direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Martinilaan 2-4 Vught
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0865.vghTAMMartinilaan2-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden in aanvulling op/in afwijking van artikel 1.1. van het omgevingsplan van de gemeente Vught de volgende begripsbepalingen:

1.1 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Martinilaan 2-4 Vught met identificatienummer NL.IMRO.0865.vghTAMMartinilaan2-VG01 van de gemeente Vught.

1.2 omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Vught.

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.6 aan-huis-gebonden-beroep of -bedrijf

een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn en die op kleine schaal vanuit een woning en/of daarbij bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner, waaronder niet begrepen het verstrekken van logies, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie.

Onder aan-huis-gebonden-beroep of -bedrijf wordt tevens begrepen detailhandel via internet, zonder opslag en/of verkoop aan huis;

1.7 bedrijfsactiviteiten

vormen van bedrijf vergelijkbaar met of zoals opgenomen in de als bijlage 1 bij de regels opgenomen Lijst van Bedrijfsactiviteiten;

1.8 begane grond

de eerste bouwlaag boven het peil;

1.9 bestaand

bestaand en legaal aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan;

1.10 bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

1.11 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.12 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.13 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.14 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder.

Ter verduidelijking: van bovenkant vloer tot bovenkant vloer;

1.15 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.16 bouwperceelsgrens

de grens van een bouwperceel:

  • a. voorste bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel gelegen aan een weg waaraan wordt gebouwd, tenzij door burgemeester en wethouders een andere perceelsgrens als zodanig wordt aangewezen;
  • b. zijdelingse bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel die loodrecht of nagenoeg loodrecht staat op de voorste bouwperceelsgrens;
  • c. achterste bouwperceelsgrens: de meest van de weg af gelegen bouwperceelsgrens, evenwijdig of nagenoeg evenwijdig aan de voorste bouwperceelsgrens;
1.17 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

1.18 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.19 calamiteit

een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig buiten de schuld van de betrokkene veroorzaakt onheil;

1.20 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

1.21 dakkapel

een uit een hellend dak stekende uitbouw omringd door het dakvlak;

1.22 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt.

Onder detailhandel moet ook verstaan worden commerciële dienstverlening zoals een kapsalon, nagelstudio en dergelijke;

1.23 dienstverlening
  • a. zakelijke dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder een kantoor en een congres- en vergaderaccommodatie;

  • b. persoonlijke dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen zoals een kapsalon, nagelstudio, schoonheidsspecialiste en dergelijke;

1.24 eigen terrein

gronden, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten, niet zijnde openbaar gebied;

1.25 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

1.26 erker

een bouwkundig ondergeschikt uitgebouwd gedeelte (uitbouw) van een (bedrijfs)woning aan een gevel, in één bouwlaag;

1.27 functie

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan;

1.28 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.29 geluidgevoelig gebouw

een gebouw of deel van een gebouw dat geluidgevoelig is op grond van de Wet geluidhinder juncto het Besluit geluidhinder;

1.30 gestapeld

bebouwing bestaande uit zich in één hoofdgebouw boven en naast elkaar bevindende zelfstandige woningen en/of bijzondere woonruimten;

1.31 hoofdbewoner

degene die daadwerkelijk woont in de woning (zijn/haar hoofdverblijf heeft in de woning) en in de Basisregistratie Personen of diens rechtsopvolger(s) ingeschreven staat op het adres van de woning; een hoofdbewoner kan eigenaar of huurder van de woning zijn;

1.32 hoofdgebouw

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.33 huishouden

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur en huisvesting van tijdelijke werknemers wordt daaronder niet begrepen;

1.34 infiltratievoorziening

voorzieningen bedoeld om ingezameld hemelwater tijdelijk te bergen en in de bodem te infiltreren;

1.35 kamergewijs bewoond pand

pand, verdeeld in meerdere onzelfstandige woonruimten, bewoond door personen die geen gemeenschappelijk huishouden voeren en waarin de voorzieningen zoals keuken, badkamer en toilet gemeenschappelijk gebruikt worden;

1.36 kelder

een geheel ondergronds gelegen ruimte, die is gesitueerd onder een bovengronds hoofdgebouw, waarvan de bovenkant van de vloer zich onder peil bevindt;

1.37 nutsvoorziening

voorziening ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie;

1.38 onderbouw

een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven peil is gelegen;

1.39 ondergeschikte activiteit

een activiteit van zeer beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft;

1.40 ondergeschikt bouwdeel

een buiten de gevel of dakvlakken uitstekend ondergeschikt deel van een bouwwerk, met uitzondering van een uitgebouwd gedeelte van een gebouw dat dient ter uitbreiding van het oppervlak;

1.41 ondergronds bouwwerk

een (gedeelte van een) bouwwerk, waarvan de vloer is gelegen onder peil;

1.42 opslag

het opbergen van materialen met de bedoeling en op een dergelijke wijze, dat men later weer over het materiaal kan beschikken;

1.43 pand

de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is;

1.44 parkeergelegenheid/parkeervoorzieningen

elke stallingsgelegenheid op zowel openbaar als particulier terrein ten behoeve van een motorvoertuig op meer dan twee wielen;

1.45 perceelsgrens

een grenslijn tussen bouwpercelen onderling;

1.46 stedenbouwkundig beeld

het door de omvang, de vorm en de situering van de bouwmassa's bepaald beeld inclusief de ter plaatse door de infrastructuur, de begroeiing en andere door de mens aangebrachte (kunstmatige) elementen gevormde ruimte(n);

1.47 straatmeubilair

verkeersgeleiders, rampalen/amsterdammertjes, verkeersborden, brandkranen, lichtmasten, zitbanken, bloembakken, papier-, glas- en andere inzamelbakken, toegangsconstructies voor ondergrondse voorzieningen, kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame, abri's en kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen en daarmee vergelijkbare objecten;

1.48 tuin

niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

1.49 uitbouw

een met het hoofdgebouw verbonden bouwwerk, een geheel vormend met het hoofdgebouw, dat door zijn verschijningsvorm in bouwkundig (constructie), architectonisch en/of ruimtelijk visueel opzicht ondergeschikt is aan en in een directe verbinding staat met het hoofdgebouw en een vergroting van een ruimte in het hoofdgebouw inhoudt;

1.50 vloeroppervlakte

de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken;

1.51 volumineuze detailhandel

detailhandel die vanwege aard en omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben;

1.52 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel(s) van een gebouw, welke door de gevelindeling als meest representatieve gevel(s) van het gebouw dient te worden aangemerkt;

1.53 voorziening van algemeen nut

voorzieningen ten behoeve van het op het openbare net aangesloten nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;

1.54 water en waterhuishoudkundige voorzieningen

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc.;

1.55 waterberging

gebieden die integraal onderdeel uitmaken van het watersysteem en die periodiek vanuit het oppervlaktewatersysteem kunnen overstromen;

1.56 weg

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

1.57 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, niet zijnde een bijzondere woonvorm, en/of voor de huisvesting van maximaal vier personen waarbij de voorzieningen met elkaar worden gedeeld en wanneer er daarnaast geen ander huishouden in het gebouw is ondergebracht;

1.58 wonen

het met een vast karakter huisvesten van één afzonderlijk huishouden in een woning;

1.59 woonwagen

voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst;

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid. ;
  • 2. De regels, in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3 en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Martinilaan 2-4 in Vught, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0865.vghTAMMartinilaan2-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.
  • 4. De regels van dit TAM-Omgevingsplan gelden deels in aanvulling en deels ter vervanging van de regels van het Omgevingsplan gemeente Vught en uitsluitend binnen het besluitgebied van dit TAM-Omgevingsplan.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.24 gelden voor de toepassing van de regels in hoofdstuk 2 en 3 van dit omgevingsplan de volgende meetbepalingen:

3.1 dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.2 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

Tussen de grens van het bouwperceel en enig punt van het op het bouwperceel voorkomend bouwwerk;

3.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. Voor zover een bouwwerk zich bevindt op een erf- of perceelsgrens wordt gemeten aan de kant waar het aansluitende afgewerkte terrein het hoogst is;

3.4 goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Bij de bepaling van de goothoogte wordt een dakkapel op het hoofdgebouw niet meegerekend;

3.5 inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.6 oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

3.7 lengte, breedte en diepte van een bouwwerk

tussen de buitenzijde van de gevels of het hart van de scheidsmuren;

3.8 bedrijfsvloeroppervlakte

binnenwerks op de vloer van de ruimten die worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten;

3.9 bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen;

3.10 ondergronds (verticale) bouwdiepte van een bouwwerk

vanaf het peil tot de onderzijde van de constructie van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk;

3.11 peil

De hoogte van de openbare weg;

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die in strijd zijn met dit plan zijn niet toegestaan

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Groen

5.1 Functieomschrijving

In het voor Groen aangewezen gebied zijn uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. ter plaatse van 'ontsluiting': ontsluiting ten behoeve van aangrenzende woningen;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. wegen, fiets- en voetpaden;
  • e. bestaande parkeervoorzieningen;
  • f. ondergeschikte voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, straatmeubilair, bijbehorende verhardingen, voorzieningen van algemeen nut, water, pompputten en waterhuishoudkundige voorzieningen en dergelijke;
  • g. overwegen, bruggen en duikers.
5.2 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels:

5.2.1 Algemeen
  • a. De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 3,25 meter.;
  • b. De hoogte van verlichtingsarmaturen is maximaal 8 meter;
  • c. De hoogte van erf- en terreinafscheidingen is maximaal 2 meter.
5.3 Vergunningplicht voor het aanleggen van parkeerplaatsen
5.3.1 Verbodsbepaling

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de omgevingsplanactiviteit uit te voeren die bestaat uit het aanleggen van parkeerplaatsen voor zover deze niet behoren tot of zijn gerealiseerd in het kader van een verleende omgevingsvergunning voor bouwen.

5.3.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in 5.3.1 kan worden verleend als voldaan wordt aan de volgende beoordelingsregels:

  • a. het betreft maximaal 5 parkeerplaatsen per 1.000 m²;
  • b. de parkeerbehoefte is aangetoond overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen 2025', vastgesteld op 11 september 2025, of diens rechtsopvolger;
  • c. de verkeersveiligheid is gewaarborgd;
  • d. er ontstaan geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woonmilieu;
  • e. de waarden en belangen van derden worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 6 Verkeer

6.1 Functieomschrijving

In het voor 'Verkeer' aangewezen gebied zijn uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wegen en straten;
  • b. voet- en rijwielpaden;
  • c. straatmeubilair;
  • d. onderdoorgangen en tunnels;
  • e. overwegen, bruggen en duikers;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. ondergeschikte voorzieningen, zoals speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
6.2 Beoordelingsregels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels:

6.2.1 Algemeen
  • a. De gronden mogen niet worden bebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. De hoogte van verlichtingsarmaturen is maximaal 8 meter;
  • b. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is maximaal 5 meter.

Artikel 7 Wonen

7.1 Functieomschrijving

In het voor 'Wonen' aangewezen gebied zijn uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. wonen in woningen, niet zijnde woonwagens;

met daarbij behorende:

  • b. tuinen, erven en terreinen;
  • c. (ondergrondse) parkeergarage, uitsluitend ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding – ondergronds parkeren';
  • d. ondergeschikte voorzieningen zoals verkeers- en groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.2 Beoordelingsegels bouwen

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden de volgende beoordelingsregels.

7.2.1 Woning bouwen
  • a. woningen worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' zijn alleen gestapelde woningen toegestaan;
  • d. de goothoogte bedraagt maximaal de goothoogte die is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)';
  • e. de bouwhoogte bedraagt maximaal de bouwhoogte die is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'.

7.2.2 Ondergronds bouwwerk bouwen
  • a. een ondergrondse parkeergarage mag worden gebouwd binnen en buiten het bouwvlak, maar uitsluitend ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding – ondergronds parkeren'.
  • b. ondergronds bouwen ten behoeve van een parkeergarage is toegestaan tot een bouwdiepte van maximaal 3 meter, gemeten vanaf peil tot aan de bovenkant van de afgewerkte keldervloer;
  • c. de bouwhoogte bedraagt maximaal de bouwhoogte die is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'. Indien geen aanduiding is opgenomen, dan mag de bouwhoogte niet meer dan 1,5 meter bedragen.

7.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bouwen

In aanvulling op/in afwijking van artikel 22.27 en 22.36 van dit omgevingsplan gelden de volgende regels voor bijbehorende bouwwerken:

  • a. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen vóór de voorgevel van het hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 1 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 3 meter.

7.2.4 Specifieke bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'gezamenlijk geluid (dB)' is het gezamenlijke geluid zoals bedoeld in artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving vastgesteld op de aangegeven waarde.

7.2.5 Specifieke gebruiksregels

Woningen en bijbehorende bouwwerken mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden-beroep of -bedrijf, mits:

  • a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 25%, maar met een maximum van 50 m² mag worden gebruikt voor een aan-huis-gebonden-beroep of -bedrijf;
  • b. de activiteiten worden verricht door de hoofdbewoner van de woning;
  • c. het de uitoefening van een aan-huis-gebonden-beroep of -bedrijf betreft in milieucategorie 1 zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels opgenomen Lijst van Bedrijfsactiviteiten.

7.2.6 Kamergewijze bewoning - aanwijzing vergunningplicht

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een woning te gebruiken voor:

  • a. kamergewijze bewoning van een woning;

7.2.7 Beoordelingsregels gebruik

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.2.6 onder a kan alleen worden verleend mits:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefklimaat;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straatbeeld en het woonkarakter van de wijk of buurt, waarbij ook het fietsparkeren en opslag van afval een toetsingskader is;
  • c. geen onevenredige toename van de verkeersaantrekkende werking plaatsvindt;
  • d. voldaan wordt aan de realisatie en het in stand houden van voldoende parkeerplaatsen overeenkomstig het geldende parkeerbeleid, waarbij kamerverhuur qua parkeernorm gelijkgesteld wordt met huur van een etage;
  • e. niet meer dan 10% van de woningen in de straat gebruikt wordt als kamergewijs bewoond pand voor kamerverhuur;
  • f. per persoon wordt voorzien in voldoende gebruiks- en leefoppervlakte, waarbij geldt dat:
    • 1. de minimale gebruiksoppervlakte 9 m² is;
    • 2. de minimale leefoppervlakte 25 m² is;
  • g. de aanvraag om een omgevingsvergunning een rapportage bevat van hoe de initiatiefnemer invulling heeft gegeven aan een omgevingsdialoog en wat de resultaten hiervan zijn.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Omgevingsplanactiviteit: Bouwactiviteiten
9.1.1 Ondergeschikte bouwdelen

Met een omgevingsvergunning kan een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met de regels uit hoofdstuk 2 voor:

  • a. het bouwen van ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, schoorstenen, lichtkoepels, hangende erkers, bloemkozijnen en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. functiegrenzen niet meer dan 0,50 meter bedraagt.

9.1.2 Ondergronds bouwen
  • a. Voor het bouwen van ondergrondse afvalcontainers gelden de volgende regels:
    • 1. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
    • 2. de inhoud mag niet meer bedragen dan 12 m³.
  • b. Voor het bouwen van kelders onder bestaande en nieuwe gebouwen gelden de volgende regels:
    • 1. onderkeldering is alleen toegestaan direct onder de contouren van een hoofdgebouw, exclusief bijbehorende bouwwerken;
    • 2. de verticale diepte mag niet meer bedragen dan 3,25 meter;
    • 3. de kelder is uitsluitend toegankelijk van binnenuit het gebouw teneinde een zelfstandig functioneren van de kelder te voorkomen;
    • 4. het bevoegd gezag kan afwijken voor het bouwen van kelders op andere locaties dan onder het hoofdgebouw, mits hierdoor de in het gebied aanwezige waarden niet onevenredig worden aangetast.

9.1.3 Nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte van een gebouw mag niet meer dan 25 m² bedragen;
  • b. de goot- en bouwhoogte van een nutsvoorziening mag niet meer dan 3,25 meter respectievelijk 5 meter bedragen.
9.2 Bouwactiviteiten- specifieke beoordelingsregel hemelwaterberging
  • a. Een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt alleen verleend als vaststaat dat wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende waterberging. Of hieraan is voldaan wordt bepaald aan de hand van de regels in de Waterafvoerverordening Vught 2022.
  • b. Als de onder lid a bedoelde verordening wordt gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe verordening bepaald of sprake is van voldoende waterberging.
9.3 Omgevingsplanactiviteit: aanlegactiviteit - specifieke beoordelingsregel hemelwaterberging
  • a. Een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit wordt alleen verleend als vaststaat dat wordt voorzien in de aanleg en instandhouding van voldoende waterberging. Of hieraan is voldaan wordt bepaald aan de hand van de regels in de Waterafvoerverordening Vught 2022.
  • b. Als de onder het eerste lid bedoelde verordening wordt gewijzigd, wordt aan de hand van de nieuwe verordening bepaald of sprake is van voldoende waterberging.

Artikel 10 Algemene gedragsregels

10.1 Gezamenlijk geluid

Ter plaatse van 'gezamenlijk geluid' geldt dat het gezamenlijk geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw vanwege gemeentewegen en hoofdspoorwegen ten hoogste 54 dB Lden bedraagt.

Artikel 11 Overige regels

11.1 Parkeren
  • a. Er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein wordt, zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen 2025', vastgesteld op 11 september 2025, of diens rechtsopvolger.
  • b. De onder a. genoemde parkeergelegenheid moet in stand worden gehouden.
  • c. Met een maatwerk- of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde onder a, indien:
    • 1. de noodzakelijke parkeervoorzieningen op eigen terrein in onvoldoende mate kunnen worden gerealiseerd en op andere wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien;
    • 2. de situering van de parkeerplaatsen het stedenbouwkundig beeld en het groene karakter van de omgeving, de verkeersveiligheid en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden niet onevenredig aantast.
11.2 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, als bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit TAM-omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat omgevingsplan.
  • c. Het overgangsrecht voor bouwwerken zoals bedoeld in artikel 12.1 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.
12.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat TAM-omgevingsplan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan.
  • e. Het overgangsrecht voor gebruik zoals bedoeld in artikel 12.2 van dit TAM-omgevingsplan, heeft een geldingstermijn van 10 jaar vanaf de dag van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan.