direct naar inhoud van Regels

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Kempenbaan-Oost

Status: vastgesteld
Identificatie: NL.IMRO.0855.TAM2025003-c001
Plantype: bestemmingsplan

Motivatie

 

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied

 

 

1.1 Aanleiding tot planwijziging

Voor het gebied Kempenbaan-Oost wordt gewerkt aan een stedenbouwkundig plan. In dit stedenbouwkundig plan is een andere invulling van het gebied dan het huidige omgevingsplan (bestemmingsplan 'Leijpark-Koningshoeven 2008') mogelijk maakt. Het doel van het stedenbouwkundig plan is de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te bevorderen en daarnaast de aanleg van onder andere een ecologische zone en een betere ontsluiting van het gebied en de Koningshoeven naar de Kempenbaan mogelijk te maken. Dit zorgt

direct voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit doordat de verkeersintensiteit op de Koningshoeven afneemt, de verkeersveiligheid toeneemt en de doorstroming op de Kempenbaan verbetert.

 

Het stedenbouwkundig plan omvat een inpassing van een stadsdistributiecentrum, een regionale ambulancepost en nieuwe lintbebouwing langs het historisch lint van Koningshoeven. De bedoeling van dit TAM-IMRO omgevingsplan (een tijdelijk alternatieve maatregel om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken) is de ontwikkeling van de lintbebouwing en ambulancepost, samen met een ontsluitingsweg met een nieuw kruispunt, landschappelijke inpassing en een ecologische verbindingszone. In het stedenbouwkundig plan is ook een indicatief tracé voor een fietsbrug opgenomen. Deze fietsbrug betreft een toekomstige ambitie, waar nog geen (definitieve) besluitvorming over heeft plaatsgevonden.

 

Voor het stadsdistributiecentrum is reeds op 16 oktober 2024 een omgevingsvergunning (met buitenplanse omgevingsplanafwijking) verleend en wordt daarom niet opgenomen in dit omgevingsplan. Deze vergunning zal t.z.t. in het definitieve omgevingsplan van de gemeente Tilburg op worden genomen.

 

Het huidige omgevingsplan kent zeer ruime bouw- en gebruiksmogelijkheden en als die bouw- en gebruiksmogelijkheden gebruikt worden, zal dit de realisering van het stedenbouwkundig plan kunnen blokkeren. Om planologisch te kunnen anticiperen op het stedenbouwkundig plan en functies en bouwmogelijkheden die niet passen in het stedenbouwkundige plan maar nog wel planologisch zijn toegestaan te verbieden, heeft de gemeenteraad bij besluit van 23 september 2024 voor de percelen in Kempenbaan-Oost een voorbereidingsbesluit, zoals bedoeld in artikel 4.14 van de Omgevingswet, genomen. In het voorbereidingsbesluit zijn voorbeschermingsregels opgenomen.

De voorbeschermingsregels vervallen na 1 jaar en 6 maanden, mits voor die tijd een wijziging van het omgevingsplan met de nieuwe regels is vastgesteld en bekendgemaakt. In dat geval vervallen de voorbereidingsbeschermingsregels 4 weken na bekendmaking, wanneer het plan in werking treedt.[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: werkingsgebied van het voorbereidingsbesluit van 23 september 2024

 

Met deze motivering wordt een basis gegeven voor de wijziging van het omgevingsplan. De motivering geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop de ontwikkeling aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De motivering geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

 

Het plangebied omvat de percelen in Kempenbaan-Oost, kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie nummers 224 (ged.), 336 (ged.), 596 (ged.), 599 (ged.), 1030 (ged.), 626 (ged.), 603 (ged.), 604 (ged.), 579 (ged.), 581 (ged.), 578 (ged.), 687, 686 (ged.), 685 (ged.), 542, 620 (ged.), 619, 688 (ged.), 786, 785, 626 (ged.), 905 (ged.),

906 (ged.),  1029 en 1028 en sectie X, nummers 1234, 1235, 1518, 1519, 1520 en 1521 (ged.).[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: ligging plangebied in de gemeente Tilburg

 

1.3 Geldend planologisch kader

Op de locatie Kempenbaan-Oost gelden verschillende bestemmingsplannen die sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 onderdeel zijn geworden van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg. Het planologische regime bestaat uit:

 

Voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden is feitelijk slechts het bestemmingsplan ‘Leijpark-Koningshoeven 2008’ relevant. Het paraplubestemmingsplan ‘Tilburg, Parkeerregeling 2017’ is van belang voor de toepasselijke parkeernorm. Het paraplubestemmingsplan ‘Tilburg, parapluplan waterberging & grondwaterbescherming’ is van belang voor de waterbergingseis.

 

Op grond van het bestemmingsplan ‘Leijpark-Koningshoeven 2008’ rust op de locatie de enkelbestemming ‘Bedrijf’, en de functieaanduidingen ‘horeca tot en met horecacategorie 3’, ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ en ‘kantoor’. De locatie is voorzien van een bouwvlak en de toegelaten maatvoering (voor zover relevant) bestaat uit een maximum bebouwingspercentage van 100%, een maximale bouwhoogte van 15 meter in het zuidelijk en westelijk deel en 12 meter in het noordelijk en oostelijk deel (en aldaar met een maximum goothoogte van 9 meter).

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: uitsnede uit bestemmingsplan 'Leijpark-Koningshoeven 2008'

1.4 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied is een gedeelte van het voormalige Hacas-Verschurenterrein gesitueerd tussen de Koningshoeven en Kempenbaan. Dit terrein ligt aan de zuidoostelijke stadsrand van Tilburg en wordt omgeven door het regionaal ziekenhuis ETZ, Stadspark Leijpark, de A58 en het buitengebied. Ondanks de ligging in de stadsrand is de binnenstad, de Piushaven en het Centraal Station met de fiets binnen 15 minuten te bereiken. Vanwege de voormalige bedrijfsactiviteiten ligt er een hoofdzakelijk bedrijfsbestemming op deze gronden.

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: luchtfoto omgeving Kempenbaan-Oost met globaal het plangebied

 

1.5 Voorgenomen ontwikkeling

Voor de locatie Kempenbaan-Oost is een stedenbouwkundig plan opgesteld (zie bijlage 1), welke de basis vormt voor deze wijziging. Onderhavige wijziging van het omgevingsplan omvat de realisatie van 20 woningen en een ambulancepost. Tevens voorziet het plan in een ontsluitingsweg tussen de Koningshoeven en de Kempenbaan en in een nieuwe kruising op de Kempenbaan ter hoogte van de nieuwe ontsluitingsweg. Tot slot wordt de ecologische verbindingszone aan weerszijde van De Leij verbreed en wordt groen en water toegevoegd.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: structuurkaart op grond van het stedenbouwkundig plan

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: situering nieuwe functies en bouwvlakken Kempenbaan-Oost

 

De woningen aan de zijde van het stadsdistributiecentrum krijgen een goothoogte van 6,5 meter en een nokhoogte van 9,5 meter. De woningen worden gesitueerd in drie bouwwerken, met de rug naar het stadsdistributiecentrum toe. Hierdoor ontstaat een typologie die verwijst naar de kloostertypologie. De 2 hoven vormen de gedeelde ruimten, waar de woningen worden ontsloten.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: bebouwingslint Koningshoeven in kloostertypologie

 

De woningen op de hoek van de Leij en de Koningshoeven krijgen meer hoogte, namelijk een goothoogte van 7,5 meter en een nokhoogte van 10 meter met gedeeltelijk een plat dak op 11,6 meter, en een lager gedeelte met een nok- en goothoogte van respectievelijk 4 meter en 5,5 meter. Dit 1-laagse 'staartstuk' fungeert als tweede voorkant aan de ruimte voor ambulancepost.

 

Voor de ambulancepost is gekozen voor een heldere opbouw waarin de functionaliteit van het gebouw afleesbaar is. Het gebouw heeft een maximale bouwhoogte van 7 meter voor het gedeelte het dichtst bij de woningen en 9,9 meter voor het gebouwdeelte aan de zijde van de Kempenbaan. De locatie ligt dicht bij Kempenbaan, Ringbanen en A58, wat ten goede komt aan de aanrijtijden.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: ontwerp woningen in relatie tot ambulancepost en stadsdistributiecentrum

 

Voor een goede en veilige ontsluiting van het gebied is een ontsluitingsweg en aanpassing van het kruispunt aan de Kempenbaan een voorwaarde.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

 

2.1 Rijk

 

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.

 

De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden.

 

De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. We maken ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. We bevorderen duurzaam economisch groeipotentieel. We zorgen voor sterke en gezonde steden en regio’s. En we stimuleren een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

 

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

  2. Duurzaam economisch groeipotentieel;

  3. Sterke en gezonde steden en regio’s;

  4. Toekomstbestendige ontwikkeling landelijk gebied.

 

Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:

  1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;

  2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;

  3. Afwentelen wordt voorkomen.

 

Toets aan NOVI

2.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De opgenomen regels en omgevingswaarden zijn gesteld ter bescherming van nationale belangen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

 

In het Bkl is onder meer geregeld welk bestuursorgaan bevoegd gezag is bij het verlenen van een omgevingsvergunning, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en procedures.

 

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Hoofdstuk 5 bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:

 

Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Deze instructieregels gaan over:

Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan.

 

Ondanks het ingekaderde karakter van de afwegingsruimte die door de instructieregels ontstaat, biedt het Bkl veel ruimte aan de gemeente om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te sturen. Als de gemeente gebruik wil maken van deze afwegingsruimte, zal zij dit goed moeten motiveren. Daarnaast zullen deze deugdelijk onderbouwde, op het specifieke deelgebied afgestemde kaders ook moeten worden uitgewerkt in juridische planregels.

2.1.3 Maatschappelijke behoefte

De voorgestelde 20 woningen in het middensegment voorzien in de maatschappelijke behoefte aan woningen. Verder heeft het plan betrekking op een andere invulling van het reeds bestaande bedrijventerrein, hetgeen voldoet aan de maatschappelijke behoefte.

De ambulancepost is een gevolg van de samenvoeging van meerdere bestaande locaties. In totaal is er een groei van 25% ambulancemedewerkers en 10% ondersteunende functies voorzien. De groei is nodig om de RAV toekomstbestendig te maken en wordt verdeeld over Tilburg en Breda.

2.1.4 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

 

Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand)

  1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is.

  2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met:

  1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

  2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

  1. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:

  1. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en

  2. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.

  1. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

 

Voorliggend plan voorziet o.a. in wijziging van het gebruik van het bedrijventerrein en in de bouw van maximaal 20 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Daarom voorziet het plan in een nieuwe stedelijke ontwikkeling en moet de behoefte van het plan worden aangetoond.

 

Gemeentelijke bouwopgave in regionale context

De gemeente Tilburg maakt samen met tien andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. In de periode 2020-2040 is er behoefte aan 25.000 extra woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. De sterkste groei vindt plaats in de jaren tot 2030. In de update stedelijke ontwikkelingsstrategie 2021 is aangegeven dat de Tilburgse netto bouwopgave tot 2030 gemiddeld ten minste 1.500 woningen per jaar bedraagt.

 

De update Stedelijke Ontwikkelstrategie Wonen van september 2021 geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave. De woningbouwopgave voor Tilburg wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd in aansluiting op de uitgangspunten van de Rijksoverheid. De strategie bevat richtinggevende verdichtingsprincipes, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien.

 

Het plan voorziet tevens in realisatie van een ambulancepost. Aangezien dit plaatsvindt op een bestaand bedrijventerrein is geen sprake van ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein. Artikel 5.129g is zodoende hierop niet van toepassing. Overigens ligt het bedrijventerrein binnen bestaand stedelijk gebied.

 

Conclusie

Het plan tot de bouw van 20 grondgebonden woningen past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context. Ruimtelijk past dit plan binnen de in de update Stedelijke Ontwikkelstrategie Wonen geformuleerde strategie.

2.1.5 Voorgenomen ontwikkeling in relatie tot rijksbeleid

De wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten en afwegingsprincipes van de NOVI. Dit uit zich in het feit dat de wijziging voorziet in een combinatie van functies en de ontwikkeling past bij de kenmerken en identiteit van het gebied. Tevens is de wijziging getoetst aan de van toepassing zijnde instructieregels uit het Bkl. Hieruit blijkt dat de activteiten die via deze wijziging mogelijk worden gemaakt voldoen aan deze instructieregels. Tot slot voldoet het plan aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2 Provincie

 

2.2.1 Brabantse omgevingsvisie

Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven:

 

  1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant.

  2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken.

  3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen.

  4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ?

  5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.

 

Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie is uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen:

2.2.2 TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant

De Omgevingsverordening Noord-Brabant is op 5 december 2023 door Provinciale Staten vastgesteld. De verordening is tegelijk met de Omgevingswet van kracht geworden. In de omgevingsverordening zijn de bestaande regels samengevoegd van de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen.

 

De Omgevingsverordening bevat omgevingswaarden, algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels. De instructieregels uit hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant hebben tot doel dat de gemeenteraad de inhoud van de regels betrekt bij de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan.

 

Specifiek voor het plangebied geldt:

Op basis van de omgevingsverordening is het plangebied gelegen in de aanduiding stedelijk gebied. Voor het plangebied gelden vervolgens de volgende instructieregels:

 

‘Omgevingsverordening beperking vestiging grootschalige logistiek’

De provincie Noord-Brabant en gemeenten hebben eind 2021 afgesproken om de ontwikkeling van grootschalige logistiek op ongewenste locaties te beperken. Alle gemeenten hebben zorgvuldig gekeken op welke plekken grootschalige logistiek wel blijft toegestaan en waar niet. Hier zijn afspraken over gemaakt, welke zijn verwerkt in de Omgevingsverordening. Op een kaart zijn locaties de locaties waar wel/geen grootschalige logistiek is toegestaan tot op perceelsniveau begrensd.

 

Toetsing aan de ‘Omgevingsverordening – beperking vestiging grootschalige logistiek’

Het omgevingsplan maakt geen grootschalige logistiek mogelijk. Feitelijk komt deze er wel in de vorm van een stadsdistributiecentrum, maar hiervoor is reeds een omgevingsvergunning verleend. Daarbij is de locatie ‘Kempenbaan-Oost’ in de Omgevingsverordening voor een stadsdistributiecentrum uitgezonderd van het XXL-verbod. In de regionale afspraken en onderbouwingen bij deze locatie is deze specificatie opgenomen.

2.2.3 Voorgenomen initiatief in relatie tot provinciaal beleid

Het initiatief is getoetst aan de instructieregels uit de omgevingsverordening Noord-Brabant.

 

Artikel 5.15 Ruimte-voor-ruimtekavel

In het plangebied vindt geen ruimte voor ruimte plaats.

 

Artikel 5.31 Externe werking Natuur Netwerk Brabant

De voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied vormen geen aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant. Voor een onderbouwing hiervan wordt verwezen naar paragraaf 4.10 van hoofdstuk 4 Milieu & gezondheid.

 

Artikel 5.53 Windturbines in Stedelijk gebied

In het plangebied worden geen windturbines mogelijk gemaakt.

 

Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling

De ontwikkeling past binnen de regionale afspraken zoals deze binnen de provincie zijn gemaakt. Voor een onderbouwing hiervan wordt verwezen naar paragraaf 2.3.4 van deze motivering. Tevens is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling:

  1. Een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd door realisatie van een ecologische verbindingszone, goede landschappelijke inpassing en natuurinclusief bouwen. Verder wordt voldaan aan de van toepassing zijnde milieunormen, bijvoorbeeld voor luchtkwaliteit, externe veiligheid en geluid. Tot slot worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.

  2. Het betreft een binnenstedelijke herontwikkeling, waarmee een terrein dat in 2015 door brand is getroffen weer wordt hergebruikt. Hiermee is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

  3. In het plan is zoveel als mogelijk invulling gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie. De ambulancepost krijgt een groen dak en een deel met zonnepanelen. De woningen moeten voldoen aan de op da tmoment geldende duurzaamheidseisen.

  4. Bij de voorgenomen ontwikkelingen wordt rekening gehouden met klimaatverandering door gebouwen te voorzien van groene gevels, groene inpassing, waterretentie conform de opgave van het Waterschap en uitbreiding van de capaciteit van de ecologische verbindingszone in de Leij.

  5. De mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden zoveel als mogelijk benut door het faciliteren van elektrische rijden door laadpalen. Daarbij wordt de bereikbaarheid per fiets en voet gegarandeerd. Er wordt een fietsenstalling gerealiseerd in de parkeergarage van het stadsdistributiecentrum.

  6. Het plan voldoet aan de normen ten aanzien van MPG (milieuprestatie gebouwen), de landelijke norm voor circulair bouwen. Hiermee wordt bijgedragen aan een circulaire economie.

 

Artikel 5.62 Veehouderij in Stedelijk gebied

De wijziging van het omgeingsplan voorziet niet in vestiging van, omschakeling naar en uitbreiding van een veehouderij.

 

Conclusie

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied niet in strijd zijn met de uitgangspunten en instructieregels van het provinciaal beleid zoals vastsgelegd in de omgevingsvisie en omgevingsverordening.

2.3 Gemeente

 

2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040

Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans.

 

People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen.

 

Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur.

 

Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

 

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen:

 

Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking

Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn.

 

Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren.

 

Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk.

 

Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

 

De vier stedelijke knooppunten:

 

De drie stadsregionale parken zijn:

 

De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad

Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

 

De drie stedelijke knooppunten zijn:

 

De twee ecologische verbindingszones:

 

De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat

De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn:

 

Functie van de Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden.

 

Toets van het plan aan de Omgevingsvisie

De locatie is gelegen aan de rand van de zorgknoop en op de overgang van de stad naar het stadsregionaal park Moerenburg- Koningshoeven.

 

De locatie ligt deel in de zorgknoop, een gebied onderdeel van de stadstrategie wat de komende jaren meer aandacht krijgt om verder uit te bouwen als een belangrijk (zorg) voorzieningencluster voor de stad. De zorgknoop is een concentratie van zorgfuncties in een groen stedelijke setting

De locatie ligt tevens op de overgang van de stad naar het stadsregionaalpark Moerenburg- Koningshoeven, 1 van de drie stadsregionale parken, waar potentie is om ze uit te bouwen en een belangrijke rol te laten vervullen in de Brabantstrategie.

 

De locatie ligt op de overgang van beide knopen zonder daar programmatisch daar onderdeel van uit te maken, doordat het ruimtelijk van deze gebieden wordt gescheiden door het kanaal aan de oostkant en de westkant door de stedelijke ontsluiting-as van de Kempenbaan.

 [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: uitsnede van plankaart van de omgevingsvisie Tilburg 2040

 

Aan de noordkant van de locatie is de ecologische zoen van de Leij in de omgevingsvisie aangeduid als belangrijke verbinding van water en ecologie in de stad. De Koningshoeve is onderdeel van de lintenstructuur, de ruggeraad van de stad waarin een belangrijk deel van de historie van de stad zichtbaar is in de ruimte. Deze stadsstructuur verbindt de stad met het stadsregionale park en maakt zo dat Moerenburg- Koningshoeven kan functioneren als belangrijk uitloopgebied van de stad, een van de poorten naar het Groene Woud en als buffer naar de omliggende natura 2000 gebieden.

 [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: beeld uit de omgevingsvisie Tilburg 2040 m.b.t. positionering stadsregionale parken.

 

2.3.2 Bestuursakkoord ‘Meer voor elkaar’

Het Akkoord ‘Meer voor elkaar betreft het bestuursakkoord voor de raadsperiode 2022 tot 2026. In dit akkoord staan doelen, koers en aanpak beschreven met betrekking op gezondheid, jeugd, kansengelijkheid, energietransitie, verduurzaming van de bestaande woon- en werkomgeving, groen in de stad, mobiliteit, openbare ruimte, nieuwe woningen, werkgelegenheid, kunst cultuur, evenementen en sport.

 

Specifiek voor dit plan geeft het bestuursakkoord aan:

De bouw van de woningen levert een bijdrage aan de gemeentelijke woningbouwopgave.

Ten aanzien van bestaande binnenstedelijke bedrijventerreinen is de aanpak gericht op het herontwikkelen en intensiever benutten van bestaande (planologische) mogelijkheden. Onderhavige wijziging voldoet hieraan.

2.3.3 Woonbeleid en volkshuisvesting

 

Gemeentelijk woonbeleid

Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. 

 

Centraal in de Woonagenda staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen. Ten aanzien van de kwalitatieve opgave waar Tilburg als stad voor staat zijn er een aantal kwaliteiten waar vanuit de Woonagenda en de opgave in de stad waarde aan wordt gehecht.

 

Ruimtelijk past dit plan binnen de in de update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen geformuleerde strategie.

 

Woonadvies specifiek voor plangebied 

Groenewoud, Stappegoor& Het Laar is een woningmarktgebied met verschillende gezichten en afgebakende deelgebieden met weinig onderlinge verbondenheid. Uit het gebiedsprofiel wonen blijkt dat bij nieuwe woningtoevoegingen moet vooral gekeken worden naar wat ergens aanvullend is op de bestaande voorraad en wat deelgebieden kan versterken.

 

De locatie is gelegen in de wijk De Leij. In deze wijk staan in tegenstelling tot de rest van het gebied vrijwel uitsluitend gestapelde woningen (90%), die voornamelijk door ouderen (75% van de inwoners is 65+) worden bewoond. Er wonen in De Leij ook relatief veel éénpersoonshuishoudens. Dit betreft met name de woningen van De Leijhoeve. De voorgestelde woningen zorgen voor een diverser woningaanbod in het gebied.

 

Woondeal SRBT

De gemeente Tilburg maakt samen met tien andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In regionaal verband worden met de provincie Noord-Brabant afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwopgave voor een periode van 10 jaar. Dit op basis van de door de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose. In de periode 2020-2040 is er behoefte aan 25.000 extra woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke groei, de huishoudenverdunning en in de groei door migratie. De sterkste groei vindt plaats in de jaren tot 2030. In de update stedelijke ontwikkelingsstrategie 2021 is aangegeven dat de Tilburgse netto bouwopgave tot 2030 gemiddeld ten minste 1.500 woningen per jaar bedraagt.

 

Het plan voor de bouw van 20 woningen in het middensegment, past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context en geeft invulling aan de gemeentelijke bouwopgave.

 

Conclusie

Het beoogde plan draagt bij aan de gemeentelijke woningbouwopgave en voldoet het aan de beleidsdoelen-Wonen in de Woonvisie Tilburg 2015, de Woonagenda 2020-2025 en het addendum Woonagenda en past binnen de woondeal die gemeente Tilburg met Rijk, provincie en regio heeft gesloten.

2.3.4 Bedrijvigheid

 

Nota toekomstbestendige werklocaties 2020-2025

In 2020 is de nota toekomstbestendige werklocaties 2020-2025 vastgesteld. Met deze nota wordt een meer kwalitatieve visie op de Tilburgse werklocaties gegeven. Enerzijds omdat de beschikbare ruimte veel beperkter is en meer onder druk staat. Anderzijds omdat de vestigingscriteria veranderen onder invloed van de verduurzamingsopgaven, de transitie naar een circulaire economie, verslimming door digitalisering en robotisering en de ontwikkeling van nieuwe sectoren zoals smart industries, smart logistics en smart services (Next Economy).

 

In de beleidsnota 'Toekomstbestendige werklocaties 2020-2025' worden de volgende ambities benoemd:

 

 

De kwalitatieve benadering betekent dat we inzetten op versterking van het (regionale) economische ecosysteem en inzetten op versterking van de verschillende typen werklocaties zelf. Zo is het in sommige gevallen wenselijk om ondersteunende faciliteiten op bedrijventerreinen toe te staan. Hierbij kan worden gedacht aan functies zoals opleidingsvoorzieningen en truckparkings, maar ook aan ondersteunende zaken zoals wandelpaden en fietsroutes. Er moet dan wel blijken uit overleg met de vitaalverenigingen (de parkmanagementverenigingen op de Tilburgse bedrijventerreinen) dat hier een collectieve behoefte voor is.

 

Voor de binnenwijkse terreinen streven we ernaar om per saldo de bedrijfsruimte te behouden, door uitplaatsing van bedrijven naar geschiktere locaties te faciliteren of door wonen met werken te mengen. Ook kijken we nadrukkelijk naar kansen om verbinding te leggen met de wijk, om zo de terreinen vitaler te maken.

 

Voor wat betreft de kantoorlocaties stimuleren en faciliteren we ontwikkeling en renovatie van kantoorruimte – al dan niet in combinatie met andere functies - op kansrijke locaties in en rond de Kennis as zoals de Spoorzone, en de binnenstad, terwijl we locaties elders in het stedelijk gebied die minder goed presteren faciliteren om te transformeren. Solitaire kantoren op bedrijventerreinen vinden we onwenselijk en onttrekking, sloop dan wel transformatie naar een bij het bedrijventerrein passende ondersteunende functie heeft de voorkeur en kan op medewerking rekenen.

 

Tot slot hechten we belang aan nieuwe ontwikkelingen zoals proeftuinen en experimenteerruimte waar onderwijs en ondernemers samenkomen, om de onderlinge interactie te versterken.

 

Toetsing aan Nota toekomstbestendige werklocaties 2020-2025

In de nota ‘Toekomstbestendige Werklocaties 2020 – 2025’ hebben we de ambitie geformuleerd om onze beschikbare ruimte voor bedrijven te behouden, te versterken en slim te benutten (ambitie 2). Aan deze ambitie zijn – voor deze ontwikkeling – twee relevante doelstellingen gekoppeld (doelstellingen 2.3 en 2.4):

Daarbij wordt bij deze doelstelling aangegeven dat ons sterke logistieke profiel vraagt om blijvend goede locaties met de juiste logistieke voorzieningen. De aanwezige locaties en voorzieningen moeten daarom up-to-date blijven. Hoewel beperkt, vragen ook hubs voor (emissieloze) stadslogistiek om enkele specifieke locaties aan de randen van (het centrum van) Tilburg, van waaruit met zero emissie voertuigen consumenten en bedrijven worden bediend.

 

De ontwikkeling Kempenbaan Oost voorziet in bedrijven tot en met milieucategorie 2 en ambulancepost in een combinatie met wonen en bevindt zich aan de rand van het centrum van Tilburg. Ook zorgt de ontwikkeling ervoor dat er ruimte voor bedrijvigheid per saldo behouden blijft. Dit sluit aan bovengenoemde ambities en doelstellingen uit de nota ‘Toekomstbestendige Werklocaties 2020 – 2025’.

 

In februari 2024 werd het eerste faseplan (2024 – 2025) van de programma-aanpak revitalisering bedrijventerreinen voor de gemeente Tilburg door het college vastgesteld. De programma-aanpak richt zich primair op intensivering en verdichting van bestaande bedrijventerreinen. Hieronder valt o.a. het sub-thema ‘beter benutten van kavels’. In de nota ‘Toekomstbestendige werklocaties’ gaven we al aan dat we de ambitie hebben om de beschikbare ruimte voor bedrijven te behouden, te versterken en slim te benutten. Met de programma-aanpak revitalisering bedrijventerreinen geven we hier invulling aan, specifiek binnen het hoofdthema ‘intensiveren en verdichten’.

 

‘Afsprakenkader bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025 – 2030’

De lokale programmering van bedrijventerreinen wordt vanwege de provinciale verordening Ruimte vanaf 2012 op regionaal niveau afgestemd met de Hart van Brabant gemeenten. In december zijn de regionale afspraken bedrijventerreinen vastgesteld in het POHO Fysiek van de regio Hart van Brabant en op de Ontwikkeldag SRBT met de provincie Noord-Brabant. De regionale afspraken bedrijventerreinen zijn gebaseerd op een prognose voor de ruimtevraag naar nieuwe bedrijventerreinen die tenminste keer per bestuursperiode door de provincie wordt opgesteld.

 

In het afsprakenkader liggen afspraken vast over:

  1. Het gezamenlijke economisch toekomstbeeld van de regio dat mede als basis dient voor de afspraken over de bedrijventerreinen.

  2. Het efficiënt en effectief benutten van bestaande bedrijventerreinen (onder meer door ruimte-intensivering) en het uitvoeren van een procesafspraak over de herijking van de programmering van nieuwe bedrijventerreinen, in de periode tussen december 2024 en juni 2025. Doel hiervan is om het planaanbod van bedrijventerreinen kwalitatief meer in lijn te brengen met het economisch toekomstbeeld. Voldoende ruimte voor werken op locaties met de juiste kwaliteiten is immers een belangrijke randvoorwaarde voor het economisch toekomstbeeld.

  3. De toekomstbestendigheid van bestaande en nieuwe bedrijventerreinen, en het vergroten van de bijdrage van bedrijventerreinen en hun gebruikers aan de brede welvaart in de regio. Immers is ook de kwaliteit en toekomstbestendigheid van bedrijventerreinen een belangrijke randvoorwaarde voor het aantrekken en vasthouden van bedrijven die passen binnen het economisch toekomstbeeld.

  4. De uitvoering, governance en monitoring van de afspraken. Uitgangspunten zijn adaptief beleid, dat de regio wendbaar maakt en in staat stelt snel op veranderingen in de werklocatiemarkt in te spelen, en een zorgvuldige borging van de uitvoering van afspraken.

 

Toetsing aan ‘Afsprakenkader bedrijventerreinen Hart van Brabant 2025 – 2030’

De regio Hart van Brabant kampt met een groeiende druk op de ruimte door de toenemende ruimtevraag vanuit wonen, werken, recreatie, natuur, klimaatadaptatie, energietransitie en meer. Het is daarom belangrijk om de ruimte op de vele bestaande bedrijventerreinen in de regio nog efficiënter en effectiever te benutten. In het afsprakenkader bedrijventerreinen hebben we afgesproken om gezamenlijk werk te maken van intensivering en effectief ruimtegebruik van bestaande bedrijventerreinen, parallel aan de ontwikkeling van nieuwe terreinen om schuifruimte te creëren. In Tilburg herkennen we deze opgaven en geven wij hier invulling aan met de programma-aanpak revitalisering bedrijventerreinen, zoals eerder benoemd. Koningshoeven (liggend in het gebied Kempenbaan Oost) was reeds een bestaand bedrijventerrein en met de ontwikkelingsplannen die nu voorliggen blijft dat zo en wordt het opnieuw (efficiënt) ingericht. Dit sluit aan bij zowel de programma-aanpak als bij de gemaakte afspraken in de regio. Het terrein is tevens opgenomen in de programmering als onderdeel van het afsprakenkader bedrijventerreinen.

 

Nota ‘Vitaliteitsscan en toekomstperspectief binnenwijkse bedrijventerreinen’

Op 28 september 2021 heeft het college de vitaliteitsscan binnenwijkse bedrijventerreinen vastgesteld en een besluit genomen over het toekomstperspectief van verschillende terreinen.

 

Er is een viertal ontwikkelstrategieën benoemd:

  1. Terreinen die we willen behouden als binnenwijks bedrijventerrein en waarbij we juist willen inzetten op verdichting. Dit geldt voor het Beneluxterrein, Bedrijvenpark Willem II, Rhijnkant, Broekhoven en de Kapelmeesterlaan.

  2. Terreinen waar we de functiemix voor de omliggende wijk willen versterken. Dat is dus niet alleen ruimte voor werken maar kan ook andere wijkvoorzieningen omvatten. Dit geldt voor het Voltcomplex, Reitse Hoevenstraat, Heikant Oost en West, Paletplein en Dirigentenlaan.

  3. Terreinen waar open staan voor transformatie naar woon-werkgebied.  40 procent van het grondoppervlak moet hierbij worden ingezet voor de werkfunctie. Dit geldt voor Bedrijvencentrum Het Laar, Quirijnstok, Componistenlaan en het WLM-terrein Regenboogstraat.

  4. Terreinen waar we geen aanvullende actie ondernemen. Deze terreinen zijn net gerevitaliseerd of in ontwikkeling. Dit geldt voor het Tegroterrein en Stadsrand Dalem Zuid.

 

Voor de terreinen onder 1 t/m 3 geldt dat we de combinatie met wonen in geen van de gevallen uitsluiten. De invalshoek is echter per strategie wezenlijk anders.

 

Onder 1 geldt dat werken de hoofdfunctie blijft en het oppervlak aan werken minimaal wordt behouden en waar mogelijk wordt geïntensiveerd. Creatieve oplossingen waarbij het toevoegen van een woonfunctie de ontwikkelmogelijkheden van de bedrijven niet belemmerd en die van toegevoegde waarde zijn voor het terrein en de directe omgeving worden integraal afgewogen. Maar: het belang van het behoud van kwalitatieve werklocaties prevaleert.

 

Onder 2 kijken we meer naar mixmilieus en een directe verbinding naar de wijk. Ook hier is wonen (op de bovenverdieping) denkbaar en mogelijk kansrijk. Nog steeds is wonen hier een aanvulling.

 

Onder 3 mag wonen de hoofdfunctie worden, maar willen we nog steeds de combinatie met werken terugzien in de plannen. Het grondoppervlak dient voor 40 procent te worden behouden voor werken. Dit kan betekenen dat de verhouding met wonen anders komt te liggen wanneer er gekozen wordt voor hoogbouw. Daarbij bieden ze bij voorkeur ruimte voor (praktische) bedrijven die stadsverzorgend van aard zijn, significant bijdragen aan de werkgelegenheid op de locatie en/of zeer geschikt zijn voor onze (ambachtelijke/creatieve) makers.

 

Toetsing aan nota ‘Vitaliteitsscan en toekomstperspectief binnenwijkse bedrijventerreinen’

Vanwege de lopende ontwikkelingen die ten tijde van het opstellen van dit beleidsstuk in het gebied speelden, is het terrein Koningshoeven niet meegenomen in het toekomstperspectief. Het beleidsstuk kan daarom buiten beschouwing worden gelaten en is in dit kader niet relevant.

2.3.5 Voorgenomen initiatief in relatie tot gemeentelijk beleid

Uit voorgaande beschrijving blijkt dat het voorgenomen initiatief past binnen de hiervoor gestelde kaders uit het gemeentelijke beleid.

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders

 

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van deze wijziging omgevingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Stedenbouwkundige aspecten

 

3.2.1 Stedenbouwkundige aspecten

Het plangebied is een gedeelte van het voormalige Hacas-Verschurenterrein gesitueerd tussen de Koningshoeven en Kempenbaan. Dit terrein ligt aan de zuidoostelijke stadsrand van Tilburg en wordt omgeven door het regionaal ziekenhuis ETZ, Stadspark Leijpark, de A58 en het buitengebied. Ondanks de ligging in de stadsrand is de binnenstad, de Piushaven en het Centraal Station met de fiets binnen 15 minuten te bereiken. Vanwege de voormalige bedrijfsactiviteiten ligt er een hoofdzakelijk bedrijfsbestemming op deze gronden. Met de herontwikkeling van een ambulancepost en woningen, met een ecologische verbindingszone en benodigde infrastructuur is een wijziging van het omgevingsplan randvoorwaardelijk.

 

Historische groei

Het gebied is de afgelopen eeuw flink veranderd door de komst van nieuwe functies, voorzieningen en infrastructuur. In 1900 bestond het gebied uit een beekdallandschap met waterstroken, agrarische velden en de Leij. De Koningshoeven is herkenbaar als historisch lint met daaraan monumentale groene villapercelen zoals Villa Dennenhaghe, boerderijen en woningen die de Abdij OLV verbindt met het Heuvelplein. Dit zorgde voor een verwevenheid tussen stad en ommeland. Omdat de Leij langs de Hoeven stroomt, en wegens de geschiktheid van het water vestigde verschillende industrieën zich hier zoals wolwasserijen en wolververijen. De groei van de stad zorgde ervoor dat meer stedelijke voorzieningen een plek kregen in dit gebied zoals het ziekenhuis, de Leijhoeve, het Leijpark en een hotel. In combinatie met de realisatie van de Kempenbaan en de snelweg is er een nieuwe stedelijke laag ontstaan waardoor het karakter van het gebied zowel landschappelijk als stedelijk is. De huidige situatie is dan ook een gebied met verschillende bebouwingskorrels, infrastructuren, groenstructuren en historische lijnen en elementen zoals de Koningshoeven.

 

Locatie in de stad: groene stapsteen

Het plangebied ligt in de zuidoostelijke stadsrand van Tilburg, met zowel de stad als het ommeland op fiets- en loopafstand en nabij de snelweg en het Ringbanenstelsel. Het Leijpark, landschapspark Moerenburgh, het beekdal De Leij en bomenlanen vormen de omgeving waarbij de locatie onderdeel uitmaakt van de overgangszone tussen de stedelijke bebouwing die langzaam overvloeit in het omringende natuurlijke landschap. In dit landschap zijn diverse schaalniveaus aanwezig; die van de Kempenbaan, de snelweg en de stedelijke voorzieningen aan de Dokter Bloemenlaan, en die van de menselijke maat en de kleinschalige korrel aan de Koningshoeven.

 

Waardevolle structuren

Door het gebied lopen verschillende structuren met bijpassend ruimtelijk karakter die zich onderscheiden van elkaar. Het historisch lint Koningshoeven met daaraan kleinschalige groene villapercelen heeft een landelijk en kleinschalige opzet en vormt een belangrijke verbinding met de Abdij en het Trappistenklooster. Aan de Koningshoeven staan meerdere monumentale objecten zoals Villa Dennenhaghe, Willem-II’s Tuinhuisje en het Cenakel. Vanwege het vorstelijk en industrieel verleden draagt dit lint bij aan het vertellen van de ontstaansgeschiedenis van Tilburg en heeft daarmee een grote cultuurhistorische waarde. Door de komst van grote weginfrastructuur is dit deel van de Koningshoeven waaraan het plangebied zich bevindt geïsoleerd komen te liggen met als voordeel dat hier een ‘tijdcapsule’ is ontstaan zonder grote ontwikkelingen aan het lint, in tegenstelling tot het deel richting de binnenstad.

 

Door de lage ligging van dit gebied en de waterstroom De Leij is hier een nat en groen beekdallandschap ontstaan. Ondanks dat de Leij is omgelegd voor het ziekenhuis is deze watergang nog steeds te herkennen en vormt deze het landschap in het gebied. De Leij grenst aan stadspark Leijpark en loopt door de toekomstige zorgcampus. De ambitie is om deze groenstructuur te versterken in de toekomst en op te waarderen als ecologische verbindingszone (EVZ). De EVZ loopt langs de noordzijde van het plangebied.

 

Langs de Leij liep vroeger de Leijweg als verbinding tussen de Koningshoeven en de Hilvarenbeekseweg, tevens als route tussen twee fabrieken die aan deze landschapslinten lagen. Met de ontwikkeling van Tilburg Zuid als volwaardig stadsdeel is een sterke verbinding door Zuid gewenst om de verschillende wijken, voorzieningen, parken en pleinen aan elkaar te hechten en tevens deze wijken met de Abdij en het ommeland te verbinden. Daarom wordt geambieerd om een fiets/wandelroute vanaf het hart van Stappegoor, langs Pater van den Elsenplein, de Zorgcampus/Leijpark over de Kempenbaan richting de Koningshoeven te realiseren. Een belangrijke schakel hierin is de brug over de Kempenbaan langs de noordzijde van het plangebied.

 

De Kempenbaan is een belangrijke ontsluitingsweg die de snelweg, Hilvarenbeek en Tilburg met elkaar verknoopt voor autoverkeer. De weg heeft een grote functionele waarde en is ruimtelijk aanwezig in het gebied.

3.2.2 Toekomstige ontwikkeling

Dit perceel maakt onderdeel uit van het overgangsgebied tussen stad en ommeland en wordt gezien als groene stapsteen. Het perceel grenst aan belangrijke structuren; de Kempenbaan als groene stadsentree van Tilburg, de Koningshoeven als historisch landschappelijke lint, de Leij als ecologische verbindingszone en de oost-westfietsverbinding over de Kempenbaan richting Tilburg-Zuid en Abdij Koningshoeven. Ook wordt het beschouwd als een verlengstuk van de Dokter Bloemenlaan, als as met daaraan stedelijke voorzieningen als het ETZ, Van der Valk en woonlandgoed Leijhoeve. Het voornaamste stedenbouwkundige uitgangspunt is dat de ruimtelijke invulling van dit perceel bijdraagt aan deze landschappelijke identiteit en de structuren in het gebied versterkt. Iedere structuur presenteert zich aan een zijde van het plangebied.

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De wijziging van het omgevingsplan beoogt op deze complexiteit in te spelen door het toevoegen van nieuw programma, het versterken van de ruimtelijke structuren en een gebiedsverloop te maken van rust aan de Koningshoeven naar ruis aan de Kempenbaan:

3.2.3 Conclusie

Om voorgaande redenen is de ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk.

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg

 

3.3.1 Historische geografie en ontwikkeling

Het plangebied bevindt zich op het meest zuidoostelijke deel van de hoge gronden waarop de verschillende nederzettingen van Tilburg lagen. Het plangebied ligt direct ten zuiden van het lage beekdal van de Oude en Nieuwe Leij.

 

Ten westen van de Kempenbaan lagen de hooggelegen akkergronden van Broekhoven, Driehuizen en De Hoeven of De Vijfhoeven die de zuidelijkste uitloper vormden van het grootste, centrale akkercomplex van Tilburg (De Schijf). Er zijn aanwijzingen dat in dit gebied al in de twaalfde eeuw, maar zeer waarschijnlijk nog eerder, ontginningen plaatsvonden.

 

De hoge akkergronden van Tilburg werden in het zuiden begrensd door het brede beekdal van de Oude en Nieuwe Leij. De Nieuwe Leij is een aftakking van de Oude, een waterloop die ontspringt in de omgeving van Ravels (B). Voorbij de grens met Tilburg stroomden beide beken door een zeer breed beekdal om ter hoogte van Moerenburg, aan de oostzijde van het Wilhelminakanaal, weer samen te komen. Het beekdal bestond uit beemden (hooi- en graslanden), weidegronden en ‘moerassen’.

 

Het plangebied en de directe omgeving daarvan werden van noordwest naar zuidoost doorsneden door een aantal dijken die het beekdal van de Oude en Nieuwe Leij overstaken. Dit waren, van oost naar west, de Harmen Aerts Dyck (nu Koningshoeven), de Driehuizen Dyk (nu in het Leijpark) en de Broekhovenschen Dyk (nu deel van de Hilvarenbeekseweg). De meeste wegen waren in de Middeleeuwen (of wellicht al eerder) verhoogd om de routes naar het zuiden zeker te stellen. Vanaf die periode komt men de aanduiding ‘dijk’ dan ook veelvuldig tegen. De nederzettingen ten westen van het plangebied, Broekhoven, Driehuizen en De (Vyf)Hoeven, lagen bij het begin van deze verhoogde wegen.

 

In 1834 kocht de prins van Oranje, de latere koning Willem II, in de Hoeven (nu de Torentjeshoeve) twee boerenhofsteden met bouw- en weiland en heidegrond. De betekenis van het ontginnen van woeste gronden en het stichten van hoeven in deze buurtschap, is aanleiding geweest voor de officiële naamgeving van de Koningshoeven, hoewel deze naam pas in 1924 werd vastgesteld.

 

In 1907 werd ten noordwesten van het plangebied het klooster van de congregatie van Onze Lieve Vrouw van het Cenakel gebouwd. Het klooster werd in 1996 deels gesloopt en getransformeerd naar woningen.

In de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw werd een groot gebied ten noordwesten van het plangebied omgevormd tot het Leijpark, naar een ontwerp van L. Springer. Rond de Koningshoeven ontwikkelde zich een klein bedrijventerrein, met name na de vestiging van de fabrieken van de familie Houben in de tweede helft van de negentiende eeuw die aan deze weg ook een aantal villa’s liet bouwen.

 

In 1947 is ten noorden van het plangebied de Ringbaan Zuid aangelegd als onderdeel van de Rijksweg 63 naar Breda. In 1958 werd direct ten zuiden van het plangebied de A58 aangelegd waarvoor vanaf de Ringbaan Zuid een verbindingsweg werd aangelegd (Kempenbaan).

3.3.2 Archeologie

Het plangebied bevindt zich in het beekdal van de Nieuwe Leij. Dit soort laaggelegen, natte gebieden waren in het verleden minder geschikt voor bewoning en landbouw, maar eventueel wel voor andere activiteiten zoals foerageergebied. Vanwege de ligging in een beekdal heeft het plangebied op de Archeologische Waarschuwingskaart van Tilburg (ARWATI) een basisverwachting of onbekende verwachting toebedeeld gekregen

 

In 2007 is voor de opstelling van het bestemmingsplan Leijpark Koningshoeven een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd om deze verwachting nader te kunnen specificeren. Daarbij is naar verschillend aspecten van het landschap gekeken zoals reliëf, water, bodem en wegenpatroon, aangevuld met onder andere archeologische waarnemingen, bekende historische bebouwing en toponymisch onderzoek om een overzicht te krijgen van de historische bewoning en het type landschapsgebruik. Aan de hand van bekende nederzettingspatronen uit diverse perioden is vervolgens uitspraak gedaan over locaties die gunstig kunnen zijn geweest voor (pre)historische bewoning.

 

Op basis van het bureauonderzoek is voor verschillende perioden de archeologische verwachting opgesteld. Deze verwachting geeft echter een historische situatie weer, waarbij geen rekening is gehouden met moderne en submoderne verstoringen waarmee de snelle urbanisatie van het plangebied in de twintigste eeuw gepaard is gegaan. Zo zullen bij de aanleg van woonwijken delen van het plangebied zijn geëgaliseerd en/of afgegraven (funderingen), waardoor de kans op archeologische waarden sterk is verminderd of zelfs geheel is verdwenen. Deze delen van het plangebied hebben daardoor een lagere archeologische verwachting.

 

Het plangebied valt geheel binnen het gebied met geen tot lage archeologische verwachting. Binnen het gebied zijn ook geen archeologisch waardevolle terreinen bekend. In het omgevingsplan hoeven geen bijzondere voorwaarden opgenomen te worden voor archeologie.

3.3.3 Objecten en structuren

In het plangebied bevinden zich op grond van de Erfgoedwet 2016 of de gemeentelijke monumentenverordening drie beschermde monumenten. De bebouwing uit de periode 1850 – 1940 is geïnventariseerd in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Deze bebouwing heeft geen formeel beschermde status maar komt wel voor op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant en wordt daar ook als waardevol beschouwd. In het plangebied bevinden zich diverse MIP-panden. Voor de architectuur en stedenbouw uit de periode na de Tweede Wereldoorlog dient onderzoek uit 2005 als basis. Uit deze periode bevinden zich geen waardevolle panden in het gebied.

 

Rijksmonumenten:

 

Gemeentelijk monument:

 

MIP-panden en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing:

 

Naast het oude wegenpatroon bevinden zich in de nabijheid van het plangebied ook nieuwere lijnen en elementen (tot circa 1950) in het plangebied die historisch geografisch waardevol zijn:

3.3.4 Conclusie

Met het plan worden geen beschermde monumenten of cultuurhistorische waarden aangetast. Vanwege de lage archeologische verwachting hoeven in het omgevingsplan geen bijzondere voorwaarden opgenomen te worden voor archeologie. Archeologisch vervolgonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

3.4 Landschappelijke inpassing

 

3.4.1 Landschappelijke structuur

Om de visuele impact van de ambulancepost te beperken, worden stevige groenstructuren aangelegd die zorgen voor een natuurlijke afscherming. Daarbij is ook het reeds vergunde stadsdistributiecentrum meegenomen. De landschappelijke inpassing heeft, voorzover dit nog niet in het vigerende omgevingsplan het geval was, in dit omgevingsplan de functie groen gekregen. Tegelijkertijd wordt ingezet op een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bestaande lintbebouwing, zodat het karakter van het gebied behouden blijft. Een belangrijk onderdeel hiervan is het versterken van de historische laanbeplanting langs de Koningshoeven, waarmee de ruimtelijke kwaliteit en herkenbaarheid van het lint worden versterkt. Daarnaast is het behoud van de populieren langs de Kempenbaan essentieel om de bestaande groenstructuur te respecteren en bij te dragen aan een samenhangend, duurzaam landschap. Ingezet wordt op de toepassing van gebiedseigen soorten om bij te dragen aan de lokale ecologische waarden.

 

De landschappelijke inpassing staat beschreven in het 'Stedenbouwkundig plan Kempenbaan-Oost, vastgesteld 1 juli 2025, welke als bijlage 1 is toegevoegd aan deze motivering.

3.4.2 Kruising Kempenbaan

Ten behoeve van de ontwikkeling van ambulancepost en woningen moet er een nieuwe kruising worden gerealiseerd aan de Kempenbaan. Door het ruimtebeslag van de nieuw te realiseren kruising is het kappen van 24 bomen onvermijdelijk. Voor het kappen van de bomen is een compensatieplan gemaakt dat voorziet in het versterken van de groenstructuur tussen de Kempenbaan en de ontwikkeling door aanplant van nieuwe bomen en het aanleggen van een struiklaag. Doel hiervan is om de kap van bestaande bomen de compenseren en het ecologisch functioneren van de groenstructuur te verbeteren. In het compensatieplan is de aanplant van 39 nieuwe bomen opgenomen, inclusief aanplant van onderbeplanting (bosplantsoen) van inheemse (en deels wintergroene) soorten.

 

Voor het aanleggen van de kruising is reeds een omgevingsvergunning verleend. In deze vergunning is een Boom Effect Analyse en een toets aan de bomenverordening opgenomen, waarin de te kappen bomen en de compensatie gedetailleerd is omschreven.

3.4.3 ecologische verbindingszone

Het Leijdal wordt ontwikkeld tot een robuust en weerbaar landschap dat bestand is tegen klimaatverandering en tegelijk de ecologische en recreatieve waarde versterkt. Als groene ader vormt het dal een belangrijke verbinding tussen de stad en het omliggende buitengebied, waarbij natuur, water en recreatie samenkomen.

 

De aanleg van een ecologische verbindingszone in het beekdal draagt bij aan het versterken van de ecologische betekenis en biodiversiteit in het gebied. Door de introductie van poelen, ecologische oevers en boomstructuren ontstaat een gevarieerd leefgebied voor planten en dieren. Deze landschappelijke ingrepen verbeteren niet alleen de waterkwaliteit en het microklimaat, maar zorgen ook voor veilige verbindingen tussen natuurgebieden. Zo wordt het beekdal opnieuw een robuuste ecologische zone, waarin natuurlijke processen en soorten zich beter kunnen herstellen en ontwikkelen. Dit vormt een belangrijke stap in het duurzaam herstellen van de oorspronkelijke landschapsstructuur en ecologische waarde. Zo draagt het Leijdal bij aan een gezondere leefomgeving en een sterkere samenhang tussen stad en landschap.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: structuurkaart op grond van het stedenbouwkundig plan

3.4.4 Landschappelijke inpassing RAV-ambulancepost

Het ontwerp voor de RAV-ambulancepost is gericht op een naadloze inpassing in de bestaande en nieuwe woonomgeving aan de Koningshoeven samen met het bestaande groen aan de Kempenbaan en langs de A58. Met groene accenten, variërende hoogtes en lokale beplanting wordt ervoor gezorgd dat de gebouwen zoveel mogelijk uit het zicht verdwijnen, terwijl de biodiversiteit wordt versterkt. Gebruik van de IBR (Integrale Beplantingsmethode Ruyten) garandeert dat alle beplanting tot een optimaal beeld kan uit groeien met beperkte beheersmaatregelen, wat uiteindelijk de biodiversteit ten goede komt.

 

Koningshoeven

Aan de zijde van Koningshoeven grenst de nieuwbouw en bestaande woningen aan het bedrijventerrein. Hier wordt geplaatst:

 

Door grote bomen en struiken te planten, wordt ervoor gezorgd dat de ambulancepost (en ook het stadsdistributicentrum) binnen korte tijd wordt ingepakt in het groen. Zo ontstaat er een groene buffer tussen de Koningshoeven en de bedrijven.

 

Een gemengde haag combineert verschillende struiken in één erfafscheiding. Voordelen:

  1. Doelgericht ecologisch: biedt variatie in bloei, vruchtdracht en bladstructuur.

  2. Sterkte en veerkracht: als één soort minder presteert, nemen andere soorten de functie over.

  3. Esthetiek: in elk seizoen heeft de haag een eigen uitstraling.

 

Deze haag biedt schuil- en foerageerplekken voor vogels en kleine zoogdieren én draagt bij als afscheiding van de woningen richting de nieuwe ontwikkeling.

 

Op het smalste deel, tussen de bedrijven en woonwijk, worden verticale groen-elementen aangebracht. Dit zijn voorzet-elementen waardoorheen klimplanten groeien, bijvoorbeeld klimop, blauwe regen, bruidsluier, kamperfoelie, etc. Doel:

 

Achter het stadsdistributiecentrum ligt een laagte voor waterberging. Bij hevige regenval vangt dit gebied hemelwater op. In de semi-permanente natte zones blijft het water langer staan, wat leidt tot:

 

Buiten deze waterberging worden op cruciale plekken grondwallen aangebracht om de hoogte van bomen en heesters visueel te versterken.

 

Rondom RAV en de Leij

In dit deel wordt aangesloten op het natuurlijke beekdal. Hier groeien soorten die goed gedijen en voor een openere structuur zorgen en bijdragen aan de ecologische verbinding met het Leij-gebied.

 

Kempenbaan

Langs de Kempenbaan, waar de voorzijde van het stadsdistritibutiecentrum en ambulancepost zichtbaar zijn:

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.4.5 Conclusie

Door stevige groenstructuren aan te leggen wordt de visuele impact van het bedrijventerrein beperkt. Tevens zorgt een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bestaande lintbebouwing ervoor dat het karakter van het gebied behouden blijft. Hiermee voegt de nieuwe ontwikkeling zich goed in de bestaande omgeving.

3.5 Verkeer en parkeren

 

Ligging plangebied/bestaande situatie

Het plangebied, gelegen in het zuidoosten van Tilburg, wordt begrensd door de Kempenbaan, de Koningshoeven en de A58. De belangrijkste ontsluitingsweg is de Kempenbaan als oostelijke entree van de stad aansluitend op de Ringbaan Zuid en Ringbaan Oost. De maximum toegestane snelheid is 70 km/u tot aan de bebouwde komgrens ter hoogte van de Leij. Daarna is de maximum toegestane snelheid 50 km/h.

 

De Koningshoeven is een erftoegangsweg met een maximum snelheid van 30 km/u. Deze weg is aangesloten middels een verkeerslichtentregelinstallatie (VRI) ter hoogte van het Cenakel op de Kempenbaan. Hiermee worden ook andere functies ontsloten zoals een hotel en sportclub aan de Ijsclubweg. De Koningshoeven functioneert als ontsluiting voor diverse woningen en bedrijvigheid. Bovendien dient de weg ook als ontsluiting voor het buitengebied rondom de Eindhovenseweg waar diverse functies zoals het trappistenklooster en agrarische bedrijven zijn gelegen. De Eindhovenseweg is ook de verbinding richting Moergestel.

 

Autoverkeer

De Kempenbaan is een belangrijke ontsluitings-as van de stad. De doorstroming moet gegarandeerd blijven vanwege het belang voor het totale Tilburgse wegennet en de verwachte toename van verkeer als gevolg van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Bovendien zal Rijkswaterstaat geen terugslag op de snelweg A58 toestaan.

Om het plangebied te ontsluiten is een nieuw kruispunt met VRI voorzien op de Kempenbaan. Het bestaande kruispunt Kempenbaan – Cenakel – Koningshoeven (hierna: kruispunt Cenakel) is zeer dicht gelegen op het kruispunt Ringbaan Zuid - Ringbaan oost – Kempenbaan, wat een negatief effect heeft op de doorstroming van de Kempenbaan en leidt tot filevorming in de spitsperioden. Het toevoegen van een extra kruispunt zou deze situatie verder verslechteren en is daarom alleen mogelijk als het kruispunt Cenakel wordt afgewaardeerd. Om die reden is ook een nieuwe verbindingsweg tussen de Kempenbaan en Koningshoeven door het plangebied noodzakelijk. Dit is ook vastgelegd in het raadsbesluit van december 2022.

 

Op basis van de BOPA is het SDC vergund en ook de noodzaak van de nieuwe aansluiting op de Kempenbaan, de nieuwe verbindingsweg en de afwaardering van kruispunt Cenakel aangetoond middels het Verkeersonderzoek Kempenbaan Oost van adviesbureau Goudappel Coffeng (zie bijlage 2 'Verkeersonderzoek Kempenbaan Oost' (017307.20240531.R1.03). In dit onderzoek is, naast de komst van het stadsdistributiecentrum, rekening gehouden met de komst van een ambulancepost en de bouw van 20 woningen. Ook voor de ambulancepost is een snelle en directe aansluiting op de Kempenbaan van wezenlijk belang, ivm het kunnen voldoen aan de wettelijke opkomsttijden bij calamiteiten. De Koningshoeven is hiervoor niet geschikt en zou ook teveel overlast geven voor bewoners bij gebruik van sirenes.

 

Om een goede doorstroming en verkeersveiligheid te borgen, zal een directe ontsluiting met VRI op de Kempenbaan worden gerealiseerd. Ter plaatse van deze aanlsuiting wordt ook een nieuwe verbindingsweg gerealiseerd tussen de Kempenbaan en Koningshoeven. Om de realisatie van de nieuwe kruising mogelijk te maken, zal de kruising Cenakel - Kempenbaan - Koningshoeven moeten worden afgewaardeerd.

 

Fietsverkeer

Langs het gebied loopt via de Koningshoeven een secondaire fietsroute richting Torentjeshoeve en Eindhovenseweg. Deze route sluit aan op de Hoevenseweg richting het centrum van Tilburg. Het profiel op de Koningshoeven is te smal voor aparte fietsvoorzieningen en vanwege de hoeveelheid verkeer en gereden snelheid onvoldoende veilig. De wens bestaat om waar mogelijk de hoeveelheid verkeer te verminderen waardoor de veiligheid voor langzaam verkeer beter gewaarborgd kan worden.

 

Openbaar vervoer

Door het plangebied loopt via de Koningshoeven een streeklijn 141 richting Moergestel. Op 2 plaatsen binnen de bebouwde kom liggen bushaltes.

 

Parkeren

Nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen aan het parkeerbeleid van de gemeente Tilburg. De parkeerbehoefte

wordt bepaald op basis van de, op dat moment, vastgestelde parkeernota.

Voor dit programma zijn de parkeernormen voor zone C van toepassing. Voor dit plan kunnen we de parkeerbehoefte oplossen door toepassing van Gebiedsgericht parkeren, dat wil zeggen vanwege diverse en specifieke functies wordt een parkeervisie opgesteld hoe omgegaan wordt met de totale parkeerbehoefte in het gebied. Hierdoor is efficiënter ruimtegebruik mogelijk.

 

Uit een voorlopige eerste berekening en motivatie blijkt dat er voor alle geplande functies in dit gebied voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd kan worden, onder andere middels een parkeergebouw met ruimte voor 212 parkeerplaatsen, waarin ook de parkeerbehoefte van de ambulancepost kan worden opgelost. Bij vergunningverlening zal een definitieve parkeervisie moeten worden aangeleverd en zal een definitieve parkeertoets plaatsvinden.

Hoofdstuk 4 Milieu & gezondheid

 

4.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Mer-beoordeling

 

4.2.1 Wettelijk kader

Bij een m.e.r.-beoordeling moet de gemeente toetsen of er bij een plan of programma aanzienlijke milieueffecten op kunnen treden (art. 16.36 lid 3 en 4 Ow).

 

In 2 situaties is er een m.e.r.-beoordeling nodig:

  1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V van het Omgevingsbesluit staan. Een m.e.r.-beoordeling moet uitgevoerd worden.

  2. Het plan is kaderstellend voor projecten en komt terug in kolom 1 van bijlage V uit het Omgevingsbesluit. De drempel in kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit wordt niet overschreden. Een m.e.r.-beoordeling is nodig als:

  1. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma is

  2. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als de gemeente bevoegd gezag is over het plan

 

Uit de m.e.r.-beoordeling kan volgen dat aanzienlijke milieueffecten niet zijn uitgesloten. Dan volgt er een m.e.r. en dient een milieueffectrapport (MER) worden opgesteld.

 

Wanneer direct duidelijk is dat aanzienlijke gevolgen zijn voor het milieu, bijvoorbeeld wanneer de drempelwaarde uit kolom V van het omgevingsbesluit overschreden wordt, dan ligt het voor de hand om de m.e.r.-beoordeling over te slaan en direct een m.e.r.-procedure op te starten.

 

4.2.2 Motivering - uitkomst onderzoek

In het kader van de voorgenomen planontwikkeling is er een m.e.r. beoordeling opgesteld:
‘M.E.R.-beoordeling wijziging Omgevingsplan Kempenbaan-Oost’, Antea Group, 0501812.100, d.d. 8 augustus 2025 (definitief) (Zie bijlage 3).

 

Uit de m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot aanzienlijke gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de getoetste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden voorkomen dan wel beperkt.

 

Het betreft de volgende (noodzakelijke) mitigerende maatregelen:

4.2.3 Conclusie

Er is in het kader van het omgevingsplan geen noodzaak voor het doorlopen van een m.e.r.- procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Activiteiten en milieuzonering

 

4.3.1 Wettelijk kader

Bedrijven en milieuzonering nieuwe stijl richt zich op de relatie tussen milieuhinderlijke activiteiten en milieugevoelige activiteiten (VNG, handreiking milieuzonering nieuwe stijl, versie oktober 2024). Hierbij wordt gekeken naar functiemenging waar het kan (én gewenst is) en functiescheiding waar dat moet. De handreiking is niet van toepassing op industrieterreinen. Hiervoor geldt volgens het Bkl andere regelgeving, namelijk voor industrieterreinen met geluidproductieplafonds. De handreiking van de VNG geldt ook niet voor milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied.

 

Onder een milieuhinderlijke activiteit wordt verstaan: een aan een locatie toegedeelde activiteit, anders dan wonen, die milieuhinder kan veroorzaken, in het bijzonder in de vorm van geluid- of geurhinder. Ook aan locaties toegedeelde activiteiten (anders dan wonen) die trillinghinder, stofhinder, veiligheidsrisico’s of lichthinder kunnen veroorzaken zijn milieuhinderlijke activiteiten. Een milieugevoelige activiteit is een activiteit waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het gaat hierbij onder andere om locaties als woningen, scholen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen.

 

Hierbij wordt opgemerkt dat milieu-aspecten zoals externe veiligheid, trillingen, stofhinder en luchtverontreiniging, lichthinder, spuitzones, geur door agrarische activiteiten in het buitengebied en hinder door verkeersaantrekkende werking zich vaak niet lenen om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen. Daarom gaat de milieuzonering onder de Omgevingswet enkel over geluid- en geurhinder. Voor de overige milieu-aspecten moet aan de hand van specifieke regelgeving worden bepaald of de activiteit op een locatie inpasbaar is. Het gaat dan zowel om rijksregels als decentrale regels, bijvoorbeeld regels in het omgevingsplan. Zie hiervoor ook paragraaf 1.9 voor externe veiligheid, 1.4 voor luchtkwaliteit en 1.8 voor trillingen. Ook enkele ‘zware’ activiteiten zijn niet geschikt voor de toetsing van bedrijven en milieuzonering en een nadere, zorgvuldige afweging is nodig. Welke activiteiten dit betreft staat toegelicht in bijlage 7 van de handreiking.

 

Milieuzonering onder de Omgevingswet werkt met gebruiksruimte gekoppeld aan milieunormen in plaats van met milieucategorieën en richtafstanden. De wettelijke basis hiervoor is terug te vinden in artikel 5.69 voor geluid en 5.93 voor geur uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarnaast dienen de waarden en regels voor geluid- en geurgevoelige gebouwen uit het Bkl in acht genomen te worden. Er moet rekening gehouden worden met de maximale planologische mogelijkheden van de milieubelastende activiteiten.

Deze ‘ruimtelijke’ milieunormen bestaan naast de normen in het milieuspoor. Voor specifieke activiteiten of voor het projecteren van woningen en andere gevoelige functies nabij bestaande milieubelastende activiteiten kan een geluid- of geuronderzoek verplicht zijn, dit is te achterhalen via het Bal en de bruidsschat.

4.3.2 Motivering - uitkomst onderzoek

In het kader van de voorgenomen planontwikkeling is een nader onderzoek Activiteiten en Milieuzonering uitgevoerd (‘Memo Activiteiten en Milieuzonering – revisie 04’, Antea Group, 0501812.100, d.d. 3 december augustus 2025 (zie bijlage 4).

Voor de functies in de omgeving van het plangebied wordt er alleen voor het stadsdistributiecentrum niet voldaan aan de richtafstanden voor geluid en gevaar. Het aspect gevaar is echter niet relevant, omdat risicovolle activiteiten zijn uitgesloten binnen het plangebied. Voor het aspect geluid is het benodigd om een nader akoestisch onderzoek uit te voeren (Zie paragraaf 4.8 Geluid).

Binnen het plangebied wordt er tussen de ambulancepost en de (toekomstige) woningen niet voldaan aan de richtafstanden voor geluid. Bij het indienen van de vergunningsaanvraag voor de ambulancepost is een geluidsrapport overlegd (zie bijlage X). Uit dit geluidsrapport volgt dat voor de ambulancepost op zowel de nieuwe als bestaande woningen wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen en geluidsmaatregelen niet nodig zijn om hieraan te voldoen. Ten aanzien van het maximaal optredende geluid vanwege ambulances op de openbare weg wordt het volgende opgemerkt:

Het maximaal optredende geluid wordt daarmee acceptabel geacht.

4.3.3 Conclusie

Activiteiten en Milieuzonering vormt geen belemmering.

4.4 Gezondheid

 

4.4.1 Wettelijk kader

Beschermen van de gezondheid en van het milieu maakt onderdeel uit van het omgevingsplan (§5.1.4 Bkl). De Omgevingswet bepaalt dat bij evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar burgers (artikel 2.1 en artikel 2.4 Omgevingswet).

 

Belangrijk is om te motiveren hoe het plan inspeelt op gezondheidsvragen. Gedacht kan worden aan de thema’s bestrijdingsmiddelen, ziekteverwekkers bij veehouderijen, hoogspanningslijnen (magneetvelden), veiligheid, de mogelijkheid tot bewegen en andere vormen van gezondheidsbevordering, hittestress, sociale contacten, bereikbaarheid van voorzieningen, zeer zorgwekkende stoffen in het milieu, de mogelijkheid om in contact te komen met bodemverontreiniging (bijvoorbeeld kinderen ter plaatse van speeltuinen), lichthinder en een groene leefomgeving. Deze opsomming is niet volledig en ook welke thema’s wel of niet relevant zijn is wisselend per plan.

 

Verder is het van belang om scherp te zijn op de cumulatie van gezondheidseffecten. Bijvoorbeeld voor de onderdelen geur, geluid en luchtkwaliteit. Zo kunnen bronnen in de omgeving van een ontwikkeling op zichzelf voldoen aan wettelijke normen. Stel dat er meerdere bronnen bij elkaar opgeteld worden dan dient men te toetsen of er nog steeds sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en er geen sprake is van overbelasting.

4.4.2 Motivering - uitkomst onderzoek

Ten aanzien van de afweging of er sprake is van een toekomstige gezonde leefomgeving zijn met name de aspecten luchtkwaliteit en geluid van belang. Het plangebied is reeds hoog geluidbelast vanwege wegverkeer (A58 en Kempenbaan). Voor het aspect geluid worden nadere maatregelen voorgeschreven voor de nieuw te bouwen woningen. Voor wat betreft luchtkwaliteit wordt voldaan aan de geldende normering, en is er geen sprake van bijzonder gevoelige objecten.

 

Voor wat betreft de aspecten geur, trillingen en lichthinder blijkt dat er geen toename van gezondheidsrisico’s voor bestaande en nieuwe woningen optreedt.

De cumulatie van deze milieueffecten, inclusief de te nemen maatregelen voor geluid, leiden daarmee niet tot een eindsituatie waarin sprake is van extra gezondheidsrisico’s.

4.4.3 Conclusie

De voorgenomen planontwikkeling leidt niet tot overbelasting op bestaande en nieuwe woningen. Geconcludeerd kan worden dat er in de toekomstige situatie geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat ten opzichte van de huidige situatie.

4.5 Luchtkwaliteit

 

4.5.1 Wettelijk kader

 

Omgevingswaarden

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 uit het Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen gemeentelijke omgevingswaarden opgenomen in het omgevingsplan en er zijn ook geen provinciale omgevingswaarden, waardoor de rijksomgevingswaarden gelden (paragraaf 2.2.1 van het Bkl). De rijksomgevingswaarden van zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide en ozon, fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn terug te vinden in de artikelen 2.3 tot en met 2.8a van het Bkl. Met uitzondering van fijnstof en stikstofdioxide, zijn de achtergrondconcentraties van de overige stoffen binnen de gemeente dusdanig laag dat er geen overschrijding van de luchtkwaliteit te verwachten is. Vandaar dat fijnstof en stikstofdioxide de kritische stoffen zijn die getoetst dienen te worden.

 

Tabel 4.1. grenswaarden (concentraties in de buitenlucht, zoals die gelden op basis van het Bkl)

Stof

Jaargemiddelde concentratie (µg/m3)

Jaargemiddelde blootstellings-

concentratie (µg/m3)

24-uurgemiddelde concentratie (µg/m3)

Uurgemiddelde concentratie (µg/m3)

PM10

40

--

50*

--

PM2,5

25

20

--

--

NO2

40

--

--

200**

*Mag 35 keer per jaar overschreden worden

** Mag 18 keer per jaar overschreden worden

 

Aandachtgebieden

Voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) zijn er landelijk aparte aandachtsgebieden aangewezen. De gemeente Tilburg bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied.

 

Luchtkwaliteit buiten aandachtgebieden

Voor enkele activiteiten moet de luchtkwaliteit altijd beoordeeld worden, ook buiten aandachtgebieden (artikel 5.50 Bkl). Dit geldt bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en bij het toelaten in het omgevingsplan van de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter; een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt of de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

 

De regel is dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld wordt op plekken die niet openbaar toegankelijk zijn voor het publiek. Daarom zijn deze plaatsen uitgezonderd van toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Het toepasbaarheidsbeginsel komt op meerdere plekken voor in het Bkl: artikel 5.52, 8.17 en 11.19.

 

Het blootstellingscriterium staat op verschillende plekken in de Omgevingsregeling, bijvoorbeeld in artikel 8.11 (toetsing van wegen) en artikel 8.17 (toetsen van milieubelastende activiteiten). De eisen van een luchtkwaliteitsonderzoek staan in § 8.2.3.1.2. van de Omgevingsregeling.

 

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

 

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3.

4.5.2 Motivering - uitkomst onderzoek

Op de planlocatie is geen sprake van een (dreigende) overschrijding van de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit in de huidige situatie .

 

Daarnaast dient beoordeeld te worden of deze ontwikkeling voldoet aan de criteria voor projecten die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit.

 

Voor deze beoordeling is gebruik gemaakt van de rekentool NIBM (versie 14-4-2025) welke beschikbaar is via het Informatiepunt Leefomgeving.

 

Als input voor deze rekentool is uitgegaan van de volgende invoergegevens:

 

Dit leidt tot een totale aantal voertuigbewegingen van 1653 mvt/weekdag, waarvan 5,6% vrachtverkeer.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: Rekenresultaat NIBM-tool (versie 14-4-2025)

 

4.5.3 Conclusie

Luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

 

4.6 Stikstof

 

4.6.1 Wettelijk kader

Natuurgebieden kunnen schade ondervinden van depositie (neerslag) van zwaveldioxide (SO2) en stikstofoxiden (NOx). De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat de grote hoeveelheid stikstofuitstoot voor schade zorgt aan onze natuur. De bodem verzuurt en daardoor sterven bepaalde planten af en krijgen andere soorten juist de overhand. Dit tast de biodiversiteit aan en zorgt ervoor dat natuurgebieden veranderen en zeldzame planten en dieren verdwijnen.

 

Er gelden omgevingswaarden om de kwetsbare vegetatie te beschermen (artikel 2.3 lid 1c en d en artikel 2.4 lid 2 Bkl). Deze omgevingswaarden gelden alleen voor een natuurgebied met een oppervlakte van 1000 m2 of meer. Bovendien moet dit natuurgebied liggen binnen:

 

De gemeente is verplicht om bij een omgevingsplan te toetsen of Natura-2000 activiteit uit de Omgevingswet van toepassing is. Is er sprake van een te hoge stikstofneerslag op een Natura 2000-gebied, dan is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag.

4.6.2 Motivering - uitkomst onderzoek

In het kader van stikstof is een nader onderzoek, inclusief Aerius berekening, uitgevoerd. (‘Stikstof-onderzoek Kempenbaan-Oost Tilburg’, Antea Group, Projectnr. 0501812.100, revisie 01, d.d. 5 augustus 2025), zie bijlage 5.

 

Uit het opgestelde AERIUS-model blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op enig Natura 2000-gebied. Er is daarbij geen gebruik gemaakt van in- of extern salderen. Significante negatieve effecten op Natura-2000 gebieden zijn daarmee uitgesloten. Er zijn daarmee geen belemmering om het plan vast te stellen.

4.6.3 Conclusie

Stikstof vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.7 Geur

 

4.7.1 Wettelijk kader

In het Bkl (§ 5.1.4.6) is bepaald dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar moet zijn. Alleen voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en verschillende agrarische activiteiten is een toetsingskader opgenomen. Voor alle andere activiteiten die geurhinder kunnen veroorzaken kan de gemeente regels in het omgevingsplan opnemen (zoals industriële activiteiten, horecabedrijven, maneges, etc.). Deze activiteiten vallen, omdat deze nu nog niet zijn opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan van de gemeente Tilburg, onder de specifieke zorgplicht in art. 2.11 Bal en, of art. 22.44 van de bruidsschat en de middelvoorschriften in de bruidsschat. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).

 

Een geurgevoelig gebouw is een gebouw met een functie als woning of onderwijs, zorg of kinderopvang.

Daarnaast moet volgens het Bkl ook rekening worden gehouden met geprojecteerde gebouwen (art. 5.91 Bkl).

Tijdelijke geurgevoelige gebouwen (korter dan 10 jaar) onder het Bkl niet aangemerkt als geurgevoelig. Uiteraard moet wel sprake zijn van een aanvaardbare situatie. De normen en afstanden voor geur door een activiteit, gelden ook niet op een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit (bedrijfswoning) (art. 5.95 Bkl)

 

Onder de Omgevingswet dient er ook rekening gehouden te worden met de cumulatie van geur door bedrijven.

 

Er zijn nog geen gemeentelijke regels opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Met als gevolg dat vooralsnog de regels uit de bruidsschat gelden, namelijk:

Wat altijd geldt is de eis dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar hinderniveau (art 5.92, Bkl).

 

Overige activiteiten waarvoor regels ter beperking van de geuremissie zijn opgenomen betreffen:

In het Bkl zijn hiervoor geen aparte instructieregels opgenomen. De geurbelasting moeten aanvaardbaar zijn (art 5.92 Bkl).

 

Bij het tijdelijk deel van het omgevingsplan kan er sprake zijn strijdigheid van de regels. In de voorrangsbepaling is bepaald welke regels in dat geval gelden (art 22.1, Bruidsschat). Wanneer bruidsschatregels niet voldoen aan het Bkl, dienen deze bij het vaststellen van de regels in het omgevingsplan gewijzigd te worden zodat aan het Bkl voldaan wordt. Bij omzetting in het omgevingsplan staan deze regels open voor zienswijzen.

4.7.2 Motivering - uitkomst onderzoek

In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante agrarische geuremissie.

Er bevinden zich geen bedrijven met een relevante industriële geuremissie in de omgeving van het plangebied.

 

Binnen het plan worden geen bedrijven mogelijk gemaakt met een relevantie industriële of agrarische geuremissie.

4.7.3 Conclusie

Geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.8 Geluid

 

4.8.1 Wettelijk kader

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De instructieregels voor geluid zijn terug te vinden in §5.1.4.2 en 5.1.4.3 van het Bkl en gaan over aanvaardbaarheid van geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (artikel 3.18 lid 1 Bkl) en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (artikel 3.20 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp, artikel 2.11a Ow) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Ook via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid zijn regels toegevoegd aan de Omgevingswet. In de bruidsschat is het onderdeel geluid voor een aantal activiteiten geregeld in paragraaf 22.3.4. In de omgevingsverordening van de provincie kunnen ook instructies staan voor geluid. Ook wanneer er geen (instructie)regels zijn voor geluid moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal).

 

De gemeente Tilburg hanteert een eigen Hogere Waardenbeleid. In dit beleid zijn randvoorwaarden opgenomen voor het bouwen van woningen op locatie waar niet aan de streefwaarde voor geluid kan worden voldaan.

4.8.2 Motivering - uitkomst onderzoek

In verband met de ligging aan de Koningshoeve, Ringbaan Oost, Kempenbaan en A58 is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. In verband met de realisatie van enkele bedrijfsactiviteiten en de aanwezigheid van andere bedrijven in de omgeving is een onderzoek Bedrijven- en Milieuzonering (incl. industrielawaai uitgevoerd) (zie bijlage 6).

 

Industrielawaai

Voor de resultaten ten aanzien van industrielawaai zie paragraaf 1.2 Bedrijven en Milieuzonering. Hoewel niet volledig aan de richtafstanden kan worden voldaan, zijn de bedrijfsactiviteiten zodanig gepositioneerd dat er geen overschrijding van de richtwaarden voor industrielawaai op bestaande en nieuwe woningen zal optreden.

 

Wegverkeerslawaai

 

Wijziging gemeentelijke Wegen

Als gevolg van de wijziging van de gemeentewegen en de aanleg van de nieuwe weg richting de ambulancepost is er sprake van een overschrijding van de standaardwaarde bij 4 geluidgevoelige gebouwen, waarin 15 adressen met een geluidgevoelige functie zijn gelegen. Het geluid loopt op tot 62 dB. Er is geen sprake van indirecte akoestische effecten. Met de toepassing van een snelheidsverlaging op de Ringbaan-Zuid (deze is reeds beoogd) en een geluidreducerend wegdektype in de vorm van akoestisch geoptimaliseerd SMA (of ten minste gelijkwaardig) op de Kempenbaan kan bij de benoemde geluidgevoelige gebouwen worden voldaan aan de standaardwaarde.

 

Nieuwe geluidgevoelige gebouwen

Ter plaatse van de nieuwe geluidgevoelige gebouwen is sprake van een overschrijding van de standaardwaarde als gevolg van gemeentewegen en een overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting als gevolg van de Kempenbaan (het betreft een - gedeeltelijk – provinciale weg). Daarnaast is er sprake van een overschrijding van de standaardwaarde en de grenswaarde als gevolg van rijkswegen.

 

Uit het maatregelonderzoek volgen een aantal mogelijke maatregelen die het geluid bij de nieuwe geluidgevoelige gebouwen kunnen reduceren. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de maatregelen financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Zelfs met de toepassing van de voorgestelde maatregelen wordt niet bij alle geprojecteerde woningen voldaan aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, standaardwaarde en/of grenswaarde als gevolg van alle relevante geluidbronsoorten. Daarmee zijn ontvangermaatregelen noodzakelijk om te voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de beleidseisen van de gemeente Tilburg, en zodat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

 

Daarbij dient ten minste rekening te worden gehouden met het volgende:

4.8.3 Conclusie

Vanwege de hoogte van de geluidbelasting op bestaande en nieuwe woningen is het noodzakelijk maatregelen te treffen. Het betreft een (reeds beoogde) verlaging van de maximum snelheid op de Ringbaan-Zuid en de toepassing van een stiller type wegdek. Daarnaast zullen bij de nieuwe woningen gebouwgebonden maatregelen getroffen moeten worden.

4.9 Trillingen

 

4.9.1 Wettelijk kader

De gemeente Tilburg heeft in het nieuwe deel van het omgevingsplan vooralsnog geen normen opgenomen voor continue en herhaald voorkomende trillingen conform artikelen 5.87 en 5.87a uit het Bkl. Tot deze normen opgenomen zijn wordt verwezen naar de bruidsschat (art. 22.88) waar normen opgenomen zijn voor het totaal aan trillingen, zowel continu als herhaald voorkomend. Verder staan in de bruidsschat staan regels die toezien op de trillingen in trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen, veroorzaakt door activiteiten (paragraaf 22.3.5, art. 22.83 t/m 22.89 bruidsschat).

 

Onder trillinggevoelige gebouwen wordt niet verstaan (art. 22.83 lid 2 bruidsschat): gebouwen die geheel of gedeeltelijk liggen op een industrieterrein met geluidproductieplafonds of gebouwen die zijn toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar. Ook een bedrijfswoning wordt niet beschermd tegen trillingen vanwege een eigen bedrijf (art. 22.86 bruidsschat) net als een voormalige bedrijfswoning niet beschermd wordt tegen een agrarische activiteit (art. 22.87 bruidsschat).

 

Onder het toepassingsbereik van de trillingregels van de bruidsschat vallen:

 

De trillingregels van de bruidsschat gelden niet voor trillingen vanwege (art. 22.41 lid 2 bruidsschat):

 

Bouw- en sloopwerkzaamheden

Trillingen als gevolg van bouw- en sloopwerkzaamheden zijn niet gereguleerd in het Bkl, de omgevingsverordening of de bruidsschat. Wel staan hiervoor bepalingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), die gelden in een verblijfsgebied van een woonfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderdagopvang, gezondheidsfunctie of onderwijsfunctie (art. 7.18 lid 2 Bbl)

De toegestane trillingsterkte hierbij is terug te vinden in het Bbl (art. 7.18 lid 1). Een beperkte mate van versoepeling is onder voorwaarden mogelijk (art. 7.5 lid 2 en art. 7.23 lid 1 Bbl).

 

Spoorwegen

Voor woningen langs het spoor gelden geen instructieregels van het Rijk. De beoordeling moet plaatsvinden binnen de taak van 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2 van de Omgevingswet). Hierbij wordt meestal de Meet- en Beoordelingsrichtlijn, deel B, 'Hinder voor personen in gebouwen 2006' van de Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) toegepast.

 

In het algemeen moet binnen een afstand van 100 meter van het spoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het zelfs nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. De redenen om uit te breiden van 100 naar 250 meter voor onderzoek zijn (cf. Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen, ministerie van infrastructuur en waterstaat, mei 2019):

 

In de gemeente Tilburg wordt enkel bij ontwikkelingen binnen 100 meter van het spoor een onderzoek trillingshinder gevraagd.

4.9.2 Motivering - uitkomst onderzoek

De planlocatie ligt niet binnen 100 meter van het spoor. Daarom is geen aanvullend trillingsonderzoek uitgevoerd.

4.9.3 Conclusie

Trillingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.10 Omgevingsveiligheid

 

4.10.1 Wettelijk kader

Eén van de doelen van de Omgevingswet is dat de gemeente bij plannen zo vroeg mogelijk kijkt naar veiligheid. Er staat dat het omgevingsplan rekening moet houden met de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden (art. 5.2 Bkl). Ook staan er instructieregels (§ 5.1.2 Bkl) in over de manier waarop bij de inrichting van een gebied omgevingsveiligheid meegenomen moet worden.

Samenvattend gaan de instructieregels uit het Bkl over de volgende onderwerpen risicobronnen, het plaatsgebonden risico, het groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftgebieden. In de bruidsschat zijn regels te vinden met betrekking tot propaan/propeen, LPG, traditioneel schieten, vergunningsvrij bouwen en brandbestrijding. Ook staan er verschillende milieubelastende activiteiten in het Bal: het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen en windturbines.

 

Aandachtsgebieden & groepsrisico

Nieuw onder de Omgevingswet zijn aandachtsgebieden, hier zijn drie soorten van:

 

Deze aandachtsgebieden zijn van belang in het kader van het groepsrisico. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Onder de Omgevingswet is het niet meer verplicht om het groepsrisico te berekenen. Er is sprake van een kwalitatieve benadering, waarbij het bevoegd gezag afweegt waar (binnen aandachtsgebieden) extra maatregelen nodig zijn om aanwezigen te beschermen tegen de gevolgen van een ongeval. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet dus optioneel. Een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) wordt de informatie over aandachtsgebieden zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.

 

Er wordt een standaard advies bij een beperkte verantwoording van het groepsrisico gehanteerd als:

 

Gebouwen en locaties

Gebouwen en locaties zijn ingedeeld in 3 categorieën:

  1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen);

  2. kwetsbaar (gebouwen en locaties);

  3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).

 

In bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat de onderverdeling welke gebouwen en locaties onder welke categorieën vallen. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Voorheen ging het om de bescherming van het gehele gebouw, ook indien maar een deel van het gebouw werd gebruikt voor een kwetsbare functie. Onder de Omgevingswet wordt alleen gekeken naar de delen van het gebouw met kwetsbare gebruiksfuncties. Vanuit het REV (Register Externe Veiligheidsrisico’s) worden (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties zichtbaar gemaakt via kaarten, in onder andere de Atlas leefomgeving.

 

Voorschriftengebieden

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. In de voorschriftengebieden gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). In het omgevingsplan wordt een brandaandachtsgebied standaard aangewezen als brandvoorschriftengebied en een explosieaandachtsgebied als explosievoorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

 

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

 

Plaatsgebonden risico

De belangrijkste norm voor externe veiligheid uit het Bkl is het plaatsgebonden risico (PR). Dit is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie van de risicobron als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die risicobron. In het Bkl (art. 5.7, 5.10 en 5.11) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

4.10.2 Motivering - uitkomst onderzoek

Er is een onderzoek omgevingsveiligheid uitgevoerd. (‘Omgevingsveiligheid Kempenbaan-Oost’, Antea Group, projectnummer 0501812.100, revisie 0.2, d.d. 6 augustus 2025) (zie bijlage 7).

 

Rijksweg A58

 

LPG-tankstation

4.10.3 Conclusie

Omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.11 Bodem

 

4.11.1 Wettelijk kader

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

 

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving:

 

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

 

4.11.2 Bodem plangebied

Voor het voormalige HACAS terrein, Koningshoeven 73-77, gelegen tussen de Kemperbaan-Oost, de Koningshoeven, de A58 en de Nieuwe Leij geldt dat dit op basis van diverse uitgevoerde bodemonderzoeken de grond plaatselijk sterk verontreinigd is met zware metalen, PAK, PCB en asbest. Ook is het grondwater plaatselijk sterk verontreinigd met naftaleen.

 

Op 23 december 2024 is door de OMWB een beschikking afgegeven op een deelsaneringsplan voor de locatie Koningshoeven 67-81 te Tilburg, zie bijlage 8. Op basis van de beschikking is sprake van twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging en van drie spots:

 

 

De locatie is braakliggend. Dit gebruik blijft na afloop van de deelsanering niet gehandhaafd. Na afloop van de deelsanering wijzigt het gebruik naar onder andere groen, wonen met tuin, infrastructuur en industrie.

 

De saneringsdoelstelling van het deelsaneringsplan is het geschikt maken van de locatie voor het toekomstig gebruik. Dit wordt gerealiseerd door deels te ontgraven, deels af te voeren en deels te herschikken. De saneringslocatie wordt overal afgedekt met een duurzaam aaneengesloten afdeklaag of een leeflaag. De leeflaag heeft ter plaatse van de toekomstige gebruiksfunctie ‘wonen met tuin’ een minimale dikte van 1,0 m met een minimale kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en ter plaatse van de overige gebruiksfuncties een minimale dikte van 0,5 m met een minimale kwaliteitsklasse ‘Industrie’.

 

Na afloop van de sanering blijft op het hele terrein onder de afdek- of leeflaag heterogene verontreiniging met zware metalen en PAK achter. Zo lang de sanering niet is uitgevoerd zijn alle werkzaamheden in de verontreinigde grond binnen de interventiewaardencontour alleen toegestaan na goedkeuring van het bevoegd gezag.

4.11.3 Conclusie

Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de wijziging van het omgevingsplan.

4.12 Natuur en ecologie

 

4.12.1 Wettelijk kader

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Omgevingswet. Het nationale natuurbeschermingsrecht binnen de Omgevingswet is voor een groot deel bepaald door de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Net als onder het oude recht kan daarbij voor de meest voorkomende activiteiten een verdeling gemaakt worden tussen gebiedsbescherming soortenbescherming en houtopstanden. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'.

 

Een ‘Natura 2000-activiteit’ heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Een Natura 2000-activiteit is een activiteit dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Of een activiteit al dan niet significante gevolgen kan hebben dient voorafgaand aan de activiteit met een passende beoordeling of het doorlopen van een ADC-toets te worden onderzocht. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

 

Een ‘flora en fauna-activiteit’ heeft betrekking op alle van nature in Nederland in het wild levende/voorkomende dieren en planten. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën:

 

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en eieren opzettelijk te vernielen of te rapen en tevens rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.

 

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om eieren of rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er is geen vergunning nodig indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode of voor het vangen of opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste rust of verblijfplaatsen of rustplaatsen van soorten genoemd in tabel 3.82 van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant.

 

Specifieke zorgplicht

Nieuw binnen de Omgevingswet is de specifieke zorgplicht. De specifieke zorgplicht geldt altijd, ook bij flora- en fauna-activiteiten die niet vergunningsplichtig zijn. De specifieke zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer die een flora en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van de aanwezige natuur verplicht is alle maatregelen te nemen om negatieve gevolgen te voorkomen. In de Omgevingswet zijn er ten aanzien van de specifieke zorgplicht een aantal verplichtingen opgenomen. Zo dient er voorafgaand aan het verrichten van de activiteit te worden nagegaan of op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid daarvan soorten kunnen voorkomen die van nature in Nederland in het wild leven of voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats. Bij aanwezigheid van soorten dient te worden onderzocht/nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor planten of dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen en hun eieren en dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden. Tot slot dient er tijdens en na het verrichten van de activiteit te wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben. Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, zullen de werkzaamheden moeten worden gestaakt.

 

Naast bovengenoemd wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant en het Nationaal Natuurnetwerk Nederland, wat op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciaal vastgelegde natuurwaarden bestaan uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en zones met Groenblauwe waarden. Deze groenstructuren zijn ruimtelijk vastgelegd in de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Binnen Groenblauwe waarden is het beleid gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem en de ontwikkeling van groenblauwe waarden, natuur en landschap. Voor de natuur betekent dit vooral versterking van de leefgebieden voor plant- en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB.

 

De provincie streeft naar samenhangende aanpak van natuur, landschap en water die de omgevingskwaliteit en recreatiemogelijkheden versterkt en waardoor de gevolgen van klimaatveranderingen voor de natuur en het watersysteem beter kunnen worden opgevangen. Om de robuustheid van het systeem te bevorderen, zijn er gebieden opgenomen als verbinding tussen het Natuur Netwerk Brabant en het Landelijk gebied; de Groenblauwe waarden.

 

De gemeenten geven in hun omgevingsplan aan op welke wijze rekening wordt gehouden met deze waarden. Concreet betekent dit dat invulling wordt gegeven aan de leidende principes van een klimaatbestendig en veerkrachtig watersysteem, zoals geformuleerd in dit Regionale Programma Water en Bodem.

 

Binnen de groenblauwe waarden is ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties met een extensief karakter, zoals grondgebonden landbouw en recreatie, en als die bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. De ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve functies, zoals intensieve stedelijke ontwikkeling of intensieve vormen van recreatie en landbouw (zoals de bouw van kassen, (bezoekers-)intensieve recreatie, of concentratiegebieden voor intensieve landbouwfuncties) passen minder bij het karakter van deze gebieden. Door de gebieden aan te duiden kan de gemeente de waarden betrekken in hun afweging.

 

Groenblauwe waarden zijn vaak gekoppeld aan het bodem-watersysteem (zoals de aanwezigheid van een kwel), aan landschapselementen (zoals houtwallen en heggen), of aan het voorkomen van bijzondere planten en dieren. De provincie streeft niet alleen naar het beschermen van die waarden maar juist ook op de ontwikkeling daarvan. Daarom geldt binnen Groenblauwe waarden dat ontwikkelingen bijdragen aan de natuur- en landschapswaarden en het bodem- en watersysteem. Het beleid richt zich ook op een toename van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen passen daarom qua aard en schaal bij het ontwikkelingsperspectief voor de groenblauwe mantel en houden rekening met omliggende waarden.

 

Gemeenten werken het concrete beleid binnen een gebied verder uit, rekening houdend met deze achterliggende doelstellingen. Hierbij is veel achtergrondinformatie beschikbaar, zoals de gebiedspaspoorten en de gebiedsgerichte ontwikkeling van gebieden zoals opgenomen in het Groenblauw Stimuleringskader.

4.12.2 Analyse plangebied

 

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op ongeveer 1,9 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied Kampina en Oisterwijkse Vennen. Gezien deze afstand kunnen negatieve effecten op dit Natura2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. De effecten door stikstofdepositie zijn met een AERIUS-berekening berekend. De resultaten hiervan staan beschreven in paragraaf 4.6.

 

Natuurbescherming in TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant

Het plangebied ligt pal tegen het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur), zoals begrensd op de kaarten van de TAM-Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het betreft een nog niet gerealiseerde ecologische verbindingszone (EVZ) met een ruimtebeslag van 50 meter, 25 meter aan weerszijde. De uitrit van de ambulancepost en de kruising waar het op aansluit liggen direct tegen de EVZ aan (Figuur 1). 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: planverbeelding behorend bij omgevingsplanwijziging

 

Het plangebied grenst aan verschillende beheertypen van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Dit zijn N12.02 Beek en Bron, N12.02 Kruidenrijk en faunarijk grasland en N16.03 Droog bos met productie. Vanuit de quickscan natuur Kempenbaan Oost is een inschatting gemaakt of er via externe werking negatieve effecten kunnen optreden op de ecologische kenmerken en waarden van de NNB-beheertypen. De verstoringsfactoren geluid en licht zijn meegenomen. Beide factoren zullen niet leiden tot een verstoring van het NNB. De huidige natuur is al aan een zekere geluidsverstoring vanuit de Kempenbaan gewend geraakt. Een toename van vrachtverkeer tot aan het stadsdistributiecentrum zal niet voor significant extra geluidsbelasting zorgen. De ontsluitingsweg gaat ook gebruikt worden door een ambulancepost. Er wordt een slimme VRI geïnstalleerd, die zoveel mogelijk zal voorkomen dat de ambulances op de ontsluitingsweg sirenes moeten aanzetten. Op deze manier wordt geluidsverstoring vanuit deze bron tot een minimum beperkt. Verstoring door verlichting zal optreden via inschijnende koplampen van uitrijdend verkeer. Door strategische aanplant van dicht struikgewas wordt verstoring voorkomen. Dit wordt meegenomen bij de inrichting van de EVZ. 

 

Wanneer de ecologische verbindingszone is gerealiseerd, wordt er verwacht dat algemene amfibieën en kleine zoogdiersoorten de ontsluitingsweg zullen oversteken richting de wadi van het Stadsdistributiecentrum. Om wildaanrijdingen te voorkomen worden maatregelen getroffen om dit te voorkomen, zoals het aanbrengen van natuurlijke geleiding of het plaatsen van een amfibieënscherm. De exacte uitwerking volgt wanneer de EVZ op deze locatie wordt gerealiseerd.  

  

Bij de uitwerking dient de lichtuitstraling vanuit de nieuw aan te leggen weg en ambulancepost in beeld gebracht te worden en dienen de maatregelen concreet gemaakt te worden. Voor de mitigerende maatregelen tegen lichtverstoring kan worden gedacht aan dynamische verlichting, lagere lichtmasten en gerichte armaturen, afschermende beplanting en aangepaste lichtkleuren. 

Door het treffen van de hiervoor genoemde mitigerende maatregelen is verstoring door deze effecten redelijkerwijs uit te sluiten.

 

Soortenbescherming

Er is op 16 april 2020 een ontheffing van de Wet Natuurbescherming (Wnb) verleend, met kenmerk Z/101882, voor de sloop van opstallen op de ontwikkellocatie. De ontheffing heeft betrekking op de muurhagedis, kerkuil en wezel en is verleend op basis van mitigatieplannen. Deze zijn opgesteld door bureau Natuurinclusief. Voor gewone dwergvleermuis is geen ontheffing verleend, maar is gewerkt onder de gebiedsontheffing van gemeente Tilburg. Ook hiervoor is door Natuurinclusief een mitigatieplan opgesteld. Deze plannen zijn mogelijk nog niet uitgevoerd en dit dient nog te gebeuren.

 

De onderzoeken die voorafgegaan zijn aan de ontheffing zijn inmiddels niet meer rechtsgeldig. De reden hiervoor is dat het terrein zich op een natuurlijke manier opnieuw heeft kunnen ontwikkelen. Er is daarom opnieuw een quickscan flora en fauna uitgevoerd op het terrein (zie bijlage 9). Uit de quickscan blijkt voor een aantal soort(groep)en mitigerende maatregelen genomen moeten worden om negatieve effecten of strijdigheid met de specifieke wettelijke zorgplicht te voorkomen. Het gaat om grondgebonden zoogdieren zoals egel, konijn en vos, vogels, amfibieën en vleermuizen. Voor de meeste soorten gaat het om uitvoeringsmaatregelen om het doden of verwonden van dieren te voorkomen. Voor de vleermuizen gaat het om het voorkomen van negatieve effecten op vliegroutes door verlichting.

 

Bovendien is er gekeken of de mitigatieplannen van Natuurinclusief zijn uitgevoerd; hiervoor zijn vooralsnog de tijdelijke maatregelen uitgevoerd. Definitieve inrichtingsmaatregelen zijn nog nodig voor wezel, muurhagedis (in de groene ruimte rondom de bouwvlakken) en vleermuizen (verblijfplaatsen in gebouwen). Deze maatregelen zijn uitvoerbaar op basis van het omgevingsplan.

 

Naast de wettelijke verplichtingen is er een aantal beleidsvelden van kracht waaraan gehoor gegeven moet worden. Eén daarvan is het puntensysteem voor natuurinclusief bouwen. Dit beleidsstuk en de B-Corp certificering dienen als uitgangspunt genomen te worden bij de technische en architectonische uitwerking van de ambulancepost en de kruising, al dan niet in samenspraak met het stadsdistributiecentrum. De tijdelijke inrit vanaf de Kempenbaan doorkruist een 3e orde ecologische structuur, zoals aangegeven op de Stadsnatuurkaart 2040 (Raadsbesluit januari 2022). Na de ontwikkeling dient deze ecologisch te functioneren. Daarnaast geldt het afwegingskader "mag het licht uit". Dit houdt in dat verlichting op de 3e orde ecologische structuur zoveel mogelijk voorkomen dient te worden en waar mogelijk diervriendelijk wordt toegepast. Verlichting in de evz dient voorkomen te worden. Als laatste dient er een faunatunnel van 200 x 70 cm gerealiseerd te worden onder de inrit vanaf de Kempenbaan. Dit om de barrièrewerking van de inrit op de ecologische structuur te doorbreken/mitigeren.

 

Bij alle ecologische ontwikkelingen dient een ecologisch deskundige en een ecoloog van de gemeente Tilburg aangehaakt te worden.

4.12.3 Conclusie

4.13 Lichthinder

 

4.13.1 Wettelijk kader

Kunstmatige verlichting kan hinder voor de mens veroorzaken evenals hinder langs wegen, verstoring van de natuur en horizonvervuiling. Voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen, ook wel assimilatieverlichting genoemd, zijn rijksregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (artikel 4.790 Bal). In artikel 22.239 van de bruidsschat zijn regels opgenomen voor lichthinder bij het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast. Voor het toetsen van objecten met verlichting langs auto(snel)wegen dient het kader Beoordeling van Objecten langs Auto(snel)wegen (Rijkswaterstaat, 12 juni 2019) gevolgd te worden.

 

Verder is sprake van de specifieke zorgplicht uit het Bal wanneer een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit is bij een MBA uit het Bal. De specifieke zorgplicht beschermt namelijk de belangen genoemd in artikel 2.2 van het Bal. En in artikel 2.2, 1e lid, onderdeel c, onder 5, staat lichthinder.

 

Er zijn nog geen gemeentelijke regels rondom lichthinder opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. In het kader van het beschermen van de gezondheid (§5.1.4rdt wel gevraagd om eventuele lichthinder van overige activiteiten en de effecten hiervan op gezondheid te onderbouwen evenals het opnemen van maatregelen om lichthinder te voorkomen.

 

Specifiek voor deze ontwikkeling:

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen inrichtingen en/of activiteiten waarvan lichthinder kan worden verwacht. Een nader onderzoek lichthinder is daarom niet uitgevoerd.

4.13.2 Conclusie

Lichthinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Wateraspecten

 

5.1 Inleiding

De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de

waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en aspecten als waterveiligheid en

een goede waterkwaliteit geborgd zijn. De weging van het waterbelang is verplicht voor alle

overheden die ruimtelijke plannen ontwikkelen of hierover besluiten.

 

Een ruimtelijk plan dient vergezeld te gaan van een gemotiveerde afweging van de waterbelangen. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid en een goede waterkwaliteit geborgd zijn. De gemeente beoordeelt deze afweging als er aanpassingen nodig zijn in het omgevingsplan en stemt hierover af het met waterschap. Het waterschap beoordeelt deze afweging bij de aanvraag van de omgevingsvergunning.

5.1.1 Doel

Het doel van de weging van het waterbelang in het omgevingsplan is om ervoor te zorgen dat waterbelangen expliciet en evenwichtig worden meegenomen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent dat gemeenten bij het vaststellen van omgevingsplannen rekening moeten houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.

 

De weging van het waterbelang, voorheen bekend als de watertoets, helpt bij het beschermen van waterveiligheid en het behoud van waterkwaliteit. Gemeenten moeten de opvattingen van waterbeheerders betrekken bij hun plannen om te waarborgen dat waterbelangen goed worden geïntegreerd in de fysieke leefomgeving.

5.1.2 Afstemming met de waterbeheerder

Bij deze afweging van het waterbelang is Waterschap De Dommel betrokken en is in het concept van de afweging om een reactie gevraagd. Deze informele reactie is verwerkt in deze afweging van het waterbelang Kempenbaan Oost (zie ook paragraaf 7.2).

5.2 Planlocatie

 

5.2.1 Locatie

Het plangebied ligt tussen de Kempenbaan (west), de afrit Hilvarenbeek van de A58 (zuid), de weg Koningshoeven (oost) en de Nieuwe Leij (noord). Het bruto oppervlak is circa 3,5 hectare. In onderstaande afbeelding is een luchtfoto opgenomen.

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: luchtfoto van de planlocatie

5.2.2 maaiveld

Plangebied is laaggelegen in beekdal van de Nieuwe Leij. De terreinhoogte varieert tussen ca. 11,6 m +NAP en 12,35 m +NAP. Kempenbaan en snelweg liggen hoger, waarbij de afrit van een terreinhoogte van ca. 20,0 m +NAP aansluit op een terreinhoogte van ca. 13,6 m +NAP van de Kempenbaan.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5.2.3 Grondwaterstand

De Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ligt tussen de 11,00 - 11,50m + N.A.P. De gemiddelde grondwaterstand ligt rond de 11 meter m + N.A.P. De GLG ligt op 10,7 m + N.A.P. Deze grondwaterstanden zijn op basis van de gemeentelijke isohypsen-kaart. Dit is een inschatting van de werkelijke grondwaterstand. In het plangebied is is 1 peilbuis aanwezig die sinds 2018 wordt gemeten. Deze peilbuis laat een iets lager, maar vergelijkbaarbeeld zien.

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het gebied is gevoelig voor wateroverlast vanuit de Nieuwe Leij. Uit modelberekeningen van waterschap De Dommel blijkt dat eens in de 10 jaar de Nieuwe Leij een waterstand bereikt van 11,60 m + NAP. Op basis van de huidige klimaatscenario’s wordt 2050 eens in de 100 jaar een waterstand van 12,24 m + NAP verwacht.

 

5.2.4 Huidig oppervlak watersysteem

De noordgrens van het plangebied wordt gevormd door de Nieuwe Leij. Hiervoor geldt vanuit het WBP4 de inrichtingsopgave meandering. Om deze inrichtingsopgave te realiseren, geldt langs de Nieuwe Leij een profiel van vrije ruimte van 25 meter (weerszijden). De Nieuwe Leij heeft daarnaast een functie als Ecologische Verbindingszone in het provinciale natuurnetwerk.

 

De ruimte die hiervoor en voor ontwikkeling van de beek en het beekdal is gereserveerd in de TAM-Omgevingsverordening van de provincie is gereserveerd, is breder dan het profiel van vrije ruimte (ca. 75 meter vanaf de beek).

 

De Nieuwe Leij ligt in een dubbele duiker onder de Kempenbaan door.

 

Ten westen van het plangebied, parallel aan de Kempenbaan, stroomt de Oude Leij. Hier geldt geen inrichtingsopgave. Wel geldt hier de beschermingszone voor beheer en onderhoud is voor zowel Nieuwe als Oude Leij 5 meter aan de zijde van het plangebied.

 

Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een B-watergang, die uitstroomt in de Oude Leij. Binnen het plangebied zijn geen watergangen aanwezig. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de leggerkaart met daarop het profiel van vrije ruimte en de beschermingszone aan beide zijden van de Oude en Nieuwe Leij.[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het gebied is gevoelig voor wateroverlast vanuit de Nieuwe Leij. Uit modelberekeningen van waterschap De Dommel blijkt dat eens in de 10 jaar de Nieuwe Leij een waterstand bereikt van 11,00 m + NAP. Op basis van de huidige klimaatscenario’s wordt 2050 eens in de 100 jaar een waterstand van 12,24 m + NAP verwacht. 

Onderstaande afbeelding geeft deze situatie weer.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5.2.5 Waterketen

Binnen het plangebied is een gescheiden stelsel aanwezig. Dit stelsel ligt in de Koningshoeven. Westelijk van de Kempenbaan (Leijpark) komt een gemend overstort uit in de Nieuwe Leij. Bij de brug over de Koningshoeven is een meetpunt voor fysisch-chemische waterkwaliteit gelegen in de Nieuwe Leij.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: gescheiden riolering grenzend aan het plangebied

 

5.3 Beleid en regelgeving

In deze paragraaf is het huidige beleid ten aanzien van stedelijk waterbeheer beknopt toegelicht. Het stedelijk waterbeleid wordt ingevuld door de gemeente Tilburg en waterschap De Dommel. Het provinciaal beleid wordt ingevuld door de provincie Noord-Brabant.

5.3.1 Provincie Noord-Brabant

Brabantse Omgevingsvisie: Deze visie bevat beleidsdoelen en uitgangspunten voor stedelijke en landelijke inrichting met het oog op klimaatadaptatie en waterbeheer. Het richt zich op het integreren van waterbelangen in ruimtelijke plannen. Klimaatverandering leidt in Brabant tot meer extreem weer met hittegolven, hogere piekwaterafvoer in rivieren en beken, piekbuien en droogte. Dit heeft negatieve gevolgen voor de leefbaarheid in Brabant en daarmee nemen risico’s op schade door wateroverlast en waterschaarste toe.

 

De Brabantse Omgevingsvisie kent kernwaarden voor het handelen van de provincie. Dit zijn meerwaardecreatie, kwaliteit boven kwantiteit, sociale en technologische innovatie, continue verbetering van de leefomgeving en proactief en preventief handelen. Ze zijn vertaald in zeven handelingsprincipes, specifiek voor het beleid en de uitvoering op het vlak van wateren bodem. Degene die betrekking hebben op onderliggende rapportage zijn hieronder samengevat.

 

Principe 2) Elke druppel telt

Het (regen)water wordt zo min mogelijk afgevoerd en wordt zoveel mogelijk vastgehouden in de bodem zodat het kan infiltreren in het grondwater. Hoger gelegen gebieden functioneren als infiltratiegebieden, lagergelegen gebieden zijn structureel natter.

 

Principe 3) Niet alles kan overal

Het grondgebruik is volgend op wat het water- en bodemsysteem aan kan: niet alle gebruiksfuncties kunnen overal plaatsvinden in Brabant. Zo zijn in gebieden waar we ons drinkwater halen uit ondiepe pakketten de mogelijkheden voor bodemenergie beperkt.

 

Principe 4) Brabant is in staat extreme weersituaties op te vangen

Bij het optreden van extreme situaties zoals piekbuien, hoogwater of langdurige droogte, is er minder snel of minder ernstige overlast of schade.

 

Regionaal Water en Bodem Programma (RWP): Dit programma beschrijft hoe de provincie samenwerkt met strategische partners om veilig, schoon en voldoende water te waarborgen. Het biedt richtlijnen voor het beheer van watersystemen en bodemkwaliteit. Het RWP omvat de volledige water- en vitale bodemopgave in Noord-Brabant voor de planperiode 2022-2027, met een doorkijk naar 2050.

 

De TAM-Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant is een tijdelijke alternatieve maatregel die is ingevoerd om de overgang naar de Omgevingswet te vergemakkelijken. Deze verordening bevat regels en voorschriften die van toepassing zijn op verschillende activiteiten binnen de provincie, zoals milieubelastende activiteiten, grondwaterbescherming, en stiltegebieden. De verordening is bedoeld om de kwaliteit van de leefomgeving te waarborgen en te verbeteren door duidelijke richtlijnen te geven voor het uitvoeren van activiteiten die invloed hebben op het milieu en de natuur.

 

Daarnaast bevat de TAM-Omgevingsverordening instructieregels voor gemeenten en waterschappen. Deze instructieregels geven aan welke onderwerpen zij in hun omgevingsplannen moeten opnemen en hoe zij bepaalde taken moeten uitvoeren Dit helpt bij het harmoniseren van beleid en maatregelen op lokaal niveau, zodat er een samenhangend en effectief omgevingsbeleid ontstaat.

 

Een belangrijk aspect van de verordening is het overgangsrecht. Dit houdt in dat plannen en vergunningen die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijven vallen onder het oude recht zoals opgenomen in de Interim omgevingsverordening. Dit zorgt voor continuïteit en duidelijkheid voor betrokken partijen tijdens de overgangsfase.

 

Specifiek voor dit plan is artikel 5.42 Behoud en herstel van watersystemen van toepassing voor dit plan. De bijbehorende zonering overlapt met het noordelijk deel van het plan.[image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Artikel 5.42 Behoud en herstel van watersystemen

Lid 1. Een omgevingsplan ter plaatse van Behoud en herstel van watersystemen strekt mede tot de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.

Lid 2. Het omgevingsplan stelt regels die:

  1. het oprichten van bebouwing beperken;

  2. het aanbrengen van verharde oppervlakten beperken; en

  3. het ophogen van gronden beperken.

Lid 3. Een omgevingsplan ter plaatse van Behoud en herstel van watersystemen kan in afwijking van het eerste lid een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als:

  1. reële alternatieven voor die bouw- of gebruiksactiviteit ontbreken; en

  2. uit overleg met het waterschap blijkt dat hiertegen geen bezwaren bestaan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het betreft hier een bestaand bedrijventerrein, dat al grotendeels mocht worden bebouwd en verhard. Het plan voorziet in de realisatie van een ecologische verbindingszone van gemiddeld 25 meter aan zowel de noord- als zuidzijde van de Leij, hiermee dient het plan de waterdoelen en is er sprake van een verbetering t.o.v. de huidige situatie.

5.3.2 Waterschap De Dommel

Waterschap De Dommel heeft verschillende beleidsregels die van toepassing zijn op nieuwbouwplannen.

 

Waterbeheerprogramma 2022-2027: Dit programma bevat richtlijnen voor waterbeheer, waaronder maatregelen voor waterkwaliteit en -kwantiteit. Waterschap De Dommel start de watertransitie naar een toekomstbestendige waterhuishouding in 2050. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Samen met alle partijen in het gebied hanteren we drie eenvoudige, sterke richtinggevende principes voor alle ontwikkelingen:

  1. Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt

  2. Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan

  3. Wat schoon is moet schoon blijven

 

Voor het plangebied betekent dit onder meer:

 

Waterschapsverordening:

Deze verordening bevat specifieke regels voor activiteiten bij beken, sloten en gemalen. Het vervangt de traditionele keur en is digitaal beschikbaar.

 

Hier zijn onder andere de eisen aan de compensatie van verhard oppervlak te vinden. Voor hemelwaterafvoer naar oppervlaktewater gelden de bepalingen uit de waterschapsverordening afdeling 2.6 Lozen. Voor nieuw verhard oppervlak is het uitgangspunt hierbij dat een bergings-/infiltratievoorziening wordt aangelegd met 60 mm (60 liter per m2) berging. Daarnaast zijn hier ook regels opgenomen met betrekking tot de vereiste beschermingszone rondom de A- en B-watergangen, de aanleg van bruggen en is hier ook in artikel 1.7 de specifieke zorgplicht opgenomen.

 

Dit artikel stelt dat iemand die een activiteit uitvoert en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze activiteit schadelijke gevolgen kan hebben voor het watersysteem, verplicht is om:

  1. Alle redelijke maatregelen te nemen om deze gevolgen te voorkomen.

  2. Als voorkomen niet mogelijk is, de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  3. Als de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, de activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevraagd.

 

Deze zorgplicht geldt voor eenieder, en eenieder kan op een schending van deze zorgplicht worden aangesproken. Als het handelen of nalaten onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht, kan het bestuur bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen inzetten.

 

Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater:

Deze regels zijn gericht op het beschermen en verbeteren van de waterhuishoudkundige condities, zowel voor natuur als landbouw.

5.3.3 Gemeente Tilburg

In het PWR 2024 – 2027 is het beleid ten aanzien van het vervangen of aanleggen van verharding bij ruimtelijke ontwikkelingen of in de openbare ruimte opgenomen. Het plan Kempenbaan oost is een ruimte ontwikkeling.

Projecten waarbij realisatie van nieuwe infrastructuur, sloop en nieuwbouw van gebouwen of ontwikkeling van nieuwe wijken plaatsvindt, vallen onder de noemer ruimtelijke ontwikkelingsprojecten. Ontwikkelingen met een deel toekomstige openbare ruimte worden als volledige ruimtelijke ontwikkeling gezien. Deze werkzaamheden leiden in veel gevallen tot functieveranderingen en tot een toename of versnelling van de regenwaterafvoer. Doordat minder functies vastliggen zijn waterbergende voorzieningen beter in te passen. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt de in tabel 1 genoemde regenwateropgave.

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De ontwikkeling moet naast een opgave voor water op meerdere thema’s klimaatadaptief worden vormgegeven.

 

Voor een integrale aanpak en toetsing van deze verschillende opgaven is het duurzaamheidsinstrument ontwikkeld. Deze tool geeft inzicht in hoe maatregelen op één of meerdere thema’s bijdragen door middel van klimaatscores. Klimaatscores geven per gebied aan hoeveel groen minimaal ontwikkeld dient te worden en hoeveel verharding maximaal mag worden aangelegd. Ook geldt het puntensysteem Natuurinclusief Bouwen. Afhankelijk van de omvang van het bouwvlak en bouwhoogte wordt een minimaal aantal punten gevraagd welke behaald worden met het toepassen van natuurinclusieve maatregelen.

 

Verwerken van regenwater bij voorkeur bovengronds

Een waterslimme inrichting is echter niet altijd haalbaar. Soms is een ander handelingsperspectief nodig. Naast een multifunctionele bovengrondse inrichting willen we daarom meer nadrukkelijk ook het stapelen van functies in de ondergrond in beschouwing gaan nemen. Het plaatsen van een boom boven een waterbergingsvoorziening of boven op een leiding moet bijvoorbeeld kunnen als de levensduren van de voorzieningen zodanig op elkaar zijn afgestemd dat gelijktijdige vervanging mogelijk is en het goed blijft functioneren (o.a. voorkomen wortelingroei).

 

Voor het verwerken van regenwater hanteren we de volgende voorkeursvolgorde (vasthouden, bergen, afvoeren):

 

VOORKEURSVOLGORDE

  1. Regenwater infiltreren;

  2. Regenwater bovengronds bergen in openbare groenvoorzieningen zoals wadi’s, taluds, verlaagde bloemperken, etc;

  3. Regenwater bergen op gebouwen (groene daken);

  4. Regenwater bovengronds bergen op straat o.a. holle wegen, tussen trottoirbanden, verdiepte parkeervakken;

  5. Regenwater bergen in ondergrondse voorziening (mits goed te onderhouden)

  6. Regenwater oppervlakkig/ zichtbaar afvoeren over de weg;

  7. Ondergronds afvoeren via riolen.

5.4 Toekomstige situatie

 

5.4.1 Planopzet

De planopzet bestaat uit woningen, een ambulancepost, een ontsluitingsweg tussen de Koningshoeven en de Kempenbaan, een nieuwe kruising op de Kempenbaan ter hoogte van de nieuwe ontsluitingsweg, de aanleg van een ecologische verbindingszone en het toevoegen van groen en water. Daarnaast is ten zuiden van de ambulancepost reeds een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) verleend voor de realisatie van een stadsdistributiecentrum. Hoewel deze ontwikkeling geen onderdeel uitmaakt van deze wijziging van het Omgevingsplan is hij wel meegenomen in de ‘weging van het waterbelang’. Daarvoor is voor het hele gebied één waterhuishoudkundig plan opgesteld. In dit plan is beschreven dat de hemelwaterberging voor de ambulancepost en het distributiecentrum in één gezamenlijke voorziening wordt gerealiseerd.

 

De verharde oppervlakken en de bijbehorende hemelwateropgave zijn opgenomen in het waterhuishoudkundig plan (opgenomen in bijlage 13). Voor de ambulancepost is in totaal 5.408m2 aan verharding voorzien. Voor de woningbouw is in totaal 2.410 m2 aan verharding voorzien. Voor de nieuwe ontsluitingsweg is in totaal 1.950 m2 aan verharding voorzien.

 

Zoals hierboven omschreven is daarnaast de ontwikkeling van het stadsdistributiecentrum, dat reeds doormiddel van een BOPA vergund is relevant. Voor het SDC wordt in totaal 30.246 m2 aan verhard oppervlak toegevoegd. Hierbij is half-open verharding voor de helft meegerekend bij het bepalen van de verharding.

In totaal komt dit neer op een waterbergingsopgave van (5.408+2.410+1.950+30.246)*0,06= 2.402 m3. Met de extra BREEAM bergingseis van 10 mm voor het distributiecentrum en de ambulancepost is de hemelwaterbergingsopgave op 2.758 m3

 

5.4.2 Afvalwater

Voor de ambulancepost wordt uitgegaan van de uitvalsbasis voor 24 ambulances en 50 personen. Op basis van een afvalwaterproductie van 6 liter per uur (bron: kennisbank riolering van stichting RIONED) wordt een afvalwaterstroom van ongeveer 0,3 m3/per uur verwacht.

 

Verder voorziet het plan in de realisatie van maximaal 20 woningen. Uitgaande van gemiddeld 2,5 personen per woning die afzonderlijk maximaal 12 liter afvalwater per uur produceren levert dat een huishoudelijk afvalwateraanbod van ongeveer 0,6 m3/per uur. Voor het stadsdistributiecentrum wordt uitgegaan van de aanwezigheid van ongeveer 88 personen.

 

Er dient nog onderzocht te worden of in hoeverre gemaal Koningshoeven 65 is staat is dit extra afvalwater van 0,9 m3 per uur te verwerken.

5.4.3 Hemelwater

Voor de verwerking van hemelwater is in het rioolplan voor het distributiecentrum (reeds vergund) en de ambulancepost een gezamenlijke bovengrondse waterberging voorzien met een inhoud van 2.500 m3. In aanvulling daarop wordt 40 m3 hemelwater geborgen op het groene dak. Hiermee wordt voldaan aan de waterbergingsopgave van 2.496 m3 van deze voorzieningen.

 

Aandachtspunt hierbij is wel de geconstateerde vervuiling in het plangebied. De bergingsvoorziening wordt daarom voorzien van een folie zodat het hemelwater niet in de bodem kan infiltreren.

 

Voor de toename aan verhard oppervlak door woningbouw is op basis van de geprognotiseerde verharding in totaal een berging nodig van 145m3. Deze bergingsopgave dient nog verder uitgewerkt te worden en zal waarschijnlijk plaats vinden in de parkeerkoffers (d.m.v. bijvoorbeeld substraat) en/of in de aanwezige gemeenschappelijke buitenruimte (door bijvoorbeeld het realiseren van een Wadi) boven de GHG.

Voor de compensatie van de toename van verharding door de ontsluitingsweg moet rekening gehouden worden met 117 m3. Hiervoor wordt een bergingsriool aangelegd onder de toegangsweg met een volume van 118 m3.

5.4.4 Oppervlaktewater

Het gebied is gevoelig voor wateroverlast vanuit de Nieuwe Leij. Uit modelberekeningen van waterschap De Dommel blijkt dat eens in de 10 jaar de Nieuwe Leij een waterstand bereikt van 11,60 m + NAP. Op basis van de huidige klimaatscenario’s wordt 2050 eens in de 100 jaar een waterstand van 12,24 m + NAP verwacht.

 

Het huidige geplande vloerpeil van de ambulancepost is 13,00 m + NAP. Het peil van de woningen sluit aan op de hoogte van de Koningshoeven ter plaatse. De nieuwe bebouwing heeft mogelijk effect op het waterbergend vermogen van het gebied bij hoogwater in de Nieuwe Leij. De ontwikkelingen zijn toegestaan in het omgevingsplan. Bovendien was de locatie in het verleden ook al bebouwd. Dit betekent dat er, wettelijk gezien, geen verplichting is om de afname van waterberging te compenseren. Omdat echter bekend is dat het gebied kwetsbaar is bij hoog water, en we het water niet af willen wentelen, zijn de effecten van de ontwikkeling op de waterpeilen toch onderzocht.

 

De onderzoeksresultaten zijn beschreven in het waterhuishoudkundige plan dat is bijgevoegd in de bijlage. Bij een hoogwatersituatie met een herhalingstijd van 10 jaar (die dus statistisch eens in de 10 jaar optreedt) worden op de locatie geen problemen verwacht omdat de locatie hoger ligt dan het verwachte oppervlaktewaterpeil. Bij een hoogwatersituatie van 100 jaar stijgt het water van de Nieuwe Leij wel boven het peil van de planlocatie. Voor een paar plekken is dit, gezien de zeldzaamheid, acceptabel (dat geldt voor de laaddocks, de rijbaan ten oosten van het distributiecentrum en de wadi). Het onderzoek laat ook bij de woningen water op maaiveld zien. Hier is dit niet acceptabel, het bouwpeil voor de woningen wordt daarom verhoogd tot minimaal NAP 12,24 (het maximale waterpeil in de T=100 situatie).

 

In het onderzoek zijn ook de effecten op de omgeving van de planlocatie onderzocht. De berging voor oppervlaktewater in het gebied neemt immers af door de ontwikkeling van Kempenbaan Oost. Onderzocht is wat de verschillen tussen de waterpeilen voor de huidige situatie en voor de toekomstige situatie zijn bij een hoogwatersituatie met een herhalingstijd van 100 jaar. Uit het onderzoek blijkt dat het waterpeil bovenstrooms (ten westen) van Kempenbaan Oost ongeveer 1 à 2 cm stijgt. Benedenstroom is het waterpeil juist iets lager. Op een aantal plekken kan dit voor (toename) van wateroverlast zorgen. In het onderzoek zijn de kwetsbare plekken aangewezen en is een oplossing gezocht. Zo wordt er bij de Driehuizendijk 7 en de speelplaats van het OCL een ophoging aangebracht. Ook bij de tuin van Koningshoeven 63 worden maatregelen genomen, worden meegenomen in het ontwerp van de ecologische verbindingszone.

5.5 Weging van het waterbelang

 

In deze paragraaf wordt de afweging gemaakt in hoeverre de voorgenomen planontwikkeling tegenstrijdig is met het algemeen waterbelang.

5.5.1 Afvalwater

Het bestaande vuilwatersysteem is in staat het geproduceerde afvalwater te transporteren naar gemaal Koningshoeven 65. Er dient nog onderzocht te worden of in hoeverre gemaal Koningshoeven 65 is staat is dit extra afvalwater te verwerken. Als de capaciteit van het gemaal niet in staat is dit afvalwater zonder problemen te verpompen, dan is dit technisch op te lossen.

 

Daarom heeft deze ontwikkeling geen negatief effect op het afvalwaterbelang

5.5.2 Hemelwater

De verharding van het reeds vergunde stadsdistributiecentrum en de ambulancepost worden gecompenseerd door de aanleg van een bovengrondse waterberging die in staat is 70 mm neerslag (BREEAM-norm) te bergen alvorens over te storten naar het oppervlaktewater. In het ontwerp moet rekening gehouden worden met de GHG en een eventuele ophoging inclusief mitigerende maatregelen.

 

De woningen en verharding worden gecompenseerd op basis van 60 mm verharding. De wijze waarop het water wordt geborgen en de locatie dienen nog verder te worden uitgewerkt.De waterberging zal, gezien de hoeveelheid beschikbare ruimte, goed inpasbaar zijn. Ook hier dient rekening gehouden te worden met de aanwezige bodemverontreiniging. De infiltratie vanuit de geplande bergingen mag niet leiden tot een verspreiding van de verontreiniging.

 

Als wordt voldaan aan de voorgenomen hemelwateropgave en niet verder verspreiding van de verontreiniging, dan heeft deze ontwikkeling geen negatief effect op het hemelwaterbelang.

5.5.3 Oppervlaktewater

Het plangebied ligt direct aan de Nieuwe Leij. De locatie was in het verleden al bebouwd en opgehoogd. Ten opzichte van die situatie is er geen grote wijziging in het waterbergend vermogen van de locatie. De locatie ligt echter al een aantal jaar braak en ten opzichte van die tijdelijke situatie wordt het waterbergend vermogen wel kleiner.

We willen voorkomen dat de ontwikkeling van Kempenbaan Oost zorgt voor (meer) wateroverlast in de omgeving. We hebben daarom onderzocht wat de gevolgen van de ontwikkeling zijn op de oppervlaktewaterstanden van de Nieuwe Leij. Bij de T10 situatie (met een herhalingstijd van eens in de 10 jaar) wordt geen toename van wateroverlast verwacht. Bij een T100 situatie zal de waterstand bovenstrooms van de Kempenbaan wel iets hoger zijn dan in de huidige situatie. Op die plekken waar dit voor een (toename van) wateroverlast kan leiden worden mitigerende maatregelen getroffen.

5.5.4 Conclusie

De informatie uit dit hoofdstuk in overweging nemende is de voorgestelde planontwikkeling voor wat betreft het aspect water in beginsel mogelijk. De genoemde aandachtspunten zijn technisch op te lossen of ruimtelijk in te passen en vormen daarom geen bezwaar.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

 

Voor de ontwikkelingen die dit omgevingsplan mogelijk maakt, zijnde wonen en de vestiging van de ambulancepost, wordt geprefereerd een anterieure overeenkomst te sluiten. Indien dit niet mogelijk blijkt, zullen de kosten worden verhaald middels de kostenverhaalsvoorschriften in de regels van dit plan. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd.

6.1 Kostenverhaalsregels

Degene die wil (ver)bouwen op een plek die in de kostenverhaalsregels van het betreffende kostenverhaalsgebied is aangewezen als een kostenverhaalsplichtige activiteit, dient voordat hij start met de uitvoering de kostenverhaalsbijdrage (anders gezegd: de verschuldigde geldsom) betaald te hebben aan de gemeente (artikel 13.12 Omgevingswet). Als de kostenverhaalsbijdrage niet wordt voldaan op basis van een kostenverhaalsovereenkomst of als deze bijdrage niet is verdisconteerd in een overeenkomst waarin de gemeente bouwgrond verkoopt, dient deze bijdrage voldaan te worden op basis van een kostenverhaalsbeschikking. De bijdrage wordt dan ook wel ‘de verschuldigde geldsom’ genoemd. Degene die wil (ver)bouwen zal dan de in artikel 13.18 lid 1 van de Omgevingswet bedoelde kostenverhaalsbeschikking moeten aanvragen. Dit alles geldt binnen het gebied met de aanwijzing ‘Overige zone – kostenverhaalsgebied’.

Wat een kostenverhaalsplichtige activiteit is, is bepaald in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit.

 

Voor de ontwikkeling van de locatie Kempenbaan Oost is in het omgevingsplan het kostenverhaalsgebied Kempenbaan Oost opgenomen. De kostenverhaalsregels voor dit gebied zijn opgenomen in artikel 20 van de regels. Het kostenverhaalsgebied bestaat uit de gronden waar woningbouw mogelijk wordt gemaakt. Het kostenverhaalsgebied volgt niet geheel de afbakening van het gebied waarvoor het omgevingsplan wordt gewijzigd. Het kostenverhaalsgebied bestaat in hoofdzaak uit de gronden waar woningbouw en de vestiging van een ambulancepost mogelijk wordt gemaakt en daarnaast afrondend groen. Het kostenverhaalsgebied volgt niet geheel de afbakening van het gebied waarvoor het omgevingsplan wordt gewijzigd. Bepaalde delen worden uitgezonderd. Dat is duidelijk te maken met onderstaande afbeelding.

 [image]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: stedenbouwkundig plan

 

Met de wijziging van het omgevingsplan wordt onder meer voorzien in de mogelijkheid om een ambulancepost en een aantal woningen aan de oostzijde ervan te realiseren. Deze wijziging van het omgevingsplan sluit aan op het besluit tot afwijking van het omgevingsplan voor het Stadsdistributiecentrum (‘SDC”). Hiervoor is een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend.

 

De mogelijkheid om woningen te bouwen wordt in het omgevingsplan (mede) opgenomen om een afronding van bedrijfsbebouwing SDC en ambulancepost te creëren richting Koningshoeven. Bij de ontwikkeling van het SDC hoort de aanleg van een ontsluiting. Deze is voorzien aan de westkant aan de Kempenbaan zoals aangeven op figuur 1. Deze behoort daarmee niet tot het kostenverhaalsgebied. De wijziging van het omgevingsplan voorziet ook in een ambulancepost. De gronden voor deze post zijn op de uitsnede van het stedenbouwkundig plan aangeduid met de letters RAV. Voorafgaand aan de vaststelling van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan is een vergunning aangevraagd voor de realisatie van deze post. De verlening van deze vergunning was mogelijk op basis van een reeds bestaande binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Om die reden kan de bouw van de ambulancepost, ten tijde van de vaststelling van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan niet worden aangemerkt als een aangewezen bouwactiviteit in de zin van artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Deze gronden zijn daarom niet opgenomen in het kostenverhaalsgebied.

 

De gronden aan de noordkant van het gebied van het TAM-IMRO-plan worden in dit plangebied opgenomen om een planologische regeling te bieden voor de ontwikkeling van natuur (met de rivier De Leij) als onderdeel van een veel groter geheel van de kern Tilburg. Dit is niet zozeer gekoppeld aan de mogelijkheid om woningen en een ambulancepost te realiseren.

 

De gronden met de functie groen ten zuiden van zuidgrens van de gronden met een bedrijfsfunctie hebben die functie ten behoeve de landschappelijke inpassing van het SDC. Dit is als zodanig reeds verwerkt in de genoemde BOPA-vergunning voor het SDC. De woningen en de ambulancepost kwalificeren als bouwactiviteit in de zin van artikel 8.13 Omgevingsbesluit.

 

Met inachtname hiervan is het kostenverhaalsgebied afgebakend zoals hierna weergegeven in onderstaande afbeelding.

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Afbeelding: afbakening kostenverhaalsgebied

 

Voor nadere informatie over de kostenverhaalbeschikking wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze motivering.

 

 

 

 

Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg

 

7.1 Kennisgeving voornemen wijziging

Artikel 16.29 van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeente kennis geeft van het voornemen om het omgevingsplan te wijzigen. In de kennisgeving staat onder andere hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Voor onderhavige wijziging is het voornemen op 14 april 2025 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

7.2 Overleg met andere overheidsinstanties

 

In het kader van het overleg met andere overheidsinstanties is het concept ontwerp van de wijziging omgevingsplan naar de volgende instanties toegezonden:

 

 

De provincie Noord-Brabant en Waterschap De Dommel hebben een vooroverlegreactie gestuurd. In 11 is een samenvatting van de vooroverlegreacties opgenomen met een reactie van de gemeente hierop. Naar aanleiding van de vooroverlegreacties is het omgevingsplan aangepast, in die zin dat een aanduiding 'Waarde-ecologie' is opgenomen. Voor het overige geven de vooroverlegreacties geen aanleiding om het (ontwerp)besluit tot wijziging omgevingsplan aan te passen.

7.3 Omgevingsdialoog

Ter voorbereiding op het wijzigingsbesluit omgevingsplan is in het kader van participatie toepassing gegeven aan de Richtlijn omgevingsdialoog van de gemeente Tilburg. In de richtlijn is uitgelegd hoe burgers, bedrijven en andere partners in de (directe) omgeving bij de voorbereiding kunnen worden betrokken. In dat stadium worden ook de ketenpartners/overleginstanties betrokken of geïnformeerd.

 

Ter voorbereiding op het wijzigingsbesluit omgevingsplan is in het kader van participatie toepassing gegeven aan de Richtlijn omgevingsdialoog van de gemeente Tilburg. In de richtlijn is uitgelegd hoe burgers, bedrijven en andere partners in de (directe) omgeving bij de voorbereiding kunnen worden betrokken. In dat stadium worden ook de ketenpartners/overleginstanties betrokken of geïnformeerd.

 

In juli 2024 is een bewonersbrief verzonden aan 159 huisadressen. Hierin zijn belanghebbenden geïnformeerd over de stand van zaken en uitgenodigd om deel te nemen aan het planteam Kempenbaan-Oost. Vervolgens is een planteam van 12 leden gevormd. Het betreft bewoners, bedrijven en vertegenwoordiging van verenigingen in de omgeving. Vervolgens hebben er vier planteambijeenkomsten, elk met een eigen thema, plaatsgevonden onder leiding van een onafhankelijk voorzitter. Tijdens de bijeenkomsten is informatie gegeven, een dialoog gevoerd en heeft het planteam input gegeven voor het masterplan. Vervolgens heeft het planteam in een vijfde sessie haar gekwalificeerd advies geschreven op het masterplan. Voorafgaand daarop hebben de bewoners in een separate bijeenkomst ook de achterban geïnformeerd. Het college heeft een reactie gestuurd op het advies van het planteam. In deze reactie is aangegeven welke aspecten wel en niet zijn overgenomen in het masterplan en/of het vervolgproces. Voor de uitwerking van het stedenbouwkundig plan is met hetzelfde planteam gewerkt. Voor het stedenbouwkundig plan hebben er twee planteambijeenkomsten plaatsgevonden onder leiding van een onafhankelijk voorzitter. Tijdens de bijeenkomsten is informatie gegeven, een dialoog gevoerd en heeft het planteam input gegeven op de verschillende onderdelen uit het stedenbouwkundig plan. Vervolgens heeft het planteam in een derde sessie haar gekwalificeerd advies geschreven op het stedenbouwkundig plan. Het college heeft een reactie gestuurd op het advies van het planteam. In deze reactie is aangegeven welke aspecten wel en niet zijn overgenomen in het stedenbouwkundig plan en/of het vervolgproces. Het stedenbouwkundig plan vormt de onderlegger voor de wijziging van het Omgevingsplan, daarmee heeft de input van het planteam hier ook betrekking op.

 

Voor het (civieltechnisch) ontwerp van de kruispunten aan de Kempenbaan is een los planteam opgericht, omdat de invloed van deze ingrepen mogelijk effect hebben in een groter gebied dan het stedenbouwkundig plan Kempenbaan-Oost. Voor dit planteam is in april 2025 een bewonersbrief gestuurd naar 877 adressen. Vervolgens is een planteam van 8 leden gevormd. Het betreft bewoners bedrijven en verenigingen. Voor dit planteam heeft er één planteam bijeenkomst plaatsgevonden onder leiding van een onafhankelijk voorzitter.   Op 4 juni heeft er een inloopavond plaatsgevonden in de kapel bij het Cenakel. Het planteam heeft inmiddels een gekwalificeerd advies uitgebracht (zie bijlage 12). Het college zal hier nog een reactie op versturen, waarin zij aangeeft welke aspecten wel en niet kunnen worden overgenomen. De ontwerpvraagstukken hebben echter betrekking op het kruispunt Cenakel-Kempenbaan-Koningshoeven en zijn daarmee (buiten plangebied) niet relevant voor de wijziging van het Omgevingsplan. De verslagen van de bijeenkomsten zijn opgenomen in bijlage 13.

7.4 Zienswijzen

Het ontwerpbesluit wijziging van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22p, Kempenbaan-Oost heeft met ingang van maandag 15 september 2025 tot en met maandag 27 oktober 2025 ter inzage gelegen voor zienswijzen. Gedurende deze terinzagelegging bestond de gelegenheid om schriftelijke of mondelinge zienswijzen in te dienen. De terinzagelegging heeft geleid tot vijf zienswijzen. De zienswijzen komen van de Provincie Noord-Brabant, Waterschap De Dommel, 2 omwonenden en Intospace 14 BV. De zienswijzen van de Provincie Noord-Brabant en het Waterschap De Dommel gaan met name over het (ontbreken van een) waterhuishoudkundig plan, de beschouwing en maatregelen in de Ecologische verbindingszone (EVZ), het toestaan van ongewenste functies in de functies ‘groen’ en ‘natuur’. De zienswijzen van omwonenden gaan over privacy en hinder door licht en geluid, de grondwaterstand, parkeren in het groen en overlast (geluid en verkeer) door de ambulancepost. De zienswijze van Intospace 14 gaat met name over de kostenverhaalsregels, de verplichting tot aanleggen landschappelijke inpassing en de hoogte van terreinafscheidingen.

 

De ingediende zienswijzen zijn in bijlage 15 ‘nota van zienswijzen wijzigingsbesluit TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22p, Kempenbaan-Oost’ samengevat en voorzien van een reactie. De zienswijzen zijn gedeeltelijk gegrond en leiden tot aanpassing van het omgevingsplan.