direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Eurocircuit
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

In 1971 werd het Eurocircuit, het eerste permanente rallycrosscircuit ter wereld geopend. Door verschillende activiteiten en evenementen op het gebied van auto- en motorsport is het Eurocircuit op de internationale kaart gezet. Voor het Eurocircuit geldt het bestemmingsplan Buitengebied 1977 een deel ken geen planologische regeling meer omdat het Uitbreidingsplan in hoofdzaak uit 1962 omdat dat plan per 1 juli 2013 op grond van artikel 9.3.2 van de Invoeringswet Wro is vervallen. Het is gewenst dat het Eurocircuit wordt opgenomen in een nieuw bestemmingsplan, zodat voldaan wordt aan de bepalingen uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) ten aanzien van het digitaal vaststellen van een bestemmingsplan en er een actueel juridisch-planologisch kader geldt voor het gebied. Een klein deel ligt in het bestemmingsplan Westerhoven en De Kempervennen 2012 van Bergeijk; daarvoor loopt separaat, maar parallel een herziening.

1.1.1 Naamgebruik Eurocircuit

De naam Eurocircuit is van origine gekoppeld aan het motor- en rallycrosscircuit en dat was een uitbreiding van recreatiecentrum Het Eurostrand (nu De Kempervennen). Omdat het bestemmingsplan ook deze naam heeft gekregen kan dat tot verwarring leiden, daarom wordt deze naam alleen voor verwijzing naar het bestemmingsplan gebruikt.

1.1.2 Verschillende juridische sporen

Voor het Eurocircuit gelden verschillende juridische sporen die nu niet goed op elkaar zijn afgestemd

1.1.2.1 Huurovereenkomsten

De gemeente Valkenswaard is geheel eigenaar van de gronden van het Eurocircuit. Dit heeft tot gevolg dat zij hier zowel een publiekrechtelijke als een privaatrechtelijke rol heeft. De privaatrechtelijke rol bestaat vooral uit het verhuren van de gronden aan de verenigingen en het vestigen van rechten van opstal voor gebouwen en bouwwerken.

1.1.2.2 Milieuvergunningen

Voor de motorcrossbaan en de rallycrossbaan zijn op 31 augustus 1993 voor de twee banen (lees inrichtingen) twee afzonderlijke milieuvergunningen afgegeven, waarbij de vergunningen zijn afgestemd op de maximale mogelijkheden voor het hebben van een inrichting zonder een geluidscontour, zijnde een gebruik <8 uur per week met 3x per jaar een afwijking daarvan.

Geconstateerd moet worden dat de milieuvergunning voor de motorcrossbaan nog steeds passend is, maar die van de rallycrossbaan niet. Er vinden activiteiten plaats die wel passen binnen de geldende bestemming, maar niet binnen de verleende milieuvergunning (zie 1.1.4.6 Rallycross).

1.1.2.3 Geluidscontour van rechtswege

Rondom het motor- en rallycrossterrein ligt sinds 1 juli 1993 een geluidszone van rechtswege. Deze is ontstaan door het in werking treden van de Wet milieubeheer. Deze geluidszone is echter nooit opgenomen in de bestemmingsplannen van de gemeenten Bergeijk en Valkenswaard, maar ook nooit opgeheven door het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan waarin het gebruik werd afgestemd op de verleende milieuvergunningen (gedezoneerd). De omvang van deze contour is niet met 100% zekerheid vast te stellen omdat de gebruikssituatie van 1 juli 1993 nooit is vastgelegd. In 1985 is er van rijkswege een onderzoek gestart naar (motor)crossterreinen in Nederland. Naar aanleiding daarvan is in opdracht van de provincie Noord-Brabant door DGMR Raadgevende Ingenieurs een geluidonderzoek uitgevoerd in verband met een mogelijk vereiste zonering op grond van de Wet geluidhinder. Daarbij is een maximale contour vastgelegd die gebaseerd is op de geluidsproductie van een autocrosswedstrijd (die nu niet meer gehouden wordt en niet te verwarren met de rallycrosswerdstrijden). Deze contour reikt tot in Dommelen en Westerhoven en lijkt ook representatief voor de situatie van 1 juli 1993. Omdat het toen nog één inrichting was, geldt de contour voor beide inrichtingen samen.

Op basis van beschikbare gegevens omtrent de gebruikssituatie op het autorallycrosscircuit medio 1993 is met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast te stellen, dat de in 1985 vastgestelde ligging van de 50 dB(A) contour ten gevolge van een autocrosswedstrijd representatief is voor de per 1 juli 1993 feitelijk aanwezige 50 dB(A) contour ten gevolge van autorallycrosswedstrijden.

1.1.2.4 Bestemmingsplannen

Voor een deel van het Eurocircuit geldt een oude bestemmingsplan met geen of onduidelijke gebruiksbepalingen. Daardoor is niet helder wat er nu op het crossterrein (motor en rally) is toegestaan. Met name het ontbreken van begripsbepalingen t.a.v. motor- en autosport levert onduidelijkheid op door de ontwikkelingen van de afgelopen decennia m.b.t. trikes, quads, karts, enz.. Theoretisch is zelfs de Formule 1 mogelijk, los gezien van het feit of dat binnen de geluidscontour past).

Voor het deel van de fietscrossbaan, een deel van de wielerbaan en het hondentrainingterrein geldt geen bestemmingsplan (meer).

1.1.3 Verwarring

Het voorgaande leidt tot verwarring en daardoor vrij contante stroom van klachten, handhavingsverzoeken en gerechtelijke procedures en alle partijen zijn het er over eens dat daar een eind aan moet komen door het scheppen van een afdoende planologisch kader en daarop afgestemde milieuvergunningen.

1.1.4 Gebruiksprogramma's
1.1.4.1 Algemeen

Er is behoefte aan duidelijkheid en inzicht voor omwonenden en omgeving door verantwoording van de effecten van het Eurocircuit in een actueel bestemmingsplan.

Er is afgesproken dat er een bestemmingsplanregeling zou komen waarin het bestaande gebruik zou worden vastgelegd (conserveren, welke recentelijk door de gemeenteraad van Valkenswaard is bevestigd met de vaststelling van de visie van De Groote Heide).

Ten behoeve van het vastleggen van het huidige gebruik op het Eurocircuit hebben het afgelopen jaar diverse gesprekken met de gebruikers van het Eurocircuit, met name de motorcross- en rallycrossvereniging plaatsgevonden. Ook met omwonenden, Groen en Heem en andere belanghebbenden is getracht het gesprek aan te gaan, maar dat is tot nu toe tot één gesprek beperkt gebleven vanwege de grote verschillen in standpunten.

Onduidelijkheid over mogelijkheden van het huidige gebruik (i.r.t. bestemmingsplan) en mogelijke ontwikkelingen in de toekomst in de omgeving van het plangebied en de continue vermenging tussen beide onderwerpen zorgen voor grote onrust bij omwonenden en verenigingen. Zowel omwonenden en verenigingen verlangen z.s.m. transparantie en openheid van de gemeente Valkenswaard met betrekking tot haar standpunt over t.a.v. het gebruik van de motor/ en rallycrossbanen en uitgangspunten waarbinnen de activiteiten hierop nu en in de toekomst plaats kunnen (blijven) vinden. Dit betreft niet het gebruik dat van de andere verenigingen op het Eurocircuit. Deze staan niet ter discussie in relatie met de omwonenden.

1.1.4.2 Conserverend gebruik

De visie m.b.t. "het conserveren van het huidig gebruik" dient vastgelegd te worden in het bestemmingsplan. De vraag is wat dit is, want er zijn drie verschillende vertrekpunten:

  • 1. de bestemmingsplannen (met overgangsrechten) van respectievelijk 55 en 41 jaar oud met de daar sinds 01-07-1993 bijbehorende geluidszone van rechtswege;
  • 2. de verleende milieuvergunningen van 25 en 19 jaar oud (09-1993, aangepast in 1999);
  • 3. het daadwerkelijke gebruik van de afgelopen 10 jaar.

Daarbij spelen de huurovereenkomsten en allerlei al dan niet schriftelijke toezeggingen t.a.v. gebruik en bebouwing een zeer vertroebelende rol.

Met alle verenigingen zijn huurovereenkomsten gesloten voor het gebruik. Als vereniging mag je er dan vanuit gaan dat de gemeente als verhuurder geen overeenkomst sluit die in strijd is met de gemeentelijke bestemmingsplannen. Het juridische onderscheid tussen privaatrechtelijke en publiekrechtelijk handelen is voor hen immers niet bekend. De verenigingen mogen niet de dupe worden van gemeentelijk onduidelijk handelen.

Het is ten aanzien van de rallycrossbaan ondoenlijk om een adequate analyse te maken van de afgelopen 46 jaar van het daadwerkelijke gebruik van voor 1986 (de in werkingtreding gebruiksbepalingen Buitengebied 1977) omdat eenvoudig weg het toen gebezigde gebruik niet meer te achterhalen is.

Ad 1

Het gebruik van de fietscrossbaan is niet in strijd met het Uitbreidingsplan in hoofdzaken (geen gebruiksbepalingen). Dat geldt ook voor het hondensportterrein. Een deel van de wielerbaan ligt in de bestemming Bos, maar bestaat van voor 1986 en valt daarmee onder het overgangsrecht van het Buitengebied 1977. Dat laatste geldt ook voor de motorcrossbaan. Voor deze verenigingen is er dus sprake van bestaande rechten.

Overigens is dit bestemmingsplan op basis van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening per 1 juli 2013 vervallen en geldt geen enkel bestemming meer en is in principe alles toegelaten.

Ad 2

De milieuvergunningen zijn oud en niet toegesneden op de geldende wet- en regelgeving. Inhoudelijk zijn ze onduidelijk over de toegestane activiteiten. Het gebruik van de motorcrossbaan komt (grotendeels) overeen met de vergunning. Het gebruik van de rallycrossbaan niet, maar daar bestaan juridische meningsverschillen over. Met name de autosportactiviteiten die wel passen binnen het bestemmingsplan, maar niet binnen de milieuvergunning leveren problemen op. Daarom is voor deze baan de milieuvergunning geen goed vertrekpunt.

Ad 3

Vanwege de onduidelijkheden ten aanzien van de rallycrossbaan als bedoeld onder Ad 1 en Ad 2 is voor deze baan een analyse van het gebruik van de afgelopen 10 jaar gemaakt. Van deze jaren is schriftelijk aantoonbaar welk gebruik gebezigd is.

Het is zonder gerechtelijke uitspraken ondoenlijk te bepalen wat nu wel en niet onder de juridische regelingen was en is toegestaan. Dat blijkt ook uit de diverse rechtszaken die gevoerd zijn en deels nog lopen. Daarom is voor de rallycrossbaan het gemiddelde gebruik per activiteit van de afgelopen 10 jaar als uitgangspunt voor de bestaande rechten genomen en is in algemenere bewoordingen vertaald naar het Gebruiksprogramma. De regels zijn nagenoeg een 1:1 vertaling van het gemiddelde gebruik. Alleen de rijvaardigheidtrainingen kennen een verruiming, omdat die niet van betekenende aard zijn voor het geluid.Tevens zijn activiteiten met niet-verbrandingsmotoren verruimd mogelijk om duurzaam en milieuvriendelijke auto- en motorsport te stimuleren hetgeen uiteindelijk zal leiden tot minder lawaaioverlast.

1.1.4.3 Raadsbesluit d.d. 22-02-2018

De gemeenteraad heeft, in afwijking van het voorbereidingstraject, de visie van De Groote Heide en met het gebruiksprogramma zoals dat in het voorontwerp is opgenomen, op 22 februari 2018 besloten met name de rallycrossvereniging de ruimte te bieden om die activiteiten te ontwikkelen die zij nodig achten voor een economisch haalbare exploitatie van het rallycrosscircuit. Daarbij is geen uitspraak gedaan ten aanzien van de omvang van de geluidscontour zoals die opgenomen is in het voorontwerp van dit bestemmingsplan.

Naar aanleiding van dit raadsbesluit heeft er bestuurlijk overleg plaatsgevonden met de gemeente Bergeijk. Zij zijn (net als de indieners van zienswijzen, zie Nota van Inspraak en vooroverleg) tegenstander van uitbreiding van de activiteiten t.o.v. het in dit plan opgenomen Gebruiksprogramma. Omdat de gemeente Bergeijk ook de geluidscontour in haar bestemmingsplannen moet opnemen is afstemming noodzakelijk. Als de contour niet wordt opgenomen in de bestemmingsplannen van Bergeijk kan de benodigde milieuvergunning voor de overeengekomen activiteiten niet verleend worden. Daarbij moet geconcludeerd worden dat de uitbreiding van de lawaaisporten in strijd is met artikel 7.17. van de Verordening ruimte Noord-Brabant. Met het Gebruiksprogramma is er op basis van bestaande rechten geen sprake van uitbreiding van de lawaaisport.

1.1.4.4 Voorbereidingsbesluit

Vanwege het mogelijkheid dat de rallycrossvereniging een milieuvergunning zou kunnen gaan aanvragen op basis van de van rechtswege ontstane geluidscontour heeft de raad van Valkenswaard op 24 mei 2017 een voorbereidingsbesluit genomen waarbij het bestaande gebruik is 'bevroren' om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan.

Op 22 februari 2018 heeft de raad besloten een nieuw voorbereidingsbesluit te nemen en dit in te laten gaan op 24 mei 2018, de datum waarop het geldende voorbereidingsbesluit is verlopen. Dit voorbereidingsbesluit biedt echter wel ruimte voor ontwikkeling, alleen niet tot de maximale invulling van de geluidscontour van rechtswege.

1.1.4.5 Motorcross

De motorcrossvereniging kan prima uit de voeten met de verleende milieuvergunning, zij het dat ze af en toe gebruik maken van het rallycrossterrein als paddock voor grote wedstrijden. Formeel is dit niet toegestaan omdat dat buiten de inrichting van de vergunning ligt.

1.1.4.6 Rallycross

De rallycrossvereniging en de Stichting Exploitatie Eurocircuit (lees exploitatie rallycrossbaan) kan niet met de verleende milieuvergunning uit de voeten. Al meer dan 25 jaar vinden er activiteiten plaats die wel passen binnen het bestemmingsplan maar niet binnen de milieuvergunning. Ze passen overigens wel binnen de van rechtswege ontstane geluidscontour en daarom doet de vereniging daar ook nu een beroep op (voor de aanloop naar dit bestemmingsplan was het bestaan van die contour bij hen niet bekend). Omdat de gewenste activiteiten wel passen zijn binnen het bestemmingsplan is een Gebruiksprogramma vastgesteld op basis van de activiteiten die noodzakelijk zijn voor een economisch haalbare exploitatie van het rallycrosscircuit, zie Bijlage 2.

1.2 Plankarakter

Het bestemmingsplan Eurocircuit draagt het karakter van een conserverend bestemmingsplan. Dit betekent in dit geval dat het gebruik van het rallycrossterrein zoals benoemd in het Gebruiksprogramma en het overige bestaande gebruik in het nieuwe bestemmingsplan wordt vastgelegd.

1.3 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

  • in Hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de situering van het plangebied en een overzicht van de bestaande juridische regeling;
  • in Hoofdstuk 3 wordt, voor zover relevant, in hoofdlijnen een beschrijving gegeven van de beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden ten aanzien van het plangebied zijn gepubliceerd;
  • in Hoofdstuk 4 wordt een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied gegeven. Hierbij gaat het zowel om de ruimtelijke structuur als de aanwezige functies. Dit geeft een impressie van het beleidskader voor het bestemmingsplan;
  • in Hoofdstuk 5 komen ook de milieutechnische randvoorwaarden en de historische kwaliteiten naar voren;
  • in Hoofdstuk 6 wordt de beleidsvisie op hoofdlijnen voor het buitengebied van Valkenswaard beschreven;
  • in Hoofdstuk 7 is de beleidsvisie vertaald naar keuzes omtrent de planregels;
  • in Hoofdstuk 8 wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels;
  • in Hoofdstuk 9 worden de uitvoeringsaspecten handhaving en de economische uitvoerbaarheid worden besproken;
  • als laatste komen in Hoofdstuk 10 de inspraakreacties en het wettelijk vooroverleg aan bod.

Hoofdstuk 2 Plangebied

2.1 Situering

Het plangebied is gelegen ten zuiden van Dommelen en ten oosten van Westerhoven. Ten zuidwesten ligt het recreatiepark De Kempervennen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0001.png"

Situering in de omgeving

2.2 Bestaande juridische regeling

Tot het moment waarop het nieuwe bestemmingsplan Eurocircuit in werking treedt, gelden de onderstaande bestemmingsplannen.

Vigerende bestemmingsplannen   Gemeente   Vastgest.   Goedgek.   Onherroepelijk  
Buitengebied (2013)   Valkenswaard   13-06-2013   nvt   23-05 2015 (ged)  
Lage Heideweg   Valkenswaard   26-11-2009   nvt   16-12-2011  
Uitbreidingsplan in hoofdzaken 1962   Valkenswaard   17-05-1962   14-08-1964   VERVALLEN  
Buitengebied (1977)   Valkenswaard   23-03-1977   31-05-1978   23-06-1986  
Buitengebied Bergeijk 2011   Bergeijk        
Herziening Buitengebied 2014   Bergeijk   01-07-2014      
2e herziening Buitengebied 2014   Bergeijk   01-06-2014      
Westerhoven en De Kempervennen 2012   Bergeijk   01-07-2014     (ged)  
Westerhoven en De Kempervennen 2012, herziening 2014   Bergeijk   29-11-2012      

Het Uitbreidingsplan in hoofdzaken 1962 per 1 juli 2013 vervallen op grond van artikel 9.3.2 van de Invoeringswet Wro. Voor dat deel van het plangebied geldt dus geen bestemmingsplan meer.

2.2.1 Plangebied

Het plangebied beslaat het gebied dat grofweg begrensd wordt door de geluidscontour horende bij de inrichting van de rallycrossbaan. Het plangebied is op onderstaande figuur aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0002.png"

Grens plangebied (paars) met geluidscontouren Eurocircuit (rallycrossbaan) conform milieuvergunning.

2.2.2 Eurocircuit

In tegenstelling tot hetgeen gesteld is in het voorontwerp van het bestemmingsplan Buitengebied 2 wordt in het ontwerp het Eurocircuit toch niet daarin opgenomen. Vanwege juridische aspecten is het achteraf gezien niet gewenst de plannen samen te voegen. Alleen de delen buiten de geluidscontour worden (zoveel mogelijk op basis van een in het landschap herkenbare begrenzing) in het Buitengebied opgenomen.

Om de bestaande activiteiten planologisch te verankeren in het bestemmingsplan is het opnemen van de geluidszonering in beperkte omvang (ter grootte van de verleende vergunning voor de rallycrossbaan) noodzakelijk. Omdat deze ook over het buitengebied van Bergeijk ligt, is ook daar een herziening in voorbereiding en moeten de procedures op elkaar afgestemd worden.

De op het Eurocircuit gelegen wielerbaan ligt voor een deel in de gemeente Bergeijk, maar is in het bestemmingsplan Buitengebied 2011 van Bergeijk nog niet positief bestemd, dat zal in hun bestemmingsplan voor de opname van de geluidscontour alsnog gebeuren.

2.2.3 Geldende bestemmingen
2.2.3.1 Uitbreidingsplan in hoofdzaken 1962

Alhoewel dit plan per 1 juli 2013 is vervallen op grond van artikel 9.3.2 van de Invoeringswet Wro, wordt dit hier toch aangehaald om aan te tonen dat het gebruik nooit in strijd is geweest met het uitbreidingsplan.

2.2.3.1.1 Agrarisch gebruik III

De gronden aangeduid met afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0003.png"zijn in hoofdzaak bestemd voor Agrarisch gebruik III;

  • 1. Op de als zodanig bestemde grond mogen worden opgericht:

Woningen en andere gebouwen uitsluitend ten behoeve van een agrarisch bedrijf, met dien verstande dat:

    • a. de oppervlakte van het bouwperceel moet bedragen tenminste 1 ha.
    • b. de breedte van het bouwperceel moet bedragen tenminste 60 m.
    • c. de afstand tot de perceelgrens moet bedragen tenminste 5 ha.
    • d. tot het agrarisch bedrijf moet behoren een op het bouwperceel van de woning staande stal of schuur met een inhoud van tenminste 300 m3.
  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten toestaan dat:
    • a. ten behoeve van een agrarisch bedrijf de in lid 1 sub a en b gestelde eisen worden teruggebracht tot niet minder dan 3/4 van de daar voorgeschreven maten,
    • b. van de in lid 1 sub a, b en d gestelde eisen wordt afgeweken ten behoeve van een tuinbouwbedrijf of gemengd land- en tuinbouwbedrijf, mits:
      • de oppervlakte van het bouwperceel niet minder bedraagt dan 0.5 ha,
      • de breedte van het bouwperceel niet minder bedraagt dan 40 m.
      • de inhoudsmaat van stal of schuur (warenhuizen en kassen niet meegerekend) niet minder bedraagt dan 120 m3.
    • c. van de in lid 1, sub a, b en d gestelde eisen wordt afgeweken ten behoeve van een pluimveebedrijf, pelsdierfokkerij, varkensraesterij e.d. mits:
      • dïe oppervlakte van het bouwperceel niet minder bedraagt dan 2/3 ha.
      • de breedte van het bouwperceel niet minder bedraagt dan 40 m.
      • de tot deze bedrijven behorende hokken en bedrijfsopstallen geen geringere vloeroppervlakte hebben dan 250 m2.
      • deze hokken en bedrijfsopstallen op geen geringere afstand dan 25 m achter de voorgevelrooilijn worden opgericht.
      • er loodsen voor landbouww.erktuigen, loondorsbedrljven e.d. worden opgericht.
2.2.3.1.2 Toets gebruik en bebouwing

Zie Figuur bij het Buitengebied 1977

De fietscrossbaan en het hondensportterrein liggen geheel in dit voormalige uitbreidingsplan evenals een deel van de wielerbaan.

Gebruik

Het gebruik van de terreinen was niet in overeenstemming met de bestemming. Het Uitbreidingsplan in hoofdzaken kende echter geen gebruiksbepalingen en/of aanlegvergunningenstelsel en daarom kon daar niet tegen opgetreden worden.

Zie verder paragraaf 4.5.1 Bestaande situatie gebruik.

Bebouwing

De aanwezige bebouwing was niet in overeenstemming met de bestemming en was daarmee illegaal. Optreden op basis van het bestemmingsplan is niet meer mogelijk, omdat de rechtsgrond is komen te vervallen.

Zie verder paragraaf 4.5.2 Bestaande situatie bebouwing.

2.2.3.2 Buitengebied 1977

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0004.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0005.png"

Bestemmingsplan Buitengebied 1977.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0006.png"

Bestaande situatie op vigerend bestemmingsplan Buitengebied 1977.

2.2.3.2.1 Crossterrein
  • 1. De op de kaart voor "crossterrein" aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van de wieier-, motor- en autosport met de daarbij noodzakelijke gebouwen en andere bouwwerken voor groenvoorzieningen en parkeerruimten.
  • 2. Op deze gronden mogen de voor de wieier-, auto- en motorsport noodzakelijke gebouwen worden gebouwd, mits:
    • a. de totale bebouwde oppervlakte niet meer bedraagt dan 600 m2;
    • b. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m; burgemeester en wethouders zijn bevoegd hiervan vrijstelling te verlenen tot een maximale hoogte van 6 m.
  • 3. Op deze gronden mogen de voor de wieier-, auto- en motorsport noodzakelijke andere bouwwerken gebouwd worden, mits de hoogte niet meer bedraagt dan 3 m, met uitzondering van scoreborden en lichtmasten met een maximale hoogte van 10 m.
  • 4. Verboden gebruik van gronden en opstallen
  • A. Het is verboden gronden en opstallen te gebruiken, op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming.
  • B. Het is derhalve verboden deze gronden te gebruiken:
    • a. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voorzover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming van het plan gerichte gebruik van de grond;
    • b. als terrein voor het ten verkoop opslaan en opstellen van gebruikte en/of ongebruikte dan wel geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorvoertuigen of aanhangwagens c.q. onderdelen daarvan, welke bruikbaar en niet aan hun bestemming onttrokken zijn;
    • c. als opslagplaats van aannemersmateriaal;
    • d. als kampeerterrein,
    • e. als parkeerterrein, tenzij de totale oppervlakte van de parkeerruimten niet meer bedraagt dan 3% van het bestemmingsoppervlak.
2.2.3.2.2 Voorlopig zandwinning/vuilstort Defintief crossterrein
  • 1. De als "voorlopig zandwinning/vuilstort; definitief crossterrein" aangewezen gronden zijn tot 30 juni 1987 bestemd voor het winnen van zand en het storten van afvalstoffen. Na 30 juni 1987 zijn deze gronden bestemd voor de uitoefening van de motor- en autosport met de daarbij noodzakelijke gebouwen en andere bouwwerken, groenvoorzieningen en parkeerruimten zulks met inachtname van het gestelde in de navolgende leden van dit artikel.

Vóór 30 juni 1987

Bebouwing

  • 2. Op of in deze gronden mogen voor 30 juni 1987 geen bouwwerken worden opgericht.
  • 3. Verboden gebruik van gronden en opstallen
  • A. Het is verboden gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming.
  • B. Het is derhalve met name verboden deze gronden te gebruiken voor het uitvoeren, doen of laten uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:
    • a. het winnen, van zand op een diepte van meer dan 7 m, gemeten vanaf het omringende maaiveld;
    • b. het storten van chemische afvalprodukten en andere materialen, welke leiden of kunnen leiden tot verontreiniging of vergiftiging van het grondwater.

Na 30 juni1987

Bebouwing

  • 4. Op of in deze gronden mogen na 30 juni 1987 de voor de wieler-, auto- en motorsport noodzakelijke gebouwen worden gebouwd, mits:
    • a. de totale oppervlakte niet meer bedraagt dan 50 m2;
    • b. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m.
  • 5. Op deze gronden mogen de voor wieier-, auto- of motorsport noodzakelijke bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits de hoogte niet meer bedraagt dan 3 m, met uitzondering van scoreborden of lichtmasten met een maximum hoogte van 10 m.
  • 6. Verboden gebruik van gronden en opstallen
  • A. Het is verboden gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming.
  • B. Het is derhalve met name verboden deze gronden te gebruiken:
    • a. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk.gebruik - onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voorzover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming van het plan gerichte gebruik van de grond;
    • b. als terrein voor het ten verkoop opslaan en opstellen van gebruikte en/of ongebruikte dan wel geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorvoertuigen of aanhangwagens c.q. onderdelen daarvan, welke bruikbaar en niet aan hun bestemming onttrokken zijn;
    • c. als opslagplaats van aannemersmateriaal,
    • d. als kampeerterrein.
2.2.3.2.3 Voorlopig zandwinning Definitief Bos
  • 1. De als "voorlopig zandwinning/vuilstort; definitief bos" aangewezen gronden zijn tot 30 juni 1987 bestemd voor het winnen van zand en het storten van afvalstoffen. Na 30 juni 1987 zijn deze gronden bestemd voor de volgende doeleinden: de opbouw van het landschap, de volksgezondheid, de houtproduktie en de extensieve dagrecreatie, dan wel ten behoeve van één of meer van deze doeleinden in het bijzonder.

Vóór 30 juni 1987.

Bebouwing

  • 2. Op of in deze gronden mag vóór 30 juni 1987 niet worden gebouwd.
  • 3. Verboden gebruik
  • A. Het is verboden de gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming.
  • B. Het is derhalve met name verboden deze gronden te gebruiken voor het uitvoeren, doen of laten uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:
    • a. het winnen van zand op een diepte van meer dan 7 m gemeten vanaf het omringende maaiveld;
    • b. het storten van chemische afvalprodukten en andere materialen welke leiden of kunnen leiden to verontreiniging of vergiftiging van het grondwater.

Na 30 juni 1987.

Bebouwing

  • 4. Op of in deze gronden mag na 30 juni 1987 niet worden gebouwd
  • 5. Verboden gebruik
  • A. Het is verboden de gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de bestemming,
  • B. Het is derhalve met name verboden deze gronden te gebruiken:
    • a. als staanplaats voor caravans, woon- of stacaravans, voorzover geen bouwwerken zijnde, tenten, kampeerauto 's en/of andere al dan niet aan hun bestemming onttrokken en voor kamperen bestemde voer- en vaartuigen alsmede wagens geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel ter plaatse;
    • b. als kampeerterrein;
    • c. als terrein voor het beproeven van motorvoertuigen en als terrein voor het racen en crossen met motoren en bromfietsen;
    • d. voor agrarische doeleinden;
    • e. als opslag-, stort-, lozings- of bergplaats van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijk gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens voorzover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de gronden.
  • C. Het is, gezien lid 5A, tevens met name verboden deze gronden te gebruiken voor het uitvoeren, doen of laten uitvoeren van de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden:
    • a. werken of werkzaamheden ten behoeve van doeleinden omschreven in lid 5B a t/m e;
    • b. het storten van chemische afvalprodukten en andere materialen, welke leiden of kunnen leiden tot verontreiniging of vergiftiging van het grondwater;
    • c. het lozen of storten van voorwerpen of produkten behoudens voorzover zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden;
    • d. het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse constructies, installaties of apparatuur, tenzij zulks verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden en behoudens het in lid 7A sub f bepaalde.
2.2.3.2.4 Toets gebruik en bebouwing

Gebruik

Een deel van de motorcrossbaan en van de wielerbaan ligt in de bestemming "voorlopig zandwinning/vuilstort; definitief bos", maar uit gerechtelijke uitspraken blijkt dat dit gebruik onder het overgangsrecht valt, omdat het bestemmingsplan pas in 1986 onherroepelijk is geworden en het gebruik daarvoor heeft aangevangen.

De rallycrossbaan ligt geheel binnen de juiste bestemmingen, maar het gebruik is een continu proces van rechtszaken waarvan er nog enkele niet afgerond zijn.

Slechts voor een deel betreffen de rechtszaken het bestemmingsplan, het merendeel gaat over de verleende milieuvergunningen.

Zie verder paragraaf 4.5.1 Bestaande situatie gebruik.

Bebouwing

Bij elkaar is binnen de bestemming 'crossterrein' 650 m2 aan bebouwing toegestaan. In de loop der jaren is naar behoefte gebouwd, deels met vergunning, zij het in afwijking van het bestemmingsplan en deels zonder vergunning, maar met toestemming en deel zonder beiden. Zie verder paragraaf 4.5.2 Bestaande situatie bebouwing.

Hoofdstuk 3 Planologisch kader

Bij het opstellen van het bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de randvoorwaarden vanuit het beleid van Europa, rijk, provincie, regio en gemeente. Voor zover relevant voor dit bestemmingsplan wordt in de volgende paragrafen het beleid toegelicht.

3.1 Europees beleid

3.1.1 Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De belangrijkste natuurgebieden in Europa zijn aangewezen en moeten uiteindelijk een netwerk gaan vormen. Een eenmaal aangewezen Natura 2000-gebied blijft in principe altijd als natuurgebied bestaan. Twee Europese richtlijnen beschermen het netwerk, namelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn.

Middels de Vogelrichtlijn moeten de Europese lidstaten zorgen voor de bescherming, instandhouding en herstel van de leefgebieden van zeldzame vogels. Hiervoor worden 'speciale beschermingszones' ingesteld. Via de Habitatrichtlijn worden natuurlijke leefgemeenschappen van zeldzame plant- en diersoorten beschermd. Ook hiervoor worden speciale beschermingszones aangewezen.

In Nederland vallen de Natura 2000-gebieden onder de Wet natuurbescherming. Er wordt één aanwijzingsbesluit gehanteerd, dat de diverse vormen van bescherming van het gebied regelt. In dit besluit zijn de instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, de doelen van de natuurbescherming in dit gebied.

Voor elke ruimtelijke ontwikkeling die kan leiden tot gevolgen voor één of meer van deze instandhoudingsdoelstellingen, is een 'passende beoordeling’ van de gevolgen van de ontwikkeling verplicht. In deze passende beoordeling wordt inzichtelijk gemaakt welke gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen worden verwacht en hoe die schade wordt geminimaliseerd door het treffen van bepaalde maatregelen. Een dergelijke ontwikkeling is in letterlijke zin niet in dit plan voorzien, omdat er sprake is van een herbestemming van een als sinds 1977 bestaande en grotendeels positief bestemde situatie. In juridische zin is er wel sprak van een ruimtelijke ontwikkeling vanwege de legalisering van de al van voor 1998 bestaande afwijking van de motorcrossbaan en het deel van de wielerbaan in Bergeijk.

Binnen de gemeente ligt een deel van het Natura 2000-gebied 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux'. Dit laatste gebied is centraal in het buitengebied van Valkenswaard gelegen en het zeer kwetsbaar vanwege de vele vennen in De Malpie. De Keersop maakt daar ook onderdeel vanuit en vormt hier de gemeentegrens en deels de plangrens.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0007.png"

Situering Natura 2000-gebied 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux' in de regio

Betekenis voor het bestemmingsplan: Wanneer het bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk maakt die de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natura 2000-gebied kunnen aantasten, dan zal een 'passende beoordeling' moeten worden uitgevoerd. Omdat gevolgen niet uit te sluiten zijn wordt/is een PlanMER opgesteld. Zie verder ook paragraaf 3.2.4 Programma Aanpak Stikstof (PAS).

3.1.2 Europese Kaderrichtlijn Water

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) ziet erop toe dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Belangrijke instrumenten hierbij zijn de 'KRW-stroomgebiedsbeheerplannen'. Hierin staan afspraken over de te behalen kwantitatieve en kwalitatieve waterdoelen en de weg daar naartoe. De KRW beschermt landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater.

De richtlijn heeft tot doel:

  • de kwaliteit van de aquatische ecosystemen te beschermen en te verbeteren;
  • bevorderen van duurzaam gebruik van water, voor bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn;
  • verschaffen van een verhoogde bescherming en verbetering van het aquatische milieu. Maatregelen als stopzetten of geleidelijk beëindigen van lozingen, emissies of verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen worden genomen;
  • vermindering van de verontreiniging van grondwater en voorkoming van verdere verontreiniging;
  • verkleinen van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte.

Betekenis voor het bestemmingsplan: In het kader van de 'watertoets' (zie paragraaf 4.1) moet het bestemmingsplan rekening houden met het waterbeleid. Het bestemmingsplan dient, met in acht name van de reikwijdte ervan, aan te sluiten op de doelen van de richtlijn.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie vervangt een groot aantal verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zoals de Nota Ruimte (2006), Structuurvisie Randstad 2040 en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving (2008). Door onder andere nieuwe politieke accenten, veranderende economische omstandigheden, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen zijn de vigerende beleidsdocumenten gedateerd.

De visie heeft als doel dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Daarbij gaat de visie uit van het ‘decentraal, tenzij...’ principe. Hiermee wordt de ruimtelijke ordening in toenemende mate neergelegd bij gemeenten en provincies. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingskracht van provincies en gemeenten overstijgt;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;
  • een onderwerp provincie- of landsoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.

Betekenis voor het bestemmingsplan: De structuurvisie is relevant wanneer de gemeente in haar bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk maakt die van nationaal belang zijn. Daarvan is in het bestemmingsplan buitengebied geen sprake.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevat regels ter bescherming van nationale belangen. De keuze voor deze belangen is reeds gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en worden met het Barro en het Bro juridisch verankerd.

In het kader van deregulering en decentralisatie is gekozen om de regels zoveel mogelijk door te laten werken op het niveau van de lokale besluitvorming. Door de nationale belangen in bestemmingsplannen te borgen, worden deze belangen reeds in een vroeg stadium vastgelegd, wat bijdraagt aan een versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke druk. Enkele bepalingen hebben echter beperking op provinciaal medebewind en ontheffingsmogelijkheden.

De onderwerpen in het Barro betreffen:

  • Project Mainportontwikkeling Rotterdam.
  • Kunstfundamenten.
  • Grote rivieren.
  • Waddenzee en waddengebied.
  • Defensie (met uitzondering van radar).

Per 1 oktober 2012 is de gewijzigde Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) inzake aanwijzing radarverstoringsgebieden, reserveringsgebieden hoofdwegen en landelijke spoorwegen en militaire terreinen en de eerste aanvulling van het Barro inzake hoofdinfrastructuur (reserveringen rond hoofdwegen en hoofdspoorwegen, vrijwaring rond Rijksvaarwegen en hoofd-buisleidingen), de elektriciteitsvoorziening, het vereenvoudigde regime van de ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied) inwerking getreden.

Betekenis voor het bestemmingsplan: Het Barro voorziet niet in onderwerpen die op het plangebied van toepassing zijn. Dit houdt in dat voor dit bestemmingsplan geen beperkingen vanuit de Barro gelden.

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat de uitwerking van bepalingen uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Het besluit stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden (o.a. nationaal belang 13 uit de SVIR). De ‘ladder van duurzame verstedelijking’ is in 2012 opgenomen in het Bro.

Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, en is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ daaraan toegevoegd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder voor duurzame verstedelijking is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

Overheden dienen nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren met de drie opeenvolgende stappen. De stappen bewerkstelligen dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken, nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor (1) de ruimtevraag, (2) de beschikbare ruimte en (3) de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Dit gezag draagt de verantwoordelijkheid voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling.

  • 1. Trede 1 vraagt de regionale ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) voor stedelijke ontwikkelingen te bepalen. Dit betreft wonen, werken, detailhandel en overige stedelijke voorzieningen. Met de regionale ruimtevraag in beeld kan worden beoordeeld of een voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Zo ja, dan is trede 2 aan de orde.
  • 2. Trede 2 motiveert of de beoogde ontwikkeling plaats kan vinden binnen het bestaand stedelijk gebied. Dit kan door op lege plekken de ruimte ‘in te vullen’, een andere bestemming te geven aan een gebied, door herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden.
  • 3. In trede 3 gaat het om stedelijke uitleg en wel op een zodanige locatie dat het uitleggebied (in potentie) multimodaal ontsloten is of kan worden. De resterende ruimtevraag, die resulteert uit trede 2 is kwalitatief en kwantitatief.

Betekenis voor het bestemmingsplan: In dit bestemmingsplan worden geen stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van het Bro.

Onderbouwing

De beschrijving in artikel 1.1.1. luidt:

i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Infomil geeft de volgende toelichting:

Voor overige stedelijke functies wordt in de overzichtsuitspraak gesteld, dat voor andere stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro in de vorm van een terrein 'in beginsel' geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m2 bedraagt. Bestaat de andere stedelijke ontwikkeling uit de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens 'in beginsel' bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500 m2. Door de toevoeging van 'in beginsel' bij iedere ondergrens, lijkt de Afdeling duidelijk te willen maken dat geen sprake is van ‘harde’ ondergrenzen.

De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd.

Uit overige teksten op Infomil en jurisprudentie blijkt dat ook de omvang van het terrein in ogenschouw moet worden genomen. Nu er geen sprake is van fysieke uitbreiding van het terrein van de stedelijke voorziening (er vanuit gaande dat het crossterrein dat is, wat zeker discutabel is), maar er wel sprake is van een juridische uitbreiding van bebouwing, moet de oppervlakte van die toename aan bebouwing (>500 m2) in verhouding worden gezien tot de oppervlakte van de bestemming Sport (26,8255 ha). De juridische uitbreiding omvat 1.519 m2 ofwel 0,56% van de bestemde en daadwerkelijk in gebruik zijnde oppervlakte en daarmee is er geen significante uitbreiding aan bebouwing.

Zie ook de paragrafen 2.2.3 Geldende bestemmingen, 3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant (Vr N-B) en 4.5 Eurocircuit.

3.2.4 Programma Aanpak Stikstof (PAS)

Ruimte voor economische ontwikkelingen, sterkere natuur en minder stikstof. Dat is het doel van het Programma Aanpak Stikstof waarin overheden, natuurorganisaties en ondernemers samenwerken. In het Programma Aanpak Stikstof (PAS) werken overheden en maatschappelijke partners samen om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken.

In een dichtbevolkt land als Nederland is het een uitdaging om een evenwicht te vinden tussen veerkrachtige natuur en gezonde economie. Het Rijk en provincies geven ruimte aan ondernemers, omdat ze belangrijk zijn voor onze economie. Tegelijkertijd moeten economische activiteiten passen binnen de draagkracht van de natuur, want economie en natuur hebben elkaar nodig.

Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Dit is schadelijk voor de natuur. Het belemmert ook vergunningverlening voor economische activiteiten. Daarom heeft het Rijk het initiatief genomen om deze stikstofproblemen aan te pakken.

Rijk, provincies en natuurorganisaties nemen maatregelen om de natuur te herstellen, door bijvoorbeeld stikstofrijke grondlagen te verwijderen. Agrarische ondernemers nemen maatregelen in hun bedrijfsvoering, zoals mest aanwenden met weinig stikstofverliezen en het gebruik van aangepast voer. Door deze combinatie van maatregelen ontstaat er ruimte voor nieuwe economische activiteiten.

De PAS steunt op twee pijlers om de doelen van Natura 2000 zeker te stellen: daling van stikstofdepositie en ecologische herstelmaatregelen. Een deel van de daling mag worden gebruikt voor nieuwe economische activiteiten.

De PAS combineert twee manieren om de natuurdoelen van Natura 2000 zeker te stellen:

  • Het blijvend laten dalen van de stikstofdepositie door het nemen van maatregelen aan de bron
  • Het uitvoeren van herstelmaatregelen voor stikstofgevoelige natuur

De PAS bepaalt ook dat een deel van de daling van de stikstofdepositie mag worden ingezet voor nieuwe projecten of projecten waarin uitbreiding van bestaande stikstofemissie aan de orde is. Dit noemen we de ontwikkelingsruimte. Op deze manier blijft de stikstofdepositie dalen, terwijl er ook ruimte is voor de gewenste economische ontwikkeling en daarmee ook voor investeringen in schonere productietechnieken, zoals emissie-arme stalsystemen in de veehouderij. Zo ontstaat een evenwichtige benadering, waarbij economische activiteiten mogelijk blijven onder voorwaarde dat de gestelde natuurdoelen worden gehaald.

Betekenis voor het bestemmingsplan: Zie Bijlage 4 PlanMER

3.2.5 Waterwet

Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit en -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning.

Betekenis voor het bestemmingsplan: In het kader van de 'watertoets' (zie paragraaf 4.1) moet het bestemmingsplan rekening houden met het waterbeleid. Het bestemmingsplan dient, met inachtname van de reikwijdte ervan, aan te sluiten op de principes van een integraal waterbeheer.

3.2.6 Nationaal Waterplan 2016-2021

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Betekenis voor het bestemmingsplan: In het kader van de 'watertoets' (zie paragraaf 4.1) moet het bestemmingsplan rekening houden met het waterbeleid. Het bestemmingsplan dient, met inachtname van de reikwijdte ervan, aan te sluiten op de principes van een duurzaam waterbeheer.

3.3 Provinciaal en regionaal beleid

3.3.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening

In de Structuurvisie ruimtelijke ordening (2010) geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De provincie Noord-Brabant is een dynamische provincie. Deze dynamiek gaat gepaard met forse verandering in de Brabantse ruimte, zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied. De zorg voor een groene schone leefomgeving is belangrijk voor een aantrekkelijk leef- en vestigingsklimaat. Dynamiek en karakteristiek moeten goed op elkaar worden afgestemd: de belangrijkste opgave voor Noord-Brabant is om stad en land, het mozaïek van Brabant, op een duurzame wijze te ontwikkelen. Stad en land hebben elkaar nodig en versterken elkaar. Het landelijk gebied van de provincie en dus ook dat van Valkenswaard, is onderhevig aan twee ontwikkelingen. De eerste betreft de ontwikkeling van een gebiedseconomie met een verder gaande menging van functies en verbreding van agrarische activiteiten met streekproducten, zorgverblijven, recreatief verblijf en landschapsbeheer. Een tweede ontwikkelingsrichting is een toenemende specialisatie met schaalvergroting van de landbouw, onder andere bij intensieve veehouderij. Voor de toekomst van deze vorm van landbouw is het zaak verdere verduurzaming van de sector door te voeren en waar mogelijk te versnellen. Het combineren van de ontwikkelingen wordt lastiger. Door de inwerkingtreding van wetgeving op het gebied van huisvesting van dieren en ammoniak is de verwachting dat een aanzienlijk deel van de bestaande veehouderijen de bedrijfsvoering zal beëindigen. Bij de resterende bedrijven treedt schaalvergroting op. De opgave is om de ontwikkelingen in het landelijke gebied zodanig vorm te geven dat er sprake is van een duurzaam en vitaal platteland.

Op de visiekaart van de Structuurvisie is het buitengebied van Valkenswaard aangewezen als een 'Robuust water- en natuursysteem'. Voor deze gebieden geldt dat door middel van een samenhangende aanpak in water en natuur de landschappelijke en recreatieve kwaliteit in Noord-Brabant wordt versterkt. Dit draagt bij aan een gezonde schone leefomgeving en een aantrekkelijk vestigings- en leefklimaat van Noord- Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0008.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0009.jpg"

Uitsnede visiekaart (bron: Provincie Noord-Brabant)

De structuren uit de structurenkaart geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten, of welke randvoorwaarden de provincie aan de functies stelt. Het plangebied is aangeduid als 'Robuust water- en natuursysteem'.

De visiekaart is vertaald naar een Structurenkaart

Het plangebied is op de structurenkaart grotendeels aangewezen als". 'Kerngebied groenblauw', 'Groenblauwe mantel' en deels als 'Gemengd landelijk gebied'. Voor de groenblauwe structuur is het behouden en ontwikkeling van de natuurwaarden in én buiten natuurgebieden van belang. De structuur is van belang voor een goede, aantrekkelijke en gezonde woon- en werkomgeving. De groenblauwe structuur bestaat uit kern- en mantelgebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0010.png"

Uitsnede Structurenkaart (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Alle vanuit het Rijk en de EU te beschermen gebieden zijn opgenomen in de kern van de groenblauwe structuur. Voor de ontwikkeling van functies binnen de kerngebieden gelden de spelregels voor het Natuurnetwerk Brabant (NNB; het 'nee-tenzij'-regime). Hierbinnen is extensieve recreatie goed mogelijk. De mantelgebieden bestaan overwegend uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water, en dragen bij aan de bescherming van het kerngebied. De agrarische sector is een grote en belangrijke grondgebruiker binnen het mantelgebied. Het is van belang deze positie te behouden en het grondgebonden agrarisch gebruik te bevorderen. Daarbij zijn ook diverse recreatieve en toeristische bedrijven aanwezig. Nieuwe ontwikkelingen zijn mogelijk als deze de bestaande natuur-, bodem- en waterfuncties respecteren of bijdragen aan een kwaliteitsverbetering van deze functies of het (cultuurhistorisch waardevolle) landschap. Een (verdere) ontwikkeling van kapitaalintensieve functies, zoals stedelijke ontwikkelingen, intensieve recreatie en concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties zijn binnen de mantelgebieden niet wenselijk. De ontwikkelingsmogelijkheden voor deze functies zijn dan ook beperkt. Een verdere intensivering van de agrarische bedrijvigheid is niet gewenst. Recreatieve ontwikkelingen zijn mogelijk, zeker als daarmee een bijdrage wordt geleverd aan de versterking van natuur, water en landschap. Het landelijk gebied ligt buiten de groenblauwe structuur en de stedelijke structuur. Binnen het landelijk gebied wordt onderscheid gemaakt tussen gemengd- en accentgebied. Voor het buitengebied van Valkenswaard is alleen het gemengd gebied van toepassing. Dit gebied biedt multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Binnen deze gebieden is ruimte voor agrarische ontwikkeling. In het bijzonder voor glastuinbouw, intensieve veehouderij, rundveehouderij, akkerbouw, vollegrondstuinbouw en boomteelt. Het bieden van ontwikkelingsruimte is van belang voor de economische positie van de provincie.

Betekenis voor het bestemmingsplan: De Structuurvisie is richtinggevend aan en uitgewerkt in de Verordening ruimte Noord-Brabant en is daardoor slechts indirect inhoudelijk van belang voor dit plan.

3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant (Vr N-B)

De Vr N-B is één van de uitvoeringsinstrumenten voor de provincie om haar doelen te bereiken. In de verordening heeft de provincie de kaderstellende elementen uit de Structuurvisie en ander provinciaal beleid vertaald in regels die van toepassing zijn op (de inhoud van) bestemmingsplannen. De verordening is een juridisch bindend instrument. Niet alle onderwerpen lenen zich voor opname in de verordening, daarom heeft de provincie op basis van de provinciale belangen een selectie gemaakt van geschikte onderwerpen. In het algemeen zijn dit onderwerpen met heldere criteria, weinig gemeentelijke beleidsvrijheid en een zwaarwegend provinciaal belang. De onderwerpen in de Vr N-B zijn:

  • ruimtelijke kwaliteit;
  • stedelijke ontwikkelingen;
  • natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
  • agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
  • overige ontwikkelingen in het landelijk gebied.

Al deze onderwerpen m.u.v. 'agrarische ontwikkelingen' zijn van belang voor het plangebied. Voor de uitwerking van de onderwerpen tot beleidsregels wordt verwezen naar de Verordening ruimte Noord-Brabant zelf.

Door de provincie Noord-Brabant zijn in de Vr N-B diverse nieuwe structuren vastgelegd. De provincie geeft per structuur aan of en wat voor beschermingsregime van toepassing is middels een aanduiding.

Betekenis voor het bestemmingsplan: De volgende regel is voor dit plan van belang:

7.17 Lawaaisporten

  • 1. Een bestemmingsplan dat is gelegen in gemengd landelijk gebied bepaalt dat de vestiging of uitbreiding van lawaaisporten niet zijn toegestaan.
  • 2. In afwijking van het eerste lid is een beperkte uitbreiding van bestaande lawaaisporten toegestaan mits de beoogde uitbreiding in redelijke verhouding staat tot de op grond van artikel 3.1 vereiste zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit. Zie paragraaf 3.3.3.
3.3.2.1 Afweging/beoordeling

De eerste vraag bij de toepassing van dit artikel is wat de Vr N-B verstaat onder "een beperkte uitbreiding" en wat daarbij het vertrekpunt is; is dat de activiteit zelf of de daarbij behorende fysieke/planologische oppervlakte (plangebied).

Activiteit

In paragraaf 1.1.4.2 is onderbouwd dat er geen sprake is van uitbreiding van de activiteit lawaaisport op zich.

Oppervlakte plangebied

De volgende vraag is dan of er sprake is van een uitbreiding van het plangebied voor de lawaaisport. In de paragrafen 1.1.4.2 en 2.2.3 is verantwoord dat er sprake is van een juridisch toegestane situatie (overgangsrecht) ten aanzien van de motorcrossbaan. Dit is het enige gedeelte dat planologisch in de zin van een positieve bestemming een uitbreiding van een lawaaisport betreft. Daar staat tegenover dat een ongeveer even groot gedeelte van de lawaaisportbestemming wordt wegbestemd. In planologisch-fysieke zin is er sprake ven een verschuiving; in planologisch-juridische zin is er sprake van een verkleining.

De conclusie is dan ook dat er geen sprake is van uitbreiding van de lawaaisport en dus ook niet van strijd met de Vr N-B.

3.3.2.2 Voor het plangebied van toepassing zijnde structuren en aanduidingen

Gemengd landelijk gebied

De provincie beschouwd het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is: het gemengd landelijk gebied. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht met elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is.

Binnen het Gemengd landelijk gebied is multifunctioneel gebruik uitgangspunt. Uitzondering hierop zijn de primair agrarische gebieden, zoals door de gemeenten vastgelegd.

Binnen het gemengd landelijk gebied is de ontwikkeling van woon-, recreatie- en werkfuncties mogelijk. Ontwikkelingen passen qua aard, schaal en functie in de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. Hierbij dient aandacht te zijn voor sanering van overtollige bedrijfsbebouwing. Ook moet er rekening worden gehouden met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende functies, zoals volwaardige agrarische bedrijven, recreatiebedrijven en woonfuncties.

Ontwikkelingen zoals wonen, werken, (historische) landgoederen, recreatie en toerisme passen qua aard, schaal en functie bij de omgeving en houden rekening met de omgevingskwaliteiten. De ontwikkeling van functies is in beginsel alleen mogelijk op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties, waarbij rekening wordt gehouden met (ontwikkelingsmogelijkheden van) omliggende functies.

Groenblauwe mantel

De groenblauwe mantel wordt gevormd door de beheergebieden NNB en de overige randzones van die NNB.

De groenblauwe mantel wordt in het plan beschermd via de bestemming 'Agrarisch met waarden' of 'Natuur'.

Natuurnetwerk Brabant

Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter-)nationaal belang. Voorbeelden van dergelijke gebieden in Brabant zijn: de bossen, de heide en vennen, de stuifduinen, de schraalgraslanden en wateren zoals rivieren en beken. Het doel van het NNB-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Deze leefgebieden zijn belangrijk voor dier- en plantensoorten.

Om de populaties gezond te houden en de genetische uitwisseling te bevorderen, moeten de gebieden groot genoeg zijn en de mogelijkheid bieden voor migratie tussen de gebieden. Om het NNB als zo'n netwerk te laten functioneren, werkt de provincie samen met andere partijen aan het aanleggen van ecologische verbindingszones en het oplossen van faunaknelpunten in de wegenstructuur. Als de omstandigheden in een bepaald gebied (tijdelijk) verslechteren, dan kan een soort uitwijken naar een ander geschikt gebied. In het licht van de klimaatveranderingen is dit van toenemend belang. De ecologische verbindingszones zijn (vaak) langgerekte landschapselementen die als groene schakels de Brabantse natuurgebieden met elkaar verbinden.

Het Natuurnetwerk Brabant hangt samen met het Natuunnetwerk in de andere delen van Nederland en met het Europese net van natuurgebieden, bekend onder de naam Natura 2000.

Het NNB bestaat uit:

  • bestaande natuur- en bosgebieden;
  • gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn gronden die met subsidie uit het Natuurbeheerplan zijn gerealiseerd als nieuwe natuur en waar de landbouwfunctie of een andere niet-natuurbestemming is verdwenen;
  • nog niet gerealiseerde nieuwe natuur. Dit zijn meestal agrarische gronden die in het Natuurbeheerplan zijn aangewezen als nieuwe natuur, maar waar de gewenste natuurfunctie nog niet is gerealiseerd. De oude functie of bestemming is nog aanwezig;
  • ecologische verbindingszones.

Het provinciale beleid is erop gericht om het netwerk in 2027 gereed te hebben. Dit wordt in het algemeen bereikt door:

  • het concreet aanwijzen van de gebieden die tot het NNB behoren en het vastleggen van de natuurdoelen ( bepalen );
  • voor zover nodig functiewijziging van landbouwgrond en ander niet-natuurgebruik naar natuurgebied door aankoop of particulier natuurbeheer ( deelname );
  • inrichten van deze gebieden zodat de natuurkwaliteit (omschreven in natuurdoelen) ontwikkeld kan worden ( inrichting );
  • realiseren van de natuurkwaliteit door een duurzaam beheer en eventueel aanvullend omgevingsbeleid ( uitvoering ).

Het NNB wordt in het bestemmingsplan beschermd door de bestemming 'Natuur'.

Attentiegebied Natuurnetwerk Brabant

In deze gebieden geldt een beperkt beschermingsregime. Hoe omgegaan dient te worden met dit beperkt beschermingsregime dient nader uitgewerkt te worden in het bestemmingsplan. Op perceelsniveau dient ingegaan te worden op inrichting, beheer en bescherming van de ecologische verbindingszone.

In het geldende bestemmingsplan is al een aanduiding voor de ecologische verbindingszone opgenomen, deze wordt overgenomen in deze integrale herziening.

3.3.2.3 Uitgangpunten voor het bestemmingsplan

Alle rechtstreeks doorwerkende regels in de Vr N-B zijn doorvertaald naar het bestemmingsplan. Tevens zijn alle begripsbepalingen aangepast aan de begripsbepalingen in de Vr N-B. De systematiek van het bestemmingsplan buitengebied blijft echter overeind. Het onderhavige bestemmingsplan is daarmee in overeenstemming met de regels van de Vr N-B.

In onderstaande tabel is opgenomen welke aanduidingen / bestemmingen in het geldende bestemmingsplan zijn gewijzigd in de nieuwe aanduidingen / bestemmingen in dit bestemmingsplan op basis van de Vr N-B.

Bestemmingsplan Buitengebied 1977   Structuur/aanduiding in Vr N-B   Bestemmingsplan Eurocircuit  
n.v.t.   Beperkingen veehouderij   n.v.t.  
Crossterrein
Voorlopig zandwinning / Definitief crossterrein
Voorlopig vuilstort / Definitief Bos  
Gemengd landelijk gebied   Sport
Groen - Landschapselement  
n.v.t.   Groenblauwe mantel   Sport
Agrarisch met waarden
Natuur (poel)  
Crossterrein (klein deel)
n.v.t.  
Attentiegebied
Natuurnetwerk Brabant  
Waarde - Hydrologie  
n.v.t.   Natuurnetwerk Brabant   Natuur
Sport (bosje op wielerbaan)  

Betekenis voor het bestemmingsplan: De Verordening ruimte Noord-Brabant stelt harde voorwaarden aan de inhoud van gemeentelijk bestemmingsplannen. Deze zullen verwerkt worden in dit bestemmingsplan.

3.3.3 Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap, Rood-met-groen regeling Noord-Brabant

Vanuit de Structuurvisie ruimtelijke ordening is de vraag om een ontwikkelingsgericht beleid voor het buitengebied ontstaan, met aandacht voor de landschapskwaliteit in Noord-Brabant. Deze kwaliteitsverbetering is zowel in de provinciale structuurvisie als de provinciale verordening vastgelegd. De 'Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap, Rood-met-groen regeling' van de provincie Noord-Brabant biedt informatie om invulling te geven aan de 'kwaliteitsverbetering van het landschap'. Het is een hulpmiddel om invulling te geven aan de Vr N-B, en geen verplicht beleidskader.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een kwaliteitsverbetering van het landschap. Het achterliggende idee hierbij is dat ontwikkelingen actief bijdragen aan versterking van het landschap. Dit gaat dus verder dan het mitigeren van de effecten van een ontwikkeling op de omgeving of het beperken van verlies aan omgevingskwaliteit. Dit uitgangspunt geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied én buiten de ecologische hoofdstructuur.

Van belang is het begrip "ruimtelijke ontwikkelingen". In de Vr N-B is dat als volgt geredigeerd:

"bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologisch regime nodig is"

3.3.3.1 Nieuwe ontwikkelingen

Het plan omvat planologisch nieuwe ontwikkelingen die zouden kunnen leiden tot een kwalitatieve bijdrage. Die wordt zekergesteld door een randvoorwaardelijke bepaling in het bestemmingsplan. Voor de aanpassing van het bestemmingsplan is een Taxatie meerwaarde kwalitatieve bijdrage gemaakt om de meerwaarde vast te stellen.

Deze taxatie is gebaseerd op puur de bestemmingen zonder rekening te houden met de juridische gebruiksrechten die legalisatie zonder meer zouden rechtvaardigen. Bij de taxatie uit het voorontwerp is nog uitgegaan van een grotere bebouwingsoppervlakte dan uiteindelijk in het bestemmingsplan is opgenomen, dit is gecorrigeerd. Bij die taxatie is ook voorbijgegaan aan het gegeven dat het Uitbreidingsplan in hoofdzaken 1962 per 1 juli 2013 bij wet (Invoeringswet Wro)is komen te vervallen en er nu geen bestemmingen meer gelden en dus ook geen gebruiks- en/of bouwbeperkingen. In Bijlage 1 is in de taxatie van beide situaties uitgegaan. Daaruit blijkt dat als het Uitbreidingsplan in hoofdzaken 1962 nog rechtskracht zou hebben er een waardevermeerdering ontstaan van €340.000,- en er nu een waardevermindering ontstaat van €2.440.000,-. Een kwalitatieve bijdrage is hier niet meer aan de orde.

3.3.4 Waterbeheerplan 2016-2021

Het (ontwerp) waterbeheerplan 'Waardevol Water' is een strategisch document. Daarin geeft het waterschap aan wat hun doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe zij die willen bereiken. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal beleid.

Meer dan voorheen willen ze inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. Om daarvoor voldoende ruimte te laten, geven zij in dit Waterbeheerplan alleen aan wat ze willen bereiken, zonder exact aan te geven hoe ze dat doen. In projecten werken zij de doelen van dit waterbeheerplan uit in concrete maatregelen.

3.3.4.1 Bestaande koers vasthouden

Voor de periode 2016-2021 heeft het waterschap concrete opdrachten te voldoen vanuit de Kader Richtlijn Water, Natura 2000, Bestuursakkoord Water en het Deltaprogramma. Deze opgaven zijn gekoppeld aan strikte deadlines. Feitelijk veranderen die bestaande wateropgaven niet en vandaar ook dat ze blijven doen wat ze de afgelopen jaren zo succesvol hebben uitgevoerd. De huidige koers wordt vastgehouden.

3.3.4.2 Thema's

In het waterbeheerplan komen de volgende thema's aan de orde:

  • 1. Droge voeten
  • 2. Voldoende water
  • 3. Natuurlijk water
  • 4. Schoon water
  • 5. Schone waterbodem
  • 6. Mooi water

Onderstaand worden per thema de hoofdlijnen van het beleid geschetst.

3.3.4.2.1 Droge voeten

Voor het thema Droge voeten worden gestuurde waterbergingsgebieden aangelegd, zodat de kans op regionale wateroverlast in 2015 in bebouwd gebied en een deel van de kwetsbare natuurgebieden acceptabel is. In beekdalen die in zeer natte perioden van oudsher overstromen, wordt geen overstromingsnorm toegepast.

3.3.4.2.2 Voldoende water

Voor Voldoende water worden uiterlijk in 2015 plannen voor het gewenste grond- en oppervlakteregime (GGOR) in zowel landbouw- als natuurgebieden vastgesteld. Tevens worden maatregelen genomen in de belangrijkste verdroogde natuurgebieden (Topgebieden).

3.3.4.2.3 Natuurlijk water

Voor het thema Natuurlijk water worden de inrichting en het beheer van de watergangen gericht op het halen van de ecologische doelen uit de Europese Kaderrichtlijn Water en de functies 'waternatuur' en 'verweven' uit het Provinciaal Waterplan. Om deze doelen te halen wordt verder gegaan met beekherstel, de aanleg van ecologische verbindingszones en het opheffen van barrières voor vismigratie. Deze maatregelen voeren het waterschap zoveel mogelijk uit per gebied, in één samenhangend maatregelenpakket met herstel van Topgebieden en verbetering van de water(bodem)kwaliteit.

3.3.4.2.4 Schoon water

Voor Schoon water zet het waterschap het proces van samenwerking met gemeenten in de waterketen door. Er worden gezamenlijke optimalisatiestudies uitgevoerd en afspraken worden vastgelegd in afvalwaterakkoorden. Verder wordt een deel van de rioolwaterzuiveringen vergaand verbeterd om te voldoen aan de Kaderrichtlijn Water. Er worden bron- en effectgerichte maatregelen genomen om kwetsbare gebieden te beschermen.

3.3.4.2.5 Schone waterbodems

Bij het thema Schone waterbodems worden vervuilde waterbodems aangepakt in samenhang met beekherstel. Afhankelijk van de soort verontreiniging wordt gesaneerd, beheerd of geaccepteerd.

3.3.4.2.6 Mooi water

Voor Mooi water wordt bij inrichtingsprojecten ingezet op vergroting van de waarde van water voor de mens. Dit wordt gedaan door ruimte te bieden aan recreatiemogelijkheden, landschap en cultuurhistorie.

3.3.4.3 Prioriteiten

Het waterschap kiest ervoor om twee onderwerpen met hoge prioriteit aan te pakken:

  • Het voorkómen van wateroverlast
  • Het herstellen van het watersysteem van Natura 2000-gebieden.

De inspanningen worden gericht op het realiseren van de waterbergingsgebieden voor 2015, waarbij de gebieden ten behoeve van het bebouwd gebied de allerhoogste prioriteit hebben. Het herstel en de bescherming van de leefgebieden voor zeldzame planten- en diersoorten in Natura 2000-gebieden zijn urgent. Daarom geeft het waterschap voorrang aan maatregelen in het watersysteem die hieraan bijdragen.

Betekenis voor het bestemmingsplan: De beleidslijn van het waterschap wordt voor de planologisch relevante aangelegenheden overgenomen door de Vr N-B. Dit betreft de aspecten waterberging en ruimte voor beekherstel. Deze worden met de bijbehorenden dubbelbestemming geregeld.

3.3.5 Keur Waterschap De Dommel 2015

Het Waterschap De Dommel zorgt ervoor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren, zijn wettelijke regels nodig, ook op en langs het water. Deze regels staan in de keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. De regels zijn vastgelegd in de 'Keur Waterschap De Dommel 2015'. Deze regels zijn onderverdeeld in de 'Algemene regels Keur' en 'Beleidsregels Keur'.

De Keur bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater. De verboden in de Keur zijn onder andere:

  • 1. het graven, dempen en verleggen van waterlopen;
  • 2. het leggen, verplaatsen of weghalen van duikers, stuwen, bruggen en dergelijke;
  • 3. op stroken van 5 meter breed naast de hoofdwaterlopen (zgn. A-wateren) obstakels, bouwwerken en beplantingen neerzetten, omdat dit het onderhoud belemmert;
  • 4. op stroken van 25 meter breed langs beken met een natuurfunctie bouwwerken plaatsen die beekherstel bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken;
  • 5. op kaden ploegen, spitten, graven, motorrijden etc., waardoor de kade minder stevig wordt;
  • 6. het onttrekken van grondwater;
  • 7. het draineren in en rondom natte natuurparels;
  • 8. de afvoer neerslag door toename van verhard oppervlak.

Afwijken van de verboden is mogelijk na het verkrijgen van een watervergunning van het waterschap.

Het waterschap wil voorkomen dat de verdroging in het gebied verder toeneemt. De grondwaterstand mag niet verder zakken. Om hieraan te kunnen bijdragen, is in de Keur geregeld dat in verdrogingsgevoelige gebieden een vergunning moet worden aangevraagd voor bijvoorbeeld het draineren of het onttrekken van grondwater. Op kaarten die bij de Keur horen, zijn de verdrogingsgevoelige gebieden ingetekend. Zodra iemand een vergunning aanvraagt, wordt deze aanvraag getoetst door het waterschap. Er wordt vooral gekeken naar het effect op de verdroging. In natuurgebieden en kwetsbare beekdalen mag bijvoorbeeld geen nieuwe drainage of onderbemaling aangelegd worden, tenzij er sprake is van vervanging van bestaande drainage of compenserende maatregelen.

3.3.5.1 Artikel 15 Algemene regels Keur 2015

Dit artikel ziet met name op het effect van de toename van afvoer van neerslag door een toename of afkoppelen van verhard oppervlak. Uitgangspunt is de trits Vasthouden-bergen-afvoeren.

Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water echter onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie kan er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken. Dit kan zijn het aangrenzend oppervlaktewater of een laagte op het eigen perceel. De noodoverloopconstructie moet hierbij voldoen aan de algemene regels voor lozingsconstructies.

De benodigde compensatie heeft als boven- en ondergrens respectievelijk de noodoverloopconstructie en de lokale grondwaterstand. De grondwaterstand is bepaald op de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG), zodat infiltratie in de bodem mogelijk is en de capaciteit niet wordt beperkt door grondwater.

3.3.5.2 Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen op een evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging.

Meestal neemt de gemeente het initiatief om namens een particulier of ondernemer, voor de watertoets contact te zoeken met het waterschap. Het waterschap denkt dan al in een vroeg stadium mee over het ruimtelijke plan en beoordeelt of het plan genoeg rekening houdt met water. Vervolgens geven wij een 'wateradvies' waar de bedenker van het plan rekening mee moet houden. Soms moet het plan worden aangepast.

Elk ruimtelijk plan moet een waterparagraaf bevatten waarin is beschreven hoe de watertoets procedureel en inhoudelijk is vormgegeven.

De initiatiefnemer of verantwoordelijke van het ruimtelijke plan (meestal de gemeente of een adviesbureau) moet in een vroeg stadium het waterschap betrekken in de watertoets. Zie paragraaf 5.1 Bodem en water.

Betekenis voor het bestemmingsplan: Het Waterbeheerplan en de Keur hebben grote invloed op het bestemmingsplan, omdat de daaruit voortvloeiende zoneringen zijn opgenomen in de Vr N-B en die moeten verplicht worden opgenomen in het bestemmingsplan. De verplichting houdt stand tot en met de Raad van State zoals blijkt uit de procedure ten aanzien van het geldende bestemmingsplan waarvoor nu een reparatie moet worden doorgevoerd.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Valkenswaard 2012

In het kader van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in artikel 2.1 van de Wro opgenomen dat het voor iedere gemeente verplicht is een vastgestelde structuurvisie te hebben. De structuurvisie kent twee doelen, namelijk enerzijds een ruimtelijk toetsingskader en visie op hoofdlijnen voor de lange termijn (deel A). Anderzijds bevat de structuurvisie een ruimtelijk-functioneel programma en uitvoeringsplan voor de korte (en middellange) termijn (deel B). De gemeente heeft de visie (deel A) opgesteld. Hiermee geeft ze richting aan de toekomst van Valkenswaard naar 2030. De wijze hoe daar ruimtelijk invulling aan is gegeven, staat beschreven in de verschillende thema's zoals die volgen uit de toekomstvisie, namelijk bestuur, wonen, werken, vrije tijd en welzijn. Er is antwoord gegeven op de volgende drie vragen:

  • 1. wat is de huidige situatie?
  • 2. wat is onze ambitie?
  • 3. wat gaan we daarvoor doen?

Deze thema's kunnen echter niet los van elkaar worden gezien. Immers, de ruimte is schaars en het is van belang rekening te houden met de verschillen tussen de verschillende gebieden. Daarom is ook voor de specifieke gebieden (te weten: het stedelijk gebied, de uitbreidingen en het buitengebied) aangegeven wat de ambities zijn. Dit doet de gemeente door een onderscheid te maken in de wenselijkheid van een ontwikkeling, namelijk:

  • 1. basisbeleid: dit zijn ontwikkelingen die mogelijk moeten zijn;
  • 2. ambitie: dit zijn ontwikkelingen die de gemeente wil realiseren;
  • 3. kansen benutten: dit zijn ontwikkelingen die zouden moeten kunnen;
  • 4. voorkomen: dit zijn ontwikkelingen die de gemeente wil voorkomen.

De mogelijkheden voor ontwikkeling in het buitengebied zijn afhankelijk van het gebied waarin de ontwikkeling gewenst is. In natuur- en bosgebieden zijn er in de regel minder ontwikkelingen mogelijk dan in de agrarische gebieden.

3.4.1.1 Buitengebied

Omdat de gemeente Valkenswaard zich met name wil richten op de toeristische recreatieve aspecten, zijn de mogelijkheden hiervoor nogmaals expliciet op de kaart aangegeven. Ook de waterbergingslocaties zijn globaal op de kaart aangegeven. Hetzelfde geldt voor de groene elementen, te weten de ecologische verbindingszones, de koppeling met natuur en het structureel groen. Tevens is expliciet aangegeven wat de bebouwingsconcentraties zijn, waar mogelijkheden liggen voor ruimte voor ruimtewoningen.

3.4.1.2 Natuur- en bosgebieden

De hoofdstructuur van het buitengebied wordt bepaald door een aantal sterke dragers (in de omgeving). Dit zijn de drie beekdalen, de natuurgebieden de Malpie, de Plateaux, het Leenderbos, Groote Heide, Ph. De Jong wandelpark en de bosrijke stedelijke uitloopgebieden aan de noordrand. Voor de bossen ligt de nadruk op het versterken van de bossen en de verhoging van de ecologische waarden, bijvoorbeeld door omvorming van de vaak schrale naaldbossen tot een gemengd, structuur rijk bos van eiken, beuken en berken. Om de natuurontwikkeling verder uit te werken is een landschapsontwikkelingsplan opgesteld.

3.4.2 Landschapsontwikkelingsplan Valkenswaard 2011-2020

Om de visie op het landschap uit te dragen, om sturing te geven aan veranderingen in het buitengebied en om concrete projecten tot uitvoering te brengen, heeft de gemeente Valkenswaard een Landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld. Het is een op zichzelf staand plan, maar heeft duidelijke koppelingen met de structuurvisie en met het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied. Het doel van het LOP is om bestaande landschappelijke waarden te behouden en te versterken. Daarbij wordt rekening gehouden met bestaand beleid en ontwikkelingen.

Betekenis voor het bestemmingsplan: In het LOP vindt een analyse plaats van sterktes en zwaktes, kansen en bedreigingen. Dit is vertaald in een visie, waarin per deelgebied 'maatregelen fysiek' en 'maatregelen beleid' worden genoemd. De 'maatregelen beleid' zijn echter vooral aandachtspunten en zijn nog niet in die mate uitgewerkt dat dit al in het bestemmingsplan kan worden vertaald, of vergt nog nadere studie. Wel zal het bestemmingsplan mogelijkheden moeten bieden voor de 'maatregelen fysiek', oftewel natuur- en landschapsontwikkeling. In paragraaf 7.2.2 Natuur en landschap wordt dit nader toegelicht.

3.4.3 Nota Ruimtelijke kwaliteit

Deze nota is bedoeld om mensen enthousiast te maken voor de kwaliteit van hun omgeving bij het maken van hun plannen. Voor elke buurt in Valkenswaard is in deze nota beschreven wat de kenmerken van de omgeving zijn en welke inspiratie voor ontwerp en inrichting daaruit te halen valt. Per themagebied zijn naast de inspiratie ook duidelijke criteria opgesteld waarop nieuwe (bouw)plannen in ieder geval beoordeeld worden door de welstandscommissie.

3.4.3.1 Themagebieden

De verschillende te onderscheiden deelgebieden in Valkenswaard zijn onderverdeeld in themagebieden. Deze themagebieden verschillen in hun ruimtelijke verschijningsvorm door de ontstaansgeschiedenis, planningsmethode, bouwperiode of functie.

Binnen de themagebieden vallen verschillende buurten, per buurt is een daarop toegesneden inspiratiekader toegevoegd, waar aspecten worden uitgelicht die bijvoorbeeld ook te maken hebben met het perceel en de openbare ruimte. Per thema is tenslotte een overkoepelend toetsingskader opgesteld voor de uiteindelijke welstandstoets door de welstandscommissie.

De reguliere woongebieden worden onder één thema gebracht, en hebben daarom één toetsingskader, maar zijn onderverdeeld in samenhangende buurten met een eigen inspiratiekader.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0011.jpg"

Kaart Themagebieden

Het buitengebied valt grotendeels in de themagebieden natuurlandschap en agrarisch landschap.

3.4.3.2 Welstandsniveaus

Met de vastlegging van welstandsniveaus wordt aangegeven in welke gebieden in de gemeente meer regulering is gewenst en welke gebieden met een minder strenge toetsing afkunnen. In de gebieden waar de historische kwaliteiten hierom vragen is een bijzonder welstandsniveau van toepassing. Dit is een strenge toets, maar vooral gedetailleerde toets door de welstandscommissie. Bij een industrieterrein kan de toetsing oppervlakkiger, op hoofdpunten. In een historische omgeving kan de detaillering van bijvoorbeeld een boeibord belangrijk zijn. Voor kwetsbare gebieden waar vooral de ruimte, openheid en/of natuur belangrijke kwaliteiten zijn is een zorgvuldige toetsing nodig. In de overige gebieden is een regulier toetsingsniveau van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0012.jpg"

Kaart welstandniveau's

De volgende niveaus zijn opgenomen:

  • Bijzonder
  • Zorgvuldig
  • Regulier

Bijzonder

Het buitengebied valt voor een klein deel onder het bijzondere toetsingsregiem. Dit betreft met name de oude nederzettingsgebieden van Borkel, Hoeve en Voorste en Achterste brug in het zuiden van de gemeente.

Deze gebieden zijn van cruciale betekenis voor het totaalbeeld van de kernen en de relatie met het aanliggende landschap. Hieronder vallen de gebieden die een hoge cultuurhistorische, architectonische of stedenbouwkundige waarde hebben.

Toetsing binnen het bijzondere niveau is vooral gericht op de historische context. Toetsing omvat daarom alle relevante aspecten zoals ligging, massa, kapvorm, architectonische uitwerking, materiaal- en kleurgebruik en detaillering. Uiteraard is ook de relatie met de openbare ruimte een belangrijk aspect. Hierbij wordt zorgvuldig en gedetailleerd getoetst, waarbij een goede inpassing in de omliggende context het uitgangspunt is en daarom een bijzondere inspanning vereist. Achterste Brug is daarom ook tot cultuurhistorisch waardevol gebied aangemerkt.

Zorgvuldig

Het buitengebied valt voor het overgrote deel onder het zorgvuldige toetsingsregiem.

In deze gebieden waar een zorgvuldige toetsing van kracht is wordt gevraagd om een zorgvuldige afstemming van nieuwe bouwkundige ingrepen om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en met name landschappelijke karakteristieken te behouden dan wel te versterken. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is gericht op behoud, herstel of verbetering van de waardevolle (landschappelijke) elementen en structuren, waardoor een extra inspanning dient te worden geleverd tot voordeel van de ruimtelijke kwaliteit.

Regulier

Het buitengebied valt voor een klein deel onder het reguliere toetsingsregiem. Dit betreft alleen het Eurocircuit.

Gebieden die een regulier toetsingsniveau hebben, zijn gebieden waar die beperkte afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur of ingrepen in de architectuur zonder al te veel problemen kunnen verdragen. Er zal onder meer worden beoordeeld op het behoud van de samenhang binnen de rijen en clusters. Toetsing betreft dan ook de basiskwaliteit van de gebouwen en vraagt een normale inspanning.

Betekenis voor het bestemmingsplan: De Nota Ruimtelijke kwaliteit is niet direct van invloed op het bestemmingsplan.

3.4.4 Erfgoedbeleid

De gemeenteraad van Valkenswaard heeft op 19 april 2012 de Erfgoedverordening gemeente Valkenswaard vastgesteld. De Erfgoedverordening is gebaseerd op het erfgoedplan, dat is opgesteld door de gezamenlijke Kempengemeenten en A2-gemeenten. Het erfgoedplan bevat een uitgebreide inventarisatie van de archeologische en cultuurhistorische (verwachtings)waarden binnen het grondgebied van de betrokken gemeenten en een aanzet voor een integraal cultuurhistorisch beleid. In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Valkenswaard 2013’, dat is vastgesteld in juli 2013, is het erfgoedplan verwerkt, dit betreft ook een set regels.

Betekenis voor het bestemmingsplan: De uitgangspunten worden opnieuw in het bestemmingsplan vastgelegd, maar met een andere set regels zie paragraaf 7.4.1 Archeologie.

3.4.5 Vrijetijdsbeleid

De Nota vrijetijdsbeleid 2015-2020 zet de koers uit voor de aankomende jaren. Het streven is om in Valkenswaard over een volledig vrijetijdsaanbod te beschikken. Hierbij dient er speciale aandacht te zijn voor de doelgroep jongeren en gezinnen met kinderen, gerichtheid op het hogere segment (in accommodaties, horeca en toevoeging wellness), met diversiteit, beeldbepalend aanbod, grootschalige voorzieningen en leisurehotspots. Deze ontwikkelingen moeten resulteren in een versterking van de economische betekenis van de sector, meer bedrijvigheid en meer werkgelegenheid. Om dit doel te bereiken is tevens een goede profilering en positionering van Valkenswaard van belang. Hiervoor hebben we meer inzicht nodig in de bezoeker. De potentiële recreant / toerist kijkt verder dan de bestemming Valkenswaard. Meedoen in regionale- en provinciale promotie is noodzakelijk om meer bezoekersgroepen naar Valkenswaard te trekken. Het voorzetten en versterken van het project Transnationaal Landschap De Groote Heide en het daadwerkelijk tot ontwikkeling brengen van de zogenaamde Zuidzone (Eurocircuit en Leisurezone) is van groot belang voor het versterken van het aanbod en daarmee toeristisch profiel. Daarnaast zal aansluiting gezocht moeten worden bij de thematiek van VisitBrabant, om ook de internationale bezoeker te verleiden.

Tot slot is om dit te bereiken een versterkte samenwerking tussen de toeristische sector (binnen en buiten de gemeentegrenzen) van belang.

3.4.6 Beleidskader Economische zaken 2017-2020
3.4.6.1 Algemeen

Het economisch beleid voor de periode 2017 tot en met 2020 geeft een visie op de lokale economie en gemeentelijke rol daarbij en stelt kaders. Voor de uitvoering van het beleid worden actieprogramma's opgesteld. Bij het opstellen van het Economisch Beleid 2017-2020 is nadrukkelijk ingezet op het gebruik maken van de inbreng van ondernemend Valkenswaard. In lijn met de Toekomstvisie zal overheids- en burgerparticipatie eveneens een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van het beleid.

3.4.6.2 Visie

Om deze doelstellingen te realiseren, wordt in lijn met de Toekomstvisie ingezet op het maken van keuzes. Enerzijds wordt geconstateerd dat voor sectoren zoals de detailhandel en industrie de fysieke grenzen van de groei in zicht zijn. Daarvoor geen focus op ruimtelijke groei, maar de aanwezige kwaliteit beter benutten. Dit betekent investeren in de kwaliteit van het centrum (Masterplan Centrum) en het optimaliseren van de Schaapsloop. Dit laatste kan door herontwikkelingen te faciliteren en de uitstraling van het bedrijventerrein een impuls te geven.

Anderzijds kiest Valkenswaard voor de vrijetijdseconomie als groeisector. Deze sector dient een volwaardige drager van de lokale economie te worden, ook in termen van werkgelegenheid. Om deze groei te realiseren wordt ingezet op de realisatie van een Leisurezone. Ook Natuurgrenspark De Groote Heide biedt kansen.

3.4.6.3 Doelstellingen

Het Economisch Beleid 2017-2020 heeft twee doelstellingen:

  • Een lage werkloosheid
  • Het verbeteren van het vestigingsklimaat voor bedrijven
3.4.6.4 Beleid

Het buitengebied van Valkenswaard is een gebied waar diverse functies samen komen. Denk daarbij aan wonen en natuur, maar ook functies met een economische betekenis zoals agrarisch en vrijetijdseconomie. Enerzijds een gebied waar door bijvoorbeeld de aanwezige natuurwaarden zorgvuldigheid geboden is bij het mogelijk maken van ontwikkelingen. Anderzijds één van de weinige delen van Valkenswaard waar nog substantiële economische groei mogelijk is. Ook in termen van werkgelegenheid en waar door de komst van de Westparallel N69 nieuwe kansen ontstaan. Ook de grensoverschrijdende ontwikkeling van Natuurgrenspark De Groote Heide biedt economische kansen voor het buitengebied van Valkenswaard.

Vrijetijdseconomie

De gemeente Valkenswaard heeft voor de toeristisch-recreatieve sector al een specifiek sectoraal beleid in de vorm van de Nota Vrijetijdsbeleid 2015-2020. In het verlengde daarvan is er nog een Horecavisie 2014-2017. Dit beleid is leidend voor de toeristisch-recreatieve sector.

Vrijetijdseconomie is conform de Toekomstvisie 2030 dé groeisector en dit is reeds concreet vertaald naar de grote ambitie om een Leisurezone te realiseren aan de zuidzijde van Valkenswaard. De Leisure zone dient ervoor te zorgen dat de vrijetijdseconomie daadwerkelijk een groeisector wordt, waarin banen worden gecreëerd voor inwoners uit Valkenswaard en omstreken.

De Leisure zone is primair voorzien aan de zuidzijde van de bebouwde kom van Valkenswaard. De meest intensieve ontwikkelingen zijn daarbij voorzien aan de westzijde. Een logische consequentie van de realisatie van een Leisure zone, is dat het in het verleden geopperde ''klassieke'' bedrijventerrein Lage Heide definitief van de baan is. Overigens betekent de inzet op een Leisure zone niet dat toeristisch-recreatieve ontwikkelingen alleen binnen de Leisure zone kunnen plaatsvinden. Valkenswaard juicht kansrijke initiatieven in andere delen van de gemeenten eveneens toe.

Natuurgrenspark De Groote Heide

Valkenswaard werkt grensoverschrijdend samen met partners in de gemeenten Cranendonck, Heeze-Leende, Eindhoven, Hamont-Achel en Neerpelt. Het streven is om van De Groote Heide een aantrekkelijk, duurzaam, authentiek en levendig vestigingsklimaat te maken in de Brainportregio. Een streek die toonaangevende woon-, werk-en recreatiemogelijkheden biedt in een uitnodigende groene omgeving.

Agrarische sector

De ontwikkelingsruimte voor de krimpende agrarische sector is beperkt. Wel wordt ruimte geboden voor ondernemerschap in vrijkomende agrarische bebouwing (VAB).

Paardeneconomie

De paardenactiviteiten nabij de Maastrichterweg dragen bij aan een positief imago voor Valkenswaard, maar er is ruimte voor private spin-offs, zoals onderwijsfaciliteiten of verblijfsaccommodaties.

Betekenis voor het bestemmingsplan: Dit beleid is sturend in het beoordelen van aanvragen voor nieuwe economische ontwikkelingen in het plangebied.

3.4.7 Milieubeleidsplan 2016-2019

Het ambitieuze milieubeleidsplan 2012-2013 en verlengde plan voor 2014-2015 kenden een veelheid aan thema’s en doelen. Daarom wordt in het nieuwe milieubeleidsplan 2016-2019 de focus gelegd op sturing van die milieu gerelateerde zaken, die voor inwoners echt belangrijk zijn. De afgelopen jaren zijn de inwoners van Valkenswaard nauw betrokken geweest bij het opstellen van de Toekomstvisie 2030. Daaruit is veel inzicht ontstaan in de dingen die de inwoners van Valkenswaard belangrijk vinden. Mede op basis van de input van onze inwoners is in dit milieubeleidsplan gekozen voor kwaliteit boven kwantiteit. Dus minder thema’s, minder doelen, meer focus en meer effect.

Centraal doel is ‘het bieden van een duurzaam woon-, werk- en leefmilieu voor de inwoners van de gemeente Valkenswaard.’

De gemeente Valkenswaard kiest voor een realistisch ambitieniveau. Qua ambitieniveau en prioritering van werkzaamheden sluit dit milieubeleidsplan aan op het in 2013 breed gehouden onderzoek in het kader van de ‘Toekomstvisie Valkenswaard 2030’. In dat onderzoek is gevraagd welke van in totaal 18 onderwerpen verbeterd zouden moeten worden in de gemeente Valkenswaard. Het onderwerp milieu bleek een gemiddelde prioriteit te hebben. Des te belangrijker is het om te concentreren op sturing van die milieu gerelateerde speerpunten, die voor inwoners echt belangrijk zijn gebleken:

  • verkeer en vervoer (lucht en geluid)
  • groen én de beleefbaarheid daarvan (natuur en landschap, bodem)
  • afval en de mogelijkheden voor hergebruik als grondstof (materialentransitie)
  • elektrisch vervoer, energiebesparing en duurzame opwekking (energietransitie)
  • scholing (natuur- en milieueducatie)
  • overlast en veiligheid - (bebouwde omgeving)
  • overheid als voorbeeld (bedrijfsinterne milieuzorg)

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0013.png"

Schema milieuthema's (bron: gemeente Valkenswaard)

Betekenis voor het bestemmingsplan: Het Milieubeleidsplan biedt handvatten om ontwikkelingen in het plangebied te beoordelen op de effecten op de omgeving van de ontwikkeling.

3.4.8 Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Valkenswaard 2013-2017

De gemeente Valkenswaard en het Waterschap De Dommel zijn overtuigd van de noodzaak om een goedfunctionerend rioolsysteem voor de inzameling en behandeling van afvalwater te beheren. Hierbij heeft degemeente de verantwoordelijkheid voor de werking van het afvoersysteem naar de rioolwaterzuivering en het waterschap voor het functioneren van deze zuivering. Deze taakstelling sluit prima aan bij de wettelijkeverplichting conform de Wet milieubeheer. Hierin is met ingang van 1994 de zorgplicht voor een doelmatige inzameling en transport van afvalwater geregeld. Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) is hiervoor een belangrijk hulpmiddel. Het opstellen van een dergelijk rioleringsplan is sinds 1 maart 1993 ook verplicht gesteld. De gemeente heeft vanaf 1 januari 2008 te maken met de volgende drie zorgplichten, waarvan de zorgplichten hemelwater en grondwater nieuw zijn:

  • Inzameling en transport van stedelijk afvalwater;
  • Inzameling en verwerking van overtollig hemelwater;
  • Inzameling en verwerking van overtollig grondwater.

Het vGRP heeft de status van een beleidsplan en betreft een lokale doorvertaling van het Rijks-, Waterschap- en provinciale beleid en wetgeving. Het vGRP kent geen directe planologische doorwerking, maar de beleidsuitgangspunten dienen wel door te werken in ruimtelijke afwegingen. Er is een nieuwe visie in ontwikkeling.

Betekenis voor het bestemmingsplan: Het bestemmingsplan bevat geen specifieke regels in relatie tot het inzamelen en verwerken van water. Gelet op het consoliderende karakter van het bestemmingsplan, is hier ook geen noodzaak toe.

Hoofdstuk 4 Bestaande situatie

Voor nader onderzoek naar de bestaande situatie is nagegaan welke ruimtelijke en functionele kwaliteit in het plangebied aanwezig is. Daarnaast is gekeken naar de aspecten die met de fysieke milieuwaarden samenhangen. Verder wordt in dit hoofdstuk de historische kwaliteit beschreven, waarbij archeologie, cultuurhistorie en eventueel aanwezige monumenten aan bod komen. De uitkomsten van verrichte onderzoeken zijn in dit hoofdstuk vermeld. Het opgenomen kaartmateriaal dient uitsluitend als illustratie. Voor informatie op perceelsniveau verwijzen wij naar www.ruimtelijkeplannen.nl.

4.1 Geologie en hydrologie

4.1.1 Algemeen

Het stijgen en dalen van de aardkorst, de werking van water en wind en de ontginning en het landgebruik door mensen, hebben het landschap van Valkenswaard gevormd. Het resultaat is een licht glooiend, naar het noorden aflopend gebied waar de Beekloop/Keersop, de Dommel en de Tongelreep smalle, ondiepe dalen in hebben uitgesneden. Tussen die beekdalen is het gebied overwegend vlak met op een aantal plaatsen opgewaaide (stuif)duinen (Plateaux, Malpie) en uitgewaaide laagtes waar moerassen en vennen in zijn ontstaan (Plateaux, Malpie, noordkant Valkenswaard). De hoogteverschillen zijn niet heel pregnant. Vooral de verschillen in grondgebruik tussen hoog en laag, droog en nat, vlaktes en ruggen zorgen ervoor dat de opbouw en eigenschappen van de ondergrond nog steeds goed herkenbaar zijn (bron: LOP, 2011).

Op onderstaande afbeelding staat een geohydrologische doorsnede van het plangebied weergegeven (vanaf de Belgische grens tot in de kern Valkenswaard).

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0014.jpg"

Geohydrologische doorsnede (bron: TNO, 2012)

Voor de afwatering van het grondgebied van de gemeente zorgen drie beken, te weten de Tongelreep, de Dommel en de Beekloop. Globaal kan worden gezegd dat het gebied ten oosten van de Maastrichterweg afwatert op de Tongelreep, het gebied tussen de Luiker- en Maastrichterweg op de Dommel en het gebied ten westen van de Luikerweg op de Beekloop. Meer noordelijk wordt de functie van de Beekloop overgenomen door de Keersop. De beken hebben in overeenstemming met de topografie van het gebied een min of meer zuid-noord gerichte stroomrichting. Vooral de beekdalen van Tongelreep en Dommel hebben te kampen met wateroverlast, ten dele in de vorm van inundaties. De Tongelreep ontvangt veel water uit België. Dat is niet alleen overtollig regenwater, maar ook water dat afkomstig is van bevloeiing, zodat ook tijdens de zomermaanden de afvoer groot is. Een groot deel van de gronden heeft te kampen met wateroverlast. Dit is vooral het geval in de beekdalen. Het gebruik van deze gronden blijft dan ook beperkt tot grasland. In de zomer daalt de grondwaterstand over een grote oppervlakte tot een zodanige diepte, dat gronden met een dun humeus dek last krijgen van verdroging. Een belangrijk deel van de gronden met zeer lage grondwaterstanden zijn beplant met bossen, omdat zij te droog zijn voor enig agrarisch gebruik.

4.2 Landschap

4.2.1 Algemeen

Kenmerkend voor het buitengebied van Valkenswaard is het afwisselende landschap. Het landschap bepaald voor een groot deel de identiteit van het buitengebied en maakt dat mensen zich hier 'thuis' voelen. Het bestemmingsplan kan een rol spelen bij het behoud van de landschappelijke waarden.

4.2.2 Onderzoek
4.2.2.1 Geschiedenis van het landschap

Het gebied is al eeuwenlang bewoond. Op verschillende plaatsen zijn vuurstenen werktuigen uit de prehistorie gevonden. Bij het Groot Malpieven, langs de Dommel, zijn bewoningssporen aangetroffen uit de IJzertijd. In de Middeleeuwen zijn op de flanken van de beekdalen een groot aantal kleine, soms wat grotere agrarische nederzettingen ontstaan waaronder Keersop, Deelshurk, Zeelberg, Borkel, Schaft en Hoeve. Uit die tijd stammen ook de Venbergse en Dommelse watermolens. Het toen gehanteerde landbouwsysteem, waarbij de lage, natte gronden langs de beken werden gebruikt als hooiland, de flanken naar de hogere gronden als bouwland en de bossen en heide op de hoogste gronden om vee te laten grazen, heeft tot lang zijn stempel op het landschap gedrukt. Hoewel het (agrarisch) grondgebruik zich inmiddels sterk heeft ontwikkeld, hebben de verschillende landschapstypen die nu in Valkenswaard zijn te onderscheiden, hun oorsprong in het Middeleeuwse grondgebruik (bron: LOP, 2011).

4.2.2.2 Landschapstypen

Een landschapstype is een karakteristieke combinatie van landschapskenmerken en –elementen die in een bepaalde samenhang voorkomen. Valkenswaard ligt op de zandgronden van de Kempen. Het landschap bestaat hier uit grote aaneengesloten boscomplexen en natuurgebieden op hogere gronden, met daartussen de lager gelegen beekdalen van de Dommel, Keersop en Tongelreep, die van zuid naar noord lopen. Op de overgangen van hoog naar laag concentreerden zich van oorsprong de landbouw en bewoning.
De huidige verschijningsvorm van het landschap hangt af van verschillende aspecten zoals bodem, water en gebruik. In de afgelopen eeuw is het onderscheid tussen de verschillende landschapstypen vervaagd door een veranderende agrarische bedrijfsvoering en de toename van de verstedelijkingsdruk. In de gemeente Valkenswaard zijn vier landschapstypen te onderscheiden (bron: LOP, 2011):

  • Het akkerdorpenlandschap: Oude zandontginningen met een glooiend reliëf op de dekzandruggen of de flanken daarvan. Ze groeiden uit tot grote, bolgelegen, open akkercomplexen. Aan de randen hiervan werden houtwallen opgeworpen als bescherming tegen stuivend zand en vraat door vee en wild. De wegen volgen veelal de natuurlijke vormen van de akkercomplexen en de aangrenzende beekdalen, en hebben daardoor een slingerend karakter. Over de akkers door liep een grofmazig patroon van zandpaden.
    Bewoning gebeurde in gehuchten rondom een centrale, vaak driehoekige, drink- en verzamelplaats voor het vee (brink of Frankische driehoek). Ze konden op de akker liggen zoals Schaft (kernakkerdorp) of langs de randen van de akkers zoals Borkel (kransakkerdorp). Vanaf de 20e eeuw zijn de akkercomplexen van Dommelen, Keersop en Valkenswaard vrijwel geheel bebouwd geraakt. De akkers bij Schaft en Borkel zijn nog wel aanwezig en ook goed herkenbaar.
  • Het beekdallandschap: De voedselrijke beekdalen rondom Valkenswaard werden gebruikt als hooilanden. In de volksmond werden ze aangeduid als beemden. Met uitzondering van de watermolens (Venbergse Molen, Dommelse Watermolen), waren de beekdalen van oorsprong onbebouwd. De verkaveling was fijnmazig met singels en houtwallen op de perceelgrenzen. Het gebied was daarmee uitermate kleinschalig en besloten, in tegenstelling tot de hoger gelegen akkers en de heidevelden. Vanaf de 20e eeuw zijn veel beekdalen ingrijpend aangepast door het kanaliseren van beken, het plaatsen van stuwen, ruilverkaveling en het in gebruik nemen van de grond voor akkerbouw. De kavelgrensbeplantingen verdwenen en daarmee de karakteristieke kleinschaligheid en beslotenheid.
  • Het jonge ontginningenlandschap: Voor het gehanteerde landbouwsysteem was de aanwezigheid van woeste gronden essentieel. Daarom is het landschap van de kempen eeuwenlang gedomineerd geweest door uitgestrekte heidevelden, bossen, stuifzanden en moerassige vennen. Hier werden slechts schapen geweid, heide geplagd en op beperkte schaal turf gestoken. Met de uitvinding van kunstmest waren deze woeste gronden vanaf de 20e eeuw niet meer nodig voor het landbouwsysteem en konden de voorheen onvruchtbare heidevelden worden ontgonnen voor de landbouw. Dat gebeurde ook in Valkenswaard op veel plaatsen (Brugsche Heide, Schaftsche Heide en Beeker Heide). Deze jonge ontginningen kenmerken zich nu door de rationele opbouw van een regelmatige blokverkaveling, rechte wegen en grote agrarische bedrijven.
  • Het bos- en heidelandschap: Niet alle woeste gronden werden tot landbouwgrond ontgonnen. Sommige delen waren daarvoor te arm en te gevoelig voor opstuiven door de wind (Malpiebergsche Heide, Opperheide). Om het zand vast te houden en toch opbrengst te genereren, is hier naaldbos geplant ten behoeve van de productie van mijnhout. De massa van het bos vormt een sterk contrast met de aangrenzende open akkers en (inmiddels) open beekdalen. Andere plekken zoals rond het Malpieven en de Plateaux zijn nooit in ontginning gebracht en vertegenwoordigen nu belangrijke natuurwaarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0015.jpg"

Landschapstypen in de gemeente Valkenswaard (bron: LOP, 2011)

4.2.2.3 Landschapselementen

In het kader van de landinrichting heeft een inventarisatie plaatsgevonden van waardevolle landschapselementen in het kavelruilproject Valkenswaard - Waalre (2010). Hieruit is gebleken dat sinds de 20e eeuw de bestaande beplantingen nog maar een fractie zijn van het vroegere dichte patroon aan houtwallen en bosjes. Het huidige grondgebruik valt niet meer te rijmen met de vroegere dichte groenstructuur. Dat wat over is, zijn vooral losse elementen en geen aaneengesloten structuren. Bovendien mist veel beplanting diversiteit, zijn er gaten in gevallen of resteren nog slechts enkele bomen. Het gebrek aan structuur uit zich vooral in een geringere waarde voor de natuur.In het gebied komen nog weinig steilranden voor. Veel hoogteverschillen zijn in de loop der jaren plat geschoven en door egaliseren en (ondiep) ontgronden zijn er nieuwe steilranden ontstaan. De waarde van de steilranden voor het landschap en de aardkunde is dan ook gering. Omdat de verstoring groot is (intensieve landbouw met dito bemesting, verkeer) is ook de waarde voor de natuur in veel gevallen gering.In het plangebied komen diverse zandpaden voor, met echter veelal een geringe landschappelijke waarde.

4.2.3 Conclusie

De beschermenswaardige landschapswaarden zullen een doorvertaling in de regels en op de verbeelding krijgen. In paragraaf 7.2.2 Natuur en landschap wordt hier nader op ingegaan.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Algemeen

Gemeenten moeten bij het maken van plannen in het kader van de Wro rekening houden met de archeologische waarden, dan wel de te verwachten archeologische waarden. Aangetoond moet worden dat een ingreep de archeologische waarden niet schaadt.

4.3.2 Onderzoek
4.3.2.1 Archeologie

De gemeenten Heeze-Leende, Cranendonck, Waalre en Valkenswaard (en Oirschot, Reusel-De Mierden, Bladel, Eersel en Bergeijk) hebben aan de SRE Milieudienst opdracht gegeven om een regionaal Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg en een gemeentelijke Erfgoedkaart op te stellen, waarin zowel de archeologische waarden en verwachtingen als de cultuurhistorische waarden zijn opgenomen. Dit beleid heeft de raad van de gemeente Valkenswaard in juli 2012 vastgesteld. In de gemeente Valkenswaard gelden de volgende archeologische (verwachtings)waarden:

  • Categorie 1 - Beschermde archeologische monumenten: Het gaat om archeologische resten die vanuit nationaal of gemeentelijk oogpunt behouden dienen te blijven en daarom als monument zijn beschermd ingevolge de Monumentenwet 1988 (voor Rijksmonumenten) of de gemeentelijke Archeologieverordening.
  • Categorie 2 - Gebied van archeologische waarde: In deze gebieden is bij eerdere onderzoeken reeds aangetoond dat er concentraties archeologische resten voorkomen die als behoudenswaardig gekarakteriseerd kunnen worden. In deze gebieden is dus sprake van vastgestelde archeologische waarden. De archeologische resten op deze terreinen zijn echter minder geconcentreerd dan bij de vorige categorie en bovendien is vaak niet exact bekend waar de resten zich bevinden.
  • Categorie 3 - Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern: Het gaat hier om de oude en de vermoedelijk nog oudere verschoven woonkernen en gehuchten, waar op basis van historische bronnen, oude kaarten en nog aanwezige bebouwing een hoge archeologische verwachting geldt. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot.
  • Categorie 4 - Gebied met een hoge archeologische verwachting: In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een hoge archeologische verwachting. Dat wil zeggen dat in deze gebieden sprake is van een hoge concentratie archeologische vindplaatsen met goede conserveringsomstandigheden. De kans op het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen is dus zeer groot.
  • Categorie 5 - Gebied met een middelhoge archeologische verwachting: In deze gebieden geldt op basis van geomorfologische en bodemkundige opbouw en aangetroffen archeologische vondsten en relicten een middelhoge archeologische verwachting. Deze zones en gebieden waren net als de gebieden met een hoge verwachting in principe geschikt voor bewoning. De kans op het aantreffen van vondsten is hier echter kleiner, doordat de dichtheid aan vindplaatsen beduidend lager is dan in de gebieden met een hoge verwachting.
  • Categorie 6: Gebied met een lage archeologische verwachting: Het gaat om gebieden waar op archeologische en landschappelijke gronden de kans op behoudenswaardige archeologische relicten klein wordt geacht.
  • Categorie 7: Gebied zonder archeologische verwachting: Het gaat hierbij om gebieden waar het bodemprofiel als gevolg van archeologisch onderzoek, aangetoonde ontgrondingen, recente bebouwing en funderingen zodanig is verstoord, dat eventuele archeologische resten als verloren beschouwd mogen worden, of in ieder geval zodanig zijn aangetast dat zij niet meer voor onderzoek of bescherming in aanmerking komen. Voor deze gebieden is vanwege het ontbreken van een verwachtingswaarde dan ook geen dubbelbestemming opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0016.jpg"

Archeologische beleidskaart (bron: http://atlas.sre.nl/archeologie/, SRE, 2012)

4.3.2.2 Cultuurhistorie

Onderdeel van het beleidsplan van de SRE is de cultuurhistorische beleidskaart (zie de afbeelding hierna). Deze beleidskaart bestaat uit drie categorieën:

  • Categorie 1: Beschermde cultuurhistorische monumenten. Cultuurhistorische objecten of gebieden die vanuit nationaal of gemeentelijk oogpunt behouden dienen te blijven en daarom als monument beschermd zijn ingevolge de Erfgoedwet of de gemeentelijke Erfgoedverordening. De wettelijke bescherming verbiedt hier de meeste verstorende activiteiten, tenzij de Minister van OC&W of het College van B&W van de gemeente hiervoor vooraf vergunning verleent.
  • Categorie 2: Object of gebied met een zeer hoge cultuurhistorische waarde. Op basis van de bekende historische gegevens en/of de landschappelijke ligging zoals aangeduid op de gemeentelijke erfgoedkaart, kunnen deze objecten of gebieden gezien worden als belangrijke elementen van de regionale identiteit. Deze cultuurhistorische waarden verdienen het om behouden te worden, maar vooral ook om als inspiratiebron te worden gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De aanwezige cultuurhistorische waarden mogen in principe niet worden verstoord of vernietigd. Nieuwe ontwikkelingen moeten zo mogelijk de cultuurhistorische waarden versterken. Bij gebouwen geldt dat onderhoud en versterken voor vernieuwen en ontwikkelen gaat en dat vernieuwen en ontwikkelen geschiedt vanuit en met respect voor de cultuurhistorische waarden.
  • Categorie 3: Object of gebied met een hoge cultuurhistorische waarde. Op basis van de bekende historische gegevens en/of de landschappelijke ligging zoals aangeduid op de gemeentelijke erfgoedkaart, kunnen deze objecten of gebieden gezien worden als belangrijke elementen van de lokale identiteit. Deze cultuurhistorische waarden verdienen het om behouden te worden, maar vooral ook om als inspiratiebron te worden gebruikt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0017.jpg"

Cultuurhistorische beleidskaart (bron: http://atlas.sre.nl/archeologie/, SRE, 2012)

4.3.2.2.1 Cultuurhistorische bebouwing

De gemeente kent een verscheidenheid aan cultuurhistorisch waardevolle panden en objecten. Binnen de gemeente zijn 23 gemeentelijke monumenten en 21 rijksmonumenten aanwezig, waarvan een groot deel in het plangebied. In paragraaf 7.4.2 wordt hier nader op ingegaan.

4.3.2.2.2 Aardkundig waardevolle gebieden

De Provincie Noord-Brabant wil haar aardkundige waarden behouden. Aardkundige verschijnselen zijn van betekenis voor zowel de belevingswaarde als de natuurpotentie van het landschap. Daarnaast hebben ze ook een wetenschappelijke en educatieve betekenis. Op de volgende afbeelding zijn deze aardkundige en cultuurhistorische gebieden weergegeven.

Het centraal gelegen, bruin gearceerde gebied betreft het aardkundig waardevol gebied Malpie, met het Dommeldal ten zuiden van Valkenswaard en het aangrenzende bos-, heide- en vengebied van de Malpie ten westen ervan; en het Leenderbos, Tongelreep, Groote Heide, Het Goor. Laatstgenoemde gebieden bestaan uit het bos- en heidegebied van het Leenderbos, het ten zuiden ervan gelegen heidegebied de Groote Heide, het westelijk gelegen beekdal van de Tongelreep en het laaggelegen bosgebied van Het Goor in het oosten. Ook het Brugven ten westen van de Tongelreep is in dit gebied opgenomen.

4.3.2.2.3 Cultuurhistorische vlakken

De provincie heeft een aantal gebieden aangewezen om hun cultuurhistorisch belangen. Gemeenten moeten in hun bestemmingsplannen de waarden en kenmerken van de cultuurhistorische vlakken beschermen.

Het gaat om een aantal gebieden die gekarakteriseerd worden door jonge heideontginningen, het gebied van de Beekloop (met de restanten van vloeisystemen en vele visvijvers), de heiderestanten, bossen en vloeiweiden van De Plateaux, het beekdal van De Dommel, de heiderestanten van het Malpie, et cetera.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0018.jpg"

Uitsnede Vr N-B provincie Noord-Brabant (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

De gemeente Valkenswaard heeft hier een extra gebied aan toegevoegd, namelijk de buurtschap Achterste Brug vanwege de gave historische samenhang van bebouwing en erfinrichtingen.

Conclusie

Zowel de archeologische als de cultuurhistorische waarden krijgen een passende bestemmingsregeling. In paragraaf 7.4 Archeologie en cultuurhistorie is dit nader toegelicht.

4.4 Natuur

4.4.1 Algemeen

Natuur en groen wordt positief gewaardeerd. Zowel in als buiten de stad vertoeven veel mensen in hun vrije tijd graag in de natuur. Valkenswaard is de achtertuin van Brainport en de aanwezigheid van voldoende groen op een bereikbare afstand bepaalt voor een belangrijk deel de leefbaarheid van een gebied.

4.4.1.1 Nationaal Natuurnetwerk (NNN, voorheen EHS)

Door nieuwe natuur te ontwikkelen, kunnen natuurgebieden met elkaar worden verbonden. Zo kunnen planten zich over verschillende natuurgebieden verspreiden en dieren van het ene naar het andere gebied gaan. Het totaal van al deze gebieden en de verbindingen ertussen vormt het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) . Dit is opgenomen in onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het provinciale beleid. Het NNN bestaat uit de volgende onderdelen:

  • bestaande natuurgebieden;
  • nieuw aan te leggen natuurgebieden op plekken waar 'gaten' in het netwerk zitten (natuurontwikkelingsgebieden);
  • verbindingszones tussen de natuurgebieden;
  • beheersgebieden. Dit zijn agrarische gebieden, waar belangrijke natuurwaarden voorkomen (bijvoorbeeld weidevogels of bepaalde akkerplanten).

Iedere provincie kent zijn eigen benaming voor het provinciale netwerk als aanvulling op het NNN. Voor Brabant is dat het Natuurnetwerk Brabant (NNB)

4.4.2 Onderzoek
4.4.2.1 Natura 2000 en beschermde Natuurmonumenten

In de hierna volgende tabel is opgenomen welke nabijgelegen (<10 km) Natura 2000-gebieden in Nederland en België aanwezig zijn, alsmede en de daarbinnen gelegen Beschermde natuurmonumenten in Nederland. Per gebied is de minimale tussengelegen afstand (indicatief) weergegeven tot het Eurocircuit.

Nederland
 
België  
Natura 2000   Afstand tot Eurocircuit (km)   Beschermde natuurmonumenten   Afstand tot Eurocircuit (km)   Natura 2000   Afstand tot Eurocircuit
(km)  
Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux   0       Harmonterheide, Hageven, Buitenheide, Stampooierbroek en Mariahof   > 0  
Stabrechtse Heide & Beuven*   4,5   Beuven   8,1   Hageven met Dommelvallei, Beverbeekse heide, Warmbeek en Wateringen   > 0  
Weerter- en Budelbergen & Ringselven   9,3       Valleigebied van de kleine nete met brongebieden, moerassen en heiden   7,0  
Kempenland-West*   9,4   Groot en Klein meer   9,5   Bocholt, Hechtel-eksel, Meeuwen-gruitrode, Neerpelt en Peer   7,7  
        Vallei- en brongebied van de Zwarte beek, Bolisserbeek en Dommel met heide en vengebieden   9,1  

Natura 2000 en beschermde natuurmonumenten in en nabij het plangebied

Binnen de gemeente Valkenswaard ligt een deel van het Natura 2000-gebied 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux'. Het gebied bestaat uit twee delen:

  • Het oostelijk deel omvat de Groote Heide in het noorden, de gemeentebossen van Heeze, de landgoederen Valkenhorst en Heezerheide en de boswachterij Leende. Het gebied is onderdeel van het Kempische landschap dat gekenmerkt wordt door hoogteverschillen die tijdens de laatste ijstijd zijn ontstaan door dekzandafzettingen. Over het algemeen is het landschap glooiend, maar plaatselijk is het dekzandlandschap verstoven, waardoor een sterker reliëf aanwezig is. Tot het begin van de 20e eeuw was de dekzandrug bedekt met onafzienbare heide. Grote delen zijn in de crisisjaren van de vorige eeuw op grote schaal bebost. Delen van het heidelandschap zijn echter gespaard gebleven.
  • Het westelijk deel betreft De Plateaux, het dal van de Dommel en gedeelten van de beeklopen van de Run en de Keersop. De Plateaux is een deels bebost heidegebied. Tegen de Belgische grens aan liggen vloeivelden: hooilanden die al sinds lange tijd bevloeid worden met (kalkrijk) Maaswater door middel van een lang stelsel van geulen en kanaaltjes. In de heide van de Malpie liggen een aantal grote vennen. Op meerdere locaties zijn kleine jeneverbesstruwelen aanwezig. Langs de Dommel liggen vochtige en natte graslanden en bossen (bron: ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie).

Wanneer activiteiten plaatsvinden (zowel in of nabij het gebied), die een negatief effect op het Natura 2000-gebied hebben, dan kunnen deze alleen doorgaan als dit effect niet de waarden van het Natura 2000-gebied wezenlijk aantast (externe werking). Het toekomstige beheerplan biedt hiervoor het toetsingskader.

4.4.2.2 Ligging Natura 2000 binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB)

De exacte begrenzing van het NNB is door de provincie in de Vr N-B bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0019.png"

Natuurnetwerk Brabant; licht groen (bron: Vr N-B, provincie Noord-Brabant)

In de Vr N-B is opgenomen dat een bestemmingsplan, dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur, de natuurwaarden hiervan dient te beschermen. Als een bestemmingsplan buiten de ecologische hoofdstructuur is gelegen, en leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur, dan moeten de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en gecompenseerd. Daarnaast dienen op basis van de Vr N-B ook de zoekgebieden voor ecologische verbindingzones en attentiegebieden NNB in het bestemmingsplan te worden beschermd. Onder een attentiegebied wordt een gebied in of rondom het NNB verstaan waar fysieke ingrepen een negatief effect kunnen hebben op de waterhuishouding. De grotere natuurgebieden in het plangebied zijn de volgende:

  • De Malpie: Dit natuurreservaat dat bestaat uit de rivier De Dommel met aan weerszijden heideterreinen met dennen en grote en kleine vennen. Het gebied is rijk aan flora en fauna en is een broedplaats voor allerlei vogels.
  • Hageven - Plateaux: Op de grens tussen Nederland en België ligt het natuurgebied Hageven-Plateaux. Het hoger gelegen Nederlandse deel wordt de Plateaux genoemd, het lager gelegen Vlaamse deel heet het Hageven. Het bestaat uit bossen, vloeiweiden, heide en landbouwgrond. Op de heide grazen paarden en runderen. De Nederlandse Vereniging Natuurmonumenten en de Vlaamse natuurreservaten VZW beheren het gebied gezamenlijk.
  • Het Leenderbos: Ten oosten van Valkenswaard is de Boswachterij Leende gelegen, in beheer bij Staatsbosbeheer. Het Leenderbos is ongeveer 2.000 ha groot en wordt jaarlijks door zo'n miljoen mensen bezocht. Hier is de natuur gevarieerd: bossen, heide, zandverstuivingen en weides. Het bos bestaat voornamelijk uit naaldbomen en er leven diverse vogelsoorten, waaronder de nachtzwaluw, de roerdomp, de wespendief en de ijsvogel. Verder wordt het bos bevolkt door reeën, vossen, hazen en konijnen. Op de heidevelden is een schaapskudde aanwezig.
  • Philips-De Jong Natuur- en Wandelpark: Dit gebied ten noorden van Valkenswaard bestaat uit bos, heide en vennen. Er worden diverse wandelmogelijkheden aangeboden.
  • De Tongelreep: De Tongelreep is een zijriviertje van de Dommel. De grond in het dal van de Tongelreep is in 1989 verkocht aan natuurbeschermingsorganisaties, die de natuurlijke toestand in 2006 weer hebben hersteld. Het gebied is rijk aan vogels.
  • Voormalige viskweekvijvers: In 2005 zijn de visvijvers overgedragen aan het Brabants Landschap. Van oorsprong waren dit vennen, die weer in oorsprong zijn hersteld. Hier bevinden zich tal van vogelsoorten, waaronder aalscholver, visarend, blauwe reiger, de grauwe gans, knobbelzwaan, witgatje, oeverloper, kievit, tureluur, zwarte ruiter, kemphaan, roerdomp, woudaapje, waterral en kleine karekiet. Met ecologische verbindingszones worden grote natuurgebieden met elkaar verbonden. In het reconstructieplan Boven-Dommel is een opgave voor ecologische verbindingszones geformuleerd. Op het grondgebied van Valkenswaard gaat het om de droge ecologische verbindingszones de Beekerheide en de Maastrichterweg.
4.4.2.3 Natte natuurparels

Voor bepaalde gebieden ligt de prioriteit op het herstel van natte natuurgebieden (natte natuurparels). Hierbij gaat het niet alleen om de verdrogingstoestand van het systeem vast te stellen en herstelmaatregelen te definiëren, maar juist ook om de uitstralingseffecten naar de omgeving in beeld te brengen. Een gebied in Valkenswaard is de natuurparel Malpiebeemden. Dit gebied is een afwisselend gebied met een meanderende Dommel met zandige oeverwallen en afgesneden meanders, natte beemden, rietlanden, elzenbroek, gagelstruwelen en natte heide met vennen. Deze natuurparel ligt aan weerzijden van de Dommel ten zuiden van Valkenswaard. De natte natuurparel ligt tussen Venbergen met de Venbergsche watermolen in het noorden en de Schafterbrug bij Borkel en Schaft in het zuiden. In het plangebied spelen diverse projecten om het waterpeil in verdrogingsgevoelige natuurgebieden te verhogen.

4.4.3 Conclusie

De bestaande natuurgebieden krijgen in het bestemmingsplan een passende natuurbestemming. Daarbij moet rekening worden gehouden met het ‘nee, tenzij’-principe voor het NNB en (de externe werking van) Natura 2000-gebieden.

4.5 Eurocircuit

Het is gewenst dat het Eurocircuit wordt opgenomen in het in dit bestemmingsplan, zodat er een actueel juridisch-planologisch kader geldt voor het gebied en de bestaande activiteiten kunnen worden voortgezet. De vergunde situatie wordt vastgelegd. Voor het Eurocircuit geldt nog het Plan in hoofdzaak uit 1964 en het bestemmingsplan Buitengebied 1977.

Er wordt aangegeven wat de effecten op de omgeving zijn en welke regels zijn opgenomen.

4.5.1 Bestaande situatie gebruik

Aan de hand van de verschillende inrichtingen is het gebied te verdelen in verschillende deelgebieden. De deelgebieden ze zijn in de volgende paragrafen toegelicht.

4.5.1.1 Nederlandse rallycrossvereniging (NRV)

Op het terrein van de NRV is een ruim 1.000 meter lang en minimaal 10 meter breed autoparcours aanwezig. Dit parcours is voor 60% geasfalteerd en de overige 40% is voorzien van een leem- en gravellaag. Op het binnenterrein van het parcours zijn verschillende faciliteiten aanwezig, waaronder de wedstrijdtoren, een kantoor, een hefbrug/weegbrug, het medisch centrum, het perscentrum, de wasplaats, douches en toiletten en een restaurant. Volgens de huidige milieuvergunning (1993) is het niet toegestaan het terrein, met uitzondering van 3 weekenden per kalenderjaar, voor 8 uren per week of meer open te stellen voor rallycrossactiviteiten. Daarnaast is het niet toegestaan om na 20:00 uur met crossauto's op het parcours te rijden.

4.5.1.2 Motorsport Stichting Valkenswaard (MSV)

Op het terrein van de MSV is een circa 2.000 meter lang en minimaal 8 meter breed motorparcours aanwezig. Dit parcours is volledig onverhard en is voorzien van springbulten. Voor het overige zijn er op het terrein van de MSV zelf weinig faciliteiten aanwezig. De meeste faciliteiten van de MSV liggen namelijk op het binnenterrein van de NRV. Net als op het terrein van de NRV is het bij de MSV, volgens de huidige milieuvergunning, ook niet toegestaan om het terrein, met uitzondering van 3 weekenden per kalenderjaar, 8 uur per week of meer te gebruiken voor motorcrossactiviteiten. Daarnaast is het ook hier niet toegestaan om na 20:00 uur met motoren op het parcours te rijden.

4.5.1.3 Toer- en Wielerclub De Kempen (TWC De Kempen)

Op het terrein van TWC De Kempen is een wielerparcours van 1.600 meter lang aanwezig. Op het binnenterrein van het wielerparcours wordt elk jaar een nieuw veldcrossparcours uitgezet. Bij de ingang van het terrein aan de Monseigneur Smetsstraat is een clubgebouw aanwezig. Dit clubgebouw is enkele jaren oud en biedt alle benodigde voorzieningen. Het clubgebouw is met een tijdelijke bouwvergunning gerealiseerd. In het huurcontract van TWC De Kempen staat dat, wanneer de MSV een groot evenement heeft, de wielerclub haar terrein moet afstaan ten behoeve van het parkeren.

4.5.1.4 FCC Lion d'Or

FCC Lion d'Or is een fietscrossclub. Op het terrein heeft de club een nationaal en internationaal erkende crossbaan gerealiseerd. Naast de normale trainingen en clubwedstrijden organiseert de club één grote wedstrijd (EK, topcompetitie) per jaar.

4.5.1.5 Politiehondenvereniqing De Verdediger

Het terrein van de politiehondenvereniging bestaat voor het grootste deel uit grasland. Op dit terrein zijn enkele toestellen aanwezig ten behoeve van het trainen en africhten van honden. Tevens is op het terrein een clubgebouw aanwezig.

4.5.1.6 Overig gebied

Het overige gedeelte van het plangebied bestaat uit een bosperceel met een ven en een, reeds afgedekte, voormalige vuilstortplaats. De gronden bovenop de voormalige vuilstortplaats (afdeklaag) liggen momenteel braak. Ook de gronden tussen de nieuwe N69 en de voormalige vuilstort vallen binnen het plangebied. In dit gebied werden twee terreinen al gebruikt voor het parkeren bij evenementen. Het gaat om het terrein aan de noordzijde van de Victoriedijk en het terrein ten oosten van het terrein van de politiehondenvereniging. Deze terreinen kunnen, vanwege de aanleg van de N69, niet geheel meer worden gebruikt als parkeerterrein. Daarom is ervoor gekozen om de overige agrarische percelen tussen de nieuwe N69 en de voormalige vuilstort aan te wijzen voor parkeermogelijkheid bij grote sportevenementen op het Eurocircuit.

4.5.2 Bestaande situatie bebouwing

Er is een inventarisatie uitgevoerd naar alle aanwezige bebouwing t.a.v. het al dan niet aanwezig zijn van omgevingsvergunningen. Daaruit blijkt dat maar een klein aantal bouwwerken vergund is.

Op het gehele terrein is volgens het geldende bestemmingsplan slechts 650 m2 aan gebouwen toegestaan. Uit de inventarisatie blijkt dat er in het totaal 3.155 m2 aan gebouwen staan, waarvan slechts een deel vergund is. Nu het Uitbreidingsplan in hoofdzaken 1962 van rechtwege is komen te vervallen is de afwijking met 986 m2 afgenomen.

In het kader van dit bestemmingsplan is bezien in hoeverre die bouwtechnisch vergund kunnen worden. Uit het onderzoek is gebleken dat één gebouw niet kan voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit; alle andere bebouwing is in dat kader te legaliseren met een Omgevingsvergunning. Hierbij is geen oordeel gegeven over de uiterlijke kwaliteiten van de bebouwing.

Hoofdstuk 5 Milieuhygiënische aspecten

5.1 Bodem en water

5.1.1 Algemeen

De tijd dat elke bodemvervuiling moest worden aangepakt ligt achter ons. Belangrijkste criterium hierbij is of de vervuiling zodanig is dat er sprake is van risico's voor gezondheid of milieu. In de praktijk blijken er vrijwel nooit risico's te zijn voor de gezondheid van mensen. Milieurisico's (verspreiding en ecologie) komen wel voor, maar meestal gaat het erom dat eventuele vervuilingen afstemming vereisen met bepaalde ontwikkelingen. Op dit moment is er sprake van een omslag van saneren naar beheren en behoeven alleen de zogeheten "ernstige vervuilingen" in meer of mindere mate aangepakt te worden. De maatregelen worden daarbij afgestemd op de functie.

5.1.2 Regelgeving

Het nationale bodembeleid is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van de Wbb is om te voorkomen dat nieuwe gevallen van bodemverontreinigingen ontstaan. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit tenminste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen.Het beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan regelt de bestaande situatie, uitvoering van bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk. De kwaliteit van zowel grond- als oppervlaktewater is afhankelijk van het voorkomen van diverse stoffen en parameters.

5.1.3 Conclusie

Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. In het kader van een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een onderzoek worden uitgevoerd naar mogelijk aanwezige bodem- en grondwaterverontreinigingen. Voor de locaties binnen het plangebied waar gebouwen mogelijk worden gemaakt, dient bij het aanvragen van de omgevingsvergunning te worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is, of is te maken, voor de beoogde functie.

Vanwege het gebruik en de historie wordt weer een 'nulsituatie' vastgelegd.

5.2 Voormalige vuilstort Victoriedijk

Binnen het plangebied is een gesloten vuilstortplaats gelegen aan de Victoriedijk te Valkenswaard. Deze maakt onderdeel uit van het gebied dat bekend staat als het Eurocircuit.

5.2.1 Beheer

De gemeente is beheerder en eigenaar van het terrein, dus in publiekrechtelijke en privaatrechtelijke zin is de gemeente verantwoordelijk.

De Wet milieubeheer stelt het volgende t.a.v. gesloten stortplaatsen;

Artikel 8.49

  • 1. Met betrekking tot een gesloten stortplaats worden zodanige maatregelen getroffen dat wordt gewaarborgd dat die stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst mogelijke bescherming wordt geboden tegen die nadelige gevolgen.
  • 2. Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend:
    • a. maatregelen strekkende tot het in stand houden en onderhouden, alsmede het herstellen, verbeteren of vervangen van voorzieningen ter bescherming van de bodem;
    • b. het regelmatig inspecteren van voorzieningen ter bescherming van de bodem, en
    • c. het regelmatig onderzoeken van de bodem onder de stortplaats.
  • 3. Degene die een stortplaats drijft, stelt een nazorgplan op ter uitvoering van de maatregelen, bedoeld in het eerste en tweede lid. Het nazorgplan behoeft de instemming van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag beslist hierover binnen dertien weken na de indiening van het nazorgplan. Indien het bevoegd gezag niet binnen de gestelde termijn heeft beslist, is de instemming van rechtswege gegeven. Het bevoegd gezag maakt de instemming van rechtswege onverwijld nadat de beslistermijn is verstreken, bekend.
  • 4. Het bevoegd gezag kan degene die een stortplaats drijft, bevelen het nazorgplan waarmee het heeft ingestemd, aan te passen gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu, dan wel in verband met een verandering van de stortplaats sedert de datum van instemming met het nazorgplan.
  • 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen alsmede met betrekking tot het in het derde lid bedoelde nazorgplan nadere regels worden gesteld.

Er is een verzoek van de provincie Noord-Brabant als bevoegd gezag aan de gemeente Valkenswaard als beheerder van de stortplaats om de afdeklaag op te hogen om het eventueel indringen van het hemelwater tegen te gaan. Dit op basis van de wisselende dekking van de bestaande afdeklaag.

5.2.2 Onderzoeken

Na het sluiten van de vuilstort zijn onderzoeken gedaan naar de in onderstaande tabel genoemde stoffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0020.png"

In 2007 is in opdracht van de provincie een NAVOS-onderzoek verricht en in 2015/2016 zijn opnieuw onderzoeken verricht naar de verontreiniging van het grondwater. Daaruit kwam naar voren dat er geen uitspoeling van verontreinigingen plaatsvindt. Wel blijkt de deklaag onvoldoende te zijn en daar wordt in de komende jaren in voorzien.

5.2.3 Gebruik

Naar aanleiding van rechtszaken over het gebruik van de vuilstort door motorcrossbaan is contact gezocht met de provincie. Naar aanleiding van hun bevindingen zijn zij van mening, dat het noordelijke deel van de motorcrossbaan over het zuidelijke deel van de oude stort gaat. Heel formeel gezien zou daarvoor op basis van de Provinciale milieuverordening toestemming voor nodig zijn. Het gebruik is de provincie al jaren bekend, maar de formalisering hiervan heeft tot nu toe geen prioriteit gehad. In het kader van dit bestemmingsplan wordt het gebruik geformaliseerd, zeker nu ook bij gerechtelijke uitspraak vast staat dat het afwijkende gebruik onder het overgangsrecht van het geldende bestemmingsplan valt.

5.2.4 Planologische bescherming

De voormalige vuilstort is in dit bestemmingsplan grotendeels bestemd als 'Groen – Landschapselement'. Specifiek voor de voormalige vuilstort is de gebiedsaanduiding 'milieuzone – voormalige vuilstort' opgenomen. Hiervoor geldt een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden. Daarmee is een veilige ligging van de vuilstort planologisch verzekerd.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Algemeen

Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse.

5.3.2 Regelgeving

De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteit zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Titel 5.2 Wet milieubeheer handelt over luchtkwaliteit, daarom staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de 'Wet luchtkwaliteit' en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt onder andere voor woningbouwlocaties die ingeval van één ontsluitingsweg niet meer dan 1.500 nieuwe woningen mogen omvatten. Bij twee ontsluitingswegen mogen uitbreidingslocaties niet meer dan 3.000 woningen bevatten. Voor kantoorlocaties gelegen aan één ontsluitingsweg geldt een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m². Wanneer projecten wel in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit dient luchtonderzoek uitgevoerd te worden, waarbij getoetst wordt aan de normen.

5.3.3 Onderzoek

Het bestemmingsplan Eurocircuit is een conserverend bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voegt in feitelijk geen functies of staat ontwikkelingen toe die luchtkwaliteit nadelig doet veranderen. Omdat er sprake is van een planologisch toegelaten, maar niet milieutechnisch vergunde situatie is als onderdeel van de PlanMER een luchtonderzoek vastgesteld waaruit blijkt dat het bestemmingsplan voldoet aan de in de Wet milieubeheer vastgelegde luchtkwaliteitseisen. De wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg. Voor de gemeente Valkenswaard is uitsluitend een rapportage Luchtkwaliteit (in het kader van het Besluit lucht-kwaliteit) voor het centrum van Valkenswaard beschikbaar. Gezien de aard van het gebied en de voorkomende intensiteiten op de belangrijkste ontsluitende wegen, zijn er binnen het plangebied echter geen knelpunten te verwachten.

5.3.4 Conclusie

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, die van wezenlijke invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Algemeen

In het kader van de bestemmingsplanprocedure moet het aspect externe veiligheid onderzocht worden. Hierbij dienen de risico's in beeld gebracht te worden die het gevolg zijn van opslag, vervoer of verwerking van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld vervoersassen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen (zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen) ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Er gelden twee risicocontouren:

  • het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt.
  • het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt tengevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico.

Externe veiligheidsbeleid bestaat uit twee onderdelen: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandseisen tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans.

Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven in de vorm van contouren rond een risicobron. Het groepsrisico wordt weergegeven in een grafiek: de fN-curve. Deze curve geeft aan hoe groot de kans is op een ongeval met een bepaald aantal slachtoffers. De plaatsgebonden risicocontouren en de fN-curve zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0021.png" Plaatsgebonden risicocontouren en fN-curve

Binnen de plaatsgebonden risicocontouren bestaat een bepaald risico te overlijden als gevolg van een calamiteit. Binnen deze contouren gelden harde bouwrestricties. Deze restricties kunnen per risicobron verschillen.

De hoogte van het groepsrisico wordt niet alleen bepaald door de aard van de risicobron, maar ook door het aantal aanwezige personen binnen het invloedsgebied daarvan. Bij veel ruimtelijke besluiten moet de hoogte van dit groepsrisico verantwoord worden. Dit noemt men de verantwoordingsplicht van het groepsrisico.

5.4.2 Regelgeving
5.4.2.1 Besluit externe veiligheid

Sinds 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningsplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven en wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Uit het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het projectgebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico's dienen te worden beoordeeld op het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet een verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Voor de verantwoording groepsrisico is advies gevraagd en ontvangen van de regionale brandweer.

5.4.3 Onderzoek
5.4.3.1 Risicovolle bedrijven en inrichtingen

Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Bevi.

Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Binnen het plan zijn dat twee inrichtingen:

  • 1. Het Texaco tankstation aan de Maastrichterweg 263 valt onder de werking van de Bevi. De inrichting kent een maximale PR 10-6-risicocontour met een straal van 40 m.
  • 2. Het Esso tankstation aan de Eindhovenseweg 248 valt eveneens onder de werking van de Bevi en kent een maximale PR 10-6-risicocontour met een straal van 40 m.

Bij het mogelijk maken van nieuwe functies op korte afstand van de risicovolle inrichtingen dient rekening te worden gehouden met de PR 10-6-contour. Binnen deze contour zijn geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare functies mogelijk.

Om deze inrichtingen ligt een invloedsgebied met contour van 160 m1.

5.4.3.2 Vervoer van gevaarlijke stoffen

In het plangebied zijn geen waterwegen en/of spoorwegen gesitueerd waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.

5.4.3.2.1 Leidingen

Voor deze leidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Bij concrete ontwikkelingen in de omgeving van de aanwezige buisleidingen dient rekening te worden gehouden met een aan te houden minimale bebouwingsafstand ten opzichte van kwetsbare objecten en minder kwetsbare objecten. In het geldende bestemmingsplan waren de zoneringen niet overal goed opgenomen. Bij ontwikkelingen binnen de inventarisatieafstand dient de toename van het groepsrisico te worden onderzocht en verantwoord.

Door het plangebied loopt de volgende leiding:

Leiding   Leiding-
nummer  
Diameter   Druk   1% letaliteits grens*   100% letaliteits grens*   PR 10-6   Belemmering enstrook  
PRB-leiding
(transport koolwaterstoffen)  
Tracé Noord   8 inch   80 bar   28 m   9 m   10,3 m   5 m  

*= inventarisatieafstand = letaliteitsafstand

Vloeibare koolwaterstoffen PRB-leiding

De beheerder van de PRB-leiding is Petrochemical Pipeline Services BV. De leiding heeft een diameter van 8 inch en een ontwerpdruk van 80 bar. De getransporteerde stof is naftaleen – K1 vloeistof. Voor de PRB-leiding geldt een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 12 m aan weerszijden van de leiding en een invloedsgebied groepsrisico (1% letaliteit) van 31 m aan weerszijden van de leiding.

Binnen de dubbelbestemming is een toetsingszone opgenomen van 5 m aan weerszijden waarbinnen uitsluitend werken mogen plaatsvinden voor de aanleg en instandhouding van de betreffende leiding. Overige werken zijn uitsluitend toegestaan door middel van vrijstelling.

5.4.3.3 Signaleringskaart

Het voorgaande is ter illustratie weergegeven op de onderstaande Signaleringskaart die opgesteld is door de Omgevingsdienst Noordoost Brabant (ODZOB).

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0022.png"

EV-signaleringskaart (Bron: ODZOB)

5.4.4 Conclusie

Het bestemmingsplan dient rekening te houden met externe veiligheid door de bestaande risicocontouren en veiligheidsafstanden in het bestemmingsplan over te nemen.

5.5 Geluidhinder

5.5.1 Algemeen

Geluid is één van de factoren die de beleving van de leefomgeving in belangrijke mate bepaalt. Door de toename van het verkeer en de bedrijvigheid wordt de omgeving in steeds sterkere mate belast met geluid. Dit leidt tot steeds meer klachten. In een aantal gevallen wordt de gezondheid beïnvloed door geluid. Hoge geluidsniveaus kunnen het gehoor beschadigen en ook de verstoring van de slaap kan op termijn slecht zijn voor de gezondheid. Door de toename van het geluid in de omgeving, wordt de behoefte aan stilte steeds meer als een noodzaak gevoeld.

5.5.2 Regelgeving

De Wet geluidhinder, de Luchtvaartwet / Wet luchtvaart en de Wet milieubeheer zijn in het kader van geluidhinder van belang. Bij nieuwe ontwikkelingen van geluidgevoelige bestemmingen dient de geluidssituatie in beeld gebracht te worden. De geluidniveaus op de gevels van de nieuwe gebouwen worden getoetst aan de geluidsnormen. Er dient gekeken te worden naar vier bronnen van geluid, namelijk wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai en vliegtuiglawaai. Het juridisch kader voor wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai wordt gevormd door de Wet geluidhinder. Vliegtuiglawaai wordt geregeld in de Luchtvaartwet en de Wet luchtvaart. Er liggen geen geluidszones van het spoorweglawaai en vliegtuiglawaai over het plangebied, waardoor deze niet nader beschouwd worden. Op de aspecten industrielawaai en wegverkeerslawaai wordt nader ingegaan.

5.5.3 Industrielawaai

Alle agrarische bedrijven vallen in beginsel onder 'industrielawaai'. Hiervoor gelden echter geen zoneringen in de zin van verplichte opname op de verbeelding. Het aspect geluid wordt in de milieuvergunning geregeld of in de regels van een van toepassing zijnde Algemene maatregel van Bestuur (AmvB). Zoneringen vanuit het bedrijventerrein De Schaapsloop zijn ook niet aan de orde.

Het bestemmingsplan 'Buitengebied 1977' dat geldt voor een deel van het Eurocircuit staat grote lawaaimakers toe. Van rechtswege is er door de wijziging van de Wet geluidhinder op 1 juli 1993 een 50 dB(A)-contour ontstaan, echter vanwege de onbekendheid van het gebruik op die datum is niet te bepalen waar die ligt. Het is tot nu toe niet de intentie geweest om deze contour op te nemen in het bestemmingsplan, omdat er bij de vergunningverlening in september 1993 bewust voor gekozen is om de geluidbelasting vanwege de crossactiviteiten op het Eurocircuit in te perken tot de grens van minder dan 8 uur per week, per inrichting. Het gebruik wordt nu beperkt door de huidige milieuvergunningen.

Vanwege de legalisering van het bestaande gebruik en vanwege de door de raad toegezegde medewerking aan een (toekomstige) verruiming van de gebruiksmogelijkheden en -uren voor een rendabele exploitatie van het rallycrossterrein (zie Bijlage 2 Gebruiksprogramma) is het noodzakelijk de geluidscontour toch op te nemen, omdat de activiteiten met gebruik van verbrandingsmotoren die niet tot het crossen behoren en feitelijk ook niet tot geluidsoverlast leiden noodzaken tot het opnemen van de geluidszonering. Dit betekent overigens dat alle activiteiten van de rallycrossvereniging binnen die geluidszonering moeten plaatsvinden.

5.5.4 Wegverkeerslawaai

Voor het wegverkeerslawaai is de Wet geluidhinder (Wgh) het wettelijke kader. In deze wet is onder ander vastgelegd welke geluidniveaus op de gevel van nieuwe woningen, ten gevolge van wegverkeer, maximaal toelaatbaar zijn. In beginsel geldt dat de geluidsbelasting op nieuwe woningen niet meer mag bedragen dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). Op grond van artikel 76, lid 1 van de Wet geluidhinder dienen bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan de grenswaarden van de Wet geluidhinder in acht te worden genomen. Volgens artikel 76, lid 3 geldt deze verplichting niet voor situaties waarin op het tijdstip van de vaststelling van het bestemmingsplan de weg en de woningen en/of andere geluidsgevoelige gebouwen aanwezig zijn (bestaande situatie). Dit houdt in dat bij zogenaamde conserverende bestemmingsplannen geen toetsing aan de grenswaarde hoeft plaats te vinden. In dit bestemmingsplan Eurocircuit iworden bij recht geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is hierdoor niet noodzakelijk en de Wet geluidhinder staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

5.5.5 Conclusie

In het plangebied worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. In het algemeen kan worden geconcludeerd dat de Wet geluidhinder de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

5.6 Geurhinder

5.6.1 Algemeen

Veehouderijen veroorzaken geur vanwege bijvoorbeeld de dierenverblijven, mestbassins, mestverwerking en opslag van voer. Geur kan in de leefomgeving hinder veroorzaken en brengt om die reden ook gezondheidsrisico’s met zich mee. Bij het aspect geur in het bestemmingsplan Eurocircuit gaat het hooguit om de geur die vrijkomt bij de uitlaatgassen van de verbrandingsmotoren, maar daar zijn geen normen voor omdat ze niet op de openbare weg rijden. Alleen binnen de Brochure Bedrijven en milieuzonering (zie volgende paragraaf) zijn hier globale normen voor opgenomen.

5.7 Milieuzonering

5.7.1 Algemeen

De aanwezigheid van bedrijven kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar ten gevolg hebben. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft.

Om een goede leefomgeving te kunnen bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Dit is van belang bij de afweging welke functies op VAB-locaties worden toegestaan.

5.7.2 Regelgeving

Voor milieuzonering is door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) een bedrijvenlijst opgesteld, waarin bedrijven op hun milieueffecten zijn gecategoriseerd. Deze is bekend als 'Brochure bedrijven en Milieuzonering'. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder kunnen veroorzaken (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie), kent de lijst aan de bedrijven een categorie toe. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. In de lijst is per bedrijfstype een globale indicatie gegeven van het invloedsgebied voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld:

Milieucategorie   Richtafstand voor buitengebied (in m)  
1   10  
2   30  
3.1   50  
3.2   100  
4.1   200  
4.2   300  
5.1 en hoger   500 en hoger  

De afstanden gelden in principe tussen de perceelsgrens van het bedrijf (bij een gangbare perceelsgrootte en -indeling) en anderzijds de gevel van een woning. De afstanden in bovengenoemde uitgave moet als indicatief gezien worden, maar wordt bij de Raad van State zwaar meegewogen bij de besluitvorming. Doordat de omvang van bedrijven kan verschillen en omdat bedrijven maatregelen kunnen nemen om de invloed te beperken kan de invloedssfeer in werkelijkheid afwijken van bovengenoemde afstanden. De uiteindelijke afstemming tussen de hinder van het bedrijf en de omgeving wordt geregeld in het kader van de Wet milieubeheer.

5.7.3 Onderzoek

Gelet op het rustige karakter van het buitengebied dient te worden voorkomen dat overlast wordt veroorzaakt voor de aanwezige functies door de vestiging van nieuwe bedrijven. Daarom zijn bedrijven toegestaan die uit het oogpunt van hinder passen binnen de omgeving waar ze zich bevinden. Categorie 1- en 2-bedrijven kunnen in het buitengebied, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, worden toegelaten. Het bestemmingsplan Eurocircuit is met name geriht op de planologische regeling van de motor- en rallycrosscircuits en dat zijn (met de geldende milieuvergunningen) categorie 5.2-bedrijven. Het rallycircuit met het daadwerkelijke en gewenste gebruik is een categorie 6-bedrijf. Voor deze bedrijven geldt een geluidsafstand van respectievelijk 700 en 1.500 meter vanaf de inrichtingsgrens.

5.7.4 Conclusie

In zijn algemeenheid hebben bedrijven tot en met categorie 2 weinig invloed op hun omgeving. Vanwege de effecten op de omgeving van deze inrichtingen moet beoordeeld worden of er sprake is van een m.e.r.-plicht

5.8 M.e.r.plicht

5.8.1 Achtergrond

Vanwege het feit dat het bestemmingsplan kaderstellend is voor Besluit-m.e.r. (beoordelings) plichtige activiteiten en omdat een passende beoordeling moet worden opgesteld, is het doorlopen van de planm.e.r. verplicht. Het bestemmingsplan Eurocircuit vormt het kader voor de Besluitm.e.r.(beoordelings) plichtige activiteiten. Het gaat specifiek om het bieden van ontwikkelruimte voor de rallycrossvereniging. Daarnaast zijn significant negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand uit te sluiten. De PlanMER geeft aan de hand van een 'passende beoordeling' uitsluitsel of daadwerkelijk sprake is van significant negatieve effecten als gevolg van de ontwikkelmogelijkheden die het nieuwe bestemmingsplan biedt. Het hoofddoel van het MER is het in beeld brengen van de milieugevolgen van de ontwikkelruimte die het bestemmingsplan biedt, in het bijzonder de gevolgen van de emissie van stikstof op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden en de Beschermende natuurmonumenten.

Het deels geldende bestemmingsplan Buitengebied 1 was, net als deze integrale herziening van het bestemmingsplan voor het Eurocircuit, kaderstellend voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan Buitengebied 1 waren significant negatieve effecten op nabij gelegen Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. Daarom is ten behoeve van dat bestemmingsplan een Plan-MER opgesteld, maar daar was het Eurocircuit niet in opgenomen.

Voor dit onderhavige bestemmingsplan Eurocircuit wordt/is een Plan-MER opgesteld, omdat ten opzicht van het geldende bestemmingsplan er ruimere ontwikkelingsmogelijkheden zijn, waardoor nieuwe en/of andere significante negatieve effecten niet uit te sluiten zijn. Omdat met name de rallycrossvereniging uitbreiding van de activiteiten noodzakelijk acht voor een sluitnde exploitatie en de gemeenteraad daarin mee wil gaan is bij het opstellen van de planMER van de door hen gewenste situatie uitgegaan. Hierdoor is het mogelijke de uitbreidingswens al te beoordelen, maar die wordt niet in dit bestemmingsplan opgenomen omdat dat uitgaat van het bestaande gebruik. Het neemt echter een voorschot op een eventuele latere herziening om de gewenste uitbreiding mogelijk te maken. Als nu blijkt dat de wensen milieutechnisch inpasbaar zijn, is daar in elk geval nu zekerheid over, los gezien van het feit dat de Verordening ruimte Noord-Brabant nu geen uitbreiding van lawaaisporten toestaat.

5.8.2 Conclusies en uitvoerbaarheid bestemmingsplan

De conclusie uit de PlanMER is dat er geen aspecten zijn die de gewenste ontwikkeling (Voorgenomen activiteit) belemmeren en dus zijn ook de nu in het plan opgenomen mogelijkheden milieutechnisch inpasbaar. De conclusie is dat alleen het aantal geluidsbelaste dagen toeneemt in de door de rallycrossvereniging voorgenomen activiteit, maar dat de geluidsbelasting gelijk blijft.

Nu in dit bestemmingsplan uitgegaan wordt van de Referentiesituatie en het daadwerkelijke gebruik zijn de negatieve effecten van de Voorgenomen activiteit (nog) niet aan de orde. Voor zover het daadwerkelijk gebruik afwijkt van de Referentiesituatie is die afwijking marginaal en ver binnen de effecten van de Voorgenomen activiteit.

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving

6.1 Inleiding

Aan de hand van het beleidskader uit Hoofdstuk 3 en de ruimtelijke en milieuanalyse van het plangebied (Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5), wordt in dit hoofdstuk de gebiedsvisie geformuleerd en worden de lijnen voor het nieuw te voeren beleid uiteengezet. De analyse van het bestaande beleid en van de belangrijkste kwaliteiten en functies van het plangebied maakt duidelijk dat het opstellen van een nieuw bestemmingsplan en het maken van beleidskeuzes ten behoeve daarvan, niet start vanuit een blanco situatie. In beleidsdocumenten van rijk, provincie, waterschap en gemeente en in wet- en regelgeving zijn de hoofdlijnen reeds vastgelegd. In de zijn de gemeentelijke beleidslijnen uitgezet, maar ook een aantal regeltechnische uitgangspunten, die komen in Hoofdstuk 7 Planuitgangspunten aan de orde.

6.2 Gebiedsvisie

Vanuit het bestaande beleidskader wordt duidelijk dat het behouden van de ruimtelijke kwaliteit voorop staat in het buitengebied van Valkenswaard. De opgave is om de ontwikkelingen in het landelijke gebied zodanig vorm te geven dat er sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en van een duurzaam en vitaal platteland. Het gebied biedt multifunctionele gebruiksruimte voor landbouw, natuur en landschap, water, recreatie, cultuurhistorie en bedrijvigheid.

In deze paragraaf wordt een beknopte visie op het buitengebied van Valkenswaard gegeven. Daarbij wordt met name stilgestaan bij de hoofdfuncties landbouw, natuur, landschap, recreatie en sport. De overige functies komen hier ook globaal aan de orde, maar specifiek in Hoofdstuk 7.

6.2.1 Natuur

Natuur is één van de speerpunten uit de Structuurvisie van de gemeente Valkenswaard. Als uitgangspunten zijn onder andere geformuleerd:

  • versterken van de aanwezige waarden in de verschillende landschapstypen;
  • een oplossing realiseren voor de recreatieve parkeerdruk;
  • het realiseren van ecologische verbindingszones;
  • het versterken van natuur- en recreatieve waarde in het Dommeldal;
  • en het versterken van de toegang tot natuurgebieden.

Ondanks dat het bestemmingsplan op voorgaande punten geen initiatieven kan ontwikkelen, kunnen alle bestaande natuurgebieden in het bestemmingsplan wel worden beschermd, zodat in elk geval de bestaande situatie bescherming geniet als vertrekpunt voor de gewenste ontwikkelingen. Het gaat dan om die gebieden die zijn aangewezen als bestaand natuurgebied in het kader van het NNN of NNB. Aangezien deze gebieden grotendeels uit bos bestaan, worden deze gronden bestemd voor 'Natuur'. Het gaat dan om bestaande natuurgebieden.

Het oprichten van bijvoorbeeld nieuwe woningen of agrarische bedrijven in of nabij dit gebied is strijdig met de Vr N-B, waarin wordt aangegeven dat de ecologische waarden en kenmerken beschermd dienen te worden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van gebouwen, maar ook om de activiteiten die binnen of buiten de gebouwen plaatsvinden. Te denken valt aan de invloed van bijvoorbeeld de emissie van stikstof- en ammoniakdeposities door vee, een ongewenste toename van het aantal verkeersbewegingen, het verdwijnen van duisternis door (erf)verlichting en het verstoren van rustplaatsen door geluid vanuit bedrijven en woningen.

6.2.2 Landschap

Het grondgebruik en de ontginningsgeschiedenis hebben ervoor gezorgd dat een variatie aan bijzondere en kenmerkende landschappelijke waarden is ontstaan, die de gemeente wenst te behouden. In het LOP heeft de gemeente haar visie op het landschap bepaald.

De bestaande landschapswaarden zullen als volgt worden beschermd:

  • 1. via de bestemmingsomschrijving in de planregels;
  • 2. via een aanduiding op de verbeelding: bijvoorbeeld bijzondere kleinschalige, landschappelijke karakteristieken zoals monumentale en waardevolle bomen;
  • 3. via een eigen bestemming op de verbeelding, bijvoorbeeld 'Groen - landschapselement';
  • 4. via een dubbelbestemming; bijvoorbeeld openheid, beslotenheid, essen en kampen;
  • 5. via overig sectoraal instrumentarium, zoals het gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan.

Welk instrumentarium wordt toegepast is afhankelijk van aard en omvang van de landschapswaarden.

De werking van het bestemmingsplan strekt in principe niet zo ver dat landschapsaanleg- en beheer afgedwongen kan worden. Hiervoor is sectoraal instrumentarium beschikbaar. Echter, wanneer het bestemmingsplan via wijzigings- en afwijkingsmogelijkheden nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, moet (Vr N-B, art. 3.2) als voorwaarde aan worden gekoppeld dat er een kwaliteitsverbetering van het landschap en/of landschappelijke inpassing plaats dient te vinden. Dit kan bijvoorbeeld vorm krijgen door de aanleg van nieuwe natuur- en landschapselementen, verbetering van het erf of het realiseren van streekeigen erfbeplanting, het realiseren van dagrecreatieve voorzieningen en/of herstel van cultuurhistorische waarden. Het LOP kan hier aanknopingspunten voor bieden.

6.2.3 Recreatie en sport

Het buitengebied is door de aanwezige natuurgebieden, cultuurhistorische elementen, rust en ruimte zeer geschikt voor recreatieve en actieve activiteiten.

De gemeente heeft in haar structuurvisie aangegeven dat de ontwikkeling van nieuwe verblijfs- en dagrecreatie in het buitengebied wordt gestimuleerd. Zo kan de recreatieve betekenis verder worden vergroot door langs toeristische en recreatieve netwerkroutes horeca- en andere rustpunten te creëren. Hierbij streeft de gemeente naar een zekere kwaliteitsverbetering. De gemeente Valkenswaard wil onder die voorwaarde graag meewerken aan nieuwe initiatieven, om zo het toeristisch-recreatieve aanbod substantieel te verhogen. Het project 'De Groote Heide' dat in samenwerking met de Nederlandse en Belgische gemeenten Heeze-Leende, Cranendonck, Hamomd-Achel (B) en Lommel (B) wordt opgezet, moet een grote impuls geven op het gebied van de recreatie. De recreatie in dit bestemmingsplan is gekoppeld aan de functie sport.

6.2.3.1 Sport

De grens tussen sport en sportieve dagrecreatie is niet altijd even duidelijk. Dit blijkt ook uit navolgende tekst uit een encyclopedie.

Een sport is een fysiek spel (bijvoorbeeld basketbal) of denkspel (bijvoorbeeld schaken) dat volgens regels in competitieverband of recreatief kan gespeeld worden. Het heeft als doel het lichaam of de hersenen te stimuleren naar meer, hetzij d.m.v. lichamelijke bewegingen en-of denkoefeningen.

Onder sport wordt in dit geval verstaan: Op een afgebakende locatie georganiseerd (al dan niet in verenigingsverband) bezig zijn. Zo is het over de weg fietsen op een wielrenfiets sportieve dagrecreatie die valt onder extensieve dagrecreatie. Het fietsen op de baan van de wielervereniging of fietscrossen op een daarvoor aangelegde en aangewezen fietscrossbaan valt wel binnen het begrip / de bestemming 'Sport'.

De bestemming Sport is toegewezen aan de rallycrossbaan, de motorcrossbaan, de wielerbaan, de fietscrossbaan en de hondenvereniging op het Eurocircuit.

Iedere sport heeft zijn eigen specifieke functieaanduiding en voorzover noodzakelijk specifieke gebruiks- en bouwregels.

6.3 Bevordering van ruimtelijke kwaliteit

De provincie Noord-Brabant wil ruimtelijke waarden en kenmerken beschermen en daarmee bestaande ruimtelijke kwaliteiten behouden. Tegelijkertijd wil de provincie ook ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, mits een ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Nieuwe ontwikkelingen bieden een kans voor behoud en ontwikkeling van het landschap. Het ontwikkelen van landschap reikt verder dan het behouden wat er is, bij ontwikkelen van het landschap gaat het ook om het toevoegen van nieuwe ruimtelijke kwaliteiten. Ruimtelijke kwaliteit houdt in dat ruimtevragers rekening houden met de gebiedskenmerken en waarden. Een ruimtelijke ontwikkeling moet daarnaast ook passen bij de aard, schaal en functie van zijn omgeving. Om de ruimtelijke kwaliteit te bevorderen heeft de provincie twee principes vastgelegd in de Vr N-B: de Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en Kwaliteitsverbetering van het landschap.

Onderstaand wordt besproken hoe deze principes in het onderhavige bestemmingsplan Eurocircuit vertaald zijn.

6.3.1 Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

Bij de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit gaat het erom dat bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt bijgedragen aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Omdat er sprake is van een planologische verandering is er in het kader van de Vr N-B sprake van een ruimtelijke ontwikkeling, ook al veranderd er niets aan de bestaande fysieke situatie. Daarom is de kwaliteitsverbetering van het landschap van toepassing.

6.3.2 Kwaliteitsverbetering van het landschap

Het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap gaat ervan uit dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteiten te compenseren. De basis hiervoor is gelegen in artikel 3.2 van de Vr N-B en wordt ingevuld door per ontwikkeling een taxatie door een door de gemeente aan te wijzen taxateur te laten plaatsvinden waaruit de gegenereerde meerwaarde moet blijken. Op basis van die taxatie dient een plan opgesteld te worden waarin die meerwaarde wordt 'vertaald' naar de bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap.

Voor dit plan is een kwaliteitsverbetering van het landschap noodzakelijk, gebaseerd op een taxatie van de waardevermeerdering van de ontwikkeling. De taxatie is opgenomen in Bijlage X.

Bij de begripsomschrijvingen die onderdeel uitmaken van de planregels is hiertoe ook het begrip ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ opgenomen: een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft. Door de voorwaarde die is verbonden aan de afwijkingen en planwijzigingen en de begripsbepaling is zeker gesteld dat de ruimtelijke ontwikkeling gepaard moet gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit overigens naast het feit dat er sprake moet zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de ontwikkeling, waarvoor ook een voorwaarde is opgenomen.

De wijze waarop de kwaliteitsverbetering van het landschap vorm wordt gegeven bij een afwijking of planwijziging is een kwestie van situatiespecifiek maatwerk. Dit zal iedere keer opnieuw ingevuld en uitgewerkt moeten worden en in het wijzigingsplan of het afwijkingsbesluit vastgelegd moeten worden. Er zijn vele manieren om de kwaliteitsverbetering vorm te geven.

De kwaliteitsverbetering kan bijvoorbeeld bestaan uit:

  • het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur;
  • activiteiten die gericht zijn op het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;
  • het leveren van een fysieke bijdrage aan de realisering van de ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszones;
  • het slopen van bebouwing en het wegnemen van verharding.

Bij de vormgeving van de kwaliteitsverbetering van het landschap kan aangesloten worden op de kenmerken en kwaliteiten van het landschap ter plaatse en zoals beschreven in de diverse gebiedsvisies.

Aangezien er binnen het plangebied weinig ruimte is voor kwaliteitsverbetering en de gemeente Valkenswaard eigenaar is van de gronden, zal het merendeel financieel worden verrekend met verbeteringen elders in de gemeente.

Hoofdstuk 7 Planuitgangspunten

7.1 Algemeen

In de voorafgaande hoofdstukken is het beleid op hoofdlijnen aangegeven. In dit hoofdstuk is een aantal uitgangspunten voor het op te stellen bestemmingsplan Buitengebied 2 uitgewerkt. Deze uitwerking vormt de basis voor de planregels en de verbeelding. Daarbij is aangesloten op onder meer de digitale standaarden voor bestemmingsplannen (waaronder SVBP 2012 en IMRO 2012), het geldende bestemmingsplan Buitengebied 1 en het in procedure zijnde bestemmingsplan Buitengebied 2.

In dit bestemmingsplan is ervoor gekozen om zoveel mogelijk aan te sluiten op de mogelijkheden die het bestemmingsplan Buitengebied 1 biedt. Dit geldt zowel voor de regels als de verbeelding. Er kunnen echter redenen zijn om hiervan af te wijken, bijvoorbeeld:

  • als het gebruik inmiddels is gewijzigd, dan wordt het nieuwe gebruik bestemd, mits dit op legale wijze tot stand is gekomen;
  • wanneer het gebruik op korte termijn wordt gewijzigd, wordt het toekomstige gebruik alvast bestemd. Het gaat dan om ontwikkelingen die al een formele procedure hebben doorlopen, of waarvan al duidelijk is dat de ontwikkeling haalbaar is en dit ook uit uitgevoerde haalbaarheidsonderzoeken of verleende vergunningen blijkt.
  • als er nieuw beleid en/of wetgeving is opgesteld, kunnen de mogelijkheden uit het oude, vigerende plan niet meer of niet meer op dezelfde wijze vertaald worden in het nieuwe bestemmingsplan. In dergelijke situaties worden nieuwe regels opgenomen.
7.1.1 Toelichting

In de toelichting wordt een verantwoording van het bestemmingsplan gegeven, gespiegeld aan het geldende rijks- provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

7.1.2 Verbeelding

De verbeelding bestaat uit een ondergrond, waarop de diverse bestemmingen en aanduidingen zijn weergeven. Voor dit bestemmingsplan is als ondergrond de Basiskaart Grootschalige Topografie (BGT) gebruikt (schaal 1:1).

De verbeelding is opgebouwd op basis van een vaste systematiek, waarbij de bestemmingsgrenzen en aanduidingsgrenzen zijn gelegd (en in die volgorde van afweging) op:

  • 1. kadastrale grenzen;
  • 2. topografische grenzen;
  • 3. lijnen op de luchtfoto's.

Dit betekent dat de verbeelding op details af kan wijken van met name de verbeelding van de Vr N-B. Die is op andere schaal (1:25.000) getekend en het is aan de gemeente om de provinciale grenzen af te stemmen op de daadwerkelijke situatie.

Afwijkend van bovenstaande uitgangspunten kunnen lijnen van ontwikkelingsplannen opgenomen zijn die nergens aan te refereren zijn.

7.1.3 Regels

In de planregels is aangegeven wat de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn van de gronden met de desbetreffende bestemming/aanduiding.

7.1.4 Bijlagen bij toelichting en regels
7.1.4.1 Bijlagen bij de toelichting
7.1.4.2 Bijlagen bij de regels

7.2 Plansystematiek

Voor de bestemmingssystematiek heeft de gemeente de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • het bestemmingsplan moet voldoen aan de wettelijke vereisten van van Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012);
  • de systematiek dient zoveel mogelijk aan te sluiten op het geldende bestemmingsplan Buitengebied 1.

Voor de meest voorkomende bestemmingen zijn de volgende keuzes gemaakt voor de bestemmingsregeling, waarbij de tabel in 3.3.2.3 is toegepast.

7.2.1 Agrarisch

De keuze voor de bestemming Agrarisch of Agrarisch met waarden is gebaseerd op de verbeelding van bestemmingsplan Buitengebied 1 en zoneringen Gemengd Landelijk gebied en Groenblauwe mantel van de Vr N-B.

7.2.2 Natuur en landschap

De bestaande natuur- en bosgebieden zijn bestemd als 'Natuur'. De kleinere landschapselementen, zoals houtwallen- en singels, bosjes en afschermend groen zijn bestemd als 'Groen-landschapselement'.

De kenmerkende waarden hebben in het geldende bestemmingsplan een gebiedsaanduiding gekregen. In dit bestemmingsplan zijn deze gebiedsaanduidingen 'opgewaardeerd' tot de dubbelbestemming Waarde, waardoor de juridische verankering beter tot zijn recht komt.

7.2.3 Water

Er is één aan water gerelateerde bestemming ‘Waarde-Hydrologie’ waarin de (ondergrondse) waterbelangen zijn geborgd.

7.3 Sport

7.3.1 Vertaling naar het bestemmingsplan
7.3.1.1 Bestemmingen en aanduidingen t.b.v. sporten

Het Eurocircuit is bestemd als 'Sport' en voor de verschillende deelgebieden is een specifieke aanduiding op de verbeelding opgenomen. Binnen de bestemming 'Sport' zijn sportterreinen, sportieve en recreatieve doeleinden, de daarbij behorende voorzieningen en ondergeschikte horeca (kantines) toegestaan. Ook zijn de gronden bestemd voor de bij de bestemming horende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erven en terreinen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, wegen en paden. De volgende terreinen zijn opgenomen:

  • a. Het terrein van NRV zal worden aangeduid als 'autorcircuit'.
  • b. Het terrein van MSV zal worden aangeduid als 'motorcircuit',
  • c. Voor het terrein van TWC zal de aanduiding 'wielerbaan' worden opgenomen.
  • d. Het fietscrossterrein wordt aangeduid als 'specifieke vorm van sport – fietscrosswedstrijdterrein'.
  • e. Het terrein van de politiehondenvereniging wordt aangeduid als 'specifieke vorm van sport – hondentraining'.
  • f. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' wordt uitsluitend een parkeerterrein toegestaan. Andere activiteiten zijn uitgesloten.
7.3.1.2 Bebouwing

De oppervlakte van de nu toegestane gebouwen bedraagt 650 m2, aanwezig is 3.155 m2. Dit betekent dat afgewogen moet worden of legalisatie van het meerdere op zijn plaats is. Er is een analyse gemaakt (zie onderstaande tabel) waarbij de oppervlakte van de gebouwen is afgezet tegen de gebruiksoppervlakte (inclusief de gronden in de gemeente Bergeijk). Uit deze analyse blijkt dat het totale bebouwingspercentage nog geen 1,2% betreft. Voor sportbestemmingen is een percentage van 2% niet ongebruikelijk, maar om dit af te stemmen met sportbestemmingen in de buurgemeenten is gekeken naar de daar in het buitengebied opgenomen bouwmogelijkheden. In die bestemmingsplannen wordt per sport/locatie een maximale bebouwingsoppervlakte opgenomen. Ook blijkt dat er qua sportbestemmingen niet veel vergelijkbare voorzieningen zijn. Er bestaan vanuit ruimtelijke overwegingen geen bezwaren deze oppervlakte te legaliseren, niet in percentages, maar in m2.

Gebouwen Eurocircuit        
Functieaanduidingen   Terrein   Bestaand    
  oppervlak   oppervlakte   %  
Rallycrossterrein   87.650   1.143   1,30%  
Motorcrossterrein   92.530   714   0,77%  
Wielersportterrein   73.290   312   0,43%  
Fietscrossterrein   14.770   833   5,64%  
Hondensportterrein   9.370   153   1,63%  
Totaal bestemming Sport   277.610   3.155   1,14%  

Binnen de regels zal de bestaande oppervlakte aan de functie toegekend worden. Middels een afwijkingsbevoegdheid zal het mogelijke gemaakt worden gebouwen van verschillende functies samen te voegen voor gezamenlijke exploitatie.

7.3.1.3 Gebruiksregels voor het Eurocircuit (crossterreinen)

Het gebruiksprogramma zal worden omgezet in gebruiksregels en opgenomen worden in de omgevingsvergunningen milieu.

7.3.1.4 Kamperen/overnachten op het Eurocircuit

De terreinen binnen de bestemming 'Sport' van het Eurocircuit mogen bij de drie (sport) evenementen worden gebruikt voor overnachtingen in kampeermiddelen voor deelnemers en bezoekers. Hiervoor wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.

7.3.1.5 Parkeren voor het Eurocircuit

Op de hoek van de Victoriedijk/Kempervennendreef ligt een speciaal parkeerterrein van 2,5 ha bij de ingang naar het Eurocircuit.

De agrarische gronden tussen de nieuwe N69 en de voormalige vuilstort zijn bestemd als 'Agrarisch met waarden' en grotendeels aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - evenementenparkeerplaats'. Ter plaatse van deze aanduiding is parkeerterrein ten behoeve van het Eurocircuit toegestaan. In de regels is vastgelegd dat er per aanduiding (autocircuit en motorcircuit) niet meer dan 3 weekenden per kalenderjaar evenementen mogen plaatsvinden. De agrarische gronden worden dan ook niet meer dan 6 keer per jaar als parkeerterrein gebruikt.

Bij sportwedstrijden/-evenementen kan ook op de terreinen met de bestemming 'Sport' geparkeerd worden.

7.3.1.6 Klimbos

Ten behoeve van een klimbos is op de verbeelding de aanduiding 'specifieke vorm van sport – outdoorrecreatie' opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan met een bouwhoogte van maximaal 25 meter. Dit is een vervangende locatie voor een bedrijf op een ongewenste plek.

7.3.1.7 Voormalige vuilstort

De voormalige vuilstort is grotendeels bestemd als 'Groen – Landschapselement'. Specifiek voor de voormalige vuilstort is de gebiedsaanduiding 'milieuzone – voormalige vuilstort' opgenomen. Hiervoor geldt een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

7.3.2 Algemeen

Activiteiten die onder de hoofdgroep Sport vallen en van een zodanige omvang of planologische impact zijn dat een eigen bestemming passender is dan een functieaanduiding krijgen de bestemming Sport.

7.3.3 Eurocircuit

Voor het gebied dat nu bekend staat als het "Eurocircuit" geldt het Plan in hoofdzaak uit 1964 en het bestemmingsplan Buitengebied 1977.

In 1971 werd het Eurocircuit het eerste permanente rallycrosscircuit ter wereld geopend. Daaraan ontleent het gebied dan ook zijn naam. Door verschillende activiteiten en evenementen op het gebied van auto- en motorsport is het Eurocircuit op de internationale kaart gezet. Het televisieprogramma 'Ter land, ter zee en in de lucht, met specifiek de onderdelen het 'Achteruitrijden' en de 'Caravanrace' heeft de naamsbekendheid in Nederland extra vergroot. Nu levert de Proproloog Dakar de naamsbekendheid op.

Naast de rallycross en de motorcross zijn een toer- en wielerclub en een fietscrossclub op het terrein gevestigd en is de (politie) hondenvereniging op het terrein gehuisvest. Aan de hand van de verschillende inrichtingen is het gebied te verdelen in verschillende deelgebieden. De deelgebieden zijn in de volgende paragrafen toegelicht.

7.3.3.1 Nederlandse rallycrossvereniging (NRV)

Op het terrein van de NRV is een ruim 1.000 meter lang en minimaal 10 meter breed autoparcours aanwezig. Dit parcours is voor 60% geasfalteerd en de overige 40% is voorzien van een leem- en gravellaag. Op het binnenterrein van het parcours zijn verschillende faciliteiten aanwezig, waaronder de wedstrijdtoren, een kantoor, een hefbrug/weegbrug, het medisch centrum, het perscentrum, de wasplaats, douches en toiletten en een restaurant.

7.3.3.2 Motorsport Stichting Valkenswaard (MSV)

Op het terrein van de MSV is een circa 2.000 meter lang en minimaal 8 meter breed motorparcours aanwezig. Dit parcours is volledig onverhard en is voorzien van springbulten. Voor het overige zijn er op het terrein van de MSV zelf weinig faciliteiten aanwezig. De meeste faciliteiten van de MSV liggen namelijk op het binnenterrein van de NRV.

7.3.3.3 Toer- en Wielerclub De Kempen (TWC De Kempen)

Op het terrein van TWC De Kempen is een wielerparcours van 1.600 meter lang aanwezig. Op het binnenterrein van het wielerparcours wordt elk jaar een nieuw veldcrossparcours uitgezet. Bij de ingang van het terrein aan de Monseigneur Smetsstraat is een clubgebouw aanwezig. Dit clubgebouw is enkele jaren oud en biedt alle benodigde voorzieningen. Het clubgebouw is met een tijdelijke bouwvergunning gerealiseerd. In het huurcontract van TWC De Kempen staat dat, wanneer de MSV een groot evenement heeft, de wielerclub haar terrein moet afstaan ten behoeve van het parkeren.

7.3.3.4 FCC Lion d'Or

FCC Lion d'Or is een fietscrossclub. Op het terrein heeft de club een nationaal en internationaal erkende crossbaan gerealiseerd. Naast de normale trainingen en clubwedstrijden organiseert de club één grote wedstrijd (EK, topcompetitie) per jaar.

7.3.3.5 Politiehondenvereniqing De Verdediger

Het terrein van de politiehondenvereniging bestaat voor het grootste deel uit grasland. Op dit terrein zijn enkele toestellen aanwezig ten behoeve van het trainen en africhten van honden. Tevens is op het terrein een clubgebouw aanwezig.

7.3.3.6 Bebouwing

De bestaande gebouwen binnen de bestemming Sport zijn geïnventariseerd en daaruit komen de volgende getallen naar voren:

afbeelding "i_NL.IMRO.0858.BPeurocircuit-ON01_0023.png"

Op dit moment is slecht 650 m2 toegestaan, maard e bebouwingspercentages zijn niet van dien aard dat legalisering niet acceptabel is. Er wordt duidelijk voorzien in een behoefte anders was het niet gebouwd. Per functie is de maximaal bebouwde oppervlakte aangegeven voor gebouwen. Via een afwijkingsbevoegdheid is een kleine uitbreiding (5%) mogelijk gemaakt.

7.3.3.7 Parkeren

Ten zuiden van de Victoriedijk ligt een 2,5 hectare groot grasveld dat is bedoeld als parkeerterrein voor het Eurocircuit.

De agrarische gronden en de daarin gelegen zandweg tussen de nieuwe N69 en de voormalige vuilstort zijn bedoeld als evenementenparkeerplaats voor de 2x3 sportevenementweekenden die per kalenderjaar mogen plaatsvinden, de agrarische gronden worden dan ook niet meer dan 6 keer per jaar als parkeerterrein gebruikt en behouden daarom de agrarisch bestemming.

7.3.4 Overige functies

De voormalige vuilstort is in overeenstemming met de geldende bestemming een groengebied en krijgt de bestemming 'Groen - landschapselement'. Dezelfde bestemming wordt toegekend aan een bosschage aan de kant van de Kempervennendreef. De voormalige vuilstort zelf kent geen planologische bescherming en daarin wordt nu voorzien d.m.v. een aanduiding met daaraan gekoppeld omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

Voor de gronden die in de Verordening ruimte van de provincie zijn aangeduid als ecologische hoofdstructuur, is de bestemming 'Natuur' opgenomen.

In het bosgebied ten noorden van de voormalige vuilstortplaats wordt een klimbos gerealiseerd.

7.3.5 Evenementen

Het woord 'evenement' levert op zich nogal wat onduidelijkheid op, omdat een evenement de ene keer direct binnen de regels toelaatbaar is (bv. een clubkampioenschap of een toernooi wordt ook al snel als evenement aangeduid) en de andere keer niet. De laatst bedoelde evenementen zijn in twee groepen onder te verdelen:

  • 1. Bestemmingsevenementen.
  • 2. Algemene evenementen.
7.3.5.1 Bestemmingsevenementen

Diverse (sport)verenigingen en (sport)bedrijven houden jaarlijkse evenementen die gekoppeld zijn aan hun sport, zoals NK-/EK-/WK-kampioenschappen voor de rally-, motor- en fietscrosssport en de Preproloog Dakar. Deze worden als passend binnen de bestemming beoordeeld. Alleen het parkeren e.d. vindt incidenteel plaats buiten de bestemmingen op percelen in de directe omgeving. Zie verder 7.3.5.3 Evenementparkeren.

Een uitzondering hierop zijn twee parkeervoorzieningen nabij het Eurocircuit, één bestaande en één nieuwe tussen het Eurocircuit en de westparallel N69.

7.3.5.2 Algemene evenementen

De gemeente kent voor de algemene evenementen met een eigen evenementenregeling. Op de parkeerplaats aan de Victoriedijk kunnen incidenteel evenementen toegestaan worden. Daarcoor wordt een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.

7.3.5.3 Evenementparkeren

Al deze evenementen kennen knelpunten als het gaat om bereikbaarheid en een grote vraag om parkeerruimte in kleine piekperiodes. Het parkeren e.d. vindt tot op heden (deels) plaats buiten de bestemmingen en daarvoor worden nu nog afwijkingprocedures op basis van artikel 4 lid 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht doorlopen, omdat het niet wenselijk en veelal ook niet mogelijk is deze binnen een begrenzing vast te leggen. De tijdelijke parkeerlocatie is meestal niet in eigendom en de locatie kan van jaar op jaar verschillen. Het draagt ook niet bij aan de kwaliteit van het buitengebied om op veel verschillende locaties grote parkeerterreinen aan te leggen voor deze enkele piekmomenten in het jaar. Om het buitengebied leefbaar en mooi te houden wordt daarom ingezet op het opvangen van dat tijdelijk en meest weekend-parkeren op al bestaande parkeerterreinen zoals bijvoorbeeld de parkeergarages op de High Tech Campus of wellicht het benutten van de parkeerterreinen op bedrijventerreinen zoals de Schaapsloop of bij ASML e.d.. Dit vergt echter nog de nodige inzet en tijd.

7.3.6 Omgevingsaspecten

De bestaande activiteiten op het Eurocircuit en in de omgeving van het Eurocircuit, zijn vastgelegd in voorliggend bestemmingsplan. Voor de juridische regeling is aangesloten bij de vergunde situatie. Omdat er sprake is van een m.e.r.-plicht is het niet nodig om hier apart in te gaan op de omgevingsaspecten bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, water, archeologie en landschap (zie paragraaf 5.8 M.e.r.plicht).

7.4 Archeologie en cultuurhistorie

7.4.1 Archeologie

Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. In de bestemmingsplanregels is conform de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg een regeling voor de omgang met archeologische waarden opgenomen.

De gemeenten Oirschot, Reusel-De Mierden, Bladel, Eersel, Bergeijk, Heeze-Leende, Cranendonck, Waalre en Valkenswaard hebben in 2009 aan de SRE Milieudienst (nu ODZOB) opdracht gegeven om een regionaal Beleidsplan Archeologische Monumentenzorg en een gemeentelijke Erfgoedkaart op te stellen, waarin zowel de archeologische waarden en verwachtingen als de cultuurhistorische waarden zijn opgenomen. Dit beleid heeft de raad van de gemeente Valkenswaard in juli 2012 vastgesteld.

De bijbehorende kaart, de Archeologische Beleidskaart gemeente Valkenswaard, is op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan opgenomen. Er zijn zeven archeologische categorieën:

  • a. Categorie 1: Beschermde archeologische monumenten;
  • b. Categorie 2: Gebied van archeologische waarde;
  • c. Categorie 3: Gebied met een hoge archeologische verwachting, historische kern;
  • d. Categorie 4: Gebied met een hoge archeologische verwachting;
  • e. Categorie 5: Gebied met een middelhoge archeologische verwachting;
  • f. Categorie 6: Gebied met een lage archeologische verwachting;
  • g. Categorie 7: Gebied zonder archeologische verwachting.

Bepalend voor of ergens zonder vergunning gegraven mag worden, is de categorie van de archeologische (verwachtings)waarde, het type gebied (wel of niet agrarisch) de omvang van de bodemingreep en de diepte van de bodemingreep. Wanneer een ingreep de gestelde grenzen te boven gaat, zal een omgevingsvergunning moeten worden aangevraagd. Het bestemmingsplan kent een wijzigingsbevoegdheid om de dubbelbestemmingen met de archeologische waarden aan te passen of te verwijderen. Hierbij wordt advies ingewonnen bij de archeologisch deskundige (de Omgevingsdienst ZuidOost Brabant (ODZOB)). In het bestemmingsplan zijn alleen regels opgenomen voor categorie 2 t/m 6. De archeologische monumenten zijn op basis van nationale wetgeving reeds beschermd. Categorie 7 behoeft geen nadere bescherming.

Deze regels blijken ommissies te bevatten en zijn voor de toetsers verwarrend. kunnen vereenvoudigd worden. Met de regioarcheloog is vooroverleg gepleegd over een versimpeling van de regels. Nu is die onderverdeeld in regels voor bouwen en regels voor werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden, terwijl het om de daadwerkelijke verstoring gaat ongeacht waardoor die veroorzaakt wordt. De twee sets regels zijn samengevoegd tot een set verstoringsregels. Door middel van onderhavige herziening worden de regels die in het bestemmingsplan zijn opgenomen aangepast.

7.4.2 Cultuurhistorie

De provincie Noord-Brabant heeft in de Vr N-B aangegeven dat de cultuurhistorische vlakken beschermd dienen te worden. Plannen, projecten of handelingen zijn niet toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Dit betekent dat het bestemmingsplan moet voorzien in een beschermende regeling (zoals een vergunningenstelsel) en waar nodig verbodsbepalingen.

Deze cultuurhistorische vlakken komen in dit plan niet voor.

7.5 Milieu en water

7.5.1 Waterbestemmingen

In het bestemmingsplan is één bestemming opgenomen om de (ruimtelijk relevante) waterbelangen te regelen. Het gaat om de bestemming Waarde-Hydrologie (dubbelbestemming).

7.5.1.1 Waarde-Hydrologie

De dubbelbestemming ‘Waarde - Hydrologie’ is een verzamelnaam voor een aantal watergerelateerde waarden. Daarbij zijn uit de Vr N-B de volgende zoneringen betrokken:

  • het 'attentiegebied NNB’, waarmee wordt beoogd de grondwaterstand te beschermen ten behoeve van het Natuurnetwerk Brabant;
  • het 'behoud en herstel watersystemen';
  • het ‘reserveringsgebied waterberging’;

Uitgangspunt voor de gemeente is het plan leesbaar en zo eenduidig mogelijk te houden. Het opnemen van verschillende (dubbel)bestemmingen en aanduidingen ter bescherming van de hydrologische waarden draagt bij tot een nodeloos ingewikkelde planregeling, terwijl het uiteindelijke doel hetzelfde is: het beschermen van de hydrologische waarden en het voorkomen van schadelijke ingrepen. Dit is in één bestemming ‘Waarde - Hydrologie’ te ondervangen.

De dubbelbestemming bevat afwijkingsmogelijkheden, waarbij een onafhankelijk deskundige wordt geraadpleegd. Hiermee wordt het waterschap De Dommel bedoeld.

7.5.2 Duurzame energie

Duurzame energie gaat over de duurzame opwekking (zonder gebruik te maken van fossiele brandstoffen) van warmte en elektriciteit. Duurzame energie heeft betrekking op onder andere zonne-energie, windenergie en bio-energie. Binnen het bestemmingsplan worden de eerste twee methoden mogelijk gemaakt in het kader van een transitie naar een duurzaam Eurocircuit.

  • Zonne-energie: Er kan gebruik worden gemaakt van zonlicht door de oriëntatie van een woning op het perceel, en/of door gebruik te maken van zonnecellen of -panelen. Voor de zongerichte oriëntatie geldt dat dit buiten de werkingsfeer van dit bestemmingsplan valt. De mogelijkheden voor zonnepanelen vallen binnen de bouwregels van het bestemmingsplan.
  • Windenergie: Windenergie wordt opgewekt door middel van windmolens. Binnen het bestemmingsplan gaat het om kleinschalige vormen van windenergie. De mogelijkheden voor kleinschalige windmolen vallen binnen de bouwregels van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 8 Juridische regeling

8.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een (digitale) verbeelding, regels en toelichting. De basis daarvoor ligt in de verplichte toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen uit 2012 (SVBP 2012). Daarin zijn een aantal verplichtingen opgenomen voor het opstellen van een bestemmingsplan.

De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van dit plan. Beide onderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).

De toelichting heeft geen juridisch bindende werking, aangezien zij in juridisch opzicht geen onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Zij heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van bepaalde regels. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridisch bindende regels. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en de regels over de toegelaten bebouwing. De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels en bestaat uit twee artikelen. Artikel 1 geeft een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen. Artikel 2 geeft aan hoe bepaalde afstanden, maten, oppervlakte en inhoud gemeten moeten worden.
  • Hoofdstuk 2 bevat de verschillende bestemmingen. Per bestemming wordt aangegeven welke functies en doeleinden op de gronden toelaatbaar zijn en wat er hoe er mag worden gebouwd. Ook de dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen.
  • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels, waarbij onder andere gedacht moet worden aan de anti-dubbeltelbepaling en de algemene afwijkingsregels.
  • Hoofdstuk 4 bevat regels met betrekking tot het overgangsrecht en de slotregel.

8.2 Toelichting op de planregels

8.2.1 Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en wijze van meten. Een aantal begrippen en Wijzen van meten zijn verplicht op te nemen en geredigeerd vanuit de SVBP 2012. Aanvullingen mogen daarop wel plaatsvinden, maar inperkingen niet.

8.2.1.1 Begripsbepalingen

Deze geven aan wat onder een bepaald begrip wordt verstaan, om te voorkomen dat er interpretatieverschillen kunnen ontstaan.

8.2.1.2 Wijze van meten

In dit artikel regels gegeven over hoe de in het bestemmingsplan opgenomen maten moeten worden gemeten.

8.2.2 Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels.

Dit hoofdstuk kent enkelbestemmingen en dubbelbestemmingen.

Hierin worden per bestemming regels gegeven voor het gebruik en de bebouwing van de onderliggende gronden. De regels kennen allen eenzelfde opbouw die voortvloeit uit de verplicht toe te passen SVBP 2012. Aanvullingen zijn toegestaan.

De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd.

De bouwregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van grond en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving.

Een dubbelbestemming is een bestemming die ook aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd een enkelbestemming en soms geldt er ook een dubbelbestemming, soms zelfs meerdere. In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Dubbelbestemmingen betreffen meestal te beschermen gebieds- en/of bodemwaarden, belangrijke leidingen of waterstaatsbelangen.

Daarnaast kan er binnen een bestemming ook een aanduiding zijn opgenomen. Een aanduiding is een teken op de verbeelding (een lijn, figuur, lettercode, etc.). Via een aanduiding wordt in de regels iets specifiek geregeld. Dit kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken.

8.2.3 Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3 bevat algemeen geldende regels, los van en aanvullend op alle bestemmingsregels. Dit betreft regels voor:

  • bouwen, gebruik en afwijkingingen is opgenomen;
  • aanduidingsregels met met betrekking tot de bescherming van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, monumentale bomen, veiligheidsafstanden van leidingen met gevaarlijke stoffen en milieuzones.
  • prioriteitsbepaling tussen enkelbestemming en dubbelbestemming tussen de dubbelbestemmingen onderling.
8.2.4 Hoofdstuk 4

Tenslotte bevat het bestemmingsplan in hoofdstuk 4 regels voor het overgangsrecht voor bouwen en gebruik en de naamgeving van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 9 Uitvoeringsaspecten

9.1 Handhaving

Een van de uitgangspunten bij het ontwikkelen van een bestemmingsplan is dat het plan handhaafbaar dient te zijn. De begrippen toezicht en handhaving definiëren wij als "elke handeling van de gemeente die er op is gericht de naleving van rechtsregels te bevorderen of een overtreding daarvan te beëindigen".Handhaving van het ruimtelijke beleid is een voorwaarde voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.1 Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders zorg dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Wro. Uitvoering van de bestuursrechtelijke handhaving geschiedt conform de gemeentelijke handhavingsstrategie, die opgenomen is in het handhavingsbeleidsplan. Daarnaast vallen overtredingen van het bestemmingsplan onder de Wet op de economische delicten. Het betreft hier de activiteiten die in de planregels worden genoemd onder gebruiksverbod en bouwverbod. Deze strafrechtelijke handhaving is in het leven geroepen om ernstige onomkeerbare gevolgen, zoals het afbreken van monumentale panden, te voorkomen.Als een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld en op termijn een ander ruimtelijk rechtsregiem gaat gelden, dient de gemeente op een bepaald ijkmoment inzicht te hebben, wat er feitelijk aan bouwwerken in een gebied aanwezig is, hoe deze en de onbebouwde omgeving worden gebruikt. Dit wordt bij het opstellen van het bestemmingsplan geïnventariseerd.Reeds bij de totstandkoming van een bestemmingsplan dient terdege aandacht te worden besteed aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Om een goed handhavingsbeleid mogelijk te maken moeten doelstellingen duidelijk aangegeven worden. Op basis van een risico-analyse en aandachtspunten worden prioriteiten gesteld en wordt de handhavingsorganisatie zodanig ingericht dat gestelde doelen bereikt kunnen worden. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid.

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. Met het oog hierop heeft de wet in de bestemmingsplanprocedure in ieder geval een aantal verplichte inspraakmomenten ingebouwd.
  • 2. Voldoende draagvlak voor het beleid en de regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van het bestemmingsplan. Uiteraard kan niet een ieder zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk.
  • 3. Inzichtelijke en realistische regeling. Een juridische regeling dient inzichtelijk en realistisch te zijn. Dit houdt in: helder van opzet, niet onnodig beperkend of inflexibel en goed controleerbaar. De regels behoren dan ook niet meer dan noodzakelijk is te regelen.
  • 4. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien deze maatregelen achterwege blijven, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. De rechtssituatie gaat specifiek een rol spelen als in het kader van toezicht en handhaving teruggegrepen moet worden op het overgangsrecht, zoals dat in het geldend bestemmingsplan is beschreven. Op grond van het overgangsrecht is met objectieve feiten vast te stellen hoe de rechtssituatie is en of er bouw- en of gebruiksregels worden overtreden.

Door een inzichtelijk plan te maken is zoveel mogelijk evenwicht gezocht tussen de zeer diverse waarden die beschermd moeten worden, de verschillende ontwikkelingen die mogelijk zouden moeten zijn, de voorwaarden die daarbij dan gesteld moeten worden, en de afstemming met de beleidslijnen van bijvoorbeeld waterschap, provincie, et cetera.Handhaving van gebruiks- en aanlegregels wordt algemeen als knelpunt ervaren. Teneinde de handhaafbaarheid te bevorderen worden de aanwezige kwaliteiten zo specifiek mogelijk op de verbeelding weergegeven.

Handhaving blijft in het buitengebied een belangrijk thema. Ook in dit bestemmingsplan is handhaving een thema:

  • In het kader van de voorbereiding van dit bestemmingsplan is het gebied geïnventariseerd. Er zijn strijdige situaties gesignaleerd.
  • Daarnaast zijn er reeds bestaande handhavingsgevallen bekend. Deze worden getoetst aan de nieuwe beleidsuitgangspunten.

Waar deze gevallen in overeenstemming zijn met de nieuwe beleidsuitgangspunten worden ze in dit bestemmingsplan positief bestemd. Waar er sprake is van strijdigheid wordt conform het reguliere handhavingsbeleid van de gemeente, een handhavingsactie in gang gezet.

9.2 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit ook een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°,onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Aangezien de gemeente Valkenswaard zelf initiatiefnemer is en eigenaar van de gronden waar het bestemmingsplan op gericht is, is een exploitatieplan niet noodzakelijk.

9.2.1 Consoliderend plan

Het bestemmingsplan is in beginsel een consoliderend bestemmingsplan, waarbij de bestaande situatie in het plangebied met actuele bouw- en gebruiksregels, in overeenstemming met het provinciale beleid en met inachtneming van de verplichte sectorale toetsen, wordt vastgelegd.

9.2.2 Planschade

De enige kosten, die verder uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn planschadekosten. Deze zijn op voorhand niet uit te sluiten. De gemeente zal daarom bij iedere aanvraag bezien of er planschade kan ontstaan. Indien dit het geval kan zijn, zal met de belanghebbende aanvrager een overeenkomst worden gesloten, zoals bedoeld in artikel 6.4a van de Wet ruimtelijke ordening. Daarmee kan worden voorkomen, dat de gemeenschap de planschadekosten moet betalen, die gemaakt worden in het belang van de aanvrager. Een verdergaande toets ten aanzien van de financieel-economische uitvoerbaarheid is niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 10 Overleg en inspraak

10.1 Voorontwerp

Het voorontwerp-bestemmingsplan Eurocircuit heeft in overeenstemming met de voorgeschreven wettelijke procedure volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vanaf xxxxxxxxxxx gedurende een periode van vier weken, voor een ieder analoog en digitaal ter inzage gelegen. Van de te doorlopen procedure en de daaraan verbonden ter inzage termijn is openbare kennisgeving gedaan volgens de wettelijk voorgeschreven informatiebronnen, te weten de Kempener Koerier en de Staatscourant. Ook is het plan gepubliceerd en te raadplegen geweest op de gemeentelijke website en op www.ruimtelijkeplannen.nl gedurende de ter inzage termijn. Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg, ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, opgestuurd aan instanties die bij de planvorming betrokken dienen te worden.

In de genoemde periode van vier weken zijn XXX inspraak- en overlegreacties binnengekomen. Deze zijn samengevat en beantwoord in een separate nota, die als Bijlage 10 bij dit bestemmingsplan is gevoegd.

10.2 Ontwerp

Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening vanaf .............................. ter inzage gelegen en is ook gepubliceerd op de voorgeschreven wijze gepubliceerd. De zienswijzen zijn in de 'Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen ontwerpbestemmingsplan Buitengebied 2’ samengevat. Vervolgens is aangeven wat het standpunt van de gemeente is ten aanzien van de zienswijze en of deze wel of geen gevolgen heeft voor het vast te stellen bestemmingsplan. De Nota zienswijzen is als Bijlage 10 bij het bestemmingsplan gevoegd.