direct naar inhoud van Regels

Spoorzone, uitwerkingsplan Burg. Brokxlaan (startersappartementen)

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.UIT2017001-e001
Plantype: uitwerkingsplan

Toelichting

 

 

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

1.1 Aanleiding tot planontwikkeling

Er is een verzoek om uitwerking van het bestemmingsplan Spoorzone ingediend ten behoeve van de realisatie van een gebouw met maximaal 9 (starters- of senioren)appartementen aan de Burgemeester Brokxlaan (ongenummerd), op de kadastrale percelen sectie N, nrs. 20431, 20516, 15211 (gedeeltelijk), 15212 en 7962 (gedeeltelijk). Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor het uitwerkingsplan, waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden die aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied omvat de kadastrale percelen sectie N, nrs. 20431, 20516, 15211 (gedeeltelijk), 15212 en 7962 (gedeeltelijk).

 

 [image]

 

Afbeelding: ligging plangebied in Tilburg (rode stip)

1.3 Voorgaande plannen

Dit plan is een gedeeltelijke uitwerking van het bestemmingsplan Spoorzone, dat door de gemeenteraad werd vastgesteld op 30 juni 2008. In dat plan is voor het deelgebied Jan Heijnsstraat/Gasthuisring de uit te werken bestemming Centrum C-3c(u) opgenomen. Binnen deze bestemming zijn diverse functies mogelijk, zoals detailhandel, kantoren, horeca, zorg - en dienstverlening en gestapeld en grondgebonden wonen. Als hoofdfuncties zijn kantoren en wonen genoemd. In het voorliggende geval wordt de hoofdfunctie (gestapeld) wonen. Op de begane grond worden in overleg met initiatiefnemer daarnaast persoonlijke en zakelijke dienstverlening en detailhandel mogelijk gemaakt. Naast de functionele bestemming wordt verder door de in de uitwerkingsregels opgenomen bouwhoogte en bebouwingsindex en een in acht te nemen percentage onbebouwde ruimte voor dit deelgebied de ontwikkelingsrichting bepaald. Zie hiervoor het moederplan Spoorzone.

1.4 Ruimtelijke structuur en opgave

Ruimtelijke structuur

De Gasthuisring is onderdeel van de lintenstructuur van de oude stad. Het gedeelte tussen Lange Nieuwstraat en Wilhelminapark heeft nog aaneengesloten straatwanden en is zelfs gedeeltelijk beschermd stadsgezicht, maar het gedeelte tussen Hart van Brabantlaan en Lange Nieuwstraat is behoorlijk versnipperd geraakt.
De straatwand wordt niet alleen onderbroken door de Albert Heijn-parking, maar ook door de aanleg van de Burgemeester Brokxlaan. Om de Burgemeester Brokxlaan met hetzelfde profiel door te kunnen trekken, zijn drie woningen gesloopt met onafgewerkte scheidingswanden als zijgevels tot gevolg.

 

Tegenover de parking van Albert Heijn is het appartementencomplex TWEE gerealiseerd.
De schaal, oriëntatie en vormgeving van dit complex staan wel in verhouding tot de nieuwe weg maar wensen in het geheel niet aan te sluiten op de schaal en architectuur van de rijwoningen van de Gasthuisring.
Eerdere visies van BDP khandekar over de bebouwing vanaf de voormalige Lochtstraat tot aan het Stationsplein waren een verderzetting van de blokkenstructuur van TWEE, waarbij met de bestaande lintstructuur van de Gasthuisring in het geheel geen rekening werd gehouden.

De huidige situatie laat een mooie weg zien ten koste van Gasthuisring, waarbij het isolement van de rijwoningen tussen het spoor en de Lochtstraat opvalt door de dominantie van de weg, de kale scheidingswanden en de confrontatie met het appartementencomplex TWEE.

 

De opgave

Spoorzone heeft zich de opgave gesteld om de doorbraak in de gevelwand en de schaalsprong tussen oude en nieuwe bebouwing ten gunste van de Gasthuisring beter met elkaar te verzoenen, zodanig dat er een samenhangende, een historisch leesbare en kwaliteitsvolle oplossing aan dat kruispunt van wegen ontstaat.

In eerdere acties heeft spoorzone de zijgevel aan de noordzijde hersteld door de tekening van het gesloopte gebouw in het metselwerk te representeren. De gevel is daarbij ook doorgetrokken naar de achterbouw zodat de zijwand niet enkel naast de woning staat, maar het gehele perceel door de toevoeging wordt omarmd.

De zuidzijde is op een zelfde wijze benaderd. De contour en indeling van het vroegere pand is zichtbaar gemaakt en de lengte is aangegrepen om de horeca langs de voormalige Lochtstraat ramen, deuren en terrasruimte te bieden, zodat de hoek meer levendig wordt.

 

De nieuwe gevel sluit via de achterbouw aan op een geprojecteerd klein woongebouw waarvoor de planprocedure moet worden doorlopen. Het gebouw heeft de functie om in hoogte, korrelmaat en architectuur te bemiddelen tussen het appartementencomplex TWEE en de rijwoningen aan de Gasthuisring. In deze positie verstevigt het woongebouw het bestaansrecht van de rijwoningen en biedt het een antwoord op een sociaal onveilig achterterrein. Wat overblijft is de inrit naar de parkeergarage van TWEE.

De afmetingen van het bouwvlak zijn in breedte en diepte beperkt. De lengterichting maakt dat er slechts twee noord-zuid georiënteerde appartementen per verdieping kunnen zijn. De overlap met de zijgevel van het tegenover liggende appartementencomplex blijft aanvaardbaar beperkt tot de slaapkamerramen van enkele appartementen.

 

Technische infrastructuur

Binnen het plangebied bevinden zich geen belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

 

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een korte weergave van het bij het opstellen van dit plan van kracht zijnde ruimtelijke beleidskader.

2.2 Rijk en provincie

Er spelen met betrekking tot dit plan geen provinciale of rijksbelangen. Derhalve wordt het ruimtelijk beleidskader op provinciaal en rijksniveau niet besproken, uitgezonderd het hieronder behandelde aspect 'duurzame verstedelijking'.

2.3 Duurzame verstedelijking

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.

 

Het onderhavige bouwproject/plan omvat maximaal 9 woningen (appartementen). Wanneer een plan voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Dit volgt uit standaardjurisprudentie (zie ECLI:NL:RVS:2017:1724) en motivering op grond van art. 3.1.6 Bro inzake 'duurzame verstedelijking' is voor het onderhavige plan derhalve niet vereist.

2.4 Gemeente

 

2.4.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld.

De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

 

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied.

Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in

het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit plan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand

 

3.2.1 Hoogbouw

In de Omgevingsvisie Tilburg 2040 (vastgesteld op 21 september 2015 door de gemeenteraad) is de actualisering van de Handreiking Hoogbouw als thematische uitwerkingsopdracht aangekondigd. De nieuwe Handreiking is door de raad vastgesteld op 11 september 2017 en vervangt de Handreiking uit 2007.

 

Hoogbouw (gebouwen hoger dan 15 meter) is meer dan een hoog gebouw. Hoogbouw willen we realiseren op die locaties waar het meerwaarde oplevert voor de stad, in programmatische én in ruimtelijke zin. Hoogbouw kan positief bijdragen aan de 'leesbaarheid van de stad' door de oriëntatie en herkenbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de identiteit van de stad. Met hoogbouw kunnen we verdichting mogelijk maken en daardoor de levendigheid in de stad en draagvlak voor stedelijke voorzieningen verbeteren. Maatschappelijke en economische ontwikkelingen bepalen mede op welke locaties hoogbouw gewenst is.

 

De Handreiking Hoogbouw is een praktisch en bruikbaar middel voor initiatiefnemers van hoogbouw. De Handreiking beschrijft de methodiek die gevolgd zal worden bij hoogbouwinitiatieven die niet passen binnen het vigerende bestemmingsplan/omgevingsplan. In het voorliggende plan geldt een bouwhoogte van maximaal 20 meter, hetgeen gezien de ligging in de Spoorzone en de omliggende bouwhoogten zonder meer passend is.

3.2.2 Welstand

Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen.

 

Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit.

Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden.

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

3.3.1 Historische geografie

In landschappelijk opzicht is hier sprake van een zuidwest - noordoost georiënteerde dekzandrug, die geleidelijk naar het noordwesten en noorden afhelt. Naar het zuiden toe gaat deze rug over in de flanken van het beekdal van de Leije/Voorste Stroom. Een belangrijke factor in het gebied is het tracé van de Gasthuisring dat al sinds tenminste de late middeleeuwen behoort tot de hoofdverbindingen van de Tilburgse herdgangen (tussen Kerk en Goirken via de Veldhoven, het huidige Wilhelminapark). Het plangebied lag centraal in het noordelijke deel van De Schijf: een uitgestrekt akkergebied. Het lag centraal tussen de herdgangen: De Reit, De Hoeven, De Veldhoven, Kerk en Heuvel en Korvel. Als ‘die Scive’ komt het reeds voor in 1389. De Schijf is zelf nooit een herdgang geweest. Het gebied behoorde tot de omliggende herdgangen, en alleen de randen waren bewoond. Dwars door de Schijf liep een aantal landwegen, die de herdgangen met elkaar verbonden. Het gebied behoorde tot de omliggende herdgangen, en alleen de randen waren bewoond. Dwars door de Schijf liep een aantal landwegen (zoals de huidige Gasthuisring), die de herdgangen met elkaar verbonden. Op de kaart van Diederik Zijnen uit 1760 is te zien dat er zich langs de Gasthuisring spaarzame, waarschijnlijk agrarisch gerelateerde bebouwing bevindt. Geleidelijk wordt de Gasthuisring dichtgebouwd, in eerste instantie de oostelijke zijde met het Gasthuis en in de periode vanaf 1827 het complex van de fraters van Tilburg dat bestond uit onder meer een fraterhuis, een kerk, een zusterklooster en schoolgebouwen. Alle oude bebouwing daarvan is in de periode vanaf 1956 gesloopt. Daarvoor in de plaats kwam in 1963 een nieuw generalaat van de fraters. Naast het generalaat verrees in 1974 een nieuw fraterhuis dat op zijn beurt in 2005 gesloopt werd en vervangen door het zorgcomplex Joannes Zwijsen.

Aan de westzijde van de Gasthuisring lag omstreeks 1905 nog een vrijwel onbebouwd akkergebied dat behoorde bij het akkercomplex van De Schijf. Achter de bebouwing aan de Gasthuisring, bestaande uit overwegend grote herenhuizen, lagen enkele fabriekscomplexen waaronder de wollenstoffenfabrieken van A. & N. Mutsaerts en van Janssens Van Buren (1846). Achter deze fabrieken liep de Zooistraat, een onverharde weg in particuliere eigendom van de firma Janssens Van Buren. Hier stond een aantal arbeiderswoningen waarvan de laatste in 1958 werd gesloopt. De straat, die in 1960 niet meer was dan een doodlopende steeg, werd in dat jaar opgeheven. De naam van Janssen Van Buren leeft nog wel voort: het huidige filiaal van Albert Heijn is gevestigd in de voormalige fabriek van de firma die na een brand in 1954 werd herbouwd.

Bij het opheffen van de Zooistraat werd de armoedige bebouwing aan weerszijden van de Lochtstraat geheel gesloopt en in de decennia na de jaren vijftig van de twintigste eeuw vervangen door bedrijfsbebouwing die tussen 2005 en 2010 geheel gesloopt werd waarna het complex Twee gebouwd werd.

De Lochtstraat verviel en werd hernoemd tot Burgemeester Brokxlaan.

Door het plangebied liep een belangrijke waterlaat: die Hoogh Soo, die Hooge Zoeije of die Hooge Soeije genoemd. Komende uit die Schijve liep de Hoogh Soo langs de westzijde van de Gasthuisring, stak die over ter hoogte van de Pironstraat en stroomde verder ten zuiden van de percelen aan de zuidzijde van het Wilhelminapark.

3.3.2 Archeologie

In het onderzoeksgebied is sprake van een archeologische verwachting. Op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ARWATI) is het onderzoeksgebied aangeduid als een gebied met hoge verwachting. Een aantal factoren geeft aan dat voor het gebied een archeologische verwachting bestaat. Op en rond het gebied is al vroeg sprake van bewoning en allerlei activiteiten. Ook lijkt de vroegere opbouw van het landschap indicaties te geven voor (vroege) menselijke aanwezigheid. Een aantal factoren, waaronder het vroegere reliëf en de aanwezige waterlopen zijn hierbij vooral van belang.

Het onderzoeksgebied ligt te midden van enkele zeer oude nederzettingen en gehuchten waaronder

De Veldhoven, de Heuvel en Kerk.

In 2013 werden op ca. 200m ten oosten van het plangebied bij een noodonderzoek sporen van een nederzetting van rond het jaar 1000 aangetroffen: zie drs. F.L.W.M van Nuenen: Tilburg Burgemeester Brokxlaan, BAAC-rapport A-13.0191, november 2016. Juist de combinatie van waterlopen en hoger gelegen gronden blijkt evenals elders ook in Tilburg een belangrijke voorwaarde te zijn geweest voor vestiging.

 

De hoge archeologische verwachting op de planlocatie wordt echter geheel teniet gedaan door de hoge verstoringsgraad als gevolg van de doorlopende 19e en 20ste eeuwse transformaties en bebouwing in en in de directe nabijheid van het plangebied. Er is dan ook geen archeologische verwachting meer in het (plan)gebied aan de zuidzijde van de Burgemeester Brokxlaan.

3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen

Ruim ten noorden van de deelgebieden bevindt zich het in 2014 als zodanig aangewezen beschermde stadsgezicht Wilhelminapark/Goirkestraat.

In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen van rijks en gemeentewege beschermde monumenten. Aan de zuidzijde van de Gasthuisring zijn ter hoogte van het plangebied de nummers 59 (vroeger Lochtstraat 2), 61, 63, 69 en 71 opgenomen in het MIP (Monumenten Inventarisatie Project). Het betreft hier winkel/woonhuizen uit de periode 1880-1900.

Een groot deel van de kerkelijke bebouwing ten oosten van het plangebied is intussen gesloopt. Het eertijds uitgestrekte complex van de Congregaties van de Fraters van Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid en de Zusters van Liefde van Onze Lieve Vrouw van Barmhartigheid aan de Gasthuisring is grotendeels verdwenen. Daarvoor in de plaats kwam in 1963 een nieuw generalaat van de fraters, naar een uit 1959 daterend ontwerp van de uit Oss afkomstige architect Jos Bijnen, dat in 2015 is aangewezen als beschermd gemeentelijk monument. Binnen Tilburg is het een van de weinige aan de Bossche School verwante gebouwen.

3.3.4 Conclusie

Tegen de geplande ontwikkeling bestaat geen bezwaar. Er worden geen cultuurhistorische objecten of structuren aangetast. Voor wat betreft de archeologie is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. De bodem in het plangebied moet als verstoord worden beschouwd en de omvang van de nieuwe bodemverstoring is zo gering dat hieruit geen relevante archeologisch informatie kan worden gewonnen.

3.4 Volkshuisvesting

Op grond van art. 3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan.

 

Het onderhavige bouwproject/plan omvat maximaal 9 woningen. Wanneer een plan voorziet in niet meer dan 11 woningen, die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Dit volgt uit standaardjurisprudentie (zie ECLI:NL:RVS:2017:1724). en motivering op grond van art. 3.1.6 Bro inzake 'duurzame verstedelijking' is voor het onderhavige plan derhalve niet vereist.

 

Het vorenstaande laat onverlet dat het onderhavige plan past in de woningbehoefte, die gerelateerd is aan de Binnenstad van de 21e eeuw (zie hiervoor de Omgevingsvisie Tilburg 2040). Hetzelfde geldt voor de regionale woningbouwafspraken. Afgaand op de provinciale prognose behelst de gemeentelijke woningbouwopgave tot zeker 2025 gemiddeld ruim 1.000 woningen per jaar, gecorrigeerd voor ca. 200 woningen die per jaar worden gesloopt. Er wordt thans een gemeentelijk bouwprogramma van gemiddeld 850 woningen per jaar tot 2025 aangehouden.

3.5 Groen

 

3.5.1 Bomenbeleid Tilburg

Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld:

Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg.

 

Bomenverordening

De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels.

 

 

Boomwaardezoneringskaart 2017 (BWZ-kaart)

Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.

 

Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB)

Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud.

Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom)

In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn.

 

Maatregelen in plan

De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het ruimtelijke plan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart. In het onderhavige plan spelen bomen geen rol. De ontwikkeling heeft plaats op een verhard binnenterrein, tussen zijdelingse bebouwing en verharding in.

3.5.2 Nota Groen

De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit:

  1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;

  2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);

  3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen.

In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.

3.5.3 Nota biodiversiteit

Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de

mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden.

Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden.

In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten.

 

Doelstellingen nota biodiversiteit

 

  1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden.

  1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.

Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt.

  1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.

3.6 Verkeer en parkeren

 

3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg

De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zetten we in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties.

 

Onze gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In onze nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben onze inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met onze aanpak willen we meer dan alleen verkeersstromen in goede banen leiden. We willen de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren.

 

Mobiliteitsagenda 013

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn:

3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'

In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen.

 

Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven.

 

Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

 

Parkeereis in onderhavige project

Het bouwplan omvat maximaal 9 appartementen in zone A. De appartementen zijn alle groter dan 35m² bvo, doch kleiner dan 70 m² bvo. Op basis van de huidige normen (2017) bedraagt de parkeereis daarom 9 x 0,9 parkeerplaats per woning. Totaal maakt dat 8,1 parkeerplaatsen bij 9 appartementen. Voor de commerciële ruimte op de begane grond komen daar nog 2 plaatsen bij. De parkeereis bedraagt afgerond dus hoe dan ook maximaal 10 plaatsen. Initiatiefnemer voorziet daarin door 4 plaatsen op eigen terrein te realiseren. Daarnaast neemt initiatiefnemer 6 parkeerplaatsen af in de naastgelegen parkeergarage van Vestia. In het vorenstaande is overigens nog niet verdisconteerd dat de projectlocatie zich binnen het invloedsgebied van parkeergarage De Knegtel bevindt.

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten

 

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende plan.

4.2 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden.

 

De omgeving van het plan kenmerkt zich als een stedelijke omgeving waar wonen naast bedrijfsmatige functies mogelijk zijn. Voor de bedrijfsmatige functies is aangesloten bij de lijst functiemenging. Hiermee is voor de nieuwe appartementen in het complex een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd.

4.3 Externe veiligheid

Inleiding

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures:

 

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

 

Verantwoordingsplicht

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

 

In de bij deze plantoelichting gevoegde 'Inventarisatie van risicobronnen en verantwoording' zijn de risicobronnen die relevant zijn, geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de A58 en de spoortrajecten Breda - Tilburg en Tilburg - Vught. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld. Er is een groepsrisicoberekening uitgevoerd door ANTEA ('Groepsrisicoberekening 9 appartementen, Burgemeester Brokxlaan Tilburg', projectnummer 0414525.00, 8 november 2017). Deze is goedgekeurd door de OMWB en eveneens als bijlage bij de plantoelichting gevoegd.

 

Beleidsvisie externe veiligheid

In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het plangebied Spoorzone, uitwerkingsplan Burg. Brokxlaan (startersappartementen) aangemerkt als een transportasgebied. Binnen een transportasgebied gelden de volgende voorwaarden:

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid.

 

Conclusies en restrisico

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A58 en de spoortrajecten Breda - Tilburg en Tilburg - Vught. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie bovengenoemde bijlage).

De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 13 november 2017 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording.

 

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

 

Op het moment van totstandkoming van deze verantwoording groepsrisico was het ontwerp voor het gebouw nog niet bekend. Bij de verlening van de omgevingsvergunning moet verantwoord worden of en zo ja in hoeverre de in de verantwoording opgenomen gewenste organisatorische-, bouwtechnische- en installatietechnische maatregelen, die de zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners kunnen verbeteren, worden toegepast. Dit ter beoordeling van de Veiligheidsregio Midden West Brabant. Op basis van deze aanpak accepteert het bevoegd gezag de externe veiligheidsrisico's en neemt het de verantwoording voor het groepsrisico.

4.4 Vuurwerk

Binnen het plangebied zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het plan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.5 Geluid

 

4.5.1 Wegverkeerlawaai

Binnen het plangebied zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen die binnen de zones van wegen liggen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). De normen uit de Wet geluidhinder zijn hierdoor formeel niet van toepassing.

Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft 8 of 9 appartementen. Voor deze gevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor een aantal geluidgevoelige bestemmingen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Er zijn maatregelen onderzocht om de geluidbelasting te reduceren. De resultaten staan in het akoestisch onderzoek. Bij afweging van de te nemen maatregelen bleek dat het redelijkerwijs niet mogelijk is de geluidbelasting verder te reduceren door het treffen van bron- of overdrachtsmaatregelen.

 

Voor het realiseren van de 8 of 9 woningen heeft het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde-besluit genomen. Dit besluit is bij dit plan gevoegd.

4.5.2 Railverkeerlawaai

Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda / Tilburg-Eindhoven / Tilburg-'s-Hertogenbosch. Het betreft het planologisch mogelijk maken van maximaal 9 startersappartementen. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van het bouwplan van initiatiefnemer. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor een aantal geluidgevoelige bestemmingen de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Op de zuidzijde en delen van de oost- en westzijde wordt de maximale ontheffingswaarde overschreden. In het hogerewaardebesluit is de voorwaarde opgenomen dat indien de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden, maatregelen moeten worden getroffen om de geluidbelasting te verminderen tot een waarde van 68dB of minder. Het betreffende geveldeel mag ook als dove gevel worden uitgevoerd.

4.5.3 Industrielawaai

In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing.

4.5.4 Luchtvaartlawaai

Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.6 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden.

 

De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 9 woningen Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

 

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is nader onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit ter plekke. Hiervoor is gebruik gemaakt van de gegevens uit de zogenaamde monitoringstool. Uit deze tool blijkt dat de concentraties van de meest bepalende stoffen, PM10, PM2,5 en NO2, ruim beneden de geldende grenswaarden liggen. Voor PM10 bedraagt de concentratie 19,7ug/m3, voor PM2,5 bedraagt de concentratie 12,4ug/m3 en voor NO2 bedraagt de concentratie 27ug/m3. In de onderstaande afbeelding zijn de toetspunten en resultaten weergegeven.

 

De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bedraagt 40ug/m3 , voor PM2,5 bedraagt deze 25ug/m3 . Voor de andere stoffen opgenomen in de Wet milieubeheer is te verwachtten dat deze de geldende grenswaarden zeker niet zullen overschrijden.

 

Vanuit "een goede ruimtelijke ordening" is er dan ook geen bezwaar tegen de vaststelling en uitwerking van dit plan.

 

 [image]

Afbeelding: Beoordelingspunten monitoringstool

4.7 Geur

Industriële geur

In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder.

 

Agrarische geur

In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

 

4.8 Bodem

Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'wonen'. Er zijn bij de gemeente Tilburg binnen het plangebied geen bodemonderzoeken beschikbaar. Naast de locatie zijn verdachte locaties (2 dempingen, AA085507588 en AA085506158) geregistreerd. Uit historisch onderzoek is gebleken dat er op de locatie geen ondergrondse tank aanwezig is geweest. Omdat van de locatie zelf geen bodemonderzoeken bekend zijn, dient voor het verkrijgen van een bouwvergunning een bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

 

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.9 Natuur en ecologie

Wettelijke kaders

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming.

De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven.

 

Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

 

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de provinciale Verordening ruimte. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

 

Om op een ontwikkelingsgerichte manier invulling te geven aan de wettelijke beschermingsstatus van gebouw bewonende diersoorten, heeft de Gemeente Tilburg het Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg (hierna SMP) opgesteld. Hieraan is een gebiedsontheffing gekoppeld, waar initiatiefnemers van bestemmingsplannen in de Oude Stad (het gebied begrensd door het Wilhelminakanaal, A58 en bosgebieden aan de westzijde van Tilburg) gebruik van kunnen maken. Initiatiefnemers van ontwikkelingen met mogelijke effecten op de gebouw bewonende soorten huismus, gierzwaluw en vleermuizen hoeven in dat geval niet meer afzonderlijk jaarrond onderzoek uit te voeren of een ontheffing aan te vragen. In plaats daarvan gelden een aantal voorwaarden uit het SMP, zoals het uitvoeren van een omgevingscheck voorafgaand aan de werkzaamheden, het werken volgens het "Ecologisch Werkprotocol SMP" en het aanbrengen van faunavoorzieningen in nieuwbouw.

 

Analyse plangebied

 

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Oisterwijkse Vennen & Kampina op 4,7km afstand. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

 

Natuurbescherming in Verordening Ruimte 2014

Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Verordening Ruimte. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op ca. 2,4km ten westen van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 5.1 lid 6 van de Verordening Ruimte, zijn gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling redelijkerwijs uit te sluiten.

 

Soortenbescherming

Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan vindt geen sloop plaats; effecten op gebouw bewonende soorten zijn uit te sluiten. De ontwikkeling kan juist bijdragen aan de doelstellingen van het Soortenmanagementplan door maatregelen voor diersoorten te integreren in de nieuwbouw.

Tevens zijn in het gebied geen begroeiingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Ook voor andere beschermde soorten is het door de aanwezige verhardingen niet geschikt.

 

Conclusie

Vanuit de Wet Natuurbescherming zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden.

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

 

Bestaand watersysteem

De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 9 startersappartementen aan de Burg. Brokxlaan. De locatie is in de huidige situatie geheel verhard. De gebiedskenmerken van dit plangebied zijn weergegeven in tabel 1.

 

Tabel 1. Gebiedskenmerken

Kenmerk

In plangebied

Waterbeheerders

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg

Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel

Oppervlaktewater: waterschap De Dommel

Bruto oppervlakte

ca. 445m²

Terreinhoogte

ca. 14,25m+NAP

Gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG)

ca. 12,0m+NAP

Ontwateringdiepte

ca. 2,25m

Bodem

Sterk lemig, matig fijn zand

Riolering

Gescheiden stelsel

Keur beschermde gebieden

Niet relevant

 

Het gebied rondom de planlocatie is nagenoeg geheel verhard en voerde in het verleden het afval- en regenwater naar de gemeentelijke gemengde riolering. Inmiddels ligt in de gehele Spoorzone een gescheiden stelsel. De vuilwaterafvoer sluit aan op de gemeentelijke gemengde riolering; de regenwaterafvoer sluit aan op de regenwaterriolering voor afgekoppeld regenwater (blauwe ader Noordoost).

 

Het overtollige regenwater wordt opgevangen, geborgen en door de blauwe ader getransporteerd naar een centrale waterberging in het buitengebied ten noordoosten van het stedelijke gebied in Noordoost (landschapspark Pauwels). Bij hevige neerslag treedt een aantal nooduitlaten op het Wilhelminakanaal in werking.

 

Beleidskader

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur, die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.

 

Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

 

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020, (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling gegeven aan het langetermijnbeleid, dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

 

Duurzaam watersysteem

De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren:

 

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden, wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelsgrens (T-hoogte) gehandhaafd.

 

De locatie is in de huidige situatie geheel verhard. De ontwikkeling zal dan ook niet leiden tot een toename van verhard oppervlak. Er hoeven geen maatregelen genomen te worden om hydrologisch neutraal te bouwen. Wel dient het regenwater gescheiden van het afvalwater te worden ingezameld.

 

De regenwaterafvoer dient aan te sluiten op de bestaande regenwaterriolering in de Burgemeester Brokxlaan. Het afvalwater dient afgevoerd te worden naar het vuilwaterriool in de Burgemeester Brokxlaan.

 

Bij extreme neerslag is het mogelijk dat het bestaande afwateringssysteem ontoereikend is. Om te voorkomen dat het teveel aan regenwater schade veroorzaakt in de bebouwing wordt aangeraden het vloerpeil ten minste 15 cm hoger aan te leggen dan de omringende openbare ruimte.

 

Watertoets

De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is niet significant. Er wordt daarom, conform afspraken tussen waterschap De Dommel en de gemeente Tilburg, gekozen voor een verkort watertoetstraject. Deze waterparagraaf wordt direct opgenomen in het ontwerpplan, zonder voorlopig wateradvies.

Bij brief van 20 april 2018 heeft het waterschap ingestemd met het onderhavige plan en de daarin opgenomen waterparagraaf.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.6 van het Bro verplicht de planwetgever een vast te stellen bestemmingsplan te doen

vergezellen door een toelichting, waarin (o.a.) zijn neergelegd de inzichten over de uitvoerbaarheid van het

plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet

(afdeling 6.2 van de Wro) is derhalve van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Eventueel uit te keren tegemoetkomingen in planschade zullen ten laste komen van de initiatiefnemer, die met de gemeente eveneens een overeenkomst inzake het verhaal van planschade heeft gesloten. Gelet op het vorenstaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en overleg

 

7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro

Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende plan op 14 juli 2017 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het concept-ontwerp van dit plan raakt niet aan provinciale belangen en er wordt op basis van afspraken met het waterschap een verkorte procedure gevolgd. Het concept is derhalve niet voorgelegd aan provincie en waterschap. Er is direct een ontwerpplan opgesteld.

7.3 Omgevingsdialoog

Begin februari 2018 heeft initiatiefnemer ter uitvoering van het bepaalde in de door de raad vastgestelde Richtlijn Omgevingsdialoog een brief verspreid bij omwonenden.In deze brief is een toelichting gegeven op de aard en het doel van het project. Tevens is een reactietermijn van twee weken gegeven voor het maken van opmerkingen. Verschillende buren hebben gereageerd. Een veertiental bewoners van het naastgelegen Vestia-gebouw heeft expliciet aangegeven niet in te stemmen met het project. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog zijn geen aanpassingen in het project doorgevoerd.

7.4 Zienswijzen

Het ontwerpplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, van maandag 9 april tot en met dinsdag 22 mei 2018. Tijdens deze periode zijn er twee zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder samengevat weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen.

Zienswijze 1 (omwonenden)

Een veertiental bewoners van het naastgelegen Vestia-gebouw geeft aan te vrezen voor minder privacy, sterk verminderde lichtinval en verlies van direct zonlicht, een verminderd uitzicht in de richting van de Spoorzone en de Clarissenhof en een flinke beperking van het woongenot. Daarnaast betwijfelen zij of voldaan wordt aan de parkeereis voor dit plan.

Standpunt gemeente

Het bouwen van een kleinschalig appartementengebouw, dat de overgang vormt van het hoge Vestia-gebouw naar de minder hoog opgetrokken bebouwing langs de Gasthuisring, is op deze plaats verantwoord. De afstand tussen de beide woongebouwen bedraagt 6 meter. Dat is ruim voldoende om de drie slaapkamers gelegen naast het nieuwe gebouw van daglicht te voorzien. In de praktijk kan het zo zijn dat de lichttoetreding voor deze slaapkamers wel minder zal worden. Daarom is ten aanzien van het nieuwe gebouw gekozen voor een lichte gevelsteen, zodat dit effect middels reflectie zo veel mogelijk wordt voorkomen. De initiatiefnemer heeft daarnaast aangegeven in de zijgevels te zullen werken met gematteerd glas. Voor een enkeling zal het uitzicht richting Clarissenhof wellicht iets verminderen, maar wij achten dit verlies van uitzicht acceptabel in het licht van de stedenbouwkundige winst die geboekt wordt met het opvullen van deze 'holle kies' aan de Burgemeester Brokxlaan. Daar komt bij dat dit plan voorzienbaar was voor zowel eigenaar als huurders van de appartementen in het Vestia-gebouw: het komt immers tot stand binnen de kaders van hetzelfde bestemmingsplan Spoorzone, dat door de gemeenteraad werd vastgesteld in 2008. Aan de parkeereis wordt voldaan: het bouwplan omvat maximaal 9 appartementen in zone A. De appartementen zijn alle groter dan 35m² bvo, doch kleiner dan 70 m² bvo. Op basis van de huidige normen (2017) bedraagt de parkeereis daarom 9 x 0,9 parkeerplaats per woning. Totaal maakt dat 8,1 parkeerplaatsen bij 9 appartementen. Voor de commerciële ruimte op de begane grond komen daar nog 2 plaatsen bij. De parkeereis bedraagt afgerond dus hoe dan ook maximaal 10 plaatsen. Initiatiefnemer voorziet daarin door 4 plaatsen op eigen terrein te realiseren. Daarnaast neemt initiatiefnemer 6 parkeerplaatsen af in de naastgelegen parkeergarage van Vestia. In het vorenstaande is overigens nog niet verdisconteerd dat de projectlocatie zich binnen het invloedsgebied van parkeergarage De Knegtel en andere algemeen toegankelijke parkeergelegenheid bevindt.

Conclusie

De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het (juridisch bindende deel van) het plan.

-----------

Zienswijze 2 (ProRail)

ProRail beoogt niet alleen voor gemeenten die plannen maken in de spooromgeving, maar ook voor toekomstige bewoners rond het spoor een “goede buur” te zijn. Omdat de in het ontwerp-uitwerkingsplan beoogde bebouwing dicht bij het spoor is gepland, kan trillinghinder voor de toekomstige bewoners ontstaan als gevolg van treinverkeer. Hoewel er geen wettelijke normen bestaan voor trillinghinder in dit soort situaties, acht ProRail het gewenst dat er in de planvorming wel aandacht voor is. ProRail raadt aan om het aspect
trillinghinder af te wegen, zoals ook door Kenniscentrum InfoMil wordt aanbevolen. Eventueel kan indicatief onderzoek worden gedaan naar de te verwachten trillingsniveaus.

Standpunt gemeente

Gevraagd wordt om trillinghinder af te wegen bij de totstandkoming van het plan.

Het is ons bekend dat wonen langs het spoor kan leiden tot trillinghinder bij bewoners. Wij hebben voor een situatie verderop in de Spoorzone trillingsonderzoek laten uitvoeren (bestemmingsplan voor Mindlabs, eveneens gelegen in de Spoorzone van Tilburg). Hierbij is getoetst aan de normen uit de SBR richtlijn B "hinder voor personen in gebouwen". Het grote verschil met de locatie Mindlabs is dat bij die ontwikkeling de afstand tot het spoortalud ca. 20 meter bedraagt. De afstand tot het in het voorliggende bestemmingsplan aangehouden bouwvlak bedraagt ca. 45 meter. Het spoor ligt in beide situaties op hoogte. Het betreft dezelfde spoorlijn met dezelfde vervoersbewegingen. Er zijn daarnaast in de directe nabijheid van het project reeds woningen aanwezig op kortere afstand van het spoor. Als verantwoord wordt gebouwd, volgens van toepassing zijnde regels, zal er naar onze mening voor de bewoners van het nieuwe appartementengebouw geen sprake zijn van onaanvaardbare prikkels in de vorm van trilllingen vanwege het spoor.

Uit het hiervoor genoemde onderzoek (Peutz, bestemmingsplan Mindlabs Spoorzone Tilburg d.d. 19 februari 2018) blijkt dat trillinghinder in de nieuwbouw van Mindlabs niet te verwachtten is. Uit het onderzoek blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de trillingsnormen voor kantoorgebouwen in een nieuwe situatie.

In voorliggende situatie mogen maximaal negen appartementen worden gerealiseerd. Normen voor wonen zijn strenger dan voor kantoorfuncties (waarde A1 Vmax bedraagt voor wonen 0,1 i.p.v. 0,15 voor onderwijs- kantoorfuncties). Indien de normen voor woningen voor gebouwen getoetst worden aan de uitkomsten van het onderzoek Mindlabs, dan is de verwachting dat voldaan wordt aan de waarde van A1 van 0,1 in de nieuw te bouwen appartementen, mede gelet op de grotere afstand tot het spoor en de demping door het gebouw zelf.

Uit de bij ProRail door de gemeente Tilburg opgevraagde klachten vanaf april 2015 blijkt dat er afgelopen drie jaar twee klachten (Alleenhouderstraat, Pijlijsterstraat ) zijn geweest over trillinghinder in de directe omgeving van het Bouwplan. Dit betreft echter bestaande en oudere woningen. Vanuit de hoogbouwlocaties direct naast het bouwplan (woontorens Burgemeester Broxlaan, adressen 1904-2050/ 1706-1902; bouwjaar appartementen 2009 ) en de oudere woningen aan de oostzijde direct naast het bouwplan zijn er geen klachten ontvangen.

Conclusie is dat er gelet op het bovenstaande ten aanzien van het aspect 'trillinghinder' sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie

De zienswijze is gegrond, zie voor de gevraagde afweging hierboven. De zienswijze leidt niet tot aanpassing van