sinds 1 juli 2017.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze verplichte toetsing is verder vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Ladder houdt in dat overheden nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten motiveren met oog voor de onderliggende vraag in de regio, de beschikbare ruimte binnen het bestaande stedelijke gebied en een multimodale ontsluiting. Per 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking in werking getreden.

De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing als er sprake is van een nieuwe 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Als een ruimtelijk besluit, zoals een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning met een goede ruimtelijke onderbouwing, voorziet in nieuwe planologische bouwmogelijkheden, dan kwalificeren deze bouwmogelijkheden in beginsel als een "stedelijke ontwikkeling" als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder i Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Het moet wel gaan om bouwmogelijkheden van enige omvang. Zeer kleinschalige bebouwingsmogelijkheden of functiewijzigingen "sec" die niet voorzien in een toename van het ruimtebeslag kwalificeren niet als een stedelijke ontwikkeling.

Dit bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een woning en een pleisterplaats. Woningen zijn als een stedelijke functie aangemerkt. Om deze reden dient een toetsing aan de 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' plaats te vinden.

1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
In de eerste plaats dient onderzocht te worden of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Realisatie van woningen wordt primair gezien als een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie is vastgelegd dat er pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling vanaf 12 woningen of meer. In dit geval is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De huidige bedrijfswoning wordt herbestemd als burgerwoning.

Een pleisterplaats is niet aangemerkt als stedelijke ontwikkeling. in het kader van de ladder. Een verdere toetsing aan de ladder is niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 De Brabantse Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant'

De Brabantse Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant' is met ingang van 14 december 2018 in werking getreden. De omgevingsvisie formuleert de ambitie: hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uitzien? En daarbij stellen stelt de omgevingsvisie mobiliserende tussendoelen: wat wil de provincie in 2030 voor elkaar hebben om die ambitie te verwezenlijken?

Om Noord-Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaat-proof te laten zijn, onderscheidt de provincie vier hoofdopgaven die nauw met elkaar samenhangen en die op elkaar inwerken:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie;
  • Werken aan een klimaatproof Brabant;
  • Werken aan de slimme netwerkstad;
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Situatie plangebied
Dit initiatief voorziet in de herbestemming van een woning en realisatie van een pleisterplaats bij een natuurgebied. Het initiatief draagt niet expliciet bij aan een van de hoofdopgaven uit de omgevingsvisie. Hierbij geldt echter ook dat het initiatief niet strijdig is met de opgaven uit de omgevingsvisie. De provinciale omgevingsvisie vormt daarmee geen verdere belemmering voor dit initiatief.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Op 25 oktober 2019 is de Interim omgevingsverordening voor de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Deze is sinds deze vaststelling enkele keren geactualiseerd waarvan de laatste actualisatie op 15 april 2022 heeft plaatsgevonden. Dit is een eerste stap om te komen tot een definitieve omgevingsverordening. In deze Interim omgevingsverordening worden bestaande regels uit een aantal verschillende verordeningen samengevoegd. In de Interim omgevingsverordening staan zowel regels voor burgers en bedrijven – de rechtstreeks werkende regels voor activiteiten – als voor bestuursorganen van de overheid – de instructieregels.

Situatie plangebied
Hierna wordt ingegaan op deze regels en in hoeverre die van toepassing zijn op het

bestemmingsplangebied. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre voorliggend plan hierop aansluit.

Woningen in het landelijke gebied
In de omgevingsverordening is het volgende opgenomen over woningen in het landelijke gebied:

Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bepaalt dat:

a. alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan;

Artikel 3.69 Afwijkende regels (burger)woningen

In afwijking van Artikel 3.68 Wonen in Landelijk gebied kan een bestemmingsplan voorzien in:

a. de bouw van een woning ter vervanging van een bestaande woning binnen het bouwperceel , als is verzekerd dat:

1. de bestaande woning feitelijk wordt opgeheven;

2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

b. een inpandige splitsing van een beeldbepalende woonboerderij als:

1. een fysieke tegenprestatie wordt geleverd aan het versterken van de omgevingskwaliteit vergelijkbaar met de tegenprestatie voor een ruimte voor ruimtekavel; en

2. de beeldbepalende woonboerderij wordt behouden.

c. de vestiging van of de splitsing in meerdere woonfuncties in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als dat bijdraagt aan het behoud of herstel van deze bebouwing .

d. in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, als is verzekerd dat:

1. er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt;

2. overtollige bebouwing wordt gesloopt.

Afweging Winterdijk 2
Ter plaatse van het perceel Winterdijk 2 was tot voor kort een paardenhouderij gevestigd. De paardenhouderij ter plaatse van Winterdijk 2 was bestemd als 'Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden' met een agrarisch bouwvlak. De gemeente Waalwijk heeft dit perceel met bijhorende bebouwing opgekocht en de paardenhouderij ter plaatse beëindigd. Hiervoor in de plaats wordt op dit perceel een burgerwoning gerealiseerd. Dit is passend binnen de omgevingsverording, op basis van artikel 3.69 onder a.

Landelijk gebied en kwaliteitsverbetering
Het gebied is in de provinciale verordening als landelijk gebied aangemerkt. Op basis van artikel 3.9 van de verordening dient er een verbetering van de landschappelijke kwaliteiten ter plaatse gerealiseerd te worden.

Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap
Lid 1
Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in Landelijk Gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving.

Lid 2
Het bestemmingsplan motiveert dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat:

  • a. dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of
  • b. de afspraken uit het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken, worden nagekomen.

Lid 3
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan mede de volgende aspecten omvatten:

  • a. de op grond van deze verordening verplichte landschappelijke inpassing;
  • b. het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land;
  • c. het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;
  • d. het wegnemen van verharding;
  • e. het slopen van bebouwing;
  • f. de realisering van het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones;
  • g. het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

Lid 4
Ingeval er toepassing wordt gegeven aan het tweede lid onder b geldt dat een passende financiële bijdrage in een landschapsfonds is verzekerd én over de besteding van dat fonds periodiek verslag wordt gedaan in het regionaal overleg, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken.

Winterdijk 2
De overtollige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Hiermee wordt een verbetering van de landschappelijke kwaliteit ter plaatse gerealiseerd. Dit is geborgd in het bestemmingsplan door de bedrijfsbebouwing niet te bestemmen in dit bestemmingsplan.

Winterdijk 3
Voor het perceel Winterdijk 3 is/wordt hier invulling aan gegeven door de aanwezige woning te slopen en de erfverharding te verwijderen. Het perceel Winterdijk 3 had de bestemming 'wonen', maar ligt momenteel braak. Op het perceel was eerder een burgerwoning aanwezig, deze woning is inmiddels gesloopt, vooruitlopend op dit bestemmingsplan. In de plaats daarvan zal een sobere pleisterplaats worden gecreëerd,als ingang van het natuurgebied Westelijke Langstraat, Hierdoor wordt invulling gegeven aan de in de beleidsvisie 'Verhaal van de Westelijke Langstraat' geformuleerde ambitie om de aanwezige waarden beleefbaar te maken.

Een van de ambities van het Verhaal van de Westelijke Langstraat is om de aanwezige waarden beleefbaar te maken door recreatieve wandel- en fietsroutes langs de cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden. Het braakliggende perceel grond ligt, gezien de nabijheid van wandel- en fietspaden, op een uitstekende locatie voor een pleisterplaats met parkeervoorzieningen voor mensen van buiten Waalwijk. Op deze pleisterplaats kunnen mensen op een verkeersveilige manier de auto parkeren om van daaruit het gebied wandelend en fietsend te verkennen. Daarnaast kunnen mensen hier, in de directe nabijheid van wandel- en fietspaden, pauzeren en rustig van de aanwezige natuurlijke en cultuurhistorische waarden (Meerdijk, slagenlandschap, Wielen etc.) genieten. Hiermee wordt, op een verkeersveilige manier, een bijdrage geleverd aan het beleefbaar maken van het natuurgebied Westelijke Langstraat. Hiervoor is een inrichtingsschets gemaakt (zie Bijlage 1). De pleisterplaats, die gedeeltelijk zal worden omzoomd met beplanting, zal worden voorzien van halfopen verharding. Hiermee sluit het perceel aan op het belendende natuurgebied en draagt het bij aan de verbetering van het landschap en het terugdringen van de verstening op het grensvlak met het natuurgebied. De geldende woonfunctie zal in het kader van het voorliggende bestemmingsplan worden gewijzigd in gedeeltelijk de bestemming Verkeer en gedeeltelijk een bestemming Groen. Daarmee is de woonfunctie verwijderd en is de landschappelijke inpassing geborgd.

Met het staken van de paardenhouderij en het herbestemmen van het perceel Winterdijk 2 zal de stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied afnemen. Door de herbestemming als burgerwoning zal ook de overtollige bedrijfsbebouwing worden afgebroken.

Met betrekking tot het toepassen van de werkafspraken ruimtelijke kwaliteit kan worden geconcludeerd dat daaraan ruimschoots wordt voldaan bij deze voorgestane ontwikkelingen.

Op basis van de werkafspraken valt de ontwikkeling aan de Winterdijk 2 te Sprang Capelle onder categorie 3 (Ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist)).

Dit gaat om ontwikkelingen waarbij de inspanning die moet worden verricht ten behoeve van kwaliteitsverbetering van het landschap relatief eenvoudig kwantitatief kan worden genormeerd, omdat het mogelijk is deze ontwikkeling te koppelen aan waardevermeerdering van de grond of van het object ("de bestemmingswinst"). Dit betreft veelal ontwikkelingen die een beduidende invloed hebben op de omgeving en waarbij vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of bestemmingswijziging aan de orde is.

Een percentage van 20% van het verschil tussen de nieuwe en de oude bestemmingswaarde moet worden geïnvesteerd in een kwaliteitsverbetering in de fysieke leefomgeving. In dit geval komt dat uit op een bijdrage van € 37.500,--.

Met de ontwikkeling van het perceel Winterdijk 3 wordt ruimschoots voldaan aan deze investering. De sloop van de woning Winterdijk 3 bedroeg €25.000,-. De uitvoeringskosten van de herinrichting van het perceel Winterdijk 3 worden geraamd op ruim €38.000,-. In totaal ruim € 63.000,- aan kosten. Door deze ruime overschrijding is de waardedaling van het perceel door het herbestemmen van Wonen naar Verkeer en Groen buiten beschouwing gelaten.

Natuurnetwerk Brabant
In de verordening is opgenomen dat een ontwikkeling niet voor negatieve effecten mag zorgen in aangewezen gebieden voor Natuurnetwerk Brabant. Wanneer dit wel het geval is moeten de negatieve effecten gecompenseerd worden.

Dit initiatief voorziet niet in negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 4.4. Maatregelen zijn niet noodzakelijk.

Conclusie
Het initiatief is in overeenstemming met de Interim Omgevingsverordening Brabant.

3.2.3 Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant

Het is vast provinciaal beleid om terughoudend om te gaan met het toevoegen van woningen in het buitengebied. De Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) kent echter incidentele mogelijkheden hiervoor. Daarbij is bepaald dat via maatwerk de toevoeging van een woning mogelijk is met als doel het versterken van omgevingskwaliteit. Daarvoor moet een fysieke tegenprestatie worden geleverd. Met de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant wordt uitgewerkt waarom en hoe de omvang hiervan wordt behaald.

Conclusie
Er wordt geen nieuwe woning toegevoegd, er is/wordt namelijk een woning gesloopt op Winterdijk 3 en een huidige woning behouden aan de Winterdijk 2. Het plan hoeft daarom geen rekening te houden met de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Waalwijk 2025

Op 4 februari 2016 heeft de raad van Waalwijk de Structuurvisie Waalwijk 2025 vastgesteld op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke Ordening. Doel van de structuurvisie Waalwijk 2025 is een samenhangend ruimtelijk beleid formuleren op hoofdlijnen dat de ambities weergeeft voor 2035 en een visie uitwerkt voor 2025.

Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de structuurvisiekaart weergegeven met daarop het plangebied rood omlijnd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0009.jpg"

Uitsnede Totaalkaart Visie 2025, Structuurvisie Waalwijk 2025. plangebied rood omlijnd

Het plangebied Winterdijk 3 is op de structuurvisiekaart aangemerkt als bestaande bebouwing. De omliggende gronden zijn aangeduid als 'Natuurgebied' en 'Agrarisch natuurbeheer'. Met de ontwikkeling van een pleisterplaats op dit perceel wordt er invulling gegeven aan de verdere ontwikkeling van dit natuurgebied, zoals ook beschreven in paragraaf 2.3. Verder ligt er ook een aanduiding voor de regionale waterkering. Bij dit initiatief wordt deze waterkering niet aangetast.

Het plangebied Winterdijk 2 is op de structuurvisie kaart als bestaande bebouwing. Ook hier ligt een aanduiding voor de regionale waterkering. Bij het initiatief wordt deze waterkering niet aangetast. Daarnaast voorziet de ontwikkeling in verwijdering van bebouwing ter plaatse. De ontwikkeling draagt daarmee bij aan de verbetering van het landschap.

Bijdragen ruimtelijke ontwikkelingen
Op basis van het provinciale beleid is voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een bijdrage nodig voor kwaliteitsverbetering van het landschap. In regionaal verband zijn hierover afspraken gemaakt middels de zogenaamde ‘Werkafspraken Kwaliteitsverbetering Landschap’. Indien een bijdrage volgens de zogenaamde grondwaardemethodiek nodig is, hanteert de gemeente een percentage van 20% over de toename van de (getaxeerde) grondwaarde. De bijdrage wordt zo mogelijk besteed aan landschappelijke kwaliteitsverbetering op het perceel zelf, in de direct omgeving of elders. Indien dat niet meteen mogelijk is, kan een fondsbijdrage gedaan worden. Er is geen bijdrage nodig indien het plan op
zichzelf voorziet in een evenredige maatschappelijke en/of landschappelijke bijdrage aan de fysieke leefomgeving. In subparagraaf 3.2.2 is onder het kopje 'Landelijk gebied en kwaliteitsverbetering' gemotiveerd dat hieraan voldaan wordt.

Conclusie
Het initiatief is in lijn met de structuurvisie Waalwijk.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Bodem

4.1.1 Bodemkwaliteit

In een bestemmingsplan dient te worden beschreven wat de bodemkwaliteit van het betreffende gebied is. Daarbij moet ook beschreven worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de voorgenomen functie ter plaatse.

Afweging
Ter plaatse van Winterdijk 2 wordt bebouwing verwijderd en wordt de bestaande woning van een andere bestemming voorzien. De functie ter plaatse wijzigt in die zin niet, het blijft een woning. In dit kader is de conclusie dan ook dat de bodem ter plaatse geschikt is voor de voorgenomen functie ter plaatse. Nader onderzoek ter plaatse is niet noodzakelijk.

Ter plaatse van Winterdijk 3 wordt de bestaande woonfunctie gewijzigd naar een pleisterplaats/ groenfunctie. Deze nieuwe functie is minder gevoelig dan een woonfunctie. In dit kader is nader onderzoek ter plaatse niet noodzakelijk.

Conclusie
Het aspect bodem vormt geen verdere belemmering voor het initiatief.

4.1.2 Aardkundige waarden

Op de ‘Aardkundig waardevolle gebiedenkaart Noord-Brabant’ is de Binnenpolder Capelle aangewezen als aardkundig waardevol, omdat het gebied een voor Noord-Brabant uniek overblijfsel is van een Middeleeuws landschap ten tijde van de grote veenontginning. Het is een grotendeels intact bewaard gebleven en relatief goed toegankelijk Middeleeuws veenontginningslandschap met duidelijk zichtbaar typisch perceleringspatroon, gelegen op de overgang van veen- en kleigebied naar het dekzandlandschap, waarop het veen uitwigt.

Dit initiatief voorziet in een bijdrage aan de ontwikkeling van dit gebied door middel van de realisatie van de pleisterplaats. Bij Winterdijk 3 is de bestaande woonbebouwing verwijderd, waarmee dit bestemmingsplan voorziet in een landschappelijke verbetering. De inrichtingsschets voor de ontwikkeling is opgenomen in Bijlage 1. Het perceleringspatroon blijft in tact en de aardkundige waarden worden ter plaatse niet aangetast, sterker nog, de woonbebouwing is juist verwijderd.

Conclusie
De aardkundige waarden worden niet verder aangetast door dit initiatief.

4.2 Cultuurhistorie en archeologie

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.

De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

4.2.1 Archeologie

De op 3 februari 2011 vastgestelde erfgoedkaart van de gemeente geeft middels de beleidskaart aan waar en op welke manier onderzoek noodzakelijk is in het ruimtelijk proces. De archeologische beleidskaart – bestaande uit de archeologische verwachtingenkaart en de archeologische maatregelenkaart – moet primair een helder en hanteerbaar beleidsinstrument vormen, en is het resultaat van de inventarisatie en analyse van de op dit moment beschikbare gegevens over het bodemarchief van de gemeente Waalwijk en een gemeentelijke belangenafweging waarbij archeologische kennisvermeerdering en conservering van erfgoed plaats krijgen in een bredere maatschappelijke context.

Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Erfgoedkaart opgenomen. Op de maatregelenkaart is het gemeentelijk grondgebied onderverdeeld in zes archeologische beleidscategorieën die zijn doorvertaald in planregels:

  • Categorie 1 - Wettelijk beschermd archeologisch monument;
  • Categorie 2 - Gebied van archeologische waarde (archeologisch waardevolle terreinen; mede gebaseerd op cultuurhistorie);
  • Categorie 3 - Gebied met een hoge archeologische verwachting (mede gebaseerd op cultuurhistorie);
  • Categorie 4 - Gebied met een gematigde archeologische verwachting (uitsluitend gebaseerd op reconstructie van het archeologisch landschap);
  • Categorie 5 - Gebied met een lage archeologische verwachting;
  • Categorie 6 - Gebied met zonder archeologische verwachting.

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0011.png"

Het plangebied valt binnen categorie 3 (Gebied met een hoge archeologische verwachting) en categorie 5 (Gebied met een lage archeologische verwachting). Het initiatief voorziet enkel in de verwijdering van gebouwen. In het kader van het initiatief worden geen nieuwe gronden geroerd of bouwwerken gebouwd. Archeologische waarden ter plaatse worden niet aangetast in het kader van dit initiatief. Nader onderzoek kan achterwege blijven.

4.2.2 Cultuurhistorie

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is in het plangebied aangegeven als van provinciaal cultuurhistorisch belang. De strategie is planologische bescherming van de waarden/kenmerken
De Binnenpolder van Sprang en Labbegat is een gebied waar het veenontginningslandschap van de Langstraat gaaf bewaard is gebleven en waarin zich tal van waterstaatkundige elementen bevinden die de geschiedenis van het gebied illustreren.

Het gebied is een relatief gaaf deel van een veenontginningslandschap ('slagenlandschap') bij Sprang, Besoijen en Labbegat. De percelering bestaat uit noord-zuid gerichte en deels oost-west gerichte zeer smalle stroken land, gescheiden door smalle sloten. Veen percelen hebben een randbegroeiing bestaande uit houtsingels van zwarte elzen en wilgen. De ontginning van dit gebied begint rond 1200 vanaf de toenmalige stroomrug van de Maas. Dat gebeurde in het voor laagveenontginningen kenmerkende percelering met lange smalle percelen loodrecht op de ontginningsas en sloten die het veen ontwaterden.

Het gebied maakte vanaf 1700 als inundatiegebied deel uit van de Zuiderwaterlinie.

Dit initiatief voorziet in een bijdrage aan de ontwikkeling van dit gebied door middel van de realisatie van de pleisterplaats. Bij Winterdijk 3 is de bestaande woonbebouwing verwijderd, waarmee dit bestemmingsplan voorziet in een landschappelijke verbetering. De inrichtingsschets voor de ontwikkeling is opgenomen in Bijlage 1. De cultuurhistorische waarden worden ter plaatse versterkt. Het initiatief is in lijn met het cultuurhistorische beleid.

4.2.3 Conclusie

De aspecten archeologie en cultuurhistorie leveren geen belemmering op voor voorliggend bestemmingsplan.

4.3 Water

Het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerder en het meewegen van het waterbelang in een ruimtelijk plan is, door middel van de Watertoets, per 1 juli 2008 verankerd in art. 3.1.6 lid 1 sub b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De watertoets is een overlegverplichting tussen initiatiefnemer en waterbeheerder(s) en geldt onder andere voor het vaststellen van een bestemmingsplan, of een wijzigings- en uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 sub a en b Wro. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op even wichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het plangebied valt volledig binnen het beheersgebied van Waterschap Brabantse Delta.

4.3.1 Beleid en wetgeving

Waterwet
In de Waterwet (2009) zijn acht oude waterwetten samengebracht. De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude- en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater.

Nationaal Waterplan
Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.

Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte, het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in

Nederland.

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.

Nationaal Bestuursakkoord Water
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het Waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de ruimtelijke regelgeving zoals Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en is hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het bestaande nationale, provinciale en gemeentelijke beleid met betrekking tot de waterhuishouding dient altijd als uitgangspunt. Voorliggend bestemmingsplan mag geen slechtere waterhuishoudkundige situatie creëren dan in dat beleid is vastgelegd.

Beleid waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer.

Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021, wat is afgestemd op Europees, nationaal en provinciaal beleid. Speerpunten uit het plan zijn waterkwaliteitsverbetering, vermindering van de kans op wateroverlast en verdrogingsbestrijding.

Het waterschap heeft in een toetsingskader RO "De ruimte blauw geordend" aangegeven wat de ruimtelijke consequenties zijn van het waterbeleid.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel hydraulische randvoorwaarden 2009'. Op grond hiervan moeten bestaande sloten die bij de planontwikkeling verloren gaan gecompenseerd worden. Ook de toename van het verhard oppervlak moet gecompenseerd worden. Daarbij wordt de volgende voorkeursvolgorde gehanteerd:

  • 1. Infiltreren.
  • 2. Retentie aanleggen binnen het plangebied.
  • 3. Retentie aanleggen buiten het plangebied.
  • 4. Berging zoeken in bestaand watersysteem.

Een retentievoorziening maakt theoretisch geen deel uit van het watersysteem maar is daarvan geschieden door een knijpvoorziening die de afvoer begrenst. Het water dat gebufferd wordt is niet afkomstig uit het watersysteem, maar van het aangesloten verhard oppervlak. In de hydraulische randvoorwaarden is verwoord dat het in de praktijk echter ook voorkomt dat de retentie niet als een 'echte' aparte voorziening wordt aangelegd, maar als een inhoudsreservering in een bestaande voorziening of waterpartij. Als voorbeeld wordt onder andere genoemd het combineren van retentie met een sierwater in het stedelijk gebied.

Het waterschap werkt aan het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die programmaperiode uitvoert. Het is een belangrijk document waarmee het waterschap haar koers bepaalt. Er staan doelstellingen en ambities in. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Het bestuur van het waterschap stelt het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 in het najaar van 2021 vast. Dan start de uitvoering.

Integraal Waterplan Waalwijk 2021-2024
Het Integraal Waterplan Waalwijk (IWW) 2021-2024 is de opvolger van het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2016-2020 en omvat de beleidsvoornemens en maatregelen voor het Waalwijkse rioolstelsel. Omdat de interactie met het oppervlaktewater sterk is toegenomen, behoort het oppervlaktewater ook bij dit beleidsplan.

In hoofdlijnen wordt het beleid voortgezet, waarbij samenwerking met interne en externe partijen van belang is om de wateropgaven goed te kunnen uitvoeren. Klimaatadaptatie is daarbij een actueel thema. daarnaast blijft een deugdelijke afvoer van vuilwater cruciaal voor een gezonde samenleving. Samen met een sterke structuur van oppervlaktewater zijn dit dragers van de leefkwaliteit in de gemeente Waalwijk.

De helft van het afwaterend oppervlak is in particulier eigendom. De opgave die gepaard gaat met klimaatadaptatie kan de gemeente Waalwijk niet uitvoeren zonder hulp van bewoners en bedrijven. Conform de wetgeving stelt dit IWW dat iedere perceeleigenaar in beginsel verantwoordelijk is voor de verwerking van het regenwater dat op zijn/haar perceel valt. Bij nieuwbouw en aanbouw vraagt de gemeente om 60 mm (6 liter/m2) berging te maken over de verharding. Bewustwording en goede voorlichting zorgen dat bewoners, bedrijven en gemeente samen bouwen aan een robuust watersysteem dat zowel wateroverlast als droogte het hoofd biedt.

4.3.2 Planontwikkeling

Retentie
Winterdijk 2
Er ligt geen retentieopgave. Het plangebied is nu namelijk grotendeels verhard. Het aandeel verharding zal afnemen in de toekomstige situatie.

Winterdijk 3
Er ligt geen retentieopgave. Het plangebied is nu namelijk deels verhard en deels onverhard. Het aandeel verharding zal afnemen in de toekomstige situatie. De ontwikkeling van de pleisterplaats voorziet niet in een toename van verharding.

Gebruik bouwmaterialen en afvalwater
Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater zal bij de bouw afgezien worden van het gebruik van uitlogende (bouw)materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC (bouwen conform het Bouwstoffenbesluit), en dient voldaan te worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden. Het initiatief wordt van een gescheiden stelsel voorzien. Het afvalwater dient via een nieuwe DWA-riolering aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel.

Waterkering
De Winterdijk is aangemerkt als waterkering. De waterkering is voorzien van een beschermingszone waarin niet elke ontwikkeling zomaar kan plaatsvinden. Deze ontwikkeling voorziet niet in een aantasting van de waterkering. Er worden geen gronden geroerd of andere werkzaamheden uitgevoerd waardoor de waterkering kan worden aangetast. Wel is het noodzakelijk op basis van artikel 3.4 van de keur om een vergunning aan te vragen bij het waterschap voor de werkzaamheden op het perceel Winterdijk 2. De beschermingszone van de waterkering ligt deels binnen het plangebied. Bij werkzaamheden aan bebouwing is in dat kader een vergunning noodzakelijk. Deze wordt te zijner tijd gelijktijdig met de bouwvergunning aangevraagd.

Advies waterschap
Het plan is voorgelegd aan het waterschap. Naar aanleiding hiervan heeft het waterschap een advies gegeven over het plan. Dit advies is opgenomen in Bijlage 2. Naar aanleiding van het advies is de waterparagraaf op enkele plaatsen aangepast.

4.3.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen verdere belemmering voor het initiatief. Het plan is in het kader van vooroverleg aan het waterschap voorgelegd. De reactie en het advies van het waterschap zijn opgenomen in Bijlage 2.

4.4 Natuur

4.4.1 Toetsingskader

Wet natuurbescherming
Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming
De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura 2000 -gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura 2000-gebieden
De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming
in de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

4.4.2 Beschermde soorten

Voor het perceel Winterdijk 3 is het, gelet op de recente sloop van de woning en het agrarische gebruik, niet aannemelijk dat zich beschermde soorten bevinden in het plangebied van de pleisterplaats. Er worden geen sloten gedempt of bomen gekapt en werkzaamheden zullen buiten het broedseizoen plaatsvinden. Negatieve effecten op beschermde soorten zijn dan ook redelijkerwijs uitgesloten. In het kader van dit initiatief zal voorafgaande aan de aanleg van de pleisterplaats een quickscan worden uitgevoerd. Zo nodig, zullen dan voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen c.q. zullen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden.

Voor Winterdijk 2 geldt dat dit perceel tot voor kort in gebruik was als paardenhouderij. Het perceel was nagenoeg volledig verhard. Vooralsnog wordt in feitelijke werkzaamheden voorzien in het slopen van de overtollige bedrijfsgebouwen. Ook daar worden geen negatieve effecten op beschermde soorten verwacht.

Ook hier geldt overigens dat voorafgaand aan de sloop een quickscan wordt uitgevoerd en dat er zo nodig mitigerende maatregelen zullen worden getroffen.

4.4.3 Beschermde gebieden

De pleisterplaats is gelegen buiten het nabijgelegen Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Brabant.

Ter plaatse heeft de gemeente een woning opgekocht en gesaneerd. Het dagelijks aantal verkeersbewegingen ten behoeve van de pleisterplaats zal het aantal verkeersbewegingen ten behoeve van een woning naar verwachting niet overtreffen. De betreffende nieuwe functie en de daarmee gepaard gaande verkeersaantrekkende werking van motorvoertuigen zullen naar verwachting een verkeersgeneratie hebben die gelijk is aan die van een burgerwoning (kental 7,8 op basis van het ASVV van het CROW), waardoor het bestemmingsplan per saldo geen invloed zal hebben op het NNB.

Immers is sprake van een relatief kleine locatie waarop maximaal drie parkeerplaatsen worden aangelegd.

Met het amoveren van de woning komt daarmee tevens het stoken van fossiele brandstof ter plekke te vervallen.

Het perceel Winterdijk 2 zal qua verkeersaantrekkende werking afnemen. Immers de verkeersaantrekkende werking van de woning zal gelijk blijven, terwijl de verkeersbewegingen vanwege de aanwezigheid van de paardenhouderij geheel komen te vervallen.

4.4.4 Conclusie

Negatieve effecten op het nabijgelegen Natura-2000 gebied worden vooralsnog uitgesloten. Eventuele mitigerende maatregelen in verband met flora en fauna zullen voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden worden getroffen.

4.5 Verkeer en parkeren

Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Winterdijk. De ontwikkelingen ter plaatse zullen niet voorzien in een extra verkeersgeneratie. Op het moment zijn ter plaatse een agrarisch bedrijf en een bedrijfswoning toegestaan. In de nieuwe situatie komt er enkel een burgerwoning. Een burgerwoning en een bedrijfswoning voorzien op basis van Publicatie 381 van het CROW in een gelijke verkeersgeneratie.

Ter plaatse is op het moment ook een agrarisch bedrijf aanwezig. Publicatie 381 heeft geen kengetal voor agrarische bedrijven. Om deze reden is een vuistregel gebruikt. . Deze vuistregel maakt gebruik van de verkeersgeneratie van bedrijven (geen kantoren) zijnde uit deze CROW-publicatie. Deze bedrijven genereren ongeveer 4,5 ritten/etm per arbeidsplaats. Voor agrarische bedrijven wordt aangenomen dat deze 1 arbeidsplaats per 1.000 m² bvo hebben. Het bedrijf ter plaatse heeft een oppervlak van 1.000 m2. Het bedrijf ter plaatse voorziet daarmee in een verkeersgeneratie van 4,5 motorvoertuigen per etmaal, welke samen met het bedrijf verdwijnen. Het nieuwe initiatief voorziet in 4,5 minder voertuigbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie.

Bij de pleisterplaats zullen wel enkele extra voertuigen parkeren. De betreffende verkeersbewegingen zijn niet zodanig dat dit niet past bij de capaciteit van de Winterdijk.

Parkeren
In de planregels is geborgd dat er voldoende parkeergelegenheid op eigen perceel dient te worden gerealiseerd conform de beleidsregels die hieromtrent zijn opgenomen in de gemeentelijke parkeernormennota. Ter plaatse van de pleisterplaats worden drie parkeerplaatsen gerealiseerd.

Conclusie
Er zijn geen aanpassingen nodig voor doorstroming van het verkeer en parkeergelegenheid dient op eigen perceel te worden gerealiseerd. Dit wordt geborgd in de planregels. De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor onderhavig plan.

4.6 Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer is opgenomen dat bij bepaalde overheidsbesluiten de gevolgen van dit besluit op de luchtkwaliteit beoordeeld dienen te worden. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld het vaststellen van een bestemmingsplan, het verlenen van een milieuvergunning en het nemen van een wegaanpassingsbesluit. Concreet kan een project doorgang vinden wanneer:

  • voldaan wordt aan de grenswaarden voor vervuilende stoffen, zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer, of
  • de verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van het besluit 'niet in betekenende mate' is; er is sprake van een 'niet in betekenende mate' wanneer er een toename van een stof genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer is van minder dan 3% ten opzichte van de grenswaarde, of
  • als het plan is opgenomen in het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is bij Kabinetsbesluit vastgesteld op 1 augustus 2009 en sindsdien van kracht.

Dit initiatief voorziet niet in extra verkeersbewegingen of overige activiteiten die bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Nader onderzoek of maatregelen zijn niet noodzakelijk.

Conclusie
Het effect van de voorgenomen ontwikkeling is vanuit het aspect van luchtkwaliteit wettelijk inpasbaar.

4.7 Geluid

Beleidskader
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een plan aandacht te worden besteed aan het aspect geluid.

In de Wet geluidhinder (Wgh) is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies.

Afweging en conclusie
Het initiatief ligt op circa 300 meter afstand van de rijksweg A59Ter plaatse van Winterdijk 3 wordt geen gevoelige functie in het kader van geluidhinder gerealiseerd. Een nadere beoordeling is in dat kader niet noodzakelijk.

Ter plaatse van Winterdijk 2 wordt de bedrijfswoning herbestemd tot burgerwoning. De bestaande bedrijfswoning is reeds een gevoelige functie in het kader van geluidhinder. Met de voorliggende herbestemming wordt er geen gevoeligere functie mogelijk gemaakt dan wat in de huidige situatie aan de orde is. Nader onderzoek in het kader van geluidhinder van wegen of spoorlijnen is niet noodzakelijk.

Het initiatief voorziet niet in de realisatie van nieuwe gevoelige functies in het kader van de Wet geluidhinder. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor dit initiatief.

4.8 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden en functies, zoals woonbebouwing. Milieuzonering dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkómen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Om het begrip milieuzonering voor de praktijk te concretiseren wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uitgegeven 'Bedrijven en milieuzonering' met daarin opgenomen de Richtafstandenlijsten voor milieubelastende activiteiten. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven wat de uitstraling is in milieuhygiënisch opzicht. Deze uitstraling wordt bepaald aan de hand van een aantal aspecten. Het gaat hierbij om de aspecten geur, stof, geluid en gevaar, met daarnaast aandacht voor de indices verkeer, visueel, bodem en lucht.

De mate van uitstraling wordt vastgelegd in een zestal milieucategorieën, oplopende van bedrijvigheid met een lichte (categorie 1) naar bedrijvigheid met een zware milieuhygiënische uitstraling (categorie 6). Iedere categorie correspondeert met een bepaalde wenselijke afstand tot milieugevoelige functies.

Andersom geldt ook dat binnen een milieucirkel nieuwbouw van milieugevoelige objecten, zoals woningen, niet zonder meer is toegestaan. Dit enerzijds om de mogelijkheden van het bedrijf niet (verder) te beperken en anderzijds om de milieugevoelige functie te beschermen.

Afweging en conclusie
Ter plaatse van het perceel Winterdijk 1 is een horecagelegenheid aanwezig. Op basis van de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering heeft deze instelling een milieuzonering van 10 meter op basis van het aspect geluid. De horecagelegenheid ligt op meer dan 10 meter bij de woning vandaan. Het aspect milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan omdat het initiatief buiten de richtafstand ligt, en omdat er geen nieuwe gevoelige functies worden gerealiseerd. De woning ter plaatse van Winterdijk 2 is bestaand en wordt niet een meer gevoelige functie na de bestemmingsplanwijziging. Ook worden er geen gezoneerde functies gerealiseerd bij dit initiatief. Nader onderzoek is niet nodig.

4.9 Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden.

(Beperkt) kwetsbare objecten
Dit plan maakt een pleisterplaats mogelijk, en voorziet in de herbestemming van een bedrijfswoning naar burgerwoning. De pleisterplaats is geen gevoelige functie in het kader van externe veiligheid. De woning is echter wel als zodanig aan te merken.

Plaatsgebonden risico
Voor het plangebied is een uitsnede gemaakt van de risicokaart met daarin het plangebied.

Op onderstaande figuur is te zien dat de A59 als transportroute voor gevaarlijke stoffen is aangemerkt. Deze ligt op circa 300 meter van het plangebied. Het initiatief maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarbij kwetsbare objecten worden gerealiseerd. De bestaande bedrijfswoning wordt als burgerwoning bestemd en wordt niet gevoeliger in het kader van deze herbestemming. Het groepsrisico ter plaatse neemt niet toe als gevolg van deze ontwikkeling. Een nadere beoordeling van het groepsrisico is in dit kader niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0012.png"

Figuur: uitsnede risicokaart met het plangebied rood omlijnd

Conclusie
Het aspect externe veiligheid leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig bestemmingsplan.

4.10 Technische infrastructuur

Dit aspect betreft de boven- en ondergrondse technische infrastructuur.

Binnen het plangebied zijn geen leidingen gelegen.

Conclusie
Het aspect technische infrastructuur leidt niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.11 Duurzaambouwen en energie

Beleid gemeente
Al in het voorjaar van 2009 heeft de Raad van de gemeente Waalwijk uitgesproken dat Waalwijk op de lange termijn klimaatneutraal moet zijn. Adaptatiemaatregelen zijn er op gericht de samenleving zodanig in te richten dat de gevolgen van klimaatverandering die gaat optreden, kunnen worden opgevangen. Een voorbeeld van een adaptatiemaatregel is de aanpassing van het rioolstelsel, zodat hevige regenbuien kunnen worden verwerkt. Met mitigatiemaatregelen wordt geprobeerd de klimaatverandering beperkt te houden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan beperking van de CO2-uitstoot. Bij mitigatie moet vooral worden gedacht aan verduurzaming van de energiehuishouding. Het belangrijkste daarbij is energiebesparing. Daarna komt de productie van zoveel mogelijk duurzame energie. De gebouwde omgeving speelt hierbij een belangrijke rol. Adaptatie- en mitigatiemaatregelen vormen samen het klimaatbeleid.

In het Bouwbesluit worden wettelijke eisen gesteld aan de kwaliteit van gebouwen. Daarmee zijn ook eisen opgenomen met betrekking tot duurzaam bouwen. Ook onder de Omgevingswet wordt dit voortgezet. In het Omgevingsplan kunnen ook eisen aan duurzaam bouwen worden gesteld.

In de Kadernota Grootschalige Opwek Duurzame Energie is door de gemeente Waalwijk vastgelegd hoe in Waalwijk invulling wordt gegeven aan het opwekken van duurzame energie. De gemeente geeft daarin aan welke mogelijkheden er zijn voor grootschalige opwek van duurzame energie met windturbines en zonnevelden. Onder grootschalige opwek wordt in deze nota verstaan: zonnepanelen op bedrijfsdaken (groter dan 1.000 m²), windturbines met een vermogen groter dan 1 MW en zonnevelden groter dan 2,5 ha. Op 28 januari 2021 is de kadernota vastgesteld met onder meer een aanvulling voor het hanteren van een afstandscriterium. De afstand tussen een windturbine en woningen in het stedelijk gebied moet minimaal 750 meter zijn. Dit om de eventuele overlast voor omwonenden te beperken. Voor onderhavig plangebied is voor de 'zon op dak' van belang. Steeds meer bedrijven gaan over tot het plaatsen van zonnepanelen op hun daken. De gemeente faciliteert hierin door te participeren in de Green Deal. Onderzocht moet worden hoe een versnelling gerealiseerd kan worden. Er wordt hiertoe een actieplan opgesteld.

In het kader van klimaat adaptatie is in de Visie Duurzaamheid is de ambitie opgenomen dat de gemeente in 2030 ten opzichte van 2019 een toename van 10% gemeentelijk groen hebben gerealiseerd en de biodiversiteit met 5% vergroot. Daar waar mogelijk worden meerder functie in het groen geïntegreerd, zoals waterberging, speelfuncties en wandelpaden.

De Groenbeleidsvisie Groen Leeft (2019) sluit daarop aan. Om in de toekomst klimaatneutraal of klimaatbestendig te zijn moet geïnvesteerd worden in het groen. De waarden die groen heeft voor onder andere een prettig woon- en werkklimaat, het tegengaan van hittestress, wateroverlast en verdroging moeten beter benut worden. Dit betekent ook dat groen een belangrijkere plaats moet innemen bij de inrichting van de openbare ruimte. Het nemen van klimaatmaatregelen kan betekenen dat de woonomgeving er anders uit komt te zien. In dat proces moeten bewoners tijdig worden meegenomen voor het verkrijgen van draagvlak.

In het plangebied gaat het om realisatie van een pleisterplaats ter ontsluiting van het natuurgebied Westelijke Langstraat, evenals herbestemming van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Met het creëren van de pleisterplaats wordt enerzijds een bijdrage geleverd aan het terugdringen van de verstening en anderzijds wordt met de pleisterplaats een entree geschapen voor wandelaars in het natuurgebied Westelijke Langstraat.

Conclusie
Met de sloop van overtollige bebouwing op het perceel Winterdijk 2 en de verwijdering van de woning op Winterdijk 3 en de realisatie van de pleisterplaats, wordt een bijdrage geleverd aan het terugdringen van verstening. De ontwikkeling is passend in het gemeentelijke beleid.

4.12 Beoordeling noodzaak (vormvrije) m.e.r.(-beoordeling)

De beoogde ontwikkeling is niet mogelijk binnen de kaders van de geldende beheersverordening. Om die reden is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk. Om het milieu een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming van dit bestemmingsplan, moet worden getoetst of in het kader van deze ontwikkeling een milieueffectrapportage nodig is.

De vraag of sprake is van een m.e.r.-plicht omvat twee subvragen:

  • Is het project kaderstellend voor toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige-activiteiten?
  • Kan het project leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van een nabijgelegen Natura 2000-gebied?

Het project omvat de realisatie van een pleisterplaats en de herbestemming van een bestaande woning tot burgerwoning. Er wordt geen woning toegevoegd. De voorgenomen ontwikkeling valt daarmee niet onder het Besluit m.e.r. , waardoor geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Bovendien zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Inleiding

De planmethodiek is afgestemd op de Regeling Standaarden Ruimtelijke Ordening, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Daarbij is de indelingsopzet van de aangegeven hoofdgroepen van bestemmingen gehanteerd. Binnen deze systematiek is omwille van uniformiteit en overzichtelijkheid gezocht naar een wijze van bestemmen die aansluit op de regeling voor de bestemmingsplannen in het buitengebied van de gemeente Waalwijk.

5.2 Algemene toelichting verbeelding

Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Tevens maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen.

5.3 Algemene toelichting regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels
In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard die gebruikt worden in hoofdstuk 2 en 3. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel 'wijze van meten' opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels
Dit hoofdstuk bevat regels welke op de bestemmingen van hoofdstuk 2 van toepassing zijn.

ANTI-DUBBELTELREGEL

In dit artikel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.

ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS

Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen waarin nog een algemene afwijking is opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen een afwijking mogelijk te maken als een meetverschil daartoe aanleiding geeft.

PARKEREN

Dit artikel bevat algemene regels ten aanzien van parkeren die van toepassing zijn bij een gebruiksverandering of de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

5.4 Bestemmingen

5.4.1 Bestemming Wonen

Bestemmingsomschrijving en specifieke gebruiksregels
De voormalige paardenhouderij op het perceel Winterdijk 2 te Sprang-Capelle is bestemd als Wonen. Op het perceel is één vrijstaande woning toegestaan. Op het perceel is wonen is één grondgebonden woning toegestaan. Wonen in een woning is slechts toegestaan als de bebouwing op het perceel, die is aangeduid in de bijlage bij de regels, is gesloopt. Daarnaast dient de sloop en herinrichting van het perceel Winterdijk 3 te Sprang-Capelle te zijn gerealiseerd. Ook zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven, (onverharde) paden, wegen, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en groenvoorzieningen.

Aangebouwde bijgebouwen bij een woning mogen tot een maximum van 70 m2 voor wonen in gebruik worden genomen. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid een bestaande woning uit te bouwen met een slaapkamer en badkamer op de begane grond. Overige aangebouwde bijgebouwen dienen functioneel ondergeschikt te zijn aan de woning.

Het gebruiken van vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van het wonen is uitgesloten. Een vrijstaand bijgebouw mag alleen gebruikt worden voor functies die niet direct ten dienste staan van de woonfunctie zoals een garage, berging of praktijkruimte. Voorkomen moet namelijk worden dat een vrijstaand bijgebouw een zelfstandige woonruimte gaat vormen.

Vanuit sociaaleconomisch oogpunt is het gewenst bij elke woning beperkte werkgelegenheid mogelijk te maken. Onderscheid is daarbij gemaakt tussen:

  • beroepsmatige activiteiten: verlenen van diensten die traditioneel in een praktijkruimte worden uitgeoefend bijvoorbeeld een arts, tandarts, fysiotherapeut, advocaat, notaris of accountant;
  • bedrijfsmatige activiteiten: in het algemeen de uitoefening van ambachtelijke en dienstverlenende bedrijvigheid.

Stimulering van deze vorm van werkgelegenheid is gewenst omdat zo voor de bevolking enige ontplooiingsruimte gecreëerd wordt en de woonomgeving wordt verlevendigd.

Bij beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten gaat het om activiteiten die met behoud van de woonfunctie en zonder afbreuk te doen aan de woonomgeving kunnen worden uitgeoefend. Bij afbreuk aan de woonomgeving kan bijvoorbeeld worden gedacht aan nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer en een onevenredige toename van de parkeerdruk op de openbare ruimte.

Gezien het karakter is het toelaten van beroepsmatige activiteiten van beperkte omvang in het hoofdgebouw direct toegelaten. De ondergeschiktheid van beroepsmatige activiteiten ten opzichte van de woonfunctie is in de gebruiksvoorschriften concreet gemaakt door een maximaal oppervlak te regelen van maximaal 30 m2 van het bruto vloeroppervlak in het hoofdgebouw.

Bouwregels
Voor een woning mag op een bouwperceel de volgende bebouwing worden opgericht en als zodanig worden gebruikt:

  • Hoofdgebouw
  • Aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen
  • Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Hoofdgebouw
Op de verbeelding staat het bouwvlak aangegeven. Het hoofdgebouw is toegestaan binnen het bouwvlak. Voor de hoogte en het dak van het hoofdgebouw is in de regels een flexibele regeling opgenomen. Centraal staat het formuleren van een omtrek waarbinnen zowel hoofdgebouwen als bijgebouwen zijn toegestaan. Deze zogenaamde 'maximale contour' wordt opgebouwd vanuit het bouwvlak.

Ter plaatse van het bouwvlak bedraagt de goothoogte van de 'maximale contour' de op de verbeelding aangegeven hoogte. Vervolgens wordt vanaf deze goothoogte een dakvlak bepaald door een hellingshoek van 45 graden tot aan de op de verbeelding aangegeven bouwhoogte. Hierdoor ontstaat als het ware een driedimensionale trapezevorm welke aan twee zijden schuin en twee zijden loodrecht is met een symmetrisch profiel. Een eenvoudige wijze om de 'maximale contour' te bepalen is in een aantal stappen:

  • Vanuit bouwvlak de maximale goothoogte bepalen ter plaatse van breedtelijnen of dieptelijnen;
  • Vanuit goothoogte dakvlak van 45 graden bepalen zodat een driehoek ontstaat;
  • De driehoek aftoppen op de maximale bouwhoogte zodat een trapezevorm ontstaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0013.png"

Voor de hoogte en het dak van het hoofdgebouw mag de gehele 'maximale contour' benut worden. Binnen deze maximale omtrek, is daarnaast ook het bouwen van een plat dak, dakvlak met een helling van meer dan 45 graden, rond dak, topgevel of andere recht opgaande gevelconstructie toegestaan. Om dergelijke constructies mogelijk te maken is gebruik gemaakt van het zogenaamde 'envelop-principe' welke in de regels de vorm van een trapeze heeft. Dit houdt in dat binnen een bepaalde voorgeschreven trapezevorm ook andere dakvormen zijn toegelaten mits de voorgestelde dak oplossing van het bouwplan blijft binnen de gestelde maximale contouren.

Voor zover het bestaande hoofdgebouw de 'maximale contour' overschrijdt buiten het bouwvlak wordt de bestaande plaats en bestaande contour van het afwijkende bouwwerk geacht te zijn bestemd zowel in bebouwing als gebruik.

In aanvulling op de beschrijving van de 'maximale contour' geldt daarnaast nog het volgende:

  • De inhoud van het hoofdgebouw mag maximaal 750 m3 bedragen.
  • De voorgevel van het hoofdgebouw moet voor 75% worden opgericht in de voorgevelrooilijn. Onder de voorgevelroolijn van de woning wordt verstaan de denkbeeldige lijn die langs de kanten van het bouwvlak wordt getrokken van de naar de openbare weg gekeerde grens/grenzen van het bouwvlak tot aan de bestemmingsgrenzen.
  • In het verlengde van de zijgevel achter het hoofdgebouw moet een ruimte van minimaal 25 m² onoverdekt en onbebouwd aanwezig te blijven. Dit mag een ruimte binnen en buiten het bouwvlak zijn.

Aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen
Wat betreft bijgebouwen wordt onderscheid gemaakt in twee soorten bijgebouwen: aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen. Bijgebouwen moeten in principe altijd achter de voorgevelrooilijn hoofdgebouwen worden gesitueerd. Vóór de voorgevelrooilijn mogen aangebouwde bijgebouwen slechts in zeer beperkte mate worden opgericht. Bijgebouwen mogen ook binnen het variabel bouwvlak worden geplaatst, mits de 'maximale contour' niet wordt overschreden.

Op het gedeelte van het bouwperceel buiten het 'bouwvlak' mag de totale oppervlakte van hoofd- en bijgebouwen maximaal 50% bedragen. Deze bepaling geldt niet voor het bouwen voor de voorgevelrooilijn;Buiten het 'bouwvlak' mag de totale oppervlakte van bijgebouwen per bouwperceel maximaal 70 m² bedragen. Dit oppervlak mag worden overshcreden als bijgebouwen die geen monument zijn worden gesloopt, waarbij maximaal 50% van het overtollige te slopen oppervlak aan bestaande gebouwen mag worden teruggebouwd en/of in stand worden gelaten tot een totaal aan bijgebouwen van maximaal 200 m² buiten het bouwvlak en binnen het bestemmingsvlak. Voordat mag worden gebouwd, moet eerst alle overtollige bedrijfsbebouwing, exclusief het maximaal toegestane oppervlak aan bijgebouwen, gesloopt worden.

In dit geval wordt op Winterdijk 2 ca. 480 m2 gesloopt (o.b.v. luchtfoto's, er van uit gaande dat alles legaal is opgericht). Hierdoor kan op dit perceel in totaal 200 m2 blijven staan met gebruik making van deze bonus- sloop regeling.

Bijgebouwen achter de voorgevelroolijn hoofdgebouwen en buiten het bouwvlak voor het hoofdgebouw   min.   max.  
goothoogte   n.v.t.   3,1  
goothoogte aangebouwde bijgebouwen ingeval de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw lager is dan 3,1 m   n.v.t.   0,25 m boven de hoogte van die eerste bouwlaag maar in geen geval hoger dan 4 m aangebouwd bijgebouw  
nokhoogte   n.v.t.   5 m  
totale diepte hoofdgebouw met daaraan aangebouwde bijgebouwen   n.v.t.   22 m  
onoverdekte en onbebouwde ruimte in het verlengde van de zijgevels achter het hoofdgebouw   25 m2   n.v.t.  
afstand vrijstaande bijgebouw tot hoofdgebouw   1 m   40 m  
afstand vrijstaand bijgebouw tot aangebouwd bijgebouw   1 m   n.v.t.  
afstand tot voorgevelrooilijn hoofdgebouw   3 m   n.v.t.  
dakhelling aangebouwd bijgebouw   n.v.t.   maximaal dakhelling van het dakvlak van het hoofdgebouw waaraan wordt gebouwd  
dakhelling vrijstaand bijgebouw   n.v.t.   ten hoogste gelijk zijn aan de steilste dakhelling van het hoofdgebouw  

Aangebouwde bijgebouwen vóór de voorgevelrooilijn hoofdgebouwen   min.   max.  
oppervlak   n.v.t.   6 m2  
breedte   n.v.t.   3/5 voorgevel  
diepte   n.v.t.   1 m  
bouwhoogte   n.v.t.   0,25 m boven de hoogte van die eerste bouwlaag maar in geen geval hoger dan 4 m aangebouwd bijgebouw  

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde   min.   max.  
op gronden achter de voorgevelrooilijn   n.v.t.   2,2 m  
op gronden vóór de voorgevelrooilijn   n.v.t.   1 m  

Mantelzorg
Mantelzorg kan worden gerealiseerd via inwoning. Het realiseren van een meer zelfstandige woonvorm in een (aangebouwd of vrijstaand) bijgebouw is niet toegestaan, zodat geen nieuwe zelfstandige woningen op achterterreinen ontstaan, al is het maar tijdelijk. Door woningen op achterpercelen ontstaat een onduidelijke situatie met betrekking tot perceel indeling, bijgebouwen, erftoegangswegen en dergelijke. Door de mogelijkheden voor hoofd- en bijgebouwen optimaal te benutten, kan inwoning vrijwel altijd een goede oplossing bieden aan de behoefte van tijdelijke huisvesting ten behoeve van mantelzorg.

Ontwikkelingsmogelijkheden
Stimuleren sloop overtollige bebouwing (sloop-bonusregeling)
Ten behoeve van het stimuleren van sloop van overtollige bebouwing is het toegestaan een gezamenlijk oppervlak aan bijgebouwen groter dan 70 m2 buiten het variabel bouwvlak te hebben onder de volgende voorwaarden:

  • Maximaal 50% van het overtollige te slopen oppervlak aan legaal opgerichte bebouwing mag als bijgebouw, tot een totaal aan bijgebouwen - zowel aangebouwd als vrijstaand - van maximaal 200 m² buiten het variabel bouwvlak. Zie de rekenvoorbeelden in het hierna volgende schema.
  • Naast legaal opgerichte bebouwing telt ook de bebouwing mee welke in 1955 al aanwezig was.
  • Rijksmonument en gemeentelijke monumenten komen niet voor sloop in aanmerking.
  • Er mag niet eerder worden gebouwd, dan nadat alle aanwezige bebouwing boven de maximaal toegestane oppervlakte aan hoofd- en bijgebouwen gesloopt is.
  • Van deze regeling kan geen gebruik worden gemaakt indien op deze locatie sloop van bebouwing al heeft plaatsgevonden, sloop kan plaatsvinden in het kader van de Ruimte voor Ruimte-regeling, sloopsubsidie is verkregen op basis van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken of de sloop al op andere wijze is verzekerd.


afbeelding "i_NL.IMRO.0867.bpscwinterdijk2en3-VA01_0014.png"

Beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten
Aan beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis in een wat grotere omvang is een aantal beperkende voorwaarden gebonden. In de volgende gevallen is daarom een afweging nodig:

  • beroepsmatige activiteiten op meer dan 30 m2 van het bruto vloeroppervlak in het hoofdgebouw;
  • beroepsmatige activiteiten in bijgebouw(en);
  • bedrijfsmatige activiteiten in het hoofdgebouw en/of bijgebouw(en), niet zijnde een overkapping met een open constructie.

Aan het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning voor het afwijken van het plan is een aantal voorwaarden van toepassing waardoor per geval afgewogen kan worden of met behoud van de woonfunctie en zonder afbreuk te doen aan de woonomgeving de aangevraagde activiteit kan worden uitgeoefend. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

  • De woonfunctie moet in overwegende mate behouden blijven.
  • Bedoeld gebruik geen onevenredige hinder voor het woon- en leefmilieu mag opleveren en geen onevenredige afbreuk mag doen aan het woonkarakter van de wijk of buurt. Dit betekent onder meer dat:
    • 1. uitsluitend medewerking wordt verleend voor het uitoefenen van bedrijven en beroepen die genoemd zijn in de bijlage bij de regels of indien zij niet voorkomen in deze bijlage, naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in de bijlage, mits het geen geluidzoneringsplichtige inrichtingen btreft en het geen inrichtingen betreft zoals bedoeld in artikel 2, lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (BEVI);
    • 2. vast dient te staan dat het gebruik een kleinschalig karakter heeft en zal behouden; het gebruik naar aard met het karakter van de omgeving in overeenstemming moet zijn;
    • 3. het gebruik van de woonfunctie dient te ondersteunen, dat wil zeggen dat degene die de activiteiten in het hoofdgebouw en/of bijgebouwen uitvoert, tevens de gebruiker van de woning is.
  • Het niet betreft zodanig verkeersaantrekkende activiteiten die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer en de feitelijke ontsluitingssituatie.
  • Voorzien wordt in parkeren op eigen terrein.
  • Op het bij de woning behorende bouwperceel ten minste één parkeerplaats aanwezig is of gelijktijdig wordt aangelegd indien (een deel van) de bij de desbetreffende woning behorende garage niet meer als zodanig in gebruik is of gebruikt gaat worden ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit.
  • Wordt voorzien in het parkeren op eigen terrein indien sprake is van bedrijvigheid die zich richt op de persoonlijke dienstverlening (zoals kapsalons, schoonheidssalons, pedicures e.d.).
  • Er mag geen onaanvaardbare situatie ontstaan met betrekking tot de externe veiligheid; het geen uitoefening van detailhandel betreft met uitzondering van beperkte detailhandel als niet-zelfstandige en ondergeschikte activiteit rechtstreeks voortvloeiend uit de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit.
  • Per bouwperceel maximaal 50 m2 van het bruto vloeroppervlak ten behoeve van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten in gebruik wordt genomen.

Bed & breakfast
Onder bed & breakfast wordt verstaan een aan de woonfunctie ondergeschikte vorm van extensieve verblijfsrecreatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt. Onder een bed & breakfastvoorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of permanente kamerverhuur. Degene die het bed & breakfastvoorziening biedt, is tevens de gebruiker van de (bedrijfs)woning. Voor bed & breakfast gelden vergelijkbare voorwaarden als voor beroep- en bedrijf aan huis met dien verstande dat tevens het volgende geregeld is:

  • inrichting van een deel van de woning ten behoeve van bed & breakfast is uitsluitend mogelijk in het hoofdgebouw en/of in aangebouwde bijgebouwen. Bed & breakfast in vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan;
  • maximumverblijfsduur van één week;
  • maximaal 5 gasten mogen gelijktijdig van bed & breakfast gebruik maken verdeeld over 2 slaapkamers, met dien verstande dat er minimaal één slaapkamer beschikbaar blijft voor de bewoner(s) van de woning;
  • de voorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneeren als een zelfstandige woning. Dit betekent ook dat een aparte kookgelegenheid niet is toegestaan;
  • per woning mag maximaal 100 m2 van het bruto vloeroppervlak van de woning ten behoeve van bed & breakfast in gebruik worden genomen.
5.4.2 Bestemming Verkeer

De pleisterplaats aan Winterdijk 3 te Sprang-Capelle is bestemd als 'Verkeer'. Bezoekers/recreanten kunnen via de pleisterplaats het bestaande wandelpad van het natuurgebied bereiken. De pleisterplaats kan worden gebruikt voor wegen, paden en parkeervoorzieningen zoals: het parkeren van auto's en het stallen van fietsen. Daarnaast is het gebied beschermd vanwege de landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden (wegbeplanting of laanbeplanting) die behouden moet blijven. Ook zijn de gronden bestemd voor water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, voet- en rijwielpaden, extensief dagrecreatief medegebruik (zoals het plaatsen van een bord met de wandelroute) en groenvoorzieningen.

In de bestemming 'Verkeer' zijn geen gebouwen toegestaan. Wel is het toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen met een maximale bouwhoogte van 4 m en verticale diepte van 3,5 m. De bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer is maximaal 12 m.

5.4.3 Bestemming Groen

De pleisterplaats aan Winterdijk 3 te Sprang-Capelle is aan de oostzijde voorzien van een groene afscherming. De groene afscherming is bestemd als Groen. Naast groenvoorzieningen zijn geluidwerende voorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan.

In de bestemming Groen zijn geen gebouwen toegestaan. Wel is het toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen met een maximale bouwhoogte van 4 m en verticale diepte van 3,5 m. De oppervlakte mag niet meer dan 10 m2 bedragen.

5.4.4 Bestemming Archeologie

Naast de enkelbestemmingen zijn ook dubbelbestemmingen voor archeologische waarden opgenomen. Deze bestemmingen bedekken enkelbestemmingen en zorgen ervoor dat specifieke waarden worden beschermd.

De dubbelbestemmingen ten behoeve van archeologie zijn afgestemd op het archeologiebeleid van de gemeente. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Waalwijk zijn de verschillende archeologische verwachtingswaarden weergegeven. In artikel 29 van de Erfgoedverordening 2011 wordt aangeven op welke wijze de afzonderlijke archeologische verwachtingswaarden beschermd moeten worden. In het plangebied komen de volgende categorieën van archeologische waarden voor, te weten categorie 3 en categorie 5. Hiervoor zijn de volgende dubbelbestemmingen opgenomen in het bestemmingsplan:

- Waarde - Archeologie 3 - Categorie 3, hoge verwachting, ingrepen in deze gebieden zijn onderzoeksplichtig bij bodemingrepen groter dan 500m2 en waar de verstoring dieper gaat dan 50 cm.

- Waarde - Archeologie 5 - categorie 5 heeft op basis van de Erfgoedverordening een lage archeologische verwachting. Er hoeft alleen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd, als het een mer-plichtig project betreft.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Voor de ontwikkeling van de pleisterplaats is door de raad een krediet beschikbaar gesteld. Voor de planontwikkeling van herbestemming van de woning wordt vooralsnog aangenomen dat de verkoopopbrengst minimaal gelijk is aan de verwerving van het object. Dit toont aan dat de plannen financieel haalbaar zijn.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan heeft vanaf 9 maart 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode is één zienswijze op het plan ontvangen. Het bestemmingsplan is aangepast naar aanleiding van deze zienswijze.

De zienswijzennota is opgenomen in Bijlage 3 bij het bestemmingsplan.

Ter voorbereiding van het bestemmingsplan is overleg geweest met diverse betrokkenen. Met name over de bestemming en de inrichting van het perceel Winterdijk 3 is intensief overleg geweest met de bewoners van het perceel Winterdijk 2a, het Waterschap Brabantse delta en de provincie Noord-Brabant. Vervolgens is het wettelijke verplichte vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners. Zowel de provincie als het waterschap hebben gereageerd. Op basis hiervan is de toelichting aangepast:

- ten aanzien van het NNB is gemotiveerd dat de gemeente een woning heeft opgekocht en gesaneerd. Het dagelijks aantal verkeersbewegingen van de pleisterplaats zal het aantal verkeersbewegingen van een woning naar verwachting niet overtreffen, waardoor het bestemmingsplan per saldo geen invloed zal hebben op NNB.

- aanscherping van de teksten in paragraaf 3.2.2 en bovendien is de inrichtingsschets als Bijlage 1 van de toelichting ingevoegd. In de tekst in paragraaf 3.2.2 over de interim verordening naar de bijlage verwezen.

- toegevoegd is een paragraaf over de Beleidsregel maatwerk omgevingskwaliteit Noord-Brabant.

- de tekst in paragraaf 4.2 Cultuurhistorie en archeologie is aangepast en er is een extra subparagraaf 4.1.2 Aardkundige waarden ingevoegd.

- paragraaf 4.3.2 in de waterparagraaf is aangescherpt en het wateradvies van het waterschap is als bijlage bij de toelichting gevoegd.