Buitengebied De Voorste Stroom, 3e wijziging (Broekstraat 8)
| Status: | vastgesteld |
| Identificatie: | NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001 |
| Plantype: | wijzigingsplan |
Toelichting
Inhoudsopgave
1.1 Aanleiding voor wijzigingsplan
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders
4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
Hoofdstuk 8 Burgerparticipatie en overleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Hoofdstuk 1 Inleiding
1.1 Aanleiding voor wijzigingsplan
Er is een verzoek ingediend om wijziging van het bestemmingsplan "Buitengebied De Voorste Stroom" voor de herbouw en gedeeltelijke renovatie van een boerderij aan de Broekstraat 8 in Tilburg.
Het plan van initiatiefnemer betreft de sloop van de bestaande bebouwing en nieuwbouw van de boerderij, met uitzondering van de voorgevel. Uit cultuurhistorische overwegingen is het waardevol om deze gevel te renoveren en te behouden. Ook de spanten van de schuur worden hergebruikt. De totale bebouwde oppervlakte zal afnemen. De initiatiefnemer is voornemens om een bed & breakfast te realiseren gericht op paardenmennerij. Er is plaats voor twee eigen paarden, twee logeerpaarden, 4-6 schapen en ca. 6 kippen. Daarnaast wordt er een zorgelement ingebracht in de vorm van dagbesteding voor ouderen en komt er een biologische groentetuin. De gronden rondom de boerderij zullen landschappelijk worden ingepast.
De bestaande boerderij heeft in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied De Voorste Stroom" de bestemming Agrarisch-Agrarisch bedrijf. Het nieuwe bouwplan past niet in deze bestemming, want het bedrijf is verdwenen en maakt plaats voor een burgerwoning. In het moederplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming Agrarisch-Agrarisch bedrijf te wijzigen naar de bestemming Wonen-Buitengebied. In onderhavig wijzigingsplan wordt hiervan gebruik gemaakt.
Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanwijziging waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
1.2 Het plangebied![i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402000.png [image]](i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402000.png)
Het plangebied omvat de kadastrale percelen Tilburg, sectie V, nrs. 219 en 273 en is gelegen aan de Broekstraat 8, 5018 TD in Tilburg. Het plangebied is gelegen in buitengebied de Voorste Stroom. In figuur 1 is de ligging van het plangebied in de gemeente Tilburg weergegeven en figuur 2 geeft een detailoverzicht van de nabijgelegen percelen.
Figuur 1 - ligging plangebied in gemeente Tilburg (rode stip)
1.3 Voorgaande plannen
Dit wijzigingsplan vervangt ter plaatse van haar plangebied het bestemmingsplan Buitengebied De Voorste Stroom, vastgesteld door de gemeenteraad op 14 december 2009.
![i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402001.png [image]](i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402001.png)
Figuur 2 - detailoverzicht kadastrale percelen
Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied
2.1 Ruimtelijke structuur
Het plangebied is gelegen in Buitengebied de Voorste Stroom. Dit gebied maakt onderdeel uit van een van oudsher agrarisch cultuurlandschap dat is opgebouwd uit diverse landschapstypen (zie figuur 3).
Het oude bebouwingslint Oisterwijksebaan-Broekstraat-Zandstraat vormt de overgang van dekzandrug naar het beekdal van de Voorste Stroom. Hier staan veelal typerende langgevelboerderijen. De boerderij aan de Broekstraat 8 is er een van en is gelegen net op de grens van het beekdal.
Het beekdallandschap heeft een kleinschalige verkaveling van weilanden, perceelrandbegroeiing, natuurgebieden, beeklopen en (broek)bossen. De laaggelegen graslanden in het beekdal vertonen kenmerken van de typische dwarsverkaveling (loodrecht op de beek). Bovendien komen er kleine moerasgebieden voor en er is veel opgaande beplanting aanwezig op de kavelgrenzen. Het dekzandruggenlandschap ten noorden van het bebouwingslint heeft een relatief grootschalig patroon van bouwlandkavels en open akkercomplexen met opgehoogde, bolvormige akkers.
![i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402002.png [image]](i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402002.png)
Figuur 3 - landschapstypen Buitengebied De Voorste Stroom
2.2 Functionele structuur
Het gebied rondom het plangebied kent overwegend een agrarisch grondgebruik. In het gebied zijn voornamelijk grondgebonden landbouwbedrijven te vinden. Dit betekent dat de meeste agrarische bedrijven afhankelijk zijn van de bodemgeschiktheid. De bodemgeschiktheid is afhankelijk van de grondsoort en de grondwaterstand.
Het gebied ten noorden van de Oisterwijksebaan, Broekstraat en Zandstraat is zeer geschikt voor allerlei vormen van grondgebonden teelten. Het gedeelte ten zuiden van de Oisterwijksebaan, Broekstraat en Zandstraat en ten noorden van de Voorste Stroom is vooral geschikt voor grasland. Het beekdal ten zuiden van de Voorste Stroom is te nat voor landbouw. Hier wordt vooral broekbos aangetroffen.
2.3 Technische infrastructuur
Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader
3.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit wijzigingsplan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader. Het ruimtelijk beleidskader op rijksniveau wordt enkel op hoofdlijnen besproken. Volgens de Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant is het plan gelegen buiten stedelijk gebied. Om die reden en met oog op de verplichting kwaliteitsverbetering landschap wordt het provinciale ruimtelijk beleidskader iets uitvoeriger besproken.
3.2 Rijk
3.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking
Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijke besluit de zogenoemde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt
Art. 1.1.1. Bro definieert stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.
Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. Deze stappen zijn:
![i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402003.png [image]](i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402003.png)
Figuur 4 - Ladder voor duurzame verstedelijking
Met dit wijzigingsplan wordt de gedeeltelijke renovatie en herbouw van een woning (woonboerderij) aan de Broekstraat 8 mogelijk gemaakt. De voorgenomen omzetting van het gebruik en herbouw verlangt vanwege het beperkte aantal geen toetsing en onderbouwing ingevolge de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.3 Provincie
3.3.1 Structuurvisie
Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die op 1 oktober 2010 werd vastgesteld door Provinciale Staten.
In de Structuurvisie geeft de provincie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie, maar bindt gemeenten niet rechtstreeks. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De visie geeft een ruimtelijke vertaling van de opgaven en doelen uit de Agenda van Brabant. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid.
De nieuwe structuurvisie is opgetrokken rondom drie onderwerpen. Dat zijn:
De kwaliteit van het landschap;
De ontwikkeling van het buitengebied;
De regionale verstedelijking.
Inhoud van de Structuurvisie
Deel A
Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. In haar sturing biedt zij gemeenten meer ruimte om afwegingen te maken in een aantal vooraf gestelde kaders. Daarnaast zet de provincie zelf een aantal ontwikkelingen in gang. De provinciale filosofie is: ‘Samenwerken aan kwaliteit’. De provincie realiseert haar doelen op vier manieren: door regionaal samen te werken, te ontwikkelen, te beschermen en te stimuleren.
Deel B
In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Voor iedere structuur formuleert de provincie ambities en beleid. Per beleidsdoel is aangegeven welke instrumenten de provincie inzet om haar doelen te bereiken.
Deel C
Deel C betreft het deel van de Interimstructuurvisie, dat vanaf 1 januari 2011 van kracht blijft. Het is de onderbouwing voor locatiekeuze, nut en noodzaak van de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk (LPM) en Agro & Food Cluster West-Brabant (AFCWB).
Uitwerking van de Structuurvisie
De provincie gaat geen aparte ruimtelijke visie op het landschap ontwikkelen, maar geeft die onder andere vorm in de Uitwerking gebiedspaspoorten. Daarin beschrijft de provincie welke landschapskenmerken zij op regionaal niveau van belang vindt en hoe deze versterkt kunnen worden. In de uitwerking beschrijft de provincie twaalf Brabantse landschapstypen. Voor elk landschapstype geeft zij de kenmerkende landschapskwaliteiten en haar ambitie om deze kwaliteiten te versterken bij nieuwe ontwikkelingen. Hiermee wil de provincie gemeenten en initiatiefnemers stimuleren om de kwaliteit van het Brabantse landschap te versterken. De Uitwerking gebiedspaspoorten is niet verplichtend, maar biedt een handreiking. Tilburg ligt in het gebiedspaspoort van De Meierij.
Daarnaast zijn er deelstructuurvisies opgesteld. Deelstructuurvisies bevatten de onderbouwing van een locatiekeuze, visie op een thema of inrichting van een gebied. De huidige deelstructuurvisies zijn niet van toepassing op Tilburgs grondgebied.
3.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant 2014
Provinciale Staten van Noord Brabant hebben in hun vergadering van 10 juli 2015 de Verordening ruimte 2014 opnieuw vastgesteld. Deze verordening is op 15 juli 2015 in werking getreden.
In de Verordening ruimte staan regels aarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks.
Relatie met de structuurvisie
De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen.
Inhoud
Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn:
ruimtelijke kwaliteit;
stedelijke ontwikkelingen;
natuurgebieden en andere gebieden met waarden;
agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij;
overige ontwikkelingen in het buitengebied.
Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten.
Kwaliteitsverbetering landschap
Artikel 3.2 van de Verordening ruimte omvat de verplichting om bij ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied bij te dragen aan een fysieke verbetering van de aanwezige of potentële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving. De toelichting op het bestemmingsplan bevat hiertoe een verantwoording van de wijze waarop de bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is gewaarborgd.
Het voorliggende plan betreft een wijziging van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' naar de bestemming 'Wonen-Buitengebied' op een perceel gelegen in het buitengebied. Voor deze ontwikkeling moet circa 20% van de waardevermeerdering van de betreffende gronden worden geïnvesteerd in kwaliteitsverbetering van het landschap. Uit een door de initiatiefnemer overlegd landschapsplan en briefrapportage blijkt op welke wijze de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt verbeterd.
De initiatiefnemer investeert in de volgende onderdelen:
landschappelijke inpassing van bebouwing en bestemmingsvlakken (zie Bijlage 1 Landschapsplan);
aanleg en herstel van natuur- en landschapselementen ter versterking van de landschapsstructuur (zie Bijlage 2 Briefrapportage);
fysieke inrichtingsmaatregelen gericht op behoud en herstel van cultuurhistorie (zie Bijlage 2 Briefrapportage);
sloop (afname van ruim 500 m² bebouwd oppervlak).
Om te verzekeren dat de initiatiefnemer zorg draagt voor de hiervoor genoemde kwaliteitsverbetering landschap is met hem een 'overeenkomst kwaliteitsverbetering landschap' gesloten. In deze overeenkomst is gesteld welk bedrag minimaal door de initiatiefnemer voor de kwaliteitsverbetering landschap dient te worden geïnvesteerd en op welke wijze dit geïnvesteerd wordt. Daarnaast is in de wijzigingsbevoegdheid van het moederplan vermeld dat wijziging naar de bestemming 'wonen-buitengebied' mogelijk is, mits (o.a.): "op basis van een inpassingsplan wordt gezorgd voor een goede landschappelijke inpassing". Daarmee is de landschappelijke inpassing in ieder geval óók juridisch-planologisch geborgd.
3.4 Gemeente
3.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040
Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.
De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.
People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.
Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.
Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:
de Brabantstrategie
de Regiostrategie
de Stadsstrategie.
Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking
Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.
Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.
Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.
Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten:
Binnenstad van de 21e eeuw
Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing
Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven
Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant
De drie stadsregionale parken zijn:
Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven
Stadsregionaal park Stadsbos013
Stadsregionaal park Noord
De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad
Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn:
Bedrijvenpark Zuid
Zorgcluster Leijpark
Duurzaam energielandschap Noord
De twee ecologische verbindingszones:
Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied.
Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen.
De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat
De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.
Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:
Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten
Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk
Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding.
Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners
Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal
Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar
Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen
Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers
Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in
het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.
3.4.2 Verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP)
Het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP) is het vervolg van de Structuurvisie Water en Riolering Tilburg (SWR). Daarin geeft Tilburg haar beleidsmatige invulling aan de gemeentelijke zorgtaken voor afval-, hemel-, en grondwater. Deze zorgplichten zijn gewijzigd per 1 januari 2008, waardoor gemeentelijke taken zijn uitgebreid. Daarnaast heeft Tilburg er expliciet voor gekozen overige waterdossiers te actualiseren en eveneens op te nemen in het vGRP.
Hoofdstuk 4 Thematische beleidskaders
4.1 Inleiding
In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit wijzigingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
4.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand
Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd, onder de titel ´Welstandsnota 2004. Meer aandacht waar dat moet, meer vrijheid waar dat kan´.
Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad besloten tot actualisering van de Welstandsnota 2004. Voor een gedetailleerde beschrijving van de thans geldende regeling wordt verwezen naar de Welstandsnota 2004 en het raadsbesluit van 19 december 2011.
Verder heeft de raad in mei 2011 besloten om een omgevingscommissie in te stellen. Deze commissie is op 1 januari 2012 van start gegaan en vervangt drie voormalige adviescommissies, te weten de Welstandscommissie, de Monumentencommissie en de Adviescommissie Stedelijk Groen.
4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg
4.3.1 Historische geografie
Ligging: het plangebied ligt ten oosten van de bebouwde kom van Tilburg, pal in een markante bocht aan de Broekstraat in het gebied Moerenburg.
Geomorfologie: het plangebied is gelegen in een gebied dat wordt gekenmerkt door dekzandruggen al of niet met oud bouwlanddek.
Het jonge dekzand is grover van textuur en het bevat minder leem dan het oude dekzand. Het oude dekzand wordt met name ten noorden van de Leij aangetroffen. Ten zuiden van de Leij bevindt zich voornamelijk jong dekzand in de bovengrond (Teunissen van Manen, 1985; Putten, 2000).
De Broekstraat/Zandstraat is het verlengde van de Oisterwijksebaan: een doorgaande weg waarvan het ontstaan tenminste tot de Romeinse tijd teruggaat maar die vermoedelijk nog veel ouder dan dat is.
In een groot deel van het plangebied is hoge zwarte enkeerdgrond gekarteerd. Deze is het resultaat van een continue bewoning en een agrarisch gebruik van de grond. Het gebied is zeer dun bezaaid met bebouwing. De grootste concentratie daarvan bevindt zich langs de Oisterwijksebaan en de Broekstraat.
Het plangebied zelf ligt ten noorden van het beekdal van de Leij. Hier komen verschillende toponiemen voor met ’broek’ (Broeckstraet, die Broecksijde) en ‘moer’ (Moerenburg). Beide toponiemen verwijzen naar zompig, moerassig land. Deze zompige, moerassige gebieden waren minder geschikt voor akkerland en bewoning. Hier lagen de graslanden, hooilanden, bossen en woeste gronden.
De gras- en hooilanden werden vaak op een typische manier verkaveld, waardoor kenmerkende beemden ontstonden: langgerekte kavels, loodrecht op de waterloop, met tussenliggende sloten om het gebied verder te ontwateren.
Aan de zuidwestelijke zijde van het plangebied wordt het landschap gedomineerd door het beekdal van de Leij waarin op verschillende plaatsen andere waterlopen, zoals de Zwarte Rijt, de Voorste stroom en de Korvelse Waterloop uitmonden.
4.3.2 Archeologie
IKAW: het plangebied is gekarteerd op de IKAW van de RCE en heeft daar een hoge archeologische verwachting .
ArWaTi: het plangebied ligt op de ArWaTi in een gebied met zeer hoge verwachting.
AMK-Terrein: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) geeft langs de Oisterwijksebaan en Broekstraat twee terreinen aan als meldingsgebieden voor bewoningssporen uit de bronstijd, ijzertijd en Romeinse periode (AMK-nummers 2109 en 9003). Het plangebied is gelegen tussen beide terreinen.
ARCHIS en RAT: 14594 en 48, bevinden zich in het AMK-terrein pal ten westen van het plangebied.
In 2005 werd door BILAN-Fontys Hogescholen een onderzoek uitgevoerd naar de archeologische en cultuurhistorische waarden in het plangebied Moerenburg. Dit geschiedde naar aanleiding van een aan te leggen helofytenfilter ten behoeve van de waterzuivering.
De archeologische verwachting voor het plangebied, zo kan uit het onderzoek worden geconcludeerd, is hoog. De meeste archeologische vondsten in Tilburg zijn afkomstig van buiten de huidige stad. Uit de verspreiding ervan wordt duidelijk dat met name (voormalige) beekdalzijden en aangrenzende hoge gronden behoren tot rijkste vondstlocaties met als belangrijkste onder andere de Leij en de Korvelse Waterloop. Dat betekent dat de verwachting in het onderhavige plangebied, door de nabijheid van het beekdal van de Korvelse Waterloop en de Leij, hoog genoemd kan worden.
Dit wordt door een groot aantal waarnemingen en opgravingen in de omgeving bevestigd. Een belangrijk aandachtspunt is de continuïteit van bewoning in het gebied. Vanaf de steentijd is hier ononderbroken menselijke aanwezigheid aanwijsbaar. In de omgeving van het plangebied en verder naar het oosten is een groot aantal vondsten uit deze periode bekend. Hierbij speelde de aanwezigheid van de dekzandrug tussen Tilburg en Oisterwijk, met behalve deze beide nederzettingen ook het gehucht Heukelom, een belangrijke rol.
Bij onderzoek in 2006 zijn door BAAC aan de oostelijke zijde van de voormalige afvalwaterzuivering sporen en resten aangetroffen en onderzocht van het voormalige huize Moerenburg; allen daterend uit de tweede helft van de 14e tot het midden van de 18e eeuw.
4.3.3 Cultuurhistorische objecten en gebieden
Beschermde monumenten en MIP-panden. De boerderij Broekstraat 6; een nog zeer gave uit 1747 daterende boerderij die in 2010 werd aangewezen als rijksmonument (monumentnr. 526901).
Ten zuidoosten van het plangebied bevinden zich de als gemeentelijk monument beschermde boerderij Moerenburgseweg 2 en het rijksmonumentale complex van de voormalige Afvalwaterzuivering Oost dat grotendeels in 1937 en de decennia daarna werd aangelegd.
Lijnen (historische assen, linten,…): De historische wegenstructuur in het gebied Moerenburg gaat eeuwen terug en is op de oudst bekende topografische kaart van Tilburg, die van Diederik Zijnen uit 1760, nagenoeg in dezelfde vorm aanwezig als dat nu nog is. Ook is daarop al bebouwing te zien op de huidige planlocatie.
Historisch groen: De beekdalen waren een belangrijke houtleverancier.
Ongetwijfeld werd al in de Prehistorie hout in de beekdalen gewonnen. Vanaf de Middeleeuwen werden broekbossen beheerd als hakhoutbossen. Na het rooien van de bomen bleef de onderstam achter. Op de onderstam groeide nieuwe scheuten, zodat de onderstam na verloop van tijd een typische verdikking kreeg en meerdere stammen. In het plangebied zijn nog steeds enkele hakhoutbosjes aanwezig.
4.3.4 cultuurhistorische waarde
De initiatiefnemer heeft voor het pand een bouwhistorisch onderzoek laten uitvoeren door MAB uit Nijmegen. De samenvatting van het onderzoek geeft een korte waardering voor het gebouw en de spanten in de schuur.
Bouw- en gebruiksgeschiedenis
Uit het onderzoek is gebleken dat de boerderij moet zijn ontstaan in de vroege 18de eeuw als een vroeg type langgevelboerderij met woongedeelte en naast gelegen potstal, in aanvang wat betreft de potstal nog driebeukig. Vermoedelijk is ook al spoedig daarna de Vlaamse schuur ontstaan, waarvan de gebintconstructie gespaard is gebleven.
Wijzigingen hebben plaats gevonden vermoedelijk rond 1850 toen de potstal nieuwe gevels (voor- en zijgevel) kreeg waardoor de noordbeuk kwam te vervallen. De achtergevel en ruimtelijke indeling van de woning kwamen rond 1900 tot stand, waarbij ook aan de constructie van de kap is gewerkt. Een toevoeging van een koelkamer tegen de achtergevel vond plaats in 1938.
Vooral na de Tweede Wereldoorlog is er nog veel aangepast aan boerderij en schuur. De Vlaamse schuur kreeg rond 1960 nieuwe gevels en aanbouwen tegen de zuid- en oostgevel. Ook werd de koelkamer uitgebreid. Op het erf verschenen respectievelijk rond 1960, in 1977 en 1983 een tweetal veeschuren en een bergloods voor landbouwwerktuigen.
Vanaf de jaren 80 van de twintigste eeuw wordt de boerderij gemoderniseerd met nieuwe vensters, interieurafwerkingen en een klamp tegen de linker zijgevel.
Waardestelling
Ondanks diverse verbouwingen zijn belangrijke cultuurhistorische waarden in de boerderij en Vlaamse schuur bewaard gebleven. Met name de hoofdvorm, rieten kap en detaillering van het exterieur van de boerderij, alsmede het metselwerk van de voorgevel en rechter zijgevel (en thans als binnenblad fungerende linker zijgevel) bezitten samen met de oude gebintrestanten en kapspanten nog bouwhistorische waarde en architectuurhistorische waarde. Bij de Vlaamse schuur geldt dit voor de gebint- en kapconstructie. Verder is sprake van beeldwaarde en ensemblewaarde in samenhang met de naastgelegen boerderij Broekstraat 6 (een rijksmonument). Deze totale groep speelt een grote rol in het straatbeeld van dit deel van landschapspark Moerenburg.
4.3.5 Conclusie
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat er geen bezwaar tegen de voorgestelde functiewijziging en het slopen van de bijgebouwen. Positieve aspecten zijn het behoud van de voorgevel en bouwmassa van de historische boerderij en het behoud van de spantconstructie in de iets te verplaatsen nieuwe schuur.
Op basis van de uitkomsten van de uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied en in aansluiting op de aanpalende delen van het bestemmingsplan De Voorste Stroom is gebleken dat nader onderzoek naar de archeologische verwachtingswaarde noodzakelijk is.
Bronnen/afkortingen
AMK: Archeologische Monumentenkaart
Archis: Archeologisch informatiesysteem (RCE)
ArWaTi: Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg
CHW: Cultuurhistorische Waardenstelling
IKAW: Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (RCE)
MIP: Monumenten Inventarisatie Project
RAT: Regionaal Archief Tilburg
RCE: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
4.4 Volkshuisvesting
De voorgenomen omzetting gebruik en/of verbouw van een woning op Broekstraat 8 verlangt vanwege het beperkte aantal geen toetsing, respectievelijk onderbouwing ingevolge de Ladder Duurzame stedelijke ontwikkeling.
Desalniettemin voldoet het plan aan de beleidsdoelen Wonen in de WoonVisie, met name wat betreft het leveren van een bijdrage in de opgave grondgebonden wonen in een landelijk woonmilieu, alsmede in de ontwikkeling van woningen in PO/particulier opdrachtgeverschap. Voor zover sprake van verbouw wordt aanbevolen de woning levensloopbestendig te ontwerpen en te laten voldoen aan het Politiekeurmerk Veilig Wonen.
4.5 Logies
Op 26 januari 2016 is de actualisatie van het verblijfsaccommodatiebeleid vastgesteld in de Koers Verblijfsaccommodatiemarkt. Het college heeft besloten om nieuwe logies-initiatieven te faciliteren als het een klein initiatief betreft (max. 10 kamers) dat gevestigd is in een woonhuis of bijhuis en wordt gerund door de eigenaren van het betreffende huis (een bed & breakfast). Ook initiatieven die gericht zijn op doelgroepen die met het huidige aanbod nog niet bediend worden, kunnen worden gefaciliteerd op basis van de Koers Verblijfsaccommodatiemarkt.
In het onderhavige plan is er sprake van een klein initiatief van twee kamers en de bed & breakfast zal gerund worden door de eigenaren. Zij richten zich op de specifieke doelgroep paardenmenners, omdat de Broekstraat is gelegen aan een menroute. Daarmee wordt een markt bediend die nog niet prominent aanwezig is in de gemeente Tilburg en past het initiatief binnen het verblijfsaccommodatiebeleid.
4.6 Verkeer en parkeren
4.6.1 Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (Mobiliteit in Balans)
Leefbaarheid en bereikbaarheid staan voorop in het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Om zich verder te kunnen ontwikkelen moet de stad goed bereikbaar zijn per auto, fiets en openbaar vervoer. De planhorizon van het TVVP is 2015. De kern van de visie is dat de gemeente Tilburg als volgt wil omgaan met de mobiliteit:
Algemeen
De gemeente accepteert een groei van verkeer. Echter, de groei mag zich niet overal in dezelfde mate voordoen: groei van het autoverkeer wordt alleen geaccommodeerd op het hoofdnet, waar de verkeersfunctie voorop staat. In de tussenliggende verblijfsgebieden is wonen, werken en winkelen het belangrijkst en moet het verkeer zich daaraan aanpassen. Het gebruik van fiets en openbaar vervoer wordt blijvend gestimuleerd. Tevens dient er meer samenhang te komen tussen de verschillende vervoerswijzen;
alle vervoerwijzen moeten een rol kunnen spelen om de groei van de mobiliteit op te vangen. In de stad moeten openbaar vervoer en fiets een belangrijke rol spelen. Deze rol spelen zij ook als schakel in een vervoersketen. Voorwaarde voor succesvol ketenvervoer is een goede samenhang tussen deze vervoerwijzen. De gemeente heeft voor de verschillende vervoerwijzen hoofdnetten vastgesteld, waar een verdere groei van verkeer kan worden opgevangen (hoofdnet auto, hoofdnet openbaar vervoer, hoofdnet fiets, hoofdnet goederenvervoer). Op deze hoofdnetten wordt een goede doorstroming bevorderd. Tevens stelt de gemeente een basisprioriteit vast voor situaties waar de hoofdnetten elkaar kruisen. Voor deze hoofdnetten blijven duidelijke kaders gelden vanuit leefbaarheid en veiligheid.
Autoverkeer
Bij de vormgeving van het hoofdnet autoverkeer is het principe 'van binnen naar buiten' leidend. Daarbij worden in de stad drie verkeersringen onderscheiden: de Cityring om de binnenstad, de ringbanen en tangenten/rijkswegen. Verkeer dat niet thuishoort op (delen van) een ring wordt gestuurd naar een ring van hogere orde;
voor de ringbanen wordt een studie naar een aangepaste regelstrategie (herwaardering) uitgevoerd. Deze studie naar een betere benutting moet leiden tot uitvoering van maatregelen die de doorstroming op de ringbanen en invalswegen verbetert. Sinds 2010 wordt dynamisch verkeersmanagemental ingezet om de doorstroming te optimaliseren.
Parkeren
Bij vestiging van nieuwe functies en intensivering van bestaande functies worden de parkeernormen en bijbehorend processchema gehanteerd zoals omschreven in de notitie Parkeernormen Tilburg 2011, vastgesteld juni 2012.
Goederenvervoer
Tot 2015 groeit het goederenvervoer sterk. Tilburg heeft de ambitie om de regionale functie in overslag en logistiek verder uit te bouwen. Hierbij wordt ernaar gestreefd dat het goederenvervoer het stedelijk wegennet zo beperkt mogelijk belast. De tangenten zullen zo aantrekkelijk moeten zijn ten opzichte van de ringbanen dat het goederenvervoer vanzelf voor deze route kiest. Goederenvervoer over de weg met een herkomst of bestemming in de regio Tilburg moet waar mogelijk worden afgewikkeld om de stad Tilburg heen. De huidige overslagvoorzieningen zijn gevestigd op bedrijventerrein Loven. Daarnaast maakt een aantal bedrijven gelegen aan het Wilhelminakanaal rechtstreeks gebruik van vervoer over water. Tilburg streeft ernaar om de beschikbare multimodale voorzieningen te behouden en bij toenemende vraag verder uit te bouwen. De gemeente ontwikkelt hiertoe een hoofdnet goederenvervoer waarmee een goede uitwisseling tussen vervoerwijzen mogelijk wordt.
Mobiliteitsmanagement
Om de automobiliteit te beperken probeert de gemeente Tilburg de vraag te beïnvloeden. Hierbij moet gedacht worden aan het verbeteren van het openbaar vervoer en fietsvoorzieningen en het vergroten van overstapmogelijkheden tussen vervoerwijzen. Daarnaast wordt aan vraagbeïnvloeding gedaan door het autoverkeer te reguleren via het doorrekenen van kosten of het opleggen van restricties (bijv. parkeerbeleid). Naast de inzet van de gemeente kunnen vooral bedrijven het nodige doen om de vervoerwijzekeuze voor hun medewerkers en/of bezoekers te beïnvloeden. Dit begint al bij de locatiekeuze van een bedrijf. De gemeente stimuleert de aandacht voor vervoermanagement. Via de wet worden eisen gesteld aan milieuprestaties door bedrijven, onder meer op het vlak van vervoer. De gemeente handhaaft door te controleren op de gestelde eisen. De gemeente stimuleert, faciliteert en handhaaft de uitvoering van vervoermanagement ten aanzien van bedrijven met een grote vervoersstroom, bedrijven in de oude stad (binnen- en aan de ringbanen) en bedrijven op nieuwe bedrijventerreinen.
4.6.2 Parkeren in het plangebied
In de regels behorend bij dit bestemmingsplan is opgenomen dat in, op of onder het gebouw, dan wel op het onbebouwde terrein dat bij het gebouw hoort, voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn, zoals opgenomen in de parkeerregeling. In dit plangebied is hier voldoende ruimte voor.
4.6.3 Fietsplan Tilburg
Tilburg vindt fietsen belangrijk, want fietsen is goedkoop, snel en gezond. De stad geeft om haar luchtkwaliteit en mogelijkheden voor mobiliteit van haar inwoners. De gemeente ondersteunt dit met het vastgestelde fietsplan ´Tilburg Fietst, Fietsplan Tilburg 2005 - 2015´. Hierin staat omschreven hoe Tilburg steeds betere voorzieningen ontwikkelt om comfort en veiligheid voor fietsers te vergroten. Dit moet leiden tot een breder en intensiever fietsgebruik in de stad. De gemeente wil dit bereiken door onder meer in te zetten op:
het voltooien van het Sternet voor 2020;
doelgroepenbenadering (schoolgaande jeugd, allochtonen, winkelend publiek);
communicatie;
het ontwikkelen van een fietstransferium.
Daarnaast is er in de intensivering van het fietsplan (vastgesteld op 10 oktober 2006) besloten dat de kwaliteit op alle fietsroutes verder verbeterd moet worden, het Sternet in 2015 voltooid moet zijn en er meer maatregelen voor de specifieke doelgroepen moeten worden genomen. Tot slot is hierin ook besloten in te zetten op een uitgebreide communicatie. In het fietsplan is een uitgebreid uitvoeringsprogramma opgenomen. Het belangrijkste onderscheid dat gemaakt kan worden, is als volgt:
Infrastructureel: Het sternet wordt voor 2015 voltooid, ook kleinere fietspaden worden in asfalt aangelegd, het Sternet krijgt een sterk verbeterde verlichting, er wordt op grootschalige wijze onderhoud aan het sternet en de kleinere fietspaden uitgevoerd.
Beheer en onderhoud: Niet alleen wil de gemeente op alle Sternetroutes en fietspaden onderhoud plegen, ook wil de gemeente een grote kwaliteitsslag uitvoeren tijdens dit onderhoud.
Stallingsvoorzieningen: Er wordt een separaat stallingenplan opgesteld waarin voor alle knelpunten naar een oplossing wordt gezocht en waaraan een uitvoeringsprogramma komt te hangen.
Doelgroepenbenadering: Per doelgroep wordt bekeken welke middelen worden ingezet en wordt een uitgebreide campagne opgezet.
Communicatie: De centrale doelstelling van de communicatie is (meer) mensen vaker op de fiets krijgen en de bestaande fietsers behouden. Hier worden dan ook specifieke acties op ingezet die ook samenhangen met de uitvoeringsmaatregelen.
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten
Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende wijzigingsplan.
5.1 Milieuhinder bedrijven
Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.
In de omgeving zijn diverse (agrarische) bedrijven aanwezig. Zo is er op korte afstand een waterzuivering en een timmerbedrijf aanwezig. Op dit moment is echter ook al sprake van een woning. Hoewel de woning verbouwd wordt en de footprint van de woning wijzigt blijft de afstand tot de omliggende bedrijven gelijk. Hierdoor worden de omliggende bedrijven niet beperkt in hun bedrijfsvoering. Ze moeten nu al voldoen op de bestaande woning. Ook het woon- en leefklimaat van de woning binnen het plan wordt niet aangetast. Hiermee zijn er geen belemmeringen voor deze wijziging.
5.2 Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.
De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast);
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015;
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".
5.2.1 Verantwoordingsplicht
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
In Bijlage 3 Risico-inventarisatie en verantwoording zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd (die binnen het invloedsgebied liggen). Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied de spoortrajecten Tilburg - Boxtel, Tilburg - Vught en Breda - Tilburg, de A65/N65 en de A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in dezelfde bijlage.
5.2.2 Beleidsvisie externe veiligheid
In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied is gelegen aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden:
Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk;
Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten;
Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk;
Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk;
Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.
5.2.3 Conclusies en restrisico
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van verschillende transportroutes gevaarlijke stoffen (spoortrajecten en rijkswegen). Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen.
Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Voor de verantwoording van het groepsrisico is gebruik gemaakt van het standaardadvies 2016 van de brandweer Midden- en West Brabant, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.
Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:
Aangezien de geprojecteerde bebouwing op >400 meter van de onderscheiden transportroutes ligt, neemt het groepsrisico van de verschillende risicobronnen in de toekomstige situatie niet toe;
De bereikbaarheid van het plangebied is goed;
Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit;
Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings -en alarmeringssysteem), bovendien is alarmering via NL-Alert mogelijk;
De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten;
Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk;
De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings -en spreidingsplan.
Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
5.3 Vuurwerk
Binnen het plangebied zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
5.4 Geluid
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.
5.4.1 Wegverkeerlawaai
Binnen het plangebied is één geluidgevoelige bestemming gelegen binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Dit betreft de woonboerderij (met zorgelement). De bed & breakfast is geen geluidgevoelige bestemming.
Voor deze geluidgevoelige bestemming is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. De woonboerderij ligt in de geluidzone van de Broekstraat. Met het wegverkeerslawaaimodel VL2022 is een berekening uitgevoerd. Hierbij is uitgegaan van een verkeersintensiteit van 1180 mvt./dag op de Broekstraat. Dit is de verkeersprognose voor 2030.
De maximaal optredende geluidbelasting vanwege de Broekstraat bedraagt 51 dB, zoals te zien is in figuur 5. Voor het plan is een hogere waarde besluit genomen, dat als bijlage bij de regels van het wijzigingsplan is gevoegd.
![i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402004.png [image]](i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402004.png)
Figuur 5 - rekenpunt 01 geluidsbelasting, bron: WVL model Broekstraat 8
5.4.2 Railverkeerlawaai
Binnen het plangebied is één geluidgevoelige bestemming gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda / Tilburg-Eindhoven / Tilburg-'s-Hertogenbosch. Dit betreft de woonboerderij (met zorgelement).
Voor deze geluidgevoelige bestemming is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder.
Met het geluidmodel van de gemeente Tilburg RVL-herziene GPP is een berekening gemaakt naar de optredende geluidbelasting. In figuur 6 is de geluidscontour vanwege spoorweglawaai op 4 meter hoogte weergegeven. Uit de figuur blijkt dat de geluidbelasting kleiner is dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB (het groene gebied). Dit betekent dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
![i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402005.png [image]](i_NL.IMRO.0855.WYZ2016003-e001_402005.png)
Figuur 6 - geluidscontour spoorweglawaai
5.4.3 Industrielawaai
In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.
5.4.4 Luchtvaartlawaai
Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
5.5 Lucht
Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.
Het initiatief is dermate beperkt van omvang dat het aannemelijk is dat het initiatief "niet in betekenende mate bijdraagt" aan de luchtkwaliteit. Vanuit luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen tegen voorgenomen initiatief.
5.6 Geur
5.6.1 Industriële geur
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden.
Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd.
Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties.
Op zo'n 200 meter van het plangebied ligt de waterzuivering waar een helofytenfilter aanwezig is.
De geurcontour van de inrichting ligt niet over het plangebied. Daarnaast blijven het aantal geur- gehinderden gelijk omdat er immers al sprake was van bewoning bij het voormalige agrarische bedrijf. Er is dan ook geen belemmering te verwachten en er kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd worden.
5.6.2 Agrarische geur
Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld.
Het plan ligt in het overgangsgebied buiten de bebouwde kom. Er is hier sprake van een voormalig agrarisch bedrijf. Hiervoor geldt dat er sprake is van een vaste afstand van 50 meter tot omliggende agrarische veehouderijen. Deze afstand wordt ruimschoots gehaald. In 2012 is op het naast gelegen perceel een ruimtelijke procedure doorlopen waarbij met een achtergrondberekening is aangetoond dat er sprake was van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aangezien deze woning naast elkaar zijn gelegen kan voor deze woning en de B&B hetzelfde gesteld worden.
Verder wordt er in het plan de mogelijkheid opgenomen voor het stallen van 4 paarden. Dit kan gezien worden als hobbymatig. Hiervoor gelden dan ook geen geurnormen naar de omgeving. Hiermee zijn er geen belemmeringen voor het plangebied.
5.7 Bodem
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek.
Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Op de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld.
Figuur 7 - bodemkwaliteitszone
Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone landbouw en natuur, zoals te zien in figuur 7. Ter plaatse van het plangebied is bij de gemeente Tilburg het volgende historisch bodemonderzoek bekend:
Moerenburg grootschalig historisch onderzoek (d.d 13 september 2003). Rapportcode SquitXO AA085524359)
Het rapport is niet opgevraagd uit het archief. In SquitXO zijn geen nadere gegevens bekend.
Erfverharding/slootdempingen
Op de locatie van het wijzigingsplan is geen niet gespecificeerde demping aanwezig. Ten noorden van de onderzoekslocatie ligt een erfverharding met kolengruis en of sintels (zie tekening).
Bovengrondse tank
Uit infoGIS is gebleken dat er op de locatie een bovengrondse tank aanwezig is (zie figuur 8).
Figuur 8 - bovengrondse tank
Conclusie
Voor de beoogde nieuwbouwactiviteiten ter plaatse van de locaties aan de Broekstraat 8 is een actueel bodemonderzoek nodig. Geadviseerd wordt het bodemonderzoek plaats te laten vinden na de sloop van de huidige opstallen/ bebouwing.
Een onderzoek mag maximaal 5 jaar oud zijn. Bij het uitvoeren van de onderzoeken moet ook rekening worden gehouden met de bovengrondse tank.
Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde
In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.
5.8 Natuur en ecologie
5.8.1 Wettelijke kaders
De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.
Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:
Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep" (Dienst Regelingen, 2009). Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn;
Overige inheemse broedvogels;
Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn;
Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling. De algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant;
Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.
5.8.2 Analyse plangebied
Natura 2000-gebieden
Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina & Oisterwijkse Vennen op 1,8 km. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.
Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur), zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 340 meter aan de Voorste Stroom. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling redelijkerwijs uit te sluiten.
Het plangebied maakt wel deel uit van de Groenblauwe Mantel. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn binnen de Groenblauwe Mantel toegestaan mits deze gepaard gaan met een versterking van de ecologische en landschappelijke kwaliteit. De voorgestelde landschappelijke inpassing leidt tot een voldoende landschappelijke versterking en tot een ecologische versterking op de volgende vlakken:
De erfinrichting en omliggende beplanting bieden ruimte aan diersoorten van kleinschalig cultuurlandschap, zoals steenuil, huismus, ringmus, boerenzwaluw etc.
De aanleg van een poel biedt een voortplantingshabitat voor amfibieën, libellen en andere waterdieren.
De fruitboomgaard met kruidenrijke onderbegroeiing is van grote waarde voor bestuivende insecten, maar ook voor diverse vogelsoorten.
Soortenbescherming
Op basis van een verkennend veldbezoek met inpandige inspectie en een bronnenonderzoek (NDFF) is een beeld gekregen van de waarde en potentie van het plangebied voor beschermde flora en fauna. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor diverse algemeen beschermde diersoorten die vallen onder de provinciale vrijstellingsregeling, zoals veldmuis, huisspitsmuis, mol, etc. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling van de verbodsbepalingen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Het voorkomen van wettelijk strenger beschermde soorten uit de soortgroepen vaatplanten, amfibieën, reptielen en ongewervelden is op basis van algemene verspreidingsgegevens (NDFF-waarnemingen) en habitatvoorkeur op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten. Wel kan de bebouwing in het plangebied geschikt zijn voor strenger beschermde gebouw bewonende diersoorten. Tijdens het veldbezoek zijn nesten van steenuil en huismus aangetroffen. In het plangebied broedt al enige jaren een paartje steenuilen (gegevens Vogelwerkgroep Midden-Brabant). De werkgroep heeft begin2016 al geanticipeerd op de geplande ruimtelijke ontwikkelingen door vervangende nestkasten op te hangen aan de achterzijde van het perceel. De steenuilen hebben in een van de kasten succesvol gebroed. Het slopen van de schuren leidt daardoor niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming, mits er bij de sloop voldoende voorzorg in acht wordt genomen om verstoring te beperken. De voorgenomen landschappelijke kwaliteitsverbetering draagt bij aan de kwaliteit van het habitat voor deze steenuilen. Van de huismus zijn oudere NDFF-verspreidingsgegevens bekend; tijdens het veldbezoek zijn enkel oudere nesten aangetroffen die niet meer in gebruik zijn. Het is aan te bevelen om desondanks aandacht ervoor te hebben dat zich kort voorafgaand aan de sloop geen huismussen (of andere vogels) in de schuren vestigen, en na afloop van de werkzaamheden nestgelegenheid voor de huismus terug te brengen.
Volgens NDFF-gegevens zijn waarnemingen van foeragerende gewone dwergvleermuizen in de directe omgeving van het plangebied bekend. De schuren in het plangebied zijn geïnspecteerd op mogelijke verblijfplaatsen en sporen van vleermuizen. De schuren zijn te licht en tochtig en zijn daardoor niet geschikt voor vrij hangende vleermuissoorten zoals de gewone grootoorvleermuis. In de schuren zijn geen geschikte schuilplaatsen aanwezig voor soorten die spleten en kieren bewonen, zoals de gewone dwergvleermuis. De gebouwen hebben bovendien geen spouwen. Ook uitwerpselen en prooiresten zijn niet aangetroffen. Op basis hiervan kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen redelijkerwijs worden uitgesloten.
In het gebied zijn begroeiingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen, in de vorm van struweelbeplanting. Ook zijn duivennesten aangetroffen op zolderbalken. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door potentiële nestlocaties te verwijderen of ongeschikt te maken buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd.
5.8.3 Conclusie
Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Met betrekking tot de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) kan worden geconcludeerd dat het bijgevoegde landschapsplan voldoende aansluit op de ecologische waarden van de Groenblauwe Mantel.
Achter op het erf is een vaste rust- en verblijfplaats van de steenuil aanwezig. Het slopen van de schuren leidt daardoor niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming, mits er bij de sloop voldoende voorzorg in acht wordt genomen om verstoring te beperken. Door voorafgaand aan de sloop advies in te winnen bij de Vogelwerkgroep kan hieraan invulling worden gegeven.
Vanuit de Wet Natuurbescherming is tevens van belang dat plaatsen waarin vogels kunnen nestelen buiten het broedseizoen verwijderd of ongeschikt gemaakt worden. Het gaat hierbij niet alleen om struweelbegroeiingen maar ook om zolderbalken waarop duiven nestelen. Van de huismus zijn alleen oude nesten aangetroffen die niet meer in gebruik zijn. Het is aan te bevelen om desondanks aandacht ervoor te hebben dat zich kort voorafgaand aan de sloop geen huismussen in de schuren vestigen, en na afloop van de werkzaamheden nestgelegenheid voor de huismus terug te brengen.
Hoofdstuk 6 Wateraspecten
6.1 Bestaand watersysteem
Het plangebied is gelegen in het stroomgebied van de Korvelseloop en behoort zowel kwalitatief als kwantitatief tot het beheergebied van Waterschap de Dommel.
De terreinhoogte in het plangebied is ongeveer 12,00+. Uit het bodemkundig / hydrologisch onderzoek Moerenburg (Arcadis, 2005) blijkt de bodem te bestaan uit matig leerarm tot sterk lemig, zeer fijn tot matig fijn zand. Plaatselijk komt zeer sterk lemig zand voor. Deze storende lagen belemmeren de neerwaartse grondwaterstromingen, waardoor de kans op schijngrondwaterspiegels groter is.
Uit het onderzoek blijkt dat de maatgevende hoogste grondwaterstand ongeveer 11,50+ is. Hierdoor beschikt de bestaande bebouwing in principe over te weinig ontwateringdiepte. De aanwezige sloten langs de Broekstraat en rondom het perceel hebben echter lokaal een drainerend effect, waardoor de bebouwing beperkt last ondervindt van hoge grondwaterstanden.
Op 140 meter afstand ten zuiden van het plangebied stroomt de Korvelse Waterloop in de oostelijke richting. Enkele honderden meter verder komt deze beek samen met de Oude Leij. Vanaf dat punt heet de beek de Voorste Stroom. Langs de Broekseweg liggen watergangen voor de afwatering van de weg en aangrenzende percelen.
In de bestaande situatie ligt een drukriool langs de Broekstraat. Het vuilwater wordt verpompt tot de bestaande gemengde riolering en stroomt verder tot het eindgemaal Moerenburg en verder wordt het verpompt naar de zuiveringsinstallatie Tilburg. Beide installaties zijn in beheer bij het waterschap De Dommel. Het regenwater wordt afgevoerd richting de bestaande sloten.
6.2 Duurzaam waterbeheer
Beleidskader
Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016 - 2021 vastgesteld. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap : samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meer waarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen.
Het waterbeleid van de gemeente Tilburg in het vGRP 2016-2020, vastgesteld november 2016. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. De Omgevingsvisie 2040 is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Daarin wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen.
Afwegingen
Het plangebied beschikt in principe over te weinig ontwateringdiepte. Het drainerend effect van de nabije sloten is echter onbekend. Om de juiste aanlegpeilen voor de nieuwe bebouwing vast te stellen moet men de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) bepalen door gericht onderzoek. Conform de in SWR vastgestelde minimale ontwateringdiepte dient de onderkant van de vloerplaat van de nieuwe bebouwing 0,90 m boven de GHG. Een ontwateringdiepte van 0,70 m is mogelijk, als de vloerplaat water- en vochtdicht is.
Voor het plangebied zijn in SWR beperkte specifieke opgaven, behalve de algemene doestellingen voor de gehele gemeente. De ontwikkeling houdt in het slopen van een schuur van 200 m² weer opbouwen. De bebouwbaar oppervlakte van het perceel wordt daarbij aanzienlijk beperkt tot de bestaande woning en nabije schuren. De afwaterende oppervlakten veranderen niet significant, waardoor de effecten op het watersysteem verwaarloosbaar zijn.
Watersysteem
Voor het watersysteem in het plangebied gelden de volgende randvoorwaarden:
Bij de inrichting van het plan dient men rekening te houden met de bestaande terreinhoogte van het openbaar gebied en de aangrenzende percelen;
De water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen is voldoende voor het gebruik van het bouwdeel;
De nieuwe bebouwing heeft voldoende ontwatering: onderkant van de vloerplaat is 0,90 m hoger dan de GHG. 0,70 m is mogelijk als de vloerplaat water- en vochtdicht is;
Het toepassen van uitlogende materialen is uitgesloten;
Het vuil- en hemelwater worden inpandig gescheiden ingezameld en per perceel aan de perceelgrens aangeboden voor aansluiting op de gemeentelijke riolering;
De vuil- en regenwateraansluitingen van de nieuwe bebouwing worden op de bestaande aansluitingen van respectievelijk de drukriolering in de Broekstraat en de sloten.
6.3 Watertoets
Aangezien er geen sprake is van waterbelangen in het plangebied, hebben waterschap De Dommel en gemeente Tilburg besloten de watertoets maximaal verkort te volgen. Hierdoor wordt deze waterparagraaf direct verwerkt in het ontwerpplan, zoals in eerder gemaakte afspraken om het vooroverleg vereenvoudigd te volgen. Het waterschap heeft dan ook geen voorlopig wateradvies. Het advies van het waterschap in het kader van de watertoets, wordt dan ook (direct) verstrekt bij de terinzagelegging.
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid
Artikel 3.1.6 van het Bro verplicht de bestemmingsplanwetgever een vast te stellen bestemmingsplan te doen
vergezellen door een toelichting, waarin (o.a.) zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het
plan.
Op het voorliggende wijzigingsplan is de grondexploitatiewet (afdeling 6.2 van de Wro) van toepassing, omdat het een bouwplan bevat als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Het plan is namelijk gericht op de (ver)bouw van een woonboerderij met bijgebouwen en een bed & breakfast. Met initiatiefnemer is een exploitatieovereenkomst gesloten ter zake van de reserve 'bovenwijkse voorzieningen'. Aangezien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, is het niet noodzakelijk om een tijdvak of fasering te bepalen en eisen en regels te stellen als bedoeld in artikel 6.13 tweede lid Wro. Er is dan ook geen exploitatieplan opgesteld als bedoeld in artikel 6.12 Wro.
Eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade zullen ten laste komen van de initiatiefnemer, die met de gemeente eveneens een planschadeovereenkomst heeft gesloten. De enige gemeentelijke kosten die gemaakt worden zijn de plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit wijzigingsplan. Hiervoor heeft de initiatiefnemer leges betaald. Gelet op het vorenstaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Hoofdstuk 8 Burgerparticipatie en overleg
8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied De Voorste Stroom, 3e wijziging (Broekstraat 8) op 22 juli 2016 gepubliceerd in het
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties:
|
Instantie |
Datum verzending |
Datum ontvangst reactie |
Opmerkingen |
|
Provincie Noord-Brabant |
25-10-2016 |
15-11-2016 |
ja |
|
Waterschap De Dommel |
26-10-2016 |
16-11-2016 |
ja |
Hieronder worden de overlegreacties met opmerkingen (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van burgemeester en wethouders wordt vermeld.
Provincie Noord-Brabant
De provincie heeft tijdens het vooroverleg vragen gesteld over de kwaliteitsverbetering van het landschap. De vraag was om nader inzicht te geven in de grootte van de investering en in de cultuurhistorische waarde van (delen van) de bestaande boerderij, om het plan te kunnen toetsen aan de verordening Ruimte.
Het college heeft op 5 december 2016 per e-mail nader inzicht geboden in de financiële aspecten van de investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap. Tevens is schriftelijk een onderbouwing gegeven voor de cultuurhistorische waarde van (delen van) de bestaande boerderij.
De toelichting van het concept wijzigingsplan is aangevuld met twee bijlagen (Bijlage 1 Landschapsplan en Bijlage 2 Briefrapportage) en de cultuurhistorische paragraaf is aangevuld. Hiermee wordt ook in het wijzigingsplan een beter inzicht geboden in de investering in de kwaliteitsverbetering van het landschap.
Op 13 december 2016 heeft het college een e-mail ontvangen van de provincie waarin staat dat de provincie akkoord gaat met de aanvullingen. Hiermee is de vooroverlegreactie afgehandeld.
Waterschap De Dommel
Het waterschap heeft aangegeven akkoord te zijn met het plan. Het verhard oppervlak neemt af en er wordt voldoende rekening gehouden met alle wateraspecten.
8.3 Burgerparticipatie
Op 24 augustus 2016 heeft ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Handreiking Burgerparticipatie een bijeenkomst plaatsgevonden tussen de initiatiefnemer en de twee directe buren. Beide buren hebben het plan enthousiast ontvangen. In navolging op deze bijeenkomst heeft initiatiefnemer een bredere informatieavond georganiseerd op 28 september 2016. Tijdens deze informatieavond is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het plan, kregen de buurtbewoners de gelegenheid om vragen te stellen en hebben zij een rondleiding gekregen over het terrein en door de bestaande bebouwing. Ongeveer 13 buurtbewoners hebben de informatieavond bezocht. Er zijn geen bezwaren geuit. Wel is naar aanleiding van gesprekken met de directe buren op de Broekstraat 6 de positionering van de inrit gewijzigd. Deze was historisch gelegen deels op het perceel van de buren. Dit wordt in het nieuwe bouwplan hersteld.
8.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van 30 januari tot en met 13 maart 2017. Ook de ontwerpbeschikking omgevingsvergunning en de ontwerpbeschikking hogere grenswaarde hebben in die periode ter visie gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.